In het Trippenhuis, aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam, belegt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen vandaag een congres over het 'populisme'. Ik zal daar een korte lezing geven en daarin iedereen uitnodigen om het populisme niet als een excuus of schaamlap voor het eigen falen te gebruiken, maar het te zien als een kritische vraag aan onszelf.
In de Trouw van afgelopen zaterdag - bijlage Letter&Geest - hebben Amanda Kluveld en ik een lang artikel over dit onderwerp gepubliceerd. Hieronder volgt de tekst van dat artikel:
Populisme is in toenemende mate onderwerp van beschouwing. Voormalig CDA-ideoloog Anton Zijderveld wijdde er het essay 'Populisme als politiek drijfzand' aan en zegde vervolgens zijn partijlidmaatschap op omdat het CDA de populistische PVV niet bij voorbaat wilde uitsluiten van een regeringscoalitie. De Amsterdamse Balie belegde vorige maand de bijeenkomst 'Verlicht populisme', waar minister van wonen, werken en integratie Eberhard van der Laan en ex-LPF-Kamerlid Joost Eerdmans met elkaar in debat gingen over het boek 'Diploma Democracy' van Mark Bovens en Anchrit Wille. En deze maand bogen in Leiden historici zich over de kwestie tijdens het congres 'Populisme in de polder'.
Wat opviel in Leiden, vooral in de beschouwingen over het hedendaagse niet-linkse populisme, was dat het verschijnsel overwegend negatief werd geduid en zelfs geridiculiseerd. Kort gezegd komt het erop neer dat de politieke, culturele en intellectuele elite van Nederland - dat wil zeggen, de mensen die zich in het publieke en politieke debat mengen, zichzelf tot de weldenkenden rekenen en doorgaans bij conferenties over populisme aanwezig zijn - van mening is dat we hier te maken hebben met een moeilijk te definiëren, maar voor iedereen toch min of meer gemakkelijk als 'fout' te herkennen politieke stijl, en met een volgens sommigen zelfs gevaarlijke ideologie.
Een van ons werd tijdens het congres in Leiden door iemand uit het publiek gekenschetst als "een populist naar inhoud maar niet naar stijl". Deze diskwalificatie - de opmerking was niet als compliment bedoeld - is typerend voor de wijze waarop de elite zich afmaakt van de problemen op het gebied van integratie, islamisering en het gebrek aan politieke daadkracht die (echte of vermeende) populisten constateren en willen agenderen. Het zijn in haar ogen kwesties die populisten zélf uit het niets hebben gecreëerd om het volk aan zich te binden. Vooral in de voordracht van historicus Koen Vossen was bitter weinig ruimte voor de erkenning dat het hier mogelijk om reëel bestaande problemen gaat. Met andere woorden: Wilders zuigt die 'tsunami' van islamisering uit zijn kwaadwillige duim. En Fortuyn, Verdonk en EénNL constateerden ten onrechte dat er in ons land sprake is van een multicultureel weg-met-ons-denken, zodat de nationalistische trots die zij daar tegenover willen stellen belachelijk en verwerpelijk is.
Als de populist rancuneus is, zoals in Leiden meerdere malen werd geconstateerd, dan is de elite beslist zelfgenoegzaam. Zo zelfgenoegzaam dat zij zelfs niet in staat is de grote problemen waarmee onze samenleving kampt onder ogen te zien. Zij zal dus voor die problemen geen werkelijke verantwoordelijkheid willen nemen of er een zinnige visie op ontwikkelen. Daarvoor is zij te druk met, zoals Zijderveld in zijn essay deed, het moreel diskwalificeren van het populisme, waarvan doorgaans gezegd wordt dat het geen oplossingen biedt en alleen maar inspeelt op onderbuikgevoelens. Op deze manier komt er geen inhoudelijk antwoord op de uitdagingen van het populisme en de correcties waartoe het de gevestigde politiek dwingt.
Onze stelling luidt dat de houding van de zelfgenoegzame elite en het negeren van nijpende problemen dat met die zelfgenoegzame houding samenhangt, een groot gevaar vormen voor onze democratie. Zeker bezien in het licht van de opkomst van de islam, het multicultureel-links politieke complex en het daaruit voortkomende jammerlijk falende Nederlandse integratiebeleid.
Wij leven in een democratie met als hoogste politieke orgaan een parlement, de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, waar door het volk gekozen politici onze zaken behartigen, de regering controleren en bij meerderheid van stemmen over ja en nee, goed en fout beslissen. Wij kiezen en kunnen worden gekozen, onze stem is beslissend. Wij, het volk, regeren. Tegelijkertijd zijn er volgens sommigen aanwijzingen dat onze democratische rechtsstaat tekenen van verval vertoont. In 'Tegen de decadentie' (2004) wees de Leidse hoogleraar Paul Cliteur bijvoorbeeld op de bedreiging van de vrijheid van meningsuiting, op misverstanden over de 'rechterlijke onafhankelijkheid' en op de preoccupatie met rechten waardoor politici stelselmatig veel te hoge verwachtingen wekken bij de bevolking.
Verontrustender is misschien nog wel de kritiek van de vroegere adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, H. J. Schoo (1945-2007), die van mening was dat Nederland sinds de ontzuiling niet langer over een stabiel politiek systeem beschikt. De politieke elite heeft geen binding meer met een herkenbare achterban, is vervreemd geraakt van de levens en opvattingen van de kiezers en denkt tegelijk voor het eigen bestwil van die kiezers te handelen. Die kinderlijke behandeling was 'de broedstoof' voor 'de revolte der burgers' die in 2002 uitbrak.
De constateringen van Cliteur en Schoo zijn belangrijk, maar tegelijkertijd kunnen we ons afvragen of deze verschijnselen (het verval van de democratische rechtsstaat) de oorzaak van de huidige politieke malheur zijn, of dat het symptomen zijn van dieperliggende (culturele) verschijnselen.
In de klassieke interpretatie van 'democratie' moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan voordat er van democratie sprake kan zijn. Wanneer die voorwaarden ontbreken, is er geen sprake van een democratie maar van een ochlocratie, regeert niet het volk maar de massa, leven wij niet in een democratische orde maar in een staat van anarchie waarin de massa, vroeg of laat, om een Grote Leider gaat roepen om de chaos te beteugelen en de orde te herstellen.
Wanneer wij het over de 'klassieke interpretatie' hebben, dan bedoelen we dat zo letterlijk mogelijk. In de geschriften van Griekse denkers en schrijvers als Thucydides, Plato, Aristoteles, Isocrates en Polybius komen we beschouwingen tegen over de overgang van democratie (regering door het volk) naar iets dat soms anarchie heet, soms ochlocratie (de regering door de massa), en soms zelfs cheirocratie, de heerschappij van de vuist, oftewel het vuistrecht. In die overgangsfase verandert de sociale, morele en institutionele huishouding van een samenleving zodanig dat een gezond politiek systeem (democratie) plaatsmaakt voor een gevaarlijke fase van chaos en anarchie waarin de tirannieke verleiding levensgroot op de loer ligt.
Wanneer we de verschijnselen die deze overgang kenmerken op een rijtje zetten, dan komen we tot de volgende opsomming. In een democratie worden bepaalde tradities in ere gehouden, in een ochlocratie niet meer. "Alleen daar waar het als traditie geldt de goden te vrezen, de ouders te eren, oudere mensen te respecteren en de wetten te gehoorzamen, wanneer onder z˙lke voorwaarden de wil van de meerderheid beslist, mag men van democratie spreken", schrijft Polybius. In een democratie is een geheel ander vrijheidsbegrip in zwang dan in een ochlocratie.
In een gezonde democratie wordt vrijheid gedefinieerd als het recht om te doen wat je behoort te doen. In een ochlocratie is vrijheid niet meer dan de eis om te kunnen doen en te kunnen zeggen wat je wilt doen of zeggen omdat je dat leuk en lekker vindt en daarom ook goed. Vanuit het perspectief van een gezonde democratie is het vrijheidsbegrip in een ochlocratie ontaard in vrijblijvendheid en vrijpostigheid, wetteloosheid, ongebondenheid, onverantwoordelijkheid. In een ochlocratie verandert het taalgebruik: deugden worden ondeugden, ondeugden deugden. Wat normaal is, krijgt in een ochlocratie een nieuwe, depreciërende benaming. Wat gewoonlijk 'overmoedig' heet, heet in een ochlocratie 'dapper'; wat normaal 'prudent' is, wordt ineens 'laf'. De schaamte wordt een "stommeling die moet worden verbannen". Wie onbeschaamd is, heet moedig. Wie zichzelf beheerst, is een lafaard. Geen maat kunnen houden, is het echte leven. Anarchie wordt vrijheid zonder meer.
In de chaos die ontstaat door deze herwaardering van alle waarden, staan politici op die zich als sterke man presenteren en die met voorbijzien aan bestaande wetten de orde zullen herstellen. Wat voor soort man is dat? Zo'n man is de verongelijkte, want voorheen buitengeslotene. Klassieke vrijheden en gelijke rechten zijn voor hem niet zo belangrijk meer als zij in de voorafgaande periode van de democratie waren. Bij Polybius heet hij ambitieus en onverschrokken, iemand die uitgesloten is geweest van eervolle functies in de politiek en die het volk misleidt en door het volk wordt gebruikt om een alleenheerschappij te vestigen. Want uiteindelijk is ochlocratie dan wel anarchie niet meer dan een tussenfase in de eeuwige cyclus van regeringsvormen, in dit geval tussen de regeringsvorm van de democratie en de alleenheerschappij die (op haar beurt) weer in despotie en tirannie ontaardt.
Het staat natuurlijk iedereen vrij zich hardop af te vragen waarom wij ons iets gelegen zouden moeten laten liggen aan de opvattingen van politiek filosofen die al zo'n 2500 jaar dood zijn. Maar wie de afgelopen jaren de Nederlandse politiek heeft gevolgd en daarna kennis neemt van deze klassieke theorie, moet haast wel geraakt worden door de frappante overeenkomsten.
Op de morele en sociale anarchie die het gevolg is van de verkruimeling van ons culturele fundament - door sommigen verdedigd als de grote verworvenheden van 1968 - hebben de grote constituerende partijen van de Nederlandse politiek (CDA, PvdA, VVD) geen antwoord. Dat is om meerdere redenen logisch.
In de eerste plaats omdat een ochlocratie de regering van de massamens is, en de massamens is de gemiddelde mens. Ook de leden van onze elite behoren tot die categorie en vormen daarom in feite geen elite.
In de tweede plaats valt de periode van morele en sociale anarchie in Nederland uitgerekend samen met een periode van immigratie en van de integratie van (vooral islamitische) nieuwkomers. Dat is een grote culturele kwestie waarvoor de leiders van de traditionele politieke partijen niet zijn opgeleid. Die kunnen heel goed met elkaar om de tafel zitten om hier een procentje te plussen en daar wat te minnen ten einde de inkomensplaatjes rond te krijgen. Maar zij zijn niet de virtuozen die een visie op cultuur en identiteit verwoorden. Bovendien zijn hun partijen ontstaan op grond van een fundamentele overeenstemming over heel andere zaken; een interne discussie over immigratie en integratie zal alleen maar tot verdeeldheid leiden. Dat was bij de VVD en de PvdA en recentelijk ook bij het CDA al te zien. Om scheuringen te voorkomen, wordt er gezwegen, en zo lopen de spanningen op.
