Showing posts with label Nederland. Show all posts
Showing posts with label Nederland. Show all posts

6.4.09

Conservatief Café

[persbericht]

From: F.J. Verhoef
Subject: Conservatief café (6 mei te Gouda)

Beste heer, mevrouw,

Conservatief Nederland lijkt massaal aan het webloggen geslagen. Nieuwe weblogs en conservatieve internetinitiatieven vliegen als paddenstoelen uit de grond. Er wordt volop gediscussieerd en geargumenteerd op het internet, maar, behoudens enkele initiatieven van de Edmund Burke Stichting en van bitterlemon.eu, blijft het daar tot nu toe ook bij. Het is daarom hoog tijd dat wij elkaar vaker en meer structureel in het echte leven ontmoeten en met elkaar in debat gaan.

Wij willen u daarom graag uitnodigen voor het Conservatief Café op 6 mei in Gouda. Bart Jan Spruyt, Elsevier-columnist en een van de oprichters van de Edmund Burke Stichting, zal een presentatie houden met als thema ‘wat conservatieven bindt’. Daarna zullen wij met elkaar gaan discussiëren en wat later op de avond is er voldoende mogelijkheid elkaar beter te leren kennen onder het genot van een drankje. Dit is kortom een uitstekende gelegenheid om elkaar te ontmoeten en het gesprek aan te gaan met medeconservatieven.

Doelstelling van deze avond is het samenbrengen van het brede spectrum van conservatieven uit alle hoeken van Nederland door middel van een presentatie, een debat en een informele ontmoeting met elkaar. Dit alles vindt plaats in de ambiance van een mooie zaal, koffie en drankjes. We zijn daardoor wel genoodzaakt een kleine toegangsprijs te vragen van acht euro de man. Aanmelding via onderstaand e-mailadres is noodzakelijk.

Nog even alles op een rijtje:

Presentatie: ‘Wat conservatieven bindt’ door Bart Jan Spruyt
Locatie: De Zalm, Markt 34 te Gouda
Datum: 6 mei 2009
Aanvang: 20:15 uur
Prijs: € 8,- p.p.
Aanmelding: conservatiefcafe@gmail.com

We hopen u te ontmoeten op het Conservatief Café in Gouda. Zou u dit bericht willen doorsturen naar vrienden en bekenden die mogelijk ook geïnteresseerd zijn?

Met vriendelijke groet,

Wilco Boender (conservatieforever.blogspot.com)
Rutger Schimmel (rutgerschimmel.wordpress.com)
Frank Verhoef (frankverhoef.wordpress.com)

3.4.09

Islam in Nederland

Het wetenschappelijk bureau van de ChristenUnie, tegenwoordig geleid door Gert-Jan Segers, organiseert morgen (zaterdag 4 april) een congres over de islam en Nederland. Voorafgaand aan deze conferentie, waarop ik een van de sprekers zal zijn (samen met o.a. Fatima Elatik en James Kennedy) publiceerde het christelijke opinieblad CV/Koers vandaag onderstaand interview met mij.

Het integratiedebat is in een teleurstellende impasse terechtgekomen, zegt Bart Jan Spruyt. Hij snapt niet hoe de Haagse elite de boventoon in het integratiedebat achteloos heeft overgelaten aan Geert Wilders. En vol ongeloof ziet Spruyt toe dat diezelfde Wilders “nu salonfähig wordt gemaakt.” Spruyt wil een botsing zien. Een hard maar fair debat om moslims de waarden van het vanouds christelijke Nederland bij te brengen.

Bart Jan Spruyt zit graag in kasteel Oudaen in Utrecht aan de Oudegracht. Hij heeft er veel herinneringen. Spruyt liep “op verschrikkelijke wijze een blauwtje”, toen hij met een grote bos bloemen vergeefs wachtte op de vrouw van zijn dromen. De bos bloemen gaf hij maar aan de dame achter de bar en met zijn gedroomde vrouw is hij alsnog getrouwd. Nu komt Spruyt vooral naar Oudaen om gesprekken te voeren.

Gesprekken voeren doet Spruyt graag. In interviewprogramma Het Gesprek, in het verleden als politiek verslaggever van het Reformatorisch Dagblad en nu als publicist voor onder meer Binnenlands Bestuur en Elsevier. Op zijn weblog ventileert Spruyt zijn visie op politiek en maatschappij. Dat gaat er soms niet zachtzinnig aan toe. “Fair maar hard. Zo moet het debat gevoerd worden”, vindt Spruyt dan ook. “En dat is nu precies wat ontbreekt in het debat over immigratie en integratie. Voorspelbare onderwerpen, voorspelbare mensen, voorspelbare meningen.”

“Ik zwalk hierin tussen hoop en wanhoop”, zegt Spruyt. “Hoopvol door bijvoorbeeld NL2023, een initiatief van een groep jonge Marokkanen. Ze willen duidelijk maken dat zij een constructieve bijdrage willen leveren aan de toekomst van Nederland, ondanks dan wel dankzij hun religieuze en culturele achtergrond.”

“Maar ik heb ook wantrouwen. Neem nu Ahmed Marcouch, de sheriff van Amsterdam Zuid-Oost. Met die man kon ik prima opschieten. Als ik 'm tegenkwam stompten we elkaar joviaal op de borst. Hij had goede ideeën en kwam met prima initiatieven. Maar dan maakt 'ie zich ineens sterk voor een subsidie voor een of andere fanatieke moslim die in Nederland een lezing moet komen geven. Dan denk ik: stink ik er gewoon telkens weer in? Of is er een dimensie die ik niet begrijp in deze problematiek, iets hogers of zo? Ik denk het eerste.”

