Twitter Updates 2.2: FeedWitter

31.8.07

Interview met Lee Harris

De Amerikaanse politiek filosoof Lee Harris heeft in Nederland enige naam gemaakt met essays in het voormalige Letter & Geest en met zijn boek Civilization and Its Enemies, waarin hij betoogde dat wij onszelf weliswaar te beschaafd vinden om er nog vijanden op na te houden, maar dat we wel degelijk een vijand hebben als iets of iemand ons eenmaal als ultieme tegenstander heeft bestempeld. Deze maand verscheen het nieuwe boek van Lee Harris: The Suicide of Reason. Daarin gaat het over het feit dat de redelijkheid en tolerantie van de westerse beschaving een historische toevalligheid zijn en dat we worden omringd door culturen, zoals die van de radicale islam, waarin het fanatisme en de wetten van de jungle regeren. Hoe kunnen wij daarmee omgaan zonder in het alternatief van fanatiek populisme te vervallen? Opinio publiceert deze week in vertaling de inleiding van dit boek, en een interview met Lee Harris, die in Nederland nog niet de bekendheid geniet die hij verdient.

U bent in Nederland nog niet zo bekend. Vertelt u eens wie u bent.

“O, maar ook in de Verenigde Staten ben ik onbekend, hoor. Ik woon in Stone Mountain, een dorpje in Georgia, en ik hoor nergens bij. Ik ben geen insider die met belangrijke mensen luncht. Ik ben een outsider’s outsider: ik werk niet bij een denktank, ben niet verbonden aan een universiteit, ik vertegenwoordig niets of niemand. Gelukkig maar, want daardoor heb ik mijn onafhankelijkheid kunnen bewaren. Wat anderen van mij denken, is voor mij in mijn positie immers van geen enkel belang. Ik hoef nooit iets te schrijven om een bepaald publiek te behagen. De keerzijde daarvan is natuurlijk wel dat ik geen eigen achterban heb, zogezegd, en dat mijn boeken hier niet worden besproken. Alleen Edward Rothstein heeft mijn boek genoemd, in zijn kunstcolumn in The New York Times.”

Toch, of juist hierom, willen we graag meer van u weten.


“Ik ben in 1948 geboren, in een boerenfamilie. Op school deed ik niets en daarom hebben mijn leraren me naar de universiteit gestuurd toen ik veertien jaar oud was. Ik heb religie en filosofie gestudeerd, aan de Emory University in Atlanta, aan Harvard Divinity School en aan de universiteit van Toronto. Maar ik had dyslexie, al heb ik dat altijd verborgen weten te houden; mede daarom ben ik altijd een gewone jongen gebleven: geen intellectueel van professie voor wie zijn eigen ideeën belangrijker zijn dan de objectieve werkelijkheid.

“Een dissertatie heb ik niet afgerond. Na de universiteit ben ik romans gaan schrijven, thrillers; want, zoals mijn toenmalige agent zei, horrorromans verkopen, ook als je onbekend bent en zult blijven. En ik heb een bedrijfje in glaszetten, blue-collar-werk dus. Ik heb daar veel van geleerd. Ik moest een klein bedrijfje leiden, elke dag hard werken, tegen de dreiging van een bankroet, en ik had uitsluitend omgang met gewone, normale mensen. Slechte ideeën heb ik me nooit kunnen permitteren, anders zou ik gelijk failliet zijn gegaan, en ik heb mijn opvattingen in discussies met gewone mensen altijd heel duidelijk en begrijpelijk moeten formuleren. De VS zijn groot geworden dankzij onze trots die zijn oorsprong vindt in hard werken met je handen. Werken met je eigen handen, het scheppen van iets materieels, leert je zelfdiscipline en brengt je gevoel voor de realiteit bij.

“Er voltrekt zich nu in dit land een vreselijke, snobistische ontwikkeling. We studeren ons dood. Er gaan veel te veel mensen naar de universiteit. Niemand leert meer gewoon een vak; iedereen leert maar door om bij een groot bedrijf, een grote onderneming, een grote overheid te kunnen gaan werken, zonder dat hij zich ooit zorgen hoeft te maken over het doodgewoon voortbestaan van de instellingen waar hij bij werkt. Ook dat leidt tot een vervreemding van de werkelijkheid.

En toen drong de grote werkelijkheid, de terugkeer van de geschiedenis op 11 september 2001, zich aan u op: u bent sindsdien heel andere dingen gaan schrijven.

