Showing posts with label Reformatorisch Dagblad. Show all posts
Showing posts with label Reformatorisch Dagblad. Show all posts

15.10.11

Het kleine belang van de eigen kleine kring

Onderstaande column stond gisteren in het Nederlands Dagblad, en is geschreven n.a.v. het 40-jarig bestaan van het Reformatorisch Dagblad.


Het Reformatorisch Dagblad bestaat 40 jaar. Dat is natuurlijk een felicitatie waard, zeker van mij, voor wie het RD altijd meer dan een krant is geweest. Halverwege de jaren zeventig bezorgde ik de krant, in Boskoop, zo’n veertig stuks waarvoor dagelijks meer dan 10 kilometer moest worden gefietst. Het was toen al een klein hoopje, zogezegd. Erg kerks was het hervormde gezin waarin ik ben opgegroeid toentertijd niet, maar het verhaal in de Kerstbijlage van 1975 maakte zo’n diepe indruk op ons dat we daarna zijn gaan kerken in het naburige Waddinxveen, bij ds. W. Verboom, die later heel beroemd zou worden. Dit is echt gebeurd. Er zijn zelfs onlangs foto’s teruggevonden van de Kerstavond met moeder en kinderen en grootouders rond de krantenbijlage.

Later heb ik bij het RD gewerkt, zeven jaar lang als politiek redacteur. Tussen die Kerst en mijn indiensttreding waren inmiddels 20 jaar verstreken. Halverwege die periode was het proefschrift van C. S. L. Janse verschenen, de toenmalige hoofdredacteur van de krant. Dat boek (Bewaar het pand) heeft mij altijd droevig gestemd. In de eerste plaats omdat het verschijnen alleen al van dat boek mij een keerpunt leek: een moment in een emancipatieproces dat iedereen eigenlijk met zorg moest vervullen (dankzij dr. W. Aalders kenden we immers het boekje In heilige roeping van ds. J. C. Sikkel over de kwalijke gevolgen van de emancipatie in gereformeerde kring), maar niemand daadwerkelijk enige zorgen baarde. Er was eerder sprake van een soort trots, omdat we nu ook met mes en vork konden eten en geen boeren en vissers meer waren maar ict’ers en accountants in mooie auto’s.

In de tweede plaats omdat het boek een sociologisch proefschrift was waardoor het geloof van een bepaalde gemeenschap in uiterlijke kenmerken werd vastgelegd. Je had een groep, die gedroeg zich op een bepaalde manier, en had bepaalde eigenschappen. Zolang ze die eigenschappen behielden en zich op een bepaalde manier zouden blijven gedragen zouden zij als groep kunnen blijven bestaan. Niet assimileren maar persisteren. Het RD heeft zich sindsdien opgeworpen als de waarschuwende hoedster die een groep mensen bij een bepaalde levensstijl en bij bepaalde waarden heeft willen behouden.

Deze manier van denken is nu, wat mij betreft, geculmineerd in de uitspraken die belangrijke vertegenwoordigers van het RD onlangs in deze krant (van 1 oktober 2011) hebben gedaan. De mensen in Apeldoorn zijn er niet gerust op. De binding met de reformatorische zuil – de wereld van RD, SGP en Gereformeerde Gemeenten, van familiebladen en Banierboeken, Wegwijsbeurzen en Kliksafe – wordt langzaam maar zeker minder. Wat doe je in zo’n geval? Je kiest voor de sociologische oplossing. Mensen, weten directeur Bart Visser en de huidige hoofdredacteur Wim Kranendonk, willen nu eenmaal graag ergens bij horen. En dus gaat de Erdee Media Groep dingen bieden waar mensen bij willen horen. Het gaat om de groep. Het voortbestaan van de groep is het doel. Maar waarom eigenlijk? Dat antwoord weten ze in Apeldoorn niet meer te geven.

