Twitter Updates 2.2: FeedWitter

17.4.14

SGP verruilt principes voor 'doelmatigheid'


SGP-fractievoorzitter Kees van der Staaij heeft gereageerd op het artikel waarin ik een kritische vraag stelde bij het besluit van zijn partij om te blijven onderhandelen met partijen die tegelijkertijd de vrijheid van onderwijs drastisch inperken. Die reactie siert hem. Het is altijd goed wanneer een politiek leider de moed heeft keuzes en koerswijzigingen te verantwoorden. Alleen is die verantwoording tot nog toe wat halfslachtig.

In een poging het dierbare begrip ‘fijngevoeligheid’ opnieuw te definiëren herinnerde hij de lezers fijntjes aan mijn verleden vrijages met het conservatisme (klaarblijkelijk in de hoop dat zij een serieus stuk dan niet al te serieus zouden nemen) om daarna te concluderen dat ‘mijn politieke positiekeus een andere is dan die van de SGP’. Dat hij mij (niet meer dan een verweesde CHU’er) persoonlijk de maat neemt, laat ik aan hem. Als Van der Staaij tegenwoordig veelvuldig van de vrijheid van godsdienst rept, herinner ik hem toch ook niet aan zijn bewonderende doctoraalscriptie over de theocraat Bilderdijk? Als de SGPJ zich van het conservatisme distantieert, herinner ik ze toch ook niet aan de jaarrede van Van der Vlies waarin hij dat conservatisme omhelsde? Maar Van der Staaij’s conclusie is in dit geval juist: ik kies een andere politieke positie. Maar om een andere reden dan hij aangeeft.

Het hele betoog van Van der Staaij komt erop neer dat doelmatigheid belangrijker is dan principes. Het is zoals een hoofdbestuurslid van de SGP mij zaterdag mailde: ‘Er zijn nog hogere belangen dan we (als SGP’ers) gewend zijn. Voorkomen van de chaos is ook een politiek doel. Weliswaar hebben SGP’ers dat nooit hoog in het vaandel gehad, maar vandaag de dag hoor je het bijna onbeschroomd gebruiken.’ Van der Staaij onderbouwt zijn doelmatige keuze voor het ten koste van alles voorkomen van chaos met een verwijzing naar een tekst uit Jeremia: ‘in de vrede van de stad zult gij vrede hebben’.

In de huidige situatie zeg ik: de keuze van de Tweede Kamer om de vrijheid van onderwijs in te perken door het instellingen als reformatorische scholen onmogelijk te maken homoseksuele leerkrachten te weren of te ontslaan (en dus onvoorwaardelijke loyaliteit qua belijdenis en levensstijl met de grondslag van die instellingen te eisen) is zo’n pijnlijke belediging dat je daarna niet meer gewoon weer met die partijen aan tafel kunt gaan zitten om ze aan een politieke meerderheid te helpen en zo hun politieke leven te redden. Er zijn grenzen. En het is goed die op uitgelezen momenten duidelijk te markeren. Wie dat niet doet, vergeet waarom christelijke politiek is ontstaan, en doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van die politiek.

Van der Staaij daarentegen typeert zo’n markering als een ‘botte’ en ‘lukrake’ actie. Om zijn keuze voor doelmatigheid te rechtvaardigen, doet hij zijn best de strekking van het initiatiefwetsvoorstel dat de vrijheid van onderwijs op zo’n aangelegen punt inperkt, te bagatelliseren. We hebben te maken met een langdurige maatschappelijke ontwikkeling, het had nog erger gekund, en een ‘nee’ van de SGP zou de zaak niet verder helpen, betoogt hij. En wie weet wat de rechter straks doet. Dat laatste getuigt, vrees ik, gezien de secularistische voorkeuren van een meerderheid van de rechterlijke macht, van een zelfde naïveteit als die van de VGS, waar men denkt dat een goed gesprek de problemen wel zal oplossen.

Ik denk dat de stap die vorige week is gezet, veel verstrekkender is dan Van der Staaij waar wil hebben. De ‘enkele feit’-constructie, hoe ongelukkig ook in veel opzichten, bleek christelijke instellingen in de praktijk nog ruimte te bieden voor een eigen beleid. Deze instellingen is vorige week welbewust voorgoed de pas afgesneden. Er is bewust een wissel omgezet (waarom zouden D66 en SP anders dit initiatief hebben genomen?). Het oude ideaal dat ouders een school mogen hebben waarin de geest van thuis en van de kerk ook aanwezig is, is een gevoelige klap toegebracht. Dan leef je in een stad die geen vrede wil, maar een afrekening. In zo’n stad kun je zelf geen vrede hebben – hoe aardig en constructief je je ook opstelt. Het voorkomen van verkiezingen is niet belangrijker dan deze principiële afweging. Inderdaad is mijn politieke positiekeus hier een andere dan die van de SGP.

Het gevaar bestaat bovendien dat die nieuwe doelstelling van de SGP een soort mantra wordt, een tunnel waarin de blik op het oorspronkelijke ideaal en de oorspronkelijke principes niet meer mogelijk is. Waarin een o zo verleidelijke maar valse kameraderie met de goedlachse stadsbewoners dreigt, en waarin alle koerswijzigingen met een beroep op die vrede en die constructieve houding worden goed gepraat. Waarin wissels stilzwijgend worden omgezet – net als bij het vrouwenstandpunt en de keuze voor tolerantie.

Die keuzes, en zeker de keuze voor doelmatigheid, vragen meer verantwoording dan Van der Staaij met een pragmatisch beroep op vrede tot nog toe bereid is te geven. Misschien dat het Wetenschappelijk Instituut van de SGP hier ook meer zou kunnen betekenen?

3.3.14

Jung-Stilling als bron van ds. J. T. Doornenbal


‘Wie heimwee hebben, komen thuis’. Deze gevleugelde en bekende uitspraak wordt vaak aan ds. J. T. Doornenbal toegeschreven. Maar ds. Doornenbal heeft deze zin niet gemunt. Hij citeerde een Duits leketheoloog uit de achttiende eeuw, Johann Heinrich Jung-Stilling.
 
 
Dat de woorden direct met ds. Doornenbal (1909-1975) worden geassocieerd, is niet verwonderlijk. Hij sprak ze regelmatig uit. Een toespraak die hij in 1964 hield bij de begrafenis van ds. G. J. Zwoferink sloot hij bijvoorbeeld af met dit citaat. Ds. Doornenbal gebruikte de woorden zo geregeld, dat biografe Jeannette Donkersteeg haar boek zelfs deze woorden als titel meegaf (“Die heimwee hebben, komen Thuis”, 1996).

Onlangs las ik een preek uit 1938 van ds. J. J. Timmer. Tot mijn verrassing citeerde hij daarin ook deze zin, en schreef hij die toe aan een ‘bekend godgeleerde’. Nu was ds. Doornenbal in 1938 nog geen dertig jaar oud, en beginnend predikant in Woubrugge, en hij kon dus niet bedoeld zijn. Blijkbaar waren de woorden van een andere theoloog afkomstig, en algemener bekend.

Wie die theoloog was, kunnen we op het spoor komen via een brochure van ds. S. van Dorp, getiteld “De stad Gods”. Aan het einde van dit boekje citeerde hij ook de uitspraak over het heimwee en het thuiskomen, en schreef hij die woorden toe aan een zekere Stilling.

