Twitter Updates 2.2: FeedWitter

31.5.08

Voedsel voor onterfden

De Engelse filosoof Roger Scruton bekeerde zich in mei 1968 in Parijs tot het conservatisme – omdat vormen in stand moeten blijven willen we de inhoud niet verliezen.

Een van de leukste mensen op aarde die ik ken, is de Engelsman Roger Scruton. Ik heb hem eens van Schiphol opgehaald, en zag een rossige, wat onhandige man, erg Brits, met klodders paardenstront op zijn broek. Dat nam mij gelijk al zeer voor hem in.

Met zijn vrouw en muze Sophie woont hij op een boerderij op het Engelse platteland (Brinkworth, Wiltshire). Hij zit daar te schrijven en piano te spelen en houdt er kippen, varkens en vooral paarden. Met die paarden leeft hij een van zijn grootste passies uit: de vossenjacht. Hij schreef daar in 1998 een zeer onderhoudend, deels autobiografisch boekje over (On Hunting), maar Scrutons probleem is natuurlijk dat de jacht sinds 2004 in Engeland officieel is verboden. Om die reden woont hij gedurende een deel van het jaar in de Amerikaanse staat Virginia, waar jagen niet als een criminele handeling wordt beschouwd. Hij doceert daar aan het Institute for the Psychological Siences in Arlington, en is tevens gasthoogleraar aan de Universiteit van Princeton.

Scruton is filosoof, en heeft, geboren in 1944, een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. Hij heeft aanvankelijk vooral boeken over zijn eigen vakgebied geschreven, die – zo heb ik wel eens gedacht – vooral tot doel hadden om zijn vakgenoten van zijn professionele kennis en kunde te overtuigen. Of dat helemaal gelukt is, weet ik niet. Hij heeft in een interview wel eens gezegd dat hij er niet in is geslaagd zichzelf respectabel te maken.

Scruton is en beetje het zwarte schaap van de Angelsaksische academische wereld. Dat heeft alles te maken met het feit dat hij op een gegeven moment is gestopt met mee te doen. De breuk in zijn leven ligt in 1968. Scruton was toen in Parijs en zag daar de revolutie door de straten dansen – en de toevlucht nemen tot lichtzinnig geweld en tot een nihilistische agenda die wel veel kapot wilde maken maar er weinig van blijvend belang voor in de plaats wist te stellen.

In de ongemakkelijke heroriëntatie die op die desillusie volgde, ontdekte hij het werk van de Engelse politicus en filosoof Edmund Burke (1730 – 1797). Burke had in het filosofisch curriculum een positie die hij tot voor kort ook nog aan de Universiteit van Amsterdam had: respectabel maar conservatief en dus achterhaald en dus was de studie van zijn werk tijdverspilling. Scruton ging hem echter lezen, en ontdekte drie belangrijke dingen: de verdediging van autoriteit, van tradities en vooroordelen, het inzicht dat de zelfingenomen minachting van revolutionairen voor voorouders tot een onterving van de nog ongeborenen leidt, en de gedachte dat de droom van gelijkheid en broederschap zich in de praktijk altijd uit in afgunst en haat, met veel geweld als gevolg. In de straten van Parijs had hij het allemaal met eigen ogen gezien.

In Nederland kun je het dezer dagen ook met eigen ogen zien. De roes van de vrijheid heeft tot een lichtzinnigheid en onverantwoordelijkheid geleid waarvan vooral jongeren de ravages in het leven van hun ouders en de ‘multiculturele’ samenleving hebben gezien. De minachting voor de traditie bij hun ouders, heeft hedendaagse jongeren onterfd. Op zoek naar een nieuwe orde in de chaos komen zij in veel gevallen uit bij het geestelijke voedsel dat Scruon hen aanreikt in de levensbeschouwing die hij in zijn boeken benoemt en verdedigt. Het zou mij niet verbazen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat Scruton vooral veel jonge lezers trekt.

Na zijn keuze tégen 1968 en tegen het werk van de filosofen die sindsdien in de mode zijn (geweest), is Scruton als intellectuele paria een geheel eigen weg gegaan. Na zijn studie in Cambridge doceerde hij van 1971 tot 1992 aan Birckbeck College in Londen, waar hij nog één andere conservatief aantrof: Nunzia, de Napolitaanse dame die maaltijden serveerde in de kantine voor de docenten en een lange neus naar de hoogleraren trok door haar toonbank te beplakken met kitscherige foto’s van de paus. Scruton doceerde daarna nog enkele jaren (van 1992 tot 1995) aan de Universiteit van Boston, en deed vooral wat een geleerde behoort te doen: boeken schrijven.

Scrutons oeuvre is ongekend veelzijdig. Hij schreef filosofische en esthetische verhandelingen, romans, verhalen, opera’s en twee autobiografische boeken. Hij hekelt het modernisme in de architectuur, waar eigenlijk iedereen een hekel aan heeft behalve de professionele critici die er hun brood mee verdienen, en die in de veronderstelling verkeren dat de stad van hen is en niet van de burgers. Hij kritiseert het moderne leven, zonder in een ondergangsstemming te verzinken. Hij publiceerde een elegie op het Engeland zoals het was: een weemoedige evocatie van een wereld van weleer en een verdediging van het blijvende belang van zijn tradities en instituties. Hij schreef een kritisch en goed onderbouwd boek over de islam, waarin hij duidelijk maakt dat de islamitische obsessie met de vrouwelijke seksualiteit en de status van de Koran (en de onverenigbaarheid daarvan met modern ideeën over seculier recht en bestuur) tot een ‘clash tussen beschavingen’ kan leiden, ware het niet dat moslims hun beschaving ergens in de woestijn hebben achtergelaten en nooit opnieuw hebben opgepakt.

