Twitter Updates 2.2: FeedWitter

30.8.08

Pims enige zoon

In Pakhuis de Zwijger in Amsterdam wordt volgende week donderdag (4 september) een boek gepresenteerd van een van de interessantste journalisten die Nederland heeft gekend: Hendrik Jan Schoo. Schoo overleed in september vorig jaar, nog geen 62 jaar oud. Hij was hoofdredacteur van Elsevier, en trok in die hoedanigheid Pim Fortuyn als columnist aan.

In het boek Republiek van vrije burgers staat onder andere een nog niet eerder gepubliceerde terugblik op de Fortuyn-revolte. In dat spannende hoofdstuk roept Schoo een etentje in herinnering dat Fortuyn midden jaren negentig in zijn Rotterdamse huis gaf, ‘de voorloper van het stadspaleisje dat hij later betrok’.

In dat huis in de wijk Feyenoord woont nu Marco Pastors, ex-wethouder van de stad namens Leefbaar Rotterdam, de partij die dankzij Fortuyn in maart 2002 met 17 zetels in de Rotterdamse gemeenteraad kwam.

Schoo herinnerde zich die buurt als ‘een werkelijk onvoorstelbaar urban wasteland, creatuur van stuurloze immigratie en het krankjorume Rotterdamse stadsvernieuwingsbeleid. Wie de anti-immigratie Fortuyn enigszins wil begrijpen, zou een tijdreisje moeten kunnen maken om nog eens in die omgeving een kijkje te nemen. Ik herinner me goed mijn eigen ontzetting – en die van andere gasten – over die lugubere spookstad tegen de avondschemering. East London aan de Maas. Restanten uitgewoonde blokken, ongehoord slonzige straten, autowrakken, schimmen in djellaba’s en in zwarte gewaden met gezichtssluiers.’

Toen de Rotterdamse bevolking de PvdA voor deze wantoestanden afstrafte en Fortuyn’s Leefbaar Rotterdam met een meerderheid in de gemeenteraad beloonde, werd Pastors (1965) in Rotterdam wethouder fysieke infrastructuur en ging hij de strijd aan tegen de verloedering van Rotterdamse volkswijken. Daarin is hij in zijn periode (2002-2005) zeer succesvol geweest. Bij de presentatie van de ‘Veiligheidsindex’ zei burgemeester Opstelten: ‘In de afgelopen vier jaar is de stad zichtbaar en meetbaar veiliger geworden. Het aantal onveilige wijken daalde in deze periode van tien naar één nu. De tevredenheid met de buurt is opnieuw toegenomen.’

Pastors zelf haalde het einde van zijn termijn niet. Nadat hij in de herfst van 2005 in een interview had geconstateerd dat moslims hun religie vaak aanvoeren als verklaring voor hun wangedrag, ‘en om zich van de Nederlandse maatschappij af te keren’, werd er in de Rotterdamse gemeenteraad een motie van wantrouwen jegens hem aangenomen en trad hij af.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 won Pastors als lijsttrekker van Leefbaar Rotterdam veertien zetels. Dat waren er (slechts) drie minder dan in 2002, toen Fortuyn nog leefde. De PvdA steeg van elf naar achttien zetels en vormde een coalitie met VVD (3 zetels), CDA (3 zetels) en GroenLinks (twee zetels). Leefbaar verdween in de oppositie omdat het niet met de PvdA wilde samenwerken.

Sindsdien zat Pastors zonder werk, op een wachtgeld tot medio 2009, terwijl hij had bewezen als bestuurder goede resultaten te kunnen boeken. Maar niemand wilde hem hebben omdat hij zo controversieel zou zijn, en ex-collega’s vermaakten zich over de werkloosheid van de man die ooit zei dat wie wil werken alleen maar een wekker nodig heeft. Pastors voerde de afgelopen jaren zo’n zeventig sollicitatiegesprekken, vertelde hij afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad.

Gelukkig heeft staatssecretaris Frank Heemskerk van Economische Zaken hem een klus bezorgd: voor één dag in de week is Pastors ‘ambassadeur E-factureren’ geworden, wat wil zeggen dat Pastors moet gaan bevorderen dat overheid en bedrijfsleven op het elektronisch afhandelen van hun facturen gaan overstappen. Dat moet een jaarlijkse besparing van 600 miljoen euro gaan opleveren. En sinds kort werkt Pastors drie dagen per week bij een adviesbureau in Den Haag.

En er is meer goed nieuws over Pastors. In een vraaggesprek met Binnenlands Bestuur (25 juli) zei hij de mogelijkheid niet uit te sluiten dat Leefbaar in de toekomst zitting neemt in een college waarvan ook de PvdA deel uitmaakt. Dat Pastors dat in 2006 niet wilde, was terecht. Het ging toen tussen Leefbaar en de socialisten, dat was de grote tegenstelling, en dan ga je (anders dan in de oude politiek) daags na de verkiezingen niet net zitten doen alsof dat niet zo was.

Maar een rasbestuurder als Pastor wil heel graag terug in het stadsbestuur, ‘wellicht zelfs met de PvdA’. Het zou mooi zijn als de enige zoon die Pim heeft verwekt, voor het Nederlandse bestuur behouden bleef.

*) Deze column verscheen eerder in Binnenlands Bestuur.

29.8.08

Schandaal in Denver

Er is een meneer van de Vrije Universiteit in Amsterdam, zijn naam is Krouwel en hij beunt soms ook een beetje bij bij de PvdA, en die meneer kwam niet zo lang geleden in het nieuws met een onderzoek dat hij had verricht naar de vraag of de media nu links of rechts zijn. Hij was tot de conclusie gekomen dat het verwijt dat de media een integraal onderdeel van de linkse kerk zouden zijn– veel gehoord sinds Pim Fortuyn dat in 2002 voor het eerst nadrukkelijk naar voren bracht – geheel onterecht is. Meneer Krouwel had namelijk een tijd lang de berichtgeving in de Nederlandse kranten gevolgd en was na lang wikken en wegen en vooral veel passen en meten tot de conclusie gekomen dat de kranten eigenlijk vooral schreven over onderwerpen die we eerder rechts dan links zouden noemen, zoals over al dat gedoe met die multiculturele samenleving.