“9/11 heeft een enorme impact gehad. Ik verbaasde me over de intellectuelen die binnen de kortste keren en bij bosjes kwamen uitleggen wat er precies was gebeurd, waardoor die ramp was veroorzaakt en wat het antwoord erop moest zijn. Ik had maanden nodig om mijn gedachten te ordenen en ik kwam tot de conclusie – anders dan Francis Fukuyama en Samuel Huntington, die gewoon hun Koude Oorlog-concepten dachten te kunnen toepassen – dat er iets geheel nieuws, iets zonder voorgeschiedenis, was gebeurd. Ik kwam in die tijd in contact met Todd Lindberg, die voor The Washington Post schreef, en die nodigde mij uit een artikel voor Policy Review te schrijven. Daarna ben ik ook voor de website TechCentralStation gaan schrijven en heb ik voor uitgeverij Simon & Schuster mijn boek over de vijanden van onze westerse beschaving geschreven. Altijd op uitnodiging overigens – ik durf haast nooit iets zelf aan te bieden, en altijd stukken waarin ik mijn ideeën kon toepassen op concrete, historische omstandigheden. Omdat ik niet beroemd genoeg was, wilde Simon & Schuster mijn boek over de zelfmoord van de westerse rede niet uitgeven. BasicBooks wel.”

Welke filosofen zijn voor u van belang geweest?

“Ik ben denk ik erg Europees georiënteerd. Hegel is belangrijk voor mij geweest, zeker door zijn dialectische manier van denken die eenzijdigheden overstijgt. In de Verenigde Staten zijn denkers als Richard Dawkins en Sam Harris momenteel erg populair, met hun boeken tegen geloof en religie. Maar het christendom is in de Europese geschiedenis enorm belangrijk geweest, juist ook voor het ontstaan van een cultuur van de rede. Je kunt het christelijk geloof wel persoonlijk verwerpen, maar het is erg dom om te wensen dat het nooit had bestaan. David Hume heeft bijvoorbeeld eens gezegd dat protestantse dissenters heel belangrijk zijn geweest, omdat zij weigerden te denken zoals anderen vertelden dat zij moesten denken. Onbedoeld hebben zij daarmee een belangrijke bijdrage geleverd aan het kritische rationalisme van de westerse cultuur.

“Hegel heeft mij deze gebalanceerde manier van denken bijgebracht. Hij benadrukte bijvoorbeeld ook dat de aanwezigheid van gewone mensen in een samenleving, mensen die stug vasthouden aan traditionele waarden, ontzettend belangrijk is. Als een kleine groep van hyperkritische mensen het alleen of vooral voor het zeggen heeft en eigen experimenten en ideologieën kan najagen, dan eindigt alles in een nachtmerrie.”

In het artikel ‘De nacht dat ik Amerikaan werd’ beschrijft u uw grote vertrouwdheid met de continentale, Duitstalige cultuur, met componisten als Bruckner en Schmidt en schrijvers als Grillparzer en Stifter.

“Ik kom uit het Amerikaanse Zuiden en ik ben in het klimaat van de zuidelijke baptisten opgegroeid. Folk en westernmuziek hoorden daarbij. Op mijn dertiende zag ik een opera op de televisie, en ik wist meteen: dit is waar ik van houd. Toen ik een jaar later naar de universiteit ging, ben ik daarom ook Duits gaan studeren – vanwege mijn liefde voor Wagner en Bruckner.”

In uw nieuwste boek poneert u de stelling dat het Westen een historische toevalligheid is, dat wij zijn gaan denken dat wij normaal zijn terwijl we eigenlijk een uitzondering zijn: we worden omringd door fanatieke tribale culturen en daar kunnen we maar moeilijk mee omgaan. Ziet u een omslag, een hernieuwd besef dat we waakzamer, zelfbewuster en assertiever moeten worden?

“Ik zou het eerlijk gezegd niet weten. Ik heb in dit boek niet opgeschreven hoe de wereld volgens mij zou moeten zijn, maar hoe zij is en hoe de wereld zich in de nabije toekomst logischerwijs zal ontwikkelen. Wij vinden onszelf redelijk en tolerant, en willen dat blijven. We hebben daarom nauwelijks verweer tegen onze vijand, de fanatici die onze beschaving vanuit gevoelens van ressentiment haten. Daarom ontkennen we de problemen, kijken we ervan weg of denken we ze op de traditionele manier, via discussie en onderhandeling, te kunnen oplossen. Dat is een ontkenning van het essentiële feit dat in de cultuur van de fanatici, zoals de radicale islam, alleen de wet van de jungle, alleen het recht van de sterkte, geldt.”

Maar u ziet wel tekenen van hoop?


“Ik ben al met weinig tevreden, geef ik toe. The New York Times publiceerde onlangs een artikel over ‘The Politics of God’, met de opmerking dat ‘de fanatici terug zijn’. Ze bedoelden daarmee de islamisten, en dat is een doorbraak. Voorheen werd de term ‘fanatici’ gereserveerd voor evangelische christenen, wat natuurlijk een werkelijkheidsvreemde opvatting was. Ik ken veel evangelische christenen, en alhoewel zij weten dat ik gay ben, blijven zij mijn vrienden. Ze slaan me niet in elkaar en ze dreigen daar ook niet mee.”