Die Stilling blijkt Johann Heinrich Jung-Stilling te zijn geweest. Jung-Stilling leefde van 1740-1817 en was een veelzijdig man. Hij was medicus in Wuppertal-Elberfeld, oogchirurg, en doceerde aan de universiteit van Heidelberg. Maar hij was ook econoom en gaf in dat vak les aan de universiteit van Marburg. Als schrijver publiceerde hij een uitvoerige autobiografie, en ook – en dat is hier vooral van belang – een vierdelige roman “Das Heimweh”. John Bunyans “Pelgrimsreis” was zijn voorbeeld. Alleen loopt de levensweg van de hoofdpersoon, Christian Eugenius von Ostenheim, ruim 1000 pagina’s lang vooral langs ontmoetingen met verhuld aangeduide contemporaine filosofen. Jung-Stilling zei dat hij het boek pas na 20 jaar van intellectuele twijfel had kunnen schrijven.


Hij wordt gerekend tot de piëtisten. Zijn lijfspreuk was: ‘Zalig zijn zij die het heimwee kennen, want zij moeten thuis komen’ (‘Selig sind die das Heimweh haben, denn sie sollen nach Hause kommen’). De roman begint met deze zin, en zij was oorspronkelijk een inscriptie in het vriendenalbum van een geestverwante student.

Het kan dat ds. Doornenbal het werk van Jung-Stilling uit de eerste hand kende. Jung-Stilling was in Réveilkringen een populair schrijver, en sommige boeken van hem zijn in de negentiende eeuw in het Nederlands vertaald. Joseph von Eichendorff was Doornenbals lievelingsdichter, en hij was een geestverwant van Jung-Stilling. Het kan natuurlijk ook dat ds. Doornenbal het citaat uit de tweede hand kende, net als ds. Timmer en ds. Van Dorp. Een interessante vraag is ook of de woorden in de denkwereld van Jung-Stilling precies dezelfde betekenis hebben als binnen het denken van Doornenbal.

Nadat het RD donderdag berichtte over mijn zoektocht naar de bron van Doornenbals spreuk, kreeg ik verschillende reacties van lezers, o.a. van ds. R. P. van Rooijen te Houten en van ds. M. van Kooten uit Elspeet die mij op het citaat van ds. Van Dorp attendeerde. Dankzij al hun aanwijzingen was het vervolgens niet moeilijk de bron vast te stellen.

Volgens Jung-Stilling betekent heimwee dat er een thuisland is (‘Ein Heimweh muss doch eine Heimat haben’). Heimwee is geen nostalgie, maar een verlangen naar het Vaderhuis. Zoals C. S. Lewis schreef in verband met zijn thema 'Joy': het verlangen blijft onvervuld, en op die lege stoel kan alleen God plaatsnemen. Natura nihil agit frustra.
Dat verlangen heeft ds. Doornenbal ook herhaaldelijk verwoord, met woorden waarvan de herkomst nu duidelijk is.
 
 

 

18.12.13

Sybrand, of Arie en Kees?



De stof die het herfstakkoord deed opwaaien is zo langzamerhand wel gaan liggen (zeker nu er ook overeenstemming over een woon- en pensioenakkoord is bereikt). De hoofdrolspelers hebben zelf al uitgebreid op de resultaten terug gekeken en de tijd lijkt daarom rijp voor een voorzichtige evaluatie: wie was er nu slimmer en wijzer, Sybrand van Haersma Buma (CDA) die wegliep van de onderhandelingstafel, of Arie Slob (ChristenUnie) en Kees van der Staaij (SGP) die bleven zitten en daarmee met D66 de coalitie van VVD en PvdA aan een meerderheid hielpen?

Buma heeft niet zo heel veel woorden nodig gehad om uit te leggen waarom hij afhaakte. Een kleinere overheid, lastenverlichting, anti-nivelleren, wil de CDA-leider. En toen dat niet mogelijk leek beet hij het kabinet venijnig toe: ‘Dan zoekt u het zelf maar uit’.

Het is Buma op scherpe verwijten komen te staan. Werd het CDA als oude middenpartij niet wat rechts en, vooral, oncoöperatief? En duidde dat niet op electorale paniek? Waarschijnlijker is dat Buma zijn partij werkelijk terug wil krijgen bij haar wortels: als een partij van de samenleving en dus met een gezond wantrouwen jegens de overheid. Het legt hem vooralsnog geen windeieren: in de peilingen gaat het CDA weer omhoog richting de 20 zetels.

Slob en Van der Staaij hielpen het kabinet aan de benodigde bezuinigingen en haalden in ruil daarvoor het een en ander binnen. Zo wordt Slob tegenwoordig gefêteerd als de redder van anderhalve kazerne, en kreeg Van der Staaij een bloemenkrans omgehangen bij een werkbezoek aan een instelling waarvoor hij een subsidie had veiliggesteld.

De invloed van SGP en ChristenUnie logenstraft de veel gemaakte opmerking dat de rol van de kleine christelijke politiek in Nederland is uitgespeeld. Tegelijkertijd zijn beide partijen naar politieke volwassenheid gegroeid: van marginale getuigenispartijen tot partijen die zichtbaar voldaan en met genoegen afspraken over ‘zakelijke en pragmatische pakketten’ maken (aldus Slob en Van der Staaij in de NRC van 19 oktober).

Een nog belangrijker rol speelde de overweging dat koste wat kost nieuwe verkiezingen moesten worden voorkomen, zo blijkt uit uitspraken van Slob en SGP’er Elbert Dijkgraaf. Want bij verkiezingen hadden SP en PVV wel eens uitbundig kunnen groeien en dan waren we nog verder van huis geweest. Je hoeft die argumentatie niet in alle opzichten te delen om toch te begrijpen, en te waarderen, dat SGP en ChristenUnie partijen zijn geworden die het landsbelang boven het eigen belang kunnen stellen en daarbij risico’s durven nemen.

Want het steekt natuurlijk wel een beetje, al die welwillendheid, al die grenzeloze braafheid, om een kabinet in het zadel te houden dat alle steun dankbaar incasseert maar ondertussen vrolijk door gaat met het programma dat premier Mark Rutte een jaar geleden aankondigde: ‘vol gas op de immateriële beleidsterreinen’. Het blasfemieverbod is inmiddels geschrapt, het oprekken van de regels rond euthanasie en de modernisering van de huwelijkswetgeving zijn inmiddels aangekondigd. En bij de behandeling van de Algemene Wet Gelijke Behandeling bleek dat een Kamermeerderheid niet langer wil dat scholen en andere instellingen onderschrijving van doel en grondslag mogen eisen.

SGP en ChristenUnie zijn, bij mijn beste weten, nooit opgericht om een kabinet in het zadel te houden dat een voluit paarse agenda wil gaan afwikkelen. De huidige welwillendheid steekt scherp af tegen de oppositionele toon van, bijvoorbeeld, André Rouvoet ten tijde van de eerste twee paarse kabinetten. Toenmalig SGP-leider Bas van der Vlies schoot helemaal uit zijn slof en kondigde verontwaardigd aan dat zijn partij haar traditionele rol van ‘crossbencher’ zou laten varen en voor een scherp oppositionele koers zou kiezen.

Ter compensatie wordt er natuurlijk met enig strooigoed gesmeten. Zo heeft Opstelten toch maar zijn handtekening gezet onder een nieuwe Regeling Uitstapprogramma’s Prostituees. Tegelijk kun je volhouden, zoals CU-senator Roel Kuiper onlangs deed, dat die steun aan het herfstakkoord en de paarse agenda niets met elkaar te maken hebben. Wat mij een gewetenssussertje lijkt.

Persoonlijk ben ik het veel meer eens met de oppositionele koers van het CDA tegenover dit kabinet. Maar dat laat wat mij betreft onverlet dat SGP en CU zich nobel opstellen, dwars tegen het eigenbelang in. Ze werken in feite mee aan de creatie van een samenleving die hen en alles wat hun lief en dierbaar is, buiten spel zal zetten. Maar dan kunnen ze de arena wel niet met de borst vooruit, maar toch met opgeheven hoofd verlaten.

10.12.13

Leven onderaan de trap


 
In het moderne, evolutionaire denken staat de mens boven aan de trap met een duistere afgrond aan zijn voeten. In het christelijke wereldbeeld staat die mens onderaan de trap met uitzicht op het heiligdom van Gods heerlijkheid. Soms lijk je daar een glimp van op te vangen.

‘Het leven kent ook zaligheên’, zoals Willem Bilderdijk al wist: een echte cappuccino bijvoorbeeld, geconsumeerd onder het genot van een kleine corona, een boekpresentatie, of een goede lezing.

Recent gewerd mij de zegen van twee prachtige lezingen op één dag. Zeker voor wie zelf regelmatig mag opdraven om een enkele ziel te bezwangeren, is het luisteren naar anderen vaak bepaald aangenaam. Die rare nervositeit die je een hele dag tot vijf minuten voor het begin van je lezing kan verontrusten, ontbreekt, en je kunt je onderdompelen in de kennis en de wijsheid van een ander.

Ik trof het zeer: ’s middags sprak mijn Franse vriend Rémi Brague in Rotterdam, ’s avonds sprak mijn eerste leraar Tom Hage in Gouda. Brague is classicus, Arabist en hoogleraar in Parijs. Hij sprak bij de presentatie van de eerste Nederlands vertaling van een van zijn boeken (Europa, de Romeinse weg, een boek dat u echt moet lezen) en had het over de Europese identiteit. Op volmaakt Socratische wijze hield hij zijn gehoor drie vragen voor die leidden tot de conclusie dat er geen doel is dat het voortbestaan van de mensheid rechtvaardigt – tenzij wij durven nadenken over een hoger goed. Daarmee nodigde hij zijn gehoor onnadrukkelijk uit de waarheid van het christelijk geloof weer eens welwillend te overwegen.

(Rémi Brague)

Het besef van dat hogere goed heeft de Europese cultuur eeuwenlang doortrokken. Niet dat wij Europeanen dat zelf hebben bedacht. De Europese christelijke cultuur is secundair, dat wil zeggen: heeft weinig origineels voortgebracht maar is gevormd door twee steden buiten Europa: Athene en Jeruzalem. In Rome zijn beide tradities een grootse synthese aangegaan, die begint met de erkenning dat wij barbaren zijn die gevormd, geheiligd, bekeerd moeten worden door bronnen die buiten onszelf liggen.
 
(Tom Hage)

Tom Hage sprak aan de Driestar over C. S. Lewis als mediëvist. Hij had het o.a. over het Middeleeuwse wereldbeeld dat een kern bevat die elke christen anno 2013 nog altijd deelt: de gedachte nl. dat niets voor niets is, dat alles in een goddelijke orde een aangewezen plaats heeft, en dat er dus ook een vervulling van onze verlangens moet zijn, anders zouden wij die verlangens niet hebben.

Hage herinnerde er ook nog maar eens aan dat ons beeld van het middeleeuwse wereldbeeld niet klopt. De Middeleeuwer geloofde niet dat de aarde plat was en het centrum van het heelal. Het universum was als een kathedraal, met sferen van muziek en orde, waarin men vanaf de uiterste rand naar boven keek. In het moderne, evolutionaire denken staat de mens boven aan de trap met een duistere afgrond aan zijn voeten. In het christelijke wereldbeeld staat die mens onderaan de trap met uitzicht op het heiligdom van Gods heerlijkheid.

Zo’n onderdompeling kan verootmoedigen. Wij mensen leven aan de uiterste rand van het universum, in een ondermaanse dat door vergankelijkheid en vergetelheid wordt geregeerd. En in dat ondermaanse zijn wij bewoners van een barbaars continent dat is aangeraakt door een geloof dat dat continent eigenlijk vreemd is, maar dat stukje aarde eeuwenlang toch heeft gevormd – alhoewel wij nu aan het staartje van die Traditie bungelen.

Dankzij die Traditie worden wij omringd door ouders, leraren en instituties die zorg besteden aan ons zielenheil. Maar hoe precair is ons geloof. Zoals George Herbert al dichtte: één listige boezemzonde kan dat alles in één keer wegblazen.

Daags na deze lezingen was ik in Amsterdam voor de doop van een vriend uit de kring van de Edmund Burke Stichting. Na veel gezoek en getwijfel had hij – evenals enkele andere vrienden uit die kring, en net als hij niet kerkelijk of randkerkelijk opgegroeid – de keuze voor het christelijk geloof gemaakt. Zijn doop en vormsel ontving hij in de Krijtberg in Amsterdam. Hij had het protestantisme geprobeerd, schreef hij mij, maar de hervormden waren daar in Amsterdam vooral bezig met ‘meditatiecursussen voor daklozen’ (dat klopt waarschijnlijk niet, maar zo’n observatie geeft te denken). Ik kon niet nalaten hem te herinneren aan een uitspraak van de vorige paus, die in zijn boek over Paulus heeft gezegd dat de zaligheid nooit beter onder woorden is gebracht dan door Maarten Luther toen hij het had over de ‘vrolijke wissel en ruil’.

 
Het was een mooie dienst. Een jonge intellectueel, bezig met een proefschrift over Ortega y Gasset, beloofde de strijd aan te gaan tegen ‘alle bekoring van zonde en onrecht’ en ‘God de Heer alleen te dienen’. Een mens, getrokken uit de slavernij van de zonde tot de vrijheid van het geloof van de Kerk.

We stonden in deze kathedraal in hartje Amsterdam, en keken naar boven en zagen daar, onderaan de trap, iets, meende ik, van ‘het heiligdom waarvan de aarde de buitenste grens is’.