Graniet
De islam ligt als een brok graniet in ons vlakke religieuze landschap, citeert Spruyt de liberaal-conservatieve socioloog Jacques van Doorn. “Daarmee kun je drie dingen doen. Het laten liggen, en kijken wat het wordt. Dat is levensgevaarlijk. Je kunt het bijschaven, zodat het gaat passen in ons polderland of je kunt 't wegpesten. Dat laatste is wat Geert Wilders voorstaat en dat is onmogelijk en ongewenst. Ik kies liever voor die tweede variant. Maak de moslims duidelijk hoe wij in onze cultuur met elkaar omgaan; een pluriforme cultuur van geloofsvrijheid en gewetensvrijheid. Als wij onze cultuur en traditie niet beschermen, gaan ze eraan. Nederland moet die botsing met de islam niet uit de weg gaan, want juist als je botst, wordt je je bewust van je eigen identiteit.”

U wilt de islam in Nederland bijschaven? Dat klinkt wat belerend. Verwacht u niets van de moslimbevolking zelf?
Op dat vlak niet. Als er ergens weinig zelfkritiek zit, is het wel bij de moslimgemeenschap. Maar ik zie dat bijschaven niet als iets eenzijdigs, maar ik wil dat doen in gesprek met de moslimbevolking. In debat. Een hard debat. En dat mag belerend zijn. Voor de islam in Nederland zal duidelijk moeten worden dat wij er hier bepaalde waarden op nahouden. Dat wij een grondwet hebben, een constitutie waarop onze samenleving is gebaseerd.

Dat klinkt als een debat met maar een mogelijke uitkomst...
Je verwacht toch niet dat als ik het debat inga, het mij niet kan schelen wat er uitkomt? Dat debat is geen dictaat. De moslims mogen natuurlijk iets terug zeggen, graag zelfs! Maar ik constateer dat er salafisten zijn, mensen met een dubbele agenda, die zich verschuilen achter de vrijheid van godsdienst en die ten onrechte gebruiken om een eigen parallelle samenleving te creëren. De rechten die wij grondwettelijk hebben, moet je niet misbruiken, want dan verlies je ze.

Maar er zullen veel moslims zijn, die zich daarin niet aangesproken voelen.
Dat zou best kunnen. Maar wat jij nu zegt, laat toch alleen maar zien dat er een debat nodig is. Niemand weet precies een antwoord op deze vragen.

Historicus George Harinck pleitte een tijd geleden voor een herverzuiling van de maatschappij. Laat de moslims zich maar verenigen. Dan zijn ze in elk geval duidelijk aanspreekbaar...
Dat ligt natuurlijk voor de hand. Balkenende heeft echter zelf gezegd dat wanneer de moslims zich verzuilen ze in een gevangenis van achterstand terechtkomen. Daarin heeft hij helaas gelijk. Onderzoek van Sjoerd Karsten, een PvdA'er voor de goede orde, wijst bovendien uit dat mensen op moslimscholen, die toch het gevolg van een herzuiling zullen zijn, elkaar niet stimuleren, maar elkaar omlaag trekken. Ze hebben geen voorbeelden aan wie ze zich kunnen spiegelen. Er zitten geen kinderen van tandartsen, advocaten of ingenieurs tussen. In een pluriforme samenleving met een flink debat komen we veel verder. Ik zie veel meer in een platform. Zoals die NL2023-club; nu nog klein, maar wellicht kan het zich verbreden. Dat stemt mij hoopvol.

Hobbels
Spruyt ziet echter ook veel hobbels op de weg naar een open debat. “Geert Wilders heeft de discussie over immigratie en integratie volledig naar zich toegetrokken, zodat debat hierover bijna onmogelijk is geworden. Ik verwijt dat ook de Haagse elite. Toen Wilders de politieke arena betrad, hadden zij de problemen die hij benoemde beter en intelligenter moeten benoemen dan hij. Maar ze hebben gezwegen, de andere kant op gekeken. En om toch gehoor te krijgen is Wilders steeds radicalere standpunten gaan uitkrijten.”

Eind 2005, begin 2006 was Bart Jan Spruyt de rechterhand van PVV-leider Geert Wilders. In die beginfase van de PVV schreef Spruyt mee aan het verkiezingsprogramma en was hij beste maatjes met Wilders. Nu is Spruyt volledig afgeknapt op Wilders, die met zijn partij in recente peilingen als grootste uit de bus kwam. “Ik had in beginsel de hoop dat we zouden komen tot een brede conservatieve beweging, maar daar was Wilders totaal niet in geïnteresseerd. Het gaat bij hem om 'ik: Geert Wilders.”

Wilders is geradicaliseerd, zegt Spruyt. “Ik weet nog goed dat hij een interview gaf aan het Algemeen Dagblad. Daarin zei hij onder meer: Over mijn lijk dat er een moslimburgemeester komt, in bijvoorbeeld. Rotterdam. Ik las dat stuk voor publicatie en toen heb ik tegen hem gezegd: Geert, dit kun je niet maken. Er komt een dag dat er een moslim komt, een oprechte democraat, die burgemeester wil worden. Daar kun je niet tegen zijn. Hij zei: Je hebt gelijk, ik schrap het. Maar nu Aboutaleb is aangesteld als burgemeester in Rotterdam, heeft Wilders grote kritiek. Je merkt dat er nu niemand meer is in zijn partij die enige kritiek op hem uitoefent; hij heeft een team vol ja-knikkers om zich heen verzameld.”

