Twitter Updates 2.2: FeedWitter

23.2.13

'Een zekere fataliteit'


J. L. Heldring in gesprek met André Spoor over hun eeuw

Een jaar geleden zette J. L. Heldring (1917) een punt achter zijn carrière als columnist bij NRC Handelsblad, de krant waarvan hij tussen 1968 en 1972 hoofdredacteur was. Ruim vijftig jaar lang had hij met ijzeren regelmaat – aanvankelijk zelfs drie en twee maal per week – zijn bijdragen geleverd, vanuit een invalshoek die hij zelf (in een tijd dat daarvoor nog moed nodig was) ‘conservatief’ noemde. Eind vorig jaar verscheen de laatste selectie van zijn columns bij zijn vaste uitgever Van Oorschot in druk. In het voorwoord op Dezer dagen schreef hij met deze bundel afscheid te nemen van de publiciteit. Maar nu ligt er toch weer een boek met Heldrings naam op de titelpagina. Het boek biedt een verslag van de vier uitgebreide gesprekken die hij in de zomer van 2012 voerde met zijn oud-collega van de NRC en vriend André Spoor (1931-2012). De gesprekken zijn opgetekend door historicus John Alexander Jansen. Zij gaan over de Koude Oorlog, de Dekolonisatie en Europa, over de eeuw dus van de gesprekspartners.
 



Hoe is dit boek tot stand gekomen? In het najaar van 2011 lag Heldring in een verpleeghuis te herstellen van een operatie. André Spoor kwam hem daar wel eens opzoeken en nam op een keer wat te lezen mee, het boek Unser Jahrhundert, een verslag van gesprekken die oud-bondskanselier Helmut Schmidt en de Duits-Amerikaanse historicus Fritz Stern met elkaar hadden gevoerd over de jaren die zij – de een als politicus en bewindsman, de ander als waarnemer – hadden meegemaakt. Heldring genoot van het boek, en toen Spoor later bij hem thuis kwam en suggereerde om in Nederland een soortgelijk boek uit te geven, ditmaal met hen beiden als gespreksgenoten, ontstond Onze eeuw: J. L. Heldring en André Spoor in gesprek. Het boek had eigenlijk het verslag van vijf gesprekken moeten bevatten, maar dat heeft het plotselinge overlijden van Spoor op 18 september vorig jaar verhinderd. De bijdrage van Spoor aan het gesprek zijn door historicus Hermann von der Dunk gecorrigeerd en aangevuld. Heldring haast zich overigens in zijn ‘Woord vooraf’ om de lezer te behoeden voor de gedachte dat hij en Spoor zich menen te kunnen meten aan Schmidt en Stern. ‘Wij waren slechts waarnemers geweest, hadden aan de zijlijn gestaan, terwijl Schmidt in elk geval beslissingen had genomen en verantwoordelijkheid gedragen, als staatsman bovendien van een land dat meer gewicht in de wereldschaal legt dan Nederland. Sterns kennis van de historische achtergronden waartegen het drama van onze eeuw zich afgespeeld had – een kennis overigens die ook bij Schmidt allerminst ontbrak – pretendeerden wij niet te evenaren.’

Het boekje (142 bladzijden), dat een dezer dagen zal verschijnen, biedt aangename lectuur. Twee oude, erudiete heren, die als journalist getuige zijn geweest van de naoorlogse geschiedenis, praten er met oordeel en kennis van zaken aangenaam op los, en de lezer voelt zich bevoorrecht mee te mogen luisteren.

Maar valt er een rode draad te ontwaren in die toch vreselijke eeuw – een eeuw van oorlog en koude oorlog, van dekolonisatie en Europese integratie, van chaos en desintegratie en van pogingen daarin orde en eenheid aan te brengen?