U bepleit een vorm van ‘verlicht tribalisme’. Zou het onderwijs daarin geen belangrijke rol moeten spelen?

“Ja natuurlijk! Idealiter zou het zo moeten zijn dat ons onderwijs onze kinderen weer bijbrengt waar we vandaan komen, wat de kernwaarden van onze beschaving zijn en hoe we die waarden compromisloos moeten verdedigen, zonder een duimbreed te wijken voor opvattingen die daar haaks op staan.

“Maar de belangen op de scholen en universiteiten, waar anti-Amerikaanse linksigheid en multiculturalisme domineren, zijn te groot. Nieuwe paradigma’s – die wij dus zo nodig hebben – ontstaan niet omdat mensen zich daartoe bekeren, maar omdat de aanhangers van de oude paradigma’s uitsterven. En dat gaat niet snel genoeg.”

En zo constateert u ook dat wij de moslims niet veranderen, maar dat zij ons veranderen.

“Ja, vroeger was het eenvoudig: toen moesten we de democratie tegen vijanden van buiten – ideologieën als het nazisme en het communisme – beschermen. Nu is er sprake van een interne dreiging. Die dreiging leidt niet tot een clash tussen beschavingen – zoals Huntington heel ouderwets poneerde – maar zeer waarschijnlijk tot een crash van onze beschaving. Tenzij een verantwoordelijke elite met autoriteit die crash voorkomt – maar dat is in de geschiedenis zeldzaam geweest en dat zie ik, ben ik bang, ook nu niet zo snel gebeuren. In plaats daarvan hebben we nu politici die alleen maar doen alsof ze de problemen aanpakken. De bevolking heeft dat, zeker op de lange duur, natuurlijk wel door, en ontevredenheid kan dan snel omslaan in haat. En dat is heel gevaarlijk. Want dan worden mensen ontvankelijk voor de populistische boodschap van agitatoren en demagogen. Wat je dan ziet, ook in Nederland, is een decadent politiek centrum, waar de oude politieke partijen zich geen raad meer weten met de problemen. Op beide vleugels ontstaan sterke en groeiende populistische partijen. En dan dreigt het scenario van de ‘ochlocratie’, de regering door de massa, met gevechten op straat en burgeroorlogachtige toestanden als gevolg. Weimar-achtige toestanden, dat is mijn grote nachtmerrie.

“Als ik dus schrijf dat niet wij de moslims veranderen, maar zij ons, dan bedoel ik niet alleen dat wij ons voortdurend aan hun wensen en verlangens aanpassen – dat ook – maar dat de spanningen en conflicten die hun aanwezigheid oproepen, ertoe leiden dat onze cultuur crasht en terugkeert tot het niveau van de jungle, waarin het recht van de sterkste zal gelden.”

Een woord van hoop, meneer Harris!

“Ik kan alleen maar hopen dat het besef doordringt dat het zo niet verder kan, dat er een culturele omslag komt, en daaropvolgend een verandering. Maar ik zou niet weten hoe. Ik heb niet opgeschreven hoe ik mij de wereld wens, maar hoe zij zich logischerwijs zal ontwikkelen.”

Ook verschenen in Opinio.

21.8.07

Stammenstrijd

Recensie van Lee Harris, The Suicide of Reason: Radical Islam’s Threat to the West, Basic Books

Niet wij veranderen de moslims, maar de moslims veranderen ons. Maar er is hoop, als de wereld maar wordt zoals de Nederlanders waren in de zeventiende eeuw, zo betoogt de Amerikaanse filosoof Lee Harris.

De boodschap van het nieuwe boek van de Amerikaanse politiek filosoof Lee Harris is hoogst onaangenaam. Het is – kort en goed gezegd – een pijnlijk boek. Het zet het mes in het vlees van het vrije Westen, draait het daar een paar keer in rond, en laat het daarna in dat vlees achter.

Al eeuwen, zo betoogt Harris, koestert het Westen de hoop dat de islam zal veranderen en net zo modern, rationeel en vreedzaam zal worden als wijzelf. De confrontatie met de weelde en de vrijheid van onze beschaving zou de islam ertoe verleiden afscheid te nemen van zijn tribale cultuur van collectief fanatisme. Maar, zo stelt Harris vast: niet wij veranderen de islam, de islam verandert ons.

Harris citeert de Engelse arabist E. W. Lane, die begin negentiende eeuw voorspelde dat het contact met de Europese beschaving ertoe zou leiden dat de islamitische ‘fanatieke intolerantie’ minder zou worden. Maar in de laatste editie van zijn boek over Moderne Egyptenaren schreef Lane dat zijn voorspelling niet was uitgekomen. ‘Integendeel, Europese vernieuwingen hebben het fanatisme bij het grootste deel van de bevolking alleen maar doen toenemen’.

