Twitter Updates 2.2: FeedWitter

28.7.11

Nihilisme, populisme, Breivik en Nederland

In de discussie die is losgebrand over Anders Breivik, 'Oslo' en het rechts populisme is het dienstig om te herinneren aan een tekst van de Joods-Amerikaanse politiek filosoof Leo Strauss ('German Nihilism'). Ik schreef daar dit voorjaar over in het blad ChristenDemocratische Verkenningen. De (lange) tekst volgt hieronder, voor de liefhebbers.


Het is onder ons, nette mensen, tot de goede toon gaan behoren om woordvoerders en aanhangers van het populisme te beschouwen als de slecht opgevoede en slecht geschoolde, luidruchtige en onbeschaamde binnendringers in een politieke wereld die wij voor onszelf zo netjes op orde hadden. Deze barbaren duw je weg achter een cordon sanitair of je verleidt ze tot participatie, in de hoop dat ze zichzelf kapot regeren of gedogen. Geen mogelijkheid om de opmars van het populisme te keren, mag onbenut worden gelaten. Want ze deugen niet. Volgens Rob Riemen zijn Geert Wilders en zijn beweging het ‘prototype van hedendaags fascisme’, en daarmee niets anders dan de politiek logische consequentie van de nihilistische massamaatschappij die wij zijn geworden. Frits Bolkestein denkt dat Wilders niet meer is dan een ‘kortstondige komeet’ en dat zijn kiezers bestaan uit people with a grudge. ‘Ze zijn werkloos en hun dochter is aan de drugs en hun zoon is weggelopen.’ En James Kennedy, om alleen hem nog te noemen, betoogt dat het Nederlandse populisme ‘gevaarlijk’ is omdat het ons zal verleiden zijn visie op immigratie en islam in ons systeem te absorberen. Dat zal uiteindelijk tot een situatie leiden ‘waarin sommige burgers veel minder rechten zullen krijgen dan anderen’.

In het beste geval erkennen we schoorvoetend dat er geen enkele reden is om de PVV te vergelijken met het vooroorlogse fascisme of nationaalsocialisme en dat er nog wel wat te leren valt van de successen die Wilders boekt: hij heeft de politieke urgentie van de kwestie van de immigratie ‘beter tot zich laten doordringen dan andere partijen’.

Zelf ben ik van mening dat we het populisme veel serieuzer moeten nemen. In de eerste plaats omdat het is ontstaan als gevolg van fouten en tekortkomingen in de politiek van andere partijen in het recente verleden. Het populisme heeft de neiging deze fouten onbeperkt en genadeloos te exploiteren, en excelleert niet direct in pogingen om anderen ervan te overtuigen dat het vooral in oplossingen geïnteresseerd is, maar toch: het breekt binnen dankzij een bres die die anderen zelf hebben laten ontstaan.

In de tweede plaats omdat populisten erkenning verdienen, gulhartige erkenning, voor hun bereidheid een thema te agenderen waarvoor zij aanvankelijk allerminst de kiezersgunst verwierven. Dat thema betreft een reële kwestie, en verdient daarom een legitieme plaats binnen ons politieke bestel. Samenwerking met Geert Wilders moet niet gericht zijn op de uiteindelijke uitschakeling van de PVV maar op integratie van de problematiek en de inhoudelijke bijsturing van het populisme (wat in 2005-2006al tevergeefs is geprobeerd). Het populisme beter begrijpen dan het zichzelf begrijpt, dat is de uitdaging van het populisme aan ons.

Wat is – zo luidt dus de vraag – dat thema dat het populisme heeft willen agenderen en waarvoor het erkenning verdient? Wat is ten diepste de achtergrond van de opkomst en het succes van het populisme?

Ronald Havenaar betoogt dat de bron van het populisme bestaat uit ‘een brede ontevredenheid over culturele thema’s, in het bijzonder de positie van immigranten’. Net als het fascisme in het interbellum – en alleen in dit opzicht daarmee vergelijkbaar – appelleert het populisme aan ‘een breed verlangen van de massa naar idealisme’. Nodig is een ‘eigentijds cultuurideaal dat zonder mitsen of maren immigranten verwelkomt die zich loyaal aanpassen aan Nederlandse wetten en waarden, dat wil zeggen die bereid zijn zich te verheffen tot leden van de nationaal-culturele gemeenschap die wordt bepaald door het Nederlanderschap in al zijn facetten, inclusief godsdienstvrijheid’.

Deze woorden van Havenaar zijn een late weerklank van de politiek filosoof Jacques de Kadt (1897 – 1988), die van 1948 tot 1963 voor de PvdA in de Tweede Kamer zat maar in 1970 zijn lidmaatschap van de partij opzegde uit afkeer van het nieuwlinkse ‘puberiaat’. Zijn twee belangrijkste werken zijn Het fascisme en de nieuwe vrijheid (1939) en De politiek der gematigden (1972). Hij liet zien dat het fascisme een volksbeweging was die zich verzette tegen ‘de wereld van de nooit ernstig genomen idealen en tegen de wereld van de massa; tegen de wereld der klerken en tegen de wereld der maagvergoders’. Fascisme zouden we kunnen omschrijven, in lijn met De Kadt, als de idealistische reactie op een liberale samenleving waarin alleen materiële welvaart geldt. Een samenleving heeft behoefte aan een ‘hoger ideaal’, aan ‘een perspectief dat over materiële doelstellingen heen reikt’. Alleen is dat idealisme in het fascisme ‘tot een haatgrens verwrongen en verstard’, vervormd tot een ‘paniekconservatisme’ dat grenst aan het contrarevolutionaire denken. ‘Alleen een cultuursocialisme dat deze motieven overnam en er een beschaafde inhoud aan gaf, zou naar de overtuiging van De Kadt het fascisme kunnen weerstaan’, schreef Havenaar in zijn boek over De Kadt, en hij volgt deze aanbeveling in zijn eigen weerwoord op het populisme van de PVV.
Een analyse die in sommige opzichten aan die van Jacques de Kadt doet denken, maar nog iets dieper gaat en, naar mijn mening, ook een betere uitweg biedt dan het ‘cultuursocialisme’ dat De Kadt en Havenaar voorstellen, is in februari 1941 gegeven door Leo Strauss (1899 – 1973). Strauss was een Duitse Jood die nazi-Duitsland ontvluchtte en via Parijs en Cambridge naar de Verenigde Staten wist te ontkomen. Hij vond daar onderdak bij de New School for Social Research in New York, waar hij een lezing gaf over het Duitse nihilisme. Later werd Strauss hoogleraar politieke filosofie aan de universiteit van Chicago.