In het laatste gesprek doet Heldring daartoe een interessante poging. Hij spreekt van ‘een zekere fataliteit’ die in de thema’s dekolonisatie, Koude Oorlog en Europa te ontwaren is. Wat bedoelt Heldring met die fataliteit? Hij spreekt over de in 1947 afgekondigde Trumandoctrine, waarmee Amerika zichzelf verplichtte om alle democratieën waar ook ter wereld te hulp te schieten wanneer zij van binnenuit of van buitenaf door het communisme werden bedreigd. Daarmee zette Amerika een nieuwe stap in zijn geschiedenis, want tot op dat moment waren de Amerikanen ‘helemaal niet gewend om buitenlandse politiek te bedrijven, ze waren juist lange tijd neutraal geweest’. In die nieuwe universele ideologie ontwaart Heldring ‘schijnheiligheid’. Een verheven ideologie (‘to make the world safe for democracy’) moest verhullen dat het hier natuurlijk gewoon om machtspolitiek ging. Daarmee bestijgt Heldring een stokpaardje dat wij uit zijn columns kennen, de gedachte dat het in de politiek, zeker in de buitenlandse, om macht gaat en dat we niet net moeten doen alsof dat niet zo is: ‘Of het nu christelijke of andere idealen zijn die de mensen koesteren, de wereld is anders en voldoet daar niet aan.’ Als voorbeeld noemt hij ook George Bush jr., die een gewenste Realpolitik inwisselde voor de neoconservatieve droom van democratische maakbaarheid.

Wat is dus die fataliteit? Macht gedreven door een ideologie. Die combinatie is gevaarlijk, fataal zelfs. In Nederland leidde het tot de gedachte dat we een moreel verheven gidsland waren en zagen we na de oorlog niet in dat de dekolonisatie een onvermijdelijk proces was – met een militair avontuur als gevolg (170.000 Nederlandse soldaten zijn naar Indonesië gestuurd) dat ‘historisch gezien krankjorum’ was.

Eenzelfde fataliteit ziet Heldring in Europa. Na de Tweede Wereldoorlog zijn overal in Europa verzorgingsstaten ontstaan, die de mensen meer dan voorheen aan de nationale staat als ‘de bron van alle voordelen’ binden. Dat belang stuit nu op de drang naar politieke integratie en de bezuinigingen die nodig zijn om elkaar aan de befaamde drieprocentsnorm te houden. Fataliteit schuilt ook in het concept van democratie zelf. Iedere democratie kan zichzelf ondermijnen doordat ze de mogelijkheid geeft om ook antidemocratische of revolutionair-democratische beginselen te incorporeren. Ook het populisme is een kind, zij het een bastaardkind, van de democratie. Vooral de combinatie van een economische crisis die alle vooruitzichten wegneemt, en een politieke (die, anders dan zich in de zomer van 2012 liet aanzien, bij de laatste verkiezingen nog lijkt te zijn afgewend) kan fatale gevolgen hebben.

Maar ja, hufterdom is een essentieel onderdeel van de Nederlandse cultuur. We vinden onze mening belangrijk en achten het een deugd om alles recht voor zijn raap te zeggen – tot bevreemding van het buitenland. ‘We zijn allemaal hufters!’, roept Heldring uit, en Spoor spreekt hem niet tegen. Tot slot valt het woord ‘zondigheid’, oftewel ‘het menselijk tekort’. De mens deugt niet, en daarom is alles wat hij bedenkt op z’n minst gebrekkig – zeker als hij daar, wat bij ideologieën nu eenmaal het geval is, geen rekening mee houdt.

En zo eindigt de samenspraak tussen beide heren in mineur. De vreselijkste misdaden zijn – over fataliteit gesproken – begaan door landen die allemaal mensenrechtenverdragen hebben ondertekend. ‘Wat dat betreft eindigen we ons gesprek met een pessimistische noot’, aldus Heldring. ‘De socialisten zongen vroeger dat de mens goed was, maar daar geloven ze nu ook niet meer in. Waarschijnlijk kennen ze ook van de Internationale de woorden niet eens meer’.

Wie voor zulke conclusies niet terugschrikt, zal zich verheugen in dit erudiete commentaar op de vorige eeuw, dat zich laat lezen als een noodzakelijke les in goor realisme.
 
 
 
 
N.a.v.: Onze eeuw. J. L. Heldring en André Spoor in gesprek (Amsterdam: uitgeverij Van Oorschot, 2013) 

No comments: