Afgelopen dinsdag publiceerde ik – zoals elke week – op de website van Binnenlands Bestuur een column onder de titel ‘Blijvende correctheid’. Ik ging daar in op het feit dat de media zich nog geregeld schuldig maken aan verhullende politieke correctheid, en voerde daarvoor drie voorbeelden aan: de manier waarop er op radio en TV door de Bertus Hendriksen dezer wereld over de Moslimbroederschap wordt gesproken, de manier waarop er is bericht over die rare dialoogwandeling door Amsterdam-West en een uitspraak van politicologe en 'Egyptedeskundige' Monique Samuel. Er zijn altijd voorbeelden te over natuurlijk. Ik had het ook nog kunnen hebben over de manier waarop de NOS berichtte over de aanhoudende immigratie, die niet, zoals Rob Trip in het Journaal zei, zo maar uit de lidstaten van de Europese Unie komt, maar vooral uit enkele specifieke lidstaten zoals Polen, Bulgarije en Roemenië (wat hoofddemograaf Jan Latten ’s middags nog wel op de radio had mogen vertellen). Ook dat is verhullend en als zodanig een bron van nieuw onbegrip en onbehagen.
Maar met mevrouw Samuel is er iets aan de hand. Zij is half-Nederlands, half-Egyptisch en is de afgelopen weken verschillende keren op de televisie geweest om uit te leggen wat er allemaal in Egypte gebeurde. In een interview met het Nederlands Dagblad (helaas niet volledig on line) zei ze dat ze bij de NOS wel mocht praten over moslims en christenen die samen bidden maar niet over de islamitische aanslagen op twee koptisch kerken. Waarom mocht dat niet? ‘De NOS is bang voor islamofoob te worden uitgemaakt’, zei ze in het ND van afgelopen zaterdag.
Deze uitspraak nu, die ik in mijn column citeerde, heeft de toorn gewekt van de heer Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS Journaal. Er zou helemaal niets van kloppen, van die uitspraak van mevrouw Samuel over dat islamofobe karakter van de NOS. Mevrouw Samuel beweert inmiddels dat ze het zo niet heeft gezegd (maar dat er ‘natuurlijk wel iets achter die uitspraak schuilt’) en schijnt inmiddels haar excuses aan Laroes te hebben aangeboden. Dat doe je alleen wanneer je spijt hebt van je uitspraak, niet wanneer je het niet hebt gezegd en verkeerd geciteerd bent door het ND. Het interview in het ND was van tevoren ook door mevrouw Samuel gezien en gelezen en geapprobeerd. Mevrouw Samuel heeft inmiddels op twitter gezegd dat ze de NOS graag te vriend wil houden.
De spijt van mevrouw Samuel is de heer Laroes echter niet genoeg. Nu zij haar uitspraak wel heeft gedaan maar daar spijt van heeft gekregen vindt hij (schreef hij in verschillende tweets) dat mijn column op ‘flinterdun’ bewijs is gebaseerd en eist hij op hoge toon dat ik dat openlijk moet erkennen.
Dat valt allemaal nogal mee, denk ik. Het enige probleem is dat mijn betoogje gebaseerd was op drie voorbeelden waarvan er één is ingetrokken. De twee andere staan in ieder geval nog overeind, en zoals gezegd zou ik het aantal voorbeelden gemakkelijk kunnen vermeerderen.
Maar: is dat voorbeeld van mevrouw Samuel wel terecht ingetrokken? Is het wel terecht dat zij haar excuses heeft aangeboden, omdat de NOS wel degelijk aandacht aan het islamitische geweld tegen koptische christenen heeft geschonken? Dat is hooguit voor een deel het geval.
In zijn blog verwijst Laroes naar twee uitzendingen die duidelijk zouden moeten maken dat de NOS de nodige aandacht heeft besteed aan het lot van de Kopten in Egypte. Die uitzendingen hebben echter betrekking op de aanslag van 1 januari in Alexandrië en op tekenen van verzoening tussen moslims en christenen naar aanleiding van dat incident, vastgelegd door Nicole Lefever in de uitzending van 11 januari. Dat is dus ver voor de historische datum van 25 januari toen de revolutie uitbrak. Waar Samuel het op dat moment over wilde hebben waren natuurlijk de zware aanslagen van begin februari in de zuidelijke provincie Minya, waarbij minstens elf Kopten om het leven kwamen. Daar hebben we de NOS inderdaad niet over gehoord. Als we alleen de NOS hadden gehad, hadden we gedacht dat er ergens rond de jaarwisseling een incident was geweest maar dat die aanslag moslims en christenen juist dichter bij elkaar had gebracht. Gelukkig zijn er ook andere media en weten we beter, al heeft Laroes ondertussen mevrouw Samuel zo zwaar geïntimideerd dat hij haar haar excuses heeft laten aanbieden voor iets waarvoor zij haar excuses helemaal niet hoefde aan te bieden.
Zelf ben ik maar zo vrij dat niet te doen.
Showing posts with label NOS. Show all posts
Showing posts with label NOS. Show all posts
17.2.11
16.5.09
Ook Lange Frans is het zat
Op de website van de NOS staat mijn nieuwe blog over de Europese verkiezingen:
In mijn eerdere blogs heb ik wel eens de naam van Eline van den Broek, de Nederlandse lijsttrekster van Libertas, laten vallen. Ze doet het verrassend goed in deze campagne. Ze weet met regelmaat tot de landelijke media door te dringen, wat geen geringe prestatie is voor een nieuwe partij. En ze draagt standpunten uit om je vingers bij af te likken.
Zo verdedigde ze voor de microfoon van Standpunt Café de opvatting, ook ingenomen door de Amerikaanse oud-vice-president Dick Cheney, dat martelen soms gewoon moet. Eline heeft ongetwijfeld ook de boeken van Alan Dershowitz gelezen, en weet dus dat martelen, hoe erg ook, geboden is in een ticking bomb scenario. Martelen mag, ja moet, wanneer een terrorist is opgepakt van wie we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen aannemen dat hij informatie heeft over nieuwe aanslagen die vele burgers het leven zullen gaan kosten. Zo’n man moet toch echt even worden uitgenodigd om die informatie met ons te delen.
Dapper van Eline om zo’n on-Nederlands standpunt op de Nederlandse radio uit te dragen.
Eline begint anderen inmiddels vrees in te boezemen. Zo werd zij door het tv-programma Nova Politiek (van vrijdag 15 mei) uitgenodigd om mee te doen aan een live-debat met staatssecretaris Frans Timmermans van Europese Zaken. Maar Timmermans weigerde Van den Broek als gesprekspartner, zo liet hij via zijn woordvoerder weten. Omdat ze lijsttrekker van een partij was, terwijl meneer de staatssecretaris alleen een inhoudelijke discussie wilde. (Met een lijsttrekker kun je dus per definitie alleen niet-inhoudelijke discussies voeren? Dat klopt, maar het wordt pijnlijk als een staatssecretaris dat ook vindt.) En dus werd Eline van den Broek bedankt en zat er een linksige, SP-achtige man tegenover Timmermans, de voorzitter van het Comité Ander Europa. Van de man noch van zijn club had ooit iemand gehoord en dat zal wel zo blijven. Maar Timmermans kon nu in het debatje gemakkelijk overeind blijven, en zo had presentatrice Clairy Polak haar partijgenoot Timmermans toch nog een dienst kunnen bewijzen.
Aan het einde van het programma kwam het linkse duveltje wel zeer opzichtig uit het doosje van de publieke omroep schieten. Mevrouw Polak had het over de straat en de elite, de ondeskundigen en de deskundigen. De stem van de straat mag worden gehoord als daaruit maar vooral blijkt hoe dom en ondeskundig gewone mensen zijn, en hoe gelukkig het daarom is dat we ook nog Polaks en Timmermannen hebben.
Duidelijker dan op deze manier kun je niet zeggen: Ja, Wilders heeft gelijk, wij zijn inderdaad van het Noord-Koreaanse staatsjournaal, maar dat kan ons niks schelen want u kunt ons toch niets maken.
Rapper Lange Frans heeft een liedje geschreven (zie de website van Eline van den Broek) waarin hij uitlegt waarom hij voor de harde zakelijkheid van Libertas is. Op 4 juni worden we, als we niet uitkijken, weer voor de gek gehouden door een ‘blinde en corrupte elite’ die ons een referendum over die vermaledijde Grondwet beloofde maar ons die niet gaf. Die geld verspilt en zich doof houdt voor het schreeuwende volk. Hij loopt er niet meer achter aan, rapt Lange Frans, het wordt nu tijd voor een nieuwe partij.
Het is mooi dat er op rechts nu een alternatief is gekomen voor de PVV – die alleen maar eurosceptisch is en het cynisme naar de mond praat. Libertas, zo zou je kunnen zeggen, begrijpt de teleurstelling waarmee de bevolking zich van de politiek afwendt, maar kanaliseert die onvrede in een programma waarin Europa wordt teruggeroepen tot een politiek van haalbare kerntaken.
Ik krijg steeds meer begrip voor andere media die Eline hebben uitgeroepen tot een charmant rechts meisje dat – vergis u niet – zich als een provocatieve mini-Thatcher kan ontpoppen.
In mijn eerdere blogs heb ik wel eens de naam van Eline van den Broek, de Nederlandse lijsttrekster van Libertas, laten vallen. Ze doet het verrassend goed in deze campagne. Ze weet met regelmaat tot de landelijke media door te dringen, wat geen geringe prestatie is voor een nieuwe partij. En ze draagt standpunten uit om je vingers bij af te likken.
Zo verdedigde ze voor de microfoon van Standpunt Café de opvatting, ook ingenomen door de Amerikaanse oud-vice-president Dick Cheney, dat martelen soms gewoon moet. Eline heeft ongetwijfeld ook de boeken van Alan Dershowitz gelezen, en weet dus dat martelen, hoe erg ook, geboden is in een ticking bomb scenario. Martelen mag, ja moet, wanneer een terrorist is opgepakt van wie we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen aannemen dat hij informatie heeft over nieuwe aanslagen die vele burgers het leven zullen gaan kosten. Zo’n man moet toch echt even worden uitgenodigd om die informatie met ons te delen.
Dapper van Eline om zo’n on-Nederlands standpunt op de Nederlandse radio uit te dragen.
Eline begint anderen inmiddels vrees in te boezemen. Zo werd zij door het tv-programma Nova Politiek (van vrijdag 15 mei) uitgenodigd om mee te doen aan een live-debat met staatssecretaris Frans Timmermans van Europese Zaken. Maar Timmermans weigerde Van den Broek als gesprekspartner, zo liet hij via zijn woordvoerder weten. Omdat ze lijsttrekker van een partij was, terwijl meneer de staatssecretaris alleen een inhoudelijke discussie wilde. (Met een lijsttrekker kun je dus per definitie alleen niet-inhoudelijke discussies voeren? Dat klopt, maar het wordt pijnlijk als een staatssecretaris dat ook vindt.) En dus werd Eline van den Broek bedankt en zat er een linksige, SP-achtige man tegenover Timmermans, de voorzitter van het Comité Ander Europa. Van de man noch van zijn club had ooit iemand gehoord en dat zal wel zo blijven. Maar Timmermans kon nu in het debatje gemakkelijk overeind blijven, en zo had presentatrice Clairy Polak haar partijgenoot Timmermans toch nog een dienst kunnen bewijzen.
Aan het einde van het programma kwam het linkse duveltje wel zeer opzichtig uit het doosje van de publieke omroep schieten. Mevrouw Polak had het over de straat en de elite, de ondeskundigen en de deskundigen. De stem van de straat mag worden gehoord als daaruit maar vooral blijkt hoe dom en ondeskundig gewone mensen zijn, en hoe gelukkig het daarom is dat we ook nog Polaks en Timmermannen hebben.
Duidelijker dan op deze manier kun je niet zeggen: Ja, Wilders heeft gelijk, wij zijn inderdaad van het Noord-Koreaanse staatsjournaal, maar dat kan ons niks schelen want u kunt ons toch niets maken.
Rapper Lange Frans heeft een liedje geschreven (zie de website van Eline van den Broek) waarin hij uitlegt waarom hij voor de harde zakelijkheid van Libertas is. Op 4 juni worden we, als we niet uitkijken, weer voor de gek gehouden door een ‘blinde en corrupte elite’ die ons een referendum over die vermaledijde Grondwet beloofde maar ons die niet gaf. Die geld verspilt en zich doof houdt voor het schreeuwende volk. Hij loopt er niet meer achter aan, rapt Lange Frans, het wordt nu tijd voor een nieuwe partij.
Het is mooi dat er op rechts nu een alternatief is gekomen voor de PVV – die alleen maar eurosceptisch is en het cynisme naar de mond praat. Libertas, zo zou je kunnen zeggen, begrijpt de teleurstelling waarmee de bevolking zich van de politiek afwendt, maar kanaliseert die onvrede in een programma waarin Europa wordt teruggeroepen tot een politiek van haalbare kerntaken.
Ik krijg steeds meer begrip voor andere media die Eline hebben uitgeroepen tot een charmant rechts meisje dat – vergis u niet – zich als een provocatieve mini-Thatcher kan ontpoppen.