Wie is er nu dommer: meneer Krouwel of al die kranten en andere media die in alle ernst over zijn onderzoek berichtten? Het gaat natuurlijk niet over de vraag over welke onderwerpen de media berichten (en de werkelijkheid is nu eenmaal rechts) maar over de vraag op welke manier ze dat doen – welke voorkeuren ze laten blijken, bijvoorbeeld, of hoe fair en objectief ze de partij benaderen naar wie die voorkeur overduidelijk niet uit gaat. Daar had meneer Krouwel niet over nagedacht, en de media zelf ook niet, die uitvoerig en prominenten verslag van zijn bevindingen deden alsof die hen in één klap van hun slechte geweten hadden bevrijd.

Als ik nu even voor meneer Krouwel mag spelen en dan de berichtgeving over de Amerikaanse presidentsverkiezingen mag recenseren, dan heb ik een makkie. Wat zijn de media links, ongelooflijk links, en wat is in het bijzonder de publieke omroep ontzettend en schaamteloos links!

Dat blijkt niet alleen uit hun onderwerpkeuze maar zeker ook uit de manier waarop zij dat gekozen onderwerp behandelen.

U begrijpt natuurlijk wel dat ik het over de Democratische conventie heb die de afgelopen week in de Amerikaanse stad Denver (Colorado) is gehouden. De gehele NPS was afgereisd om daar verslag van te doen, niet als itempje in het Journaal of in NOVA, nee: een gehele week iedere avond een uur lang, met niets anders dan die Obama en de Democratische conventie.

Er valt ook iets goeds over dat programma (Obama’08) te zeggen en laat ik dat snel doen. Het enthousiasme spatte er van af, en dat gold niet alleen de Democraten maar ook het land Amerika als zodanig en de manier waarop de democratie daar functioneert. Je zag ze een beetje dizzy worden, die redacteuren en presentatoren die als Pietje Bells door Denver liepen: was dit nou dat land waar ze eigenlijk al zo lang gruwelijk de pest aan hadden, dit land waar mensen niet alleen stemmen en dan op TV naar de uitslagen gaan zitten kijken, maar waar ze heel actief bij het democratisch proces betrokken zijn, debatterend, folderend, zingend en scheldend, kortom, dit land waar politiek een feest is? En wie waren zij dat zij op dit feestje zo maar mochten binnen vallen en alles mee mochten maken? Ze genoten, en dat was mooi om te zien, aanstekelijk zelfs. Zo’n mooie vakantie hadden ze nog nooit gehad!

Het bewijst maar weer eens dat alle Nederlandse kritiek op Amerika niet van anti-Amerikanisme maar van anti-Republikanisme getuigt. En de heren grepen vervolgens werkelijk iedere kans aan om dat iedere minuut van hun uitzending nog eens en nog eens te bewijzen – op een manier die walgelijk was, dom, onprofessioneel, schandalig, racistisch, weerzinwekkend.

We zagen Joost Karhof, bekend als pratend NOVA-hoofd, en we zagen twee gekleurde medepresentatoren: Jörgen Raymann en Prem Radhakishun. Aanvankelijk zocht ik daar niets achter, maar al gauw werd duidelijk – en wie keek wilde het eerst niet geloven – dat beide grappenmakers wel degelijk op hun huidskleur waren geselecteerd. Die deelden zij immers met de grote held van alle uitzendingen, en die kleur vormde een additioneel of zelfs een primair argument om onverholen een voorkeur voor Obama uit te spreken: Obama was zwart, net als zij, en hij was de eerste zwarte presidentskandidaat, en van wat een geweldige tolerantie getuigde dat (ja echt, in het land van Bush) en wat zou het geweldig zijn om Obama’s twee zwarte dochtertjes in het Witte Huis te zien spelen, zoals we ook de kinderen van Kennedy eens onder het bureau van hun vader in de Oval Office hebben zien kruipen, want wat zou dat een geweldige revanche op de geschiedenis zijn, want dat Witte Huis was immers door zwarten (slaven!) gebouwd en een nazaat van die slaven (maar niet heus) zou daar nu gaan wonen!

Ze zeiden het echt, die tante Es en die randdebiele grootbek van een Radhakishun, en het opgewonden triumviraat deed werkelijk geen enkele moeite om zelfs maar heel eventjes net te doen alsof ze nog iets van objectiviteit betrachtten. Wat was Obama goed en cool en meeslepend en wat zou er veel gaan veranderen straks! En wat konden die studiogasten uit Obama’s campagneteam toch leuk en overtuigend uitleggen wat voor een smeerlappen die Republikeinen zijn: die rechtserikken doen aan smerige smeercampagnes, en snuffelen in je prullenbakken en filmen je tijdens je werk in de hoop je ergens op te betrappen en je daarna kapot te maken. Maar zij zelf, die engeltjes van Democraten, die hielden zich uitsluitend en alleen aan de feiten, echt waar, en zijn moreel zo hoogstaand dat ze dat allemaal nooit zouden doen en als ze zouden verliezen van die gemene rechtserds dan zouden ze met opgeheven hoofd het speeltoneel kunnen verlaten.

En onze drie mannetjes, Joost, Prem en Jörgen, maar knikken, want die weten ook al lang – mede dankzij de onvermijdelijke Michiel Vos, journalist én schoonzoon van de Democratische Speaker van het Huis van Afgevaardigden, Nancy Pelosi – dat er in essentie twee partijen zijn, een goede en een slechte: je hebt de hippe en jonge en leuke mensen, die nu in Denver rondswingen, en net als zij lekker progressief zijn en stads en slim, en je hebt een groep enge mensen, vooral bestaande uit oude, blanke mannen, die scheten en boeren laten en andere flauwiteiten verkopen, en die verder gewoon gek en gevaarlijk zijn.