De gedachte dat wij in het Westen normaal zijn, en dat wij de geschiedenis aan onze zijde hebben, zozeer zelfs dat onze liberale democratie en ons kapitalisme de gehele wereld onherroepelijk zullen veroveren, en dat de geschiedenis daarmee zijn spoedige voltooiing en einde zal vinden, heeft een laatste, en welbespraakte woordvoerder gevonden in Francis Fukuyama. De gedachte dat de rede (in de zin: van rationeel denken) alle mensen van nature eigen is, en dat alle mensen daarom uiteindelijk hetzelfde willen (namelijk: vrijheid, autonomie en welvaart) was ook de kern van de gedachtegang van de neoconservatieve beleidsmakers die sterke invloed op de regering-Bush hebben uitgeoefend. Ook zij hebben zich vergist, net als Lane begin negentiende eeuw en Fukuyama aan het einde van de Koude Oorlog. Het Westen wordt sinds 9/11, sinds de oorlogen in Afghanistan en Irak, sinds de aanslagen in Madrid en Londen, en sinds de moord op Theo van Gogh, geconfronteerd met een cultuur die begrijpt dat onze westerse manier van denken en leven de ernstigste bedreiging van haar eigen tradities vormt, en die vooral ook begrijpt dat intimidatie en geweld in het Westen tot paniek en verwarring leiden, en tot een toegeven aan de eisen en verlangens van moslims. Het ressentiment dat deze gewelddadige intimidatie voedt, is uit op anarchie, op een crash van onze beschaving, op een nieuwe gijzeling van de geschiedenis door het fanatisme – in de hoop en verwachting dat de implosie van de status quo tot een nieuwe orde zal leiden waarin de huidige orde zal zijn vernietigd en de nieuwe orde hùn orde zal zijn.

Want wij zijn anders dan zij. Wij denken wel dat ons rationalisme ‘natuurlijk’ en ‘normaal’ is, maar onze cultuur is een uitzondering, en het gevolg van een toevallige samenloop van omstandigheden. Wij willen vrij zijn, kunnen experimenteren, onze eigen keuzes kunnen maken – onafhankelijk van welke belemmerende tradities dan ook. En we zijn trots op een rechtsstaat die ervoor zorgt dat alle conflicten niet meer op een gewelddadige wijze, maar via vreedzame procedures en arbitrage worden beslecht. We denken dat dit normaal is, en kunnen ons nauwelijks nog voorstellen dat het elders anders is. Maar in feite zijn wij in het Westen een eiland dat wordt omringd door een wereld door een wereld waarin culturen domineren waarin niet onze ethische codes maar het recht van de sterkste en de wetten van de jungle heersen. Tribale culturen, want daar hebben we het dan over, waarin niet het individu telt maar het collectief, en waar mensen bereid zijn te sterven voor de handhaving van de eigen (religieuze tradities). Ons rationalisme is geen natuurlijk gegeven, maar het product van een oude cultuur en een eeuwenlange ontwikkeling. De verabsolutering en vergoddelijking van de westerse rede is de snelste weg naar de zelfmoord van die rede.

Nu we deze tribale cultuur van de islam ook in het vrije Westen hebben geïmporteerd, en we sinds een aantal jaren op hardhandige wijze met de diepste aard van die cultuur zijn geconfronteerd, zijn velen nog steeds naïef genoeg om alle problemen te ontkennen of te vergoelijken. Zij denken dat fanaten door overreding en onderhandeling bij een kopje thee op andere gedachten te brengen zijn, of dat oproepen tot assimilatie de problemen zullen oplossen. De feiten tonen aan, aldus Harris, dat ‘moslimimmigranten geen enkele neiging vertonen om zich te assimileren. Wanneer zij zich in een andere cultuur vestigen, beginnen zij zelfs al snel te vragen om aanpassingen van die cultuur om hen in die cultuur in te passen.’ En velen in het Westen zijn maar al te zeer bereid zich aan die eisen en verlangens aan te passen – en dan hoeven we nog niet eens aan een seniele verrader als bisschop Muskens te denken, die vorige week zei dat we God maar Allah moesten gaan noemen. En een politiek van de verleiding werkt ook al niet – zij die ooit door de carpe diem-cultuur zijn verleid geweest (zoals Mohammed Atta en de zijnen), worden daarna de meest fanatieke bestrijders van die cultuur, juist omdat zij de weerzinwekkende fascinatie van die cultuur zo goed hebben leren kennen.

Wat wel werkt, zo betoogt Harris, dat is de houding die Nederland in de zeventiende eeuw aan de dag legde om zijn onafhankelijke Republikeinse traditie te handhaven tegenover de dreiging van de zee en een wereldmacht als die van de Zonnekoning. ‘Hoe lang zouden de Nederlanders hebben overleefd wanneer zij – zoals wij nu – de overtuiging hadden gehad dat we uiteindelijk allemaal hetzelfde willen, en hun kinderen hadden geleerd de cultuur te respecteren van degenen die probeerden hun vrijheid te vernietigen?’

Lee Harris maakte drie jaar geleden naam – zij het in beperkte kring – met een boek over een belangrijk thema: dat van de vijand (Civilization and Its Enemies). Daarin betoogde hij dat wij onszelf wel te beschaafd kunnen vinden om er nog vijanden op na te (willen) houden, maar dat we nu eenmaal een vijand hebben zodra iets of iemand ons als zijn ultieme vijand heeft bestempeld. In zijn nieuwe boek – een rijk boek, zowel historisch als filosofisch, waarvan ik hier slechts een enkele hoofdlijn heb kunnen belichten – biedt Harris een vervolg op die stelling. Als wij – het vrije Westen – een vijand hebben, en die hebben wij, dan doen we er goed aan die te leren kennen, de ‘wetten van de jungle’ te onderzoeken die in de cultuur van die vijand dominant zijn, en ons te wapenen – door ons weer bewust te worden van onze eigen culturele tradities en weer bereid en bekwaam te zijn die te verdedigen. Want de krachten die tot ochlocratie leiden waar Polybios het al over had zijn sterk en bestaan zowel uit de decadentie van de status quo als uit het fanatisme van radicale moslims als hun populistische tegenvoeters.

Harris wijst het Westen een gulden middenweg tussen de zelfmoord van de westerse rede en het tribalisme van het nieuwe populisme. Hij noemt dat ‘verlicht tribalisme’ of ‘kritisch liberalisme’. Alleen wanneer deze liberaal-conservatieve gedachtegang algemeen ingang zal vinden, zullen over 100 jaar (of minder) geen boeken over onze culturele zelfmoord en ondergang hoeven te verschijnen.

9.8.07

De volgende

Toegegeven, het was voor het eerst sinds maanden mooi zomerweer. Het was het weekend van de Gay Pride, waarop wij trots onze tolerantie vieren. En het consumentenvertrouwen bleek die dag weer bijna net zo groot als in 2000.

Maar in Voorburg liep die zaterdag een jonge man een supermarkt uit. Drie islamitische jongens stonden hem daar op te wachten en sloegen hem – de ‘kankerlandverrader’ – tegen de grond. Want die mooie jongen, Ehsan Jami, voorziet de islam van vrijmoedige kritiek en verdedigt het recht op geloofsafval. En daar houden Mohammedaanse bruinhemden niet van. Hun geloof schrijft hun voor korte metten met zo’n afvallige te maken.

Dat is ze net niet helemaal gelukt, en zo zijn we zaterdag 4 augustus aan een tweede 2 november ontsnapt. Het ‘incident’ roept een gevoel van onbehagen op dat aanvankelijk haast obsessief werd toen reacties van officiële zijde uitbleven. Geen minister Vogelaar, die op de TV kwam melden dat ze dit toch echt niet bedoelde toen ze een pleidooi voor een joods-christelijk-islamitische cultuur hield. Geen vooraanstaande PvdA’ers die het voor Jami opnamen, en blijk gaven van verontwaardiging over deze straatterreur en op harde maatregelen aandrongen om dit te voorkomen. En zo zat Jami tot en met die maandagmiddag alleen en zonder beveiliging op het adres dat via tal van islamitische websites bekend was.

De PvdA-fractie van Leidschendam-Voorburg (waar Jami deel van uitmaakt), liet bij monde van voorzitter Harry Oldersma weten dat ze er vanuit gingen dat Jami door de lokale politie werd beschermd. Maar dat is de slechtst denkbare situatie waarin een bedreigde opinievormer zich kan bevinden.

Ik heb dat zelf gezien en meegemaakt met de Leidse hoogleraar en columnist Afshin Ellian (nu adviseur en woordvoerder van Jami). In een boekwinkel in Den Haag zou ik hem het eerste exemplaar aanbieden van een boekje dat ik had geschreven. Ellian, die toen al ernstig werd bedreigd, moest met zijn eigen auto van zijn woonplaats naar Den Haag rijden. Hij moest zijn auto in een parkeergarage parkeren, en vandaar naar het dichtst bij zijnde politiebureau lopen. En vandaar werd hij door twee geüniformeerde agenten naar de boekwinkel geëscorteerd – alsof hij zojuist een halsmisdaad had bedreven.

Dat was de behandeling die een bedreigde intellectueel als Ellian ten beurt viel – en het ‘regime’ dat men ook voor Jami in gedachten had. Want Ellian is geen kamerlid, minister of lid van het Koninklijk Huis, en valt daarom niet onder het zogeheten Rijksdomein. Veiligheid is dan een zaak van de lokale politie, of je moet je eigen particuliere beveiliging willen (en kunnen) inhuren.