Een derde reden is dat leden van de gevestigde politieke partijen zich aangetrokken voelen tot de door orthodoxe islamieten uitgedragen boodschap der onbegrepenen en verdrukten, die inspeelt op koloniaal schuldgevoel en het trauma van de Bezetting.
Het falen, kortom, van de politieke elite heeft een reactie opgeroepen - de grofgebekte, verbeten en machteloze reactie van het populisme. En in plaats dat de elite daarvan leert en er een antwoord op formuleert, wuift ze die reactie en daarmee het eigen falen hautain weg. Het camoufleert het eigen falen met moreel correcte praatjes.
Als het hierbij bleef, zou dat al erg genoeg zijn, maar er is meer aan de hand. In toenemende mate kiezen politieke partijen ervoor om zoveel mogelijk verantwoordelijkheden af te schuiven en culturele verworvenheden in te leveren. Het college van Rotterdam koos ervoor om de Zwitsers-Egyptische islamprediker Tariq Ramadan, kleinzoon van Hassan Al-Banna, stichter van de Moslimbroederschap in Egypte, in te huren als adviseur van de gemeente op het gebied van burgerschap, voor het voeren van de sociale stadsdialoog en als bruggenbouwer tussen allochtonen en autochtonen. Voor Ramadan werd ook een gasthoogleraarschap aan de Erasmus Universiteit bekostigd.
Nadat Ramadans (internationaal lang en breed bekende) vijandige uitspraken over homo's en vrouwen door de Gay Krant onder de aandacht waren gebracht en uit een door Leefbaar Rotterdam overhandigd filmpje bleek dat hij in het openbaar had gebeden voor de islamitische martelaren in Palestina, Tsjetsjenië, Afghanistan, Marokko, Algerije, Tunesië, Egypte, Soedan en Kasjmir, voor de overwinning van de Palestijnen op de vijand van het geloof en voor het zegevieren van de islam, reageerden alle coalitiepartijen (GroenLinks, PvdA, CDA en aanvankelijk VVD) alsof er niets aan de hand was. Ze lazen in de uitspraken en teksten van Ramadan vooral respect en dat was voldoende.
Er kwam een onderzoek en daaruit bleek volgens wethouder Rik Grashoff (GroenLinks) dat de uitspraken van Ramadan verkeerd vertaald waren en uit hun context gehaald. Grashoff liegt, constateerde journalist Max Pam in Binnenlands Bestuur toen hij de vertalingen met elkaar vergeleek. En zo is het.
Maar waarom? Omdat de politieke elite van de stadstaat Rotterdam de verantwoordelijkheid voor integratie en burgerschap - belangrijke zaken in iedere gezonde democratie en daarom direct verbonden aan het in stand houden van onze cultuur en vrijheden - het liefst uit handen geeft. Daar wil Rotterdam graag gemeenschapsgeld aan besteden. De Rotterdamse burger betaalde niet alleen meer dan anderhalf miljoen euro voor Ramadan maar ook voor de aparte zitplaatsen voor orthodoxe moslima's in Theater Zuidplein dat door de gemeente wordt gesubsidieerd.
Ook in de stadstaat Utrecht maakte het college een knieval voor islamitische wensen door het subsidiëren van voor mannen en vrouwen gescheiden doorverwijsloketten bij een moskee in Overvecht waar gemeentelijke informatie te verkrijgen is.
In de stadstaat Amsterdam vond vorige week zaterdag in de Apollohal het Nationaal Islam Congres plaats. Daar bogen orthodoxe moslims zich onder het mom van kennisoverdracht en academische studie over de invoering van de sharia in ons land, prezen ze de superioriteit van de islam en leefden ze zich uit in het ridiculiseren van andersgelovigen, Angela Merkel, homoseksuelen, de westerse democratie en de westerse vrijheden. De boodschap was duidelijk: de islam is niet voor niets in het Westen neergestreken, de islam zal hier de macht krijgen.
Dat zou best zo kunnen zijn, gezien de passieve houding van de eerder genoemde gevestigde politiek tegenover de islam.
De Apollohal is eigendom van de gemeente Amsterdam en staat onder het beheer van stadsdeel Oud-Zuid. Amsterdam faciliteert de fundamentalistische islam door dit gebouw aan het Nationaal Islam Congres te verhuren. Bestuurders met een visie op de verdediging van onze cultuur en identiteit zouden dat nooit laten gebeuren.
Maar wie zoiets durft te zeggen is volgens het politieke midden op z'n minst een populist, extreem-rechts of allebei. Het zij zo. Alleen lossen dergelijke diskwalificaties het echte probleem niet op: de middelmatigheid en visieloosheid van het zo keurige politieke midden.
De middelmaat van het centrum en het vigerende populisme kunnen alleen worden bestreden door een nieuwe elite die weer durft te moraliseren en het niet laat bij zelfgenoegzaam diskwalificeren. Want zoveel is wel duidelijk als we de klassieke analyse van ons huidige politieke klimaat serieus nemen: deze crisis is niet met wat politieke maatregelen en met wat geschuif in de diverse begrotingen op te lossen. Het gaat hier om een kwestie die Frits Bolkestein - het type politicus dat we meer dan ooit nodig hebben - begin jaren negentig als een van de eersten heeft benoemd: het belang om het culturele fundament onder de democratische rechtsstaat en de vrije markt te bewaren, het belang van de "deugdzaamheid die het voortbestaan van die vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid moet garanderen". De verwerping van deze agenda door de VVD heeft het befaamde gat op rechts geschapen. We moeten dus weer moraliseren, schreef Bolkestein.
Niet, zo vinden wij, moralizeuren. Wij zien niets in politieke bemoeizucht met de persoonlijke levenssfeer. Maar politici moeten wel grote zaken aankaarten als de bescherming van onze cultuur, het tegengaan van de islamisering en de deugden van de burger. De eerder genoemde H.J. Schoo hield een pleidooi voor een terugkeer naar "authentiek, ongezouten moraliseren", want "bezield, verfijnd moraliseren is een teken van grote beschaving".
Uiteindelijk gaat het in samenleving en politiek om Selbstzwang, om 'in vrijheid ontwikkelde zelfbeheersing', om het willen nemen van verantwoordelijkheid, om het durven herkennen, benoemen en bestrijden van de vijand. Dit is de noodzakelijke basis voor goed burgerschap. Dat alleen kan de verwording van democratie tot ochlocratie voorkomen.
Showing posts with label Trouw. Show all posts
Showing posts with label Trouw. Show all posts
26.5.09
2.3.09
Ratten op de trap
Letter&Geest, de zaterdagse bijlage van het dagblad Trouw, publiceerde afgelopen zaterdag verschillende artikelen met persoonlijke 'crisisgedachten'. Ik schreef daarin onderstaand artikel.
Onverwacht had ik deze week een paar uur over, toen een bijeenkomst in mijn geboorteplaats Ridderkerk vroeger was afgelopen dan verwacht en een volgende afspraak nog even op zich liet wachten.
Ik ben toen wat gaan lopen, en die wandeling bracht mij in de straat waar mijn grootouders hebben gewoond en geleefd, een straat in Slikkerveer die uitkomt bij de hoge Ringdijk langs het drierivierenpunt van Lek, Noord en Nieuwe Maas, met zijn scheepswerven van Boele en De Groot en Van Vliet waar mijn grootvaders werkten, en met het pontje naar Krimpen. Aan de voet van de dijk staat de hervormde kerk, de Wilhelminakerk, gebouwd in de jaren dertig, waar ik ben gedoopt en waar God, volgens het oude doopformulier, ‘een eeuwig verbond der genade oprichtte om ons van alle goed te verzorgen en alle kwaad van ons te weren of ten onzen beste te keren’.
Toen ik daar langs liep, zag ik dat een vrijwilliger de bladeren op het kerkplein stond aan te vegen. En toen ik dichterbij kwam, herkende ik in deze man een oom van me, oom Piet van Beek uit het naburige Bolnes. We maakten een praatje, en de sentimental mood waarin ik toch al verkeerde, veranderde in een heuse sentimental journey toen we herinneringen gingen ophalen aan hoe het hier vroeger was geweest. Veel mooier eigenlijk nog, herinnerde ik mij.
Mijn oom liet mij de kerk van binnen zien, inclusief het doopvont, en toonde me in de hal een schilderij van kerk en omgeving uit 1958. De kerk werd toen nog omringd door weiland, en niet, zoals nu, door niet al te fraaie nieuwbouw en een benzinestation iets verder op. Het prachtige pontje heeft plaats gemaakt voor de gelikte Fast Ferry naar Rotterdam en Dordrecht.
Maar ik moest mij niet vergissen, zei mijn oom. Achter langs de rij huizen waar mijn grootouders hadden gewoond, had een slootje gelopen. Je moest over een plank over die sloot heen om bij het tuinschuurtje te komen. In dat slootje kwamen de riolen uit, en het wemelde er dan ook van de ratten.
Toen herinnerde ik mij ook weer de verhalen van mijn moeder over haar broers die haar vroeger bang hadden gemaakt door op de kale houten trap de geluiden van naar boven lopende ratten na te doen. En ik herinnerde mij ook weer dat het in die huizen niet alleen erg gezellig was geweest maar dat die huizen vooral erg klein waren geweest, met op de eerste verdieping alleen maar een open zolder, en hoe het altijd naar petroleum had gestonken in het keukentje, met in de hoek de wc.
De generatie van mijn ouders was die verhoudingen ontgroeid. Het jaar waarin mijn ouders trouwden was het jaar van de eerste loongolf. Zoals mijn ooms in de avonduren de HTS hadden gedaan, had mijn vader aan de kunstacademie in Rotterdam gestudeerd. Hij werkte ook bij Boele, maar op kantoor, en tekende later huizen en bibliotheken en liep in de bouw als uitvoerder van deze projecten. Mijn ouders woonden na hun huwelijk in een nieuwe maisonnette, en foto’s uit die tijd stralen geluk en optimisme uit. Mijn moeder kleedde zich als Jackie Kennedy, en als jongetje vond ik ook dat ze erg op haar leek.
Dit soort verhalen vertellen alle jongens uit mijn vriendenkring. Als de generatie van mijn ouders het al minder goed kreeg, dan was dat vaak een keuze. Een van de jongens vertelt vaak hoe z’n vader weg liep toen hij zelf zeventien was, en dat het enige tijd duurde voordat z’n moeder een bijstandsuitkering had gekregen. Ze hadden zich onder andere door die tijd heen geslagen door aardappels te rapen die na het oogsten op het veld waren blijven liggen. Maar hij vertelt het altijd met bijna iets van nostalgie in zijn stem. Net als wij heeft hij gestudeerd, en een huis gekocht dat hem als vanzelf rijk maakte.
We zijn nu 20 procent armer, en sommige van onze opdrachtgevers hebben 40 procent van hun vermogen én van hun budget verloren. En overal om ons heen zien we de recessie klappen uitdelen, en dreigt de geur van de nette armoe – die wij zelf nog nooit hebben geroken - zich in de kleren te gaan nestelen.
Maar iedere crisis is ook een kans. Jaren geleden, tijdens de bloedwarme zomer van 2003, leidde een verzakking van de ringdijk van de polder Groot-Mijdrecht tot een kadedoorbraak die de meeste huizen in het Utrechtse dorpje Wilnis blank zette. Toen gingen de bewoners van die huizen elkaar ineens helpen - tot hun eigen verrassing, want wie hun buren waren en hoe ze heetten hadden ze tot dan nauwelijks geweten. Shock & awe kan ook heilzaam zijn.