16.9.13

Toekomst christelijke politiek

De EO belegt volgende week donderdag 26 september (s.c.J.) een congres over de toekomst van de christelijke politiek in Nederland. Afgelopen zaterdag interviewde Andries Knevel mij over dit onderwerp in zijn programma AndriesRadio op Radio5. Wie dat wil terugluisteren, kan hier terecht:
http://www.eo.nl/radio5/programmas/andriesradio/aflevering-detail/andries-radio-fffa245c4f/

14.9.13

Discussie over de Ipadscholen

In het Filosofisch Elftal van het dagblad Trouw ben ik in discussie gegaan over de zogeheten Ipadscholen. De introductie van Ipads in het onderwijs lijkt mij een hoogst ongelukkig plan. Via onderstaande link kunt u de discussie in trouw lezen:

http://www.trouw.nl/tr/nl/6926/Filosofisch-elftal/article/detail/3508976/2013/09/13/iPad-onderwijs-en-of-Homerus.dhtml
 

7.9.13

De hoge prijs van dubbelzinnigheid

 
Stel, u zet maandag de radio aan, stemt af op een publieke nieuwszender, en u hoort een sonore mannenstem u de vraag stellen of u gelukkig bent. Nee, hij bedoelt niet of u wel vaart, hij wil weten of u echt gelukkig bent. En vervolgens zou hij u voorhouden dat er een blij vooruitzicht is dat Gods volk streelt, dankzij de verlossing op Golgotha. Als u, nieuwsgierig geworden, een week later weer op de toespraken van deze man afstemt, vraagt hij u of u gisteren wel naar de kerk bent geweest. En of u, als u bij wijze van spreken helemaal voorin gezeten hebt, niet alleen een hoorder maar ook een dader van het Woord bent.

 

Anno 2013 is zoiets niet meer goed voorstelbaar. Ik citeerde uit de radiotoespraken die ds. Jac. Van Dijk (1913-1984) in de jaren zestig voor de NCRV verzorgde. Zou je hieruit kunnen concluderen dat er bij de NCRV een halve eeuw geleden meer ruimte was voor orthodoxie dan nu bij de EO? Aan de andere kant was er bij de orthodoxie, zeker zoals uitgedragen door ds. Van Dijk, ook meer ruimte. Het is omgekeerd immers nauwelijks voorstelbaar dat een bevindelijk-gereformeerde dominee nu nog zoveel boeken en films ter sprake zou brengen als Van Dijk destijds.

 

Maar Van Dijk was ‘een bijzondere en aparte man’, zei ds. W. Chr. Hovius in 2007 in een interview met het blad Oude Paden (datzelfde blad publiceerde eerder dit jaar een uitgebreide levensschets van Van Dijk, en de auteur daarvan, ds. M. van Kooten uit Elspeet, werkt aan een heuse biografie, wat mij iets lijkt om naar uit te kijken). Van Dijk was een begaafd predikant. Aanvankelijk was hij vrijzinnig. In de oorlog kwam hij wonderlijk vrij, toen hij op het punt stond naar Dachau te worden afgevoerd. Hij las daarna een preek van Smytegelt, en toen ging het, naar eigen zeggen, ‘sneller dan de bliksem’. Erg veel meer heeft hij over zijn bekering nooit kunnen vertellen. Hij werd een orthodox-bevindelijk predikant (voor een proeve beluistere men op internet de preek over Jesaja 55:6), die bij velen zeer geliefd was. Hij genoot groot vertrouwen. Als hij op de preekstoel Jules de Corte citeerde (‘Waar blijft de tijd?’), wist zijn gemeente zeker dat Jules de Corte een degelijke oude schrijver was.
 


 

Hij werd in 1946 in het hoofdbestuur van de SGP gevraagd, en in 1948 en 1952 stond hij zelfs vierde op de lijst voor de Kamerverkiezingen. Maar de band met de SGP was geen gelukkige. Hij bedankte al in 1946 voor zijn stoel in het hoofdbestuur, trad een jaar later toch weer toe, maar werd in 1952 uiteindelijk geroyeerd als lid (wat de SGP bij de Statenverkiezingen in Gelderland in 1954 en later duizenden stemmen kostte). Daarop schreef hij de brochure Staatkundig Gereformeerd? Wat hij daarin schrijft, is in het licht van de actualiteit voor organisaties als de SGP nog steeds interessant.

 

Het vreemde van het geval was dat Van Dijk een echte SGP’er was, die ook na zijn royement veelal op deze partij is blijven stemmen. Aanvankelijk was het vertrouwen groot in hem. Het was niemand minder dan ds. P. Zandt die hem vroeg om tot het hoofdbestuur toe te treden. Hij deed het, uit achting voor Zandt en uit protest tegen de Doorbraak. Dat hij hetzelfde jaar nog bedankte, was het gevolg van de dubieuze rol die uitgeverij De Banier in de Tweede Wereldoorlog had gespeeld – een rol die ‘staatkundig geraffineerd’ werd toegedekt.

 

Het was uit ‘liefde en vriendschap’ tot ds. G. H. Kersten dat hij toch weer toetrad en zelfs het circuit van de tijdredes inrolde. Maar hij ging zich steeds meer ergeren aan de kloof tussen theorie en praktijk. Officieel was de SGP tegen sociale wetgeving, maar duizenden SGP’ers profiteerden ervan. Officieel was de SGP tegen vrouwenkiesrecht, maar duizenden vrouwen stemden SGP. Ds. Zandt was het met het officiële standpunt niet eens, zei dat ook in vertrouwelijke gesprekken, maar alles bleef zoals het was. En zo ging het ook met vaccinatie en assurantie: officieel tegen, maar in de praktijk stilzwijgend geaccepteerd. Kon dat niet, zo vroeg Van Dijk zich af, wat ruiterlijker?

 

Uit protest tegen de ‘waardeloosheid van het systeem van de doofpot’ schreef hij een vertrouwelijke circulaire aan enige vrienden. Hij werd daarop als SGP-lid geroyeerd. Ter verdediging verscheen de brochure, die ds. Van Dijk op een achternamiddag, in drieëneenhalf uur, schreef. Ook daarom werd hij bekritiseerd. Maar voor het hoofdbestuur en in De Banier kreeg hij de kans niet zijn standpunt toe te lichten. En het voorbeeld van zijn royement maakt op onovertroffen wijze duidelijk hoe groot de prijs is die op dubbelzinnigheid staat - op alle pogingen, met andere woorden, om het verschil tussen theorie en praktijk vromelijk te maskeren in plaats van ruiterlijk te bespreken.

 

Tussen ds. Zandt en ds. Van Dijk persoonlijk is het overigens weer tijdig goed gekomen.



[Verschenen in Reformatorisch Dagblad van zaterdag 7 september 2013.]

12.7.13

Mazelen en de biblebelt

 

Het zal niemand zijn ontgaan: de mazelen heersen, een beetje in het antroposofische wereldje, maar vooral in bevindelijk-gereformeerde kringen in bepaalde regio’s op de zogeheten Bible Belt. Dat heeft de nodige discussie opgeroepen: hoe verantwoord is het om deze groep van refo-ouders te laten begaan, en hoe consequent zijn zij eigenlijk zelf als ze in de auto wel een gordel omdoen of een airbag hebben? Dat is toch ook een preventieve maatregel, die net zo goed in strijd met het beleden geloof in de voorzienigheid van God is?

Ik heb het idee dat in alle discussies van de afgelopen weken een belangrijk punt wordt gemist. Refo’s (een vreselijk woord, maar ik gebruik het even voor de duidelijkheid) presenteren hun standpunt als gehoorzaamheid aan het gebod van God zoals dat in de Bijbel tot hen komt. De anderen nemen dat op hun woord aan, en beginnen discussies over de aard en implicaties van dat geloof. Maar ik denk dat er iets anders aan de hand is.