“Het enige dat Wilders wil, is dat blok graniet, die moslimbevolking wegpesten en zijn politieke dood uitstellen. Een tijdje geleden maakte hij z'n eerste grote blunder door te zeggen dat hij minister-president wil worden. Dat kan niet, ook al wordt de PVV de grootste. Want in een coalitie moeten concessies worden gedaan. En concessies kan Wilders niet verkopen aan zijn achterban.”

“Mij wordt wel eens rancune verweten. Maar dat is het niet. Het is niets persoonlijks, het gaat om een objectief verschil van mening. Persoonlijk, als mens mag ik Geert Wilders graag. Toen ik eens in het ziekenhuis lag, nam hij contact met me op. Dan belt hij eens, of hij stuurt een sms. 't Is jammer dat hij m'n kleine broertje niet is, heb ik vaak tegen hem gezegd. Ik zou hem dagelijks een pak slaag geven. Dan was er nog wel wat van te maken. Maar Geert is m'n broertje niet. Hij is een liberaal, en dan kun je nooit een held zijn. Voor een liberaal geldt maar éé ding als zijn hoogste goed: zijn eigen belang en zijn eigen persoon.”

Niet van Wilders
Volgens Spruyt wordt het tijd dat de Haagse politiek naast Wilders ook een standpunt gaat innemen over de islam in Nederland. “Dat is hard nodig. Ik ken mensen op het partijbureau van het CDA. Zij zeggen: Moslims? Nee, daar gaan we het niet over hebben. Wij zijn toch niet van Wilders. Dat valt mij zo tegen. En als Wilders Pieter van Geel bevraagt over de uitspraken van voormalig minister Vogelaar over een joods-christelijke-islamitische cultuur, dan zegt hij: 'christendom staat voor respect.' En dan loopt hij weg. Juist de christelijke partijen moeten duidelijk maken dat de constitutie, waar ik het over had, niet alleen dat dunne boekje is, maar ook de instituties die de democratische rechtstaat belichamen. En dat ons culturele fundament gevormd is in een eeuwenoude christelijke traditie. Constitutioneel patriottisme is hier op zijn plaats.

Is de worsteling van veel christenen niet begrijpelijk? Enerzijds zien ze de problematiek in de islam, maar ze willen ook hun ´christelijke medemenselijkheid´ betonen aan die moslims 'die het goed bedoelen'...
Flauwekul. Het heeft niks met medemenselijkheid te maken als je deze groep aan hun lot overlaat en laat gebeuren dat ze in een soort parallelle samenleving terechtkomen. Wie niet polemiseert, is niet bekeerd. . Polariseren is geen doel, maar wel een middel.

Welk geluid moet de christelijke gemeenschap volgens u laten horen in het islamdebat?
Ik zal je een schokkend verhaal vertellen. Ik heb een goede vriend in Engeland, Douglas Murray heet hij. Een goeie, geleerde jongen. Echt zo'n Oxford-knaap. Een neo-conservatief en Anglicaans bovendien. Beter kan niet, zou je zeggen. Maar nu las ik onlangs een artikel van hem met de kop: Studying the islam made me an atheist. De islam heeft ´m een atheïst gemaakt. Dit is precies waar ik bang voor ben. Ook in Nederland. Christenen die gaan zeggen: ach, die islam heeft ook wel gelijkenis met het christendom. Ze zijn ongeveer hetzelfde als het gaat om homo's, vrouwen en beide zien ze de mens als een afhankelijk schepsel Gods. Het trekken van die paralellen is levensgevaarlijk, want geloven zijn dan ineens relatieve varianten van dat ene verschijnsel, de pre-moderne religie.. Als christenen moeten we de islam beter bestuderen. Het christendom is een vredelievende godsdienst. Wij zijn niet uit op wereldheerschappij. De islam wel.

Laat de christelijke gemeenschap nu te weinig van zich horen?
Er kunnen natuurlijk zaken zijn die zich aan mijn aandacht onttrekken, maar in het algemeen hoor ik niet veel. Ieder jaar komen er bijvoorbeeld wel wat studenten langs die dan vertellen over hoe ze discussiëren over hun rol in het islamdebat. Moeten we ons terugtrekken in onze eigen groep of hebben we een boodschap voor de wereld. Natuurlijk zeggen ze iedere keer: Ja! We hebben een boodschap voor de wereld. Maar daar blijft het dan bij. Waarom zie ik ze nooit in de Rode Hoed debatteren en waarom lees ik nou nooit eens een stuk op de opiniepagina's van de Volkskrant?

U stelt dat christenen moeten opkomen voor de christelijke traditie waarop Nederland is gestoeld. Dat valt niet mee in een samenleving die steeds minder van christenen moet hebben.
Het herstel van ons cultureel fundament moet tóch komen uit de christelijke hoek. En daarin hoop ik sterk op een Reveil. Misschien is dat onwaarschijnlijk, maar dat was het in de negentiende eeuw ook. Ik ben hoopvol, want God is almachtig en goedertieren.

19.12.08

Kerstcolumn

Ah, het einde van het jaar! De tijd van korte, donkere dagen en lange avonden, van kou en haardvuur, misschien wel van vorst en sneeuw, van boeken en wijn, van familiebezoek, oude tradities en andere feesten, en, als het even lijden kan, van wat vrije dagen.

Zelf ga ik dezer dagen de fantastische, naar men mij heeft verzekerd, tentoonstelling over Erasmus in museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam bezoeken.

En ook, zoals elke winter, het volledige oeuvre van J.B. Schuil herlezen. Schuil (1875-1960) is de auteur van nooit verbeterde jongensboeken met titels als De AFC’ers, De Katjangs, Rob en de stroper van Tjot- Idi en, mijn favoriet, Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen: ridderlijke boeken over voetballende jongens, eerlijk bedreven kattenkwaad, slechte rapporten, dreigende verboden door strenge vaders, ontsnappingen met lakens uit slaapkamers en overwinningen in de laatste minuten. Ik wantrouw, eerlijk gezegd, iedere man, en zeker iedere vader, die Schuil niet eens per jaar herleest. ...