Inmiddels is de wet gelukkig veranderd en is Ellian gepromoveerd naar het Rijksdomein, wat betekent dat de landelijke overheid hem beveiligt. Dat is nu ook met Jami gebeurd – al is dat, als we de verslaggeving in De Pers en NRC Handelsblad mogen geloven – niet van harte gegaan: Ellian heeft met kracht van argumenten moeten inpraten op de heren van de NCTb (het nationale coördinatiecentrum voor terrorismebestrijding onder leiding van Tjibbe Joustra) om hen van de noodzaak van adequate beveiliging te overtuigen.

En nu is Jami dus ergens (waar dan ook), omringd door twee of meer beveiligingsagenten. Zijn bewegingsvrijheid is beknot, en daarmee zijn ruimte tot handelen en spreken. De sfeer van bedreigingen en intimidatie werkt zeer efficiënt.
Die wetenschap stemt zowel melancholiek als opstandig. Want Jami is gewoon de volgende: na Ayaan Hirsi Ali, die in Nederland geen leven meer had en naar de Verenigde Staten uitweek, na Geert Wilders, na Rita Verdonk, en na Afshin Ellian. Allemaal mensen die de rest van hun leven in een halve gevangenis leven – en daar, voorzover ik ze persoonlijk ken, vrolijk en strijdbaar onder blijven. Die kracht wens je ook Jami van harte toe.

Zoals je dit land toewenst dat het wat fermer stelling gaat nemen tegen deze zieke werkelijkheid van geweld en intimidatie – zodat we niet steeds herinnerd hoeven te worden aan een uitspraak van Ellian, die eens zei dat hij op een gegeven moment ineens begreep waarom de Duitsers in mei 1940 maar een paar dagen nodig hadden gehad om de boel hier over te nemen.

*) Ook verschenen in Binnenlands Bestuur.

8.8.07

Die Ene Man

Recensie van Polybios, Wereldgeschiedenis, 264 – 145 v. Chr., Athenaeum – Polak & Van Gennep, € 85,00

In zijn studie over het schone en sublieme beschreef Edmund Burke in 1757 de gevoelens van huiver en ontzag die historische gebeurtenissen bij ons kunnen oproepen. Ook het kwaad, belichaamd in het onheil van een revolutie van intellectuele wijsneuzen, kan zo’n ervaring van het sublieme oproepen, en dan is het maar te hopen dat er iets anders is (bij Burke: de traditie) dat minstens zo groots en imponerend is om tegen het gevaar bescherming te bieden. Want, zo voorspelde Burke, die Franse Revolutie zou ontaarden in een regering van het gepeupel, en die zou weer worden opgevolgd door het hoogst ongewenste bestuur van de ene grote man (Napoleon).

Die gevoelens tegenover macht en grootsheid bij historische omwentelingen blijken zo goed als universeel. Polybios, de Griekse historicus (200 – 120 v. Chr.), begint zijn boek over de wereldgeschiedenis van zijn tijd bijvoorbeeld met de volgende vragen: ‘Wie ter wereld is er zo ongeïnteresseerd of onverschillig dat hij niet zou willen weten op welke manier en met behulp van welke staatsvorm vrijwel de hele bewoonde wereld in minder dan drieënvijftig jaar is veroverd en onder één gezag, dat van de Romeinen, is gekomen? Iets dergelijks blijkt nooit eerder te zijn voorgekomen! En wie wordt er zozeer in beslag genomen door iets anders dat hij zou willen zien of weten, dat hij daaraan de voorkeur zou geven boven de hier geboden kennis?’

De ‘grootsheid van zijn onderwerp’ betrof de verbazingwekkend snelle opmars van Rome tot wereldmacht. In een korte periode waren de Romeinen erin geslaagd zich als de enige wereldmacht te vestigen. De drie Punische oorlogen tegen Carthago leidden tot de verwoesting van de stad in 146 voor Christus. In dezelfde periode brachten de Romeinen de Balkan onder controle en vestigden zij hun macht in Griekenland. Rome was vanaf toen de onbetwiste hegemoniale beheerser van de toenmalig bekende wereld.

Zijn verwondering bracht Polybios tot het stellen van de vraag naar de verklaring van deze ongelooflijke gebeurtenissen. Polybios zag historische kennis als nuttig. Een beschrijving en analyse van het feitelijke verloop van de gebeurtenissen, en het opsporen van de causale samenhang tussen die gebeurtenissen, zouden leiden tot begrip van de krachten die in de geschiedenis werkzaam zijn. Voor militairen en politici was er geen belangrijkere kennis denkbaar. ‘Als men in de geschiedenis zich niet meer afvraagt waarom, hoe en met welk doel de dingen gedaan werden, dan is wat overblijft misschien wel een fraaie prestatie voor het publiek, maar geen les. Zo’n werk mag voor een kort ogenblik onderhoudend zijn, het heeft geen enkel nut voor de toekomst.’