Als deze crisis ertoe leidt dat de hoogmoed en de gemakzucht van de afgelopen decennia omslaat in soberheid en bescheidenheid, dan is zij toch zo maar ‘ten onzen beste’ gekeerd.
Onverwacht had ik deze week een paar uur over, toen een bijeenkomst in mijn geboorteplaats Ridderkerk vroeger was afgelopen dan verwacht en een volgende afspraak nog even op zich liet wachten.
Ik ben toen wat gaan lopen, en die wandeling bracht mij in de straat waar mijn grootouders hebben gewoond en geleefd, een straat in Slikkerveer die uitkomt bij de hoge Ringdijk langs het drierivierenpunt van Lek, Noord en Nieuwe Maas, met zijn scheepswerven van Boele en De Groot en Van Vliet waar mijn grootvaders werkten, en met het pontje naar Krimpen. Aan de voet van de dijk staat de hervormde kerk, de Wilhelminakerk, gebouwd in de jaren dertig, waar ik ben gedoopt en waar God, volgens het oude doopformulier, ‘een eeuwig verbond der genade oprichtte om ons van alle goed te verzorgen en alle kwaad van ons te weren of ten onzen beste te keren’.
Toen ik daar langs liep, zag ik dat een vrijwilliger de bladeren op het kerkplein stond aan te vegen. En toen ik dichterbij kwam, herkende ik in deze man een oom van me, oom Piet van Beek uit het naburige Bolnes. We maakten een praatje, en de sentimental mood waarin ik toch al verkeerde, veranderde in een heuse sentimental journey toen we herinneringen gingen ophalen aan hoe het hier vroeger was geweest. Veel mooier eigenlijk nog, herinnerde ik mij.
Mijn oom liet mij de kerk van binnen zien, inclusief het doopvont, en toonde me in de hal een schilderij van kerk en omgeving uit 1958. De kerk werd toen nog omringd door weiland, en niet, zoals nu, door niet al te fraaie nieuwbouw en een benzinestation iets verder op. Het prachtige pontje heeft plaats gemaakt voor de gelikte Fast Ferry naar Rotterdam en Dordrecht.
Maar ik moest mij niet vergissen, zei mijn oom. Achter langs de rij huizen waar mijn grootouders hadden gewoond, had een slootje gelopen. Je moest over een plank over die sloot heen om bij het tuinschuurtje te komen. In dat slootje kwamen de riolen uit, en het wemelde er dan ook van de ratten.
Toen herinnerde ik mij ook weer de verhalen van mijn moeder over haar broers die haar vroeger bang hadden gemaakt door op de kale houten trap de geluiden van naar boven lopende ratten na te doen. En ik herinnerde mij ook weer dat het in die huizen niet alleen erg gezellig was geweest maar dat die huizen vooral erg klein waren geweest, met op de eerste verdieping alleen maar een open zolder, en hoe het altijd naar petroleum had gestonken in het keukentje, met in de hoek de wc.
De generatie van mijn ouders was die verhoudingen ontgroeid. Het jaar waarin mijn ouders trouwden was het jaar van de eerste loongolf. Zoals mijn ooms in de avonduren de HTS hadden gedaan, had mijn vader aan de kunstacademie in Rotterdam gestudeerd. Hij werkte ook bij Boele, maar op kantoor, en tekende later huizen en bibliotheken en liep in de bouw als uitvoerder van deze projecten. Mijn ouders woonden na hun huwelijk in een nieuwe maisonnette, en foto’s uit die tijd stralen geluk en optimisme uit. Mijn moeder kleedde zich als Jackie Kennedy, en als jongetje vond ik ook dat ze erg op haar leek.
Dit soort verhalen vertellen alle jongens uit mijn vriendenkring. Als de generatie van mijn ouders het al minder goed kreeg, dan was dat vaak een keuze. Een van de jongens vertelt vaak hoe z’n vader weg liep toen hij zelf zeventien was, en dat het enige tijd duurde voordat z’n moeder een bijstandsuitkering had gekregen. Ze hadden zich onder andere door die tijd heen geslagen door aardappels te rapen die na het oogsten op het veld waren blijven liggen. Maar hij vertelt het altijd met bijna iets van nostalgie in zijn stem. Net als wij heeft hij gestudeerd, en een huis gekocht dat hem als vanzelf rijk maakte.
We zijn nu 20 procent armer, en sommige van onze opdrachtgevers hebben 40 procent van hun vermogen én van hun budget verloren. En overal om ons heen zien we de recessie klappen uitdelen, en dreigt de geur van de nette armoe – die wij zelf nog nooit hebben geroken - zich in de kleren te gaan nestelen.
Maar iedere crisis is ook een kans. Jaren geleden, tijdens de bloedwarme zomer van 2003, leidde een verzakking van de ringdijk van de polder Groot-Mijdrecht tot een kadedoorbraak die de meeste huizen in het Utrechtse dorpje Wilnis blank zette. Toen gingen de bewoners van die huizen elkaar ineens helpen - tot hun eigen verrassing, want wie hun buren waren en hoe ze heetten hadden ze tot dan nauwelijks geweten. Shock & awe kan ook heilzaam zijn.
Als deze crisis ertoe leidt dat de hoogmoed en de gemakzucht van de afgelopen decennia omslaat in soberheid en bescheidenheid, dan is zij toch zo maar ‘ten onzen beste’ gekeerd.
4.2.09
Horen goden in de politiek?
In de Trouw van vandaag staat een nieuwe aflevering van het filosofisch elftal. Met Ger Groot ga ik daar in discussie over de nieuwe behoefte aan helden in de politiek.
Rond de eeuwwisseling werd ‘het eind van de ironie’ afgekondigd. Bijna tien jaar later, met Barack Obama in het Witte Huis, verlangen we naar onvervalste helden. Waar moet een held aan voldoen?
De Amerikaanse president Barack Obama plaatst zichzelf zonder enige relativering in de lijn van grote historische figuren zoals Washington en Lincoln. Hij schaamt zich er niet voor, en hij wordt er evenmin op aangevallen.
Volgens Ger Groot is dit tekenend voor onze behoefte aan ‘morele helden’. ,,Tot voor kort hielden we ons het liefst bezig met het ironiseren en het deconstrueren van helden. We toonden bij voorkeur de achterkant van het heldendom, alles wat ook maar het aanschijn had ‘hoog en edel’ te zijn, moest naar beneden worden gehaald, ontmaskerd en geridiculiseerd. Dat is voorbij.
We spreken onze bewondering uit en spiegelen ons aan ‘helden van de geest’, zoals Calvijn. Grote historische figuren zoals hij en zelfs heiligen – ‘helden des geloofs’ – staan weer volop in de belangstelling.”
De hang naar helden past volgens groot bij ‘onze staat van morele herbewapening’. ,,Die is al langer aan de gang, maar de huidige economische crisis werkt er zeker niet remmend op. Al in het jaar 2000 kondigde de Amerikaanse schrijver Dave Eggers ‘het einde van de ironie’ af. Nu ontvouwt zich de apotheose van die tendens: de terugkeer van het heldendom.”
Bart Jan Spruyt beaamt deze observatie: ,,Ook in Nederland hebben we behoefte aan het overwinnen van de verdeeldheid die heerst sinds de moord op Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh. Het harde, vileine, boosaardige debat over de Nederlandse identiteit en over de vermeende islamisering. Er is behoefte aan een nieuwe charismatische politicus, een groot talent, een virtuoos. Hij moet in staat zijn om in glasheldere taal tegenstellingen te overbruggen en een nieuw idee van Nederland te formuleren.
Veel Nederlanders hebben zoiets bij Pim Fortuyn ervaren. Bij Obama gebeurt het opnieuw. Maar bij ons keert intussen de middelmatigheid terug in de politiek. Het opportunisme bovendien, en als gevolg daarvan mogelijk het cynisme. Terwijl we daar juist klaar mee zijn: mensen hebben genoeg van de ‘Maarten van Rossem-benadering’: ‘het deugt niet, het kan niet, het zal nooit wat worden’.”
Waar moet een held eigenlijk aan voldoen? Groot: ,,Een held is iemand die uitzonderlijke, prijzenswaardige dingen doet. Hij verricht res gestae, heldendaden. Bij Homerus en in andere mythische vertellingen gaat het er niet zozeer om wie de held is, maar om wat hij doet.”
Spruyt: ,,Dat lijkt me iets wat Obama in zijn oren zou mogen knopen.”
Groot: ,,Inderdaad, zij het dat die daden meestal gewelddadig van aard waren. Simson, Hercules, Ajax, allemaal krachtpatsers. Odysseus, held van de tweede generatie, is een van de eersten die niet uitblinkt in kracht, maar in slimheid. Toch is hij beslist geen morele held. Hij gebruikt zijn intellect om anderen te bedriegen. Wij zouden hem maar een sjoemelaar vinden.
Onder invloed van het christendom wordt de held vervolgens een naar binnen gekeerd persoon. Heiligen gaan een soort heldenrol vervullen. Antonius (vierde eeuw na Christus) verslaat bijvoorbeeld als een held de demonen die hem belagen. In de Middeleeuwen duiken nog wel wat ouderwetse mannetjesputters op, bijvoorbeeld in de diepste lagen van de Arthur-sage. Maar ook daarin is vanaf de twaalfde, dertiende eeuw een grotere verfijning zichtbaar. De helden krijgen betere omgangsvormen, ten aanzien van de dames en zo.
Een belangrijk nieuw element van het heldendom was de zelfbeheersing. Een van de beproevingen van de held in de hoofse literatuur is dat hij zijn vrouw – van wie hij welhaast de halfzachte slaaf is geworden – wel mag zien, maar niet mag aanraken.
Gaandeweg ontstaat dan het beeld van de geestelijke held. Dat beeld wordt steeds moreler en het mondt uit in de ‘ridder zonder vrees of blaam’. Obama lijkt waarschijnlijk het meest op dit laatste type. Hij is iemand die op een volstrekt geïdealiseerde wijze het goede belichaamt. Momenteel is er geen ondeugd op hem van toepassing. Hij is in alle opzichten de voortreffelijkheid in persoon, heilige en held ineen. Een bovenmenselijk perspectief.”
Spruyt: ,,Dat klopt en dat is een zeer zorgelijk en onwenselijk gegeven. De adorerende verdwazing die nog steeds rond de persoon van Obama hangt, hoort niet thuis in de politieke arena. Het is geen probleem als mensen een muzikant of sporter adoreren, maar als een politicus verafgood wordt, is dat riskant en beangstigend.
Obama heeft zijn heldendom te danken aan zijn kleurloosheid, zoals meer populaire helden. Hij is een man zonder identiteit en karakter; hij is niet zwart en niet wit, niet christelijk en niet niet-christelijk. Hij is een leeg vel papier en hij sprak tot nu toe uitsluitend in poëtische taal over hoop en verandering, zodat bijna iedereen dat blad met de meest uiteenlopende verwachtingen vol kon tekenen. Maar een nieuwe president kan onmogelijk de economische crisis, de conflicten in het Midden-Oosten én het klimaatvraagstuk oplossen. Dat suggereert hij wel en dat is vragen om ellende en teleurstelling.”