Scruton publiceerde vorig jaar een boekje in de onvolprezen serie ‘Brief Encounters’ van de Amerikaanse publicist en uitgever Roger Kimball. Daarvan verschijnt deze week de Nederlandse vertaling onder de titel: Waarom cultuur belangrijk is. De centrale gedachte in het oeuvre van Scruton, zo blijkt uit deze publicatie, is eigenlijk dat vormen in stand moeten blijven om een goede inhoud te kunnen blijven voortbrengen – zoals ‘vormloze’ poëzie alleen maar tot de uitstoot van zinledigheid leidt. Zulke vormen zijn bij Scruton het gezin, religie, het bestaan van (seksuele) taboes, gemeenschappen, de natiestaat.

Zonder het traditionele gezin geen goede opvoeding in een stabiele en beschermende omgeving waarin jonge mensen tot evenwichtige en ‘deugdzame’ burgers kunnen uitgroeien. Zonder religie – of beter: een begrip van het heilige en mysterieuze – geen eerbied en gevoel voor traditie, en voor het zinvolle dat meer is dan gemak en plezier. Zonder seksuele taboes geen mogelijkheid van een normale seksuele relatie waarin toewijding en zelfbeheersing belangrijker is dan techniek, en geen mogelijkheid van een ‘rite de passage’ van een leven waarin je niet zelf het belangrijkste bent maar waarin je kunt geven in plaats van alleen te nemen. Zonder natiestaat geen historische identiteit, geen burgerschap en geen democratie in de zin van republikeins zelfbestuur.

Het zijn geen opvattingen die inmiddels algemeen ingang hebben gevonden. Maar Scruton ontwaart ‘tekenen van hoop’ die geen ‘geïsoleerde haarden van onmodieuze weerstand’ signaleren maar een groeiende beweging suggereren ‘tegen het heersende nihilisme’. ‘Misschien lukt het deze beweging niet om de cultuur weer de plaats te even waar ze thuishoort – in het hart van het universitaire onderwijs, en in het hart van onze leiders. Maar het lukt haar zeker om ons te laten zien waarom cultuur belangrijk is, en waarom de strijd om die cultuur te behouden ten volle moet worden gevoerd’.

Recensie van:
Roger Scruton
Waarom cultuur belangrijk is
Nieuw Amsterdam

*) Eerder verschenen in HP/DeTijd.

30.5.08

Rechts en de tirannie van links

Een sympathieke man in een oranje TNT-pak stopte mij vanmorgen bij de voordeur een pakketje in handen. Dat is altijd een licht sensationeel moment. Zo’n pakketje herbergt vrijwel altijd één of meer boeken, veelal afkomstig uit de Verenigde Staten, aldaar besteld bij de firma Amazon, en van pure nieuwsgierigheid ruk ik de verpakking al uit elkaar terwijl ik nog naar de huiskamer terugloop.

Het pakketje van deze week bracht echter geen boek maar een stapel drukproeven. Er zat een brief bij van een mevrouw Phillips, die mij (en ongetwijfeld nog vele andere collega-journalisten) toevertrouwde dat ze wel wist dat ik erg druk was, maar dat ze toch mijn aandacht wilde vragen voor een boek dat dit najaar, in november, bij het Intercollegiate Studies Institute zal gaan verschijnen.

Het boek is geschreven door James Kalb. Kalb studeerde aan Yale en woont en werkt nu in Brooklyn, New York. Hij is advocaat en onafhankelijk geleerde, en publiceert politieke essays in conservatieve bladen als Modern Age.

Zijn boek gaat over de triomf van het liberalisme (in de Amerikaanse betekenis van het woord). Die triomf of uiteindelijke dominantie van het linkse, progressieve denken is voor Kalb geen reden tot veel vrolijkheid. De triomf heeft niet tot vrijheid maar tot tirannie geleid, want liberalisme is niet anders dan het moderne wetenschappelijke en technologische denken toegepast op het domein van samenleving en politiek. Bijna iedereen kent de hoogste autoriteit aan deze manier van denken toe – en de instituties en levensbeschouwingen die niet met dit denken in overeenstemming zijn worden op zijn best beschouwd als vervelend en achterhaald en op z’n slechts als erg en gevaarlijk.

Volgens Kalb is het liberalisme de uitdrukking van de belangen en visie van een elite van commerciële mensen en managers, die wantrouwend staan tegenover samenlevingsvormen die minder rationeel en controleerbaar zijn, zoals familie en gezin. En daar zit de pijn voor Kalb: hij vreest een dominante staat die geen ruimte laat voor spreiding en diversiteit, zich overal mee wil bemoeien en denkt dat zij op alle levensterreinen een heilzame invloed kan uitoefenen. En de vrees van Kalb (en de zijnen) is dat deze manier van denken in termen van de therapeutische staat niet alleen de Democratische Partij in zijn macht heeft maar ook de Republikeinse. Hun vertrouwen in Republikeinen als McCain is minimaal. Het is zelfs de vraag of traditionele conservatieven (of paleoconservatieven) als Kalb het in november überhaupt wel de moeite waard zullen vinden om de gang naar de stembus te maken.