Om zijn vragen te beantwoorden werkte Polybios veertig jaar lang (160 – 120) aan een omvangrijk werk over de wereldgeschiedenis in de periode van 265 tot 145 voor Christus. Van dat werk (of beter: van de 30 procent die van de oorspronkelijke tekst bewaard is gebleven) is nu, voor het eerst sinds 1640, een Nederlandse vertaling verschenen, meesterlijk uitgevoerd en van goed gekozen noten voorzien door Wolter Kassies, in twee gebonden delen uitgegeven in de beroemde Baskerville Serie van uitgeverij Athenaeum.

De roerige periode in de geschiedenis waarvan Polybios een prachtig beeld schept, had zijn eigen leven gevoelig aangeraakt. Rond 200 geboren in Megapolis als zoon van een vooraanstaand politicus, was hij voorbestemd tot een politiek-militaire carrière binnen de Achaeische bond: een confederatie van steden en stadjes op de Peloponnesus die hun onafhankelijkheid zowel tegen de macht van de Macedonische koning (officieel de baas in Griekenland na de dood van Alexander de Grote) als tegen het opdringerige Rome wilden handhaven. Toen de Romeinen in 168 de Macedonische koning Perseus bij Pydna hadden verslagen, namen zij wraak op de steden die hen niet onvoorwaardelijk hadden gesteund door 1000 gijzelaars mee naar Rome te nemen. Polybios was een van hen.

Polybios verbleef in Rome – tot zijn gratie in 150 – en slaagde erin goede contacten op te bouwen met de Romeinse aristocratie. Hij genoot genoeg bewegingsvrijheid om getuigen te kunnen interviewen, bronnen te raadplegen en historische plaatsen te bezoeken. Zo reisde hij door de Alpen om Hannibals reis door de passen van de Alpen precies te leren kennen. Het resultaat van zijn inspanningen was een omvangrijk en ordelijk geschiedverhaal dat lange tijd veel autoriteit genoot maar in later tijd in vergetelheid raakte. Het raakte overschaduwd door de roem van Livius, die de Punische oorlogen stilistisch beter en op een opvoedkundig meer verantwoorde manier had beschreven. (Polybius is wat agnostisch.)

Die teloorgang was onverdiend en te betreuren – al was het maar vanwege het zesde boek waarin Polybios de Romeinse staatsvorm beschreef. Het succes van de Romeinen schreef hij niet alleen toe aan de combinatie van discipline en eerzucht die hun karakter kenmerkte, maar ook aan hun staatsinrichting, waarbij het monarchistische element (de consuls), de aristocratie (de senaat) en de democratie (de volksvergaderingen) elkaar op een voorbeeldige manier in balans hielden.

Maar die politieke stabiliteit is geen rustig bezit. Polybios legt uit dat een eeuwige kringloop dreigt waarin monarchie omslaat in dictatuur, aristocratie in oligarchie, en democratie in ochlocratie, d.w.z.: in de overheersing door een redeloze massa, waaraan één persoon dan weer een einde maakt en de hele cyclus opnieuw begint.

Wanneer wordt een democratie een ochlocratie? In een democratie, aldus Polybios, behoort het tot de goede zeden de goden te vereren, de ouders en voorvaderen te respecteren, en de wetten te gehoorzamen. Wanneer dit morele fundament ontbreekt, blijft er geen groter ideaal over dan de vrijheid om te doen wat men wil. De daaruit voortvloeiende chaos doet het volk al snel om een Grote Leider roepen, een soort paniekconservatief die de ‘gelijke rechten en vrijheid van meningsuiting’ afschaft en wraak neemt op het establishment dat hem altijd heeft buitengesloten.

Deze ontwikkeling heeft tot de val van de Romeinse Republiek geleid, en de Franse Revolutie het verloop gegeven dat Burke voorspelde. (En Burke was dus geen ‘profeet’, maar iemand die zijn klassieken kende.) De ontwikkeling van democratie tot ochlocratie kan ons ook aan het huidige Nederland doen denken, en ons doen voorstellen dat Polybios en Burke, wanneer ze Nederland nu zouden bezoeken, in de coulissen zouden gaan zoeken naar de Ene Man die zich daar schuilhoudt.

Die eeuwige cyclus was voor Polybios een bron van diepe weemoed. Hij was erbij toen zijn leerling Scipio Carthago in 146 met de grond gelijk maakte. Scipio huilde en citeerde Homerus’ verzen over Troje’s teloorgang en de val van Priamos. Waarom deed hij dat?, vroeg Polybios hem. ‘Polybios’, zei hij, ‘dit is een groots moment, zeker, maar toch, wanneer ik aan de toekomst denk, bevangt mij een onbestemde vrees dat iemand eenmaal ditzelfde bevel zal geven – maar dat het dan mijn eigen vaderstad zal betreffen.’

*) Ook verschenen in HP/De Tijd.