4.5.09
Om te winnen hoef je maar één boek te lezen
Op de website van de NOS staat mijn nieuwe column over de Europese verkiezingen van 4juni a.s.
En, hebt u al een partijtje bijgewoond waar de feestgangers verhit en verbeten over de Europese verkiezingen zaten te debatteren? Ik niet. En nu hebben we natuurlijk nog een week of vijf te gaan, maar ik heb sterk de indruk dat deze verkiezingen minder leven dan ooit.
Dat komt, vermoed ik, omdat de gedachten van de meeste burgers bij twee grote onderwerpen zijn: bij de kredietcrisis natuurlijk, en de vraag in hoeverre die hun levens gaat raken, en bij de discussie over de opkomst en gestage groei van de PVV en de moeite die andere partijen hebben om zich een houding tegenover Geert Wilders aan te meten.
En niemand heeft de indruk, en terecht, dat deze onderwerpen, die zich zo dicht bij huis afspelen, iets met Europa te maken hebben, of dat Europa daar een beslissende rol in kan spelen.
De eerste voorzichtige debatjes tussen de lijsttrekkers hadden een nationale focus. Wim van de Camp van het CDA lanceerde een omvangrijk bezuinigingsplan. Ging hij regelen zodra hij in Brussel zou zijn aangekomen. Hans van Baalen van de VVD was er als de kippen bij om het Nederlandse volk diets te maken dat die plannen ook betekenen dat het Nederlands als officiële taal van de Europese Unie zou gaan verdwijnen. ‘Mannen, willen wij dat? Nee, dat willen wij niet!’
Ik ben bang dat we de komende tijd iedere week zo’n plannetje voorbij zullen zien komen en een discussietje van dit niveau eruit voort zullen zien komen.
Daarom geef ik alle lijsttrekkers nu al mijn Geheimtip. Om deze verkiezingen te winnen, hoeven zij maar één boek te lezen. Het is geschreven door de Britse journalisten Christopher Brooker en Richard North en heet The Great Deception. Het geeft, in een uitmuntend gedocumenteerde studie, de ‘geheime geschiedenis’ van Europa: dat alle acties vanaf het begin gericht zijn op één supranationale regering en de bevolking dat niet mocht weten. Je hoeft dat verhaal alleen maar te vertellen en erbij te zeggen dat jij alles gaat doen om mensen de zeggenschap over hun leven terug te geven.
Hoe gaat het ondertussen met onze Eline van den Broek van de nieuwe partij Libertas? Zij mag niet aan lijsttrekkersdebatten deelnemen, maar gaat columns schrijven voor de website Dagelijkse Standaard van Joshua Livestro en lanceert binnen een dag of wat haar eigen website: www.eline.info. Zal het haar dus toch gaan lukken? Kijk maar uit, concurrenten, ik denk dat ze The Great Deception heeft gelezen.
En, hebt u al een partijtje bijgewoond waar de feestgangers verhit en verbeten over de Europese verkiezingen zaten te debatteren? Ik niet. En nu hebben we natuurlijk nog een week of vijf te gaan, maar ik heb sterk de indruk dat deze verkiezingen minder leven dan ooit.
Dat komt, vermoed ik, omdat de gedachten van de meeste burgers bij twee grote onderwerpen zijn: bij de kredietcrisis natuurlijk, en de vraag in hoeverre die hun levens gaat raken, en bij de discussie over de opkomst en gestage groei van de PVV en de moeite die andere partijen hebben om zich een houding tegenover Geert Wilders aan te meten.
En niemand heeft de indruk, en terecht, dat deze onderwerpen, die zich zo dicht bij huis afspelen, iets met Europa te maken hebben, of dat Europa daar een beslissende rol in kan spelen.
De eerste voorzichtige debatjes tussen de lijsttrekkers hadden een nationale focus. Wim van de Camp van het CDA lanceerde een omvangrijk bezuinigingsplan. Ging hij regelen zodra hij in Brussel zou zijn aangekomen. Hans van Baalen van de VVD was er als de kippen bij om het Nederlandse volk diets te maken dat die plannen ook betekenen dat het Nederlands als officiële taal van de Europese Unie zou gaan verdwijnen. ‘Mannen, willen wij dat? Nee, dat willen wij niet!’
Ik ben bang dat we de komende tijd iedere week zo’n plannetje voorbij zullen zien komen en een discussietje van dit niveau eruit voort zullen zien komen.
Daarom geef ik alle lijsttrekkers nu al mijn Geheimtip. Om deze verkiezingen te winnen, hoeven zij maar één boek te lezen. Het is geschreven door de Britse journalisten Christopher Brooker en Richard North en heet The Great Deception. Het geeft, in een uitmuntend gedocumenteerde studie, de ‘geheime geschiedenis’ van Europa: dat alle acties vanaf het begin gericht zijn op één supranationale regering en de bevolking dat niet mocht weten. Je hoeft dat verhaal alleen maar te vertellen en erbij te zeggen dat jij alles gaat doen om mensen de zeggenschap over hun leven terug te geven.
Hoe gaat het ondertussen met onze Eline van den Broek van de nieuwe partij Libertas? Zij mag niet aan lijsttrekkersdebatten deelnemen, maar gaat columns schrijven voor de website Dagelijkse Standaard van Joshua Livestro en lanceert binnen een dag of wat haar eigen website: www.eline.info. Zal het haar dus toch gaan lukken? Kijk maar uit, concurrenten, ik denk dat ze The Great Deception heeft gelezen.
31.10.08
Hints in the wind
Eén handdruk was ik verwijderd van Lou Reed. In het Grand Theatre aan de Markt in Groningen schudde ik deze week de hand van Laurie Anderson, zangeres van O Superman (1981) en de echtgenote van de zanger van Walk on the Wild Side en Perfect Day. Laurie Anderson en de muzikant Alvin Curran zaten in hetzelfde programma als ik: een avondje over de Amerikaanse verkiezingen, georganiseerd door het Studium Generale van de universiteit en gepresenteerd door oud-journalist Vladimir Bartelds.
Laurie Anderson en Alvin Curran presenteerden zich op onnavolgbare wijze als leden van de Amerikaanse radical chic. Ik vroeg me af of er in Nederland nog wel mensen zijn die zo ongelooflijk links zijn als zij. Dat de gevangenissen in de Verenigde Staten zo groot zijn, schreven zij bijvoorbeeld toe aan de privatisering: sindsdien is er een commercieel belang bij gevangenisstraffen en de rechterlijke macht schiet het bedrijfsleven graag te hulp. Maar ze brachten het heel kunstzinnig. Vooral de manier waarop Laurie Anderson sprak was knap, met een perfecte dictie en timing.
Maar na een poosje begon het toch te vervelen – totdat Alvin Curran een zin uitsprak die mij trof. Hij zei dat de stemming in de Verenigde Staten tot op zekere hoogte vergelijkbaar was met de sfeer aan de vooravond van 1968. Er komt verandering (change!), zei Curran, het wordt leven of dood (en Obama is natuurlijk het leven), mensen zijn op een prettige manier in verwarring en hopen op een nieuw begin. There is a hint in the wind, a hint of revolution.
Alhoewel met die uitspraak van Curran onduidelijk blijft waarom Obama dan nog niet op 80 of 90 procent van de stemmen staat, denk ik dat hij voor een deel gelijk heeft. En die hints suizen niet alleen door de Democratische maar ook door de Republikeinse wind.
Amerikaanse conservatieven staan dezer dagen voor een groot dilemma.
1. Ze weten dat de Republikein die in het Witte Huis zit, de mentale kleur aan de conservatieve beweging en aan de Republikeinse Partij geeft. (Vandaar dat ze de afgelopen jaren zoveel scherpe kritiek op de persoon en het beleid van George W. Bush hebben uitgeoefend.)
2. Ze weten ook dat het hart van McCain’s politiek in zijn weigering bestaat om links aan te vallen. Dat zou immers ‘hatelijk’ zijn en ‘verdeeldheid en tweedracht’ brengen. Tegelijkertijd is hij kritisch over rechts, dat immers ‘haat’ en ‘tweedracht’ zaait.
3. Ergo: wanneer McCain de nieuwe president van de Verenigde Staten wordt, zal er geen conservatieve en Republikeinse oppositie tegen links zijn, ook niet tegen het linksige in McCain zelf uiteraard, en de conservatieven zullen zich in de gemarginaliseerde positie bevinden waarin zij zichzelf hebben gemanoeuvreerd door deze McCain als president te kiezen.
Als Obama daarentegen de nieuwe president wordt, zal er een overvloed aan conservatief en Republikeins verzet tegen links zijn, en conservatieven zullen een hoofdrol spelen in de nationale politiek, in plaats van een bijrol in de marges. En Sarah Palin kan er dan in 2012 voor gaan.
4. Maar conservatieven weten ook dat een presidentschap van Obama zo beschadigend zal zijn voor het land dat zijn verkiezing simpelweg gestopt moet worden, hoe slecht McCain ook is en hoezeer hij het conservatisme ook zal beschadigen.
5. Voor conservatieven bestaat het dilemma dus in de vraag of zij de eerste drie argumenten overtuigender vinden dan het argument in stelling 4.
Ik ken nogal wat Amerikaanse conservatieven die van mening zijn dat de macht en Washington de Republikeinse Partij zozeer hebben gedeformeerd dat het tijd wordt voor een generatiewisseling – de oude mannen, die nog altijd gloriëren in de Reagan-jaren moeten plaats maken voor jonge(re) conservatieven die – in het spoor van de Tories van David Cameron – een inhoudelijke vernieuwing willen. Zij kiezen dus voor de eerste drie argumenten, en gaan volgende week niet stemmen. Ik begrijp hun positie, maar zou uiteindelijk toch kiezen voor argument 4 – omdat we het hier over politiek hebben en intellectualistische argumenten daarin maar een beperkte rol mogen spelen.
Na acht jaar Bush, na ongekend desastreuze populariteitscijfers, na een wanhopige oorlog in Afghanistan en Irak, na een kredietcrisis die gek genoeg aan ‘het kapitalisme’ en ‘de vrije markt’ wordt toegeschreven, met een kandidaat die door velen charisma wordt toegedicht en een onhandige tegenkandidaat van wie je in ieder geval moet toegeven dat hij blank is en een man en oud – nu zouden de Democraten toch een keer moeten kunnen winnen. Als ze dat lukt, zou dat betekenen dat Amerika een beetje meer op Europa is gaan lijken en dat zou erg jammer zijn. Maar de Republikeinen kunnen dan in de luwte van de oppositie een inhoudelijk alternatief gaan voorbereiden. Als het ze weer niet lukt, net als John Kerry in 2004, nou ja, dan toont de VS daarmee zijn kracht en blijven de Democraten de losers zoals we ze hebben leren kennen.
In Nederland zullen de teleurstelling en de verbittering ongekend zijn – vooral ook omdat de media hun enthousiasme voor Obama niet in bedwang hebben weten te houden en hij ook hier voor een Messias doorgaat – als de aankondiger van een nieuwe revolutie, vergelijkbaar met die van 1968. Waarmee maar weer bewezen is dat wat conservatief realisme de beste voorbereiding op een confrontatie met de werkelijkheid is.
(eerder verschenen op de website van de NOS)
Laurie Anderson en Alvin Curran presenteerden zich op onnavolgbare wijze als leden van de Amerikaanse radical chic. Ik vroeg me af of er in Nederland nog wel mensen zijn die zo ongelooflijk links zijn als zij. Dat de gevangenissen in de Verenigde Staten zo groot zijn, schreven zij bijvoorbeeld toe aan de privatisering: sindsdien is er een commercieel belang bij gevangenisstraffen en de rechterlijke macht schiet het bedrijfsleven graag te hulp. Maar ze brachten het heel kunstzinnig. Vooral de manier waarop Laurie Anderson sprak was knap, met een perfecte dictie en timing.
Maar na een poosje begon het toch te vervelen – totdat Alvin Curran een zin uitsprak die mij trof. Hij zei dat de stemming in de Verenigde Staten tot op zekere hoogte vergelijkbaar was met de sfeer aan de vooravond van 1968. Er komt verandering (change!), zei Curran, het wordt leven of dood (en Obama is natuurlijk het leven), mensen zijn op een prettige manier in verwarring en hopen op een nieuw begin. There is a hint in the wind, a hint of revolution.
Alhoewel met die uitspraak van Curran onduidelijk blijft waarom Obama dan nog niet op 80 of 90 procent van de stemmen staat, denk ik dat hij voor een deel gelijk heeft. En die hints suizen niet alleen door de Democratische maar ook door de Republikeinse wind.
Amerikaanse conservatieven staan dezer dagen voor een groot dilemma.
1. Ze weten dat de Republikein die in het Witte Huis zit, de mentale kleur aan de conservatieve beweging en aan de Republikeinse Partij geeft. (Vandaar dat ze de afgelopen jaren zoveel scherpe kritiek op de persoon en het beleid van George W. Bush hebben uitgeoefend.)
2. Ze weten ook dat het hart van McCain’s politiek in zijn weigering bestaat om links aan te vallen. Dat zou immers ‘hatelijk’ zijn en ‘verdeeldheid en tweedracht’ brengen. Tegelijkertijd is hij kritisch over rechts, dat immers ‘haat’ en ‘tweedracht’ zaait.
