Showing posts with label de Volkskrant. Show all posts
Showing posts with label de Volkskrant. Show all posts

31.5.11

De nieuwe hoffelijkheid van links

Wethouder Andrée van Es van Amsterdam hield onlangs een pleidooi voor hoffelijkheid in de strijd tegen het falen van haar oude ideaal, de multiculturele samenleving.





Dat is nieuw, een links politicus die waarden, normen, deugden en fatsoen bepleit in een politiek debat. Wie dat vroeger deed viel onder de banvloek van de fatsoensrakkerij. Royaal heb ik wethouder Van Es daarom welkom geheten in het conservatieve kamp, dat immers altijd al pleidooien voor een cultureel fundament onder de samenleving voerde. Het artikel stond vorige week op de website van Binnenlands Bestuur en in de Volkskrant.
Het stuk riep nogal wat reacties op van mensen die zich kwaad maakten over de inhoud. Daarom heb ik vandaag een repliek geschreven die op de website van Binnenlands Bestuur en op de opinie-website van de Volskkrant is verschenen. Beide artikelen staan hieronder.



Welkom, wethouder Van Es, in het conservatieve kamp!


Ik tel mijn zegeningen: als zelfs iemand van GroenLinks komt vertellen dat we de deugd van de hoffelijkheid moeten herstellen, dan blijkt de werkelijkheid zich zelfs in het erg linkse kamp onweerstaanbaar op te dringen. Maar wat moet het voor de linkse mens vervelend zijn om het grote historische ongelijk steeds weer te moeten toegeven.

Vorige week was ze ineens zeer nadrukkelijk aanwezig in het nieuws: Andrée van Es, in Amsterdam wethouder namens GroenLinks. Ze gaf interviews aan Trouw en de Volkskrant en verscheen bij Knevel & Van de Brink. Ze mocht komen uitleggen dat de Nederlandse samenleving wat hoffelijker moet worden.

Van Es (1953) was in de jaren tachtig Kamerlid voor de Pacifistisch-Socialistische Partij (opgegaan in GroenLinks). Daarna verdween ze in de wereld van de VPRO en de Balie en speelde ze een rol bij de inburgering van Máxima. Ze was directeur-generaal op het ministerie van Binnenlandse Zaken en keerde weer terug in de politiek. Sinds vorig jaar is ze wethouder in Amsterdam, de stad van 183 nationaliteiten, en gaat ze in die functie over zaken als participatie en integratie.

Naar de Amsterdamse gemeenteraad heeft ze een brief geschreven over het onderwerp ‘Burgerschap en Diversiteit’. Ondertitel: ‘Geen burgerschap zonder hoffelijkheid’. In de traditie van Amsterdam en van de radicale chique waartoe Van Es zich in 1973 bekeerde (bij de dood van de socialistische Chileense president Allende) gaat het in zulke brieven veelal over ‘beleidsvoornemens’. Maar nu gaat het over wat de stad van de burgers verwacht, hoe ze met elkaar moeten omgaan, hoe ze minder ruw en onwelwillend met elkaar moeten omgaan.

Van Es onderbouwt haar betoog met een beroep op de politiek filosoof John Rawls: ‘Hoe kunnen vrije en gelijke burgers die van inzicht verschillen over godsdienstige, filosofische en levensbeschouwelijke zaken vreedzaam met elkaar samenleven? Burgerschap, met alle verschillen van mening, ook fundamenteel, die daarbij horen, kan volgens Rawls niet zonder civility: hoffelijkheid.’

En het gaat niet alleen om hoffelijkheid: onwilligen moeten aan het werk op verbeurte van hun uitkering, het moet afgelopen zijn met de overlast door jongeren, pardon: Marokkaanse jongeren, de overheid is er niet langer om alle problemen op te lossen maar moet de zelfredzaamheid van burgers hooguit faciliteren, en alle problemen zijn begonnen met de multiculturele samenleving.

Je wrijft even in je ogen: als het allemaal niet rechts is, dan is het in ieder geval ook erg conservatief. Volgens Van Es zelf is ze vooral ‘eerlijker’ geworden.
Inderdaad, Van Es en de haren zijn altijd oneerlijk geweest. Dat wil zeggen: ze hebben gelogen. Problemen mochten niet worden benoemd. De multiculturele samenleving was een hoog ideaal en wie zich ertegen verzette of over de schaduwzijden durfde beginnen, was een racist, een nationalist, rancuneus, erg blank met een dikke onderbuik. De politiek ontfermde zich over de zwakken. Wie van zelfredzaamheid repte, was rechts, had geen idealen maar slechts belangen, en behoorde tot de verderfelijke mensensoort die meende dat armoede en achterstand vooral eigen schuld was.

Van Es is van het linkse geloof gevallen dat ijverde voor bevrijding, emancipatie en individualisme en daarmee een beslissende bijdrage heeft geleverd aan de vergruizing van het culturele fundament dat een samenleving moet dragen. Ieder voor zich en de staat voor ons allen, was de leuze van deze dames en heren. En filosofen als Rawls, de held van de pluralistische samenleving en het verzet tegen ‘de oneerlijke verdeling van aanleg en talenten’, waren hun helden.

Nu moeten burgers weer voor zichzelf zorgen en wat vriendelijker worden in de omgang met elkaar. Want het multiculturele ideaal dat de generatie van Van Es met zoveel morele hooghartigheid heeft uitgedragen, is stuk gelopen op de harde werkelijkheid. De chaos laat zich niet meer vanuit het gemeentehuis beteugelen, zo heeft Van Es moeten vaststellen, twintig jaar na Bolkestein, tien jaar na Paul Scheffer en Pim Fortuyn. Ex-communist word je na de val van de Muur.

Beter (te) laat dan nooit natuurlijk. Ik tel mijn zegeningen.

Hartelijk welkom, mevrouw Van Es, in het conservatieve kamp. Met de grote Amerikaanse neoconservatief Irving Kristol bent u een ‘liberal who has been mugged by reality’, en daarmee feliciteer ik u. Ik bewonder uw moed. Want ik kan me goed voorstellen dat u deze stap met enige tegenzin zet. U en de uwen – ik denk niet alleen aan Paul Scheffer maar ook aan NRC-columnist Bas Heijne met zijn recente essay Moeten wij van elkaar houden? - belichaamden de weldenkendheid en moeten steeds meer hun grote historische ongelijk komen opbiechten nu de werkelijkheid zich onaangenaam opdringt. U en de uwen gaan daarmee in feite net zo pragmatisch en opportunistisch met het eigen gedachtegoed om als de gemiddelde politieke partij, en het moet pijnlijk zijn dat bij u zelf vast te stellen. U erkent dat historische ongelijk natuurlijk niet, maar stelt vast dat anderen u uw gedachtegoed en de consequenties daarvan wel eens met recht en reden kwalijk kunnen gaan nemen. Een concessie aan die werkelijkheid, zoals u die maakt, zou je daarom bijna kunnen zien als een smoes, om te laten zien dat u en de uwen op hun schreden zijn teruggekeerd en het allemaal zelf hebben bedacht, over die hoffelijkheid en zo.





U hebt in uw jeugd in de Haagse Vogelwijk ongetwijfeld het gymnasium bezocht en Horatius gelezen. Waarschijnlijk ook het gedicht over die hooivork, weet u nog wel, waarmee je dacht alles overboord te kunnen gooien, en over die menselijke natuur en de werkelijkheid die toch altijd weer blijven terugkeren en hun rechten opeisen.





Nogmaals: links en de moraal


Wethouder Andrée van Es kreeg onlangs alle gelegenheid om links en rechts uit te venten hoe zij haar portefeuille participatie en integratie in Amsterdam gaat invullen: door een pleidooi voor hoffelijkheid. Op deze plaats wijdde ik daar vorige week een stukje aan. Ik stelde daar dat die keuze van Van Es – een politiek pleidooi voor deugdzaamheid - nieuw was voor een progressief politicus. Linkse politici hebben zich in het recente verleden immers onderscheiden met pleidooien voor maximale vrijheid en tegen elke vorm van ‘betutteling’. Als daar problemen uit ontstonden, moest de overheid die oplossen. Van Es heeft dus ineens een politieke draai van 180 graden gemaakt. Maar goed, zo schreef ik, hoe ongeloofwaardig zo’n tournure ook is, beter laat dan nooit, zo’n pleidooi, en met een royaal gebaar heette ik wethouder Van Es van harte welkom in het conservatieve kamp.