Aan het slot van haar begeleidende brief vraagt mevrouw Phillips mij vriendelijk of ik het boek wellicht enige (publieke) lof waardig zal achten.

Dat acht ik het zeker. Om te beginnen omdat ik zo goed als zeker weet dat ik wanneer ik het boek de komende dagen helemaal zal hebben gelezen, een instemmend ja en amen zal prevelen. Het boek is in de tweede plaats van belang omdat het een politieke manier van denken uitdrukt die in Nederland zo goed als onbekend is. Nederlanders begrijpen die discussies over de waarde van sociale verbanden als familie en gezin, het verzet tegen de centrale overheid en de weerzin tegen bureaucratisch bemoeizucht niet zo goed. Nederlanders zijn individualisten en vinden dat de overheid er is om hun problemen op te lossen. Maar in de Verenigde Staten is dit denken bij een belangrijke minderheid te vinden, en deze groep kan in november een belangrijke rol spelen.

Dat het in november tussen Obama en McCain zal gaan, wordt steeds meer ook officieel bevestigd. Barack Hussein Obama zat deze week in een vliegtuig van Denver naar Colorado, en kondigde daar aan dat we aanstaande dinsdag definitief zullen weten wie de presidentskandidaat namens de Democratische Partij zal zijn. Dit weekend neemt zijn partij namelijk een besluit over de vraag of de stemmen van de staten Michigan en Florida alsnog zullen meetellen, en dinsdag zijn bovendien de laatste drie voorverkiezingen. ‘All information will be in. There will be no more questions answered’, aldus Obama.

Ook McCain gaat daarvan uit, en om die reden heeft hij Obama van de week uitgenodigd om hem te vergezellen op een reisje naar Irak. Dan zou de onervaren Obama eens zien welke zegenrijke gevolgen die oorlog heeft gehad. Tijdens datzelfde vliegreisje zei Obama direct al dat ‘John McCain of de regering-Bush’ geen sterke argumenten voor hun buitenlands beleid kunnen aanvoeren en daarom proberen zij de aandacht met dit soort voorstellen af te leiden, om te voorkomen dat ze het over de inhoud van dat beleid moeten hebben.

De oude en ervaren rot John McCain dus tegen de jonge liberal Obama, die zijn Republikeinse tegenstander steevast zal neerzetten als een voortzetting van twee impopulaire ambtstermijnen van Bush. De James Kalbs zullen dat argument begrijpen, want het conservatieve gehalte van de periode-Bush is zeer teleurstellend voor hen geweest. Het ligt er maar aan welke conclusie zij daaraan zullen verbinden: of zij zich uit het publieke domein zullen terugtrekken of toch maar tégen Obama zullen stemmen, die voor hen natuurlijk de tirannie van het liberalisme personifieert.

*) Ook verschenen op de NOS-website Amerika Kiest.

Nekschots vrijheid

Artikel 7 van onze Grondwet – het artikel over de vrijheid van meningsuiting – is voor velen het ultieme Grondwetsartikel. De uitspraak: ‘wie alle grondrechten verliest maar het recht op vrije meningsuiting behoudt, kan alle grondrechten terugwinnen’, getuigt van die hoge waardering van dit artikel, dat misschien wel het hart van onze democratische rechtsstaat vormt.

Ik vond deze fraaie uitspraak in het bekende commentaar op de Grondwet, onder redactie van P. W. C. Akkermans. Maar in datzelfde commentaar staat ook dat de overeenstemming over het belang van dit grondrecht nog niet betekent dat iedereen het eens is over de interpretatie en reikwijdte ervan. De vrijheid van meningsuiting is immers niet onbegrensd; er is ook zoiets als ‘ieders verantwoordelijkheid voor de wet’. Het wetboek van strafrecht stelt bepaalde meningsuitingen bijvoorbeeld wel degelijk strafbaar (art. 137).

Er zijn twee recente incidenten die artikel 7 van de Grondwet weer in het middelpunt van de discussie hebben geplaatst. De Staat heeft een bodemprocedure aangespannen tegen het weekblad Opinio, omdat hoofdredacteur Jaffe Vink een pastiche op een rede van premier Balkenende heeft gepubliceerd waarin hij de premier dingen laat zeggen die hij volgens Vink zou moeten zeggen in het debat over christendom en islam maar die de premier niet graag – en zeker niet publiekelijk – voor zijn rekening zal nemen. Volgens de landsadvocaat, voormalig professor Boukema, zouden alle Taliban die in hun grotten gretig van hun abonnement op Opinio zitten te genieten, de premier wel eens van dubbelhartigheid kunnen verdenken en daarom erg boos op onze jongens in Afghanistan kunnen worden.

En recenter nog lichtte het openbaar ministerie de cartoonist Gregorius Nekschot van zijn bed en hield hem dertig uur gevangen omdat enkele van zijn cartoons misschien wel racistisch zijn of aanzetten tot haat.