So far for
de Nederlandse journalistiek, so far for de publieke omroep, en so far for Joost, Prem en Jörgen. En het ergste is dat het niet alleen bevooroordeeld en schandalig is, maar ook dat er echt niets van klopt, dat de jongens niet zien wat ze zien en missen wat ze zouden moeten zien: dat Obama echt nog wel wat anders is dan een Nederlandse sociaal-democraat of sociaal-liberaal. En dat hij kan verliezen. In hun verblinding en bias spiegelen ze de Nederlandse kijker een fundamenteel verkeerd beeld van de Amerikaanse verkiezingen voor. Nooit geweten dat we belasting betaalden om de publieke omroep haar verheven taak op deze wijze te zien vervullen.

Volgende week: McCain en de Republikeinen op hun conventie in Minneapolis, wordt één hele uitzending aan gewijd!

*) Eerder verschenen op de website van de NOS.

22.8.08

HJ Schoo’s onvoltooide rijkdom

Hendrik Jan Schoo is door de PvdA nooit erg serieus genomen. Wat zou hij de partij hebben gezegd wanneer die hem daartoe een gelegenheid had geboden?

Hendrik Jan (‘HJ’) Schoo (Amsterdam, 1945) was hoofdredacteur van Elsevier, adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant en uitgever van Vrij Nederland. Hij schreef vanaf 2003 een politieke column in de Volkskrant, maar overleed al in september vorig jaar aan een longbloeding, nog geen 62 jaar oud.

Wat Schoo zo interessant maakte als politiek commentator, en wat het zo spannend maakte hem van week tot week te volgen, was zijn openheid, zijn afkeer van dogmatisme, zijn nieuwsgierigheid, zijn willen weten hoe de dingen werkelijk in elkaar staken. Zijn werk stond daardoor nooit in dienst van iets anders, en al helemaal niet van enige partij. Daardoor is Schoo in de tijd die hem na de Fortuyn-revolte gegeven was, een zeldzaam voorbeeld geworden van een beschouwer die in die jaren iets heeft bijgeleerd.

Dat blijkt vooral uit twee tot nog toe ongepubliceerde stukken die bedoeld waren voor een boek dat al in het najaar van 2002 door uitgever Prometheus werd aangekondigd maar dat nooit is uitgekomen: Het populistisch reveil. Moderne burgers en het onbehagen in de democratie. De twee hoofdstukken die Schoo voor dit boek wel afrondde, verschijnen nu in een fraaie bundel die een bloemlezing uit het werk van Schoo biedt. Een redactie bestaande uit Jos de Beus, Marc Chavannes (NRC), Arendo Joustra (Elsevier), Remco Meijer (Volkskrant), de historicus Willem Velema en socioloog Herman Vuijsje heeft de bundel samengesteld en van een informatieve inleiding voorzien. Het boek wordt op 4 september in Amsterdam gepresenteerd.

Het eerste van de twee nieuwe stukken (een lang hoofdstuk van 25 pagina’s) biedt een terugblik op Pim Fortuyn. Schoo trok hem in 1994 als politiek columnist voor Elsevier aan. Dat heeft hij vaak moeten uitleggen. In zijn verantwoording treft vooral zijn eerlijkheid. Dat wordt helemaal niks, die Fortuyn in de politiek, was Schoo’s aanvankelijke gedachte. ‘Zelden heeft iemand zo volstrekt ongelijk gekregen’, moest hij later concluderen. Boeiend in dit hoofdstuk is vooral ook het kijkje in de keuken dat het biedt. Het ging Fortuyn uiteindelijk, stelt Schoo op grond van zijn vele telefoongesprekken met hem vast, ‘om niet minder dan het behoud van het christelijke Avondland’.

Het tweede stuk moet de tekst zijn van wat de inleiding op dat nooit voltooide boek had moeten worden. Dat gaat over dat populistische reveil, en behandelt het populisme niet als ‘een abjecte oprisping van een misleid, tot het kwade geneigd en van bovenaf te beheersen electoraat’, maar als ‘een nuttige correctie op democratisch falen’. Het is oneindig jammer dat dit boek er nooit is gekomen.

En zo is er meer in het leven en werk van Schoo dat bijna als vanzelf de dichtregel van Leopold over ‘de rijkdom van het onvoltooide’ in herinnering roept. Niet alleen dat onvoltooide boek, niet alleen die vroege dood, maar ook dit, uitgesproken door de Amsterdamse hoogleraar Jos de Beus tijdens een herdenkingsbijeenkomst voor Schoo in De Rode Hoed in september vorig jaar: ‘HJ was de beste denker die de PvdA niet gekend heeft’.

Schoo, die zichzelf typeerde als een ‘freischwebende, partijloze sociaaldemocraat’, heeft links Nederland met gepaste vrijmoedigheid van opbouwende kritiek voorzien, maar de PvdA heeft zijn ideeën en adviezen nooit omarmd. Integendeel, Paul Kalma, nu Tweede-Kamerlid voor de PvdA en toen directeur van het wetenschappelijk bureau van die partij, maakte hem in maart 2000 uit voor een ‘ontketende kaaskop’.

Stel nu eens dat de PvdA Schoo’s grote talent wel had erkend en hem had uitgenodigd een groot essay te schrijven (een ‘intern discussiestuk’) of een toespraak te houden – wat zou Schoo de Nederlandse sociaaldemocraten dan hebben voorgehouden?

Op grond van dit nieuwe boek kunnen we in ieder geval weten dat hij ze hun nuffigheid zou hebben verweten, hun elitaire minachting van het klootjesvolk.

‘En omdat, waarde sociaaldemocraten,’, zo zou Schoo hebben gezegd, ‘u er niet meer wilt zijn voor de gewone mensen, daarom hebben zij hun toevlucht gezocht bij wat u populistisch rechts noemt. Dat is niet ongevaarlijk. Of kent u uw klassiekers niet meer, zoals De deftigheid in het gedrang van Jacques de Kadt, die ooit al eens een vergelijkbare analyse stelde. In de jaren dertig van de vorige eeuw.’