Refo’s kleden zich ook anders. Waarom? Omdat God heeft gezegd, zeggen zij, dat vrouwen zich niet mogen kleden als mannen (Deuteronomium 22:5). Zou het waar zijn? Zou het niet eerder zo zijn dat de omringende cultuur op een gegeven moment is veranderd (bevallige dames die pantalons gingen dragen en een sigaretje opstaken), dat die verandering is geïnterpreteerd als iets van een opstand tegen een heilige en dierbare orde, en dat het verzet tegen die opstand tot een bepaald gedrag heeft geïnspireerd, dat daarna Bijbels gerechtvaardigd is?

Neem een ander voorbeeld, dat deze redenering alleen maar sterker maakt. In refo-kringen treft men zelden mannen met snorren en baarden aan (hier en daar is het zelfs censurabel). Waarom niet? Er is toch weinig verbeeldingskracht voor nodig om ons de profeten en apostelen met behaarde aangezichten voor te stellen, en menig oudvader blijkt hen daarin te hebben nagevolgd. Toch volgen de refo’s deze voorbeelden niet. Waarom niet? Dat heeft ongetwijfeld te maken met de jaren zestig, toen een opstandige jeugd het scheermes van pa liet voor wat het was en de natuur op wang en bovenlip zijn gang liet gaan. Die begroeiing werd geassocieerd met de geest der revolutie en daarom afgewezen, zelfs bij ontstentenis van een Bijbeltekst waarmee deze keuze kon worden gerechtvaardigd. (Wat dus bewijst dat het verzet tegen bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen een sterkere motivatie voor bepaalde keuzes is dan een duidelijke Bijbeltekst.)

Zo is het ook, denk ik, met het verzet tegen vaccinaties. Wie de geschiedenis van dat verzet bestudeert (laten we zeggen vanaf Abraham Capadose in de negentiende eeuw), zal zien dat er naast het medische argument – inentingen waren toen nog gevaarlijk – één argument steeds weer in stelling is gebracht: de overmoed van de moderne mens, die met zijn kennis en wetenschap de natuur denkt te kunnen beheersen en God niet meer nodig heeft. Dat lijkt mij nog altijd de diepe, religieuze inspiratie van het huidige verzet. Voor de duidelijkheid wordt er dan een casuïstisch argument bijgehaald in de vorm van een Bijbeltekst, bijvoorbeeld wanneer Christus zegt dat alleen zieke mensen een medicijnmeester nodig hebben maar zij die gezond zijn niet.

Vandaar ook dat al die argumenten van airbags en autogordels (zoals geventileerd door premier Rutte en oud-minister Borst) geen enkele indruk maken. Zij gaan immers aan de kern voorbij. Het gevoel van afhankelijkheid – of beter: de erkenning van het gebod dat wij ons in alles van God afhankelijk moeten weten – leidt tot de keuze om kinderen niet te vaccineren. Alle kinderachtige discussies over verwrongen casuïstiek, die in alle orthodoxe kringen het gevolg is van het schuren van pre-moderne waarden met het moderne leven, vloeien hieruit voort.

Dat betekent dus ook, dat al die keuzes (voor rokjes en geschoren aangezichten, en tegen vaccinatie) vooral om bepaalde religieuze waarden draaien. De waarde van de onderscheidenheid van man en vrouw, de keuze tegen de geest van 1968, de keuze tegen de waan van de beheersbaarheid. Dat zijn natuurlijk volstrekt legitieme keuzes. Het probleem begint alleen op het moment dat uit die waarden normen worden afgeleid die vervolgens sacrosanct worden verklaard.

Het komt mij voor dat we dan de wereld van de christelijke vrijheid verlaten waarin de ruimte bestaat om elkaar te verdragen in het maken van afwijkende normatieve keuzes. En waarin broeken, baarden en snorren en een prik niet direct mogen worden uitgelegd als een knieval voor de geest die men wil bestrijden en tegen de waarden die men hoog wil houden.

23.2.13

'Een zekere fataliteit'


J. L. Heldring in gesprek met André Spoor over hun eeuw

Een jaar geleden zette J. L. Heldring (1917) een punt achter zijn carrière als columnist bij NRC Handelsblad, de krant waarvan hij tussen 1968 en 1972 hoofdredacteur was. Ruim vijftig jaar lang had hij met ijzeren regelmaat – aanvankelijk zelfs drie en twee maal per week – zijn bijdragen geleverd, vanuit een invalshoek die hij zelf (in een tijd dat daarvoor nog moed nodig was) ‘conservatief’ noemde. Eind vorig jaar verscheen de laatste selectie van zijn columns bij zijn vaste uitgever Van Oorschot in druk. In het voorwoord op Dezer dagen schreef hij met deze bundel afscheid te nemen van de publiciteit. Maar nu ligt er toch weer een boek met Heldrings naam op de titelpagina. Het boek biedt een verslag van de vier uitgebreide gesprekken die hij in de zomer van 2012 voerde met zijn oud-collega van de NRC en vriend André Spoor (1931-2012). De gesprekken zijn opgetekend door historicus John Alexander Jansen. Zij gaan over de Koude Oorlog, de Dekolonisatie en Europa, over de eeuw dus van de gesprekspartners.
 



Hoe is dit boek tot stand gekomen? In het najaar van 2011 lag Heldring in een verpleeghuis te herstellen van een operatie. André Spoor kwam hem daar wel eens opzoeken en nam op een keer wat te lezen mee, het boek Unser Jahrhundert, een verslag van gesprekken die oud-bondskanselier Helmut Schmidt en de Duits-Amerikaanse historicus Fritz Stern met elkaar hadden gevoerd over de jaren die zij – de een als politicus en bewindsman, de ander als waarnemer – hadden meegemaakt. Heldring genoot van het boek, en toen Spoor later bij hem thuis kwam en suggereerde om in Nederland een soortgelijk boek uit te geven, ditmaal met hen beiden als gespreksgenoten, ontstond Onze eeuw: J. L. Heldring en André Spoor in gesprek. Het boek had eigenlijk het verslag van vijf gesprekken moeten bevatten, maar dat heeft het plotselinge overlijden van Spoor op 18 september vorig jaar verhinderd. De bijdrage van Spoor aan het gesprek zijn door historicus Hermann von der Dunk gecorrigeerd en aangevuld. Heldring haast zich overigens in zijn ‘Woord vooraf’ om de lezer te behoeden voor de gedachte dat hij en Spoor zich menen te kunnen meten aan Schmidt en Stern. ‘Wij waren slechts waarnemers geweest, hadden aan de zijlijn gestaan, terwijl Schmidt in elk geval beslissingen had genomen en verantwoordelijkheid gedragen, als staatsman bovendien van een land dat meer gewicht in de wereldschaal legt dan Nederland. Sterns kennis van de historische achtergronden waartegen het drama van onze eeuw zich afgespeeld had – een kennis overigens die ook bij Schmidt allerminst ontbrak – pretendeerden wij niet te evenaren.’

Het boekje (142 bladzijden), dat een dezer dagen zal verschijnen, biedt aangename lectuur. Twee oude, erudiete heren, die als journalist getuige zijn geweest van de naoorlogse geschiedenis, praten er met oordeel en kennis van zaken aangenaam op los, en de lezer voelt zich bevoorrecht mee te mogen luisteren.

Maar valt er een rode draad te ontwaren in die toch vreselijke eeuw – een eeuw van oorlog en koude oorlog, van dekolonisatie en Europese integratie, van chaos en desintegratie en van pogingen daarin orde en eenheid aan te brengen?