Dat is niet overal even zeer gewaardeerd, zoals al snel bleek uit de vele boze reacties op deze website, op die van de Volkskrant en De Pers en enkele blogs.
Die kritiek was niet altijd even intelligent. Het verwijt dat mij vooral is gemaakt was het verwijt van de hovaardij. Ik zou betoogd hebben dat rechtse mensen hoffelijk zijn en linkse mensen niet. Ik zou het rechtse alleenrecht op hoffelijkheid hebben afgekondigd.

En dat is niet zo. In de eerste plaats had ik het niet over ‘rechts’ maar over ‘conservatief’. Ik geef toe dat het enige politieke scholing vraagt om het onderscheid te kunnen maken. Maar als rechts voor een kleine overheid staat die zich tot haar kerntaken beperkt, dan voegt de conservatief daaraan toe dat een samenleving voor alles een cultureel fundament nodig heeft van burgers die goed zijn opgevoed en goed onderwijs hebben ontvangen. We moeten immers wel weten hoe we met onze vrijheid behoren om te gaan.

In de tweede plaats zou ik niet graag beweren dat linkse mensen als individuen onhoffelijk zijn en rechtse mensen altijd hoffelijk. (Zo ben ik ook niet opgevoed. Toen ik in de kinderstoel al onvervalst rechts zat te kraaien, hief mijn moeder haar vinger en citeerde haar devies: ‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle’). Daar gaat het natuurlijk ook helemaal niet om. Het gaat erom of pleidooien voor hoffelijkheid (waarden en normen, deugden, een cultureel fundament, of hoe je het ook wilt noemen) een plaats mogen hebben in politieke discussies over de ravages die het vrijzinnig-progressieve ideaal van het multiculturalisme in de Nederlandse samenleving heeft aangericht. Conservatieven – en sommige rechts-liberale politici, zoals Frits Bolkestein – doen dat al tijden lang, Andrée van Es doet dat nu voor het eerst. Ik heb mijn linkse critici uitgedaagd mij voorbeelden te geven van progressieve pleidooien voor hoffelijkheid in het kader van een discussie over de multiculturele samenleving. Een antwoord zijn zij mij allen schuldig gebleven.





Daar komt nog iets bij. Het voorbeeld van Van Es staat natuurlijk niet op zichzelf. Links heeft er een handje van om na verloop van tijd de rechtse (conservatieve) pleidooien te herhalen. En als het dan door iemand uit de linkse hoek wordt gezegd, dan mag het ineens. Dan wordt ook net gedaan alsof die persoon het voor het eerst heeft gezegd. En worden er rare draaien aan dat linkse plagiaat van rechts gegeven.
Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Paul Scheffer. Frits Bolkestein stak al tien jaar zijn betogen tegen de schaduwkanten van de multiculturele samenleving af maar vond zelden enig onthaal. Volgens Jacques Wallage van de PvdA viste hij in het troebele water van het autochtone ressentiment. Toen Paul Scheffer echter tien jaar geleden paginagroot in NRC zijn beroemde stuk tegen het multiculturalisme publiceerde, werd aan dat krantenartikel een heus Kamerdebat gewijd en mocht hij sindsdien door het leven als de kampioen van wakker geworden links. Natuurlijk hebben de bijdragen van Scheffer grote verdiensten, maar hij heeft weinig gezegd wat al niet eerder was gezegd.





Hetzelfde geldt min of meer voor het recente essay van NRC-columnist Bas Heijne (Moeten wij van elkaar houden?). Links laboreert aan een vreemd affect, een nervositeit bijna, en dat is het verzet tegen elke poging iets te formuleren van een verhaal (identiteit) dat alle andere verhalen (identiteiten) overstijgt. Dat riekt al snel naar rechts-nationalistische dwingelandij, is bij voorbaat heel ‘eng’, en het volgende godwinnetje is dan nooit ver weg. Nu heeft Bas Heijne ingezien dat het beroep op abstracties als Grondwet en rechtstaat door de (zelf benoemde) politieke, bestuurlijke en intellectuele elite niet helpt, en dat we daarom in het debat over de multiculturele samenleving toch een verhaal (identiteit) moeten formuleren. Ook deze vooruitgang op links boek ik graag als winst, en ik accepteer deze positie graag als nieuw uitgangspunt voor een debat dat ons misschien eindelijk ergens kan brengen, maar merkwaardig blijft het: dat het verhaal nu wel mag omdat het in de NRC staat.

Het pleidooi dat links van rechts overschrijft, wordt in zulke gevallen niet alleen als nieuw en origineel gepresenteerd maar ook in een uitgesproken links discours ingebed en daarmee misbruikt. Politici als Van Es doen nu bijvoorbeeld net alsof zij het publieke pleidooi voor hoffelijkheid hebben ontdekt in hun verzet tegen de retoriek van Geert Wilders (kijk de uitzending van Knevel & Van den Brink waarin Van Es optrad, er maar op na). In zijn achterban zouden zich immers de primitieven bevinden, ‘rancuneuze types zonder moraal, zonder principes’ (Anil Ramdas).

Maar pleidooien voor hoffelijkheid, beste linksmens, zijn niet bedoeld om ons af te zetten tegen één specifiek groep. Onfatsoen laat zich niet indelen naar politieke achtergrond. Pleidooien voor hoffelijkheid en fatsoen zijn een algemeen appel op de samenleving om het culturele fundament onder onze rechtstaat, civil society en economie te onderhouden.

Links jat dus rechtse pleidooien als trucje voor eigen partijpolitiek gewin. Links is daarmee ongeloofwaardig, opportunistisch en vals.

Is dat reden tot somberte? Welnee. Links biedt altijd alle reden tot vrolijkheid. Want over vijf jaar staat in de Volkskrant wat deze week in de Elsevier staat. En over vijf jaar is zelfs de meest linkse lezer van dit stukje het met de inhoud ervan eens.

13.9.08

Leven wij nog in een democratie?

De coalitiepartijen houden elkaar krampachtig vast om verkiezingen en daarmee een onregeerbaar land te voorkomen. Nu het politieke centrum leeg loopt en de vleugels zowel op links als op rechts sterk blijven, is de verwarring groot. Maar dat hoeft helemaal niet. Want wat we nu met verbazing bezien, is 2500 jaar geleden al beschreven in de teksten van klassieke politiek filosofen (die trouwens ook de remedie kenden).

Dinsdag is het Prinsjesdag, dan leest de koningin de Troonrede weer voor en presenteert het kabinet alle plannetjes en de begroting voor het komende jaar. Ons is geen hete herfst in het vooruitzicht gesteld, en daarom zouden we het misschien eens niet over die plannetjes en de ‘inkomensplaatjes’ moeten hebben, maar over de belangrijkste vraag die we ons kunnen stellen: is, bij het begin van het nieuwe politieke seizoen, ons systeem nog op orde? Leven we nog in een democratie, of glijden we langzaam en bijna onopgemerkt af naar een situatie die daar wel op lijkt maar er eigenlijk het einde van is? Wat zijn de voorwaarden waaronder een parlementaire democratie goed kan functioneren, en zijn die in Nederland nog aanwezig?

Het antwoord op de vraag of wij nog in een democratie leven, lijkt nogal voor de hand te liggen. Natuurlijk! We hebben als hoogste politieke orgaan een parlement, een Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, waar door het volk gekozen politici onze zaken behartigen en bij meerderheid van stemmen over ja en nee, goed en fout beslissen. Wij kiezen en kunnen worden gekozen, onze stem is beslissend. Wij, het volk, regeren.

Tegelijk is het mogelijk verschijnselen van verval in onze democratische rechtsstaat aan te wijzen. De Leidse hoogleraar Paul Cliteur heeft zelfs een heel boek Tegen de decadentie geschreven, en had het toen over zaken als de bedreiging van de vrijheid van meningsuiting, misverstanden over de ‘rechterlijke onafhankelijkheid’ en de preoccupatie met rechten waardoor politici stelselmatig veel te hoge verwachtingen bij de bevolking wekken. Verontrustender is misschien nog wel de kritiek van de vroegere adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, H. J. Schoo (1945 – 2007), die van mening was dat Nederland sinds de ontzuiling niet langer over een stabiel politiek systeem beschikt. De politieke elite heeft geen binding meer met een herkenbare achterban, is vervreemd geraakt van de levens en opvattingen van de kiezers en denkt tegelijk voor het eigen bestwil van die kiezers te handelen. Die kinderlijke behandeling was ‘de broedstoof’ voor ‘de revolte der burgers’ die in 2002 uitbrak.