In zijn lezing over het Duitse nihilisme, volgens de Parijse filosoof Pierre Manent de meest diepzinnige analyse van de geestelijke context van het nazisme, betoogt Strauss dat de jongere generatie in Duitsland in de jaren dertig behept was met een nihilistische geest die een uitlaatklep vond in het fascisme van Hitler. Dat nihilisme keerde zich tegen de moderne samenleving voor zover die opgaat in het streven naar niet meer dan het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen. Zo’n samenleving ontkent basale feiten van de menselijke natuur. Het vooruitzicht van een gepacificeerde planeet, een planetaire gemeenschap die zich alleen maar toelegt op de productie en consumptie van geestelijke en materiële handelswaar, was voor vele jonge Duitsers afschrikwekkend. Zij haatten het vooruitzicht van een wereld waarin iedereen gelukkig en tevreden zou zijn en zijn kleine pleziertjes zou hebben. Deze komst van de laatste mens (Nietzsche) was voor hen de grootste vernedering van de mensheid. Het betekende een wereld ‘waarin een groot hart niet kon slaan en een grote ziel niet kon ademen, een wereld zonder echte, onmetaforische offers, dat wil zeggen: een wereld zonder bloed, zweet en tranen’. Dat was de wereld waartegen jonge Duitsers in de jaren dertig ‘nee’ zeiden. Zij wisten echter niet wat zij wel wilden. Waar hun ‘ja’ zich op richtte, dat wisten zij eigenlijk niet. En daarom kwamen zij uit bij een vernietigingsdrang, bij een verheerlijking van militaire deugden, en dus bij de gewelddadige ideologie van het fascisme.

Wat had kunnen voorkomen dat het nihilisme van deze jonge Duitsers in het fascisme van Hitler uitmondde? Waar het deze jongeren in de eerste plaats aan ontbrak, volgens Strauss, waren leraren - leraren die een zelfde twijfel aan de principes van de moderne samenleving hadden gekend, maar die twijfel door diep en onafhankelijk nadenken hadden overwonnen en hun daarom in duidelijke taal de positieve en niet alleen destructieve betekenis van hun aspiraties konden uitleggen. Zij hadden deze jongeren een ‘rustige en gepaste trots’ op de Westerse beschaving kunnen bijbrengen, en daarmee weerstand tegen het nihilisme. ‘Conservatisme’ in de betekenis van een terugkeer zonder meer naar een specifieke traditie, bood volgens Strauss geen oplossing, hoe groot de verleiding ook is om het onindrukwekkende heden in te ruilen voor een indrukwekkend verleden. Beschaving zoekt wat goed is in de erfenis die de mens toevalt. Dat goede vond Strauss onder andere in de Engelse, zeer on-Duitse deugd van de prudentie en gematigdheid die in moderne idealen een redelijke aanpassing ziet aan veranderde omstandigheden van ‘het oude en eeuwige ideaal van fatsoen, van de rechtsstaat en van die vrijheid die geen ongebondenheid is’. Dit denken is niet radicaal, maar was een zegen voor het leven. Zij die het naar voren brachten waren volgens Strauss uitmuntend geverseerd in het tegengif van de klassieke traditie.

Het klassieke denken als tegengif tegen een modern ideaal waarin het materiële, handelswaar en vrijheid in de zin van ongebondenheid het één en het al is, dit culturele ideaal zoals Strauss dat formuleerde, herinnert aan klassieke opvattingen over de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om een samenleving op orde te houden. In de moderne opvatting gaat het altijd om de sociaal-economische en politieke voorwaarden waaronder een democratie goed functioneert; in het klassieke denken gaat het ook, en vooral, om culturele voorwaarden. Wanneer die voorwaarden ontbreken is er geen sprake van een democratie maar van een ochlocratie, regeert niet het volk maar de massa, leven wij niet in een democratische orde maar in een staat van anarchie waarin de massa, vroeg of laat, om een Grote Leider gaat roepen om de chaos te beteugelen en de orde te herstellen. (Het is niet overbodig erop te wijzen dat mensen die de posities van de traditionele elite innemen, moreel en intellectueel natuurlijk tot de soort van de massamens kunnen behoren en vaak ook behoren.)

In de geschriften van Griekse denkers en schrijvers als Thucydides, Plato, Aristoteles, Isocrates en Polybius komen we beschouwingen tegen over de overgang van democratie (regering door het volk) naar iets anders, dat soms anarchie heet, soms (bij Polybius) ochlocratie, d.w.z: de regering door de massa (ochlos), of soms zelfs cheirocratie, de heerschappij van de vuist. In die overgangsfase verandert de sociale en morele zowel als de institutionele huishouding van een samenleving zodanig dat een gezond politiek systeem (democratie) plaats maakt voor een gevaarlijke fase van chaos en anarchie waarin de tirannieke verleiding levensgroot op de loer ligt.