Deze incidenten – die volgens critici geen incidenten zijn maar zo langzamerhand, sinds de discussie op een mogelijk verbod op de film Fitna van Geert Wilders, een patroon vormen – leiden inmiddels tot partijpolitiek gedoe. Het Amsterdamse ex-raadslid Karina Schaapman heeft bijvoorbeeld haar lidmaatschap van de PvdA opgezegd omdat de PvdA heel lang stil bleef over de kwestie-Nekschot en toen iemand iets zei, kamerlid John Leerdam, hij opmerkte dat ‘wie kaatst de bal kan verwachten’. Minister Plasterk heeft Schaapman nog geprobeerd van haar stap af te houden, maar daarvoor was het te laat. René Cuperus daarentegen, verbonden aan het wetenschappelijk bureau van de PvdA, vraagt zich inmiddels openlijk af hoeveel antiliberale streken de PvdA nog van coalitiepartner CDA accepteert voordat de partij eens uit de coalitie stapt.

Een van de redenen van alle strijd en verwarring is dat het traditionele onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid uit het oog verloren is geraakt. Negatieve vrijheid houdt in dat de overheid burgers vrijlaat in, bijvoorbeeld, hun godsdienstige keuzes en meningsvorming. Dat zijn domeinen van het leven waarmee de overheid zich niet behoort in te laten. Een volgende vraag is hoe burgers vervolgens met die vrijheid omgaan – of zij zich bij het uiten van hun mening behoedzaam uitdrukken of de grenzen opzoeken en anderen kwetsen en beledigen. Dat is het domein van de moraal.

We hebben, denk ik, momenteel te maken met een overheid – en dat geldt zeker voor het CDA-smaldeel binnen de regeringscoalitie – die zich zorgen maakt over het verval van waarden en normen. De denkfout die dit kabinet vervolgens maakt, is dat deze overheid denkt dat het een reveil van moraal via de rechter kan afdwingen. Het recht is nooit bedoeld om ethiek te vervangen. Ethiek is de basis van de rechtsstaat. Een overheid die dat uit het oog verliest, ontwikkelt zich al snel tot een staat met tirannieke trekken.

Het huidige kabinet zou er daarom goed aan doen deze heilloze weg te verlaten en de vrijheid van meningsuiting alleen te laten beperken door pogingen tot haat en geweld aan te zetten. Politici die deze mening delen, moeten zich daarbij wel realiseren dat zij alleen geloofwaardig zijn wanneer zij daartoe een wetsvoorstel tot de wijziging van artikel 137 van het wetboek van strafrecht indienen.

*) Ook verschenen in Binnenlands Bestuur.

29.5.08

Een Politiek Gesprek met Jan Schinkelshoek

Samen met mijn collega bij Het Gesprek, de rechts-anarchistische jonkheer Theodore Holman, sprak ik met het CDA-kamerlid Jan Schinkelshoek. Bekijk deze uitzending hier.

De onterfden zijn de echte erfgenamen van '1968'

Samen met Diederik Boomsma, medebestuurslid van de Edmund Burke Stichting, heb ik deze week in Opinio een column geschreven over de vraag wie de echte erfgenamen van de revolutie van 1968 zijn. 'De ware tegendraadsheid ligt tegenwoordig niet in de breuk met de traditie, maar in pogingen die traditie te herstellen.'


De revolutie van mei 1968 is de afgelopen weken uitbundig herdacht. Vele oudere jongeren hebben de kans aangegrepen om met nauwelijks verholen weemoed nostalgisch terug te blikken op de grootse daden die zij toen in hun eigen herinnering hebben verricht, variërend van het stencilen van pamfletjes tot het bezetten van een academiegebouw of het eindeloos vergaderen tegen de oude machthebbers.
Hier en daar werd ook de vraag gesteld wie nu de erfgenamen van de toenmalige opstandelingen tegen de maatschappelijke en politieke orde van toen zijn (geweest). Waren dat de krakende punkers van eind jaren zeventig, begin jaren tachtig? Zijn dat de Internationale Socialisten die dezer dagen de oorlog hebben verklaard aan de machten die Nederland zouden willen veranderen in een ‘vrijhandelsparadijs achter prikkeldraad’?

Het beste antwoord op de vraag naar de ware protestgeneratie is gegeven door de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, die enkele jaren geleden al vaststelde dat er een nieuwe generatie is aangetreden van jongeren met een ‘antichaotisch effect’. ‘We leven’, aldus Sloterdijk, ‘in een fase waarin dit antichaotische affect zich alfabetiseert, het leert lezen en schrijven. Het zou de aanvang van een traditie kunnen worden’ (NRC Handelsblad, 28 november 2003).
Sloterdijk, geboren in 1947, behoort zelf naar eigen zeggen ‘tot een generatie die met een te grote mate aan ordening is opgegroeid. Ik heb nog de antiautoritaire nervositeit van iemand die in de jaren vijftig en zestig kind was. Voor mensen die rond 1970 geboren zijn ziet het er anders uit, zij zijn in de chaos groot geworden, hebben überhaupt geen orde leren kennen en hebben daarom heimwee naar de orde. Ik ben jong genoeg gebleven om deze jongeren te begrijpen, die nostalgisch terugblikken op wereldbeelden waarin alles op zijn plaats scheen te staan. Ik deel hun gevoeligheid ten aanzien van de vraag hoe orde mogelijk is, en hoe men tegenover een decadente vrijheid die louter nog als verwaarlozing beleefd wordt, als vormloosheid, als onverantwoordelijkheid en onverschilligheid, hoe men tegenover deze degeneratie van de vrijheid de cultuur kan stellen, als een symbolische ordening.’