De invulling van ‘heldendom’ kan soms per regio verschillen. Premier Erdogan van Turkije werd vorige week als een held onthaald in zijn eigen land, nadat hij op een conferentie in Davos de Israëlische president Peres een uitbrander had gegeven over Gaza.
Groot: ,,In de ogen van zijn aanhangers was Erdogan een held omdat hij als David tegen Goliath was opgestaan, de gangbare manier waarop de Arabische wereld de verhouding tussen Israël en haar buurlanden omschrijft. Een merkwaardige omkering van zaken.”
Spruyt: ,,Erdogan wist: als ik in deze setting mijn tegenstander verbaal tuchtig en daarna boos wegloop, maak ik me heel populair bij een groot deel van mijn bevolking en in de Arabische wereld. Terwijl echt heldendom het tegendeel is van populisme: vastberaden de moeilijke, lange weg gaan in plaats van snel en makkelijk scoren. Als hij gezegd had dat hij begrip had voor de Israëlische zelfverdediging, dan was hij een held geweest.”
Groot: ,,Iemand die bereid is om te praten met de vijand – dat is in hedendaagse termen pas echt heldhaftig. De moderne held moet ook altijd zichzelf overwinnen.
Ofwel de angst voor het feit dat de ander sterker is, ofwel: hij moet zijn eigen superieure fysieke kracht overwinnen door die niet in te zetten.”
Rond de eeuwwisseling werd ‘het eind van de ironie’ afgekondigd. Bijna tien jaar later, met Barack Obama in het Witte Huis, verlangen we naar onvervalste helden. Waar moet een held aan voldoen?
De Amerikaanse president Barack Obama plaatst zichzelf zonder enige relativering in de lijn van grote historische figuren zoals Washington en Lincoln. Hij schaamt zich er niet voor, en hij wordt er evenmin op aangevallen.
Volgens Ger Groot is dit tekenend voor onze behoefte aan ‘morele helden’. ,,Tot voor kort hielden we ons het liefst bezig met het ironiseren en het deconstrueren van helden. We toonden bij voorkeur de achterkant van het heldendom, alles wat ook maar het aanschijn had ‘hoog en edel’ te zijn, moest naar beneden worden gehaald, ontmaskerd en geridiculiseerd. Dat is voorbij.
We spreken onze bewondering uit en spiegelen ons aan ‘helden van de geest’, zoals Calvijn. Grote historische figuren zoals hij en zelfs heiligen – ‘helden des geloofs’ – staan weer volop in de belangstelling.”
De hang naar helden past volgens groot bij ‘onze staat van morele herbewapening’. ,,Die is al langer aan de gang, maar de huidige economische crisis werkt er zeker niet remmend op. Al in het jaar 2000 kondigde de Amerikaanse schrijver Dave Eggers ‘het einde van de ironie’ af. Nu ontvouwt zich de apotheose van die tendens: de terugkeer van het heldendom.”
Bart Jan Spruyt beaamt deze observatie: ,,Ook in Nederland hebben we behoefte aan het overwinnen van de verdeeldheid die heerst sinds de moord op Pim Fortuyn en de moord op Theo van Gogh. Het harde, vileine, boosaardige debat over de Nederlandse identiteit en over de vermeende islamisering. Er is behoefte aan een nieuwe charismatische politicus, een groot talent, een virtuoos. Hij moet in staat zijn om in glasheldere taal tegenstellingen te overbruggen en een nieuw idee van Nederland te formuleren.
Veel Nederlanders hebben zoiets bij Pim Fortuyn ervaren. Bij Obama gebeurt het opnieuw. Maar bij ons keert intussen de middelmatigheid terug in de politiek. Het opportunisme bovendien, en als gevolg daarvan mogelijk het cynisme. Terwijl we daar juist klaar mee zijn: mensen hebben genoeg van de ‘Maarten van Rossem-benadering’: ‘het deugt niet, het kan niet, het zal nooit wat worden’.”
Waar moet een held eigenlijk aan voldoen? Groot: ,,Een held is iemand die uitzonderlijke, prijzenswaardige dingen doet. Hij verricht res gestae, heldendaden. Bij Homerus en in andere mythische vertellingen gaat het er niet zozeer om wie de held is, maar om wat hij doet.”
Spruyt: ,,Dat lijkt me iets wat Obama in zijn oren zou mogen knopen.”
Groot: ,,Inderdaad, zij het dat die daden meestal gewelddadig van aard waren. Simson, Hercules, Ajax, allemaal krachtpatsers. Odysseus, held van de tweede generatie, is een van de eersten die niet uitblinkt in kracht, maar in slimheid. Toch is hij beslist geen morele held. Hij gebruikt zijn intellect om anderen te bedriegen. Wij zouden hem maar een sjoemelaar vinden.
Onder invloed van het christendom wordt de held vervolgens een naar binnen gekeerd persoon. Heiligen gaan een soort heldenrol vervullen. Antonius (vierde eeuw na Christus) verslaat bijvoorbeeld als een held de demonen die hem belagen. In de Middeleeuwen duiken nog wel wat ouderwetse mannetjesputters op, bijvoorbeeld in de diepste lagen van de Arthur-sage. Maar ook daarin is vanaf de twaalfde, dertiende eeuw een grotere verfijning zichtbaar. De helden krijgen betere omgangsvormen, ten aanzien van de dames en zo.
Een belangrijk nieuw element van het heldendom was de zelfbeheersing. Een van de beproevingen van de held in de hoofse literatuur is dat hij zijn vrouw – van wie hij welhaast de halfzachte slaaf is geworden – wel mag zien, maar niet mag aanraken.
Gaandeweg ontstaat dan het beeld van de geestelijke held. Dat beeld wordt steeds moreler en het mondt uit in de ‘ridder zonder vrees of blaam’. Obama lijkt waarschijnlijk het meest op dit laatste type. Hij is iemand die op een volstrekt geïdealiseerde wijze het goede belichaamt. Momenteel is er geen ondeugd op hem van toepassing. Hij is in alle opzichten de voortreffelijkheid in persoon, heilige en held ineen. Een bovenmenselijk perspectief.”
Spruyt: ,,Dat klopt en dat is een zeer zorgelijk en onwenselijk gegeven. De adorerende verdwazing die nog steeds rond de persoon van Obama hangt, hoort niet thuis in de politieke arena. Het is geen probleem als mensen een muzikant of sporter adoreren, maar als een politicus verafgood wordt, is dat riskant en beangstigend.
Obama heeft zijn heldendom te danken aan zijn kleurloosheid, zoals meer populaire helden. Hij is een man zonder identiteit en karakter; hij is niet zwart en niet wit, niet christelijk en niet niet-christelijk. Hij is een leeg vel papier en hij sprak tot nu toe uitsluitend in poëtische taal over hoop en verandering, zodat bijna iedereen dat blad met de meest uiteenlopende verwachtingen vol kon tekenen. Maar een nieuwe president kan onmogelijk de economische crisis, de conflicten in het Midden-Oosten én het klimaatvraagstuk oplossen. Dat suggereert hij wel en dat is vragen om ellende en teleurstelling.”
De invulling van ‘heldendom’ kan soms per regio verschillen. Premier Erdogan van Turkije werd vorige week als een held onthaald in zijn eigen land, nadat hij op een conferentie in Davos de Israëlische president Peres een uitbrander had gegeven over Gaza.
Groot: ,,In de ogen van zijn aanhangers was Erdogan een held omdat hij als David tegen Goliath was opgestaan, de gangbare manier waarop de Arabische wereld de verhouding tussen Israël en haar buurlanden omschrijft. Een merkwaardige omkering van zaken.”
Spruyt: ,,Erdogan wist: als ik in deze setting mijn tegenstander verbaal tuchtig en daarna boos wegloop, maak ik me heel populair bij een groot deel van mijn bevolking en in de Arabische wereld. Terwijl echt heldendom het tegendeel is van populisme: vastberaden de moeilijke, lange weg gaan in plaats van snel en makkelijk scoren. Als hij gezegd had dat hij begrip had voor de Israëlische zelfverdediging, dan was hij een held geweest.”
Groot: ,,Iemand die bereid is om te praten met de vijand – dat is in hedendaagse termen pas echt heldhaftig. De moderne held moet ook altijd zichzelf overwinnen.
Ofwel de angst voor het feit dat de ander sterker is, ofwel: hij moet zijn eigen superieure fysieke kracht overwinnen door die niet in te zetten.”
28.10.08
Onze broeders van de SGP
In de Trouw van vandaag heb ik onderstaand artikel gepubliceerd over belangrijke ontwikkelingen binnen de SGP. (De titel boven het stuk in Trouw ['Mannenbroeders niet meer Hollandse taliban'] is misleidend, omdat ik nooit van mening ben geweest dat de SGP de 'Hollandse taliban' waren.)
Twee jubilea zijn zo goed als onopgemerkt voorbijgegaan. De Staatkundig-Gereformeerde Partij vierde haar 90-jarig bestaan en haar politiek leider, Bas van der Vlies, mocht tegelijk gedenken dat hij al 10.000 dagen lid van de Tweede Kamer is.
Dat er maar zo weinig aandacht voor die twee gebeurtenissen is geweest, zullen de SGP’ers nauwelijks betreuren – als het ze al is opgevallen. Ze leven over het algemeen wat teruggetrokken en in het Reformatorisch Dagblad stond een interviewtje met Van der Vlies. En dan is het goed.
Het gebrek aan belangstelling bij de andere media is niet onbegrijpelijk. Van der Vlies is nu 27 jaar Kamerlid, en alhoewel dat opmerkelijk is in een tijd van jobhopping en kortlopende contracten, was de ARP’er Lodewijk Duymaer van Twist al eens ruim 44 jaar Kamerlid, Tilanus sr. (CHU) was het bijna 41 jaar en de liberaal Hendrik Goeman Borgesius was het 39 jaar.
Bovendien is de SGP in de ogen van velen een wat excentrieke partij, to put it mildly. Als oudste partij van het land heeft het twee opvattingen die voor de rest van Nederland onverteerbaar zijn.
In de eerste plaats menen SGP’ers dat mannen en vrouwen een geheel eigen rol in het leven hebben te spelen, en dat betekent dat vrouwen wel op de SGP mogen stemmen en er wel lid van mogen worden, maar de partij niet in enig politiek orgaan mogen vertegenwoordigen. Dat is discriminatie!, roept een enkele actiegroep, en het antwoord op de vraag of de SGP haar overheidssubsidie behoudt, is nog steeds onzeker.
Bovendien is de SGP een ‘theocratische’ partij. Dat wil zeggen dat ze graag zou zien dat de overheid en de kerk gezamenlijk het volksleven in christelijke banen zouden leiden. Ten tijde van de Republiek dachten velen er zo over en er zijn historici die menen dat dit ideaal hier of daar een jaar of wat gerealiseerd is. Erg populair is die opvatting nooit geweest en is die nooit geworden. Maar het betekende wel dat de SGP eigenlijk van mening was dat de vrijheid van godsdienst en van onderwijs anderen niet toe kwam.
Goed, met zulke standpunten is een goede pers niet bij voorbaat verzekerd. Maar daardoor is niet opgemerkt dat de partij vorige week, bij de viering van haar 90-jarig bestaan in een kaal wegrestaurant, een verrassende en belangrijke stap heeft gezet. In de eerste plaats heeft ze het woord ‘theocratie’ afgezworen. Dat riep na 11 september 2001 te veel misverstanden op. Waren de SGP’er niet onze eigen Taliban, die uiteindelijk de staat der Nederlanden volgens hun strikte religieuze opvattingen wilden inrichten?