Schoo zou er bij de sociaal-democraten op aandringen om de Fortuyn-revolte als een historische breuklijn te accepteren. Doe dus niet net alsof een restauratie van vroegere verhoudingen nog altijd tot de mogelijkheden behoort. Neem het populisme serieus als een eerste fase naar een nieuwe stabiliteit, ná de periode van de verzuiling en ná de periode van de ontzuilde babyboomers die de geleide democratie in een progressief jasje hadden gestoken.

Om die nieuwe stabiliteit te bereiken, zou Schoo hebben gezegd, moet er een rem op de immigratie komen. Meer selectiviteit, strengere voorwaarden voor huwelijksmigratie. Nederland is vol, in meerdere opzichten. Omdat Nederland ‘soft’ blijft op het terrein van de immigratie, vlucht het in een ‘hard’ integratiebeleid, dat weinig kans van slagen heeft.

Na de glorieuze jaren van opwaartse sociale mobiliteit (1945 – 1975) is de sociaaldemocratie in diskrediet geraakt. Wil de PvdA een nieuwe strategie voor het aloude ideaal van de ‘volksverheffing’ kunnen ontwerpen, dan moeten de sociaaldemocraten het waarde- en cultuurrelativisme opgeven. De cultuurrelativist houdt altijd vol dat het een niet beter of hoger is dan het ander. Dat is onze afspraak.

‘Maar, sociaaldemocraten, wat als waarderelativisme en liberalisering, plus hun kennelijke consequentie, commercialisering, leiden tot verschroeide aarde, uniformiteit? Wordt het dan geen tijd om na te gaan of onze bevrijdende uitgangspunten wel stand houden?’

Zorg dus in de eerste plaats voor goed onderwijs. Begrijp nu eindelijk eens, sociaaldemocraten, dat de bevrijding van ‘1968’ voor de lagere klassen desastreus heeft uitgewerkt. ‘De culturele signalen waarmee die bestookt worden, zijn een handicap in hun maatschappelijke concurrentiestrijd.’

En wordt nu eindelijk eens een werkelijk republikeinse partij. Dat wil zeggen: bekritiseer in de monarchie niet alleen de populaire kitsch waarin het grossiert, maar zie republikanisme als het pleidooi voor het zelfbestuur op alle niveaus van vrije burgers. Zet je dus in voor radicale democratisering.

De hierboven genoemde samenstellers van deze bundel stellen in hun inleiding vast dat ‘de nieuwe consensus over Nederland’ volgens Schoo ‘conservatiever’ zou zijn geweest dan het oude evenwicht: conservatiever in de visie op de pacificatie tussen immigranten en autochtonen, conservatiever in de visie op een beschavingsmissie voor achterblijvers, conservatiever in de visie op de zelfstandigheid van de nationale overheid in een tijd van Europeanisering.

Het is zo, en het vooruitzicht stemt vrolijk.

Schoo was geen conservatief. Conservatisme is de bescherming van de sociale orde tegen de onterende aanvallen van de gecentraliseerde politieke staat (Robert Nisbet). Die argwaan tegen de overheid kende Schoo niet, of niet in dezelfde mate. Schoo was een neoconservatief, in de zin van een rechtse afsplitsing van de sociaaldemocratie. In Nederland heeft dat streven, in de tijd van De Kadt, Sal Tas en Frans Goedhart, ooit tot een nieuwe politieke partij geleid (DS’70), maar tegenwoordig leeft dat ideaal alleen nog maar voort in een groepje verspreide individuen, die in Schoo een leermeester hebben gehad.

Maar dit onvoltooide is geen rijkdom. Want alleen een vernieuwing van de PvdA langs de door Schoo uitgestippelde lijnen brengt die ‘nieuwe consensus’ nabij waaraan Nederland, ruim zes jaar na de Opstand, meer dan ooit behoefte heeft.

Recensie van: H. J. Schoo, Republiek van vrije burgers: het onbehagen in de democratie, Bert Bakker

*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.

21.8.08

Links fascisme

Mijn Elsevier-column deze week gaat over Wijnand Duyvendak:

...Jacques Presser, auteur van het standaardwerk over de Jodenvervolging in Nederland, betoogde eens dat het fascisme, als het in Nederland nog eens terugkomt, zich zal aandienen in de gedaante van het anti-fascisme.

Extreem-links kun je niet beter dan zo typeren.

De aanhangers presenteren zich als de grote bestrijders van het fascisme, maar zijn in hun denken en handelen zo fascistisch als de pest. Het is meer dan een kwestie van de extremen die elkaar raken – de extremen komen hier bij elkaar en gaan elkaar zelfs overlappen.

Dat is volkomen begrijpelijk voor wie zich realiseert dat het denken in extreem-linkse kringen beslissend is beïnvloed door een politiek filosoof die tevens de hofjurist van Adolf Hitler was: Carl Schmitt (1888-1985)...

Het denken van Schmitt heeft extreem-links geholpen om de democratie zo niet af te wijzen dan wel te relativeren als hooguit een middel tot een doel. Het heeft de beweging geholpen de wereld te delen in vrienden –weinig– en vijanden –heel veel. En de bestrijding van de vijand (het kapitalisme, rechts, en de wereld zoals hij is) is zo urgent dat extreem-linkse mensen in de veronderstelling verkeren dat ze zich niet hoeven te houden aan de ‘burgerlijke legaliteit’ van de democratische rechtsstaat...

Het linkse fascisme is een manier van doen die een vitale democratie niet kan tolereren en waarmee ze grondig moet afrekenen.

Lees de rest van deze column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.

14.8.08

Vrije meningsuiting

Nu de opwarming van de aarde ons deze zomer toch een beetje in de steek laat, gaan veel mensen maar een dagje een stad bezoeken. Als ze voor Den Haag kiezen, kunnen ze proberen om daar, in het gebouw van de Tweede Kamer, de expositie over het vrije woord te bezichtigen.