Wat je bij steeds meer studenten in Nederland ziet is wat Sloterdijk onder zijn Duitse studenten zag: pogingen tot herovering van wat verloren is gegaan. En wat ze zullen vinden zal niet noodzakelijk zijn zoals het eerst was, 'maar zoals het zal zijn als het weloverwogen wordt teruggewonnen en opnieuw gemodelleerd’ (Roger Scruton).

Een samenleving is een contract tussen de doden, de nu levenden en de nog ongeborenen (Edmund Burke). Wanneer een generatie welbewust, en vanuit een antiburgerlijk sentiment dat doelbewust op een karikatuur gebaseerd is, de breuk met het verleden en de traditie voltrekt, onterven zij niet alleen zichzelf maar ook hun kinderen. In de eerste plaats in culturele zin. En dat blijkt niet alleen uit hun moderne en lege en dus decadent geworden vrijheidbegrip, maar ook uit de pedagogische principes die deze generatie heeft ontwikkeld en die ervoor hebben gezorgd dat er niets meer werd doorgegeven. De leerling en zijn interesses vormden het nieuwe uitgangspunt, en daarmee hebben de revolutionairen van toen het onderwijs als vorming afgeschaft. Een nieuwe generatie zal de lange weg terug zelf weer moeten vinden.

Maar die onterving heeft zich ook op sociaal-economisch terrein voltrokken. De klassieke babyboomer Pim Fortuyn (1948) velde in zijn boek Babyboomers: autobiografie van een generatie (1998) een hoofdzakelijk negatief oordeel over zijn eigen generatie: een ‘verwende’ en ‘egoïstische’ generatie, die vooral goed voor zichzelf heeft gezorgd. Ze staan nu klaar om van hun royale pensioenen te gaan genieten. Hun kinderen blijven met de rekening zitten. Die rekening bestaat mede uit het demografische probleem van de omgekeerde piramide, die ervoor zorgt dat hoge lasten door een kleinere groep werkenden moeten worden opgebracht.

Er is, tenslotte, ook de politieke onterving, nu we geconfronteerd worden met de implosie van de oude, constituerende partijen (PvdA, VVD, CDA) die geen antwoord op de grote nieuwe kwestie van immigratie en integratie blijken te hebben, en de opkomst van nieuwe bewegingen die daar slechts een schijnantwoord op hebben. De Nederlandse politiek is daarmee in feite een groot, zwart gat geworden. En je kunt je zelfs afvragen of Nederland nog een democratie is. Aan de klassieke voorwaarden voor een volksregering (de aanwezigheid van een cultureel fundament van gevormde burgers die weten hoe zij met hun vrijheden moeten omgaan) wordt in ieder geval niet meer voldaan. ‘Ochlocratie’, heet dat in de klassieke traditie: een regering van en door zeer gemiddelde massamensen.

In hun verzet tegen deze drievoudige onterving vormt een nieuwe generatie studenten de protestgeneratie van nu. De ware tegendraadsheid ligt tegenwoordig niet in de breuk met de traditie, maar in pogingen die traditie te herstellen.

22.5.08

In gesprek met...Boris van der Ham (D66)

Samen met Theodoor Holman interviewde ik voor Het Gesprek het D66-kamerlid Boris van der Ham. Met drie zetels in de Tweede Kamer, staat D66 'virtueel' op 14 zetels. Dus na de volgende verkiezingen weer in het midden van de macht? Bekijk de uitzending hier.

In gesprek

Voor Het Gesprek spraken Opinio-hoofdredacteur Jaffe Vink en ik samen met Egbert Dommering, hoogleraar informatierecht, over onder andere de arrestatie van Gregorius Nekschot en de invloed van het internet op de Nederlandse politiek. Bekijk de uitzending hier.

17.5.08

Jeugdig enthousiasme vs. beproefd karakter

Mijn nieuwe column op de website van de NOS gaat over de vraag wie de de volgende Amerikaanse president wordt: Obama of McCain?


Barack Hussein Obama kreeg deze week in West-Virginia een pak slaag van Hillary Clinton (hij verloor er de voorverkiezingen met 67 tegen 26 procent van de Democratische stemmen), maar het blad Time zette de foto van een lachende Obama al op de cover met de tekst: ‘En de winnaar is…..’ In november zal het zo goed als zeker tussen Obama, de 46-jarige senator uit Illinois, en John McCain, de 71-jarige senator uit Arizona, gaan. Wie maakt de meeste kans om de nieuwe bewoner van het Witte Huis te worden?