Maar bovendien laten de SGP’ers het niet bij woorden alleen. Ze spreken ook met elkaar af dat ze de moderne, neutrale, democratisch geordende staat accepteren, en daarmee ook dat andere groepen dezelfde rechten op de vrijheid van godsdienst en onderwijs kunnen claimen. Je kunt die rechten niet voor jezelf opeisen, en van dat opeisen een van de belangrijkste activiteiten van je politieke leven maken, en ze anderen tegelijkertijd ontzeggen.
Het is een stap die de aartsvader van de christelijke politiek in Nederland, Groen van Prinsterer, 150 jaar geleden al heeft gezet, toen zulks nog opzienbarend was. En het lijkt bijna een belediging voor de lezer om er hier toch aandacht voor te vragen.
Ik doe dat toch omdat de ontwikkelingen binnen de SGP mij gewoon een beetje blij maken. Ik heb altijd gedacht dat de achterban van de partij – een paar honderdduizend mensen – het hart en bloed van de natie vormen. Als het erop aankomt, heb je ze hard nodig. Ik houd van die mensen.
Maar door die merkwaardige ideeën over vrouwen en staatsmodellen, had deze groep zich nodeloos van de rest van de samenleving geïsoleerd – of beter: hadden de leidinggevenden (want we hebben het hier nog over een echte zuil) al die gezagsgetrouwe mensen in een positie gemanoeuvreerd waarin al het talent en alle energie die erin schuil ging, al bij voorbaat kansloos en vruchteloos was. En gelooft u mij, er is daar veel talent en veel levenskracht. Maar het zat opgesloten en mocht er niet uit.
Wat we nu dus gaan zien is dat deze mensen niet meer eindeloos onder elkaar gaan zitten discussiëren over esoterische onderwerpen die alleen intern van schijnbaar belang zijn, maar dat ze vrij en vastberaden gaan meedoen aan relevante maatschappelijke discussies – op de voorwaarden zoals we die met elkaar hier in dit land hebben afgesproken en waaraan SGP’ers zelf, ondanks zichzelf, het nodige hebben bijgedragen.
Welkom in de strijd, mannenbroeders!
Twee jubilea zijn zo goed als onopgemerkt voorbijgegaan. De Staatkundig-Gereformeerde Partij vierde haar 90-jarig bestaan en haar politiek leider, Bas van der Vlies, mocht tegelijk gedenken dat hij al 10.000 dagen lid van de Tweede Kamer is.
Dat er maar zo weinig aandacht voor die twee gebeurtenissen is geweest, zullen de SGP’ers nauwelijks betreuren – als het ze al is opgevallen. Ze leven over het algemeen wat teruggetrokken en in het Reformatorisch Dagblad stond een interviewtje met Van der Vlies. En dan is het goed.
Het gebrek aan belangstelling bij de andere media is niet onbegrijpelijk. Van der Vlies is nu 27 jaar Kamerlid, en alhoewel dat opmerkelijk is in een tijd van jobhopping en kortlopende contracten, was de ARP’er Lodewijk Duymaer van Twist al eens ruim 44 jaar Kamerlid, Tilanus sr. (CHU) was het bijna 41 jaar en de liberaal Hendrik Goeman Borgesius was het 39 jaar.
Bovendien is de SGP in de ogen van velen een wat excentrieke partij, to put it mildly. Als oudste partij van het land heeft het twee opvattingen die voor de rest van Nederland onverteerbaar zijn.
In de eerste plaats menen SGP’ers dat mannen en vrouwen een geheel eigen rol in het leven hebben te spelen, en dat betekent dat vrouwen wel op de SGP mogen stemmen en er wel lid van mogen worden, maar de partij niet in enig politiek orgaan mogen vertegenwoordigen. Dat is discriminatie!, roept een enkele actiegroep, en het antwoord op de vraag of de SGP haar overheidssubsidie behoudt, is nog steeds onzeker.
Bovendien is de SGP een ‘theocratische’ partij. Dat wil zeggen dat ze graag zou zien dat de overheid en de kerk gezamenlijk het volksleven in christelijke banen zouden leiden. Ten tijde van de Republiek dachten velen er zo over en er zijn historici die menen dat dit ideaal hier of daar een jaar of wat gerealiseerd is. Erg populair is die opvatting nooit geweest en is die nooit geworden. Maar het betekende wel dat de SGP eigenlijk van mening was dat de vrijheid van godsdienst en van onderwijs anderen niet toe kwam.
Goed, met zulke standpunten is een goede pers niet bij voorbaat verzekerd. Maar daardoor is niet opgemerkt dat de partij vorige week, bij de viering van haar 90-jarig bestaan in een kaal wegrestaurant, een verrassende en belangrijke stap heeft gezet. In de eerste plaats heeft ze het woord ‘theocratie’ afgezworen. Dat riep na 11 september 2001 te veel misverstanden op. Waren de SGP’er niet onze eigen Taliban, die uiteindelijk de staat der Nederlanden volgens hun strikte religieuze opvattingen wilden inrichten?
Maar bovendien laten de SGP’ers het niet bij woorden alleen. Ze spreken ook met elkaar af dat ze de moderne, neutrale, democratisch geordende staat accepteren, en daarmee ook dat andere groepen dezelfde rechten op de vrijheid van godsdienst en onderwijs kunnen claimen. Je kunt die rechten niet voor jezelf opeisen, en van dat opeisen een van de belangrijkste activiteiten van je politieke leven maken, en ze anderen tegelijkertijd ontzeggen.
Het is een stap die de aartsvader van de christelijke politiek in Nederland, Groen van Prinsterer, 150 jaar geleden al heeft gezet, toen zulks nog opzienbarend was. En het lijkt bijna een belediging voor de lezer om er hier toch aandacht voor te vragen.
Ik doe dat toch omdat de ontwikkelingen binnen de SGP mij gewoon een beetje blij maken. Ik heb altijd gedacht dat de achterban van de partij – een paar honderdduizend mensen – het hart en bloed van de natie vormen. Als het erop aankomt, heb je ze hard nodig. Ik houd van die mensen.
Maar door die merkwaardige ideeën over vrouwen en staatsmodellen, had deze groep zich nodeloos van de rest van de samenleving geïsoleerd – of beter: hadden de leidinggevenden (want we hebben het hier nog over een echte zuil) al die gezagsgetrouwe mensen in een positie gemanoeuvreerd waarin al het talent en alle energie die erin schuil ging, al bij voorbaat kansloos en vruchteloos was. En gelooft u mij, er is daar veel talent en veel levenskracht. Maar het zat opgesloten en mocht er niet uit.
Wat we nu dus gaan zien is dat deze mensen niet meer eindeloos onder elkaar gaan zitten discussiëren over esoterische onderwerpen die alleen intern van schijnbaar belang zijn, maar dat ze vrij en vastberaden gaan meedoen aan relevante maatschappelijke discussies – op de voorwaarden zoals we die met elkaar hier in dit land hebben afgesproken en waaraan SGP’ers zelf, ondanks zichzelf, het nodige hebben bijgedragen.
Welkom in de strijd, mannenbroeders!
7.10.08
Crisis bedreigt democratie
Wat kunnen denkers zeggen over de actualiteit? Tweewekelijks spreekt Trouws Filosofisch Elftal zich uit. Vandaag: Hoe staat het met het democratische gehalte van de Amerikaanse presidentsverkiezingen?
door Marc van Dijk
Trouw, 1 oktober 2008
De nieuwe president van de Verenigde Staten treedt aan met de grootste schuldenlast ooit. Hij moet rigoureus bezuinigen en waarschijnlijk belastingen aanzienlijk verhogen. Maar Obama noch McCain heeft dat in zijn verkiezingsprogramma staan. McCain belooft lastenverlaging, Obama zaken die de overheidsuitgaven nog opjagen. Na hun inauguratie kunnen ze hun economische plan het raam uitgooien, zei een voormalig regeringsadviseur onlangs. Is hiermee niet het einde van de democratie in zicht? Als de inhoud van een campagne zo weinig met de realiteit te maken heeft, waarvoor wordt de kiezer dan überhaupt nog geraadpleegd?
Sabine Roeser vindt het kwalijk. „Ik kan ook luchtkastelen bedenken en zaken voorspiegelen die onbetaalbaar zijn. Het is absoluut zaak dat beide kandidaten laten weten welke consequenties de financiële crisis heeft voor hun programma’s.”
Bart Jan Spruyt: „Het is inderdaad opvallend dat de kandidaten dat niet doen. Als dat zo blijft, is dat niet eerlijk tegenover de kiezer. Maar ze kunnen er op den duur niet omheen, want alles wat ze tot nu toe hebben gezegd was gebaseerd op drijfzand.
„Voor Nederland geldt trouwens ongeveer hetzelfde. Oud-minister van financiën Onno Ruding zei zaterdag dat de rijksbegroting voor 2009 gezien de laatste ontwikkelingen bij het oud vuil kan. Een begroting waarmee de Tweede Kamer twee weken geleden heeft ingestemd, is inmiddels achterhaald door de werkelijkheid. Als de regering daar geen verantwoording over aflegt, kunnen we zeggen dat die hele toestand ook één grote poppenkast is geweest. Maar bij de financiële beschouwingen van deze week zullen onze wakkere volksvertegenwoordigers het kabinet ongetwijfeld het vuur aan de schenen leggen.”
Plato zei: elke democratie is gedoemd tot verval, want politici omzeilen pijnlijke maatregelen en praten het volk naar de mond. Is dat wat we nu zien?
Spruyt: ,,Nou, het lijkt er vooralsnog niet op dat de kandidaten de kiezers doelbewust misleiden. Maar de democratie staat wel onder druk, zowel in de VS als in Nederland. Dat komt doordat veel politici geen samenhangende maatschappijvisie meer hebben waarvoor ze de kiezer warm maken. Ze inventariseren liever wat de kiezer wil, en baseren daarop hun programma. Met dit populisme degraderen ze zichzelf tot doorgeefluiken van de bevolking.
„Hebben ze wel een visie, dan levert die niet zomaar een uitvoerbaar programma op. Er is in de VS geen ruimte voor belastingverlaging en ook niet voor een nieuw stelstel van gezondheidszorg. Ook gebroken beloftes ondermijnen de democratie.
„Daarbij: de bureaucratische werkelijkheid is niet gelijk aan de politieke. Ambtenaren runnen meerjarige projecten. Een ministerie is als een trage mammoettanker met een verre bestemming, een politicus is hoogstens een toevallig passerende kapitein die de koers een paar graden kan verleggen. Een politicus kan minder uithalen dan veel verkiezingsretoriek wil doen geloven.
„Nederland kent een extra hindernis: coalitievorming. Inde VS is er tenminste een winnaar. Hier weet je nooit wat je krijgt. Als je gecharmeerd was van de centrum-rechtse Balkenende-kabinetten, en je stemde op hem, kan hij zomaar met jouw stem over links gaat. Die lui gaan volgens hun eigen logica bij elkaar zitten en sluiten dan ook nog eens compromissen waardoor van alle beloftes hooguit een verwaterde substantie overblijft.”