We kunnen ons afvragen of deze verschijnselen (het verval van de instituties van de democratische rechtsstaat) de oorzaak van de huidige politieke malheur zijn of de symptomen van dieper liggende (culturele) verschijnselen. In de klassieke interpretatie van ‘democratie’ – en daar wil ik het hier over hebben - moet aan een aantal nadere voorwaarden zijn voldaan voordat er van democratie sprake kan zijn. Wanneer die voorwaarden ontbreken is er geen sprake van een democratie maar van een ochlocratie, regeert niet het volk maar de massa, leven wij niet in een democratische orde maar in een staat van anarchie waarin de massa, vroeg of laat, om een Grote Leider gaat roepen om de chaos te beteugelen en de orde te herstellen.

Wanneer ik het over de ‘klassieke interpretatie’ heb, dan bedoel ik dat zo letterlijk mogelijk. In de geschriften van Griekse denkers en schrijvers als Thucydides, Plato, Aristoteles, Isocrates en Polybius komen we beschouwingen tegen over de overgang van democratie (regering door het volk) naar iets anders, dat soms anarchie heet, soms (bij Polybius) ochlocratie, d.w.z: de regering door de massa (ochlos), of soms zelfs cheirocratie, de heerschappij van de vuist, oftewel het vuistrecht. In die overgangsfase verandert de sociale en morele zowel als de institutionele huishouding van een samenleving zodanig dat een gezond politiek systeem (democratie) plaats maakt voor een gevaarlijke fase van chaos en anarchie waarin de tirannieke verleiding levensgroot op de loer ligt.

Wanneer we de verschijnselen die deze overgang kenmerken – zoals beschreven door genoemde auteurs – op een rijtje zetten, dan komen we tot de volgende opsomming:

• In een democratie worden bepaalde tradities in ere gehouden, in een ochlocratie niet meer. ‘Alleen daar waar het als traditie geldt de goden te vrezen, de ouders te eren, oudere mensen te respecteren en de wetten te gehoorzamen, wanneer onder zúlke voorwaarden de wil van de meerderheid beslist, mag men van democratie spreken’, schrijft Polybius.

• In een democratie is een geheel ander vrijheidsbegrip in zwang dan in een ochlocratie. In een gezonde democratie wordt vrijheid gedefinieerd als het recht om te doen wat men behoort te doen. In een ochlocratie is vrijheid niet meer dan de eis om te kunnen doen en te kunnen zeggen wat men wil doen of zeggen omdat men dat leuk en lekker vindt en daarom ook goed. Vanuit het perspectief van een gezonde democratie is het vrijheidsbegrip in een ochlocratie ontaard in vrijblijvendheid en vrijpostigheid, wetteloosheid, ongebondenheid, onverantwoordelijkheid.

• In een ochlocratie verandert het taalgebruik: deugden worden ondeugden, ondeugden deugden. Wat onder gewone omstandigheden normaal is, krijgt in een ochlocratie een nieuwe, depreciërende benaming. Wat normaal ‘overmoedig’ heet, heet in een ochlocratie ‘dapper’; wat normaal ‘prudent’ is, wordt ineens ‘laf’. De schaamte wordt een ‘stommeling die moet worden verbannen’. Wie onbeschaamd is, heet moedig. Wie zichzelf beheerst, is een lafaard. Geen maat kunnen houden, is het echte leven. Anarchie wordt vrijheid zonder meer.

• In de chaos die ontstaat door deze herwaardering van alle waarden, staan politici op die zich als sterke man presenteren en die met voorbijzien aan bestaande wetten de orde zullen herstellen. Wat voor soort man is dat? Zo’n man is de verongelijkte, want voorheen buitengeslotene, en klassieke vrijheden en gelijke rechten zijn voor hem niet zo belangrijk meer als dat zij in de voorafgaande periode van de democratie waren. Bij Polybius heet hij ambitieus en onverschrokken, iemand die uitgesloten is geweest van eervolle functies in de politiek en die het volk misleidt en door het volk wordt gebruikt om een alleenheerschappij te vestigen.

• Want uiteindelijk is ochlocratie oftewel anarchie niet meer dan een tussenfase in de eeuwige cyclus van regeringsvormen, in dit geval tussen de regeringsvorm van de democratie en de alleenheerschappij die (op haar beurt) weer in despotie en tirannie ontaardt.

Het staat iedereen natuurlijk vrij zich hardop af te vragen waarom wij ons iets gelegen zouden moeten laten liggen aan de opvattingen van klassieke politiek filosofen die al zo’n 2500 jaar dood zijn. Maar wie de afgelopen jaren de Nederlandse politiek heeft gevolgd en daarna kennis neemt van deze klassiek theorie, moet haast wel geraakt worden door de frappante overeenkomsten. In een samenleving waarin – om het iets eigentijdser met de woorden van de Poolse filosoof Leszek Kolakowski te zeggen – het sacrale in de zin van het besef van het heilige is verdwenen, waarin men is gaan geloven dat de duivel verlost kan worden (m.a.w.: waarin het kwaad als iets tijdelijks en geneesbaars wordt gezien en het geloof in de utopie mogelijk wordt), waarin de band met het gegevene en gewordene (om die reden) is doorgesneden, waarin het samenleven niet meer wordt beleefd als een verbond tussen de levenden, de doden en de nog niet geborenen, en waarin de ongeschreven wetten niet meer in het menselijk hart gegrift staan, daar is het culturele fundament onder de democratische rechtsstaat verkruimeld en zo goed als volledig verdwenen.

Op de morele en sociale anarchie die daarvan het gevolg is (door sommigen verdedigd als de grote verworvenheden van 1968), hebben de grote constituerende partijen van de Nederlandse politiek (CDA, PvdA, VVD) geen antwoord. Dat is om meerdere redenen logisch. In de eerste plaats wel omdat een ochlocratie de regering van de massamens is, en de massamens is de gemiddelde mens. Ook de leden van onze elite behoren tot die categorie en vormen daarom in feite geen elite.

In de tweede plaats valt de periode van de morele en sociale anarchie in Nederland uitgerekend samen met een periode van immigratie en de grote kwestie van de integratie van (vooral islamitische) nieuwkomers. Dat is een grote culturele kwestie waar de leiders van de traditionele politieke partijen niet voor zijn opgeleid. Die kunnen heel goed met elkaar om een tafel gaan zitten om hier een procentje te plussen en daar wat te minderen om de inkomensplaatjes rond te krijgen (zoals we a.s. dinsdag ongetwijfeld weer zullen zien), maar zijn niet de virtuozen die in staat zijn een visie op cultuur en identiteit te verwoorden. Bovendien zijn hun partijen ontstaan op grond van een fundamentele overeenstemming over hele andere zaken, en zal een interne discussie over immigratie en integratie alleen maar tot verdeeldheid leiden, zoals we bij de VVD en de PvdA al hebben gezien. Om scheuringen te voorkomen zwijgt men liever, en laat men de spanningen oplopen.

Het politieke centrum is leeg en ‘benauwd’, zoals (zelfs) het CDA het deze week heeft uitgedrukt. PvdA, VVD en CDA zijn samen niet eens meer goed voor een Kamermeerderheid. Op de vleugels hebben zich politici gemanifesteerd die op z’n minst doen denken aan de soort die Polybius in een enkele zin typeerde. In de persoon van Rita Verdonk dient zich een ijzeren dame aan die het leiderschap ontging en die als volkstribuun de wil van de meerderheid tot wet wil verheffen. In de persoon van Geert Wilders – ook al verworpen door het establishment - hebben we te maken met een paniekconservatief die met voorbijzien van wetten en grondrechten de orde wil komen herstellen, en zichzelf en zijn zaak - in een merkwaardige combinatie van narcisme en demagogie - aankondigt in bewoordingen die van een anti-klassieke flinkheid getuigen.

De middelmaat van het centrum en het vigerende populisme kunnen alleen worden bestreden door een nieuwe elite die weer durft te moraliseren. Want zoveel is wel duidelijk als we de oude, klassieke analyse van ons huidige politieke klimaat serieus nemen: deze crisis is niet met wat politieke maatregelen en met wat geschuif in de diverse begrotingen op te lossen. Het gaat hier om een kwestie die Frits Bolkestein (het type politicus dat we meer dan ooit nodig hebben) als laatste heeft benoemd, in een artikel uit 1994: het belang om het culturele fundament onder de democratische rechtsstaat en de vrije markt te bewaren, om ‘de deugdzaamheid die het voortbestaan van vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid moet garanderen’.

De verwerping van deze agenda door de VVD heeft het befaamde gat op rechts geschapen.
We moeten dus weer moraliseren, schreef Bolkestein. De al eerder genoemde HJ Schoo viel hem hierin nadrukkelijk bij, in een artikel waarin hij een pleidooi hield voor een terugkeer naar ‘authentiek, ongezouten moraliseren’, want ‘bezield, verfijnd moraliseren is een teken van grote beschaving’ (de Volkskrant, 29 december 2006, in een recensie van een ‘mooi en liefdevol’ boek van de Amerikaanse historica Gertrude Himmelfarb).