VVD en PVV hebben er een ‘Vrijdenkersruimte’ geopend, waar cartoons van Gregorius Nekschot, schilderijen van Ellen Vroegh, foto’s van Aram Tanis en publicaties van Jaffe Vink en Theo van Gogh zijn te bewonderen. U moet dan naar de leeskamer van de VVD en de gang van de PVV, nadat u een afspraak hebt gemaakt, ter plaatse uw paspoort hebt laten zien en de detectiepoortjes bent gepasseerd. Maar dan bent u ook ergens...

Lees de rest van mijn wekelijkse column in de nieuwe Elsevier.

11.8.08

Amandelen drogen in Afghanistan

De Telegraaf publiceerde onlangs een artikeltje over de kritiek en woede van Nederlandse militairen in Uruzgan op het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. Minister Koenders zou in de Afghaanse provincie miljoenen uitgeven om agrarische alternatieven voor de papaverteelt te stimuleren. ‘Maar’, aldus een sprekend ingevoerde en met naam en toenaam genoemde eerste luitenant, ‘Ontwikkelingssamenwerking doet maar wat. Over opbrengst of oogst hoor je niets.’

Ik hoop dat deze eerste luitenant het goed maakt en dat hij niet via de krijgsraad naar Guantánamo Bay is afgevoerd. Zijn woede en frustraties zijn begrijpelijk. Wanneer Koenders miljoenen uitgeeft en Defensie bij oplopende kosten de broekriem moet aanhalen, liggen verontwaardiging en ook het uiten daarvan, voor de hand.

Maar ik denk niet dat de kritiek uit Defensiekringen en het wantrouwen van de VVD – de Kamerleden Boekestijn en Van Baalen eisen ‘inspectieteams’ die de ‘verkwisting te velde’ onder de loep moeten nemen – helemaal terecht zijn. Natuurlijk is wantrouwen (en meer dan dat) gerechtvaardigd wanneer Ontwikkelingssamenwerking wordt bedreven vanuit een misplaatst schuldgevoel, vanuit de drang onszelf met onze eigen goede en moreel verheven bedoelingen te kietelen, en daarbij blind te blijven voor de blijvende afhankelijkheid van de ontvangers van onze hulp en voor de resultaten van ons werk, en belastinggeld, in het algemeen.

Maar is de ontwikkelingssamenwerking daarmee afdoende getypeerd?

Ik kan het geheel niet overzien, maar weet wel dat Koenders de Tweede Kamer (in deze aangevoerd door CDA-kamerlid Kathleen Ferrier) onlangs een potje van 10 miljoen euro heeft beloofd (veel geld dus) om in Afghanistan projecten op gang te brengen die ervoor zorgen dat Afghaanse boeren andere producten gaan verbouwen dan die vermaledijde papaver.

De gedachte erachter is dat de oorlog in Afghanistan niet alleen met militaire middelen kan worden gewonnen. De bevolking is via de papaverteelt namelijk ook economisch afhankelijk van de Taliban. Bovendien zijn de meeste boerenbedrijven in Afghanistan maar klein: niet groter dan een halve tot één hectare. Door vererving worden ze alleen maar kleiner. Boerenzonen verlaten dus vaak het bedrijf van hun vaders voor off-farm labour, wat in de meeste gevallen concreet betekent dat zij zich aansluiten bij de Taliban, in Afghanistan zelf dan wel in Pakistan.

Aan de projecten die voor subsidiëring door Ontwikkelingssamenwerking in aanmerking komen, worden scherpe eisen gesteld, zo heeft Koenders de Kamer in een brief laten weten. Zij mogen geen speeltje zijn van welke partij dan ook, maar moeten beantwoorden aan de vraag zoals die in Afghanistan zelf leeft. Bedrijven moeten een bijdrage leveren door kennis en mensen beschikbaar te stellen. Er moet met Afghaanse partners worden samengewerkt. En de projecten moeten erop gericht zijn dat de betrokken boeren zó leren om nieuwe producten te verbouwen, te verpakken en te vervoeren dat zij zelf binnen zo kort mogelijke tijd zelf geld gaan verdienen en dus onafhankelijk worden van de geboden hulp.

Een vergelijkbaar project is elders al succesvol gebleken. Met de hulp van het Nederlandse bedrijfsleven en hulporganisaties is in de Gazastrook de kweek van anjers weer op gang gebracht, met als gevolg dat deze in Aalsmeer worden geveild en daarmee dus een economische dynamiek op gang brengen die tot economische zelfstandigheid van Palestijnse kwekers leidt. De rol van de Nederlandse overheid is faciliterend. Zo heeft minister Verhagen van Buitenlandse Zaken onlangs met succes een beroep op de Israëlische autoriteiten gedaan om de grenzen met Gaza te openen zodat elf vrachtwagens met Hollands zaaigoed er binnen konden komen.

Kijk, we zitten natuurlijk niet in de Afghaanse bergen om amandelen te drogen en die naar de markt van Dubai te exporteren. We voeren daar in de eerste plaats een oorlog, een oorlog tegen het islamitisch terrorisme, en iedere soldaat die daarginds in die oorlog zijn leven waagt, is een held. Maar zolang de laatste Taliban niet onder de grond ligt, moeten we ook andere middelen inzetten om die oorlog te winnen, en dan middelen die er niet voor zijn bedoeld om onze goedgeefsheidsklier te kietelen maar om daadwerkelijk een verschil te maken dat in duurzame onafhankelijkheid resulteert.

Als we met recht en reden in Afganistan vechten, en als we die oorlog willen winnen, dan is dit de manier om het te doen. Dat is die eerste luitenant ongetwijfeld met mij eens.

*) Deze column verscheen eerder in Binnenlands Bestuur.

7.8.08

Rouvoets haaienjacht

Als ik onze minister van Jeugd en Gezin, André Rouvoet van de ChristenUnie, bezig zie, moet ik altijd denken aan de tweede president van de Verenigde Staten, John Adams (1735- 1826). Niet zozeer vanwege zijn presidentiële uitstraling – Rouvoet heeft daarvoor net iets te veel de gejaagde blik van iemand die drie kranten achterloopt en echt alles gelezen wil hebben – maar vanwege een uitspraak van Adams die Rouvoet eigenlijk boven zijn bed zou moeten hangen.