3. Ergo: wanneer McCain de nieuwe president van de Verenigde Staten wordt, zal er geen conservatieve en Republikeinse oppositie tegen links zijn, ook niet tegen het linksige in McCain zelf uiteraard, en de conservatieven zullen zich in de gemarginaliseerde positie bevinden waarin zij zichzelf hebben gemanoeuvreerd door deze McCain als president te kiezen.
Als Obama daarentegen de nieuwe president wordt, zal er een overvloed aan conservatief en Republikeins verzet tegen links zijn, en conservatieven zullen een hoofdrol spelen in de nationale politiek, in plaats van een bijrol in de marges. En Sarah Palin kan er dan in 2012 voor gaan.
4. Maar conservatieven weten ook dat een presidentschap van Obama zo beschadigend zal zijn voor het land dat zijn verkiezing simpelweg gestopt moet worden, hoe slecht McCain ook is en hoezeer hij het conservatisme ook zal beschadigen.
5. Voor conservatieven bestaat het dilemma dus in de vraag of zij de eerste drie argumenten overtuigender vinden dan het argument in stelling 4.
Ik ken nogal wat Amerikaanse conservatieven die van mening zijn dat de macht en Washington de Republikeinse Partij zozeer hebben gedeformeerd dat het tijd wordt voor een generatiewisseling – de oude mannen, die nog altijd gloriëren in de Reagan-jaren moeten plaats maken voor jonge(re) conservatieven die – in het spoor van de Tories van David Cameron – een inhoudelijke vernieuwing willen. Zij kiezen dus voor de eerste drie argumenten, en gaan volgende week niet stemmen. Ik begrijp hun positie, maar zou uiteindelijk toch kiezen voor argument 4 – omdat we het hier over politiek hebben en intellectualistische argumenten daarin maar een beperkte rol mogen spelen.
Na acht jaar Bush, na ongekend desastreuze populariteitscijfers, na een wanhopige oorlog in Afghanistan en Irak, na een kredietcrisis die gek genoeg aan ‘het kapitalisme’ en ‘de vrije markt’ wordt toegeschreven, met een kandidaat die door velen charisma wordt toegedicht en een onhandige tegenkandidaat van wie je in ieder geval moet toegeven dat hij blank is en een man en oud – nu zouden de Democraten toch een keer moeten kunnen winnen. Als ze dat lukt, zou dat betekenen dat Amerika een beetje meer op Europa is gaan lijken en dat zou erg jammer zijn. Maar de Republikeinen kunnen dan in de luwte van de oppositie een inhoudelijk alternatief gaan voorbereiden. Als het ze weer niet lukt, net als John Kerry in 2004, nou ja, dan toont de VS daarmee zijn kracht en blijven de Democraten de losers zoals we ze hebben leren kennen.
In Nederland zullen de teleurstelling en de verbittering ongekend zijn – vooral ook omdat de media hun enthousiasme voor Obama niet in bedwang hebben weten te houden en hij ook hier voor een Messias doorgaat – als de aankondiger van een nieuwe revolutie, vergelijkbaar met die van 1968. Waarmee maar weer bewezen is dat wat conservatief realisme de beste voorbereiding op een confrontatie met de werkelijkheid is.
(eerder verschenen op de website van de NOS)
17.10.08
Hoe McCain denkt nog te kunnen winnen
Voor het eerst riep een presidentieel debat niet alleen vanwege het tijdstip van de uitzending herinneringen op aan het beroemde gevecht tussen Mohammed Ali en George Foreman, in oktober 1974 in het toenmalige Zaïre (The Rumble in the Jungle). Ali paste toen de befaamde rope-a-dope taktiek toe: hij liet Foreman een paar ronden lang beuken en slaan, terwijl hij zelf in de touwen ging hangen. Daarmee putte hij Foreman zo uit dat hij zelf in de achtste ronde, met nog twintig seconden op de klokken, een dodelijk vermoeide en waggelende Foreman met twee klappen knock-out kon slaan.
Dat was ook de taktiek deze week van Barack Obama tijdens het derde en laatste presidentiële debat tussen hem en John McCain. Hij wist dat hij in de peilingen ver voor stond en alleen maar uit liep. Hij wist dat McCain een wanhoopsoffensief moest ontketenen, en dat hij zelf alleen maar cool & collected hoefde te verdedigen en presidentiële waardigheid uit te stralen. En zo scoorde McCain punten, maar won Obama – opnieuw – het debat. Het enige verschil met de Rumble in the Jungle was dat Obama niet het killer’s instinct had om het karwei voortijdig te klaren.
Nu Obama de debatten met McCain heeft gewonnen en nu hij dankzij de kredietcrisis op een comfortabele voorsprong staat in de peilingen, heeft hij natuurlijk nog niet de verkiezingen zelf gewonnen. Er zijn nog wat veldslagen te gaan.
Een goede vriend van mij woont in Pennsylvania, in het oosten, een uurtje rijden ten zuiden van Philadelphia. Hij stelde verrast vast dat zijn staat zich de laatste tijd mag verheugen in een haast overweldigende belangstelling van de Republikeinen. John McCain en zijn running mate Sarah Palin zijn er onlangs dagenlang geweest, voor bijeenkomsten zowel op het platteland als in de suburbs van Philadelphia.
Die belangstelling heeft alles te maken met een belangrijke strategische conclusie die het campagneteam van McCain heeft getrokken en de beslissing die zij daaruit laten voortvloeien: er is nog maar één kans om deze verkiezingen te winnen en die kans ligt in Pennsylvania.
Pennsylvania is een bijzondere staat. Met ongeveer 12,5 miljoen inwoners is het de zesde staat van de Verenigde Staten van Amerika, maar politiek en cultureel speelt het geen grote rol. De staat is gesticht door de religieuze maar tolerante sekte van de Quakers, en de grootste stad van Pennsylvania – Philadelphia – is de plaats waar zowel de Onafhankelijkheidsverklaring als de Constitutie is geschreven. Maar de staat heeft sindsdien geen grote schrijvers of filosofen voortgebracht. In economisch opzicht neemt de staat sinds de jaren dertig van de vorige eeuw geen belangrijke positie meer in, toen de kolenindustrie rond Pittsburgh tot stilstand kwam. De bevolking groeit nauwelijks nog. Pennsylvania is geen staat van grote bedrijven maar vooral van kleine zelfstandigen.
Pennsylvania vormde in april al het decor van een belangrijke slag in het duel tussen Obama en Hillary Clinton. Obama moest toen laten zien dat hij ook een staat met veel blanke blue collar workers (zogenaamde Reagan Democraten, economisch links maar cultureel conservatief) aan zich kan binden. Maar kort voor de voorkiezingen in Philadelphia maakte hij een grote fout, toen uitlekte dat hij tijdens een besloten fondsenwervingsavond in San Francisco uitspraken had gedaan over economisch gefrustreerde mensen in kleine plaatsen die zich ‘bitter vastklampen aan wapens en hun geloof’. Obama deed het niet goed in Pennsylvania.
Het team van McCain heeft nu vastgesteld dat de weg naar de overwinning langs alle staten leidt die George W. Bush in 2000 en 2004 heeft gewonnen, met twee uitzonderingen: Colorado en Virginia. McCain moet dan dus wel de swing states Florida, Ohio, North carolina, Missouri en Nevada winnen). Maar New Hampshire en enkele staten in het noordelijke midwesten (Iowa, Minnesota, Wisconsin, Michigan) kan hij laten lopen – met één uitzondering: Pennsylvania.
McCain heeft nog een boel te doen in Pennsylvania, en vandaar natuurlijk dat die vriend van mij uit Pennsylvania zoveel Republikeinse rallies ziet. Als deze tactiek slaagt, wint McCain de verkiezingen met 273-265.
We moeten twee kanttekeningen maken.
De strateeg achter deze beslissingen is Mike DuHaime, McCain’s politieke campagneleider. Hij was ook de man die Rudolph Giuliani adviseerde om tijdens de Republikeinse voorverkiezingen niet in New Hampshire mee te doen en pas actief te worden in Florida. Dat advies heeft voor Giuliani tamelijk desastreus uitgewerkt.
En misschien nog wel belangrijker: de conservatieve coalitie verpulvert met de dag. Niemand minder dan Christopher Buckley (1952) maakte bekend dat hij voor Obama gaat stemmen. De familie Buckley is de belichaming van het Amerikaanse conservatisme, de Kennedy’s op rechts. Christopher's vader, Bill Buckley, is de Godfather van de beweging. Christopher was speech writer van George H. Bush en van John McCain, en schreef een column voor National Review, het blad dat zijn vader in de jaren vijftig oprichtte en dat meer dan enig ander podium ervoor heeft gezorgd dat de coalitie werd gesmeed die de Republikeinse Partij is gaan dragen.
‘Sorry, Dad’, stond er boven zijn column die hem zijn positie bij National Review kostte. Maar hij schreef ook dat een verlies van McCain – vanwege zijn grote verdiensten voor het land - erger dan tragisch zal zijn: als graffiti op een marmeren borstbeeld.
Dat was ook de taktiek deze week van Barack Obama tijdens het derde en laatste presidentiële debat tussen hem en John McCain. Hij wist dat hij in de peilingen ver voor stond en alleen maar uit liep. Hij wist dat McCain een wanhoopsoffensief moest ontketenen, en dat hij zelf alleen maar cool & collected hoefde te verdedigen en presidentiële waardigheid uit te stralen. En zo scoorde McCain punten, maar won Obama – opnieuw – het debat. Het enige verschil met de Rumble in the Jungle was dat Obama niet het killer’s instinct had om het karwei voortijdig te klaren.
Nu Obama de debatten met McCain heeft gewonnen en nu hij dankzij de kredietcrisis op een comfortabele voorsprong staat in de peilingen, heeft hij natuurlijk nog niet de verkiezingen zelf gewonnen. Er zijn nog wat veldslagen te gaan.
Een goede vriend van mij woont in Pennsylvania, in het oosten, een uurtje rijden ten zuiden van Philadelphia. Hij stelde verrast vast dat zijn staat zich de laatste tijd mag verheugen in een haast overweldigende belangstelling van de Republikeinen. John McCain en zijn running mate Sarah Palin zijn er onlangs dagenlang geweest, voor bijeenkomsten zowel op het platteland als in de suburbs van Philadelphia.
Die belangstelling heeft alles te maken met een belangrijke strategische conclusie die het campagneteam van McCain heeft getrokken en de beslissing die zij daaruit laten voortvloeien: er is nog maar één kans om deze verkiezingen te winnen en die kans ligt in Pennsylvania.
Pennsylvania is een bijzondere staat. Met ongeveer 12,5 miljoen inwoners is het de zesde staat van de Verenigde Staten van Amerika, maar politiek en cultureel speelt het geen grote rol. De staat is gesticht door de religieuze maar tolerante sekte van de Quakers, en de grootste stad van Pennsylvania – Philadelphia – is de plaats waar zowel de Onafhankelijkheidsverklaring als de Constitutie is geschreven. Maar de staat heeft sindsdien geen grote schrijvers of filosofen voortgebracht. In economisch opzicht neemt de staat sinds de jaren dertig van de vorige eeuw geen belangrijke positie meer in, toen de kolenindustrie rond Pittsburgh tot stilstand kwam. De bevolking groeit nauwelijks nog. Pennsylvania is geen staat van grote bedrijven maar vooral van kleine zelfstandigen.
Pennsylvania vormde in april al het decor van een belangrijke slag in het duel tussen Obama en Hillary Clinton. Obama moest toen laten zien dat hij ook een staat met veel blanke blue collar workers (zogenaamde Reagan Democraten, economisch links maar cultureel conservatief) aan zich kan binden. Maar kort voor de voorkiezingen in Philadelphia maakte hij een grote fout, toen uitlekte dat hij tijdens een besloten fondsenwervingsavond in San Francisco uitspraken had gedaan over economisch gefrustreerde mensen in kleine plaatsen die zich ‘bitter vastklampen aan wapens en hun geloof’. Obama deed het niet goed in Pennsylvania.
Het team van McCain heeft nu vastgesteld dat de weg naar de overwinning langs alle staten leidt die George W. Bush in 2000 en 2004 heeft gewonnen, met twee uitzonderingen: Colorado en Virginia. McCain moet dan dus wel de swing states Florida, Ohio, North carolina, Missouri en Nevada winnen). Maar New Hampshire en enkele staten in het noordelijke midwesten (Iowa, Minnesota, Wisconsin, Michigan) kan hij laten lopen – met één uitzondering: Pennsylvania.
McCain heeft nog een boel te doen in Pennsylvania, en vandaar natuurlijk dat die vriend van mij uit Pennsylvania zoveel Republikeinse rallies ziet. Als deze tactiek slaagt, wint McCain de verkiezingen met 273-265.
We moeten twee kanttekeningen maken.
De strateeg achter deze beslissingen is Mike DuHaime, McCain’s politieke campagneleider. Hij was ook de man die Rudolph Giuliani adviseerde om tijdens de Republikeinse voorverkiezingen niet in New Hampshire mee te doen en pas actief te worden in Florida. Dat advies heeft voor Giuliani tamelijk desastreus uitgewerkt.
En misschien nog wel belangrijker: de conservatieve coalitie verpulvert met de dag. Niemand minder dan Christopher Buckley (1952) maakte bekend dat hij voor Obama gaat stemmen. De familie Buckley is de belichaming van het Amerikaanse conservatisme, de Kennedy’s op rechts. Christopher's vader, Bill Buckley, is de Godfather van de beweging. Christopher was speech writer van George H. Bush en van John McCain, en schreef een column voor National Review, het blad dat zijn vader in de jaren vijftig oprichtte en dat meer dan enig ander podium ervoor heeft gezorgd dat de coalitie werd gesmeed die de Republikeinse Partij is gaan dragen.
‘Sorry, Dad’, stond er boven zijn column die hem zijn positie bij National Review kostte. Maar hij schreef ook dat een verlies van McCain – vanwege zijn grote verdiensten voor het land - erger dan tragisch zal zijn: als graffiti op een marmeren borstbeeld.
3.10.08
Sarah Palin heeft de eer gered
In haar debat met Joe Biden bleef Sarah Palin fier overeind. Wat jammer dat het er misschien niet meer zo toe doet. Voorlopig althans.
Het blijft iets vreemds houden, ‘s nachts naar een politiek debat gaan zitten kijken. Het is overal donker, en je weet dat je een beetje een beroepsgedeformeerde bent om je nachtrust op te offeren aan 90 minuten politiek gekissebis. Dan waren er in oktober 1974 betere – gezondere - redenen om ’s nachts stiekem je bed uit te glippen om te kijken naar het grote gevecht dat bekend zou komen te staan als The Rumble in the Jungle.
Terwijl je naar het grote televisiedebat tussen de beoogde vice-presidenten van de Republikeinen (Sarah Palin) en de Democraten (Joe Biden) kijkt, email je wat met vrienden in de Verenigde Staten en je sms’t met (even gekke) vrienden hier. En het allervreemdste was: ik was een beetje zenuwachtig van tevoren.
Erg onpartijdig ben ik al niet, maar dit ging wel heel ver. Pas na een half uurtje ging het over, en ik betrapte me erop dat ik voortdurend op mijn horloge keek. Sarah Palin mocht dat niet doen – de oude Bush deed het ooit tijdens een debat en dat wordt hem nu nog nagedragen – en daarom deed ik het maar voor haar. En om half vijf vanochtend, toen het debat was afgelopen en Sarah Palin met man en kinderen naar het publiek stond te zwaaien, bemerkte ik dat ik bijna net zo opgelucht was als zijzelf.
Sarah Palin hield een fantastische speech op de Republikeinse Conventie. In de zalen, oog in oog met haar achterban, doet ze het heel goed. Een goede kennis van mij was in Grand Rapids (Michigan) toen Sarah Palin en John McCain die stad onlangs aan deden, en stuurde me een zelfgemaakte video. Het was electrifying.
Maar toen begon het gestuntel, en concludeerde 60 procent van de Amerikaanse kiezers dat Sarah Palin ongeschikt want te licht en te onervaren was om een goede president te zijn. Haar ervaring in de buitenlandse politiek moest, zo zei ze in een interview, blijken uit het feit dat ze vanuit Alaska Rusland kan zien liggen en dat Canada aan haar thuisstaat grenst. En ze kon geen kranten of tijdschriften opnoemen toen haar werd gevraagd naar de media waarmee ze zichzelf voedt. Die antwoorden, denk ik, kwamen ook voort uit een te groot wantrouwen jegens het (media-)wereldje van de oostkust. Bij die vraag naar die kranten en tijdschriften, moet Sarah Palin hebben gedacht: oh ja, ze denken natuurlijk dat ik alleen het plaatselijke suffertje en de National Review lees. En toen zei ze maar dat ze heel open en onbevooroordeeld alles tot zich neemt. En bij die vraag naar haar buitenlandse ervaring, moet ze hebben gedacht (u ziet, het kost mij om de een of andere reden weinig moeite mij te verplaatsen in het denken van een conservatieve dame): oh ja, ze denken natuurlijk dat wij hier in Alaska een beetje achterlijk zijn, en realiseren zich niet dat we zowel aan Rusland als (erger nog) aan Canada grenzen.
Maar de beelden waren vreselijk, en Sarah Palin was de openingsgrap van bijna alle praatprogramma’s. De vraag die vannacht aan de orde was, was eigenlijk alleen maar deze: zou Sarah Palin McCains ticket opnieuw bezoedelen of zou ze in staat zijn de schande van de afgelopen weken van zich af te schudden.
Dat laatste gebeurde. Sarah Palin heeft de vuurproef van dit debat boven verwachting doorstaan. Natuurlijk was Joe Biden – objectief en technisch bezien – beter, rustiger, ervarener, meer onderlegd. Maar hij is vooral ook de man die al 35 jaar in de Senaat zit en zo ook is gaan praten. Sarah Palin slaagt er veel beter in – kijkend in de camera - de grondtoon van het gewone Amerikaanse leven te raken. ‘She is herself and she is one of us’, zeggen haar aanhangers.
En zo hoorden we Sarah Palin zeggen dat ze niet gewend was aan die ingewikkelde manier waarop mensen in Washington hun gedraai verhullen. Gewone mensen willen duidelijkheid. Daarom zei ze dat die gewone Amerikanen zich nooit meer door de hebzucht van de banken en Wall Street willen laten uitbuiten. Daarom zei ze dat de overheid onderdeel van het probleem is en vaak vooral in de weg loopt en pleitte ze voor belastingverlaging. Daarom sprak ze warme woorden over het traditionele huwelijk, zonder dat ze de juridische rechten van homoseksuelen wil beperken. Daarom zei ze in Irak de witte vlag niet te willen hijsen, en bepleitte ze een surge in Afghanistan. En daarom zei ze zo vaak dat McCain een maverick was die vaak tegen de officiële partijlijn was ingegaan en daarom wel degelijk een agent of change kon zijn.
Voor de Amerikanen in de heartlands, zo stel ik mij voor, zijn deze punten overtuigender dan het brokje in Biden’s keel.
Maar het probleem is natuurlijk dat de feel die Sarah Palin belichaamt en weet uit te dragen, alleen in een andere setting nog van doorslaggevend belang zou zijn geweest. Het gesternte waaronder dit debat is gevoerd, is dat van de kredietcrisis, van een regering die daarmee wordt geassocieerd of vanwege haar politiek van deregulering daar zelfs alle schuld voor in de schoenen geschoven krijgt (hoe onterecht dat ook is), van een gestage daling van McCain in de peilingen, wiens gok om zich tijdelijk uit de campagne terug te trekken niet heeft gewerkt, en die – erger nog – gisteren ook besloot Michigan op te geven. Dat lijkt mij een tamelijk desastreus signaal. De strategie om de benodigde 270 stemmen te veroveren, is erop gericht om óf Pennsylvania, óf Wisconsin, óf Minnesota te winnen, plus een totaal van tien stemmen uit een combinatie van Nevada (5), Colorado (9) en New Hamsphire 94). Dan gaan ze er blijkbaar uit dat Florida en Ohio zeker zijn voor de Republikeinen.
Er was voor Sarah Palin dus ook weinig eer te behalen gisteravond. Voor Biden was het niet al te moeilijk om voortdurend te suggereren dat de keuze voor McCain en Palin een voortzetting van het beleid van de afgelopen acht jaar betekent. Sarah Palin slaagde er ook niet in bij de kiezer verwarring over Barack Hussain Obama te zaaien of zwevende kiezers een reden te geven om niet op de Democraten te stemmen.
Maar de eer is gered. En Sarah Palin blijkt een talent dat nu nog niet klaar is voor prime time maar dat over vier jaar zo maar wel kan zijn – hopelijk om Engelse toestanden te voorkomen waar de Tories sinds de komst van Tony Blair in de oppositie hebben gezeten.
Het blijft iets vreemds houden, ‘s nachts naar een politiek debat gaan zitten kijken. Het is overal donker, en je weet dat je een beetje een beroepsgedeformeerde bent om je nachtrust op te offeren aan 90 minuten politiek gekissebis. Dan waren er in oktober 1974 betere – gezondere - redenen om ’s nachts stiekem je bed uit te glippen om te kijken naar het grote gevecht dat bekend zou komen te staan als The Rumble in the Jungle.
Terwijl je naar het grote televisiedebat tussen de beoogde vice-presidenten van de Republikeinen (Sarah Palin) en de Democraten (Joe Biden) kijkt, email je wat met vrienden in de Verenigde Staten en je sms’t met (even gekke) vrienden hier. En het allervreemdste was: ik was een beetje zenuwachtig van tevoren.
Erg onpartijdig ben ik al niet, maar dit ging wel heel ver. Pas na een half uurtje ging het over, en ik betrapte me erop dat ik voortdurend op mijn horloge keek. Sarah Palin mocht dat niet doen – de oude Bush deed het ooit tijdens een debat en dat wordt hem nu nog nagedragen – en daarom deed ik het maar voor haar. En om half vijf vanochtend, toen het debat was afgelopen en Sarah Palin met man en kinderen naar het publiek stond te zwaaien, bemerkte ik dat ik bijna net zo opgelucht was als zijzelf.
Sarah Palin hield een fantastische speech op de Republikeinse Conventie. In de zalen, oog in oog met haar achterban, doet ze het heel goed. Een goede kennis van mij was in Grand Rapids (Michigan) toen Sarah Palin en John McCain die stad onlangs aan deden, en stuurde me een zelfgemaakte video. Het was electrifying.
Maar toen begon het gestuntel, en concludeerde 60 procent van de Amerikaanse kiezers dat Sarah Palin ongeschikt want te licht en te onervaren was om een goede president te zijn. Haar ervaring in de buitenlandse politiek moest, zo zei ze in een interview, blijken uit het feit dat ze vanuit Alaska Rusland kan zien liggen en dat Canada aan haar thuisstaat grenst. En ze kon geen kranten of tijdschriften opnoemen toen haar werd gevraagd naar de media waarmee ze zichzelf voedt. Die antwoorden, denk ik, kwamen ook voort uit een te groot wantrouwen jegens het (media-)wereldje van de oostkust. Bij die vraag naar die kranten en tijdschriften, moet Sarah Palin hebben gedacht: oh ja, ze denken natuurlijk dat ik alleen het plaatselijke suffertje en de National Review lees. En toen zei ze maar dat ze heel open en onbevooroordeeld alles tot zich neemt. En bij die vraag naar haar buitenlandse ervaring, moet ze hebben gedacht (u ziet, het kost mij om de een of andere reden weinig moeite mij te verplaatsen in het denken van een conservatieve dame): oh ja, ze denken natuurlijk dat wij hier in Alaska een beetje achterlijk zijn, en realiseren zich niet dat we zowel aan Rusland als (erger nog) aan Canada grenzen.
Maar de beelden waren vreselijk, en Sarah Palin was de openingsgrap van bijna alle praatprogramma’s. De vraag die vannacht aan de orde was, was eigenlijk alleen maar deze: zou Sarah Palin McCains ticket opnieuw bezoedelen of zou ze in staat zijn de schande van de afgelopen weken van zich af te schudden.
Dat laatste gebeurde. Sarah Palin heeft de vuurproef van dit debat boven verwachting doorstaan. Natuurlijk was Joe Biden – objectief en technisch bezien – beter, rustiger, ervarener, meer onderlegd. Maar hij is vooral ook de man die al 35 jaar in de Senaat zit en zo ook is gaan praten. Sarah Palin slaagt er veel beter in – kijkend in de camera - de grondtoon van het gewone Amerikaanse leven te raken. ‘She is herself and she is one of us’, zeggen haar aanhangers.
En zo hoorden we Sarah Palin zeggen dat ze niet gewend was aan die ingewikkelde manier waarop mensen in Washington hun gedraai verhullen. Gewone mensen willen duidelijkheid. Daarom zei ze dat die gewone Amerikanen zich nooit meer door de hebzucht van de banken en Wall Street willen laten uitbuiten. Daarom zei ze dat de overheid onderdeel van het probleem is en vaak vooral in de weg loopt en pleitte ze voor belastingverlaging. Daarom sprak ze warme woorden over het traditionele huwelijk, zonder dat ze de juridische rechten van homoseksuelen wil beperken. Daarom zei ze in Irak de witte vlag niet te willen hijsen, en bepleitte ze een surge in Afghanistan. En daarom zei ze zo vaak dat McCain een maverick was die vaak tegen de officiële partijlijn was ingegaan en daarom wel degelijk een agent of change kon zijn.
Voor de Amerikanen in de heartlands, zo stel ik mij voor, zijn deze punten overtuigender dan het brokje in Biden’s keel.
Maar het probleem is natuurlijk dat de feel die Sarah Palin belichaamt en weet uit te dragen, alleen in een andere setting nog van doorslaggevend belang zou zijn geweest. Het gesternte waaronder dit debat is gevoerd, is dat van de kredietcrisis, van een regering die daarmee wordt geassocieerd of vanwege haar politiek van deregulering daar zelfs alle schuld voor in de schoenen geschoven krijgt (hoe onterecht dat ook is), van een gestage daling van McCain in de peilingen, wiens gok om zich tijdelijk uit de campagne terug te trekken niet heeft gewerkt, en die – erger nog – gisteren ook besloot Michigan op te geven. Dat lijkt mij een tamelijk desastreus signaal. De strategie om de benodigde 270 stemmen te veroveren, is erop gericht om óf Pennsylvania, óf Wisconsin, óf Minnesota te winnen, plus een totaal van tien stemmen uit een combinatie van Nevada (5), Colorado (9) en New Hamsphire 94). Dan gaan ze er blijkbaar uit dat Florida en Ohio zeker zijn voor de Republikeinen.