Want uiteindelijk gaat het in samenleving en politiek om Selbstzwang, om ‘in vrijheid ontwikkelde zelfbeheersing’, als noodzakelijke basis van het goede burgerschap dat alleen de verwording van democratie tot ochlocratie kan voorkomen.

*) Een ingekorte versie van dit essay verscheen op zaterdag 13 september 2008 in de Volkskrant.

2.9.08

NOS-baas Laroes haalt uit naar Obama 08

Hans Laroes valt mij bij in de Volkskrant vanmorgen:

Door Maud Effting
De Volkskrant
gepubliceerd op 02 september 2008 08:01, bijgewerkt op 2 september 2008 08:51

AMSTERDAM - Hoofdredacteur Hans Laroes van het NOS Journaal heeft maandag op zijn weblog scherp uitgehaald naar het NPS-programma Obama’08. Hij ergert zich aan het feit dat er wél vijf speciale uitzendingen gemaakt zijn over Barack Obama en de Democratische Conventie, en niet over John McCain en de Republikeinse Conventie.
VergrotingVergroting

‘Ik begrijp niet dat niemand van degenen die er over gaan bij NPS en NPO niet na 5 seconden (oké, 5 minuten mag ook), heeft gezegd: ja maar, dat kan toch niet?’, schrijft Laroes . ‘Als je Barack zegt moet je ook John zeggen.’ Laroes reageert ook omdat hij als NOS Journaal veel kritiek kreeg; de NPS wordt vaak verward met de NOS.

Hij wordt bijgevallen op de NOS-site door columnist Bart-Jan Spruyt. Die noemt Obama’08 ‘bevooroordeeld, walgelijk, dom, onprofessioneel, schandalig, racistisch en weerzinwekkend’. Zo lieten co-presentatoren Prem Radhakishun en Jörgen Raymann openlijk blijken pro-Obama te zijn, en er werden dingen gezegd als ‘In Nederland begrijpen we niet dat u als zwarte Republikein kunt zijn’ en ‘Vrouwen horen gewoon bij de Democraten’. Op de site noemt Spruyt Radhakishun een ‘randdebiele grootbek’.

Eindredacteur Carel Kuyl van Obama ’08: ‘Ik word een beetje moe van al die meneertjes die overal wat van vinden. Laat Laroes lekker wat over zijn eigen programma zeggen. Dit was zo bijzonder dat we er aandacht aan wilden besteden. We zitten deze week met evenveel mensen in de VS.

‘Natuurlijk, het was een liefdesverklaring van Prem en Jörgen aan Obama, en je kunt je afvragen of die liefdesverklaring van – met name Prem – niet veel te luidruchtig was. Ze stonden allebei te stuiteren dat een zwarte mogelijk president zou worden. Maar je moet dit met een knipoog zien. Het was geen gewoon journalistiek programma. Meer een poging om er op een lichtvoetige manier aandacht aan te besteden. We lieten ook genoeg mensen aan het woord die zeer rechts waren.’

*) Dit artikel is overgenomen uit de Volkskrant.

26.4.08

Rebels rechts

Reportage: De mannen van het weekblad Opinio

*Verschenen in de Volkskrant, zaterdag 26 april 2008.
Zie hier voor het originele artikel met foto.

Het weekblad Opinio ligt in de clinch met premier Balkenende. Jaffe Vink en Bart Jan Spruyt van Opinio over ‘onverantwoordelijk gedrag’. ‘Zo’n Balkenende, waarom reageert die man zo paniekerig?’

Door Lidy Nicolasen

Er zijn dagen dat ze tijdens hun redactievergaderingen boven de garnalenkroketten een beetje hardop dromen. Dan kijken ze naar buiten vanuit het grand café Luxembourg naar het Lieverdje op het Spui in Amsterdam en verder. Op zulke dagen praten ze even niet over de inhoud van hun weekblad, maar fantaseren ze over het ideale kabinet.



Hans Wijers op Economie, Ad Verbrugge op Onderwijs, en ja, Paul Scheffer uiteraard, Paul Scheffer op Integratie. ‘Had de PvdA hem na publicatie van Het Multiculturele Drama bij de kladden gegrepen, dan was het met Pim Fortuyn heel anders gegaan. Je moet oog hebben voor politieke virtuozen, anders zit zo’n probleem de politiek voor dertig tot veertig jaar dwars.’

De grijze krullenbol met vlinderdasje is Jaffe Vink (56). De jongere, Bart Jan Spruyt (44). Ze zijn hoofdredacteur en adjunct van Opinio, het jonge opinieblad dat in de clinch ligt met premier Jan Peter Balkenende. Hij wil het blad het liefst nu al de mond snoeren, omdat het hem een ‘geheime rede’ over christendom en islam in de maag splitste. Het gebeurde via een pastiche van de hand van Jaffe Vink.

De islam zelf is het probleem, schreef hij paginagroot uit naam van Balkenende. Onverantwoordelijk gedrag, klaagde de landsadvocaat voor de rechter. Hij zei hetzelfde effect voor de Nederlandse samenleving en daarbuiten te vrezen als destijds bij de protocollen van de Wijzen van Sion voor de joden.

Plastischer: alsof iemand een brandende sigarettenpeuk in een winkel voor vuurwerk werpt.

De grap van pastiches, gefingeerde dagboeken of open brieven was niet zo lang geleden voorbehouden aan een links opinieblad als Vrij Nederland. Rebelse acties kwamen uit de koker van een studentenblad als Propria Cures. Nu neemt tegenhanger Opinio het voortouw voor het – overigens bloedernstig beleden – narren - schap. De hedendaagse rebellen zitten bij de website GeenStijl.nl, die iedereen, maar bij voorkeur het naar links neigende deel van de natie, vrolijk en ongenadig op de korrel nemen.

Vink en Spruyt willen hun stijlmiddelen ‘vrij en onverveerd’ kunnen toepassen om wekelijks hun achtergronden bij het dagelijkse nieuws aan de man te brengen. Dat de staat niet van die werkwijze gediend blijkt, verbijstert ze desondanks.

‘Zo’n Balkenende, waarom reageert die man zo paniekerig?’

De tegenvraag luidt: Waarom zou Balkenende een opvatting moeten uitdragen over de islam?

‘Omdat hij zich maandenlang heeft laten gijzelen door de film Fitna van Wilders, zegt Vink. ‘Omdat hij het debat niet aangaat. Het gaat dan niet alleen over terrorisme, maar ook over de islamitische cultuur. Er liggen rapporten van de Verenigde Naties over de Arabisch-islamitische landen, waarin drie problemen worden genoemd: gebrek aan vrijheid, gebrek aan kennis en een ongelijke manvrouw verhouding. China en India gaan snel vooruit, maar deze landen blijven ver achter. Dat heeft met de cultuur te maken. Als je die vooruit wilt helpen, moet je daar een visie op ontwikkelen.’

Spruyt: ‘Politiek is niet alleen een kwestie van beleid en regels maken, maar ook van het vertolken van een visie op je eigen land en je eigen cultuur en hoe je wilt dat die zich ontwikkelt. Er zijn zaken die de ontplooiing belemmeren, die verhinderen dat bepaalde groepen in de samenleving meekomen. Dat willen we bespreken. Uiteindelijk gaat het om dat culturele fundament waarover Frits Bolkestein vaak sprak, over het belang van vorming, van karakters die het culturele ideaal kunnen uitdragen.’

Vink: ‘Balkenende heeft ooit de islamitische scholen gevangenissen van achterstand genoemd.

Nooit meer iets over gehoord. En nu probeert hij Opinio het zwijgen op te leggen in een politiek proces.’

Niet rechts


Rechts is aan zet in Nederland. Ze veroorzaken rumoer, nemen het initiatief en dwingen niet zelden links in het defensief. Maar gek genoeg wenst geen enkele stroming zichzelf daadwerkelijk met ‘rechts’ aan te duiden. Ook de intellectuelen van Opinio willen er verre van blijven. Rechts en links zijn hokjes en die leiden tot verstarring en dogmatiek, zeggen ze. Liever typeren ze zichzelf als links-conservatief.

Ze willen zich laten zien als vrijgevochten denkers die een pleidooi voor vooruitgang houden.

‘De progressieven zijn niet progressief meer. Op het terrein van milieu bijvoorbeeld hanteren ze de opvattingen van Ot en Sien en geloven ze niet in het technisch vernuft van de mens.’