Ik vind deze reformatorische strategie schokkend. De eerste fout die hier wordt gemaakt, is duidelijk. Binnen een zuil wordt het geloof niet het doel op zich maar een middel om een ander doel te realiseren. Het geloof wordt een functie in een sociologisch proces, een functie om iets anders in stand te houden, een maatschappelijke positie en de posities daarbinnen. Wanneer die positie desondanks verdwijnt, verliest ook het geloof zijn functie, en zal het kaartenhuis binnen korte tijd imploderen. Het geloof is alleen maar artificieel beschermd en nooit versterkt.





Bovendien is het – dat erken ik ook volmondig – weliswaar van het grootste belang om christelijke instituties te koesteren, te beschermen en te versterken, maar het doel moet daarbij in het oog worden gehouden. De reformatorische wereld is mij lief. Ik heb drie jaar reformatorisch onderwijs genoten en die hebben mij meer dan wat ook gevormd. Ik kerk er, ik geef er les, ik hoor er. Maar het doel van al die instituties – kerken, scholen, verenigingen – is het vormen van een bedding waarin een traditie wordt geërfd en doorgegeven en waarin het Koninkrijk Gods zich vormt en uitbreidt. Het gaat om een bedding waarin individuele gelovigen de diepte en breedte van de eigen traditie zo kunnen verinnerlijken dat zij voor elkaar en voor de samenleving levende en leesbare brieven van Christus zijn. Voor heel de kerk en heel het volk, niet alleen voor het kleine eigenbelang van de eigen groep.

11.7.11

Harige kleden en sandalen

In het Nederlands Dagblad stond afgelopen vrijdag onderstaande column, over het al te radicale, 'authentieke', evangelicale etc. dat veel hedendaagse christenen tot mijn treurnis uitdragen. De slotzin van de oorspronkelijke column luidde: 'Het christendom zal burgerlijk zijn of het zal niet-zijn'. Ik dacht daarbij o.a. aan dat boekje van F. de Lange over Dietrich Bonhoeffer (Een burger op zijn best), maar ben blijkbaar de enige met deze associatie en omdat het woord 'burgerlijk', verrassend genoeg, verder vooral ergernis en misverstanden blijkt op te roepen, heb ik die laatste zin maar geschrapt.




Is radicaliteit een christelijke deugd?

Heel veel christenen – steeds meer christenen, is mijn indruk – beantwoorden die vraag bevestigend. Onlangs was ik te gast op een avond van de Utrechtse CSFR waar enthousiaste studenten zich bogen over de vraag of de vrijheid die een christelijke minderheid in Nederland nog altijd geniet, nu het meest wordt bedreigd door de islam of door een ‘paarse’, seculiere meerderheid die zich steeds nadrukkelijker doet gelden. Mijn antwoord op die vraag luidde dat voor beiden wat te zeggen valt, maar dat wij zelf de grootste bedreiging van die vrijheid vormen omdat we al te vaak niet de weerbaarheid aan de dag leggen die in deze tijd nodig is. Maar mijn coreferent, een uitstekend formulerende ouderejaars student, vond de vraagstelling op zich al verdacht.

Zat achter het thema van de avond niet een wereldsgezinde vrees, de angst van christenen die zich behaaglijk in deze wereld hebben genesteld en nu bang zijn dat ze door allerlei maatschappelijke ontwikkelingen hun macht en status gaan verliezen? Was die vrees niet bedenkelijk wanneer we ons met z’n allen eens realiseerden dat christenen geheel anders zijn, niet van deze wereld, discipelen die in deze wereld verdrukkingen en vervolgingen zullen lijden?

Deze vraag stellen was hem dus ook beantwoorden. Ja, zei de student, het was eigenlijk maar goed dat we onze voorrechten verloren en het ‘gewone, christelijke leven’ zouden hervinden.