Er was voor Sarah Palin dus ook weinig eer te behalen gisteravond. Voor Biden was het niet al te moeilijk om voortdurend te suggereren dat de keuze voor McCain en Palin een voortzetting van het beleid van de afgelopen acht jaar betekent. Sarah Palin slaagde er ook niet in bij de kiezer verwarring over Barack Hussain Obama te zaaien of zwevende kiezers een reden te geven om niet op de Democraten te stemmen.
Maar de eer is gered. En Sarah Palin blijkt een talent dat nu nog niet klaar is voor prime time maar dat over vier jaar zo maar wel kan zijn – hopelijk om Engelse toestanden te voorkomen waar de Tories sinds de komst van Tony Blair in de oppositie hebben gezeten.
25.7.08
Obama: de Amerikaanse Rita Verdonk
Europeanen zijn in de ban van Obama, maar moeten niet vergeten dat het wereldbeeld van de Amerikanen – zelfs Obama inbegrepen - heel wat minder naïef is dan het hunne.
Wat een man is die Obama, en wat ziet McCain groen van jaloezie!
Een analyse van alle peilingen in de Verenigde Staten maakt zo langzamerhand duidelijk dat Obama in november op een comfortabele manier de verkiezingen kan gaan winnen. In de afgelopen twee maanden staat hij consequent op een voorsprong van 4 tot 6 procentpunten. Hij leidt in 26 staten en in het District of Columbia met een totaal van 322 kiesmannen; McCain leidt in 24 staten met een totaal van 216 kiesmannen.
Bovendien heeft Obama inmiddels een foutloze buitenlandse reis achter de rug, bedoeld om de Amerikaanse kiezers duidelijk te maken dat hun land onder zijn leiderschap veilig zal zijn. Hij was in Irak, scoorde een driepunter in een basketbalzaaltje, vloog met generaal Petraeus over Bagdad en sprak met premier Al-Maliki. In Israël en de Palestijnse gebieden sloeg hij zijn arm zowel om de schouders van president Peres als om die van de Palestijnse president Abbas. In Berlijn sprak hij voor een menigte van meer dan 200.000 mensen – Europeanen die oorlogsmoe zijn en snakken naar de veranderingen die deze man belooft.
Obama beweegt zich stijlvol en elegant, cool en kalm, werelds, presidentieel, als een staatsman. Een conservatief-Republikeinse commentator sprak van de jaloezie die ons moet bevangen wanneer we zien hoe Obama in buitenlandse paleizen moeiteloos zijn lange en slanke lichaam in een Louis XVI-stoel drapeert.
Hoe belangrijk de peilingen en de beelden van zijn buitenlandse reis ook zijn, waarschijnlijk nog belangrijker is het gegeven dat Obama ook inhoudelijk de wind mee lijkt te hebben. Het heeft er immers alle schijn van dat het Republikeinse kamp van John McCain posities inneemt – uitgerekend op het terrein van de buitenlandse politiek, het domein waarop McCain als ervaren en beproefde Vietnam-veteraan een natuurlijke en onomstreden voorsprong zou moeten hebben – die steeds meer in de buurt komen van de standpunten van Obama.
Obama riep op om het grote conflict met Iran vooral langs diplomatieke weg op te lossen, en president Bush heeft, met de steun van McCain, deze week de eerste stappen in die richting gezet.
Obama heeft gezegd dat het eigenlijke front in de oorlog tegen het terrorisme niet in Irak ligt maar in Afghanistan, en dat er daarom meer troepen naar Afghanistan moeten. McCain heeft afgelopen week min of meer dezelfde positie ingenomen.
President Bush spreekt sinds kort ineens over een general time horizon waarbinnen de Amerikaanse troepen zich uit Irak moeten terugtrekken. Dat is niet hetzelfde als de concrete termijn van zestien maanden die Obama heeft aangegeven, maar het komt wel in de buurt. Erger nog (voor de Republikeinen): de Iraakse premier Al-Maliki heeft in een interview met Der Spiegel gezegd dat hij het op het grote lijnen eens is met de terugtrekplannen van Obama.
Er lijkt dan maar één conclusie mogelijk: de standpunten van Obama op het terrein van de buitenlandse politiek zijn veel realistischer en redelijker dan tot nog toe is aangenomen. Hij is niet, zoals McCain altijd van hem zegt, de onervaren man die de verkiezingen in november graag koopt met een verlies van de oorlog in Irak.
Geen wonder dus dat het McCain-kamp deze week zuur heeft gereageerd op Obama’s buitenlandse reis. Wat een spijt moet McCain hebben van zijn uitdaging aan het adres van Obama om zelf eens in Irak te gaan kijken, en hoe bitter klonk zijn verwijt dat Obama zijn plaats niet kent en dat hij zelf ook graag een speech in Berlijn zou geven maar dat hij dat pas zal doen als hij president is.
Toch is er weinig reden tot vrolijkheid. Het is leuk om Obama zo vol zelfvertrouwen bezig te zien, maar die façade kan niet verhullen dat Obama toch vooral een opportunist en een leeghoofd is.
Een opportunist omdat zijn plannen voor terugtrekking van de Amerikaanse troepen in Irak gebaseerd is op de sterk verbeterde veiligheidssituatie in het land. Die toegenomen veiligheid is het directe gevolg van de surge, de 30.000 extra troepen die Bush vorig jaar naar Irak heeft gestuurd – met steun van Mccain, maar dwars tegen het verzet van de Obama’s van deze wereld in. Zonder dit succes zou er überhaupt geen sprake van terugtrekking kunnen zijn.
Bovendien wil McCain de terugtrekking van de troepen uitsluitend baseren op de wijze waarop de omstandigheden in Irak zich verder ontwikkelen. Dat wil ook generaal Petraeus, die voortdurend voor ‘maximale flexibiliteit’ pleit. Obama had zijn standpunt over de terugtrekking al ingenomen voordat hij in Irak was geweest, en wil dat standpunt niet afhankelijk maken van de situatie ter plaatse.
Bovendien is Obama het type politicus dat in Nederland door iemand als Rita Verdonk wordt vertegenwoordigd: hun retoriek maakt diepe indruk en wekt bij veel kiezers vertrouwen, maar in feite zeggen ze niets en daarom is de vraag volledig op zijn plaats hoe terecht die diepe indruk en dat vertrouwen is.
Zoals Verdonk in Nederland grossiert in vaagheden over daadkracht (zonder een moment duidelijk te maken waarop die daadkracht zich gaat richten en waarin die zal bestaan), zo rept Obama strijk-en-zet over change (zonder duidelijk te maken wat er moet worden veranderd en waarin die veranderingen zal moeten bestaat), en sprak hij in Berlijn over nieuwe muren die in eensgezindheid – tussen landen, volken en gelovigen, en tussen Amerika en Europa – moeten worden geslecht.
De liberaal Obama had het daarbij over de burdens of global citizenship, en ontmaskerde zichzelf daarbij als een elitaire kosmopoliet die lijkt te vergeten dat hij, om in november werkelijk te winnen, de stem van de gewone man in staten als Pennsylvania moet zien te winnen. En al die Europeanen die in de ban van Obama zijn geraakt omdat hij een meer bescheiden en meer Europees (dat wil zeggen: sociaal-democratisch) Amerika representeert, zullen er achter komen dat dat beeld niet meer dan een projectie is van hun eigen wensen en verlangens. Als Obama wint, wordt hij de leider van een supermacht, die de sheriff van de wereld zal blijven spelen en unilateraal en pre-emptive zal blijven handelen. Europeanen moeten zich realiseren dat Amerikanen hun naïeve wereldbeeld – waarin de geschiedenis en de grote conflicten ten einde zijn gekomen en waarin geen plaats meer is voor heroïek, voor een wereldrijk en voor soevereiniteit – niet delen. Zelfs Obama niet.
*) Deze column verscheen eerder op de NOS-website Amerika Kiest.
Wat een man is die Obama, en wat ziet McCain groen van jaloezie!
Een analyse van alle peilingen in de Verenigde Staten maakt zo langzamerhand duidelijk dat Obama in november op een comfortabele manier de verkiezingen kan gaan winnen. In de afgelopen twee maanden staat hij consequent op een voorsprong van 4 tot 6 procentpunten. Hij leidt in 26 staten en in het District of Columbia met een totaal van 322 kiesmannen; McCain leidt in 24 staten met een totaal van 216 kiesmannen.
Bovendien heeft Obama inmiddels een foutloze buitenlandse reis achter de rug, bedoeld om de Amerikaanse kiezers duidelijk te maken dat hun land onder zijn leiderschap veilig zal zijn. Hij was in Irak, scoorde een driepunter in een basketbalzaaltje, vloog met generaal Petraeus over Bagdad en sprak met premier Al-Maliki. In Israël en de Palestijnse gebieden sloeg hij zijn arm zowel om de schouders van president Peres als om die van de Palestijnse president Abbas. In Berlijn sprak hij voor een menigte van meer dan 200.000 mensen – Europeanen die oorlogsmoe zijn en snakken naar de veranderingen die deze man belooft.
Obama beweegt zich stijlvol en elegant, cool en kalm, werelds, presidentieel, als een staatsman. Een conservatief-Republikeinse commentator sprak van de jaloezie die ons moet bevangen wanneer we zien hoe Obama in buitenlandse paleizen moeiteloos zijn lange en slanke lichaam in een Louis XVI-stoel drapeert.
Hoe belangrijk de peilingen en de beelden van zijn buitenlandse reis ook zijn, waarschijnlijk nog belangrijker is het gegeven dat Obama ook inhoudelijk de wind mee lijkt te hebben. Het heeft er immers alle schijn van dat het Republikeinse kamp van John McCain posities inneemt – uitgerekend op het terrein van de buitenlandse politiek, het domein waarop McCain als ervaren en beproefde Vietnam-veteraan een natuurlijke en onomstreden voorsprong zou moeten hebben – die steeds meer in de buurt komen van de standpunten van Obama.
Obama riep op om het grote conflict met Iran vooral langs diplomatieke weg op te lossen, en president Bush heeft, met de steun van McCain, deze week de eerste stappen in die richting gezet.
Obama heeft gezegd dat het eigenlijke front in de oorlog tegen het terrorisme niet in Irak ligt maar in Afghanistan, en dat er daarom meer troepen naar Afghanistan moeten. McCain heeft afgelopen week min of meer dezelfde positie ingenomen.
President Bush spreekt sinds kort ineens over een general time horizon waarbinnen de Amerikaanse troepen zich uit Irak moeten terugtrekken. Dat is niet hetzelfde als de concrete termijn van zestien maanden die Obama heeft aangegeven, maar het komt wel in de buurt. Erger nog (voor de Republikeinen): de Iraakse premier Al-Maliki heeft in een interview met Der Spiegel gezegd dat hij het op het grote lijnen eens is met de terugtrekplannen van Obama.
Er lijkt dan maar één conclusie mogelijk: de standpunten van Obama op het terrein van de buitenlandse politiek zijn veel realistischer en redelijker dan tot nog toe is aangenomen. Hij is niet, zoals McCain altijd van hem zegt, de onervaren man die de verkiezingen in november graag koopt met een verlies van de oorlog in Irak.
Geen wonder dus dat het McCain-kamp deze week zuur heeft gereageerd op Obama’s buitenlandse reis. Wat een spijt moet McCain hebben van zijn uitdaging aan het adres van Obama om zelf eens in Irak te gaan kijken, en hoe bitter klonk zijn verwijt dat Obama zijn plaats niet kent en dat hij zelf ook graag een speech in Berlijn zou geven maar dat hij dat pas zal doen als hij president is.
Toch is er weinig reden tot vrolijkheid. Het is leuk om Obama zo vol zelfvertrouwen bezig te zien, maar die façade kan niet verhullen dat Obama toch vooral een opportunist en een leeghoofd is.
Een opportunist omdat zijn plannen voor terugtrekking van de Amerikaanse troepen in Irak gebaseerd is op de sterk verbeterde veiligheidssituatie in het land. Die toegenomen veiligheid is het directe gevolg van de surge, de 30.000 extra troepen die Bush vorig jaar naar Irak heeft gestuurd – met steun van Mccain, maar dwars tegen het verzet van de Obama’s van deze wereld in. Zonder dit succes zou er überhaupt geen sprake van terugtrekking kunnen zijn.
Bovendien wil McCain de terugtrekking van de troepen uitsluitend baseren op de wijze waarop de omstandigheden in Irak zich verder ontwikkelen. Dat wil ook generaal Petraeus, die voortdurend voor ‘maximale flexibiliteit’ pleit. Obama had zijn standpunt over de terugtrekking al ingenomen voordat hij in Irak was geweest, en wil dat standpunt niet afhankelijk maken van de situatie ter plaatse.