Wanneer we de verschijnselen die deze overgang kenmerken – zoals beschreven door genoemde auteurs – op een rijtje zetten, dan komen we tot de volgende opsomming:
• In een democratie worden bepaalde tradities in ere gehouden, in een ochlocratie niet meer. ‘Alleen daar waar het als traditie geldt de goden te vrezen, de ouders te eren, oudere mensen te respecteren en de wetten te gehoorzamen, wanneer onder zúlke voorwaarden de wil van de meerderheid beslist, mag men van democratie spreken’, schrijft Polybius.
• In een democratie is een geheel ander vrijheidsbegrip in zwang dan in een ochlocratie. In een gezonde democratie wordt vrijheid gedefinieerd als het recht om te doen wat men behoort te doen. In een ochlocratie is vrijheid niet meer dan de eis om te kunnen doen en te kunnen zeggen wat men wil doen of zeggen omdat men dat leuk en lekker vindt en daarom ook goed. Vanuit het perspectief van een gezonde democratie is het vrijheidsbegrip in een ochlocratie ontaard in vrijblijvendheid en vrijpostigheid, wetteloosheid, ongebondenheid, onverantwoordelijkheid.
• In een overgangsfase van democratie naar ochlocratie slaat het gelijkheidsdenken door. Vaders gaan op voet van gelijkheid met hun kinderen om. Leraren zijn bang voor hun leerlingen en praten hen naar de mond. Oudere mensen gaan zich aan de jongeren aanpassen door zo geestig en aardig mogelijk over te komen. Om toch maar niet onsympathiek en autoritair te lijken doen ze de jongeren na.
• In een ochlocratie verandert het taalgebruik: deugden worden ondeugden, ondeugden deugden. Wat onder gewone omstandigheden normaal is, krijgt in een ochlocratie een nieuwe, depreciërende benaming. Wat normaal ‘overmoedig’ heet, heet in een ochlocratie ‘dapper’; wat normaal ‘prudent’ is, wordt ineens ‘laf’. De schaamte wordt een ‘stommeling die moet worden verbannen’. Wie onbeschaamd is, heet moedig. Wie zichzelf beheerst, is een lafaard. Geen maat kunnen houden, is het echte leven. Anarchie wordt vrijheid zonder meer.
• In de chaos die ontstaat door deze herwaardering van alle waarden, staan politici op die zich als sterke man presenteren en die met voorbijzien aan bestaande wetten de orde zullen herstellen. Wat voor soort man is dat? Zo’n man is de verongelijkte, want voorheen buitengeslotene, en klassieke vrijheden en gelijke rechten zijn voor hem niet zo belangrijk meer als dat zij in de voorafgaande periode van de democratie waren. Bij Polybius heet hij ambitieus en onverschrokken, iemand die uitgesloten is geweest van eervolle functies in de politiek en die het volk misleidt en door het volk wordt gebruikt om een alleenheerschappij te vestigen.
• Want uiteindelijk is ochlocratie oftewel anarchie niet meer dan een tussenfase in de eeuwige cyclus van regeringsvormen, in dit geval tussen de regeringsvorm van de democratie en de alleenheerschappij die (op haar beurt) weer in despotie en tirannie ontaardt.

We hebben weinig fantasie of verbeelding nodig om te kunnen zien dat dit in Nederland precies is gebeurd. Onze democratie is een ochlocratie geworden, en daarmee is de weerstand tegen de verleiding van het populisme verdwenen: of men is voor het populisme bezweken of men had het er geen antwoord op (anders dan het ‘antwoord’ van de morele verontwaardiging of een neerbuigendheid uit verlegenheid). Het echte antwoord is dus gelegen in een klassiek ideaal om het culturele fundament onder de samenleving in stand te houden.

Frits Bolkestein was de laatste Nederlandse politicus die dat ideaal expressis verbis heeft uitgedragen, en daar ook bij zei dat het liberalisme dat ideaal niet kon onderhouden. Dat Bolkestein het daar als liberaal voor het laatst over heeft gehad, bevreemdt omdat dit ideaal ten grondslag ligt aan het ontstaan van de christendemocratische politiek. Het uitgangspunt in het denken van de grondlegger van de antirevolutionaire en christelijk-historische richting in Nederland, Groen van Prinsterer (1801-1876), bestond in het gevaar van ochlocratie, populisme en tirannie: ‘het exces van democratie, de consequente toepassing van het beginsel der volkssoevereiniteit leidt eerst tot anarchie, later tot autocratie of dictatuur’.

De sleutel tot dit antwoord van een hoger gestemd populisme ligt in de handen van de christendemocratie, al schijnt zij zelf niet of maar hoogst zelden te beseffen dat zij die sleutel in handen heeft. Maar vanuit haar traditie kan zij het idealisme weer terugbrengen in de politiek, als cultuurideaal dat een bezielend verband schept door democratie en vrijheid moreel te begrenzen en de natie met bescheiden en gepaste trots te zien als een gemeenschap met een eigen historische identiteit.

27.7.11

Wilders, de PVV, de apocalyps en Breivik



Na de aanslagen in Oslo is er een discussie op gang gekomen over de mogelijke relatie tussen het gedachtegoed van de dader, Anders Breivik, en de ideeën en voorstellingen die de afgelopen jaren zijn verbreid door partijen en bewegingen die zich tegen immigratie, de islam en socialistisch links hebben gekeerd, waaronder de PVV van Geert Wilders.
In 2002, na de dood van Pim Fortuyn, is er pittig gediscussieerd over de vraag of het toenmalige politieke klimaat (inclusief de 'demonisering' van Fortuyn) een sfeer had doen ontstaan waarin de moord op Fortuyn had kunnen plaatsvinden. Geert Wilders zelf heeft in november 2009 betoogd dat uitlatingen van politici als Eberhard van der Laan (PvdA) en Alexander Pechtold (D66), 'politieke handlangers' van Mohammed Bouyeri, een 'klimaat van haat en geweld tegen mij en de PVV' deden ontstaan, dat tot gewelddadigheden kon leiden. De vraag of de ideeënwereld van politici, in dit geval van Wilders/de PVV, een bijdrage heeft geleverd aan de kortsluiting in de hersens van Breivik mag dus worden gesteld.