Ondanks zijn verlies in West-Virginia – net als Ohio en Pennsylvania een swing state – kan Obama de Democratische nominatie niet meer ontgaan. Hij heeft de meeste staten gewonnen, heeft nu 1608 gedelegeerden achter zich (Clinton 1445) en ook in de race om de supergedelegeerden heeft hij zijn rivale inmiddels achter zich gelaten (291 om 274). Volgens de peilingen gaat Obama drie van de vijf staten winnen die nog moeten stemmen, met als sluitstuk de staat South-Dakota die op 3 juni als laatste naar de stembus gaat. Clinton zou in alle overgebleven staten met meer dan 70 procent moeten winnen om Obama nog in te halen. Bovendien kreeg Obama deze week onverwacht de steun van de politieke zwaargewicht John Edwards, oud-senator van North-Carolina. Nu Edwards zijn keuze heeft gemaakt, zullen velen van de nog resterende 250 supergedelegeerden hem daarin volgen, is de verwachting. Obama is inmiddels in zijn status van presidentskandidaat gegroeid. Na zijn beslissende overwinning in North-Carolina sprak hij niet over Hillary Clinton maar richtte hij zijn pijlen op McCain. Zoals ook de nieuwe website die de Republikeinen hebben gemaakt, tegen Obama is gericht en Clinton niet eens noemt.

Ondertussen zegt Clinton enerzijds dat ze door zal blijven vechten (‘vastbeslotener dan ooit tevoren’), maar laat ze de gebruikelijke harde aanvallen op Obama achterwege. In West-Virginia noemde ze de naam van Obama slechts één keer in haar overwinningsspeech en zei dat ze hem ‘bewonderde’.
Wat is de strategie achter het besluit van de Clintons om de handdoek nog niet in de ring te gooien? Het kan natuurlijk zijn dat Hillary en Bill hopen dat er alsnog een schandaal uitbreekt rondom Obama, of dat de Democratische partij alsnog tot de conclusie zal komen dat Hillary, anders dan Obama, de stem van ‘hardwerkende, blanke Amerikanen’ kan winnen en daarmee de belangrijke swing states in de wacht kan slepen die het Witte Huis in november binnen het bereik van de Democraten zal brengen. Het kan ook zijn dat ze zich nadrukkelijk wil aandienen als Obama’s running mate en voor het vice-presidentschap wil gaan. Maar misschien denkt ze ook aan de truc die Ronald Reagan in 1976 uithaalde. In zijn strijd met Gerald Ford om de Republikeinse nominatie bleef hij tot het einde toe doorvechten, ook al kon hij toen al niet meer winnen. Op de Republikeinse conventie van dat jaar gaf hij zelfs de keynote speech. Die speech vormde de basis voor zijn succesvolle race naar het Witte Huis in 1980. Maar die speech droeg ook bij aan het verlies van Ford in 1976.
Als Hillary nog dit jaar politiek succes wil boeken, moet ze binnenkort een waardig slot aan haar campagne draaien. Als ze in haar hoofd al bezig is met de verkiezingen van 2012, zal ze tot het bittere einde toe blijven doorknokken.

Maakt Obama een kans tegen McCain? Bemoedigend moet het voor de Democraten zijn geweest dat in de staat Mississippi zich deze week herhaalde wat zich eerder in Louisiana had voorgedaan. Een zetel in het Huis van Afgevaardigden die steevast voor de Republikeinen was, ging nu naar de Democratische kandidaat. Saillant detail daarbij was dat de Republikeinse kandidaat zijn Democratische opponent wilde wegzetten als een ‘Obama-vriend’, met vermoedelijk net zulke nefaste opvattingen als dominee Jeremiah Wright, de zwarte racistische predikant die Obama zo in verlegenheid heeft gebracht. Die tactiek werkte niet.
De Republikeinse kandidaat begint de race natuurlijk sowieso met een achterstand. Hij heeft te maken met een lastige erfenis, en Obama zal dat benadrukken. In North-Carolina zei hij: ‘De plannen van John McCain voor de toekomst zijn niets meer dan de mislukte politiek van het verleden. We zijn het er allen over eens dat we op dit bepalende moment in de geschiedenis niet kunnen toestaan dat McCain de kans krijgt om de derde termijn van George Bush uit te dienen.’
Tot die erfenis behoort een historisch lage waardering voor het presidentschap van de Republikein Bush. De Amerikaanse bevolking is hem in meerderheid zo gruwelijk zat dat er volgens vele waarnemers een soort linkse golf door het land gaat, vergelijkbaar – qua electorale kracht – met de rechtse golf van begin jaren tachtig. De oorlog in Irak heeft al 4000 Amerikanen het leven gekost en McCain wil die, anders dan Obama, voortzetten, al zei hij deze week dat hij een terugtrekking van de Amerikaanse troepen in 2013 voor mogelijk houdt. De Amerikaanse economie verkeert in een recessie en de benzineprijzen zijn er voor Amerikaanse begrippen ongekend hoog (we zouden overigens graag willen ruilen want een liter benzine kost nog steeds maar € 0,80). Dat heeft steeds meer Amerikanen tot de overtuiging gebracht dat de Republikeinse politiek (een kleine overheid die zo weinig mogelijk in het economische leven ingrijpt, gecombineerd met lage belastingen) niet meer werkt. McCain is bovendien niet populair onder de conservatieve kiezers. De verwachting is dat die in november wel eens in groten getale thuis zullen blijven.
Tegenover al deze vermoeidheid en neergang doet een jeugdige kandidaat met een energieke uitstraling die alleen maar om change, change, change roept, het natuurlijk goed.
Maar er zijn ook veel zaken die in Obama’s nadeel zijn. Om maar met het vervelendste te beginnen: hij is zwart. En racisme is niet alleen virulent aanwezig onder dominees als Jeremiah Wright, al is racisme het grote taboe in de Verenigde Staten. Ik stond eens in een lift in een New York’s kantoor, en hoorde hoe (blanke) werknemers – alles behalve zuidelijke rednecks – zich over hun nieuwe (zwarte) chef beklaagden. Een van hen rondde de discussie af met de opmerking: ‘Well, you know what they are like once they are the boss’.
Zijn moslimverleden, dat door conservatieven met enige gretigheid in herinnering wordt geroepen, zal hem parten spelen, evenals de (daaraan gekoppelde) vraag of hij wel zo pro-Amerikaans is, en regelrechte twijfel aan zijn kwaliteiten om straks opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten te zijn. Obama is bovendien, in de ogen van zijn opponenten, een elitaire liberal, links en onervaren, met een eloquentie die een inhoudelijke leegheid tot nog toe nauwelijks kan verhullen. En zijn zwakke punt is nu al duidelijk: veel Clinton-stemmers zullen in november niet op hem stemmen. In West-Virginia, bijvoorbeeld, zal slechts een derde van hen dat doen.