In het laatste gesprek doet Heldring daartoe een interessante poging. Hij spreekt van ‘een zekere fataliteit’ die in de thema’s dekolonisatie, Koude Oorlog en Europa te ontwaren is. Wat bedoelt Heldring met die fataliteit? Hij spreekt over de in 1947 afgekondigde Trumandoctrine, waarmee Amerika zichzelf verplichtte om alle democratieën waar ook ter wereld te hulp te schieten wanneer zij van binnenuit of van buitenaf door het communisme werden bedreigd. Daarmee zette Amerika een nieuwe stap in zijn geschiedenis, want tot op dat moment waren de Amerikanen ‘helemaal niet gewend om buitenlandse politiek te bedrijven, ze waren juist lange tijd neutraal geweest’. In die nieuwe universele ideologie ontwaart Heldring ‘schijnheiligheid’. Een verheven ideologie (‘to make the world safe for democracy’) moest verhullen dat het hier natuurlijk gewoon om machtspolitiek ging. Daarmee bestijgt Heldring een stokpaardje dat wij uit zijn columns kennen, de gedachte dat het in de politiek, zeker in de buitenlandse, om macht gaat en dat we niet net moeten doen alsof dat niet zo is: ‘Of het nu christelijke of andere idealen zijn die de mensen koesteren, de wereld is anders en voldoet daar niet aan.’ Als voorbeeld noemt hij ook George Bush jr., die een gewenste Realpolitik inwisselde voor de neoconservatieve droom van democratische maakbaarheid.

Wat is dus die fataliteit? Macht gedreven door een ideologie. Die combinatie is gevaarlijk, fataal zelfs. In Nederland leidde het tot de gedachte dat we een moreel verheven gidsland waren en zagen we na de oorlog niet in dat de dekolonisatie een onvermijdelijk proces was – met een militair avontuur als gevolg (170.000 Nederlandse soldaten zijn naar Indonesië gestuurd) dat ‘historisch gezien krankjorum’ was.

Eenzelfde fataliteit ziet Heldring in Europa. Na de Tweede Wereldoorlog zijn overal in Europa verzorgingsstaten ontstaan, die de mensen meer dan voorheen aan de nationale staat als ‘de bron van alle voordelen’ binden. Dat belang stuit nu op de drang naar politieke integratie en de bezuinigingen die nodig zijn om elkaar aan de befaamde drieprocentsnorm te houden. Fataliteit schuilt ook in het concept van democratie zelf. Iedere democratie kan zichzelf ondermijnen doordat ze de mogelijkheid geeft om ook antidemocratische of revolutionair-democratische beginselen te incorporeren. Ook het populisme is een kind, zij het een bastaardkind, van de democratie. Vooral de combinatie van een economische crisis die alle vooruitzichten wegneemt, en een politieke (die, anders dan zich in de zomer van 2012 liet aanzien, bij de laatste verkiezingen nog lijkt te zijn afgewend) kan fatale gevolgen hebben.

Maar ja, hufterdom is een essentieel onderdeel van de Nederlandse cultuur. We vinden onze mening belangrijk en achten het een deugd om alles recht voor zijn raap te zeggen – tot bevreemding van het buitenland. ‘We zijn allemaal hufters!’, roept Heldring uit, en Spoor spreekt hem niet tegen. Tot slot valt het woord ‘zondigheid’, oftewel ‘het menselijk tekort’. De mens deugt niet, en daarom is alles wat hij bedenkt op z’n minst gebrekkig – zeker als hij daar, wat bij ideologieën nu eenmaal het geval is, geen rekening mee houdt.

En zo eindigt de samenspraak tussen beide heren in mineur. De vreselijkste misdaden zijn – over fataliteit gesproken – begaan door landen die allemaal mensenrechtenverdragen hebben ondertekend. ‘Wat dat betreft eindigen we ons gesprek met een pessimistische noot’, aldus Heldring. ‘De socialisten zongen vroeger dat de mens goed was, maar daar geloven ze nu ook niet meer in. Waarschijnlijk kennen ze ook van de Internationale de woorden niet eens meer’.

Wie voor zulke conclusies niet terugschrikt, zal zich verheugen in dit erudiete commentaar op de vorige eeuw, dat zich laat lezen als een noodzakelijke les in goor realisme.
 
 
 
 
N.a.v.: Onze eeuw. J. L. Heldring en André Spoor in gesprek (Amsterdam: uitgeverij Van Oorschot, 2013) 

18.2.13

Roken en geloven

In het boek Een gereformeerde jongen (uitgeverij Prometheus), een bundel artikelen over historicus A. Th. van Deursen, publiceerde ik onderstaand artikel. Het gaat over Van Deursen als columnist, en gaat o.a. in op zijn uitspraken over roken en dreigende rookverboden.



 
Behalve vele opiniërende bijdragen in kranten, tijdschriften en boeken publiceerde Van Deursen ook vaste columns. Tussen juli 1996 en december 2002 schreef hij een maandelijkse column in zijn Nederlands Dagblad. Van oktober 2009 tot en met januari 2011 vulde hij een kolom in De Waarheidsvriend (orgaan van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland), en van januari 2010 tot mei 2011 deed hij dat in het Reformatorisch Dagblad.

Afgezien van een kortstondige, tweemaandelijkse reeks in het Nederlands Dagblad in 1990, is Van Deursen zijn regelmatige journalistieke werk dus begonnen na zijn pensionering in juni 1996. Zijn naam en reputatie waren toen natuurlijk al lang gevestigd. Het boek waarmee hij naar een groter publiek doorbrak, het boek over het dorp Graft in de zeventiende eeuw (Een dorp in de polder), dateert van 1994. Blijkbaar heeft Van Deursen zich pas op zijn 65e op vaste voet beschikbaar willen stellen voor deze journalistieke schrijverij, of is hij er niet eerder voor gevraagd. Het was in ieder geval verstandig het niet eerder te doen. Een nadrukkelijk christelijk profiel helpt immers niet bij het vestigen van die reputatie.

Van Deursen heeft het geregeld schrijven van die stukjes vijftien jaar vol gehouden. Hij schreef zijn columns voor uitgesproken christelijke bladen. En hij had geluk: ‘paars’ (het eerste kabinet-Kok, gesteund door PvdA, VVD en D66) was intussen twee jaar op weg, dus er viel altijd wel iets te mopperen.