Roeser: „Qua dynamiek en diversiteit biedt ons model meer mogelijkheden. Wie weet dat er in de VS ook nog twee andere kandidaten zijn: Ralph Nader en Bob Barr? De twee grote partijen azen op dezelfde gematigde kiezers en nemen zo voortdurend elkaars issues en standpunten over. Terwijl ze een echt andere zienswijze, zoals die van de onafhankelijke kandidaten, niet eens bespreken. De campagnebudgetten bepalen wie de aandacht krijgt. En de sponsoren die deze budgetten genereren, beïnvloeden de agenda.”
Spruyt: „In Amerika heb je meer te kiezen; niet alleen het staatshoofd, maar ook de burgemeester en de sheriff. Dus de Amerikaanse democratie is nog altijd een stuk gezonder dan de Nederlandse.”
Roeser: „Dat lijkt me niet. Alle problemen waar de democratie klaarblijkelijk mee te kampen heeft, treden alleen maar vaker op als je vaker moet stemmen. Want juist op het moment dat je de burgers gaat raadplegen, ligt het gevaar van populisme het meest op de loer.”
Spruyt: „Welnee, het Amerikaanse systeem zorgt ervoor dat een politicus met zijn water naar de kiezer moet, en moet uitleggen wie hij is, wat hij van de situatie vindt en wat zijn plannen zijn. Hij moet dus verantwoording afleggen en kan worden afgerekend op zijn woorden. Kom daar in Nederland maar eens om.”
Roeser: „De burger heeft eerder te veel dan te weinig te kiezen. In onze technologisch hoogstaande samenleving kun je niet meer van burgers verwachten dat ze zich overal in verdiepen om een gefundeerd oordeel te vellen. Neem de Europese grondwet. Bijna niemand, in elk geval bijna geen leek, kon die lezen en begrijpen. Maar we moesten ons er wel over uitspreken. Het resultaat was dat er over iets heel anders werd gestemd dan over de voorliggende wet.”
Wat is het alternatief? Roeser: „Volgens mij is er maar één remedie tegen een verdere toename van het populisme: deliberative democracy. Dat is een politiek-filosofische beweging die methodes ontwikkelt om de democratie terug te brengen tot dat waar het eigenlijk om zou moeten gaan: diepgaand debat in plaats van opinieonderzoeken. We moeten niet achterhalen hoeveel mensen ergens voor of tegen zijn, zoals Rita Verdonk doet met haar website, maar zoeken naar de beste oplossingen, en die voor het voetlicht brengen.
„Mensen zijn nog steeds behept met het vermogen om een overtuiging te veranderen door een goed argument. Er moeten debatten komen waar debatleiders kandidaten dwingen om argumenten te brengen, in plaats van fraaie slogans. We zouden alleen moeten stemmen over grote, fundamentele zaken. En daar zouden we dan eerst veel uitgebreider en diepgaander over moeten delibereren.”
Spruyt: „Dat is een puur procedurele oplossing. Maar de enige remedie is inhoudelijk, en bestaat hierin dat burgers door een goede opvoeding en goed onderwijs de simplistische verleidingen van demagogische politici kunnen weerstaan.”
*) Verschenen in Trouw, 1 oktober 2008.
door Marc van Dijk
Trouw, 1 oktober 2008
De nieuwe president van de Verenigde Staten treedt aan met de grootste schuldenlast ooit. Hij moet rigoureus bezuinigen en waarschijnlijk belastingen aanzienlijk verhogen. Maar Obama noch McCain heeft dat in zijn verkiezingsprogramma staan. McCain belooft lastenverlaging, Obama zaken die de overheidsuitgaven nog opjagen. Na hun inauguratie kunnen ze hun economische plan het raam uitgooien, zei een voormalig regeringsadviseur onlangs. Is hiermee niet het einde van de democratie in zicht? Als de inhoud van een campagne zo weinig met de realiteit te maken heeft, waarvoor wordt de kiezer dan überhaupt nog geraadpleegd?
Sabine Roeser vindt het kwalijk. „Ik kan ook luchtkastelen bedenken en zaken voorspiegelen die onbetaalbaar zijn. Het is absoluut zaak dat beide kandidaten laten weten welke consequenties de financiële crisis heeft voor hun programma’s.”
Bart Jan Spruyt: „Het is inderdaad opvallend dat de kandidaten dat niet doen. Als dat zo blijft, is dat niet eerlijk tegenover de kiezer. Maar ze kunnen er op den duur niet omheen, want alles wat ze tot nu toe hebben gezegd was gebaseerd op drijfzand.
„Voor Nederland geldt trouwens ongeveer hetzelfde. Oud-minister van financiën Onno Ruding zei zaterdag dat de rijksbegroting voor 2009 gezien de laatste ontwikkelingen bij het oud vuil kan. Een begroting waarmee de Tweede Kamer twee weken geleden heeft ingestemd, is inmiddels achterhaald door de werkelijkheid. Als de regering daar geen verantwoording over aflegt, kunnen we zeggen dat die hele toestand ook één grote poppenkast is geweest. Maar bij de financiële beschouwingen van deze week zullen onze wakkere volksvertegenwoordigers het kabinet ongetwijfeld het vuur aan de schenen leggen.”
Plato zei: elke democratie is gedoemd tot verval, want politici omzeilen pijnlijke maatregelen en praten het volk naar de mond. Is dat wat we nu zien?
Spruyt: ,,Nou, het lijkt er vooralsnog niet op dat de kandidaten de kiezers doelbewust misleiden. Maar de democratie staat wel onder druk, zowel in de VS als in Nederland. Dat komt doordat veel politici geen samenhangende maatschappijvisie meer hebben waarvoor ze de kiezer warm maken. Ze inventariseren liever wat de kiezer wil, en baseren daarop hun programma. Met dit populisme degraderen ze zichzelf tot doorgeefluiken van de bevolking.
„Hebben ze wel een visie, dan levert die niet zomaar een uitvoerbaar programma op. Er is in de VS geen ruimte voor belastingverlaging en ook niet voor een nieuw stelstel van gezondheidszorg. Ook gebroken beloftes ondermijnen de democratie.
„Daarbij: de bureaucratische werkelijkheid is niet gelijk aan de politieke. Ambtenaren runnen meerjarige projecten. Een ministerie is als een trage mammoettanker met een verre bestemming, een politicus is hoogstens een toevallig passerende kapitein die de koers een paar graden kan verleggen. Een politicus kan minder uithalen dan veel verkiezingsretoriek wil doen geloven.
„Nederland kent een extra hindernis: coalitievorming. Inde VS is er tenminste een winnaar. Hier weet je nooit wat je krijgt. Als je gecharmeerd was van de centrum-rechtse Balkenende-kabinetten, en je stemde op hem, kan hij zomaar met jouw stem over links gaat. Die lui gaan volgens hun eigen logica bij elkaar zitten en sluiten dan ook nog eens compromissen waardoor van alle beloftes hooguit een verwaterde substantie overblijft.”
Roeser: „Qua dynamiek en diversiteit biedt ons model meer mogelijkheden. Wie weet dat er in de VS ook nog twee andere kandidaten zijn: Ralph Nader en Bob Barr? De twee grote partijen azen op dezelfde gematigde kiezers en nemen zo voortdurend elkaars issues en standpunten over. Terwijl ze een echt andere zienswijze, zoals die van de onafhankelijke kandidaten, niet eens bespreken. De campagnebudgetten bepalen wie de aandacht krijgt. En de sponsoren die deze budgetten genereren, beïnvloeden de agenda.”
Spruyt: „In Amerika heb je meer te kiezen; niet alleen het staatshoofd, maar ook de burgemeester en de sheriff. Dus de Amerikaanse democratie is nog altijd een stuk gezonder dan de Nederlandse.”
Roeser: „Dat lijkt me niet. Alle problemen waar de democratie klaarblijkelijk mee te kampen heeft, treden alleen maar vaker op als je vaker moet stemmen. Want juist op het moment dat je de burgers gaat raadplegen, ligt het gevaar van populisme het meest op de loer.”
Spruyt: „Welnee, het Amerikaanse systeem zorgt ervoor dat een politicus met zijn water naar de kiezer moet, en moet uitleggen wie hij is, wat hij van de situatie vindt en wat zijn plannen zijn. Hij moet dus verantwoording afleggen en kan worden afgerekend op zijn woorden. Kom daar in Nederland maar eens om.”
Roeser: „De burger heeft eerder te veel dan te weinig te kiezen. In onze technologisch hoogstaande samenleving kun je niet meer van burgers verwachten dat ze zich overal in verdiepen om een gefundeerd oordeel te vellen. Neem de Europese grondwet. Bijna niemand, in elk geval bijna geen leek, kon die lezen en begrijpen. Maar we moesten ons er wel over uitspreken. Het resultaat was dat er over iets heel anders werd gestemd dan over de voorliggende wet.”
Wat is het alternatief? Roeser: „Volgens mij is er maar één remedie tegen een verdere toename van het populisme: deliberative democracy. Dat is een politiek-filosofische beweging die methodes ontwikkelt om de democratie terug te brengen tot dat waar het eigenlijk om zou moeten gaan: diepgaand debat in plaats van opinieonderzoeken. We moeten niet achterhalen hoeveel mensen ergens voor of tegen zijn, zoals Rita Verdonk doet met haar website, maar zoeken naar de beste oplossingen, en die voor het voetlicht brengen.
„Mensen zijn nog steeds behept met het vermogen om een overtuiging te veranderen door een goed argument. Er moeten debatten komen waar debatleiders kandidaten dwingen om argumenten te brengen, in plaats van fraaie slogans. We zouden alleen moeten stemmen over grote, fundamentele zaken. En daar zouden we dan eerst veel uitgebreider en diepgaander over moeten delibereren.”
Spruyt: „Dat is een puur procedurele oplossing. Maar de enige remedie is inhoudelijk, en bestaat hierin dat burgers door een goede opvoeding en goed onderwijs de simplistische verleidingen van demagogische politici kunnen weerstaan.”
*) Verschenen in Trouw, 1 oktober 2008.
6.8.08
Obama zal teleurstellen
Sinds deze week maak ik deel uit van het "Filosofische Elftal" van TROUW dat tweewekelijks filosofische perspectieven biedt op de actualiteit. Mijn eerste bijdrage, opgetekend door Marc van Dijk, ging over Obama:
Wat kunnen denkers zeggen over de actualiteit? Tweewekelijks spreekt Trouws Filosofisch Elftal zich uit. Vandaag: Barack Obama wordt de hemel in geprezen. Een hoopgevende ontwikkeling of laten wij ons verblinden?
door Marc van Dijk
Als Barack Obama niet de 44ste president van de Verenigde Staten wordt, kan hij altijd nog de eerste president van Europa worden. De Democratische kandidaat was hier al populair; na zijn rede in Berlijn kan hij werkelijk niet meer stuk. Hij heeft de allure van een Messias, met zijn charisma, smetteloze levensverhaal en boodschap van hoop en vrede.
Zijn gebed dat geheel tegen de joodse regels in uit de Klaagmuur werd getrokken, versterkt die suggestie: ’Heer, bescherm mijn gezin en mij. Vergeef mij mijn zonden en behoed mij voor hoogmoed en wanhoop. Geef mij de wijsheid om te doen wat rechtvaardig en goed is. En maak mij tot een instrument van Uw wil.’
„Een bijzonder mooi gebed”, vindt Bart Jan Spruyt. „Maar ik hoop dat Obama niet gaat geloven dat hij de Messias is. Dan gaat het altijd fout.”
