Twitter Updates 2.2: FeedWitter

28.9.09

Nieuwe column bij Binnenlands Bestuur

Tot deze week schreef ik om de week een column voor de papieren versie van Binnenlands Bestuur. Dat gaat veranderen: vanaf volgende week schrijf ik iedere week een column voor de website van Binnenlands Bestuur. Hieronder de tekst van de laatste papieren column.

Fluisterende gebouwen

Weinig mensen zullen willen volhouden dat de Algemene Beschouwingen een verheffende aanblik hebben geboden. We hoeven het dan nog niet eens over het voorstel van Wilders te hebben om een hoofddoekbelasting in te voeren, aangeduid als ‘kopvoddentax’, een woord dat al enige jaren circuleert in de rechts-extremistische kring van het Stormfront. Alexander Pechtold vroeg vervolgens of Wilders het soms over een ‘koptax’ had, een verwijzing naar ‘kopgeld’, het geld dat foute Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog kregen als ze een Jood aangaven.

Ze waren weer terug van weggeweest, onze volksvertegenwoordigers, en zo kenden we ze weer.

Minstens zo pijnlijk was de confrontatie tussen kabinet en oppositie. Balkenende zei zelf dat hij niet in vorm was, wat de geschiedenis in zal gaan als het eufemisme van het jaar, bood de Kamer, bij ontstentenis van een alomvattend verhaal, alle kans om hem op alle details te pakken, en de oppositie maakte daar dankbaar en op een zo grof mogelijke wijze gebruik van. Het debat over Troonrede en Miljoenennota was een beschamend steekspel tussen de arrogante leegheid van de macht en de schuimbekkende woede van de rest.

Iedereen heeft het idee dat we met onze omgangsvormen en debattechnieken op een bedenkelijk niveau zijn beland. En hoe is die neerwaartse spiraal te keren? ‘Wie eenmaal grof is, zal steeds grover worden’, zei de Engelse schrijver Anthony Powell, auteur van het delicate epos A Dance to the Music of Time. Het is net als met taal. We denken vaak dat mensen die niet zo goed nadenken zich ook slordig uitdrukken. Dat is natuurlijk zo, maar het omgekeerde is minstens net zo waar: als het taalgebruik vervluchtigt in wolken van woordenkraam, heeft dat ook een desastreuze uitwerking op het denken. Daarom zijn al die boekjes over het Bargoens van het Binnenhof zo deprimerend: wanneer we ze doorbladeren, realiseren we ons ook dat de denkkracht om deze wartaal te doorbreken, met het gebruik van die wartaal alleen maar verder afneemt.

Toen ik naar de Algemene Beschouwingen zat te kijken, moest ik ook denken aan een beroemde speech van Winston Churchill. De zaal waarin de Tweede Kamer haar debatten houdt, vind ik een van de meest afzichtelijke architectonische wangedrochten ooit – qua lelijkheid alleen te vergelijken met de verbouwde Oude Zaal van de Tweede Kamer. Ik ben nooit in Zimbabwe of Zambia geweest, maar ik weet zeker dat ze daar ook in van die historieloze afzichtelijkheden bijeenkomen.

Ook Kamerleden klagen zo af en toe over de vergaderzaal, die vorige week zo schreeuwend lelijk in onze huiskamers binnendrong. De zaal bevordert een spannend debat niet, maar werkt dat juist tegen. Je kunt elkaar niet aankijken, niet ruiken, niet aanraken. ‘Ik houd ontzettend van de wildenbeestenlucht die hier in dit gebouw hangt’, zei Hans van Mierlo ooit na een debat in de (nu) Oude Zaal. Ik heb nog nooit iemand in ernst horen beweren dat die geur ook in de nieuwe zaal te ruiken is.

Toen de Duitsers bij hun bombardementen van Londen in mei 1941 ook het Engelse parlementsgebouw hadden geraakt en vernietigd, bepleitte Churchill de instelling van een comité dat de Kamer moest herbouwen, ‘met zulke veranderingen die wenselijk zijn zonder de essentiële karaktertrekken van het gebouw ongedaan te maken’. Een goede zaal, zei Churchill, is niet al te groot en moet bij bijzondere gelegenheden zo volgepakt zijn dat er vals vanzelf een gevoel van urgentie ontstaat.

Het postmoderne warhoofd Pi de Bruijn, de architect die begin jaren negentig het nieuwe Tweede-Kamercomplex ontwierp, heeft gedacht: ‘Laat ik dat nu eens precies andersom doen. Laat ik allerlei veranderingen doorvoeren die helemaal niet gewenst zijn en ervoor zorgen dat alle essentiële karakteristieken van het oude gebouw zullen verdwijnen, en wel zo dat ieder spoor van historische continuïteit voorgoed zal zijn uitgewist’. Hij is daar wonderwel in geslaagd.