Naar mijn mening kan het zo zijn dat het apocalyptische visioen dat Wilders stelselmatig heeft geschilderd, en de gedachte dat het probleem met de moslimimmigranten zo groot was dat een politieke oplossing niet meer tot de mogelijkheden behoorde, de gedachte doet ontstaan dat een oplossing met on-politieke middelen moet worden gerealiseerd - in ieder geval in het hoofd van een Noorse romanticus die denkt dat hij als kruisridder de rest van Europa met een grootse heldendaad moet waarschuwen. Het gedachtegoed van de PVV is dus indirect, intellectueel medeverantwoordelijk voor mogelijke ontsporingen, zoals bij Breivik.
Gisteren heb ik mijn column voor Binnenlands Bestuur aan deze kwestie gewijd en daarna mocht ik deze analyse links en rechts op radio en tv komen verkondigen. Hier is het gesprek dat het NOS Journaal met mij opnam, hier mijn bijdrage aan Nieuwsuur.

En zo kan-ie wel weer. Nu gewoon weer aan het werk.

18.7.11

Doop en Grondwet

In Ecclesia, het blad van de Vrienden van Kohlbrugge, heb ik een nogal uitvoerig artikel geschreven over de Grondwet en het christelijk geloof, en over de vraag wat de 'ontdoping' van Nederland kan (gaan) betekenen voor de omgang met klassieke rechten en vrijheden. In het Reformatorisch Dagblad van vandaag staat een samenvatting van het artikel; hieronder volgt de volledige tekst.
(Maar als ik u raden mag, neemt u ook een abonnement op Ecclesia!)



In dit artikel wil ik proberen iets te zeggen over het gegeven dat een land dat voorheen als christelijk en gedoopt gold, nu een land is geworden dat zich wil ‘ontdopen’ en een tiranniek bestel wil introduceren waarin klassieke rechten en vrijheden worden ingeperkt en afgeschaft.

Ik beschrijf eerst enkele recente voorbeelden die duidelijk maken dat een nieuwe ideologie – het dogma van de gelijkheid – tot een nieuw despotisme leidt.

In het tweede gedeelte laat ik Groen van Prinsterer, C. S. Lewis, de mediëvist Richard Southern en Romano Guardini ons te hulp schieten om te duiden wat er precies aan de hand is.

In het derde gedeelte, tot slot, probeer ik de keuze te schetsen waar ons land, en eigenlijk de gehele westerse cultuur, voor geplaatst is: de keuze voor een herbevestiging van de doop van onze cultuur door het christelijke geloof, de keuze voor christelijke vrijheid en tolerantie, of de keuze voor ‘ontdoping’, voor afrekening en ontwijding, en daarmee voor de slavernij van de ongebondenheid en de tirannie van een seculiere meerderheid.


I

Het zal vrijwel niemand zijn ontgaan dat de Tweede Kamer onlangs een ingrijpende beslissing heeft genomen. Met een grote meerderheid van stemmen (116 tegen 30) namen onze volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel aan dat was bedacht en ingediend door de Partij voor de Dieren. De nieuwe wet verbiedt de rituele slacht van dieren, een praktijk die in Nederland al eeuwen onder de Joden bekend is en ook in islamitische kring wordt beoefend. De gedachte achter de rituele slacht is dat het bloed de ziel van het dier is en dat de mens dat niet mag consumeren. Deze geloofsopvatting heeft altijd respect en erkenning gevonden. De wet voor de praktijk van het slachten, die voorschrijft dat dieren verdoofd moeten worden geslacht, bevatte een uitzonderingsbepaling voor de rituele slacht, die verbiedt dat de dieren voor de slacht worden verdoofd.

Daaraan is nu dus een einde gekomen. Een oude praktijk die door de Grondwet werd beschermd (in het artikel over de godsdienstvrijheid) is nu verboden. De gedachte daarachter was dat het welzijn van dieren (die bij de rituele slacht meer zouden lijden dan wanneer zij voor de slacht eerst worden verdoofd) uiteindelijk toch zwaarder moet wegen. Omwille van een nieuw geloofsartikel, de rechten en het welzijn van het dier, is een klassiek grondrecht dus ingeperkt. Met name voor de Joodse minderheid is deze beslissing schokkend en vervreemdend. Zij zien zich nu gedwongen vegetariër te worden of hun vlees vanuit het buitenland te betrekken.

Maar voor iedere Nederlander heeft deze beslissing iets schokkends, als het goed is. Het was al schokkend om te zien dat mevrouw Thieme, de leider van de Partij voor de Dieren, bij de verdediging van haar wetsvoorstel werd bijgestaan door de heer Bart Labuschagne, een docent van de Leidse universiteit die tot voor kort heel aardige stukken schreef over de publieke rol van religie en voor de SGP nog een studie schreef over het belang van het sacrale domein waar ‘hedonisten’ en ‘secularisten’ vanaf moesten blijven. Het gedachtegoed waarop het wetsvoorstel van Thieme berust – de idee dat dieren niet essentieel van mensen verschillen, dat zij ook dragers van rechten zijn, en dat dit in de politiek veel meer erkenning moet vinden – is in Nederland verbreid door een directe collega van Labuschagne, Paul Cliteur. Cliteur heeft ook voorgesteld om de vrijheid van godsdienst af te schaffen omdat dit Grondwetsartikel toch niets aan de vrijheid van meningsuiting zou toevoegen. Gelukkig heeft dit voorstel geen navolging gevonden. Aan het voorbeeld van de rituele slacht kunnen we zien dat het geloof nogal iets meer is dan het hebben van een mening, maar een overtuiging is die het denken en het leven geheel doortrekt.
Maar al is het dat de vrijheid van godsdienst niet uit onze Grondwet is geschrapt, zij is nu wel beperkt. Als het welzijn van dieren in het geding is, kan die vrijheid worden opgeschort of begrensd. Er zijn uit het recente verleden meer voorbeelden aan te voeren waaruit blijkt dat traditionele vrijheden in Nederland een onrustig bezit zijn geworden. In de naam van de emancipatie en de strijd tegen discriminatie is de strijd aangebonden tegen verenigingen en scholen. Een politieke partij die vrouwen al ruim 90 jaar niet op de eigen lijsten wil kandideren, een kerk die al 2000 jaar het sacrament weigert aan mensen die zich niet in ‘de staat der genade’ bevinden en dat vorig jaar zomer ook nog deed (de ‘hostierel’), en scholen voor bijzonder onderwijs die al 100 jaar hun eigen ‘onderwijzers’ mogen aanstellen, hebben te horen gekregen dat de staat weliswaar geen religie aanhangt maar wel waarden heeft (bedoeld wordt: de waarde van het niet discrimineren). Christelijke scholen, de SGP en de Rooms-Katholieke Kerk moeten zich wel aan de waarden van de huidige seculiere meerderheiden houden, ook al staat in de Grondwet dat zij dat niet hoeven te doen. Ambtenaren die zich in hun geweten niet vrij voelen om homohuwelijken te sluiten, worden door de gemeente Amsterdam voor de keuze gesteld: die opvatting opgeven of een andere baan zoeken. (Het is overigens onbegrijpelijk dat de kerken geen enkele vorm van protest tegen deze ontwikkeling aantekenen. Dat protest en het voortdragen van een traditie willen zij blijkbaar overlaten aan enkelingen, leken – net zoals de traditie in de negentiende eeuw is doorgegeven vanuit de smalle gemeente van eenvoudige maar getrouwe gelovigen.)