Spruyt (1964) is een nieuwe speler in het Filosofisch Elftal. Hij is historicus en publicist. Hij was directeur van de Edmund Burke Stichting, een conservatieve denktank. De eerste helft van 2006 was hij medewerker van Geert Wilders, maar hij verliet diens PVV na onenigheid over de centrale rol en het uiteindelijke gedachtegoed van Wilders. Spruyt is onder andere columnist van Elsevier.
Schuilt er een gevaar in de schoonheid van de woorden van Obama? Spruyt: „Retoriek van een Democraat is altijd gevaarlijk. Als een Republikein zich van retorische hoogstandjes bedient, zoals Ronald Reagan – ’It’s morning again in America’ – dan is dat mooi en onschuldig. Omdat conservatieven beseffen dat je met politiek maar heel weinig kunt bereiken. Dat politiek als kracht secundair is en cultuur primair.
Dat je als politicus een overzichtelijke agenda moet hebben – twee, drie punten, meer kun je niet realiseren in de beperkte tijd die je gegeven is. Bij Democraten ligt dat anders. Zij zijn links en geloven dus in een zegenrijke rol van de overheid op alle terreinen des levens en daarmee in een maakbare wereld. Als je pech hebt, gaan ze in hun eigen retoriek geloven.”
Ger Groot, docent wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, deelt Spruyts angst voor al te hooggestemde beloftes, maar ziet dit niet als een exclusief probleem van Democraten. „Barack Obama heeft een messianistisch imago, George W. Bush heeft helaas een messianistische politiek gevoerd. En dat heeft ons behoorlijk opgebroken. Maar getuigenispolitiek wil hoe dan ook nogal eens blind zijn voor de werkelijkheid. Wat dat betreft kun je beter een realpolitische leider hebben, iemand die nuchter blijft, dan een bevlogen idealist.”
Wat zijn de risico’s van idealisme? Groot: „Ten eerste: het ideaal dat wordt nagestreefd valt niet noodzakelijk samen met het jouwe, waardoor tegenstellingen alleen maar worden verscherpt in plaats van overbrugd. Ten tweede: als het ideaal wél samenvalt met dat van jou, dan is het nog maar de vraag waar het nastreven van dat ideaal in concreto toe leidt.
Een politicus is in eerste instantie iemand die haalbare doelstellingen moet nastreven. Iemand die onhaalbare dingen nastreeft, gaat in het beste geval de mist in en in het slechtste geval brengt hij rampen voort. George W. Bush is aardig in de buurt gekomen van het laatste.”
Obama wekt niet de indruk dat zijn idealisme snel tot oorlogszuchtigheid zal leiden. Groot: „Dat is waar. En hij lijkt meer multilateraal ingesteld te zijn. Maar daar moet je je niet al te veel illusies over maken. Een Amerikaanse president blijft toch een Amerikaanse president, die eerst en boven alles de belangen van de wereldmacht Amerika zal dienen. En dat is ook gerechtvaardigd.
Het zou al lang mooi zijn als Obama het unilateralisme van de afgelopen acht jaar zou vervangen door een multilateralisme, waarbij de rest van de wereld weer op voet van evenwaardigheid wordt bejegend door Amerika. Maar dat kan ook moeilijk anders, de lijn van Bush is doodgelopen. De situatie is een bijna absoluut dieptepunt, dus het kan er haast niet op achteruit gaan.”
Waarom zo zuinig? Is het niet mooi om ergens in te geloven?
Spruyt: „Zeker wel. Maar niet in Barack Obama. Tot op zekere hoogte is het wel begrijpelijk dat mensen verandering willen. Op de cover van The Economist stond vorige week het Vrijheidsbeeld afgebeeld: zittend op haar sokkel, de handen in het haar. Kredietcrisis, hoge olieprijs, eindeloze oorlog in Irak; Amerika verkeert in een deplorabele staat.
Maar ik vind het moeilijk te begrijpen dat mensen vervolgens blind vertrouwen op iemand die met een zekere charme, gevoel voor stijl en retorisch talent de gewenste verandering belooft, zonder te vertellen wat er precies moet veranderen en waarin het moet veranderen. Merkwaardig. Het doet mij denken aan iemand als Rita Verdonk, die het voortdurend heeft over daadkracht, zonder te vertellen waarin die daadkracht bestaat en wat ze ermee wil doen.”
Barack Obama heeft wél verteld wat hij wil: wereldburgerschap, eenheid, het afbreken van scheidsmuren. Spruyt: „Die haast holistische, new age-achtige boodschap maakt hem alleen maar ongeloofwaardiger. Hij sprak van ’de opdracht van wereldburgerschap’. We moeten grenzen slechten, angsten overwinnen, verschillen overbruggen.
Ook de onderlinge verschillen tussen rassen, naties en religies. En dan blijven er nog een paar problemen over, zoals het terrorisme en het klimaatprobleem, maar die lossen we samen wel op. Met andere woorden: hij gaat de wereld redden. Een tikje ambitieus, toch? De teleurstelling zit in het project-Obama ingeschapen. Hij is een romanticus in de politiek en die plegen hard te vallen.”
Anders dan Spruyt hoopt Ger Groot overigens wel dat Obama de race wint. Groot: „Alleen al omdat de Republikeinse partij het verdient om te verliezen. De partij heeft krankzinnige dingen uitgehaald. Bush is door een verkapte staatsgreep aan de macht gekomen en hij heeft door allerlei burgerlijke vrijheden te ondermijnen de democratie schade berokkend. Het zou wrang zijn als dat Republikeins wanbeleid zou worden beloond – al heeft dat niets met John McCain te maken. Daarnaast kan ik niet ontkennen dat ik grote sympathie heb voor Obama. Ik kan mij niet helemaal ontrekken aan zijn charismatische kracht.”
Daar heeft Spruyt geen last van. „De keuze voor Obama lijkt mij een ramp. Dan maar McCain. Maar inderdaad: eigenlijk zouden de Republikeinen eens flink moeten verliezen, zodat ze zich kunnen heroriënteren op hun politiek-filosofische wortels.”
*) Dit artikel (van Marc van Dijk) is vandaag verschenen in Trouw.
Wat kunnen denkers zeggen over de actualiteit? Tweewekelijks spreekt Trouws Filosofisch Elftal zich uit. Vandaag: Barack Obama wordt de hemel in geprezen. Een hoopgevende ontwikkeling of laten wij ons verblinden?
door Marc van Dijk
Als Barack Obama niet de 44ste president van de Verenigde Staten wordt, kan hij altijd nog de eerste president van Europa worden. De Democratische kandidaat was hier al populair; na zijn rede in Berlijn kan hij werkelijk niet meer stuk. Hij heeft de allure van een Messias, met zijn charisma, smetteloze levensverhaal en boodschap van hoop en vrede.
Zijn gebed dat geheel tegen de joodse regels in uit de Klaagmuur werd getrokken, versterkt die suggestie: ’Heer, bescherm mijn gezin en mij. Vergeef mij mijn zonden en behoed mij voor hoogmoed en wanhoop. Geef mij de wijsheid om te doen wat rechtvaardig en goed is. En maak mij tot een instrument van Uw wil.’
„Een bijzonder mooi gebed”, vindt Bart Jan Spruyt. „Maar ik hoop dat Obama niet gaat geloven dat hij de Messias is. Dan gaat het altijd fout.”
Spruyt (1964) is een nieuwe speler in het Filosofisch Elftal. Hij is historicus en publicist. Hij was directeur van de Edmund Burke Stichting, een conservatieve denktank. De eerste helft van 2006 was hij medewerker van Geert Wilders, maar hij verliet diens PVV na onenigheid over de centrale rol en het uiteindelijke gedachtegoed van Wilders. Spruyt is onder andere columnist van Elsevier.
Schuilt er een gevaar in de schoonheid van de woorden van Obama? Spruyt: „Retoriek van een Democraat is altijd gevaarlijk. Als een Republikein zich van retorische hoogstandjes bedient, zoals Ronald Reagan – ’It’s morning again in America’ – dan is dat mooi en onschuldig. Omdat conservatieven beseffen dat je met politiek maar heel weinig kunt bereiken. Dat politiek als kracht secundair is en cultuur primair.
Dat je als politicus een overzichtelijke agenda moet hebben – twee, drie punten, meer kun je niet realiseren in de beperkte tijd die je gegeven is. Bij Democraten ligt dat anders. Zij zijn links en geloven dus in een zegenrijke rol van de overheid op alle terreinen des levens en daarmee in een maakbare wereld. Als je pech hebt, gaan ze in hun eigen retoriek geloven.”
Ger Groot, docent wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, deelt Spruyts angst voor al te hooggestemde beloftes, maar ziet dit niet als een exclusief probleem van Democraten. „Barack Obama heeft een messianistisch imago, George W. Bush heeft helaas een messianistische politiek gevoerd. En dat heeft ons behoorlijk opgebroken. Maar getuigenispolitiek wil hoe dan ook nogal eens blind zijn voor de werkelijkheid. Wat dat betreft kun je beter een realpolitische leider hebben, iemand die nuchter blijft, dan een bevlogen idealist.”
Wat zijn de risico’s van idealisme? Groot: „Ten eerste: het ideaal dat wordt nagestreefd valt niet noodzakelijk samen met het jouwe, waardoor tegenstellingen alleen maar worden verscherpt in plaats van overbrugd. Ten tweede: als het ideaal wél samenvalt met dat van jou, dan is het nog maar de vraag waar het nastreven van dat ideaal in concreto toe leidt.
Een politicus is in eerste instantie iemand die haalbare doelstellingen moet nastreven. Iemand die onhaalbare dingen nastreeft, gaat in het beste geval de mist in en in het slechtste geval brengt hij rampen voort. George W. Bush is aardig in de buurt gekomen van het laatste.”
Obama wekt niet de indruk dat zijn idealisme snel tot oorlogszuchtigheid zal leiden. Groot: „Dat is waar. En hij lijkt meer multilateraal ingesteld te zijn. Maar daar moet je je niet al te veel illusies over maken. Een Amerikaanse president blijft toch een Amerikaanse president, die eerst en boven alles de belangen van de wereldmacht Amerika zal dienen. En dat is ook gerechtvaardigd.
Het zou al lang mooi zijn als Obama het unilateralisme van de afgelopen acht jaar zou vervangen door een multilateralisme, waarbij de rest van de wereld weer op voet van evenwaardigheid wordt bejegend door Amerika. Maar dat kan ook moeilijk anders, de lijn van Bush is doodgelopen. De situatie is een bijna absoluut dieptepunt, dus het kan er haast niet op achteruit gaan.”
Waarom zo zuinig? Is het niet mooi om ergens in te geloven?
Spruyt: „Zeker wel. Maar niet in Barack Obama. Tot op zekere hoogte is het wel begrijpelijk dat mensen verandering willen. Op de cover van The Economist stond vorige week het Vrijheidsbeeld afgebeeld: zittend op haar sokkel, de handen in het haar. Kredietcrisis, hoge olieprijs, eindeloze oorlog in Irak; Amerika verkeert in een deplorabele staat.
Maar ik vind het moeilijk te begrijpen dat mensen vervolgens blind vertrouwen op iemand die met een zekere charme, gevoel voor stijl en retorisch talent de gewenste verandering belooft, zonder te vertellen wat er precies moet veranderen en waarin het moet veranderen. Merkwaardig. Het doet mij denken aan iemand als Rita Verdonk, die het voortdurend heeft over daadkracht, zonder te vertellen waarin die daadkracht bestaat en wat ze ermee wil doen.”