Lees de rest van mijn column in het speciale Kerstnummer van Elsevier. Abonneren kan hier.

2.7.08

Stijgende verwachtingen

Het Nederlands elftal is een te mooi meisje dat je altijd weer verleidt maar je uiteindelijk vooral teleurstelt.

Dat althans was tot voor kort mijn opvatting over Oranje (maar ik ben dan ook oud genoeg om de finales van 1974 en 1978 te hebben gezien). Na de klinkende overwinningen op Italië, Frankrijk en Roemenië viel dat natuurlijk niet meer vol te houden, en vandaar dat ik hier eigenlijk had willen schrijven dat deze successen van Van Basten vooral het gevolg zijn van een nieuwe benadering van het spelletje – een verschuiving van links naar rechts in het denken. Al te lang hebben we esoterische discussie over ‘het systeem’ moeten aanhoren (4-4-2 of 4-3-3?), maar toen het zover was stelde Van Basten gewoon zijn beste spelers op en liet hij individueel talent de speelwijze bepalen en niet het systeem de opstelling. Van Basten had zich dus net op tijd tot een conservatieve manier van denken over het voetbal bekeerd.

Toch wil ik het daar niet over hebben. Je moet immers niet altijd je gelijk willen halen, zeker niet bij zo’n gevoelig onderwerp.

Wat minstens zo interessant is, is een vergelijking tussen de weken van Oranjegekte die we hebben moeten doorstaan, de resultaten van recent onderzoek naar de tevredenheid van Nederlanders over hun leventjes, en het blijvende gevoel van onbehagen dat zich in geklaag blijft uiten.

Wat is dat toch, zo vroeg Balkenende zich vorige maand af: dat negatieve zelfbeeld dat wij Nederlanders van onszelf hebben, die volkomen onterechte klagerige houding? Evenals begin dit jaar, toen Alexander Rinnooy Kan en Paul Schnabel het kabinet te hulp schoten om dat vermaledijde ‘onbehagen’ te relativeren, schoten de autoriteiten op de achtergrond ook dit keer de premier te hulp. Het Sociaal en Cultureel Planbureau publiceerde eerder deze maand een onderzoek naar de tevredenheid van de Nederlandse burger. En dan blijkt dat een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking zich gelukkig noemt (als ze maar niet teveel De Telegraaf lezen!), maar dat bijna twee op de drie Nederlanders ook van mening is dat het met Nederland ‘meer de verkeerde dan de goede kant op gaat’.

We hebben het dus niet slecht, zeker niet, maar toch zijn we ontevreden, hebben we onze zorgen over de toekomst, en blijven we maar klagen.

Velen zijn daar verbaasd over. Het dagblad Trouw stuurt dezer dagen verslaggevers het land in om te ontdekken waar de ontevredenen toch zo ontevreden over zijn. Bas Heijne had het in zijn column in NRC Handelsblad (van 14 juni j.l.) over de ‘raadselachtige paradox’ dat veel Nederlanders ontevreden blijven, terwijl de cijfers vooral tot optimisme aanleiding geven.

Het is vooral die verbazing die verbaast. We hebben dit al wel eens eerder gezien. In het voorjaar van 2002 schreef The Economist dat geen land er zo fraai aangeharkt bij lag als Nederland, maar toch stemden we massaal op Fortuyn en diens agenda om een einde aan de ‘puinhopen’ van acht jaar paars te maken.

Maar het verbazingwekkende is vooral dat we blijkbaar niet meer weten dat er al 150 jaar boeken verschijnen waarin deze paradox op een overtuigende manier is verklaard. Het lijkt logisch om te denken dat burgers de straat op gaan om te protesteren tegen schrijnende sociaal-economische ongelijkheid. Maar Alexis de Tocqueville (1805 – 1859) sprak al over de paradox tussen verbeterde leefomstandigheden, de verwachtingen die daarmee worden gewekt en het maatschappelijk onbehagen dat ontstaat wanneer we daarin worden teleurgesteld. Hij noemde dat ‘de revolutie van de stijgende verwachtingen’. Als, in tijden van voorspoed, de verwachtingen toenemen, is niets zo groot als de angst om bij die verwachtingen achter te blijven. En als dat gebeurt, kan dat alleen maar de schuld van de ander of van de politiek zijn. We zijn dus ontevreden uit voorzorg, om gezichtsverlies te voorkomen.

Nederland is inmiddels in de kwartfinales op alle fronten afgetroefd door het Rusland van tsaar Guus. De verwachtingen die het mooie en verleidelijke meisje dat Oranje heet, heeft doen stijgen, hebben aanvankelijk tot de misplaatste euforie van nationalistische overmoed geleid, en die zal nu omslaan in decennia van nieuw chagrijn, nu ‘het zilverwerk’ opnieuw buiten bereik bleef. En het spannende is dat dit moment samenvalt met een andere deconfiture, die van de beweging Trots op Nederland.

*) Als column verschenen in Binnenlands Bestuur.