Een van de eerste columns die Van Deursen in het Nederlands Dagblad schreef (op 28 september 1996), is eigenlijk al direct exemplarisch voor de stukken die hij zou gaan schrijven. Het artikel gaat over ‘De doelgroep van Margarethe’. Die Margarethe is een zekere Margarethe Schreinemakers, over wie Van Deursen tijdens zijn zomervakantie in de Stuttgarter Zeitung had gelezen. Zij maakte een wekelijks televisieprogramma waarin zij allerlei boodschappen aanprees voor kijkers tussen de 14 en 49 jaar. Van Deursen schreef dat er haast nog nooit een krantenstuk was geweest dat hem zo had opgemonterd als het bericht over Margarethe. Hieruit bleek immers dat het verstand dan toch met de jaren kwam en dat mensen zich vanaf hun vijftigste niet meer door de suggestieve aanprijzingen van Margarethe lieten verleiden. Vervolgens past Van Deursen dit inzicht toe op de politiek, waar propaganda een ander woord voor reclame is. Ook daar zijn de ouderen niet meer te verleiden, in dit geval tot een andere stem dan de stem die ze altijd hebben uitgebracht. Ze behoren dus niet meer tot de doelgroep van de politieke partijen. Of ze zijn al lid en stemmen toch al op je, die oudere kiezers, of ze doen dat niet en zullen dat ook nooit doen. Een partij hoeft zich dus ook weinig aan hen gelegen te laten liggen. Het beleid is afgestemd op de doelgroep van Margarethe, en de bevolkers van de Tweede Kamer waren in 1994 in meerderheid (96 van de 150 afgevaardigden) jonger dan 50 jaar. De ouderen zijn dus ondervertegenwoordigd in de Kamer, maar het zijn wel de AOW’ers en de gepensioneerden die in tijden van bezuinigingen telkens de rekening gepresenteerd krijgen. Vandaar dat er ten tijde van het eerste paarse kabinet ineens ouderenpartijen in de Kamer waren opgedoken.

Als de naam van Van Deursen niet boven zijn columns had gestaan, hadden we ze gemakkelijk als van zijn hand herkend. Elke column begint met een paar feitelijke vaststellingen of een anekdote, trekt daaruit een eerste conclusie, dan volgt een beargumenteerd betoog, scherp en helder in die inmiddels befaamde, laconieke, broodnuchtere zinnetjes, en dan volgt een grotere conclusie. Die gaat in dit geval over een genegeerde onrechtvaardigheid: een grote groep van mensen (50-plussers) die niets fouts hebben gedaan (ze zijn zichzelf gebleven maar wel ouder geworden) en die niet meer interessant zijn voor de (politieke) markt, en daarom stilzwijgend worden gediscrimineerd, een rekening gepresenteerd krijgen. Zo’n onrechtvaardigheid is eigenlijk het grote thema, de rode draad in Van Deursens columns gebleven.

Zoals er 50-plussers zijn, zo zijn er ook de rokers. Van Deursen was lange tijd een van hen. Terwijl de rokers rustig en tevreden bleven roken, was een groot deel van de samenleving dat opsteken van sigaret of sigaar(tje) inmiddels als een slechte gewoonte gaan beoordelen en was de jacht op de roker geopend. Niet omdat roken schadelijk voor de gezondheid was, want er waren zoveel andere schadelijke gewoonten waar geen haan naar kraaide. Ook niet omdat rokers het anderen lastig maken, want daarin vormen zij bepaald geen uitzondering. Ook niet omdat die arme rokers door die gewetenloze tabaksindustrie worden verleid. Dergelijke acties worden immers niet ondernomen tegen minstens zo gewetenloze producenten van ander riskant en gevaarlijk genot. De werkelijke reden is dat een rookverbod het vijgenblad van ons moreel bankroet is. Nederlanders zien tal van dingen die eigenlijk niet goed zijn maar willen tegelijkertijd niet de schijn van onverdraagzaamheid op zich laden. De overheid mag niet betuttelend optreden. Gelukkig is er dan nog wel het roken als een kwaad dat wel bestreden mag worden. De meeste niet-rokers zijn bovendien ex-rokers, bekeerlingen die wraak nemen op hun eigen verleden. Iedere maatregel tegen het roken stelt de bekeerling in staat de behaalde overwinning op zijn vroegere fouten opnieuw te beleven. Bij een bushalte moet je, aldus Van Deursen, met je rug naar de reclameborden gaan staan, de radio moet je regelmatig uitdraaien omdat een verslaggever of politicus alweer een vloek laat horen, en een willekeurig televisieavondje levert een overdaad aan ‘lasterlijke spot en goedkope prikkeling’ op. Maar ja, ga daar nu eens wat van zeggen. Maar als iemand in zo’n tv-uitzending een sigaret opsteekt dan trekt de niet-rokersvereniging direct aan de bel. En met groot zelfvertrouwen in de publieke steun voor haar zaak want een klacht van die vereniging leidt als vanzelf tot nieuwe wettelijke maatregelen. Wie daarentegen de overheid om maatregelen tegen die reclameborden, vloeken of gewelddadige tv-programma’s vraagt, weet bij voorbaat zeker dat hij nul op het rekest zal krijgen (Nederlands Dagblad, 22 februari 1997).

Maar meer nog dan op de trouwe 50-plusser en de tevreden roker was de jacht geopend op de christenmens, vooral van gereformeerde en reformatorische signatuur. In een veranderende, seculariserende en ontzuilende samenleving waren zij zichzelf gebleven. Ze waren trouw naar de kerk blijven gaan en in een voorgegeven morele orde blijven geloven in plaats van in het axioma dat de mening van een toevallige meerderheid per definitie – tot op den duur het tegendeel blijkt - ook de ware mening is. Ondanks al hun verdiensten in verleden en heden mochten zij zich bij een groeiende meerderheid niet meer in een grote populariteit verheugen. Hun positie werd zelfs bedreigd, hun publieke leven - beschermd door rechten en vrijheden - waren zij zelfs niet langer zeker.

Nederland was een land van een verschuivende moraal geworden. Enquêtes speelden daarbij een belangrijke rol. Zij zijn een middel om grenzen te verleggen. Wanneer je de bevolking stelselmatig ongepaste vragen stelt en deze vragen regelmatig herhaalt – zoals de vraag: wilt u in geval van dementie euthanasie of niet? – dan komt vroeg of laat het moment dat een standpunt dat weinigen aanvankelijk durven in te nemen, natuurlijk en vanzelfsprekend wordt. Eerst wordt de schaamte overwonnen omdat steeds meer mensen ineens die gedurfde mening blijken te hebben, en als de schaamte overwonnen is, heeft de zonde vrij spel (Nederlands Dagblad 28 februari 1998).

In die omgeving kwam de godsdienstvrijheid steeds meer onder druk te staan. Dat was het directe gevolg van een staatsgeloof dat, zoals Groen van Prinsterer in de negentiende eeuw al had voorspeld, zich kon vestigen binnen de kaders van de godsdienstloze staat die de liberalen in de negentiende eeuw wilden. De vrijheid die zij zelf namen, wilden zij niet aan anderen toestaan. Het paarse kabinet was bezig zijn geloofsartikelen in bindende maatregelen aan iedereen op te leggen. Zodra die maatregelen waren opgelegd en het staatsgeloof zichzelf dus in een positie had gemanoeuvreerd waarin het een voorkeursbehandeling kreeg, bepaalde het staatsgeloof dat mensen de juistheid van die maatregelen ook niet meer mochten betwisten. Ze hadden hun recht van spreken verloren. In een samenleving waarin gelijkheid het grote ideaal is, mag een christen-politicus als Leen van Dijke niet meer zeggen dat hij het betreurt dat homoseksualiteit in zijn christelijke achterban voor een grotere zonde doorgaat dan diefstal. Want hij beoordeelde homoseksualiteit daarmee als een zonde, in overeenstemming met een bepaalde uitleg van de Bijbel, en dat mocht niet meer, zo bepaalde de heer Van Zaltbommel van de Haagse rechtbank. ‘Reclamespotters, televisieprogramma’s, musicals, krantencolumns, studentenbladen en radio-uitzendingen’ hebben het christelijk geloof bespot, maar in geen enkel proces wegens smaad en belediging is ooit een veroordeling uitgesproken. Het is dus duidelijk: christenen mogen beledigd worden en het voeren van een proces heeft geen enkel nut. Maar anders dan christenen vormen homoseksuelen wel een groep in de samenleving die rechtsbescherming voor zichzelf kan opeisen. Waarom? Omdat, aldus rechter Van Zaltbommel, Van Dijke rekening had moeten houden met gevoelens en denkbeelden in de samenleving. De samenleving kan het niet schelen wanneer christenen worden gekwetst, en daarom mogen christenen beledigd worden. Maar diezelfde samenleving bruist op van woede wanneer homoseksuelen worden beledigd, en daarom moest Van Dijke hangen. ‘Wat het Nederlandse volk niet wil horen, wordt afgestraft. Is de belediging echter geadresseerd aan een groep die zich niet in de volksgunst mag verheugen, dan komt de samenleving niet in beweging, en de rechtbank evenmin […]. Uitslagen van NIPO-enquêtes kunnen beslissen over recht en onrecht’ (Nederlands Dagblad, 31 oktober 1998).