Barack Obama heeft wél verteld wat hij wil: wereldburgerschap, eenheid, het afbreken van scheidsmuren. Spruyt: „Die haast holistische, new age-achtige boodschap maakt hem alleen maar ongeloofwaardiger. Hij sprak van ’de opdracht van wereldburgerschap’. We moeten grenzen slechten, angsten overwinnen, verschillen overbruggen.
Ook de onderlinge verschillen tussen rassen, naties en religies. En dan blijven er nog een paar problemen over, zoals het terrorisme en het klimaatprobleem, maar die lossen we samen wel op. Met andere woorden: hij gaat de wereld redden. Een tikje ambitieus, toch? De teleurstelling zit in het project-Obama ingeschapen. Hij is een romanticus in de politiek en die plegen hard te vallen.”
Anders dan Spruyt hoopt Ger Groot overigens wel dat Obama de race wint. Groot: „Alleen al omdat de Republikeinse partij het verdient om te verliezen. De partij heeft krankzinnige dingen uitgehaald. Bush is door een verkapte staatsgreep aan de macht gekomen en hij heeft door allerlei burgerlijke vrijheden te ondermijnen de democratie schade berokkend. Het zou wrang zijn als dat Republikeins wanbeleid zou worden beloond – al heeft dat niets met John McCain te maken. Daarnaast kan ik niet ontkennen dat ik grote sympathie heb voor Obama. Ik kan mij niet helemaal ontrekken aan zijn charismatische kracht.”
Daar heeft Spruyt geen last van. „De keuze voor Obama lijkt mij een ramp. Dan maar McCain. Maar inderdaad: eigenlijk zouden de Republikeinen eens flink moeten verliezen, zodat ze zich kunnen heroriënteren op hun politiek-filosofische wortels.”
*) Dit artikel (van Marc van Dijk) is vandaag verschenen in Trouw.
8.2.07
Terug bij af: Balkenende-IV
De rood-christelijke coalitie van CDA, PvdA en ChristenUnie dient zich aan als een kabinet van de gemeenschap. In de keuze voor ‘sociale cohesie’ en ‘maatschappelijke investeringen’ voltrekt dit VU-kabinet een bewuste breuk met het individualisme zoals dat heeft gedomineerd in eerdere kabinetten waarvan VVD en D66 deel uitmaakten.
Die keuze heeft sympathieke kanten. Dat een aparte minister zich gaat ontfermen over jeugd en gezin, en dat er alternatieven worden ontwikkeld voor abortus en euthanasie zodat keuzes voor levensbeëindiging niet onder druk of dwang worden genomen, lijkt mij winst. Maar wie de balans opmaakt, kan een opkomende depressie maar ternauwernood onderdrukken.
Er valt hier veel te noemen: van het financiële beleid, dat op te optimistische verwachtingen wordt gebaseerd en gepaard gaat met boterzachte bezuinigingen (op het aantal ambtenaren, terwijl iedereen weet dat dat bestand alleen maar uitdijt), tot de verhoging van uitkeringen en de terugkeer van gesubsidieerde banen.
Erger nog is het besluit om in bepaalde sectoren (zoals zorg en onderwijs) wel ‘doelen’ aan te geven en geld beschikbaar te stellen, maar de verdere invulling van het beleid te laten afhangen van overleg met het ‘maatschappelijk middenveld’. Dat zou nog aardig zijn wanneer die ‘ civil society’ zou worden gevormd door vrije burgers die zichzelf hebben georganiseerd. Maar we hebben hier te maken met kartels, die tot nog toe niet hebben uitgeblonken in uitbundige aandacht voor de positie van, bijvoorbeeld, leerkrachten en verplegenden.
Het gevaar is groot dat een vermeende keuze voor de samenleving vastloopt in het overleg van de Nederlandse polder, waar iedereen mee mag praten behalve de mensen om wie het gaat. Dit zich afsluiten van de samenleving blijkt ook uit de keuze om niets te gaan doen aan bestuurlijke vernieuwing en uit het besluit een Europese grondwet niet opnieuw in een referendum aan de bevolking voor te leggen. ‘ Het volk is een monster’, zeggen de drie VU-heren de dichter Komrij na. En dus sluiten zij zich op in een systeem van partijen en organisaties dat al lang niets meer representeert, en sluiten zij zich daarmee af van de samenleving waarvoor zij zeggen te kiezen.
Maar het meest deprimerende zijn de keuzes die de heren hebben gemaakt op het terrein dat bij de verkiezingen het belangrijkst was – maar niet voor de dames en heren politici. Aan immigratie wordt nauwelijks een woord vuil gemaakt, en integratie wordt ondergebracht bij volkshuisvesting op het ministerie van VROM. En de PvdA’er Aboutaleb wordt genoemd als de man die daar wel eens met de scepter kan gaan zwaaien.
Dat gaat natuurlijk niet goed.
Het debat zoals dat de afgelopen jaren over immigratie en de integratie van niet-westerse allochtonen is gevoerd, was hier en daar scherp en hard. Maar de winst was dat de erkenning zich verbreidde dat het probleem vooral van culturele en religieuze aard was. Niet de sociaal-economische omstandigheden leidden tot vervreemding en radicalisering, maar de cultuur en het geloof, en daarover moest het debat dus primair gaan.
Door het probleem nu opnieuw tot een sociaal-economische kwestie, of zelfs een volkshuisvestingskwestie te maken, zetten we grote stappen terug in de tijd – als we daarmee al niet weer terug zijn bij af.
Die keuze is niet alleen dom maar ook gevaarlijk. In een interview met het nieuwe weekblad Opinio legde de Amsterdamse hoogleraar Sjoerd Karsten vorige week uit dat de voortgaande immigratie uit landen met een laag onderwijsniveau een situatie op zwarte scholen in stand houdt die er alleen maar toe leidt dat leerlingen naar beneden worden getrokken. Als gevolg daarvan lopen zij het grote gevaar dat zij in baantjes aan de onderkant van de arbeidsmarkt zullen blijven hangen. In datzelfde blad zegt de Marokkaanse ‘ burgemeester’ van Slotervaart, Ahmed Marcouch (PvdA), dat vervreemding en radicalisering het gevolg zijn van een identiteitsvorming in de vroege jeugd van kinderen en dat die vorming door de religie wordt bepaald.
Een softe aanpak van immigratie – door niet strenger te selecteren – en van integratie – door het tot een sociaal-economisch probleem te reduceren en de echte factoren te negeren – leidt dus tot de instandhouding en uitbreiding van een onderklasse en tot voortgaande radicalisering onder moslimjongeren.
Het aloude ideaal van de volksverheffing vormt blijkbaar geen integraal onderdeel van de gemeenschapszin die dit rood-christelijke kabinet wil uitdragen. Mag het snel vallen.
*) Een versie van dit stuk verscheen eerder in Trouw.
Die keuze heeft sympathieke kanten. Dat een aparte minister zich gaat ontfermen over jeugd en gezin, en dat er alternatieven worden ontwikkeld voor abortus en euthanasie zodat keuzes voor levensbeëindiging niet onder druk of dwang worden genomen, lijkt mij winst. Maar wie de balans opmaakt, kan een opkomende depressie maar ternauwernood onderdrukken.
Er valt hier veel te noemen: van het financiële beleid, dat op te optimistische verwachtingen wordt gebaseerd en gepaard gaat met boterzachte bezuinigingen (op het aantal ambtenaren, terwijl iedereen weet dat dat bestand alleen maar uitdijt), tot de verhoging van uitkeringen en de terugkeer van gesubsidieerde banen.
Erger nog is het besluit om in bepaalde sectoren (zoals zorg en onderwijs) wel ‘doelen’ aan te geven en geld beschikbaar te stellen, maar de verdere invulling van het beleid te laten afhangen van overleg met het ‘maatschappelijk middenveld’. Dat zou nog aardig zijn wanneer die ‘ civil society’ zou worden gevormd door vrije burgers die zichzelf hebben georganiseerd. Maar we hebben hier te maken met kartels, die tot nog toe niet hebben uitgeblonken in uitbundige aandacht voor de positie van, bijvoorbeeld, leerkrachten en verplegenden.
Het gevaar is groot dat een vermeende keuze voor de samenleving vastloopt in het overleg van de Nederlandse polder, waar iedereen mee mag praten behalve de mensen om wie het gaat. Dit zich afsluiten van de samenleving blijkt ook uit de keuze om niets te gaan doen aan bestuurlijke vernieuwing en uit het besluit een Europese grondwet niet opnieuw in een referendum aan de bevolking voor te leggen. ‘ Het volk is een monster’, zeggen de drie VU-heren de dichter Komrij na. En dus sluiten zij zich op in een systeem van partijen en organisaties dat al lang niets meer representeert, en sluiten zij zich daarmee af van de samenleving waarvoor zij zeggen te kiezen.
Maar het meest deprimerende zijn de keuzes die de heren hebben gemaakt op het terrein dat bij de verkiezingen het belangrijkst was – maar niet voor de dames en heren politici. Aan immigratie wordt nauwelijks een woord vuil gemaakt, en integratie wordt ondergebracht bij volkshuisvesting op het ministerie van VROM. En de PvdA’er Aboutaleb wordt genoemd als de man die daar wel eens met de scepter kan gaan zwaaien.
Dat gaat natuurlijk niet goed.
Het debat zoals dat de afgelopen jaren over immigratie en de integratie van niet-westerse allochtonen is gevoerd, was hier en daar scherp en hard. Maar de winst was dat de erkenning zich verbreidde dat het probleem vooral van culturele en religieuze aard was. Niet de sociaal-economische omstandigheden leidden tot vervreemding en radicalisering, maar de cultuur en het geloof, en daarover moest het debat dus primair gaan.
Door het probleem nu opnieuw tot een sociaal-economische kwestie, of zelfs een volkshuisvestingskwestie te maken, zetten we grote stappen terug in de tijd – als we daarmee al niet weer terug zijn bij af.
Die keuze is niet alleen dom maar ook gevaarlijk. In een interview met het nieuwe weekblad Opinio legde de Amsterdamse hoogleraar Sjoerd Karsten vorige week uit dat de voortgaande immigratie uit landen met een laag onderwijsniveau een situatie op zwarte scholen in stand houdt die er alleen maar toe leidt dat leerlingen naar beneden worden getrokken. Als gevolg daarvan lopen zij het grote gevaar dat zij in baantjes aan de onderkant van de arbeidsmarkt zullen blijven hangen. In datzelfde blad zegt de Marokkaanse ‘ burgemeester’ van Slotervaart, Ahmed Marcouch (PvdA), dat vervreemding en radicalisering het gevolg zijn van een identiteitsvorming in de vroege jeugd van kinderen en dat die vorming door de religie wordt bepaald.
Een softe aanpak van immigratie – door niet strenger te selecteren – en van integratie – door het tot een sociaal-economisch probleem te reduceren en de echte factoren te negeren – leidt dus tot de instandhouding en uitbreiding van een onderklasse en tot voortgaande radicalisering onder moslimjongeren.
Het aloude ideaal van de volksverheffing vormt blijkbaar geen integraal onderdeel van de gemeenschapszin die dit rood-christelijke kabinet wil uitdragen. Mag het snel vallen.
*) Een versie van dit stuk verscheen eerder in Trouw.
Subscribe to:
Posts (Atom)