23.4.08

De Staat vs. Mathijsen

De Staat is op oorlogspad. Zo heeft de landsadvocaat op verzoek van minister-president Balkenende Opinio gedagvaard omdat dit blad een pastiche heeft gepubliceerd waarin JP de dingen zei die hij naar de mening van de redactie van Opinio eens over islam, christendom en de multiculturele samenleving zou moeten zeggen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er overduidelijk sprake was van een ‘een verzinsel’, dat Balkenende tegen een stootje moest kunnen en dat Opinio het verhaal om die reden niet hoefde te rectificeren.
De Staat laat het er niet bij zitten. Balkenende is deze week een bodemprocedure begonnen omdat heel veel lezers, met name ‘buitenlandse overheden en groeperingen’, de grap niet door hebben en Balkenende om die reden van dubbelhartigheid verdenken. ‘De Staat beschikt over signalen dat in het buitenland de rede voor echt is gehouden’, aldus de landsadvocaat. Als het aan de Staat ligt, wordt de vrijheid van meningsuiting in de toekomst dus begrensd door het bevattingsvermogen van potentiële terroristen in het buitenland.

Niet alleen Opinio moet eraan geloven. Deze week werd bekend dat de Staat ook stappen onderneemt tegen de 22-jarige schrijfster Alma Mathijsen. In haar boek Binnen spelen beschrijft zij haar seksuele avonturen met enkele publiek bekende Nederlanders, onder wie de minister-president. Zij beschrijft hoe zij hem opwacht in een café in de nabijheid van het Catshuis, nieuwsgierig als zij is naar de ‘rauwe oerman’ in onze minister-president. Wanneer zij hem een vraag stelt over de uitleg van een Bijbeltekst biedt de premier aan haar die uit te leggen op de achterbank van zijn dienstauto, waar hij altijd een Bijbel heeft liggen. Daar ontdoet de Nederlandse keizer zich van zijn kleren, vouwt ze keurig op, en nodigt hij haar uit hem aan zijn gerief te doen komen – maar juist als dat dreigt te gaan gebeuren, maakt hij er een einde aan en zet hij Alma de auto uit. ‘Ik sta op de stoep van een afgelegen huis en zie de geblindeerde auto wegrijden. Ik weet niet waar ik ben, maar dat geeft niet. Ik heb de premier ontbloot.’

Daar houden keizers uiteindelijk niet van, van ontbloting, of die nu puur fysiek van aard is of ideologisch. En nadat hij Alma volgens haar eigen verslag uit de auto had gezet, heeft Balkenende ook haar nu wegens bezoedeling van de Staat aangeklaagd.

In haar verweer heeft de advocaat van Mathijsen aangevoerd dat het achterplat van haar boek van haar ‘grenzeloze fantasie’ rept en dat zij haar boek opent met de waarschuwing dat alle gelijkenissen erin ‘geheel opzettelijk’ zijn.
Maar daar heeft de Staat niets mee te maken, zo heeft de RVD al in een persbericht uitgelegd. ‘De Staat beschikt over signalen dat niet weinig CDA-kiezers zulke relativerende opmerkingen niet begrijpen en om die reden denken dat de premier zich werkelijk op de achterbank van zijn dienstauto voor juffrouw Mathijsen heeft ontbloot. Daaruit zouden zij kunnen afleiden dat de CDA-leider niet de eerst aangewezen persoon is om het normen- en waardendebat in Nederland verder in goede banen te leiden. Het daaruit voortvloeiende verlies aan vertrouwen zou tot stemmenverlies bij de eerstvolgende verkiezingen kunnen leiden, hetgeen niet in het Staatsbelang is – zoals ook een goed debat over christendom, islam en de multiculturele samenleving alleen maar tot verdeeldheid binnen het CDA zal leiden en de opzet van het CDA om meer en meer allochtone kiezers voor zich te winnen, zal doen mislukken.’
Over deze met belastinggeld gefinancierde vermenging van partij- en Staatsbelang heeft de oppositie tot nog toe geen vragen gesteld.

(Opinio, II-18, 25 april 2008)

26.11.07

Opinio-TV: Auke van der Woud

Voor Opinio-TV, het nieuwe praatprogramma van Het Gesprek, interviewden Jaffe Vink (hoofdredacteur Opinio) en ik deze week Auke van der Woud, een architectuurhistoricus uit Groningen die bekendheid verwierf met Een Nieuwe Wereld: Het Ontstaan van het Moderne Nederland, waarmee hij eerder dit jaar de Historisch Nieuwsblad/Volkskrant Prijs won voor het beste geschiedenisboek van 2007. Deel 1 van het interview is hier te bekijken, gevolgd door deel 2 hier en ten slotte deel 3.

16.10.07

Ingeklonken land

De Bosatlas van Nederland moet ons weer een nieuw realisme bijbrengen, nu ‘overspelig gras’ beslag legt op de Nederlandse akker.

De politieke en bestuurlijke claque van Nederland lijkt zich en masse tot het nominalisme te hebben bekeerd. We geven de dingen wel bepaalde namen, maar dat betekent nog niet dat die namen ook iets zeggen over de zaken die ermee worden aangeduid. We hebben het wel over Nederland en de Nederlander, maar die bestaan eigenlijk niet. De werkelijkheid achter die woorden is te diffuus en te divers om er een bepaalde essentie van te kunnen aanduiden.

In zo’n klimaat is het misschien goed weer eens opnieuw te beginnen. Door gewoon te kijken, en zo weer wat realisme aan te leren. Door kaarten en plaatjes te bestuderen die een lange wordingsgeschiedenis in beeld brengen, en daarmee een gelaagdheid van de werkelijkheid die een onmiskenbaar karakter aan het licht brengt.

Een ideaal hulpmiddel is juist dezer dagen verschenen: de Bosatlas van Nederland.