Bij het einde van paars en het aantreden van de eerste kabinetten-Balkenende, raakte Van Deursen niet veel hoopvoller gestemd. Voor Pim Fortuyn en de LPF koesterde hij op z’n best wantrouwen en op z’n slechtst onverholen afkeer. Ook VVD’ers zijn volgens Van Deursen niet te vertrouwen. Ze hebben christelijk onderwijs geaccepteerd omdat ze wel moesten, als een noodzakelijk kwaad. Maar sinds de christelijke partijen in 1967 hun meerderheid in het parlement hebben verloren, hebben de liberalen voortdurend pogingen gedaan aan de uitkomsten van de Pacificatie van 1917 te morrelen. Want de vrijheid van onderwijs is niet heilig, zei bijvoorbeeld minister Zalm in 2002. Het heeft geen zin de hoop op het CDA te vestigen, schreef Van Deursen in zijn laatste column in het Nederlands Dagblad. ‘Die partij geeft er geen blijk van, dat zij de rechten van het bijzonder onderwijs onvoorwaardelijk zal eerbiedigen. Zij wil regeren, en dat betekent voor haar, dat concessies gedaan kunnen worden op elk gebied. Zo heeft Van Agt ons een abortuswet geschonken, en Lubbers een Algemene wet gelijke behandeling. […] Toen ik ruim zes jaar geleden deze maandelijkse bijdragen begon, was Nederland nog betoverd door de paarse droom. Paars is nu weg, maar het CDA heeft niet aan geestelijke kracht gewonnen. Van een CDA-kabinet verwacht ik dan ook geen wezenlijke verbetering. Het zal er voor alle Veluwebewoners niet gemakkelijker op worden’ (Nederlands Dagblad, 28 december 2002).

Zo’n nieuwe constellatie kun je als feit vaststellen, ze kan je ook met enige bitterheid vervullen. De hoon is dan niet ver weg. Hoon over het paarse, nieuw-heidense of vrijzinnige onbenul, over een samenleving die een diagnose en een medicijn krijgt aangereikt, maar dat medicijn niet meer lust en die je tot slot daarom alleen nog maar prettige kerstdagen kunt toewensen (slot van Van Deursens Huizingalezing uit 1994).

‘Bestaan er domme Kamerleden?’, vroeg Van Deursen zich in het RD af. ‘Ik weet wel een antwoord op die vraag, maar ik houd dat liever voor me, want ik wil niet beschuldigd worden van haatzaaien. Dus zal ik ook niet zeggen dat Boris van der Ham (D66) en Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) domme mensen zijn. Maar ik vind wel dat ze eigenaardige vragen hebben gesteld aan minister Hirsch Ballin’ (11 september 2010).

Als historicus zag Van Deursen het als zijn taak om het liefdegebod dat voor alle christenen geldt, toe te passen op de mensen uit het verleden en hen dus zo eerlijk mogelijk te behandelen, hen recht te doen, of ze nu Veluwebewoners waren of niet. Om die reden heb ik Van Deursen kort na zijn overlijden getypeerd als de historicus van het liefdegebod (Reformatorisch Dagblad, 22 november 2011). Maar volgens George Harinck gold die liefde van Van Deursen toch in de eerste plaats de ‘huisgenoten des geloofs’, de gereformeerden dus, en anders niets. De uitgestoken hand aan het slot van de Huizingalezing leek meer bedoeld om de afstand tussen hem en zijn hoorders te benadrukken dan om die afstand te overbruggen. ‘De dragers van de cultuur van zijn eigen tijd bejegende hij minder liefdevol’, aldus Harinck (Nederlands Dagblad, 3 december 2011). Zo riep de contemporaine cultuur bij Van Deursen associaties op met een ‘publiek toilet tegen sluitingstijd’.

Harinck heeft natuurlijk een beetje gelijk, voor de helft zelfs. Als historicus en vakman heeft Van Deursen geprobeerd aan personen uit het verleden recht te doen, ze te begrijpen en ze weer te geven zoals ze zichzelf begrepen. Aan dat liefdegebod mat hij ook het werk van anderen af, en dat is denk ik ook de reden waarom hij het boek van Jeroen Koch over Abraham Kuyper (2006) zo onbarmhartig fileerde. Kochs boek, een ‘libertijns pamflet’, was mislukt omdat de auteur niet werkelijk tot zijn onderwerp was doorgedrongen en erop uit was geweest anderen expres te kwetsen. Zo’n boek konden we gevoeglijk ongelezen laten.

Maar een columnist of opinievormer is er niet om zijn tegenstanders omzichtig en genuanceerd - liefdevol - tegemoet te treden. Een columnist met een taakopvatting als Van Deursen, een christelijk columnist in paarse en populistische tijden, is partij in een geschil. Hij ziet hoe een samenleving verandert, de machtsverhoudingen verschuiven, en traditionele rechten en vrijheden voor de minderheid waartoe hij behoort, met behulp van sofistische argumentaties worden bedreigd. Die nieuwe, seculier-liberale cultuur eist volgens Van Deursen niet alleen passieve onderwerping maar ook, het voorbeeld van de gewetensbezwaarde ambtenaar maakt dat duidelijk, actieve medewerking van iedereen. Het recht beschermt de zwakke niet langer tegen de sterke. En dat is nu precies het kenmerk van een totalitair regime (‘Iets over de tweede helft van de twintigste eeuw’, Nexus 24 [1999] 125-140). Het wezenlijke kwaad van zo’n regime is de vernietiging van de geestelijke vrijheid. Want voor deze nieuwe cultuur is het christendom niet alleen iets wat er niet meer toe doet (zoals de groep van 50-plussers) of een kansloos alternatief, maar ook de vijand die moet worden overwonnen, zoals de ex-rokers wraak op hun eigen verleden hebben genomen met de vreugdevolle uitstoting van hardnekkige door-rokers uit het publieke domein.

Die constatering kan een enkele vileine formulering in de pen geven. Maar rancuneus is Van Deursen niet geworden. Wie veel te mopperen heeft, zal vroeg of laat de neiging tot een zekere verongelijktheid in zichzelf vaststellen. Er is dan zelfrelativering en humor nodig om die verleiding te weerstaan. Gelukkig bezat Van Deursen beide deugden in hoge mate.