Een modern ideaal – het ideaal van de gelijkheid, tussen mens en dier, man en vrouw, homo en hetero – ontpopt zich nu als een aanslag op oude vrijheden die bescherming boden aan minderheden en als zodanig nooit ter discussie hebben gestaan. Concreet betekent dit dat één Grondwetsartikel, het eerste artikel dat alle vormen van discriminatie verbiedt, is gaan heersen over klassieke grondrechten als de vrijheid van meningsuiting, geloof, vereniging en onderwijs. Als die klassieke grondrechten in strijd komen met dat eerste artikel dat elke vorm van discriminatie, dan moeten die rechten wijken of beperkt worden. En we moeten vrezen dat zich de komende jaren nog tal van nieuwe voorbeelden zullen gaan aandienen, niet alleen op het terrein van de dierenrechten (als we nu vanwege het korte lijden van een dier aan het einde van zijn leven een grondrecht willen beperken, waarom zouden we dan geen maatregelen tegen de jacht of de bio-industrie nemen?) maar ook op het terrein van de godsdienstvrijheid. Vanuit de kringen van de VVD heeft zich al een publicist aangediend die schreef dat na het verbod op de rituele slacht een verbod op de besnijdenis aan de orde moet komen. En als we de besnijdenis verbieden, waarom daarna dan ook niet de doop? Is het niet in strijd met de rechten van het kind om het kort na zijn geboorte een identiteit op te dringen? In Engeland is de verontwaardiging daarover nu al zo groot dat er een beweging is ontstaan die zich inzet voor de ‘ontdoping’ van de natie.

II

Wie tot zich door laat dringen hoezeer het denken in Europa op hol is geslagen, denkt als vanzelf aan een auteur die in de kring van Vrienden van Kohlbrugge een goede bekende is: Groen van Prinsterer.





De vrees van deze christelijk-conservatieve politiek filosoof bestond heel concreet in een gevoel van diepe onrust bij de gedachte aan een toekomstig Europa waarin centrale, vanouds christelijke waarden eerst lege begrippen zouden worden die daarna een ideologische inhoud zouden krijgen. Groen had tegen een Grondwet als zodanig geen bezwaren. Een Grondwet zou volgens Groen de uitkomst van een historische ontwikkeling moeten vastleggen. De auteur moet opschrijven wat geworden is, en niet schrijven vanuit de gedachte dat alles moet worden zoals hij het opschrijft. Dat wil zeggen: de Grondwet mag geen instrument in de handen van activistische politici worden om de staat opnieuw te stichten, ‘een vorm, een kleed waarin men de natie verwringt’. Wanneer een abstract, ideologisch beginsel een blauwdruk wordt om de samenleving opnieuw in te richten en een breuk met het verleden te voltrekken, dan is voor Groen wel duidelijk wat er dan zal gebeuren. ‘Een staatsrecht dat zich boven de geschiedenis verheft, begint met de vertreding van alle rechten’. De geschiedenis (Er is geschied) en de natuur zijn voor Groen belangrijke leidraden in de politiek. Als de politiek wordt afgeschaft, verdwijnt ook de natuur (de natuur in de betekenis van een voorgegeven, morele orde, de schepping). Waar het natuurrecht verdwijnt, blijft niets anders over dan de natuurdrift, aldus Groen (Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd [tweede druk; Amsterdam, 1858], pp. 67, 74-75).

De ontwikkeling die Groen vreesde en op tal van plaatsen heeft voorspeld en beschreven, zien we belichaamd in de geest van onze tijd. We bevinden ons in een proces van ontdoping, van ontwijding en afrekening. Behalve Groen zijn er nog andere schrijvers die ons kunnen helpen om onze tijd te peilen. Ik noem C. S. Lewis en Romano Guardini.





In een van zijn brieven schrijft Lewis dat hij zich wel eens een beetje ergert aan predikanten die protesteren tegen de tijdgeest van secularisatie en daaraan toevoegen dat Europa terugkeert tot het heidendom. Wie dat zegt, aldus Lewis, heeft er eigenlijk nog nooit veel van begrepen. Was het maar waar dat Europa terugkeerde tot het heidendom van Socrates, Plato en Cicero. Het tegendeel is het geval. De Europese cultuur is met de natuur begonnen, met de beschaving van de klassieke oudheid, met het natuurrecht, de ontdekking dat er een orde is die de mens leert wie hij is en hoe hij zich moet gedragen. Paulus heeft het daarover in zijn brief aan de Romeinen. De heidenen die de wet niet hebben, doen van nature wat de wet zegt (2:14). Toen kwam het christendom. Het christelijk geloof heeft de natuur gewijd en verheven, vervolmaakt. Het geloof is een gave en een regeneratieve kracht die niet alleen individuele mensen bekeert en in een nieuw leven doet wandelen, maar ook een hele cultuur een nieuwe wijding kan schenken. Christelijke tijden (tempora christiana) noemde Augustinus de periode na Hemelvaart, nu Christus aan de rechterhand van God regeert en Zijn Koninkrijk vestigt en uitbreidt.

De Britse mediëvist Richard Southern heeft prachtig beschreven hoe de kerk in de Middeleeuwen de grote en beschavende institutie van het Westen was, het blijvende fundament van onze cultuur. De mens, aldus Southern, is een redelijk schepsel, en die redelijkheid bestaat vooral in zijn capaciteit God te leren kennen en eren. De dienst aan God is de enige vaste basis waarop de menselijke cultuur kan worden gebouwd, zei Southern in een preek in Oxford, de stad die als het ware de belichaming vormt van de juistheid van Southerns stelling.In de christelijke Middeleeuwen zijn de denkbeelden en instituties geschapen die de cultuur van Europa hebben geschapen en tot het einde van de achttiende eeuw hebben beheerst.





Een heidense cultuur was gekerstend. Die gekerstende cultuur – een cultuur beschaafd en gewijd door het christelijk geloof – is nu ontkerstend, geseculariseerd geraakt. Betekent dit dat we nu weer tot de cultuur van de heidenen terugkeren? Nee, zegt Lewis. Een cultuur die van het christelijk geloof scheidt, wordt niet heidens, net zo min als een vrouw die van haar man scheidt weer maagd wordt. In een ontkerstende cultuur keert niet het natuurlijke terug, maar het onnatuurlijk en tegennatuurlijke treedt daar aan. Een nieuwe mensensoort breekt zich baan, mensen zonder hart, zonder natuur, ontworteld, leeg, het gemakkelijke slachtoffer van elke ideologie en van elk geloof dat niet christelijk is. Wie het doopwater van zijn voorhoofd afveegt, schudt meer van zich af dan een als een last ervaren traditie; hij verliest zijn humaniteit. (C. S. Lewis heeft deze ontwikkeling vooral beschreven in het boekje De afschaffing van de mens uit 1943, een boekje – tussen haakjes – dat altijd op het bureau van dr. W. Aalders lag).

Romano Guardini heeft deze huiveringwekkende ontwikkeling ook zeer scherp aangevoeld. In zijn boekje over De gestalte der toekomst (1962) schrijft hij over de liefde die uit de ‘algemene houding van de wereld zal verdwijnen’. De ‘omgevende christelijke cultuur en de bevestigende traditie’ zullen aan kracht verliezen. Van christenen zal veel moed en vertrouwen worden gevraagd, want ‘de eenzaamheid van het geloof zal verschrikkelijk zijn’.





III

Onze Grondwet is in de handen van ideologisch geplaagde politici een activistisch instrument geworden om een nieuwe ideologie van gelijkheid en non-discriminatie in te voeren. Zij voltrekken een bewuste breuk met het verleden, met een cultuur, een geloof, en daarmee ook met een vroegere interpretatie van de klassieke grondrechten die de kern van onze Grondwet vormen. Grondrechten moeten wijken of worden beperkt omdat andere waarden zijn gaan domineren.

Wat was die vroegere, oorspronkelijke uitleg van die waarden die in de Grondwet zijn neergeslagen, eigenlijk precies? Om die vast te stellen, moeten we weten hoe de waarden in onze Grondwet eigenlijk zijn ontstaan en vastgelegd. Op 14 september 1940 (oorlog en bezetting waren dus een lange zomer oud) heeft de rechtsgeleerde Paul Scholten een toespraak gehouden over de grondslagen van de Nederlandse geschiedenis. En hij verdedigde toen de stelling dat de christelijke vrijheid ons land tot een eenheid en gemeenschap heeft gesmeed. Ons land is uit een vrijheidsstrijd ontstaan. Maar die vrijheid werd begrensd door de waarden van het christelijk geloof, en die vrijheid heeft zich geuit in het vastleggen van de klassieke vrijheden. En Scholten benadrukte (NB: in september 1940) dat de conservatieve strijd voor geestelijke vrijheid weer aan de orde van de dag was. Waar die strijd niet werd gevoerd, ontstond tirannie.

We zijn geneigd te denken dat die vrijheden en onze Grondwet verworvenheden zijn van de Verlichting en de Franse Revolutie. Maar niets is minder waar. De juistheid van Paul Scholtens opvattingen over de christelijke grondslagen van onze cultuur, wordt nergens duidelijker dan op dit punt. Klassieke rechten en vrijheden zoals wij die nu kennen, hebben een lange ontstaansgeschiedenis gehad en zijn nauwelijks denkbaar zonder de strijd om christelijke vrijheid. In de tekst van de Unie van Utrecht (1579) is bijvoorbeeld voor het eerst het principe van de vrijheid van godsdienst vastgelegd. Elke burger was ‘vry in syn religie’, en de overheid mocht niemand om zijn geloof ‘achterhaelen ofte onderzoecken’(artikel XIII).

Een andere ‘fundamentele wet’ van Nederland was het beroemde Plakkaat van Verlatinge uit 1581. Ook daarin staat al zeer helder, met verwijzingen naar de natuurwet en het christelijk geloof, dat de overheid een goede herder moet zijn, en dat die herder er is voor de schapen. De schapen zijn er niet voor de herder. Dat stelt duidelijke grenzen aan de macht van de overheid, en creëert een domein dat de overheid niet mag betreden, het domein van de rechten en vrijheden van burgers.

Deze context van een christelijke cultuur waarin de waarden zijn ontstaan die onze Grondwet belichaamt, wordt in de tekst van de Grondwet nog altijd weerspiegeld. Onze Grondwet geeft een opsomming van onze vrijheden, bijvoorbeeld de vrijheid onze mening te uiten. Anders dan menig opinievormer ons heeft willen doen geloven, is die vrijheid niet absoluut en onbeperkt. Letterlijk staat er in onze Grondwet dat niemand ‘voorafgaand verlof’ nodig heeft om zijn ‘gedachten te openbaren’, maar er staat achter dat iedereen wel zijn eigen ‘verantwoordelijkheid volgens de wet’ heeft. Die beperkende bijzin staat ook in de grondwetsartikelen over de vrijheid van godsdienst, van vereniging en van vergadering. Er zijn dus wettelijk normen die onze vrijheid begrenzen. We mogen bijvoorbeeld niet beledigen, geen haat zaaien. Vrijheid is niet het recht om zo maar alles te zeggen wat we maar willen. Vrijheid behoort door fatsoen te worden ingetoomd.

Onze Grondwet vraagt ook van ons dat we niet discrimineren en tolerant zijn. Tolerantie bestaat in het besef dat we anderen niet mogen of kunnen dwingen – ook al hebben we daartoe de macht – om tegen hun geweten in te gaan. Waar dat besef verdwijnt kunnen mensen gaan denken, bijvoorbeeld, dat ze ambtenaren mogen dwingen homohuwelijken te sluiten.
Die Grondwet van ons is oorspronkelijk dus verankerd in christelijke opvattingen over vrijheid en tolerantie. Die christelijke cultuur is de legger van onze rechtsstaat. Waar de borging van onze vrijheden in dit cultuurchristelijke verhaal verdwijnt of verzwakt, gebeuren er gekke dingen. Dan gaan mensen denken dat ze alles mogen zeggen, of dat zij andere mensen mogen en kunnen dwingen om tegen hun diepste overtuigingen in te gaan.

Onze cultuur staat dus op een tweesprong. We kunnen kiezen voor een herbevestiging van de doop van onze cultuur door het christelijke geloof. Dan kiezen we voor vrijheid in gebondenheid, voor tolerantie, voor ruimte, licht en leven. Of we kiezen voor ontdoping, voor afrekening en ontwijding, en daarmee voor de slavernij van de ongebondenheid en de tirannie van een seculiere meerderheid.

De historicus wiens oeuvre ook als het ware gedoopt en geheiligd is door zijn zelden zeer nadrukkelijk beleden geloof, A. Th. van Deursen, sprak in 1994 in de Leidse Pieterskerk een Huizingalezing uit waarin hij Isaäc da Costa en Johan Huizinga met elkaar vergeleek. Hij had het over hun analyse van hun tijd, en concludeerde ‘met Huizinga’ dat de patiënt, onze cultuur, er eigenlijk slechter voor stond dan ooit. De patiënt heeft echter zelf voor zijn ziekte gekozen, en het enige medicijn dat hem kan genezen weigert hij.

Zal dat nu nog steeds het geval zijn? Als dat zo zou zijn, hoeft dat ons ook weer niet te verbazen. Johannes Calvijn heeft ons een politiek testament nagelaten, een preek uit 1562 over II Samuël 5:4, over David wiens rijk nog maar zeer gedeeltelijk gevestigd was. Een gedeelte uit deze (‘lutherse’) preek wil ik hier tot slot citeren, omdat de eenzaamheid van het geloof er duidelijk in naar voren komt, en de gedachte dat een door het christelijk geloof gestempelde cultuur een wonder is waar wij niet van uit kunnen gaan en niet op kunnen rekenen, een tijdelijke vluchtheuvel, een herberg, een oase in deze turbulente en chaotische wereld, een wonder zoals dat in de Gedenkklank van Valerius en in het Wilhelmus wordt bezongen (Aalders, Theocratie of ideologie, p. 296) :

‘Wij weten dat God regeert, maar omdat onze Here Jezus Christus in Hem verborgen is en Zijn volkomen heerschappij in deze wereld verborgen is, heeft zij geen glans en wordt zij maar weinig geacht, ja zelfs door de meerderheid verworpen. Daarom moeten wij het niet voor iets zeldzaams houden, dat onze Here Jezus Christus, alhoewel Hij door God, Zijn Vader, tot Koning is aangesteld, nu nog niet die autoriteit onder de mensen heeft die Hem toekomt. Daarbij komt nog dat ons nu nog geen zeker, beslissend tijdstip (van de volkomen openbaring van Zijn heerschappij) is gegeven. We zien namelijk dat de heerschappij van onze Here Jezus Christus begrensd is, daar slechts een handjevol mensen Hem heeft aangenomen en daar er tegenover iedere stad die het Evangelie heeft ontvangen, grote landen staan waarin afgodendienst heerst. Wanneer wij nu zien dat de heerschappij van Jezus Christus zo klein en naar de maatstaf van de wereld veracht is, zo laat ons de blik richten op het voorbeeld dat ons hier gegeven is (in de heerschappij van David) en laat ons op het einde wachten, dat God kent, want voor ons is het verborgen. Ik zeg, laten wij wachten in geduld, totdat Zijn Koninkrijk in volkomenheid zal zijn opgericht, en God hen verzamelt die verstrooid zijn, herstelt wat vernietigd is en op orde brengt wat in verwarring is. Dit is de ellende dat wij altijd maar vooruit willen, dat wij een heerschappij in deze wereld willen zien bloeien en slechts vreugde en zachtheid willen. Ondertussen echter overwegen wij niet waarom God het soms niet toestaat dat de heerschappij van Christus meer openbaar komt – dat is, opdat wij niet zouden slapen, waartoe wij maar al te zeer geneigd zijn. God wil dus dat de heerschappij van Jezus Christus in het midden van Zijn vijanden zal zijn. Laten wij ondertussen niet ophouden, zoveel het aan ons ligt, God te bidden dat Hij voortgang make en Zijn Koninkrijk uitbreide, en dat een ieder zich met al zijn kracht daarop richte. En laten wij zelf ons door Hem zo laten regeren dat Hij altijd in ons verheerlijkt wordt, zowel in het leven als ook in de dood.’