Hun geestverwanten herkennen ze blindelings aan hun nestgeur, omdat ook die mugged by reality zijn, overvallen door de werkelijkheid, zoals de Amerikaanse neoconservatieven dat uitdrukken. Ze bewonderen de Duitse schrijver Hans Magnus Enzensberger en diens opmerkingen over het ‘schandaal van de gelijktijdigheid’.

Spruyt: ‘Je kunt hier in alle rust je cappuccino nuttigen en menen dat alles pais en vree is, maar onderhuids verschuiven er opvattingen en verhoudingen in de samenleving die beslissend kunnen zijn.

Je moet je oog trainen om dat te zien. Dat zoeken naar de werkelijkheid is een doel op zichzelf.’ Later zegt hij: ‘De mensen zeggen tevreden te zijn, maar tegelijkertijd heerst er een groot onbehagen.’

En lust voor het scherpe debat om door ‘alle lulverhalen’ heen te prikken, ook dat moeten hun geestverwanten hebben. En dan imiteren ze PvdA-leider Wouter Bos. Polariseren! Tak! Confronteren!

Tak! Heftig debat! Tak! Spruyt: ‘Hij roept wel op tot het debat, maar voert het niet en dat getuigt van een enorme onmacht.’ Vink: ‘Ik neem het voor Bos op. Hij probeert het elke keer weer. Maar hij moet nu wel Vogelaar vervangen.’

Geen moment mag de indruk bestaan dat er sprake zou kunnen zijn van enige associatie met de nieuwe rechtse politieke bewegingen Trots op Nederland of de PVV.

‘Zullen we het verder niet over Wilders en Verdonk hebben? Daarover gaat het al genoeg.’

Desondanks zijn de thema’s van Opinio onmiskenbaar dezelfde als die van partijen ter rechterzijde.

De ‘noodzaak de eigen cultuur te herontdekken en te verdedigen’, de teleurstelling in de Haagse politiek en de alles overheersende leidraad: de dreiging van de islam.

‘Immigratie en integratie, het zal ook de komende decennia het centrale probleem zijn. De drie grote partijen in het midden moeten dat probleem aanpakken. Wij zijn van het radicale midden’, zeggen ze.

De grote politieke stromingen in Nederland zijn ontworteld, fietsen om de hete brei heen, vinden ze bij Opinio. Ze hebben een leegte laten ontstaan, die op ‘onwelgeval - lige wijze’ wordt ingevuld door Wilders en Verdonk. Oorzaak? De grote middenpartijen zijn in een ver verleden blijven hangen.

Vele jaren achtereen deelden ze twee aan twee de macht. Maar blijkens de peilingen zouden ze op dit moment zelfs met z’n drieën niet in staat zijn een kabinet te vormen.

Vink en Spruyt wijten de politieke versplintering ter rechter- en linkerzijde en het ‘sociaal-culturele nihilisme’, aan wat Scheffer de nieuwe sociale kwestie is gaan noemen: integratie en cultuur.

Het is een splijtzwam geworden, zegt Spruyt. ‘De politieke partijen zijn bang in hun eigen gelederen een debat op te roepen dat fel is en dat zal kraken. Het is explosief, omdat er binnen de partijen nooit overeenstemming over dit nieuwe, grote thema zal bestaan. ’ Vink: ‘Politieke stromingen worden bevraagd op hun tradities. De socialisten zijn in de versukkeling geraakt.Waar is hun inspiratie gebleven?

Daarom besteden wij aandacht aan Jacques de Kadt, de vergeten denker van het socialisme.

Die had het over het belang van morele veerkracht en over een nieuw cultuursocialisme. Hetzelfde geldt voor de VVD en het liberalisme.

Nu is het een partij die aan het versplinteren is en dat ontwricht de samenleving, het maakt het land onbestuurbaar.’

Mannen, veelal grijzend, zijn ver in de meerderheid op het vierde feestje van Opinio. In de pronkkamer van uitgeverij Meulenhoff wordt Het Goede Leven gepresenteerd, een bundeling van de in het weekblad afgedrukte briefwisseling tussen de ‘linkse’ classicus Piet Gerbrandy en de filosoof Andreas Kinneging. ‘De brief is op dit moment de beste vorm om het debat te voeren, ook het politieke debat’, zegt Vink bij die gelegenheid, doelend op de in in het weekblad afgedrukte briefwisseling tussen de Amsterdamse burgemeester Job Cohen en VVD-prominent Frits Bolkestein.

In de ogen van Gerbrandy is Opinio vooral een heroïsche onderneming.

Het zestien pagina’s tellende weekblad is gedrukt op roze papier.

Foto’s, tekeningen en advertenties ontbreken. Alleen tekst telt in de vorm van lange verhalen met in rood, blauw of zwart afgedrukte koppen. En dat in een tijd dat iedereen zegt dat er niet meer wordt gelezen en er overal plaatjes bij moeten, zegt Gerbrandy. ‘Lange, lange stukken. Bij bijna de helft van al die stukken word ik ontzettend boos, maar onze briefwisseling had nooit in een andere krant kunnen staan.’


‘Religie is belangrijk’


Vink en Spruyt hebben beiden een Nederlands-hervormde achtergrond.

De filosoof Vink zette bij het christelijke dagblad Trouw de bijlage Letter & Geest op, de historicus Spruyt werkte bij het Reformatorisch Dagblad. De laatste is nog steeds belijdend christen, Vink niet, maar atheïst wil hij zich beslist niet noemen. Religie is belangrijk, zeggen ze.

Vink: ‘De kerken zijn duf en sloom geworden. Het talent is al lang weggelopen. Maar zoals we politieke virtuozen nodig hebben, zo hebben we ook religieuze virtuozen nodig. Een cultuur kan niet zonder goden.’

Spruyt: ‘Het probleem van de zich progressief noemende intelligentsia is dat ze denken dat geloof een soort hobby van mensen is.

Maar geloof doordrenkt en bepaalt het leven. Als de vrije markteconomie en de democratische rechtsstaat geen cultureel fundament hebben, brokkelen ze af.

Atheïsme en vrijzinnigheid zijn geen positieve idealen. Ik vind de paus een geweldige vent. In zijn Regensburger rede is hij op een indrukkende manier de inhoudelijke discussie aangegaan met de islam, dat vind ik groots.’

9.4.08

Open brief aan Rita Verdonk

Geachte mevrouw Verdonk,

U en ik kennen elkaar niet persoonlijk, ik weet ook niet waar u woont en waarmee u zich de laatste dagen onledig hebt gehouden, maar toen ik dit weekeinde over een map met knipsels over de lancering van uw nieuwe beweging gebogen zat, stelde ik mij ineens zo voor dat u met uw mannen ook met zo’n map op uw schoot zat, en dat het bij u thuis een vrolijke boel was. Toen u met Ed en Kay op de gebeurtenissen van de voorafgaande dagen terugblikte, hebt u met elkaar geconcludeerd – zo stel ik mij voor – dat het Amerikaanse feestje in de Amsterdamse Passenger Terminal een groot succes was geweest, voorafgegaan en gevolgd door dagenlange gratis publiciteit. U was veel op televisie en de kranten en bladen stonden vol van u.

Maar ik denk dat dat niet de enige reden van uw vrolijkheid is geweest. Ik vermoed zo maar dat u zich met uw adviseurs vooral ook vrolijk hebt gemaakt over al die politicologen en journalisten die er – zes jaar na Fortuyn - nog steeds niets van begrijpen. In hun wereldbeeld had Geert Wilders in november 2006 naar Israël moeten emigreren. Maar hij won negen zetels. In hun wereldbeeld had u, nadat u de strijd om het leiderschap van de VVD van Mark Rutte had verloren, in de vergetelheid moeten wegzinken. Maar kijk, daar staat u ineens, geposteerd achter het roer van het schip van staat, ondanks een val van de keldertrap want een vrouw als u doet natuurlijk gewoon zelf de was, en u wordt door een grote menigte toegejuicht.

Kort voor de verkiezingen van november 2006 verscheen er een dikke bundel met wetenschappelijke studies over de ‘conservatieve onderstroom in de Lage Landen’. Dat boek had als titel Ruimte op rechts?, en de teneur ervan was dat er helemaal geen gat op de politieke rechterflank bestond. Wat een opluchting! Geert Wilders stond op één zetel in de peilingen, EénNL van Marco Pastors en Joost Eerdmans op 0,6 procent en de Lijst Vijf Fortuyn op 0,3 procent. Het gat van Fortuyn was een muizengaatje geworden. Er was geen enkele behoefte aan een nieuwe rechtse partij, de conservatieve kiezer was dik tevreden met het bestaande aanbod, zij stemden op CDA, VVD, SGP of ChristenUnie, en op rechts was er alleen nog ruimte voor wat ‘conservatief kruimelwerk’.
(Ik citeer uit een bijdrage van Joop van Holsteyn, die in Leiden hoogleraar in de Politieke Wetenschappen is, en er voor wordt betaald om verstand van dit soort zaken te hebben.)