Bovendien is Obama het type politicus dat in Nederland door iemand als Rita Verdonk wordt vertegenwoordigd: hun retoriek maakt diepe indruk en wekt bij veel kiezers vertrouwen, maar in feite zeggen ze niets en daarom is de vraag volledig op zijn plaats hoe terecht die diepe indruk en dat vertrouwen is.
Zoals Verdonk in Nederland grossiert in vaagheden over daadkracht (zonder een moment duidelijk te maken waarop die daadkracht zich gaat richten en waarin die zal bestaan), zo rept Obama strijk-en-zet over change (zonder duidelijk te maken wat er moet worden veranderd en waarin die veranderingen zal moeten bestaat), en sprak hij in Berlijn over nieuwe muren die in eensgezindheid – tussen landen, volken en gelovigen, en tussen Amerika en Europa – moeten worden geslecht.
De liberaal Obama had het daarbij over de burdens of global citizenship, en ontmaskerde zichzelf daarbij als een elitaire kosmopoliet die lijkt te vergeten dat hij, om in november werkelijk te winnen, de stem van de gewone man in staten als Pennsylvania moet zien te winnen. En al die Europeanen die in de ban van Obama zijn geraakt omdat hij een meer bescheiden en meer Europees (dat wil zeggen: sociaal-democratisch) Amerika representeert, zullen er achter komen dat dat beeld niet meer dan een projectie is van hun eigen wensen en verlangens. Als Obama wint, wordt hij de leider van een supermacht, die de sheriff van de wereld zal blijven spelen en unilateraal en pre-emptive zal blijven handelen. Europeanen moeten zich realiseren dat Amerikanen hun naïeve wereldbeeld – waarin de geschiedenis en de grote conflicten ten einde zijn gekomen en waarin geen plaats meer is voor heroïek, voor een wereldrijk en voor soevereiniteit – niet delen. Zelfs Obama niet.
*) Deze column verscheen eerder op de NOS-website Amerika Kiest.
11.7.08
Scheuren in Obama's masker
In een eerdere column heb ik al eens aangegeven hoe ik tegenover de huidige presidentsverkiezingen sta. Als conservatieve ‘republikein’ was ik in 2000 voor Bush, in 2004 was ik dat opnieuw – zij het met beduidend minder enthousiasme dan vier jaar eerder. Dit jaar voel ik me veel minder betrokken dan bij voorgaande verkiezingen. Dat komt, denk ik, omdat ik John McCain als persoon een indrukwekkende man vind, maar weinig vertrouwen in hem heb als politicus.
(Fred Thompson was mijn man – de bij voorbaat kansloze kandidaat, die weliswaar een uitstekend programma had, maar thuis ging zitten wachten tot het volk hem zou roepen. Zo hoort het eigenlijk, maar je komt er in de moderne politiek natuurlijk niet veel verder mee.)
McCain mocht en mag van mij winnen – met een (waarschijnlijk groeiende) Democratische meerderheid in het Congres tegenover zich, kan hij weinig kwaad. Die situatie is wat mij betreft bijna ideaal: een uitvoerende macht die door de tegenmacht van de volksvertegenwoordiging bijna niets kan verrichten.
De staat – aldus de libertaire essayist Albert Jay Nock (1870 – 1945), een van mijn favoriete schrijvers – is immers de vijand, en niets is zo gevaarlijk en ongewenst als een staat met dienaren die op je af komen en zeggen: ‘Hé, ik ben van de regering en ik ben hier om je te helpen!’
McCain mag wat mij betreft ook verliezen, en dan liefst ook met een landslide. Zo’n nederlaag zou voor veel conservatieven de wake up call kunnen zijn die hen uit de sluimer van hun gekoesterde herinneringen aan de gloriejaren onder Ronald Reagan opwekt en hen doet inzien dat de tijden veranderd zijn en dat die tijden om een nieuwe agenda vragen.
Eén van de beste columnisten in de Verenigde Staten – David Brooks van de New York Times – heeft de contouren van die agenda al eens geschetst, en jonge honden als Ross Douthat en Reihan Salam hebben zelfs een heel boek gewijd aan de vraag hoe de Grand Old Party zich tot een Grand New Party kan ontwikkelen.
Adoratie
Alhoewel ik er rekening mee houd dat McCain in november inderdaad verliest, en er dan een lange periode van Democratische dominantie zal aanbreken (vergelijkbaar met de periode van Republikeinse dominantie sinds het begin van de jaren tachtig), maak ik me in toenemende mate zorgen over het alternatief Barack Obama.
Obama is uitgegroeid tot een idool van verandering, die niet alleen in de Verenigde Staten, maar vooral ook in Europa gevoelens van adoratie en ongebreideld enthousiasme oproept. Dat is begrijpelijk, omdat veel mensen snakken naar het einde van de periode-Bush.
Maar zal Obama een goede president zijn? Er zijn soms uitspraken die hoopvol stemmen. Zo laat hij niet na zwarte vaders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen. ‘De verantwoordelijkheid eindigt niet bij de verwekking’, zei hij in een speech op vaderdag.
Bij oude zwarte leiders als de vervelende Jesse Jackson (66) roept dat verzet op. In een uitzending van Fox News zei Jackson afgelopen zondag dat Obama ‘uit de hoogte doet’ tegenover de zwarte bevolking, om daaraan toe te voegen: ‘Ik wil zijn ballen er af snijden’.
Jackson zei het op fluistertoon, en in de veronderstelling dat de microfoon nog niet open stond. Maar dat was wel het geval en een relletje was geboren. Jackson heeft inmiddels zijn excuses aangeboden, maar wel gezegd dat hij van Obama verwacht dat hij niet de persoonlijke verantwoordelijkheid van zwarte Amerikanen zal benadrukken maar vooral ‘de collectieve morele verantwoordelijkheid van de overheid en het openbare beleid’.
Als Obama zich van oude leiders als Jackson blijft distantiëren – simpelweg door ze te negeren – en zich ook verre houdt van de collectivistsiche politiek die zij voorstaan, is dat een welkome breuk met een ouderwetse en falende politiek.
Maar ik ben er alles behalve zeker van of Obama uit het goede hout gesneden is om president van de Verenigde Staten te worden. Het incident met zijn predikant, ds. Jeremiah Wright uit Chicago (de man van God damn America), vormde het eerste bewijs van een karakterzwakte die je liever niet ziet bij een toekomstig leider van de vrije wereld.
Dezer dagen verscheen het boekje Barack Obama: Waarom iedereen van hem wil houden en wat zijn opkomst betekent, geschreven door Shelby Steele, hoogleraar aan Stanford University en net als Obama zoon van een zwarte vader en een blanke moeder.
Eerste scheur
Steele noemt de aanvaring met Wright ‘de eerste echte scheur’ in het masker dat Obama draagt. Obama wilde ons doen geloven dat hij altijd bezwaar heeft gehad tegen het radicalisme van Wright, terwijl hij desondanks twintig jaar lang bij hem naar de kerk bleef gaan. Steele spreekt van ‘een griezelig vermogen om de eigen, diepste overtuigingen te negeren om erbij te horen’. En hij vraagt zich af hoe deze ‘karaktereigenschap een president Obama van pas zou kunnen komen in “overleg” met de vijanden van Amerika’.
Ik heb, eerlijk gezegd, het ongemakkelijke gevoel dat er in Barack Obama en zeker ook in zijn vrouw Michelle nog heel veel oud ressentiment tegen het blanke deel van de Amerikaanse samenleving schuil gaat. Zijn uitspraken over de blanke middenklasse in Pennsylvania die in een globaliserende wereld hun toevlucht nemen tot hun geloof en wapens, was – wat mij betreft - een volgende, nog veel grotere scheur in het masker van Obama.
En daar komen alleen nog maar meer scheuren en scheurtjes bij. Hij spreekt zich ineens veel minder nadrukkelijk uit vóór een spoedige terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak (terwijl zijn populariteit grotendeels op die vroegere uitspraken gebaseerd was), en hij stemde voor een wetsontwerp dat het telefonisch afluisteren van Amerikaanse burgers wil legaliseren.
Draaikont
En toen het Amerikaanse Supreme Court onlangs bevestigde dat wapenbezit een grondwettelijk recht is, maakte hij een wonderlijke draai om net te doen alsof hij blij was met die uitspraak. Obama is een beetje de Wouter - draaikont - Bos van de Amerikaanse politiek, vrees ik.
Obama’s politieke plannen met betrekking tot het milieu en de gezondheidszorg, abortus en immigratie bevielen mij al niet. De roep om verandering zonder dat duidelijk wordt wat er moet veranderen en waar die veranderingen toe moeten leiden, is voos en leeg. En zijn achtergrond en persoonlijkheidsstructuur lijken me in toenemende mate een probleem.
Dan toch maar McCain.
*) Eerder verschenen als column op de NOS-website 'Amerika Kiest'.
(Fred Thompson was mijn man – de bij voorbaat kansloze kandidaat, die weliswaar een uitstekend programma had, maar thuis ging zitten wachten tot het volk hem zou roepen. Zo hoort het eigenlijk, maar je komt er in de moderne politiek natuurlijk niet veel verder mee.)
McCain mocht en mag van mij winnen – met een (waarschijnlijk groeiende) Democratische meerderheid in het Congres tegenover zich, kan hij weinig kwaad. Die situatie is wat mij betreft bijna ideaal: een uitvoerende macht die door de tegenmacht van de volksvertegenwoordiging bijna niets kan verrichten.
De staat – aldus de libertaire essayist Albert Jay Nock (1870 – 1945), een van mijn favoriete schrijvers – is immers de vijand, en niets is zo gevaarlijk en ongewenst als een staat met dienaren die op je af komen en zeggen: ‘Hé, ik ben van de regering en ik ben hier om je te helpen!’
McCain mag wat mij betreft ook verliezen, en dan liefst ook met een landslide. Zo’n nederlaag zou voor veel conservatieven de wake up call kunnen zijn die hen uit de sluimer van hun gekoesterde herinneringen aan de gloriejaren onder Ronald Reagan opwekt en hen doet inzien dat de tijden veranderd zijn en dat die tijden om een nieuwe agenda vragen.
Eén van de beste columnisten in de Verenigde Staten – David Brooks van de New York Times – heeft de contouren van die agenda al eens geschetst, en jonge honden als Ross Douthat en Reihan Salam hebben zelfs een heel boek gewijd aan de vraag hoe de Grand Old Party zich tot een Grand New Party kan ontwikkelen.
Adoratie
Alhoewel ik er rekening mee houd dat McCain in november inderdaad verliest, en er dan een lange periode van Democratische dominantie zal aanbreken (vergelijkbaar met de periode van Republikeinse dominantie sinds het begin van de jaren tachtig), maak ik me in toenemende mate zorgen over het alternatief Barack Obama.
Obama is uitgegroeid tot een idool van verandering, die niet alleen in de Verenigde Staten, maar vooral ook in Europa gevoelens van adoratie en ongebreideld enthousiasme oproept. Dat is begrijpelijk, omdat veel mensen snakken naar het einde van de periode-Bush.
Maar zal Obama een goede president zijn? Er zijn soms uitspraken die hoopvol stemmen. Zo laat hij niet na zwarte vaders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kinderen. ‘De verantwoordelijkheid eindigt niet bij de verwekking’, zei hij in een speech op vaderdag.
Bij oude zwarte leiders als de vervelende Jesse Jackson (66) roept dat verzet op. In een uitzending van Fox News zei Jackson afgelopen zondag dat Obama ‘uit de hoogte doet’ tegenover de zwarte bevolking, om daaraan toe te voegen: ‘Ik wil zijn ballen er af snijden’.
Jackson zei het op fluistertoon, en in de veronderstelling dat de microfoon nog niet open stond. Maar dat was wel het geval en een relletje was geboren. Jackson heeft inmiddels zijn excuses aangeboden, maar wel gezegd dat hij van Obama verwacht dat hij niet de persoonlijke verantwoordelijkheid van zwarte Amerikanen zal benadrukken maar vooral ‘de collectieve morele verantwoordelijkheid van de overheid en het openbare beleid’.
Als Obama zich van oude leiders als Jackson blijft distantiëren – simpelweg door ze te negeren – en zich ook verre houdt van de collectivistsiche politiek die zij voorstaan, is dat een welkome breuk met een ouderwetse en falende politiek.
Maar ik ben er alles behalve zeker van of Obama uit het goede hout gesneden is om president van de Verenigde Staten te worden. Het incident met zijn predikant, ds. Jeremiah Wright uit Chicago (de man van God damn America), vormde het eerste bewijs van een karakterzwakte die je liever niet ziet bij een toekomstig leider van de vrije wereld.
Dezer dagen verscheen het boekje Barack Obama: Waarom iedereen van hem wil houden en wat zijn opkomst betekent, geschreven door Shelby Steele, hoogleraar aan Stanford University en net als Obama zoon van een zwarte vader en een blanke moeder.
Eerste scheur
Steele noemt de aanvaring met Wright ‘de eerste echte scheur’ in het masker dat Obama draagt. Obama wilde ons doen geloven dat hij altijd bezwaar heeft gehad tegen het radicalisme van Wright, terwijl hij desondanks twintig jaar lang bij hem naar de kerk bleef gaan. Steele spreekt van ‘een griezelig vermogen om de eigen, diepste overtuigingen te negeren om erbij te horen’. En hij vraagt zich af hoe deze ‘karaktereigenschap een president Obama van pas zou kunnen komen in “overleg” met de vijanden van Amerika’.