Het is een manier van denken die steeds meer om zich heen grijpt, als ik het goed zie. Het is een houding waarin evangelischen, ‘barthianen’ en bevindelijk-gereformeerden verrassend eensgeestes blijken. In het Reformatorisch Dagblad stond onlangs een column waarin werd betoogd dat de bevindelijk gereformeerden voor zichzelf een kathedraal hebben gebouwd, een huis vol hulpmiddelen om in deze boze wereld staande te blijven. De auteur voorzag een spoedige ineenstorting van dit reeds brandende kaartenhuis, en meende dat deze verdrijving uit ‘onze bevoorrechte positie’ wel eens een louterende ervaring zou kunnen zijn om God opnieuw te vinden.
Het klinkt allemaal best christelijk natuurlijk. In de Bijbel zijn het niet de machtigen en wijzen die het Evangelie omarmen maar de mensen die in deze wereld vooral verachting ontmoeten en als pelgrims hun weg gaan. En dat willen radicale christenen zijn: pelgrims, radicaal anders, navolgers, brengers van een boodschap die haaks op deze wereld staat, dragers van harige kleden en sandalen, woonwagenbewoners.

Ik heb grote moeite met deze houding en manier van denken. Omdat ze getuigt van ondankbaarheid en egocentrisme, als ik zo vrij mag zijn.

Ik ben, om te beginnen, niet van de Tertulliaanse traditie, van christenen die zich schamper afvragen wat Jeruzalem met Athene van doen heeft. Radicaal is dit ‘denken’ zeker, maar het leidt tot een absurdistisch fideïsme. Het geloof wordt een geïsoleerd eilandje in het leven. Wat de consequenties van dit geloof zijn voor het leven en bijvoorbeeld de wetenschap wordt steeds moeilijker te beantwoorden. Wanneer het geloof dit radicale karakter krijgt, wordt het hele leven een eilandje. De auteur van de column in het RD zit in de Raad van Bestuur van die krant en werkt voor de SGP. Radicale christenen publiceren om de zoveel jaar een boek waarin ze betogen dat ze zich niet in de eigen kring en zuil op mogen sluiten maar met hun boodschap de wereld in moeten. Maar ze komen de deur niet uit.

Wie in de radicaliteit van zijn geloof alle tradities en structuren die het christelijk geloof heeft geschapen, wil weggooien, vergeet dat alle christelijke privileges een integraal onderdeel vormen van een vrije samenleving. De invloed van het christelijk geloof heeft een samenleving geschapen van tolerantie, vrijheid en sociale bewogenheid, die het waard is om beschermd te worden. Wie uit verlangen naar vervolgingen een paarse machtsgreep zou begroeten, vergeet ten eerste dat uitstel de essentie van het christelijke leven is, en ten tweede dat een paarse samenleving zo tiranniek en onaangenaam zal zijn dat we die geen van onze naasten gunnen. Deze samenleving is het waard bewaard en verdedigd te worden omdat zij vrij is en tolerant en de ruimte biedt voor de verbreiding van Gods Koninkrijk.

De boel de boel laten omdat we zo lekker willen pelgrimeren, lijkt mij onverantwoordelijk. We hebben geen radicaal christendom nodig, maar een historisch en traditioneel denkend, ‘hervormd’ christendom.

12.2.10

Religie, waarheid en geweld

Het kan gebeuren dat je ergens iets leest waar je toch een beetje van op kijkt. Het is iets nieuws, of het is in ieder geval een beetje nieuw, of in ieder geval anders dan anders. Het kan, bijvoorbeeld, om een woord gaan dat ineens in een andere betekenis wordt gebruikt. Je knipt dat stukje uit de krant en je legt het apart om er later eens op terug te komen. En dan, enige tijd later, kom je binnen korte tijd meerdere stukjes tegen waarin hetzelfde – en verontrustende - in iets andere bewoordingen opnieuw wordt gezegd. Je vraagt je af: tekent zich hier iets nieuws af? Een nieuwe trend? En als dat zo is, en als die mogelijke trend inderdaad onrustbarend is, wordt het dan geen tijd die trend te signaleren?

Het overkwam mij toen ik op 26 januari j.l. een opiniestuk in de Volkskrant las. Het was geschreven door Dick Pels, een links-liberale intellectueel die sinds kort als directeur aan het wetenschappelijk instituut van GroenLinks verbonden is. In dat artikel betoogde Pels dat mensen met vaste opvattingen in Nederland eigenlijk niet meer mee mogen doen. Wie denkt dat hij de waarheid in pacht heeft, mag in een democratie niet meepraten. Daar mag je alleen meedoen wanneer je bereid bent ‘jouw waarheid’ op ieder moment van elke dag voor een andere waarheid in te ruilen.