In de peilingen van het afgelopen weekeinde staat uw TON op 22 tot 25 zetels en Geert Wilders op 18 zetels. De grote middenpartijen - CDA (31), PvdA (22) en VVD (13) - hebben nu samen 66 zetels: een nieuw diepterecord. Ook die dertien zetels van de VVD zijn een dieptepunt. Slechts 37 procent van de kiezers die in 2006 op de VVD stemde, wil dat nu weer doen; 40 procent van die kiezers stapt over op u. Door de electorale vlucht naar de flanken dreigt ons land ‘onregeerbaar’ te worden, zeggen journalisten en politici. Daarom worden alle echte problemen naar voren geschoven, want als ze iets niet willen, dan is het gedoe, geruzie en onenigheid. Daar komen maar verkiezingen van. Het woord ‘Weimar’ is de adequate metafoor voor deze situatie, maar dat woord mag je niet gebruiken want je zou er alleen maar iets mee oproepen. Als je in Nederland iets benoemt, word je er altijd van beschuldigd iets ‘op te roepen’, terwijl je het zo maar van de straat kunt oprapen.

Journalisten gaan prat op de onafhankelijkheid die de ontzuiling hen zou hebben gebracht. Maar in feite hebben zij hun oude afhankelijkheid van partij en kerk alleen maar voor een nieuwe ingeruild: voor die van het systeem, de macht als zodanig. Daarom hebben ze ook zo’n hekel aan nieuwkomers. Daarom hebben ze met vereende krachten Fortuyn eerst doodgezwegen, daarna gedemoniseerd, en pas toen hij doodgeschoten was, hebben ze geschreven dat de ‘frisse wind’ die hij door de Haagse kaasstolp had laten waaien, zo’n zegen was geweest. Exit Fortuyn en zijn erfenis.
In die geest heeft Jan Tromp van de Volkskrant afgelopen zaterdag een schrikbeeld opgeroepen van ‘het land van Rita’. Hij typeert u als ‘ophaaldienst van verlangens en eisen’, en onder uw minister-presidentschap resulteert dat in een land met zesbaans snelwegen, gratis openbaar vervoer, de doodstraf voor zeer ernstige misdaden als moord, verkrachting en terrorisme, een straatverbod voor boerka’s, een bouwverbod voor nieuwe moskeeën, een verbod op huwelijksmigratie, een halvering van de btw en het aantal ambtenaren en een verbod op softdrugs. En dat alles wordt gebracht op een toon alsof de Hunnen het hier voor het zeggen gaan krijgen, als het aan u ligt.

Wat mij vooral heeft verbaasd – en wat u plezier moet hebben gedaan, omdat het nu eenmaal beter is om bepaalde misverstanden bij de pers te laten bestaan, want dan kunt u gewoon uw gang blijven gaan – is de rare, incorrecte typering van het soort kiezer dat u zou aantrekken. Dat zouden boze, blanke mannen zijn, verongelijkte 50-plussers, de achterblijvers, die via de politiek wraak willen nemen op het leven dat hen zoveel mislukkingen en teleurstellingen heeft gebracht. Dat klopt niet met de beelden en foto’s van de mensen die vorige week donderdag op uw feestje waren.
Toen Geert Wilders met de VVD had gebroken, in september 2004, trad hij ruim een half jaar later, in de lente van 2005, voor het eerst met een publieke speech naar buiten. Dat was in een Rotterdamse jachthaven, voor een groot gehoor dat vooral uit zakenmensen bestond. Hij werd enthousiast ontvangen en haalde die avond veel geld op. Een jaar later sprak hij weer voor een groep Rotterdamse ondernemers, in restaurant Old Dutch (!) aan de Rochussenstraat. Er waren toen veel minder mensen, de reacties op zijn speech waren kritisch, en hij kreeg bitter weinig geld mee. De kritiek van deze mensen bestond uit twee punten: dat hij niet met anderen (zoals Marco Pastors) wilde samenwerken en dat hij het altijd en eeuwig over de islam had.
Met andere woorden: de twee groepen die Pim Fortuyn nog aan zich had weten te binden – de nieuwe ondernemers en de autochtonen uit de achterstandswijken (grof gezegd) – hebben zich nu over u en Wilders verdeeld. Uw kiezers zijn geen chagrijnig knorrende mannen, maar mensen die de ruimte willen hebben om hun vleugels uit te slaan, en daarom niet in de file willen staan, geen last willen hebben van anderen, en zeker niet van minderheden die een bedreiging voor hun vrijheid zouden vormen.
Anders dan Wilders bent u er ook in geslaagd in te breken bij lokale VVD-politici, en oefent u grote aantrekkingskracht uit op plaatselijke politici die nu nog onder de vlag van Leefbaar Nederland of de LPF opereren. Ook dat is een teken aan de wand voor de vertegenwoordigers van de oudere politieke partijen.

Met dit alles vormt u momenteel de grootste bedreiging voor het Haagse establishment van politici en journalisten. Dat is een forse streep door de rekening, want zij leken zo succesvol op weg naar een restauratie van het Nederland van vóór Pim Fortuyn. Zelfs het koninklijk huis werd voor die agenda ingezet. Wilders’ Fitna en het daarop volgende Kamerdebat hebben echter onmiskenbaar duidelijk maakte dat er een zwart gat gaapt in de Nederlandse politiek. Tussen Wilders en de rest zit helemaal niets. Het is het radicalisme van de één versus de onmacht van de anderen, de fiere verbetenheid van Wilders versus het bijna aandoenlijke gestuntel van een doodnerveuze Pieter van Geel. Via ‘uitzending gemist’ heeft u het ongetwijfeld met plezier aangezien.

Maar de vraag waarover ik het met u zou willen hebben, is of u dat zwarte gat in Den Haag kunt gaan opvullen.
Laten we om te beginnen één ding afspreken: laten we uw beweging niet ‘conservatief’ noemen. Dat woord lijkt me sowieso een etiket dat u graag vermijdt. En terecht. De achterban van een conservatieve beweging bestaat in landen als de Verenigde Staten altijd uit een bundeling van drie verschillende groepen burgers: van ‘haviken’ (die de totalitaire ideologie van de politieke islam net zo’n groot kwaad achten als het inmiddels overwonnen fascisme en communisme), van libertariërs (die in de overheid geen oplosser van problemen maar een onderdeel van het probleem zien) en van traditioneel, behoudend denkende en levende mensen, al dan niet gelovig. Christelijke mensen zijn er rechts, en rechtse mensen niet antireligieus. Zij begrijpen dat belangrijke instituties als de democratische rechtsstaat en de vrije markt een cultureel fundament nodig hebben, en dat de deugden die dat fundament vormen in niet onbelangrijke mate door gelovige mensen worden aangedragen. (Uw, naar eigen zeggen, grote voorbeeld Frits Bolkestein had het hier vaak over.) Dat wordt dus niets in Nederland, vooralsnog, waar christelijke mensen in negen van de tien gevallen links en politiekcorrect zijn en rechtse liberalen veelal antireligieus. Nederlandse conservatieven hebben momenteel dus niets in de politiek te zoeken; ze kunnen hooguit de analyses en ideeën aandragen waarmee een volgende generatie desgewenst zijn winst kan doen.