Ik heb, eerlijk gezegd, het ongemakkelijke gevoel dat er in Barack Obama en zeker ook in zijn vrouw Michelle nog heel veel oud ressentiment tegen het blanke deel van de Amerikaanse samenleving schuil gaat. Zijn uitspraken over de blanke middenklasse in Pennsylvania die in een globaliserende wereld hun toevlucht nemen tot hun geloof en wapens, was – wat mij betreft - een volgende, nog veel grotere scheur in het masker van Obama.
En daar komen alleen nog maar meer scheuren en scheurtjes bij. Hij spreekt zich ineens veel minder nadrukkelijk uit vóór een spoedige terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Irak (terwijl zijn populariteit grotendeels op die vroegere uitspraken gebaseerd was), en hij stemde voor een wetsontwerp dat het telefonisch afluisteren van Amerikaanse burgers wil legaliseren.
Draaikont
En toen het Amerikaanse Supreme Court onlangs bevestigde dat wapenbezit een grondwettelijk recht is, maakte hij een wonderlijke draai om net te doen alsof hij blij was met die uitspraak. Obama is een beetje de Wouter - draaikont - Bos van de Amerikaanse politiek, vrees ik.
Obama’s politieke plannen met betrekking tot het milieu en de gezondheidszorg, abortus en immigratie bevielen mij al niet. De roep om verandering zonder dat duidelijk wordt wat er moet veranderen en waar die veranderingen toe moeten leiden, is voos en leeg. En zijn achtergrond en persoonlijkheidsstructuur lijken me in toenemende mate een probleem.
Dan toch maar McCain.
*) Eerder verschenen als column op de NOS-website 'Amerika Kiest'.
17.5.08
Jeugdig enthousiasme vs. beproefd karakter
Mijn nieuwe column op de website van de NOS gaat over de vraag wie de de volgende Amerikaanse president wordt: Obama of McCain?
Barack Hussein Obama kreeg deze week in West-Virginia een pak slaag van Hillary Clinton (hij verloor er de voorverkiezingen met 67 tegen 26 procent van de Democratische stemmen), maar het blad Time zette de foto van een lachende Obama al op de cover met de tekst: ‘En de winnaar is…..’ In november zal het zo goed als zeker tussen Obama, de 46-jarige senator uit Illinois, en John McCain, de 71-jarige senator uit Arizona, gaan. Wie maakt de meeste kans om de nieuwe bewoner van het Witte Huis te worden?
Ondanks zijn verlies in West-Virginia – net als Ohio en Pennsylvania een swing state – kan Obama de Democratische nominatie niet meer ontgaan. Hij heeft de meeste staten gewonnen, heeft nu 1608 gedelegeerden achter zich (Clinton 1445) en ook in de race om de supergedelegeerden heeft hij zijn rivale inmiddels achter zich gelaten (291 om 274). Volgens de peilingen gaat Obama drie van de vijf staten winnen die nog moeten stemmen, met als sluitstuk de staat South-Dakota die op 3 juni als laatste naar de stembus gaat. Clinton zou in alle overgebleven staten met meer dan 70 procent moeten winnen om Obama nog in te halen. Bovendien kreeg Obama deze week onverwacht de steun van de politieke zwaargewicht John Edwards, oud-senator van North-Carolina. Nu Edwards zijn keuze heeft gemaakt, zullen velen van de nog resterende 250 supergedelegeerden hem daarin volgen, is de verwachting. Obama is inmiddels in zijn status van presidentskandidaat gegroeid. Na zijn beslissende overwinning in North-Carolina sprak hij niet over Hillary Clinton maar richtte hij zijn pijlen op McCain. Zoals ook de nieuwe website die de Republikeinen hebben gemaakt, tegen Obama is gericht en Clinton niet eens noemt.
Ondertussen zegt Clinton enerzijds dat ze door zal blijven vechten (‘vastbeslotener dan ooit tevoren’), maar laat ze de gebruikelijke harde aanvallen op Obama achterwege. In West-Virginia noemde ze de naam van Obama slechts één keer in haar overwinningsspeech en zei dat ze hem ‘bewonderde’.
Wat is de strategie achter het besluit van de Clintons om de handdoek nog niet in de ring te gooien? Het kan natuurlijk zijn dat Hillary en Bill hopen dat er alsnog een schandaal uitbreekt rondom Obama, of dat de Democratische partij alsnog tot de conclusie zal komen dat Hillary, anders dan Obama, de stem van ‘hardwerkende, blanke Amerikanen’ kan winnen en daarmee de belangrijke swing states in de wacht kan slepen die het Witte Huis in november binnen het bereik van de Democraten zal brengen. Het kan ook zijn dat ze zich nadrukkelijk wil aandienen als Obama’s running mate en voor het vice-presidentschap wil gaan. Maar misschien denkt ze ook aan de truc die Ronald Reagan in 1976 uithaalde. In zijn strijd met Gerald Ford om de Republikeinse nominatie bleef hij tot het einde toe doorvechten, ook al kon hij toen al niet meer winnen. Op de Republikeinse conventie van dat jaar gaf hij zelfs de keynote speech. Die speech vormde de basis voor zijn succesvolle race naar het Witte Huis in 1980. Maar die speech droeg ook bij aan het verlies van Ford in 1976.
Als Hillary nog dit jaar politiek succes wil boeken, moet ze binnenkort een waardig slot aan haar campagne draaien. Als ze in haar hoofd al bezig is met de verkiezingen van 2012, zal ze tot het bittere einde toe blijven doorknokken.
Maakt Obama een kans tegen McCain? Bemoedigend moet het voor de Democraten zijn geweest dat in de staat Mississippi zich deze week herhaalde wat zich eerder in Louisiana had voorgedaan. Een zetel in het Huis van Afgevaardigden die steevast voor de Republikeinen was, ging nu naar de Democratische kandidaat. Saillant detail daarbij was dat de Republikeinse kandidaat zijn Democratische opponent wilde wegzetten als een ‘Obama-vriend’, met vermoedelijk net zulke nefaste opvattingen als dominee Jeremiah Wright, de zwarte racistische predikant die Obama zo in verlegenheid heeft gebracht. Die tactiek werkte niet.
De Republikeinse kandidaat begint de race natuurlijk sowieso met een achterstand. Hij heeft te maken met een lastige erfenis, en Obama zal dat benadrukken. In North-Carolina zei hij: ‘De plannen van John McCain voor de toekomst zijn niets meer dan de mislukte politiek van het verleden. We zijn het er allen over eens dat we op dit bepalende moment in de geschiedenis niet kunnen toestaan dat McCain de kans krijgt om de derde termijn van George Bush uit te dienen.’
Tot die erfenis behoort een historisch lage waardering voor het presidentschap van de Republikein Bush. De Amerikaanse bevolking is hem in meerderheid zo gruwelijk zat dat er volgens vele waarnemers een soort linkse golf door het land gaat, vergelijkbaar – qua electorale kracht – met de rechtse golf van begin jaren tachtig. De oorlog in Irak heeft al 4000 Amerikanen het leven gekost en McCain wil die, anders dan Obama, voortzetten, al zei hij deze week dat hij een terugtrekking van de Amerikaanse troepen in 2013 voor mogelijk houdt. De Amerikaanse economie verkeert in een recessie en de benzineprijzen zijn er voor Amerikaanse begrippen ongekend hoog (we zouden overigens graag willen ruilen want een liter benzine kost nog steeds maar € 0,80). Dat heeft steeds meer Amerikanen tot de overtuiging gebracht dat de Republikeinse politiek (een kleine overheid die zo weinig mogelijk in het economische leven ingrijpt, gecombineerd met lage belastingen) niet meer werkt. McCain is bovendien niet populair onder de conservatieve kiezers. De verwachting is dat die in november wel eens in groten getale thuis zullen blijven.
Tegenover al deze vermoeidheid en neergang doet een jeugdige kandidaat met een energieke uitstraling die alleen maar om change, change, change roept, het natuurlijk goed.
Maar er zijn ook veel zaken die in Obama’s nadeel zijn. Om maar met het vervelendste te beginnen: hij is zwart. En racisme is niet alleen virulent aanwezig onder dominees als Jeremiah Wright, al is racisme het grote taboe in de Verenigde Staten. Ik stond eens in een lift in een New York’s kantoor, en hoorde hoe (blanke) werknemers – alles behalve zuidelijke rednecks – zich over hun nieuwe (zwarte) chef beklaagden. Een van hen rondde de discussie af met de opmerking: ‘Well, you know what they are like once they are the boss’.
Zijn moslimverleden, dat door conservatieven met enige gretigheid in herinnering wordt geroepen, zal hem parten spelen, evenals de (daaraan gekoppelde) vraag of hij wel zo pro-Amerikaans is, en regelrechte twijfel aan zijn kwaliteiten om straks opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten te zijn. Obama is bovendien, in de ogen van zijn opponenten, een elitaire liberal, links en onervaren, met een eloquentie die een inhoudelijke leegheid tot nog toe nauwelijks kan verhullen. En zijn zwakke punt is nu al duidelijk: veel Clinton-stemmers zullen in november niet op hem stemmen. In West-Virginia, bijvoorbeeld, zal slechts een derde van hen dat doen.
In november gaat de strijd dus tussen jeugdig enthousiasme en een beproefd karakter. McCain kan zeker winnen. En uiteraard is de wens hier bij mij ook de vader van de gedachte.
Barack Hussein Obama kreeg deze week in West-Virginia een pak slaag van Hillary Clinton (hij verloor er de voorverkiezingen met 67 tegen 26 procent van de Democratische stemmen), maar het blad Time zette de foto van een lachende Obama al op de cover met de tekst: ‘En de winnaar is…..’ In november zal het zo goed als zeker tussen Obama, de 46-jarige senator uit Illinois, en John McCain, de 71-jarige senator uit Arizona, gaan. Wie maakt de meeste kans om de nieuwe bewoner van het Witte Huis te worden?
Ondanks zijn verlies in West-Virginia – net als Ohio en Pennsylvania een swing state – kan Obama de Democratische nominatie niet meer ontgaan. Hij heeft de meeste staten gewonnen, heeft nu 1608 gedelegeerden achter zich (Clinton 1445) en ook in de race om de supergedelegeerden heeft hij zijn rivale inmiddels achter zich gelaten (291 om 274). Volgens de peilingen gaat Obama drie van de vijf staten winnen die nog moeten stemmen, met als sluitstuk de staat South-Dakota die op 3 juni als laatste naar de stembus gaat. Clinton zou in alle overgebleven staten met meer dan 70 procent moeten winnen om Obama nog in te halen. Bovendien kreeg Obama deze week onverwacht de steun van de politieke zwaargewicht John Edwards, oud-senator van North-Carolina. Nu Edwards zijn keuze heeft gemaakt, zullen velen van de nog resterende 250 supergedelegeerden hem daarin volgen, is de verwachting. Obama is inmiddels in zijn status van presidentskandidaat gegroeid. Na zijn beslissende overwinning in North-Carolina sprak hij niet over Hillary Clinton maar richtte hij zijn pijlen op McCain. Zoals ook de nieuwe website die de Republikeinen hebben gemaakt, tegen Obama is gericht en Clinton niet eens noemt.
Ondertussen zegt Clinton enerzijds dat ze door zal blijven vechten (‘vastbeslotener dan ooit tevoren’), maar laat ze de gebruikelijke harde aanvallen op Obama achterwege. In West-Virginia noemde ze de naam van Obama slechts één keer in haar overwinningsspeech en zei dat ze hem ‘bewonderde’.
Wat is de strategie achter het besluit van de Clintons om de handdoek nog niet in de ring te gooien? Het kan natuurlijk zijn dat Hillary en Bill hopen dat er alsnog een schandaal uitbreekt rondom Obama, of dat de Democratische partij alsnog tot de conclusie zal komen dat Hillary, anders dan Obama, de stem van ‘hardwerkende, blanke Amerikanen’ kan winnen en daarmee de belangrijke swing states in de wacht kan slepen die het Witte Huis in november binnen het bereik van de Democraten zal brengen. Het kan ook zijn dat ze zich nadrukkelijk wil aandienen als Obama’s running mate en voor het vice-presidentschap wil gaan. Maar misschien denkt ze ook aan de truc die Ronald Reagan in 1976 uithaalde. In zijn strijd met Gerald Ford om de Republikeinse nominatie bleef hij tot het einde toe doorvechten, ook al kon hij toen al niet meer winnen. Op de Republikeinse conventie van dat jaar gaf hij zelfs de keynote speech. Die speech vormde de basis voor zijn succesvolle race naar het Witte Huis in 1980. Maar die speech droeg ook bij aan het verlies van Ford in 1976.
Als Hillary nog dit jaar politiek succes wil boeken, moet ze binnenkort een waardig slot aan haar campagne draaien. Als ze in haar hoofd al bezig is met de verkiezingen van 2012, zal ze tot het bittere einde toe blijven doorknokken.