Dat er zoiets als post-modernisme bestaat, dat meende ik al te weten. Je komt het bijvoorbeeld tegen bij romanschrijfster Franca Treur, die een boek schreef over haar bevindelijk-gereformeerde jeugd in Zeeland en geen kans voorbij laat gaan om haar lezers ervan te verzekeren (met recht en reden) dat haar boek geen afrekening met die jeugd is. Ze zag gewoon dat ze onderdeel was van een Verhaal, en dat dat Verhaal geen stand hield in de confrontatie met de werkelijkheid. Ze is nu op zoek naar een ander verhaal, en ze zoekt het momenteel bij atheïstische geleerden als Dawkins en Philipse.

Maar zo schattig als het postmodernisme van Franca Treur is dat van Dick Pels niet. Als je denkt dat jouw Verhaal niet alleen maar een Verhaal is maar waar is, dan mag je als ‘waarheidsfanaat’ niet meer meedoen aan de democratie.

Die opinie van Pels kwam niet helemaal onverwacht. Kort daarvoor (in de Trouw van 5 januari) had ik iets gelezen wat ik naar mijn idee wel met dit stukje van Pels in verband moest brengen. De classicus Gerard Koolschijn, ooit rector van een gymnasium in Den Haag, kondigde aan dat hij een nieuwe vertaling van Paulus’ brief aan de Romeinen had gemaakt. Die vertaling had hij opgedragen aan ds. J. P. Paauwe en aan zijn vader, mr. J. Koolschijn. Deze Koolschijn was een van de belangrijkste ‘volgelingen’ van ds. Paauwe.

De vertaling die Koolschijn heeft gemaakt komt voort uit diepe frustratie over zijn ‘paauwiaanse’ jeugd in Den Haag. Hij heeft ‘de pest’ aan Paulus en aan Paauwe, zo vertelt Koolschijn in Trouw. Hij is vervuld van een diepe afkeer van ‘christelijk fundamentalisme’, van voorgangers die hun machtshonger verbergen achter de ‘hocus pocus’ van een persoonlijke openbaring waarover niet te discussiëren valt. Zijn vertaling van Paulus’ brief aan de Romeinen is bedoeld om aan het licht te brengen hoe ‘rauw en duister’ Paulus eigenlijk was en dat ‘intelligente gelovigen’ diens ‘rare boodschap’, vastgelegd in warrige en verwarde teksten, niet meer zouden moeten geloven.

Waarom wil Koolschijn juist nu dit tegengeluid laten horen? Omdat, aldus Koolschijn, Paulus’ ‘soort’ sinds 11 september 2001 ‘weer geweldig van zich doet spreken’. ‘Er zijn weer mensen die anderen de verschrikkelijkste dingen aandoen op grond van een krankjorume overtuiging uit een heilig boek […] Door waanideeën offeren gelovigen zichzelf op om anderen te doden’. En we moeten niet denken dat zulke dingen alleen binnen de islam en in het Midden-Oosten gebeuren. Onze eigen premier is gereformeerd! Als zodanig reist hij mee op ‘de kar van het agressieve fundamentalisme’, die ooit door Paulus aan het rijden is gebracht. Dat ‘agressieve fundamentalisme’ bestaat dan uit een specifieke vorm van geweld: een radicale afwijzing van het leven (‘het enige leven dat we hebben’), de ‘totale verwerping van de schepping in dienst van een hersenschim’. Als Paulus’ fundamentalistische volgelingen nu maar in hun binnenkamer bleven om zichzelf daar voor de gek te gaan zitten houden – maar nee, ze krijgen in Nederland zelfs subsidie om op scholen kinderen af te leren hun verstand te gebruiken. ‘Wat een vernietiging en misvorming hebben ze op hun geweten!’