En niet alleen boven zijn bed, maar ook aan de muur van zijn werkkamer...

Lees de rest van deze column in Elsevier van deze week. Abonneren kan hier.

6.8.08

Obama zal teleurstellen

Sinds deze week maak ik deel uit van het "Filosofische Elftal" van TROUW dat tweewekelijks filosofische perspectieven biedt op de actualiteit. Mijn eerste bijdrage, opgetekend door Marc van Dijk, ging over Obama:

Wat kunnen denkers zeggen over de actualiteit? Tweewekelijks spreekt Trouws Filosofisch Elftal zich uit. Vandaag: Barack Obama wordt de hemel in geprezen. Een hoopgevende ontwikkeling of laten wij ons verblinden?
door Marc van Dijk

Als Barack Obama niet de 44ste president van de Verenigde Staten wordt, kan hij altijd nog de eerste president van Europa worden. De Democratische kandidaat was hier al populair; na zijn rede in Berlijn kan hij werkelijk niet meer stuk. Hij heeft de allure van een Messias, met zijn charisma, smetteloze levensverhaal en boodschap van hoop en vrede.

Zijn gebed dat geheel tegen de joodse regels in uit de Klaagmuur werd getrokken, versterkt die suggestie: ’Heer, bescherm mijn gezin en mij. Vergeef mij mijn zonden en behoed mij voor hoogmoed en wanhoop. Geef mij de wijsheid om te doen wat rechtvaardig en goed is. En maak mij tot een instrument van Uw wil.’

„Een bijzonder mooi gebed”, vindt Bart Jan Spruyt. „Maar ik hoop dat Obama niet gaat geloven dat hij de Messias is. Dan gaat het altijd fout.”

Spruyt (1964) is een nieuwe speler in het Filosofisch Elftal. Hij is historicus en publicist. Hij was directeur van de Edmund Burke Stichting, een conservatieve denktank. De eerste helft van 2006 was hij medewerker van Geert Wilders, maar hij verliet diens PVV na onenigheid over de centrale rol en het uiteindelijke gedachtegoed van Wilders. Spruyt is onder andere columnist van Elsevier.

Schuilt er een gevaar in de schoonheid van de woorden van Obama? Spruyt: „Retoriek van een Democraat is altijd gevaarlijk. Als een Republikein zich van retorische hoogstandjes bedient, zoals Ronald Reagan – ’It’s morning again in America’ – dan is dat mooi en onschuldig. Omdat conservatieven beseffen dat je met politiek maar heel weinig kunt bereiken. Dat politiek als kracht secundair is en cultuur primair.

Dat je als politicus een overzichtelijke agenda moet hebben – twee, drie punten, meer kun je niet realiseren in de beperkte tijd die je gegeven is. Bij Democraten ligt dat anders. Zij zijn links en geloven dus in een zegenrijke rol van de overheid op alle terreinen des levens en daarmee in een maakbare wereld. Als je pech hebt, gaan ze in hun eigen retoriek geloven.”

Ger Groot, docent wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, deelt Spruyts angst voor al te hooggestemde beloftes, maar ziet dit niet als een exclusief probleem van Democraten. „Barack Obama heeft een messianistisch imago, George W. Bush heeft helaas een messianistische politiek gevoerd. En dat heeft ons behoorlijk opgebroken. Maar getuigenispolitiek wil hoe dan ook nogal eens blind zijn voor de werkelijkheid. Wat dat betreft kun je beter een realpolitische leider hebben, iemand die nuchter blijft, dan een bevlogen idealist.”

Wat zijn de risico’s van idealisme? Groot: „Ten eerste: het ideaal dat wordt nagestreefd valt niet noodzakelijk samen met het jouwe, waardoor tegenstellingen alleen maar worden verscherpt in plaats van overbrugd. Ten tweede: als het ideaal wél samenvalt met dat van jou, dan is het nog maar de vraag waar het nastreven van dat ideaal in concreto toe leidt.

Een politicus is in eerste instantie iemand die haalbare doelstellingen moet nastreven. Iemand die onhaalbare dingen nastreeft, gaat in het beste geval de mist in en in het slechtste geval brengt hij rampen voort. George W. Bush is aardig in de buurt gekomen van het laatste.”

Obama wekt niet de indruk dat zijn idealisme snel tot oorlogszuchtigheid zal leiden. Groot: „Dat is waar. En hij lijkt meer multilateraal ingesteld te zijn. Maar daar moet je je niet al te veel illusies over maken. Een Amerikaanse president blijft toch een Amerikaanse president, die eerst en boven alles de belangen van de wereldmacht Amerika zal dienen. En dat is ook gerechtvaardigd.

Het zou al lang mooi zijn als Obama het unilateralisme van de afgelopen acht jaar zou vervangen door een multilateralisme, waarbij de rest van de wereld weer op voet van evenwaardigheid wordt bejegend door Amerika. Maar dat kan ook moeilijk anders, de lijn van Bush is doodgelopen. De situatie is een bijna absoluut dieptepunt, dus het kan er haast niet op achteruit gaan.”

Waarom zo zuinig? Is het niet mooi om ergens in te geloven?
Spruyt: „Zeker wel. Maar niet in Barack Obama. Tot op zekere hoogte is het wel begrijpelijk dat mensen verandering willen. Op de cover van The Economist stond vorige week het Vrijheidsbeeld afgebeeld: zittend op haar sokkel, de handen in het haar. Kredietcrisis, hoge olieprijs, eindeloze oorlog in Irak; Amerika verkeert in een deplorabele staat.

Maar ik vind het moeilijk te begrijpen dat mensen vervolgens blind vertrouwen op iemand die met een zekere charme, gevoel voor stijl en retorisch talent de gewenste verandering belooft, zonder te vertellen wat er precies moet veranderen en waarin het moet veranderen. Merkwaardig. Het doet mij denken aan iemand als Rita Verdonk, die het voortdurend heeft over daadkracht, zonder te vertellen waarin die daadkracht bestaat en wat ze ermee wil doen.”