Nieuwsgierig naar uw intellectuele leidslieden, heeft men u eens gevraagd welke schrijvers er op uw nachtkastje lagen. ‘Thorbecke!’, antwoordde u, goed-liberaal als u toen nog wilde zijn. Dat leverde u de nodige hoon op, want de boeken van Thorbecke zouden helemaal niet op een nachtkastje passen en u zou uzelf dus als een intellectuele nitwit hebben ontmaskerd. Dat is natuurlijk onzin, want een bundel als Thorbecke en de wording van de Nederlandse natie is voor het slapengaan heel gemakkelijk in de hand te houden. Maar dat boek lijkt mij niet het soort proza te bevatten dat u nog even uit uw slaap kan houden.
Rousseau kan dat denk ik wel. Hij is de revolutionaire denker wiens gedachtegoed u zich volledig eigen lijkt te hebben gemaakt, in ieder geval zijn ideeën over volkssoevereiniteit en de volkswil. Volgens Rousseau ligt er, zoals u weet, een sociaal contract aan de samenleving ten grondslag: de mythe dat individuen in een soort natuurstaat uit eigenbelang hebben besloten om bepaalde individuele rechten op te geven en zich te onderwerpen aan een sociale orde. Wat binnen die orde mag en niet mag wordt bepaald door de soevereine wil, die bij Rousseau de uitdrukking is van de wil van de meerderheid van het volk. Ieder individu moet zich aan die volkswil als de hoogste autoriteit onderwerpen, en als hij dat niet wil moet hij ‘gedwongen worden om vrij te zijn’. Rousseau had dan ook veel sympathie voor de profeet Mohammed, wiens ‘gezonde denkbeelden’ immers een ‘staatsinrichting met een hechte samenhang’, een ‘perfecte eenheid’ garandeerden.
De Nederlandse democratische rechtsstaat is niet gebaseerd op het principe van de volkssoevereiniteit. De volkswil kan immers gemakkelijk leiden tot een tirannie van de meerderheid, die – bovendien – nogal wispelturig kan zijn en morgen kan herroepen wat vandaag nog heilig is verklaard. Daarom hebben wij een Grondwet met een opsomming van klassieke rechten en vrijheden die minderheden tegen de willekeur van toevallige meerderheden in bescherming neemt.

Over ‘de basis’ van uw beweging hebt u geen onduidelijkheid laten bestaan. ‘Ik luister naar het volk. De meerderheid beslist. Dat is democratie.’ En hoe die meerderheid erover denkt, gaat u via een eigen wiki-website vastleggen.
Als populistisch breekijzer in een politieke wereld die zich van de samenleving heeft vervreemd en geïsoleerd, klinkt dat nog aardig. De conservatieve journalist Bill Buckley zei het op zijn manier: we worden liever geregeerd door de eerste honderd namen uit het telefoonboek van Boston dan door de geleerde leden van de faculteit politicologie van de universiteit van Harvard. Maar als principe deugt uw ‘basis’ niet: het is op een gevaarlijke manier revolutionair. Al die concrete standpunten die de Volkskrant bij elkaar geënquêteerd heeft, interesseren mij niet zo. Waar het mij om gaat, is dat u zich als volkstribuun opwerpt als de woordvoerder van de massa wiens wil voor u wet is, of moet worden, en dat minderheden zich maar hebben te schikken.

Deze ‘basis’ leidt bij u nu al tot een zekere verblinding. Alhoewel u in uw vriendin en ‘medium’ Liesbeth van Dijk uw eigen Madame Blavatsky hebt gevonden, presenteert u zich niet als een gelovige. Er is echter een probleem: ongelovigen geloven alles. Zo gelooft u zelfs dat ‘een christelijke minderheid’ de rest van de Nederlanders haar wil wil opleggen door het winkelen op zondag te willen beperken. Maar de winkeltijdenwet dateert uit 1996, uit de hoogtijdagen van paars, toen de VVD met de PvdA en D66 regeerde, en bepaalt dat winkels op twaalf zondagen per jaar open mogen zijn. Wat het huidige kabinet nu doet, is het misbruik van bepaalde uitzonderingsbepalingen tegengaan. Het gedogen van dat misbruik lijkt me ook niets voor u. Regels zijn immers regels?
Bij het lezen van zo’n sneer naar een minderheid die een bedreiging zou vormen voor ‘vrijheden in het algemeen’, moet ik denken aan een vrouwspersoon die de belichaming vormde van Rousseau’s denkbeelden: Marianne, het symbool van de Franse Revolutie en de laïcistische natie, die gewapend met de fasces lictoriae, de bundel roedes die in het oude Rome de autoriteit en eenheid van de staat symboliseerde, de triomftocht van de Franse Republiek verbeeldt.

Door de verbinding die u wilt aanbrengen tussen u zelf als de eigentijdse Marianne met de fasces en de wil van de massa, dreigt u de overgang van democratie naar ochlocratie te gaan voltrekken. Wat ik daarmee bedoel is het volgende.
Klassieke politieke denkers als Aristoteles en Polybios hebben vastgesteld dat er in principe drie regeringsvormen zijn: monarchie (de regering door één persoon), aristocratie (de regering door een kleine groep vooraanstanden) en democratie (de regering door allen). Maar al die vormen kunnen ontaarden. Monarchie slaat dan om in dictatuur, aristocratie in oligarchie (de regering door enkele bevoorrechten), democratie in ochlocratie – dat wil zeggen, in een democratie regeert niet het volk, maar de redeloze massa, die niet met autoriteit wordt verheven maar naar de mond wordt gepraat. De voorwaarden voor een goed functionerende democratie gaan dan ontbreken – dat culturele fundament waar uw grote voorbeeld Frits Bolkestein het altijd over had – en het enige dat overblijft is het ideaal van de ongebreidelde vrijheid om te doen wat men wil en daarvoor maximale ruimte op te eisen, zonder rekening met anderen te houden. Als mijn voorgevoelens mij niet bedriegen, gaat u zich opwerpen als de volkstribuun die dat ideaal werkelijkheid wil maken. U maakt daarbij een grote erotische fout: als meisje dat graag aan de man wil, verklaart u zich bereid alles te doen om hem te behagen. Ik meen te weten dat mannen dat maar eventjes leuk vinden.

Maar dat is nog niet het einde van het verhaal. Want volgens de beproefde theorieën van de zojuist genoemde politieke denkers, vloeit daaruit een chaos voort die het volk opnieuw om een Grote Leider zal doen roepen. Het volk heeft nooit genoeg aan één IJzeren Rita. Het ijzer kan altijd nog harder.

Met de denkbeelden zoals u die tot nog toe hebt ontvouwd, mevrouw, is de democratie bij u niet in goede handen – ondanks alle schijn van het tegendeel. Bij u verwordt zij tot een ochlocratische tirannie van de meerderheid.
In het nieuwe boek van Paul Scheffer – het door u misprezen Land van aankomst – staat een belangrijk citaat van Manuel Castells, een Spaans socioloog. ‘Tegenover elkaar staan een kosmopolitische elite, die in dagelijkse verbinding staat met de gehele wereld, en een tribalisme van lokale gemeenschappen die zich terugtrekken in hun eigen ruimte als een laatste verweer tegen de macrokrachten die buiten hun greep hun leven bepalen.’ Ik deel uw verzet tegen die kosmopolitische elite, maar ben bang dat al die gewone mensen die de slippen van uw jas aangrijpen als hun ‘laatste verweer’ tegen alle bedreigingen die zij op zich af zien komen, bedrogen zullen uitkomen. U gaat een verantwoordelijkheid aan waartoe u net zo min bent toegerust als degenen die u bestrijdt. Dat wilde ik gezegd hebben.

[Opinio II-15 (11 april 2008)]

4.3.08

Is een historisch-kritische lezing van de Koran mogelijk?

In de Volkskrant van vandaag (4 maart 2008) staat het volgende opinieartikel:

De aankondiging van Geert Wilders dat hij een filmpje gaat maken om aan te tonen dat de Koran een fascistoïde boek is – een omkering van de gedachtegang van Winston Churchill, die Hitler’s Mein Kampf ‘de nieuwe Koran van geloof en oorlog’ noemde: ‘bombastisch, breedsprakig, vormloos, maar duidelijk in zijn boodschap’ – heeft de nodige commotie veroorzaakt. Landen die zich niet direct door een onvoorwaardelijke koestering van de vrijheid van meningsuiting onderscheiden, dreigen al met een boycot, aanvallen (op onze militairen in Afghanistan) of andere represailles, en laten demonstranten nu al excuses eisen.

De Pakistaanse Telecommunicatie Autoriteit heeft de internetproviders in het land inmiddels laten weten dat de toegang tot de videosite YouTube tot nader order wordt geblokkeerd omdat er anti-islamitische filmpjes op staan, zoals de trailer van de aangekondigde Koranfilm van Wilders.

De dames en heren die ons kabinet bevolken, vrezen een nationale en internationale ‘crisis’, en hebben Wilders vorige week nog eens ontboden om hem op de mogelijke gevolgen van zijn film te wijzen en hebben hem gevraagd het project af te blazen. Je zou in een situatie als deze liever te maken hebben met een kabinet dat zegt: ‘Luister, de heer Wilders maakt een film, en maakt daarbij gebruik van zijn grondwettelijke rechten op de vrijheid van meningsuiting en religiekritiek. Als de speculaties over de teneur van zijn film juist zijn, zou het kunnen zijn dat wij ons van de inhoud distantiëren. Maar bij een dergelijk verschil van mening voeren wij hier in dit land een debat, desnoods tot de strafrechter aan toe. Zo gaan wij hier met elkaar om, en laten we dus niet merken dat iemand een vinger naar hem uitsteekt. We accepteren geen dreigementen, intimidaties, of geweld. Een dergelijke aantasting van onze rechtsstaat zullen we zonder genade moeten afstraffen.’