11.7.11

Harige kleden en sandalen

In het Nederlands Dagblad stond afgelopen vrijdag onderstaande column, over het al te radicale, 'authentieke', evangelicale etc. dat veel hedendaagse christenen tot mijn treurnis uitdragen. De slotzin van de oorspronkelijke column luidde: 'Het christendom zal burgerlijk zijn of het zal niet-zijn'. Ik dacht daarbij o.a. aan dat boekje van F. de Lange over Dietrich Bonhoeffer (Een burger op zijn best), maar ben blijkbaar de enige met deze associatie en omdat het woord 'burgerlijk', verrassend genoeg, verder vooral ergernis en misverstanden blijkt op te roepen, heb ik die laatste zin maar geschrapt.




Is radicaliteit een christelijke deugd?

Heel veel christenen – steeds meer christenen, is mijn indruk – beantwoorden die vraag bevestigend. Onlangs was ik te gast op een avond van de Utrechtse CSFR waar enthousiaste studenten zich bogen over de vraag of de vrijheid die een christelijke minderheid in Nederland nog altijd geniet, nu het meest wordt bedreigd door de islam of door een ‘paarse’, seculiere meerderheid die zich steeds nadrukkelijker doet gelden. Mijn antwoord op die vraag luidde dat voor beiden wat te zeggen valt, maar dat wij zelf de grootste bedreiging van die vrijheid vormen omdat we al te vaak niet de weerbaarheid aan de dag leggen die in deze tijd nodig is. Maar mijn coreferent, een uitstekend formulerende ouderejaars student, vond de vraagstelling op zich al verdacht.

Zat achter het thema van de avond niet een wereldsgezinde vrees, de angst van christenen die zich behaaglijk in deze wereld hebben genesteld en nu bang zijn dat ze door allerlei maatschappelijke ontwikkelingen hun macht en status gaan verliezen? Was die vrees niet bedenkelijk wanneer we ons met z’n allen eens realiseerden dat christenen geheel anders zijn, niet van deze wereld, discipelen die in deze wereld verdrukkingen en vervolgingen zullen lijden?

Deze vraag stellen was hem dus ook beantwoorden. Ja, zei de student, het was eigenlijk maar goed dat we onze voorrechten verloren en het ‘gewone, christelijke leven’ zouden hervinden.

Het is een manier van denken die steeds meer om zich heen grijpt, als ik het goed zie. Het is een houding waarin evangelischen, ‘barthianen’ en bevindelijk-gereformeerden verrassend eensgeestes blijken. In het Reformatorisch Dagblad stond onlangs een column waarin werd betoogd dat de bevindelijk gereformeerden voor zichzelf een kathedraal hebben gebouwd, een huis vol hulpmiddelen om in deze boze wereld staande te blijven. De auteur voorzag een spoedige ineenstorting van dit reeds brandende kaartenhuis, en meende dat deze verdrijving uit ‘onze bevoorrechte positie’ wel eens een louterende ervaring zou kunnen zijn om God opnieuw te vinden.
Het klinkt allemaal best christelijk natuurlijk. In de Bijbel zijn het niet de machtigen en wijzen die het Evangelie omarmen maar de mensen die in deze wereld vooral verachting ontmoeten en als pelgrims hun weg gaan. En dat willen radicale christenen zijn: pelgrims, radicaal anders, navolgers, brengers van een boodschap die haaks op deze wereld staat, dragers van harige kleden en sandalen, woonwagenbewoners.

Ik heb grote moeite met deze houding en manier van denken. Omdat ze getuigt van ondankbaarheid en egocentrisme, als ik zo vrij mag zijn.

Ik ben, om te beginnen, niet van de Tertulliaanse traditie, van christenen die zich schamper afvragen wat Jeruzalem met Athene van doen heeft. Radicaal is dit ‘denken’ zeker, maar het leidt tot een absurdistisch fideïsme. Het geloof wordt een geïsoleerd eilandje in het leven. Wat de consequenties van dit geloof zijn voor het leven en bijvoorbeeld de wetenschap wordt steeds moeilijker te beantwoorden. Wanneer het geloof dit radicale karakter krijgt, wordt het hele leven een eilandje. De auteur van de column in het RD zit in de Raad van Bestuur van die krant en werkt voor de SGP. Radicale christenen publiceren om de zoveel jaar een boek waarin ze betogen dat ze zich niet in de eigen kring en zuil op mogen sluiten maar met hun boodschap de wereld in moeten. Maar ze komen de deur niet uit.

Wie in de radicaliteit van zijn geloof alle tradities en structuren die het christelijk geloof heeft geschapen, wil weggooien, vergeet dat alle christelijke privileges een integraal onderdeel vormen van een vrije samenleving. De invloed van het christelijk geloof heeft een samenleving geschapen van tolerantie, vrijheid en sociale bewogenheid, die het waard is om beschermd te worden. Wie uit verlangen naar vervolgingen een paarse machtsgreep zou begroeten, vergeet ten eerste dat uitstel de essentie van het christelijke leven is, en ten tweede dat een paarse samenleving zo tiranniek en onaangenaam zal zijn dat we die geen van onze naasten gunnen. Deze samenleving is het waard bewaard en verdedigd te worden omdat zij vrij is en tolerant en de ruimte biedt voor de verbreiding van Gods Koninkrijk.

De boel de boel laten omdat we zo lekker willen pelgrimeren, lijkt mij onverantwoordelijk. We hebben geen radicaal christendom nodig, maar een historisch en traditioneel denkend, ‘hervormd’ christendom.