In november gaat de strijd dus tussen jeugdig enthousiasme en een beproefd karakter. McCain kan zeker winnen. En uiteraard is de wens hier bij mij ook de vader van de gedachte.

14.5.08

In gesprek met VVD-kamerlid Zijlstra

Theodoor Holman en ik onderwierpen het prominente nieuwe VVD-kamerlid Halbe Zijlstra aan een vuurproef voor Het Gesprek. Bekijk de uitzending hier.

12.5.08

Lessen voor de President

“Zij die de geschiedenis niet kennen, zijn gedoemd haar te herhalen”. Deze les moet vooral de toekomstige president van de VS zich ter harte nemen, betoogt Fik Meijer in de week van het klassieke boek.


Waarom schrijven wij op papier van A4-formaat, en waarom gebruiken we als letter zo graag de Times Roman? Plato schreef zijn teksten in eerste instantie op wastafeltjes– hoeveel had hij er daarvan nodig om zijn Politieia (De staat) vast te leggen? Illustraties in handschriften heten miniaturen – maar waar komt dat woord eigenlijk vandaan?

De antwoorden op deze vragen dateren uit de klassieke oudheid en de vroege Middeleeuwen. Zij bewijzen hoezeer heden en verleden verbonden blijven – hoezeer ons bestaan, in de woorden van C. S. Lewis, in ‘een naadloze continuïteit-in-verandering’ bestaat. Klassiek zijn die boeken die gelezen blijven worden. En het blijft iets aangrijpends houden om heden ten dage een tekst van Homerus in handen te houden en te lezen en je daarbij te realiseren dat de Ilias en de Odyssee de wereld van de Myceners beschrijven, de voorvaderen van de latere Grieken, die zich rond 1700 voor Christus in Griekenland vestigden, dat die boeken aanvankelijk alleen mondeling zijn overgedragen en pas in het midden van de zesde eeuw voor Christus op schrift zijn gesteld en uiteindelijk zijn toegeschreven aan een man die in de achtste of zevende eeuw voor Christus leefde. Op basis van talloze handschriften hebben filologen met de hen kenmerkende akribie de juiste lezing van de Ilias en de Odyssee vastgesteld, in uitgaven die nu nog gemakkelijk verkrijgbaar zijn.

Over die wereld van het klassieke boek is er nu een fascinerende tentoonstelling in het Allard Pierson Museum. Bij die tentoonstelling – Lectori Salutem geheten – is een prachtig geïllustreerde catalogus verschenen. Maar het boek is tegelijkertijd meer dan dat. Het biedt ook een overzicht van de geschiedenis van het antieke boek, met geleerde artikelen over het boek bij de Grieken en Romeinen, de overlevering van klassieke teksten tijdens de Middeleeuwen en de achttiende eeuw, over de overgang van mondelinge overlevering via papyrusrol, perkament en handschrift tot drukwerk, maar ook over de Amsterdamse Stadsbibliotheek, over de moderne uitgaven van klassieken, hun vertaling en hun vormgeving.

Een vraag die in de catalogus niet expliciet aan de orde komt, is de vraag waarom we die klassiek teksten eigenlijk nog zouden lezen. De vaststelling dat we hier te maken hebben met wereldliteratuur lijkt mij niet voldoende, want die sluit een toeristische, vrijblijvende lezing van die boeken niet uit. De reden zou eigenlijk moeten bestaan in het accepteren van de mogelijkheid dat de auteurs van die teksten, hoe lang geleden ook, iets hebben ontdekt over het menselijk leven dat wij niet weten of weer zijn vergeten.