Met deze nieuwe opvatting van fundamentalisme staat Koolschijn niet alleen. Op dezelfde pagina in Trouw waarop het interview met Koolschijn staat, biecht columnist Jean-Jacques Suurmond op dat ook hij ooit een soort Umar Farouk Abdulmutallab is geweest, de man die op Kerstdag 2009 een vlucht naar Detroit wilde opblazen. Suurmond is namelijk als jonge man lid geweest van een ‘tamelijk fundamentalistische Pinkstergroep’. Hij nam de Bijbel letterlijk, zonderde zich af van de wereld en droomde van een duizendjarig vrederijk op aarde. Als zelfbenoemde ‘reddingswerker’ praatte hij eindeloos op mensen in om ze te bekeren. ‘Ook een vorm van geweld’ vindt Suurmond dat nu.

Wat is hier nu toch voor vreemds aan de hand?

Waarom wordt geweld niet meer gezien als fysieke bedreiging of mishandeling (zoals het woord in het normale taalgebruik wordt gebruikt), maar steeds meer als een vorm van geestelijke dwang en misvorming? Is dat omdat we het liever niet hebben over het islamitische geweld omdat we daar bang voor zijn en postmodern en posthistorisch als we zijn, geen antwoord op hebben? En willen we die angst camoufleren door nu onze afkeer te uiten van de vorm van geloof die we vroeger zelf hebben aangehangen? Zo van: christenen zeggen wel dat zij, anders dan moslims, niet (meer) gewelddadig zijn, maar ondertussen zijn ze even erg, al oefenen ze hun geweld niet fysiek maar psychisch uit, en is dat eigenlijk niet even erg?

In ieder geval geven de drie artikeltjes die ik onlangs las aanleiding tot drie eerste conclusies:

1. 'Het oordeel begint van het huis Gods', van afvallige christenen. Maar dat wisten we eigenlijk al.

2. Een nieuwe interpretatie van ‘geweld’ dreigt ingang te vinden, waarbij christenen en moslims in hetzelfde beklaagdenbankje komen te zitten. Beide religies zijn fundamentalistisch en intrinsiek gewelddadig, want beiden leggen een absolute claim op de waarheid, en beiden zouden dus eigenlijk niet in het publieke domein mogen worden toegelaten. De dreiging van uitsluiting is daarmee waarschijnlijk dichterbij dan ooit.

3. Anders dan veel mensen denken, ook binnen de gereformeerde gezindte, moeten we de komst van de islam in Nederland niet zien als een kans (als evangelisatieobject) en moeten we moslims ook niet omhelzen als bondgenoten, maar moeten we inzien dat de discussies die de islam oproept ongetwijfeld een bron van geloofsafval zullen zijn. Orthodoxe christenen zullen in de verleiding komen om islam en christendom slechts te zien als relatieve varianten op een onderdrukkend en gewelddadig, pre-modern geloofssysteem. Ik ben wel eens bang dat dat denken zijn duizenden zal verslaan.

Maar ik denk bovenal dat de feiten die ik uit die drie krantenartikeltjes heb bijeengelezen, binnen orthodox-christelijk Nederland een fundamentele bezinning en toerusting op gang moeten brengen.

18.3.09

In debat over Calvijn

Op uitnodiging van het Instituut voor Reformatieonderzoek uit Apeldoorn, in samenwerking met het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad, deed ik gisteren mee aan een discussieavond over Calvijn (500 jaar geleden in het Franse Noyon geboren). Lees hier en hier verslagen van de bijeenkomst. En bekijk hier mijn bijdrage aan het debat. Zie verder de website met verslagen van de nationale debatten over Calvijn.

2.11.08

Vorming door Grote Boeken

De GroteBoeken – de klassieken uit de westerse beschavingstraditie – moeten vanzelfsprekend worden gelezen. Maar belangrijker nog dan de vraag wát we lezen is de vraag hóe we lezen.