Hij is fameus: de Grote Bosatlas. Iedereen kent hem van zijn middelbareschooltijd, met zijn kaarten van Nederland en de rest van de wereld, en een kleiner aantal thematische kaarten die informatie bieden over zaken als bodemgesteldheid en grondgebruik. Sinds 1877 verschenen 53 edities van dit monument. De laatste kwam begin dit jaar uit. Maar nu ligt er al weer een nieuwe atlas, twee stoeptegels groot, bijna vijf kilo zwaar, 560 pagina’s dik, gebonden en gestoken in een cassette: de Bosatlas van Nederland. Het buitenland doet niet mee in deze atlas. Hij gaat alleen over Nederland.

Premier Balkenende heeft het eerste exemplaar vorige week in ontvangst genomen, in het Haagse theater Diligentia. Hij ontboezemde daar, volgens de krantenberichten, dat hij een atlas het liefst open legt bij de kaart van Nederland, of preciezer: Zuid-Beveland, de streek waar hij zelf vandaan komt. Het bestuderen van zijn eigen geboortegrond, van de wording ervan, noemde hij een ‘eindeloos avontuur’. Als jochie had hij zijn eerste ‘Google Earth-ervaring’ door weg te dromen boven een atlas.
Zoveel lijkt mij wel duidelijk: als er al een ANWB-paddestoel in de tuin van Balkenende staat, wijst die, anders dan bij Máxima, niet de hele wereld rond, maar heeft hij slechts één pijl die steevast staat afgesteld op Zeeland, op het dorpje Kapelle-Biezelinge. Balkenende lijkt mij iemand die weet waar hij vandaan komt.

Deze nieuwe Bosatlas is een feest, voor iedere liefhebber van het Nederlandse landschap en de wording daarvan, de Nederlandse geschiedenis, bevolking en manier van leven. De eigenlijke typografische kaarten beslaan slechts 23 van de 560 pagina’s; de rest van de ruimte wordt in beslag genomen door thematische kaarten, prachtige luchtfoto’s van Karel Tomeï, en grafieken over de ontstaansgeschiedenis van Nederland en zijn (cultuur-)landschap, zijn staatsinrichting, zijn economie, cultuur en welzijn. De makers heeft niets minder voor ogen gestaan dan ‘een zo compleet en veelzijdig mogelijk beeld’ van alles ‘wat in Nederland speelt’.

Die taak en de uitvoering daarvan voorziet in uren- zo niet dagenlang blader- en leesplezier. Een kaart van de Nederlandse kust brengt bijvoorbeeld alle vuurtorens in beeld, met hun namen en ‘zichtbaarheidsgrens’. De kaart ernaast legt tot op het kleinste bootje uit hoe ons reddingswezen te water eruit ziet. Maar de atlas biedt ook informatie over dialecten en de routes van de Elfstedentocht, de Nijmeegse Vierdaagse en de Amstel Gold Race. We kunnen nu weten waar in Nederland zich de ziekenhuizen, voedselbanken en asielzoekerscentra bevinden, waar de trouwste voetbalsupporters, de meest verstokte rokers en de grootste innemers wonen, waar we bij de boer kunnen kamperen en waar de meeste fietsen worden gestolen. We kennen nu ook precies de carnavalsnamen van de Brabantste steden, en kunnen die via een apart register opzoeken. Maar we kunnen ook zien hoe het Nederlandse wegen- en spoorwegennet zich heeft ontwikkeld, van het lijntje Amsterdam-Haarlem in 1839 tot de wirwar aan lijnen nu.

Maar het mooist, wat mij betreft, zijn die gedeelten uit de atlas die het ontstaan van Nederland in kaart brengen. De gelaagdheid van het landschap wordt als vanzelf een metafoor voor de complexe lagen in de eigen geschiedenis. Als we in Nederland weer op zoek zijn naar binding, in de zin van een beleving van gemeenschappelijkheid, dan richt die zich niet alleen op een gezamenlijke taal en een gemeenschappelijk verleden, maar ook op de bodem, op een gemeenschappelijk territorium. De meeste bewoners van de Lage Landen bij de zee zijn door taal, huwelijk en werk aan een bepaalde streek gebonden. Veel mensen sterven in de buurt van het geboortehuis van hun ouders. Dat feit weerspiegelt zich op een prachtige landstrekenkaart in deze atlas (p. 203), een lappendeken ‘die in de hoofden van mensen het land afdekt’ en waarin echo’s uit de vroege Middeleeuwen en zelfs de Germaanse geschiedenis doorklinken.

De canoncommissie van Frits van Oostrom stelde niet voor niets dat kennis en begrip ‘van hoe dit land zich heeft ontwikkeld’ een belangrijk ‘leerdoel’ behoort te zijn, omdat het alle Nederlanders een vast referentiekader verschaft.

Deze atlas roept als vanzelf associaties op met de poëzie van Ida Gerhardt, dochter van Gorcum en Zutphen. In haar bundel De Ravenveer staat onder de Verzen van Holland onder andere het gedicht ‘Het erfgoed’:

Vooroudertrots: goed ingeklonken land.
Ik heb een aard die ingeklonken is
en uitverweerd. Waarin gezonken is
tot zware grond een laag van tegenstand.


Hoe die lagen zijn ontstaan en aanwezig blijven, laat deze atlas prachtig zien. En misschien doet het ook wel iets vermoeden van het vuur dat daarin verborgen kan liggen:

Vuur schuilt in stenen, van de schepping af.
Het slaapt totdat het wakker wordt getart.


De atlas laat natuurlijk ook zien hoe snel en radicaal Nederland de afgelopen decennia van aanzien is veranderd. Door de bevolkingstoename, de groei van steden, dorpen en het verkeer, de woeste secularisatie, en door de immigratie van de afgelopen jaren. Door een lichtzinnige politiek (‘Een vreemd overspelig gras / legt op de akkers beslag’, om Gerhardt nog één keer te citeren), door het ontwortelde nominalisme van onze elite, hebben wij de banden met ons eigen land, taal, geschiedenis en cultuur hooghartig verwaarloosd.