Barack Obama heeft wél verteld wat hij wil: wereldburgerschap, eenheid, het afbreken van scheidsmuren. Spruyt: „Die haast holistische, new age-achtige boodschap maakt hem alleen maar ongeloofwaardiger. Hij sprak van ’de opdracht van wereldburgerschap’. We moeten grenzen slechten, angsten overwinnen, verschillen overbruggen.

Ook de onderlinge verschillen tussen rassen, naties en religies. En dan blijven er nog een paar problemen over, zoals het terrorisme en het klimaatprobleem, maar die lossen we samen wel op. Met andere woorden: hij gaat de wereld redden. Een tikje ambitieus, toch? De teleurstelling zit in het project-Obama ingeschapen. Hij is een romanticus in de politiek en die plegen hard te vallen.”

Anders dan Spruyt hoopt Ger Groot overigens wel dat Obama de race wint. Groot: „Alleen al omdat de Republikeinse partij het verdient om te verliezen. De partij heeft krankzinnige dingen uitgehaald. Bush is door een verkapte staatsgreep aan de macht gekomen en hij heeft door allerlei burgerlijke vrijheden te ondermijnen de democratie schade berokkend. Het zou wrang zijn als dat Republikeins wanbeleid zou worden beloond – al heeft dat niets met John McCain te maken. Daarnaast kan ik niet ontkennen dat ik grote sympathie heb voor Obama. Ik kan mij niet helemaal ontrekken aan zijn charismatische kracht.”

Daar heeft Spruyt geen last van. „De keuze voor Obama lijkt mij een ramp. Dan maar McCain. Maar inderdaad: eigenlijk zouden de Republikeinen eens flink moeten verliezen, zodat ze zich kunnen heroriënteren op hun politiek-filosofische wortels.”

*) Dit artikel (van Marc van Dijk) is vandaag verschenen in Trouw.

5.8.08

Evangelie voor sceptici

Dominee Timothy Keller weet iedere zondag duizenden New Yorkse yuppen naar zijn kerk te trekken. En zijn boek over God scoort hoog op de bestsellerlijsten. Dat is opmerkelijk, want Keller is orthodox.


Er bestaat in de theologie een vak dat apologetiek heet. Het is al zo oud als de christelijke kerk zelf en bestaat in pogingen van christenen om tegenover buitenstaanders rekenschap af te leggen van hun geloof. Wat geloven wij nu eigenlijk en waar baseren wij dat geloof op en hoe kunnen we niet-gelovigen van de redelijkheid en geloofwaardigheid van ons geloof overtuigen?

Alhoewel er voorbeelden zijn aan te wijzen van geschriften waarin christenen zich
rechtstreeks tot die buitenwereld richten en met een keur aan argumenten ongelovigen proberen over te halen tot een toetreding tot de kerk, zijn de meeste apologetische boeken voor intern gebruik geweest. Dat ligt ook wel voor de hand: alle kritische vragen en scepsis die niet-gelovigen tegen het christendom inbrengen, leven natuurlijk ook bij gelovigen zelf, en voor hen is een adequaat antwoord op die vragen en twijfels urgenter dan voor de niet-gelovigen.

In de Verenigde Staten doet zich sinds een aantal jaren een opmerkelijk fenomeen voor. Zijn naam is Timothy Keller, hij is predikant in New York en slaagt erin iedere zondag zo’n 5000 kunstenaars en young urban professionals, hoogopgeleide twintigers en dertigers, naar de kerk te lokken die hij zelf heeft opgericht, Redeemer Presbyterian Church. Hij wordt daarom wel de ‘meest succesvolle christelijke evangelist van New York City’ genoemd. Bovendien heeft hij begin dit jaar een boek gepubliceerd over ‘de redenen voor God’ dat in de christelijke media direct al is uitgeroepen tot hét boek van 2008 en – vreemd genoeg voor een boek dat een verdediging van het christelijk geloof biedt – tot de zevende plaats doordrong op de non-fictie bestsellerlijst van de New York Times. De Nederlandse vertaling van dit boek verschijnt volgende maand. De Engelse tekst is uitgegeven door Penguin, wat ook al verrassend mag heten omdat deze uitgeverij geen eens een afdeling religieuze boeken heeft.

Het opmerkelijke aan Keller is dat hij in geen enkel opzicht doet denken aan het type predikant dat Europeanen met een Amerikaanse evangelist plegen te vereenzelvigen: dat van de louche televisiedominee. Keller houdt niet van het predikaat ‘evangelisch’ omdat dat associaties met de politiek en met het fundamentalisme oproept. Hij noemt zichzelf gewoon orthodox, omdat hij gelooft ‘in het belang van een persoonlijke bekering en de autoriteit van de Bijbel’.

En dat maakt het allemaal nog raadselachtiger. Ook in Nederland zijn er populaire, goed verkopende theologen en predikanten, en die luisteren dan naar namen als Kuitert of ter Linden. Maar die zijn alles behalve orthodox. Hun werk kenmerkt zich veeleer door pogingen om de Bijbel te reduceren tot een onschuldige collectie van inspirerende legenden, een gezellig praatje, dat vooral bij al dan niet koninklijke bruiloften, doopdiensten en andere partijen goed van pas komt. En het ergerlijke is dat deze heren ons vervolgens ook nog willen doen geloven dat ze met hun verhalen de oorspronkelijke boodschap van het evangelie hebben herontdekt. Keller maakt zich niet schuldig aan deze vorm van bedrog, maar weet toch zondag aan zondag het welwillende gehoor te vinden van duizenden yuppen, die zich op de eerste dag van de week toch vooral onledig hielden met museumbezoek en een wandeling door Central Park.