In de Amerikaanse stad Annapolis (Maryland), een uurtje rijden van de hoofdstad Washington, staat een van de meest bijzondere scholen die ik ooit heb bezocht: St. John’s College. Het is geen middelbare school en geen universiteit. Het zit er tussenin, dit liberal arts college. Op de campus staan fraaie achttiende- en negentiende-eeuwse gebouwen, en in de klaslokalen zitten docenten en studenten met elkaar opeengepakt rond een soort huiskamertafel. Ze lezen met elkaar één specifiek boek, en de les bestaat in één lange onderlinge discussie van het gelezene.

Vier jaar duurt een verblijf aan deze school, en de studenten doen in die vier jaar niets anders dan met elkaar boeken lezen. Niet zomaar boeken maar Great Books, de Grote Boeken uit de westerse beschavingtraditie. Zo lezen ze in hun eerste jaar alles van Homerus en Plato en andere Griekse schrijvers, in hun tweede jaar de Romeinen, Augustinus en de belangrijke teksten uit de Middeleeuwen en de Renaissance, zoals Dante en Chaucer, Machiavelli, Rabelais en Montaigne. In het derde jaar volgen de grote schrijvers uit de vroegmoderne tijd, tot en met de romans van Jane Austen, en in het vierde en laatste jaar staan de belangrijke filosofen, schrijvers en politici van de negentiende en twintigste eeuw op het programma. De studenten verdiepen zich niet alleen in literaire, filosofische en politieke teksten, maar ook in muziek (een mis van Josquin Des Prez bijvoorbeeld) en in de belangrijke publicaties uit de geschiedenis van de wetenschap, van Harvey en Copernicus tot Newton en Einstein. In laboratoria doen zij zelfs de proeven na die deze geleerden tot hun grote ontdekkingen hebben gebracht.

Het is natuurlijk prachtig allemaal. En de reden dat dit soort scholen (St. John’s is al lang niet meer het enige liberal arts college) zo succesvol is, is zo goed als zeker gelegen in de stuitende teloorgang van het onderwijs, ook in de Verenigde Staten. Schrijvers die vroeger op een beetje gymnasium werden gelezen, moeten nu in een soort vervolgcursus aan de orde komen. Maar het mooie is natuurlijk wel dat het gebeurt, en mooier nog is dat de deelnemers deze jaren beschouwen als de basis van hun (latere) universitaire scholing, of ze nu talen, rechten of geschiedenis of een exact vak gaan studeren. Een beschaafd mens laat zich vormen door de wijsheid der eeuwen zoals die in boeken is neergeslagen – door ‘the best that has been thought and said’, zoals de negentiende-eeuwse Engelse pedagoog Matthew Arnold het uitdrukte. En die vorming dient aan iedere verdere specifieke studie vooraf te gaan.

Toch schuilt er zelfs bij zoveel moois een adder onder het gras. De docenten begeleiden de studenten tamelijk losjes. Zij spreken geen oordeel over de gelezen boeken uit en dringen zeker geen oordeel aan de studenten op. Alle boeken zijn even belangrijk en even lezenswaardig, als producten van de menselijke geest. Of sommige boeken waar zijn en anderen onwaar, dat moeten de studenten maar voor zichzelf ontdekken en uitmaken. De docenten helpen de studenten alleen om tot de inhoud van de boeken door te dringen.

Er zit dus een enorm relativisme in zo’n Grote Boekenprogramma ingebakken. Het gaat om wát de studenten lezen – een bepaalde canon van grote Boeken. Het gaat er niet om hóe ze die boeken lezen, zoekend en onderscheidend, op zoek naar een objectieve waarheid.

De kritiek die dus op die op zich prachtige Grote Boekenprogramma’s mogelijk is, kan ook geleverd worden op de serie boeken die de Amsterdamse uitgever Mets & Schilt sinds dit jaar op de markt brengt: een serie vertalingen van boeken (uitgegeven door de Amerikaanse uitgever Atlantic Books) over ‘boeken die de wereld veranderden’. Er zijn nu drie delen verschenen: over de Bijbel, over de Ilias en de Odyssee van Homerus, en over de economische werken van Adam Smith. Op het programma staan nog boeken over Het Kapitaal van Karl Marx, over Plato’s Politeia, de Koran, De oorsprong der soorten van Charles Darwin, De rechten van de mens van Thomas Paine, en Over de oorlog van Clausewitz . Het zijn boeken die ook deel uitmaken van het curriculum op St. John’s, en het zijn inderdaad boeken die de wereld hebben veranderd en daarmee klassiek zijn, onderdeel van de canon van boeken die een goed opgevoed mens gelezen dient te hebben. Maar hóe worden deze boeken gelezen in de boeken die aan hen zijn gewijd?