Maakt Obama een kans tegen McCain? Bemoedigend moet het voor de Democraten zijn geweest dat in de staat Mississippi zich deze week herhaalde wat zich eerder in Louisiana had voorgedaan. Een zetel in het Huis van Afgevaardigden die steevast voor de Republikeinen was, ging nu naar de Democratische kandidaat. Saillant detail daarbij was dat de Republikeinse kandidaat zijn Democratische opponent wilde wegzetten als een ‘Obama-vriend’, met vermoedelijk net zulke nefaste opvattingen als dominee Jeremiah Wright, de zwarte racistische predikant die Obama zo in verlegenheid heeft gebracht. Die tactiek werkte niet.
De Republikeinse kandidaat begint de race natuurlijk sowieso met een achterstand. Hij heeft te maken met een lastige erfenis, en Obama zal dat benadrukken. In North-Carolina zei hij: ‘De plannen van John McCain voor de toekomst zijn niets meer dan de mislukte politiek van het verleden. We zijn het er allen over eens dat we op dit bepalende moment in de geschiedenis niet kunnen toestaan dat McCain de kans krijgt om de derde termijn van George Bush uit te dienen.’
Tot die erfenis behoort een historisch lage waardering voor het presidentschap van de Republikein Bush. De Amerikaanse bevolking is hem in meerderheid zo gruwelijk zat dat er volgens vele waarnemers een soort linkse golf door het land gaat, vergelijkbaar – qua electorale kracht – met de rechtse golf van begin jaren tachtig. De oorlog in Irak heeft al 4000 Amerikanen het leven gekost en McCain wil die, anders dan Obama, voortzetten, al zei hij deze week dat hij een terugtrekking van de Amerikaanse troepen in 2013 voor mogelijk houdt. De Amerikaanse economie verkeert in een recessie en de benzineprijzen zijn er voor Amerikaanse begrippen ongekend hoog (we zouden overigens graag willen ruilen want een liter benzine kost nog steeds maar € 0,80). Dat heeft steeds meer Amerikanen tot de overtuiging gebracht dat de Republikeinse politiek (een kleine overheid die zo weinig mogelijk in het economische leven ingrijpt, gecombineerd met lage belastingen) niet meer werkt. McCain is bovendien niet populair onder de conservatieve kiezers. De verwachting is dat die in november wel eens in groten getale thuis zullen blijven.
Tegenover al deze vermoeidheid en neergang doet een jeugdige kandidaat met een energieke uitstraling die alleen maar om change, change, change roept, het natuurlijk goed.
Maar er zijn ook veel zaken die in Obama’s nadeel zijn. Om maar met het vervelendste te beginnen: hij is zwart. En racisme is niet alleen virulent aanwezig onder dominees als Jeremiah Wright, al is racisme het grote taboe in de Verenigde Staten. Ik stond eens in een lift in een New York’s kantoor, en hoorde hoe (blanke) werknemers – alles behalve zuidelijke rednecks – zich over hun nieuwe (zwarte) chef beklaagden. Een van hen rondde de discussie af met de opmerking: ‘Well, you know what they are like once they are the boss’.
Zijn moslimverleden, dat door conservatieven met enige gretigheid in herinnering wordt geroepen, zal hem parten spelen, evenals de (daaraan gekoppelde) vraag of hij wel zo pro-Amerikaans is, en regelrechte twijfel aan zijn kwaliteiten om straks opperbevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten te zijn. Obama is bovendien, in de ogen van zijn opponenten, een elitaire liberal, links en onervaren, met een eloquentie die een inhoudelijke leegheid tot nog toe nauwelijks kan verhullen. En zijn zwakke punt is nu al duidelijk: veel Clinton-stemmers zullen in november niet op hem stemmen. In West-Virginia, bijvoorbeeld, zal slechts een derde van hen dat doen.
In november gaat de strijd dus tussen jeugdig enthousiasme en een beproefd karakter. McCain kan zeker winnen. En uiteraard is de wens hier bij mij ook de vader van de gedachte.
21.4.08
Stupid or evil
Hieronder is de volledige tekst van mijn eerste column voor de NOS-rubriek "Amerika kiest". Ik ga om de twee weken een stuk schrijven over de Amerikaanse presidentsverkiezingen.
Voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen van komende november bestaat in Nederland opmerkelijk veel belangstelling – zelfs al in de huidige fase waarin nog niet eens duidelijk is tussen welke twee kandidaten de race zal gaan, omdat de strijd binnen het Democratische kamp tussen Hillary Clinton en Barack Obama nog niet is beslist.
Die belangstelling heeft ongetwijfeld te maken met de zucht naar verandering na acht jaar Bush, en met de hoop dat de betrekkingen tussen Europa en de Verenigde Staten onder een nieuwe president genormaliseerd zullen worden.
De Democratische voorverkiezingen kunnen volgende week al beslist worden wanneer de kiezers in de staat Pennsylvania naar de stembus gaan. Hillary Clinton is daar de favoriet, maar zij zal met ruime cijfers moeten winnen om het Democratische establishment van haar kandidatuur te overtuigen.
En zelfs als zij wint, zal zij de achterstand in delegates die ze in de race met Barack Obama heeft opgelopen, niet goed maken. Er zijn Amerikaanse commentatoren die voorspellen dat Hillary bij een nederlaag of een krappe winst uit de race zal stappen en zichzelf dan bij Obama als vice-president zal aanbieden.
Obama moet dan de vraag beantwoorden of een duo dat gevormd wordt door een vrouw en een zwarte man de Amerikaanse bevolking werkelijk representeert. Waarschijnlijker is dan ook dat Obama bij winst voor John Edwards als running mate zal kiezen.
Pennsylvania is een bijzondere staat. Met ongeveer 12,5 miljoen inwoners is het de zesde staat van de VS wat inwonersaantal betreft, maar het speelt politiek en cultureel geen grote rol. De staat is gesticht door de religieuze en tolerant sekte van de Quakers, en de grootste stad van Pennsylvania – Philadelphia - is de plaats waar zowel de Onafhankelijkheidsverklaring als de Constitutie is geschreven.
Maar de staat heeft sindsdien geen grote schrijvers of filosofen voortgebracht. In economisch opzicht neemt de staat sinds de jaren dertig geen belangrijke positie meer in, toen de kolenindustrie rond Pittsburgh tot stilstand kwam. De bevolking groeit nauwelijks nog. Pennsylvania is geen staat van grote bedrijven maar vooral van kleine zelfstandigen. En ze zijn er dol op wapens. Tijdens een recent bezoek aan Pennsyvania haalde een goede vriend met een grijns een koffer onder zijn bankstel vandaan en liet hij mij trots twee karabijnen en twee pistolen zien.
Tijdens mijn bezoek viel het me op dat er opvallend weinig verkiezingsborden in de tuinen langs de wegen stonden. Volgens één van mijn gastheren was dat omdat iedereen alleen maar bezig was met het Masters golftoernooi dat het afgelopen weekeinde in Georgia is gespeeld, maar de meeste anderen wisten mij te vertellen dat de bevolking vooral verkiezingsmoe is.
Maar toen kwam The Bulletin (‘Philadelphia’s Family Newspaper’) met het nieuws over de uitspraken die Obama had gedaan tijdens een besloten fondsenwervingsavond in San Francisco. Hij had daar gesproken over economisch gefrustreerde mensen in kleine plaatsen die zich ‘bitter vastklampen aan wapens en hun geloof’.
Zoiets moet je in Amerika niet zeggen, waar de bevolking terecht een hekel heeft aan politici die niets blijken te begrijpen van het leven van miljoenen gewone Amerikanen. Hillary was er dan ook als de kippen bij om zichzelf als de grote vriend van de middenklasse te portretteren en haar tegenstrever weg te zetten als een elitair figuur die de Amerikaanse samenleving alleen maar verdeelt.
Hoe desastreus de uitgelekte uitspraken van Obama voor zijn campagne zullen zijn, zullen we dinsdagavond (22 april) pas weten. Voor conservatieven (zoals ik) gaat de keuze in november tussen de Stupid Party (de Republikeinen) en de Evil Party (de Democraten).
Wanneer één van de kandidaten zich ontpopt als zowel stupid als evil wordt de keuze voor hen wel erg gemakkelijk. De strijd op leven en dood in het Democratische kamp, de blunder van Obama (die Republikeinen opnieuw een goede ingang verschaft bij de zogenaamde Reagan-democraten, kiezers die sociaal-economisch links maar cultureel conservatief zijn), en het vooruitzicht op een eindstrijd tussen John McCain en de gehate Hillary, heeft het zelfvertrouwen in het Republikeinse kamp weer doen toenemen.
Niet dat McCain niet stupid zal blijken, maar hij zal, anders dan activistische Democraten, weinig kwaad doen. En dat is in de politiek vaak het hoogst bereikbare.
Voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen van komende november bestaat in Nederland opmerkelijk veel belangstelling – zelfs al in de huidige fase waarin nog niet eens duidelijk is tussen welke twee kandidaten de race zal gaan, omdat de strijd binnen het Democratische kamp tussen Hillary Clinton en Barack Obama nog niet is beslist.
Die belangstelling heeft ongetwijfeld te maken met de zucht naar verandering na acht jaar Bush, en met de hoop dat de betrekkingen tussen Europa en de Verenigde Staten onder een nieuwe president genormaliseerd zullen worden.
De Democratische voorverkiezingen kunnen volgende week al beslist worden wanneer de kiezers in de staat Pennsylvania naar de stembus gaan. Hillary Clinton is daar de favoriet, maar zij zal met ruime cijfers moeten winnen om het Democratische establishment van haar kandidatuur te overtuigen.
En zelfs als zij wint, zal zij de achterstand in delegates die ze in de race met Barack Obama heeft opgelopen, niet goed maken. Er zijn Amerikaanse commentatoren die voorspellen dat Hillary bij een nederlaag of een krappe winst uit de race zal stappen en zichzelf dan bij Obama als vice-president zal aanbieden.
Obama moet dan de vraag beantwoorden of een duo dat gevormd wordt door een vrouw en een zwarte man de Amerikaanse bevolking werkelijk representeert. Waarschijnlijker is dan ook dat Obama bij winst voor John Edwards als running mate zal kiezen.
Pennsylvania is een bijzondere staat. Met ongeveer 12,5 miljoen inwoners is het de zesde staat van de VS wat inwonersaantal betreft, maar het speelt politiek en cultureel geen grote rol. De staat is gesticht door de religieuze en tolerant sekte van de Quakers, en de grootste stad van Pennsylvania – Philadelphia - is de plaats waar zowel de Onafhankelijkheidsverklaring als de Constitutie is geschreven.
Maar de staat heeft sindsdien geen grote schrijvers of filosofen voortgebracht. In economisch opzicht neemt de staat sinds de jaren dertig geen belangrijke positie meer in, toen de kolenindustrie rond Pittsburgh tot stilstand kwam. De bevolking groeit nauwelijks nog. Pennsylvania is geen staat van grote bedrijven maar vooral van kleine zelfstandigen. En ze zijn er dol op wapens. Tijdens een recent bezoek aan Pennsyvania haalde een goede vriend met een grijns een koffer onder zijn bankstel vandaan en liet hij mij trots twee karabijnen en twee pistolen zien.
Tijdens mijn bezoek viel het me op dat er opvallend weinig verkiezingsborden in de tuinen langs de wegen stonden. Volgens één van mijn gastheren was dat omdat iedereen alleen maar bezig was met het Masters golftoernooi dat het afgelopen weekeinde in Georgia is gespeeld, maar de meeste anderen wisten mij te vertellen dat de bevolking vooral verkiezingsmoe is.
Maar toen kwam The Bulletin (‘Philadelphia’s Family Newspaper’) met het nieuws over de uitspraken die Obama had gedaan tijdens een besloten fondsenwervingsavond in San Francisco. Hij had daar gesproken over economisch gefrustreerde mensen in kleine plaatsen die zich ‘bitter vastklampen aan wapens en hun geloof’.
Zoiets moet je in Amerika niet zeggen, waar de bevolking terecht een hekel heeft aan politici die niets blijken te begrijpen van het leven van miljoenen gewone Amerikanen. Hillary was er dan ook als de kippen bij om zichzelf als de grote vriend van de middenklasse te portretteren en haar tegenstrever weg te zetten als een elitair figuur die de Amerikaanse samenleving alleen maar verdeelt.
Hoe desastreus de uitgelekte uitspraken van Obama voor zijn campagne zullen zijn, zullen we dinsdagavond (22 april) pas weten. Voor conservatieven (zoals ik) gaat de keuze in november tussen de Stupid Party (de Republikeinen) en de Evil Party (de Democraten).
Wanneer één van de kandidaten zich ontpopt als zowel stupid als evil wordt de keuze voor hen wel erg gemakkelijk. De strijd op leven en dood in het Democratische kamp, de blunder van Obama (die Republikeinen opnieuw een goede ingang verschaft bij de zogenaamde Reagan-democraten, kiezers die sociaal-economisch links maar cultureel conservatief zijn), en het vooruitzicht op een eindstrijd tussen John McCain en de gehate Hillary, heeft het zelfvertrouwen in het Republikeinse kamp weer doen toenemen.
Niet dat McCain niet stupid zal blijken, maar hij zal, anders dan activistische Democraten, weinig kwaad doen. En dat is in de politiek vaak het hoogst bereikbare.
Subscribe to:
Posts (Atom)