In zijn speech uit oktober 1943 zei Churchill echter ook dat wij onze gebouwen scheppen en dat die gebouwen daarna ons scheppen (‘We shape our buildings, and afterwards our buildings shape us’). Tijdens de Algemene Beschouwingen moest ik, zoals gezegd, aan die woorden denken. Het stijl - en vormverlies in het debat wordt op geen enkele manier gecorrigeerd door de stijl en vorm van de omgeving. Zelfs onze gebouwen fluisteren onraad.

23.9.09

Onwetendheid regeert

Narigheid op narigheid. De kredietcrisis gaat tot een enorme werkloosheid en ruim 35 miljard aan bezuinigingen leiden. We hebben het dan alleen nog maar over de financiële crisis. Er is ook nog een wereldvoedselcrisis en een klimaatcrisis. En dan komt een emeriterende hoogleraar in de Nederlandse geschiedenis, Piet de Rooy (1944), ons vertellen dat we ook nog een ander probleem hebben. We kennen onszelf slecht.

We geloven in de mythe dat we sinds onze succesvolle Opstand tegen de Spanjaarden een voorbeeldig land zijn geweest: tolerant en vredelievend. Moedwillig hebben we onze ogen gesloten voor de religieuze twisten die onze samenleving de eeuwen door onder spanning hebben gezet. De tegenstelling tussen protestanten en katholieken heeft ons land vier eeuwen in haar greep gehouden. De dominante protestanten gingen er van uit dat katholieken op z’n minst aan een dubbele loyaliteit zouden laboreren, en hun kroostrijke gezinnen heeft hen tot diep in de vorige eeuw doen vrezen dat ze op termijn de boel zouden overnemen.

Tot de ontzuiling vanaf de jaren zestig was het publieke domein wel neutraal maar niet seculier. ‘1968’ bracht de grote omwenteling en baarde bovendien, ahistorisch als deze revolutie was, de grote onwetendheid die ons, zo voorspelde de socioloog Jacques van Doorn al in 1971, wel eens hard zou kunnen vallen. Een kwart eeuw later stelde Van Doorn vast dat de islam als ‘een rotsblok in ons vlakke religieuze landschap’ lag. ‘Wie erop bijten wil, bijt op graniet’.

Piet de Rooy, auteur van een van de meest verhelderende boeken over de Nederlandse geschiedenis (Republiek van rivaliteiten, 2002), sluit zich in de oratie waarmee hij uitgerekend op 11 september j.l. afscheid van de universiteit van Amsterdam nam, bij de observatie van Van Doorn aan. De komst van de islam heeft ons geconfronteerd met een ‘harde kwestie’ die wij ontwend waren. De schaduw van God is opnieuw over de polder gevallen, dit keer in de vorm van een exotisch geloof dat geen ruimte biedt aan modern individualisme, geen structurele scheiding tussen kerk en staat kent en zeer bevattelijk is voor geweld en politiek radicalisme.
Als gevolg van de grote vergetelheid van de afgelopen decennia weten we niet meer dat een multiculturele samenleving geen plaats ‘vol interessante ontmoetingen’ is, maar ‘een arena waarin verschillende openbaringen vechten om een plek in de openbaarheid, zo niet om de hegemonie’. Het is een kruitvat dat door de overheid nat moet worden gehouden.

Maar hoe? Een nieuwe ronde van verzuiling is onmogelijk, en zo ook de omslag naar een harde assimilatie aan een seculiere maatschappij. De Rooy suggereert dat we weer moeten leren van de (vergeten) ‘grote ervaring’ die we in Nederlands-Indië in de omgang met de islam hebben opgebouwd.

Maar hij vertelt ons niet wat die ervaring ons heeft geleerd.

De oriëntalist Christiaan Snouck Hurgronje (1857 – 1936), destijds de belangrijkste adviseur van onze regering, vermaande Nederlandse ambtenaren om zich niet in discussies over het islamitische geloof te mengen, maar altijd op hun hoede te zijn voor ideeën die in islamitische kring circuleren, de islam geen enkele gelegenheid te bieden haar ideeën naar het seculiere domein te verbreiden, de politieke islam te bestrijden en via het onderwijs voor een verwestersing van het denken te zorgen (HP/De Tijd van 6 april 2007).

Deze duidelijkheid ontbreekt helaas in het mooie boekje dat van De Rooy’s afscheidsoratie is gemaakt.

N.a.v.: Piet de Rooy, Openbaring en openbaarheid (uitgeverij Wereldbibliotheek; € 7,50)

9.9.09

Boek is af! Presentatie op 5 november in ConservatiefCafé

Dit voorjaar en deze zomer heb ik geschreven aan een nieuw boek. Het manuscript heb ik enkele weken geleden bij de uitgever (Boekencentrum) ingeleverd. We willen het boek op 5 november in Gouda presenteren, tijdens het tweede Conservatief Café dat evenals het eerste zal worden gehouden in de bovenzaal van café de Zalm aan de Markt in Gouda. Menno de Bruyne, ds. H. Klink en Eddy Bilder (tweede Kamerlid voor het CDA) zullen daar de eerste exemplaren in ontvangst nemen.

Het boek gaat over een predikant: ds. J. T. (Co) Doornenbal. Hij werd honderd jaar geleden, in november 1909, geboren en overleed in april 1975. Hij was een boerenzoon met een dichterlijk-romantische aanleg. De dichter Gerrit Achterberg was een van zijn beste vrienden, en hij correspondeerde ook met Martinus Nijhoff en Adriaan Roland Holst. Hij was predikant in Woubrugge, Kesteren en Oene (op de Veluwe) en heeft heel zijn leven veel geschreven: lange stukken in de kerkbode, over kerkelijke en persoonlijke wederwaardigheden, over de natuur, over zijn reizen, over de boeken die hij las, de mensen die hij ontmoette, over cultuur en politiek.

Het boek biedt in de eerste plaats een portret van ds. Doornenbal. Daarop volgt een essay over het blijvende belang van zijn christelijk conservatisme. In drie appendices heb ik teksten van ds. Doornenbal uitgegeven: een lezing over de dichter Achterberg, een verhandeling over Alexander Comrie (een predikant uit de achttiende eeuw), en een preek over Jesaja 11.

Ik heb dit boek ontzettend gemakkelijk geschreven. Waarschijnlijk komt dat omdat dit onderwerp de liefde van mijn hart had, en ik dichter dan ooit bij mijzelf heb kunnen blijven. Het gaat over de geestelijke en kerkelijke traditie waaruit ik ben voortgekomen en die mij altijd heeft geïnspireerd. Ik vond het een mooie taak dat eens te expliciteren.

Ds. Doornenbal was een man die mystieke (bevindelijke) diepgang met katholieke breedte combineerde. Zijn visie op kerk en geloof, samenleving, cultuur en politiek (CHU) verdient het om aan de vergetelheid te worden ontrukt, omdat zijn christelijk-conservatieve boodschap nu misschien wel actueler is dan ooit.

Een beetje vreemd

Zo. We weten nu dat het kabinet sinds zijn aantreden twee jaar geleden voor ruim een half miljoen euro heeft gedeclareerd, van gehuurde jacquets tot stoelmassages en opfriscursussen Frans. Maar hoe hoog de rekening is geweest van de kosten verbonden aan de immigratie van niet-westerse allochtonen mogen we niet weten.

Volgens een onderzoek van het weekblad Elsevier – gebaseerd op bronnen waarnaar premier Balkenende zelf in juni nog verwees - heeft die immigratie de Nederlandse schatkist ruim 200 miljard euro gekost. PvdA-minister Eberhard van der Laan verklaarde eind vorige week dat de weigering van het kabinet om de vragen van PVV-kamerlid Sietse Fritsma hierover te beantwoorden een ‘politieke keuze’ is. Van der Laan had eerder overigens wel beloofd dat het kabinet alle vragen netjes zou beantwoorden. Dat was in een tijd, vlak voor het zomerreces, waarin hij zelf ook nog vond dat de immigratie van laagopgeleide mensen de ‘spankracht’ van Nederland te boven ging.

Maar dat is niet de enige reden waarom de weigering van het kabinet een beetje vreemd is. Balkenende verklaarde vijf jaar geleden dat de bijdrage van immigranten aan de Nederlandse samenleving ‘groot’ is en dat die bijdrage wordt ‘gewaardeerd’. Minister Donner zei een paar weken geleden nog in de Tweede Kamer: ‘Ik ben inderdaad van mening dat Nederland steeds heeft welgevaren bij immigratie, onverminderd de problemen die er zijn’.

Als je als kabinet overtuigd bent van de zegeningen van de immigratie, dan moet je niet voor je verantwoordelijkheid wegduiken wanneer de Kamer wil weten hoe het eigenlijk precies zit.

En waarom is die weigering een ‘politieke keuze’? Het kabinet is niet geïnteresseerd in wat een individu kost, ‘een Fries, iemand met blauwe ogen of een gehandicapte’, zei Van der Laan. ‘Wij kijken’, voegde hij daaraan toe, ‘naar de effecten van beleid, maar leggen onze inwoners niet langs de lat van wat ze in euro’s betekenen.’

Dit is een domme en onhandige manier om te zeggen dat je een kwalijk geurtje opsnuift rond die vragen van Wilders en Fritsma. Ik snuif dat geurtje ook op. Sinds Wilders voor de Deense televisie begon over de deportatie van miljoenen, zo niet tientallen miljoenen moslims die wel eens aan de mogelijkheid van een sharia zouden kunnen gaan denken, ben ik bang dat mijn voorspelling uit januari 2007 – dat Wilders laboreert aan een paniekerige vorm van conservatisme die gemakkelijk in fascisme kan overgaan – nu al is uitgekomen. Ook de vragen van Wilders en Fritsma over de immigratiekosten hebben slechts de kwalijke bedoeling om de al aanwezige afkeer en weerzin bij een groot deel van de Nederlandse bevolking van dit kabinet en allochtonen in het algemeen alleen maar te doen toenemen. De PVV exploiteert ressentiment.

Maar als minister heb je daar niets mee te maken. Dan heb je alleen met die vragen op zich te maken en ben je een vent en geef je antwoord. Ieder Kamerlid, ieder lid van de oppositie heeft daar te allen tijde recht op.

Die mannelijke houding zou dit kabinet vooral sieren omdat de immigratie van (niet-westerse) allochtonen altijd met economische argumenten is verkocht. Dus altijd langs de lat van de euro’s is gelegd. Juist dezer dagen verscheen de Nederlandse vertaling van het boek van de befaamde Amerikaanse journalist Christopher Caldwell over Europa, immigratie en de islam (De Europese revolutie: hoe de islam ons voorgoed veranderde, uitgeverij Ambo). Hij betoogt dat de immigratie belangrijke sociale en culturele gevolgen heeft gehad – resulterend in de verwatering van traditionele waarden - en dat de economische voordelen slechts kort en marginaal zijn geweest. ‘De vraag naar de economische kosten van immigratie is volledig legitiem. De rechtvaardiging voor massa-immigratie is altijd in economische termen gegeven: gastarbeiders waren nodig voor de Europese industrie. Je kunt niet argumenteren dat immigratie nodig was en is op economische gronden, en dan niet kijken naar de economische effecten’.

Ook kiezers begrijpen dat. Geef dus de feiten en duik niet weg maar voer een debat over die feiten. Zolang je dat niet doet, wint de PVV altijd, of je de cijfers nu geeft of niet. Sinds de weigering van het kabinet om de boeken te openen en inzage over de kosten te verschaffen staat de PVV echt wel weer boven de dertig zetels in de peilingen.

3.9.09

1.9.09

Boekenprogramma VPRO

Sinds kort zendt de VPRO iedere woensdagmiddag, tussen 4 uur en half vijf, op radio 1 een nieuw boekenprogramma uit. Het panel wisselt elke week van samenstelling, en de VPRO heeft gevraagd of ik zo af en toe ook eens mee wil doen, morgen (2 september) om te beginnen. De andere deelnemers zijn Nelleke Noordervliet en Natasja van den Berg. We mogen zelf een boek uitkiezen om het over te hebben, en ik heb het boek van Christopher Caldwell klaar gelegd: een goed boek over hoe de islam onze samenleving heeft veranderd, en de noodzaak om in het licht daarvan onze liberale waarden opnieuw te definiëren. De vertaling van het boek (Reflections on the Revolution in Europe: Immigration, Islam, and the West) is net verschenen bij uitgeverij Ambo o.d.t.: De Europese Revolutie: hoe de islam ons voorgoed veranderde. De Engelse titel is natuurlijk veel mooier, als variatie op het hoofdwerk van Edmund Burke: Reflections on the Revolution in France (1790).
Het boek van Caldwell is uitstekend, minder paniekerig en apocalyptisch dan vergelijkbare boeken van Bruce Bawer, Tony Blankley, Mark Steyn, Claire Berlinski en Melanie Phillips (die op onjuiste demografische cijfers zijn gebaseerd), en bijna net zo goed als dat van Bruce Thornton (Decline and Fall: Europe's Slow-Motion Suicide, Encounter Books, 2007), waarvan, vrees ik, wel nooit een Nederlandse vertaling zal verschijnen.