Maar, zegt dan Ahmed Aboutaleb (in een interview met het Reformatorisch Dagblad van afgelopen zaterdag): ‘Als je historische wortels hebt in Nederland kun je zeggen: ik heb de Nederlandse identiteit. Maar mensen zoals Máxima en ik kunnen niet terugvallen op een historische band met de bodem van dit land. Als je dan zegt: je hebt óf de Nederlandse identiteit óf niets, ontneem je ons de mogelijkheid om ons na verloop van tijd met Nederland te kunnen identificeren. En ik kan u zeggen: Ik ben hier weliswaar niet geboren, maar ik identificeer mij voor honderd procent met dit land. Dat moet je me niet willen afnemen’.

En gelijk heeft hij. Het is daarom jammer dat de politieke en staatkundige geschiedenis van Nederland heel feitelijk en opsommerig is gehouden, en het woord ‘grondwet’ in dat relaas niet één keer valt. Een verhaal over de strijd die op dit territorium is gevoerd voor klassieke rechten en vrijheden die in onze Grondwet gebeiteld staan (alhoewel daar sinds 1983 ook heel wat ‘overspelig gras’ in terecht is gekomen), had niet mogen ontbreken – als laatste punt van binding en referentie in dit land dat heeft geleerd dat diversiteit niet onbegrensd kan zijn.

Desondanks lijkt het mij goed om iedereen die voor zijn inburgeringscursus slaagt en een Nederlands paspoort verstrekt krijgt, dit boek cadeau te doen.

N.a.v. , De Bosatlas van Nederland
Wolters-Noordhoff € 99,95 (na 31 december € 129,95)

*) Een versie van deze recensie te verschijnen in HP/De Tijd.

15.12.06

Eeuwige beweging

Recensie van: Auke van der Woud, Een nieuwe wereld – het ontstaan van het moderne Nederland, Uitgeverij Bert Bakker. € 29,95*

De modernisering van Nederland schiep niet alleen een nieuwe werkelijkheid maar ook een nieuwe mentaliteit waarin voor de idealen van een oudere beschavingstraditie geen plaats meer was.

De ANWB, de Algemene Nederlandsche Wielrijders Bond, bestaat sinds 1883 en geeft sindsdien een tijdschrift uit dat mensen die niets zozeer vrezen als dat zij met pech langs de weg komen te staan, nog altijd krijgen toegestuurd: De Kampioen. Rare titel eigenlijk. Maar die titel verklaart niet alleen de toen opkomende populariteit van de viets (alleen het volk sprak eind negentiende eeuw van een ‘fiets’), en de snelle verbreiding van ‘wielrenverenigingen’, maar vooral ook het triomfantelijke gevoel dat zich meester maakte van de fietser die op ieder moment waarop hij dat zelf wilde een middel tot zijn beschikking had om zijn natuurlijke omgeving te verlaten, zich snel te verplaatsen, en zelf te bepalen waar hij naar toe ging. Hij voelde zich heer van de schepping: de beperkende grenzen die de natuur tot dan had gesteld, kon hij nu gemakkelijk overschrijden.

De overwinning op de natuur, de beheersing van tijd en ruimte, de bedwinging van het water, de aanleg van spoorlijnen en wegen, de komst van de tram en de auto, het systematisch in kaart brengen van het land, de introductie van telegrafie en telefonie, het ontstaan van de Randstad, en dus ook de razendsnelle opkomst en populariteit van het rijwiel, heel dit netwerk van mobiliteit en communicatie, heel deze – met andere woorden – modernisering van Nederland, vormt het onderwerp van een studie van de Groningse historicus Auke van der Woud (1947). Het is een boek om met eerbied op te pakken. Van der Woud heeft met een voorbeeldige akribie zijn bronnen bestudeerd en de resultaten van zijn jarenlange bestudering van de jaargangen van Eigen Haard, de Stoompost en het Tijdschrift voor Kadaster en Landmeetkunde (en vele anderen) in een zonder meer fascinerende studie neergelegd. Niet dat het allemaal zo meeslepend is opgeschreven, niet dat het boek een te verwachten epiloog bevat waarin de auteur de balans van een halve eeuw vernieuwing opmaakt, maar het onderwerp is zo onwaarschijnlijk boeiend dat het ontbreken van een zekere essayistische kracht en de beslissing om de evaluerende opmerkingen door het gehele boek te verspreiden, eigenlijk geen bezwaar meer vormen. Dit boek verdient een plaats in alle Sinterklaaszakken en onder alle kerstbomen.

Van der Woud publiceerde eerder een boek over het Nederlandse landschap in de eerste helft van de negentiende eeuw. Dat boek heette Het lege land, en beschreef een land waarvan grote gebieden nog woest en onbewoonbaar waren en dat meer op een derdewereldland leek dan op het land zoals we dat nu kennen. Van der Wouds vervolg beschrijft hoe dat land werd ontsloten en ontgonnen, werd opgestoten in een eeuwige, rusteloze dynamiek, en hoe Nederland een eenheid werd waarin de drang tot vernieuwing vanuit Den Haag werd aangestuurd. De komst van de telefonie, bijvoorbeeld, dat steden en dorpen onder een spinnenweb van ‘luchtdraden’ bedekte (zie foto), was aanvankelijk een particulier initiatief. Graham Bell uit New York vestigde gewoon een onderkantoor in Amsterdam. De Nederlandse staat besloot in 1895 echter de telefonie op basis van een nieuwe wet te regelen en de lijnen van Bell daartoe gewoon te ‘naasten’.