‘Lessen in beschaving’ heet het boekje dat Fik Meijer, de Amsterdamse emeritus hoogleraar oude geschiedenis, heeft geschreven en dat zijn uitgever Athenaeum speciaal ter gelegenheid van de hernieuwde belangstelling voor het klassieke boek heeft uitgegeven. Meijer, die in verschillende boeken heeft laten zien hoe kundig en sympathiek hij de klassieke oudheid voor hedendaagse lezers tot leven weet te brengen, beschrijft het oude Athene en Rome en concludeert dat die rijken weliswaar voltooid verleden tijd zijn maar dat vooral het Romeinse Imperium ieder moment weer kan herleven als voorbeeld voor moderne heersers.

Het bekendste voorbeeld van een heerser die herinneringen aan de oude rijken oproept, is natuurlijk Amerika. Athene was een stadstaat die na de oorlogen tegen de Perzen de hegemonie in Griekenland bemachtigde en zozeer overtuigd was van de superioriteit van de eigen, democratische staatsinrichting, dat het vanuit een bewust geformuleerd beschavingsideaal die staatsvorm ook in andere staten wilde introduceren, onder andere door steun aan lokale groeperingen die de democratie wilden invoeren. Zo hebben ook de Verenigde Staten geprobeerd in Grenada, Servië, Afghanistan en Irak oligarchen te verdrijven en democratieën te vestigen.

De staatsinrichting van de Verenigde Staten is geïnspireerd door de Romeinse republiek. De Amerikanen wilden een gemengde staatsvorm waarin de macht in evenwicht was door een verdeling over de ene, de weinigen en de velen: president, senaat en huis van afgevaardigden. Op basis van hun kennis van de klassieken wilden de Founding Fathers geen politici die in hun ambt vooral hun persoonlijke belangen zouden dienen, en vreesden zij evenzeer een imperialistische onderdrukking van andere volkeren en staten door Amerika.

Maar volgens Meijer zijn de tijden veranderd en doet het huidige Amerika vooral aan het imperialistische Rome denken. De Amerikaanse president is weliswaar, anders dan de Romeinen, niet uit op gebiedsuitbreiding maar op uitbreiding van zijn politieke invloedsfeer als civilizing power, maar meent wel, net als de Romeinen, de sleutel tot een rechtvaardige wereldorde in handen te hebben en de voorwaarden van die orde te kunnen dicteren. ‘De pax Americana doet een beetje denken aan de pax Romana: de sterkste bepaalt de agenda.’

Alhoewel Meijer niet gelooft ‘dat het de Verenigde Staten op korte termijn zal vergaan als het Romeinse rijk’, suggereert hij wel dat de nieuwe president een voorbeeld zou kunnen nemen aan de Romeinse keizer Tiberius (14-37). Hij was een zuinig man die goed op de staatsfinanciën lette en afzag van gewapende interventies en geldverslindende oorlogen. Dat getuigt volgens Meijer van een moed ‘die ook toekomstige Amerikaanse presidenten nodig zullen hebben in hun buitenlandse politiek, als ze niet in de situatie terecht willen komen als de Romeinse keizers van de derde eeuw.’ Washington is met name de laatste jaren verplichtingen aangegaan die de capaciteit van het land te boven gaan, met financiële ellende (hoge schuldenlasten bij de overheid en bij burgers) en militaire problemen (een structureel tekort aan soldaten) als gevolg.

Meijer eindigt zijn betoog tamelijk opgewekt. Hij gelooft dat de Amerikaanse samenleving in haar korte geschiedenis zo flexibel is gebleken dat er voldoende veerkracht aanwezig moet zijn ‘om te voorkomen dat zich Romeinse toestanden zullen voordoen’.

‘Als elke toekomstige president zich ervan bewust is dat hij of zij geen Romein is maar Amerikaan’, zo besluit Meijer zijn zeer lezenswaardige boekje, ‘en als hij of zij met een open blik naar de eigen samenleving en de buitenwereld blijft kijken, is het vrijwel zeker dat Amerika het lot van Rome bespaard zal blijven. Mochten zij de lessen uit het verleden echter negeren en zich te buiten gaan aan zelfoverschatting, dan zou de Amerikaanse filosoof en dichter George Santayana (1863-1952) wel eens gelijk kunnen krijgen met zijn stelling: “Zij die de geschiedenis niet kennen, zijn gedoemd haar te herhalen”. ‘

René van Beek, e.a. (red.), Boek en oudheid, Athenaeum € 24,95

Fik Meijer, Lessen in beschaving: Athene, Rome en Washington, Athenaeum (gratis bij aanschaf van klassiek actieboek)

*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.

11.5.08

In gesprek met het CDJA

Opinio-hoofdredacteur Jaffe Vink en ik spraken voor Het Gesprek met drie jonge CDJA'ers, die kritisch staan ten opzichte van de moederpartij. Bekijk de uitzending hier.

2.5.08

McCain en de zwarte dominee

Mijn nieuwe column over de Amerikaanse verkiezingen - over ds. Jeremiah Wright, Barack Hussein Obama en de kansen van John McCain - staat vanaf vandaag op de website van de NOS. Klik hier om hem te lezen.

Tussen twee haakjes: op de website van de bekende commentator Daniel Pipes, zoon van de uitmuntende Richard Pipes, staat een interessante beschouwing over de islamitische achtergrond van Obama. Lees die column hier.