Maar we kunnen de ontwikkelingen rondom Wilders’ Koranfilm ook positief en optimistisch interpreteren, dialectisch zo u wilt, Paul Schefferiaans dus. Aan een periode van onverschilligheid waarin de autochtone bevolking en migranten vooral langs elkaar heen leefden – en ‘wij’ allochtonen een parallelle samenleving toestonden omdat een verzorgingsstaat en multiculturalisme nu eenmaal voedsterheren van tribalisme zijn – komt nu een einde. Zij gaat over in een periode van confrontatie, waarin we hard en scherp met elkaar in debat gaan. En die botsing leidt dan wel weer tot een nieuwe consensus, waarin de ongemakken uit heden en verleden zullen zijn overwonnen.

Voor het bereiken van die nieuwe consensus is veel afhankelijk van de kwaliteit van de reacties. Wilders’ film heeft al twee tegenfilmpjes opgeroepen: een multiculturele (te zien op internet), waarin Wilders als een extreme fascist wordt neergezet, en een project van GroenLinks-kamerlid Tofik Dibi. Vooralsnog is er dus niet al te veel reden tot optimisme.

En toen wilde ook de KRO zich ermee gaan bemoeien, zo berichtte deze krant vorige week. De katholieke omroep had plannen voor een ‘Bijbelfilm als reactie op de Koranfilm van Geert Wilders’, waarin een ‘koppeling’ te zien zou zijn van ‘gewelddadige en intolerante bijbelteksten aan actuele gebeurtenissen, net als de film van de PVV-leider doet met de Koran’.

Alhoewel we het met die summiere inhoudsbeschrijving moesten doen, wisten we toen eigenlijk al genoeg. Zoals Wilders wil laten zien – naar we aannemen – dat bepaalde Koranpassages tot gewelddadige ontsporingen leiden, zo wilde de KRO duidelijk maken dat we moslims met zulke passages niet zwart mogen maken. Wij, wij christenen, kunnen er ook wat van. Die Bijbel van ons herbergt ook heel wat anti-liberale passages, en die leiden ook nog altijd tot vervelende dingen.

Het grappige is dat de KRO slechts enkele dagen later al bekend maakte toch van zo’n tegenfilm af te zien. Na ‘uitvoerig overleg’ hadden ‘journalisten van divers redacties’ van de omroep daartoe besloten. De journalisten waren – ‘na uitgebreide research’, dat wel - tot het inzicht gekomen dat zij geen bijdrage aan de discussie over de methode van Geert Wilders konden leveren, omdat ‘koppeling van Bijbelcitaten aan actuele politieke gebeurtenissen en gewelddaden onvoldoende basis voor een gedegen journalistieke productie opleverde’. Aan het proza te zien hebben al die journalisten in Nijmegen bij Schillebeeckx gestudeerd. Waarschijnlijk bedoelen ze gewoon: het aantal vermoorde abortusartsen en andere gewelddadige acties valt toch een beetje tegen, en er is beroerd weinig filmmateriaal van bewaard gebleven.

De naïveteit die uit dit afgelaste plan spreekt, is onthutsend. In het voornemen openbaart zich een gevaarlijke denkrichting die met het schrappen van de plannen niet is herroepen en die we – na het cultuurrelativisme en het multiculturalisme - zullen moeten overwinnen: het godsdienstrelativisme. Deze vorm van relativisme, bestaande in de gedachte dat alle geloven nu eenmaal een vorm van religie zijn en als zodanig onderling inwisselbaar, waarbij het onmogelijk is om te zeggen of het ene geloof beter is dan het andere, vindt gretig aftrek: van christen-democraten die het voor alle religie plegen op te nemen, tot sociaal-democraten die ‘religie’ (welke dan ook) omhelzen als ‘middel tot integratie’, tot zogeheten Verlichtingsfundamentalisten die alle religie even erg vinden en om die reden naar de onzichtbare marges van de samenleving willen verbannen.

Deze gedachtegang is een vervelende vergissing, die ons verhindert om aan migranten duidelijk te maken hoe en wanneer hun geloof in de Nederlandse samenleving inpasbaar is. Juist rondom het grote thema van deze dagen, de status van de Koran, is dat gemakkelijk duidelijk te maken. Het gaat er niet zozeer om wát er in de Koran staat, maar hoe die wordt gelezen. En dan kan de islam nog heel wat van het christendom leren.

Vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw is in West-Europa namelijk een belangrijk principe van kracht geworden: het hermeneutische principe dat klassieke teksten, profane en religieuze, een ontstaansgeschiedenis hebben; dat zij in vele manuscripten zijn overgeleverd; dat een vergelijking van deze verschillende tekstgetuigen tot de vaststelling van een tekst moet leiden die het origineel (de ‘autograaf’) zo dicht mogelijk benadert; en dat de uitleg van die teksten zijn uitgangspunt heeft in de historische context waarbinnen zij zijn ontstaan.

De Italiaanse humanist Lorenzo Valla (1407 – 1457) was een van de belangrijkste grondleggers van dit principe, dat in de praktijk revolutionaire consequenties had. Met behulp daarvan toonde Valla bijvoorbeeld aan dat de zogenaamde Donatie van Constantijn (waarmee deze keizer het gehele West-Romeinse Rijk aan de rooms-katholieke kerk zou hebben geschonken) geen tekst uit de vierde maar uit de achtste eeuw was, en dus een latere vervalsing. Met die vondst werd een dreun uitgedeeld aan de wereldlijke machtsaanspraken van de kerk.

Valla legde zich ook toe op het verzamelen van Griekse handschriften van het Nieuwe Testament, om de oorspronkelijke tekst van dit tweede deel van de Bijbel zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. Maar het was Erasmus (1466–1536) die niet alleen naar Griekse manuscripten speurde, maar (met behulp van de vondsten van Valla) de Griekse tekst van het Nieuwe Testament ook uitgaf (in 1516 voor het eerst; er zouden nog vier edities volgen), samen met een nieuwe Latijnse vertaling van de tekst. Hij deed dat om de bestaande vertaling van de Bijbel, de Vulgaat, te corrigeren. Als gevolg van dit project werd voor velen ineens duidelijk dat bepaalde kerkelijke dogma’s die op de tekst van de Vulgaat gebaseerd waren, in de gezuiverde tekst geen grondslag meer vonden.

Binnen de westerse traditie van de christelijke kerk is het dus al ruim vijf eeuwen mogelijk, en gebruik geworden, om de tekst van de Bijbel als een document met een ontstaansgeschiedenis te beschouwen, de vraag naar de zuivere lezing ervan te stellen en de tekst met historische distantie te interpreteren.

Binnen de islam lijkt dit niet mogelijk. De Koran is door Allah aan Mohammed gedicteerd, en een discussie over de wording ervan is daarmee uitgesloten – en daarmee ook de mogelijkheid om de boodschap van de Koran met historische distantie en reserve te lezen. Een islamitische pendant van ‘Nestle-Aland’ (zoals de kritische uitgave van het Nieuwe Testament naar de namen van de bezorgers in de wandelgangen wordt aangeduid) bestaat dan ook niet en is niet mogelijk. Recente berichten over de vondst van verloren gewaande fotografische opnamen van Koranmanuscripten in een Beiers archief (verhaald door Andrew Higgins in de Wall Street Journal van 12 januari), en over het verzet tegen de openbaarmaking daarvan, tonen dit helder aan.
De eigenlijke vraag aan de islam is dus niet om delen uit de Koran te scheuren of om hun heilige boek te verbranden, maar of een historisch-kritische lezing van de Koran binnen deze geloofstraditie tot de mogelijkheden behoort. Daarvan bestaan vooralsnog immers geen bewijzen.

In een kerstmeditatie in deze krant heeft een zekere meneer Spengler, columnist van de Asia Times, betoogd dat paus Benedictus XVI de enige echte leider van het Westen is omdat hij begrijpt dat er een godsdienstoorlog gaande is tussen Allah en de joods-christelijke God, en dat de rooms-katholieke kerk met het glashelder benoemen van het verschil tussen beide religies het belangrijkste instituut op aarde is.

Sinds vorige week weten we dat we Spengler in die conclusie alleen kunnen bijvallen wanneer aan de voorwaarde van de excommunicatie van de KRO is voldaan.