3.8.07

Drie dagen van voorzichtige hoop

Zoals bekend zijn het je beste vrienden die je je feilen tonen. Om die reden wil ik graag nog eens ingaan op de ontwikkelingen binnen de PvdA.

Laten we met het goede nieuws beginnen: er was eventjes, heel eventjes, enige reden tot hoop. De partij kwam een paar maanden geleden onaangenaam in het nieuws toen bekend werd dat het PvdA-gemeenteraadslid Ehsan Jami een comité voor ex-moslims wilde oprichten, en dat een groepje partijgenoten aangevoerd door filmmaker Eddy Terstall daar zo van schrok dat ze de jonge man uit Iran wilden gaan ‘begeleiden’. Dat bleek in het sociaal-democratisch jargon een ander woord voor ‘censureren’: Jami moest zijn toon en de inhoud van zijn uitspraken matigen omdat anders de allochtone achterban zich wel eens boos van de partij kon afwenden.

Maar toen kwam schrijver Joost Zwagerman kort daarop, in mei, met een essay waarin hij zijn Schaamte voor links uiteenzette. Zijn kritiek was niet kinderachtig: hij verweet ‘links’, en in het bijzonder de PvdA, zowel op het terrein van het onderwijs als inzake het multiculturalisme en de ‘moraliserende overheid’ te hebben gefaald. Maar Zwagerman, en dat is dus het goede nieuws van de afgelopen periode, kreeg geen begeleidingscommissie maar een heus debat in de Amsterdamse Singelkerk, waar partijprominenten als Wouter Bos, staatssecretaris Ahmed Aboutaleb, wethouder Adri Duivesteijn en de kamerleden Diederik Samsom en Jeroen Dijsselbloem met hem de discussie aangingen.

En er viel bij die gelegenheid zelf enige winst te noteren, en er kon dus voorzichtig enige hoop worden gekoesterd. Want Bos zei bij die gelegenheid dat we in het islamdebat niet om het doen van generalisaties heen kunnen. Aboutaleb wist zelfs dat Geert Wilders heel precies weet waar de pijn in de samenleving zit, en dat je zijn PVV dus serieus moet nemen. Bos nam afstand van old school PvdA’er Ella Vogelaar, minister van integratie, die het – anders dan Bos zelf – niet over boerka’s wil hebben. En hij prees ‘vooruitstrevende types’ als Zwagerman en Dijsselbloem. ‘Zij scheppen ruimte waarna ik als leider de nieuwe consensus kan bepalen’, zei hij tegen Kustaw Bessems (journalist van De Pers, een krant die je tegenwoordig moet lezen om dit soort dingen goed te kunnen volgen). Die uitspraak getuigt niet echt van leiderschap, maar vooruit, het is al heel wat.

Maar de voorzichtige hoop kon niet langer dan een dag of drie worden gekoesterd. Drie dagen na het debat in de Singelkerk publiceerde Trouw een aanstootgevend interview met Vogelaar waarin zij zei dat onze cultuur op den duur joods-christelijk-islamitisch moet worden. Er wonen hier nu eenmaal 1 miljoen moslims. En weer een paar dagen later zei Bos himself dat Nederland een centrum van islamitisch bankieren moet worden.

Beide uitspraken waren ongetwijfeld bedoeld om die allochtone achterban van de PvdA gerust te stellen en te vleien (en ze voelden zich gevleid), maar getuigen vooral van een onthutsende onwetendheid waarvan vooral die allochtone achterban zelf het slachtoffer zal worden.

Of een cultuur joods of christelijk is, dan wel (ook) islamitisch, heeft niets met de aanwezigheid van joodse, christelijke of islamitische bewoners te maken (wat Vogelaar ons wilde doen geloven). Onze cultuur is nogal schatplichtig aan de klassieke beschaving, terwijl het aantal Grieken en Romeinen dat zich hier metterwoon heeft gevestigd, mij te verwaarlozen lijkt. Bovendien heeft Vogelaar geen enkel oog voor elementen uit de islamitische cultuur die onverenigbaar zijn met de joods-christelijke beschaving, en daarmee houdt zij moslims gevangen in een tribale cultuur die hen blijvend op achterstand zal zetten.

Hetzelfde geldt voor Bos. Zoals de arabist Hans Jansen onlangs in het weekblad Opinio heeft uitgelegd, verbiedt de Koran geen rente maar woeker. Bovendien hebben de meeste moslims helemaal geen moeite met het betalen van rente. Door de fundamentalistische interpretatie te volgen, schept Bos ruimte voor een fraude- en leugengevoelige praktijk die de moslims die voor de listige constructies zullen vallen, veel schade zal berokkenen.

Een moment van verlichting blijkt binnen de PvdA snel door ideologische en electorale verblinding te worden gevolgd – en dan te bedenken dat er in Nederland niet snel iets zal veranderen zolang de PvdA de partij blijft die zij maar al te vaak blijkt te zijn.

*) Ook verschenen in Binnenlands Bestuur.