Keller (1950) komt uit Pennsylvania en bekeerde zich tijdens zijn studie aan de universiteit tot het christelijk geloof. Hij doceerde daarna niet alleen aan een orthodox-presbyteriaans seminarie maar was ook negen jaar lang predikant op het platteland van Virginia, in het kleine blauweboordenstadje Hopewell. Daar leerde hij meer dan hij waar dan ook had geleerd, vooral omdat zijn gehoor de noordelijke intellectueel dwong om zich helder en duidelijk uit te drukken.

Ondanks zijn geringe ervaring werd hij in 1989 door de leiding van de Presbyteriaanse Kerk in Amerika (PCA) gevraagd om Redeemer Church in New York te gaan leiden. Aanvankelijk zaten er niet meer dan 50 mensen onder zijn gehoor. Nu is de kerk een groot succes en heeft zij meer dan honderd vergelijkbare kerken elders in de VS en Europa ‘geplant’, tot in Amsterdam aan toe – als onderdeel van een missie die gericht is op de verandering van New York en de rest van de wereld door ‘persoonlijke verandering, sociale genezing en culturele vernieuwing’.

Misschien is een van de redenen van Kellers populariteit inderdaad wel gelegen in zijn helderheid en directheid. Hij verkoopt geen vage praatjes, ondersteund door harde muziek en andere technische hulpmiddelen, maar maakt vanaf het begin af aan duidelijk dat hij je komt vertellen dat het orthodox-christelijke geloof waar is. En om je dat duidelijk te maken, gaat hij de bekende vragen niet uit de weg. Als God liefde is, waarom is er dan zoveel lijden op de wereld? Als de wereld door evolutie is ontstaan, dan is het scheppingsverhaal toch niet meer dan een mythe, en zijn alle leerstukken die daarop voortborduren (de zondeval, het lijden van Christus, verzoening, vergeving en berkering) daarmee toch irrelevant geworden?
Wat zijn stijl en presentatie betreft, gaat Keller ervan uit dat moderne, jonge mensen niet meer het zitvlees en de capaciteiten hebben om een strak gecomponeerd boek van, zeg, C. S. Lewis te lezen (alhoewel Lewis voor Keller een geloofsheld is). Diens lange betogen vol logische argumentatie en redeneringen spreekt hen niet meer aan. Moderne apologetiek moet persoonlijker zijn, sneller en directer toegankelijk.

Keller erkent de aanwezigheid en zelfs het belang van twijfel. Hij begrijpt dat christenen niet zozeer overal een antwoord op hebben maar met dezelfde vragen worstelen als niet-gelovigen. Maar hij daagt niet-gelovigen uit net zo kritisch over hun eigen vooronderstellingen na te denken als dat zij over het christendom doen. En hij voelt de huidige onzekerheid haarscherp aan: ‘We zijn aangekomen op een cultureel moment waarop zowel sceptici als gelovigen het gevoel hebben dat hun bestaan wordt bedreigd omdat zowel seculier scepticisme als religieuze geloofsovertuigingen aanzienlijk aan kracht winnen. We bevinden ons niet in de westerse christenheid van het verleden, noch in de seculiere, religieloze samenleving die ons was voorspeld. We bevinden ons heel ergens anders’.

Maar waar precies weet niemand. Dat kan helpen verklaren waarom initiatieven als die van Keller zo succesvol kunnen zijn, zelfs in Manhattan. Misschien is een deel van de verklaring ook dat jonge mensen nu, zoals Peter Sloterdijk eens heeft gezegd in een interview met NRC Handelsblad, in het leven van hun ouders hebben gezien hoe de grote verworvenheden van 1968 – vrijheid! – zijn gedegenereerd tot onverantwoordelijkheid en losbandigheid, en dat zij daarom op zoek zijn naar een nieuw gevoel van orde. En in die zoektocht naar die nieuwe orde staan zij aanzienlijk minder bevooroordeeld tegenover geloof en religie dan de generatie die aan de hunnen vooraf gaat.

Of de raadselachtige ontwikkeling die zich in New York en elders in de VS heeft voorgedaan, ook in Nederland van zich zal laten merken, staat nog te bezien. Maar het zou om meerdere redenen geen kwaad kunnen. Een van de redenen is gelegen in het boek (America’s Secular Challenge) dat de firma Amazon mij deed bezorgen, juist toen ik dit stukje aan het schrijven was. Het is geschreven door een agnostische Joodse intellectueel, Herbert London, en gaat over het onvermogen van het radicale secularisme om de inbreuk van fanatisme (zoals het islamisme) op onze cultuur te pareren. De westerse beschaving en de cultuur van de democratie worden geschraagd door christelijke principes, aldus London, of we dat nou leuk vinden of niet. Een onbevooroordeeld onderzoek naar de precieze aard van die principes kan dan geen overbodige luxe zijn. Het boek van Keller voorziet in dat onderzoek.

Recensie van: Tim Keller, In alle redelijkheid: christelijk geloof voor welwillende sceptici, Van Wijnen € 15

*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.

1.8.08

Verraad

‘Het is onacceptabel dat 75 procent van de allochtone jongeren van Turkse en Marokkaanse origine hun huwelijkspartner nog steeds uit het land van herkomst haalt. Deugen al die islamitische jongeren hier dan niet? De samenleving krijgt zo grote groepen migranten binnen die onvoldoende zijn opgeleid en moeilijk aansluiting vinden bij de moderne, westerse samenleving.

Als het huwelijk mislukt, vallen ze terug op de verzorgingsstaat. Maar ook de integratie van allochtone jongeren die hier wonen stokt als ze met een bruid of bruidegom uit het herkomstland huwen. Allochtone jongeren moeten zich realiseren dat het belang van de Nederlandse samenleving als geheel zwaarder telt dan het individuele belang van henzelf. Dit land is er niet mee gediend dat we steeds opnieuw eerstegeneratiemigranten binnenkrijgen.’

Met dit citaat van Saïd Benayad (destijds voorzitter van de koepelorganisatie van islamitische scholen) begint mijn Elsevier-column van deze week. Lees de rest in Elsevier van deze week. Abonneren kan hier.