1848 is niet zonder reden het beginpunt van dit boek. De liberale Grondwet van Thorbecke bracht de vrijheid die de groei nodig had. Vrijheid werd onafhankelijk van de grillen van het staatshoofd en door de volksvertegenwoordiging in wetten begrensd. Publiek en privaat domein raakten van elkaar gescheiden. Het ‘algemeen belang’ rukte op, evenals de aanwezigheid van de staat. En de ‘jong-liberalen’ of ‘links-liberalen’ kregen een staat die zijn rol in het publieke domein steeds ruimer definieerde en de ontwikkeling van de maatschappij niet alleen mogelijk maakte, maar aan dat proces ook sturing en richting gaf. De beroemde Kinderwet van 1874 was een van de eerste voorbeelden van een overheidscorrectie op het vrije spel der maatschappelijke krachten.

Minstens zo fascinerend als deze onstuimige groei en de rusteloze drang naar vernieuwing en modernisering, is het feit dat deze ontwikkeling ook het geboorte-uur van het geslacht van de eeuwige mopperaars markeert. Want Van der Woud beschrijft niet alleen alle veranderingen, hij vraagt zich ook af – in het voetspoor van Alexis de Tocqueville – welke gevolgen het ontstaan van een moderne democratie als de Nederlandse voor de mentaliteit van de bewoners van dit nieuw ontgonnen land aan de Noordzee had. 1848, aldus Van der Woud, betekende zowel een politieke omwenteling als een mentale revolutie. De omslag van 1848 bracht macht over tijd en ruimte, en een groei die een nieuwe werkelijkheid schiep. In die nieuwe cultuur kwamen andere ‘waarden en normen’ centraal te staan. Zij werden zelfs zo dominant dat zij sindsdien als ‘normaal’ gelden. Die nieuwe cultuur was een massacultuur die was afgestemd op de ‘gemiddelde mens’. Kennis en vaardigheden raakten gericht op concrete, nuttige doelen die ‘vooruitgang’, materiële verbetering, comfort, gemak en (liefst onmiddellijke) behoeftebevrediging moesten brengen.

Dit nieuwe ideaal van nutsmaximalisatie en nivellering, deze platte cultuur van de jachtige massamens, impliceerde een afrekening met het oude beschavingsideaal waarin de intellectuele en morele vorming van de mens centraal had gestaan. De lectuur van Plato, Aristoteles, Cicero en de Bijbel had geen wereld van materiële voorspoed gebracht, geen overwinning op de eeuwige vijanden van de mensheid (armoede, ziekte, dood en geweld), en kon om die reden worden gestaakt. Cultuur als beheersing en vervolmaking van de menselijke natuur veranderde in de onderwerping en exploitatie van de buitenwereld.

Over de teloorgang van het oude beschavingsideaal ontstond al snel onrust. Een zekere dr. H. Blink blikte in 1932, 80 jaar oud, terug op zijn leven in dienst van de vooruitgang en constateerde: ‘Wij hebben te veel uit het oog verloren, dat er elementen van hoogere opvoeding noodig zijn voor de toekomst van het volk. Ook in het met zoogenaamde cultuur en wetenschap volgepropte West-Europa is een tekort aan geestelijke zin en moreele kracht bij de menschen.’ De jurist J. J. de Bassecour Caan had nog in 1856-1857 herinnerd aan het belang van ongeschreven wetten en morele plichten omdat zonder die ‘geene orde denkbaar’ was, en zijn inzichten werden tien jaar daarna nog in bestuurlijke handboeken en studieboeken verbreid. Maar de tijd stond niet aan zijn kant.

Blink en De Bassecour Caan zijn niet de geschiedenis ingegaan als de grote conservatieve cultuurcritici van de moderniteit. Die eer was voorbehouden aan enkele grote namen die wij nog altijd kennen: Nietzsche en Spengler, Karl Jaspers, Johan Huizinga en José Ortega y Gasset. Ook zij komen in Van der Wouds boek ter sprake. Volgens Jacques de Kadt waren boeken van Huizinga als In de schaduwen van morgen (1935) ingegeven door de angst dat de eigen deftigheid in het gedrang kwam, als een sociaal-economische reactie dus op de komst van de massacultuur van een nieuwe middenklasse. Wat Huizinga in werkelijkheid vreesde was de teloorgang van een beschaving en de komst van een nieuwe cultuur die zich geen houding kon geven tegenover de enorme reuzen die zij had geschapen.

Volgens Van der Woud begrepen Huizinga en de zijnen de nieuwe werkelijkheid niet en ervoeren zij haar daarom als geestloos. Die geest heeft inmiddels nog veel meer losgebrand wat al te vast zat, aldus Van der Woud, en dat heeft weer geleid tot ‘een nog veel krachtiger infrastructuur voor de cultuur van de eeuwigdurende beweging’, van televisiezenders tot internet, mobiele telefoons, software en biotechnologie.

Tsja. Wie ondanks alles maar niet kan ontsnappen aan de indruk dat cultuur toch meer moet zijn dan een reeks van technologische revoluties, en de afgelopen maanden nog heeft geconstateerd hoe de roep om vluchtige opwinding media én politici tot tamelijk banale campagnes heeft verleid, moet bij die opsomming toch denken aan die eerste zinnen uit Huizinga’s Schaduwen, over die bezeten wereld van verstomping en verdwazing, waarin nog wel vlaggen wapperen maar waar de geest geweken is.

*) Een versie van deze recensie is eerder verschenen in HP/De Tijd.

28.11.06

H.M.S. Titanic?

Varen wij allen op de H.M.S. Titanic en gaan de verkiezingen slechts over het arrangeren van de dekstoelen? Duns Ouray meent van wel....