Het boek over de Bijbel is geschreven door de beroemde godsdiensthistorica Karen Armstrong. Auteur van het boek over Homerus is de Argentijnse essayist en bibliofiel Alberto Manguel. Patrick Jake O’Rourke tekent voor het boek over Adam Smith. Karen Armstrong gaat door voor een specialiste op het terrein van de drie monotheïstische godsdiensten en publiceerde al eerder over Mohammed en de Islam en schreef een boek dat zij de titel Een geschiedenis van God meegaf. Alberto Manguel (1948) is een fenomenaal geleerde man, een minnaar van boeken en literatuur, auteur van boeken over lezen en over bibliotheken. O’Rourke (1947) is een begaafd en veelzijdig publicist en is momenteel verbonden aan het Cato Institute in Washington, een ‘klassiek-liberale’ ofwel ‘libertarische’ denktank, die het gedachtegoed verspreidt dat kan worden samengevat in de opvatting dat de overheid, zeker in het economische leven, geen onderdeel van de oplossing maar van het probleem is.

Armstrong behandelt de Bijbel niet als een goddelijk maar als een puur menselijk boek, met teksten van uitlopende aard die een lange ontstaansgeschiedenis hebben en na hun codificatie een enorme invloed hebben uitgeoefend. Dat ontstaan weerspiegelt vooral de onderlinge discussies tussen de schrijvers en redacteuren van de Bijbel en weerspiegelt vooral de tijd waarin zij leefden. In de hoofdstukken over de invloed van de Bijbel beschrijft Armstrong de manier waarop teksten in de loop van de tijd zijn gelezen en uitgelegd, en ook dat natuurlijk weer met de maatschappelijke omstandigheden als bepalende factor. Er zijn erge dingen met de Bijbel gebeurd, zo legt Armstrong vast: slavernij en antisemitisme zijn ermee gerechtvaardigd, ‘christenfundamentalisten’ zijn aan de haal gegaan met het boek Openbaring, zoals Joodse kolonisten dat hebben gedaan met het boek Jozua.

Ik heb het niet zo op die Armstrong, eerlijk gezegd. Er staat veel onzin in haar boek. Zo zegt ze dat de Bijbel een gewelddadig boek is, veel meer dan de Koran, en dat we ons nadrukkelijk moeten distantiëren van onze christelijke cultuur die eigenlijk vooral ellende heeft voortgebracht. Die boodschap maakt Armstrong tot zo’n succesvol auteur, denk ik, vooral ook omdat ze eraan toevoegt dat het met de islam en de profeet wel snor zit en dat we voor die man en zijn boek helemaal niet op onze qui-vive behoeven te zijn. Dat is precies wat de meeste mensen willen horen.

Van het boek van Manguel heb ik genoten. Zijn verhaal over de twee oude verhalen van die ene dichter aan het begin van de westerse literatuurgeschiedenis, de blinde Homerus – het verhaal over de val van Troje en het verhaal over de lange thuisreis van Odysseus – groeit in dit elegante boek uit tot een geschiedenis van de wereldliteratuur zelf. Vergilius smeedde die verhalen om tot een groots epos over het ontstaan van het Romeinse Rijk, grote schrijvers als Dante, James Joyce en Derek Walcott zijn er beslissend door beïnvloed. Manguel weet het en kan het minutieus beschrijven omdat hij nu eenmaal alles heeft gelezen, en er op een zeldzaam vervoerende wijze over kan schrijven.

O’Rourke heeft het boek geschreven dat nu, in tijden van financiële crisis, door iedereen zou moeten worden gelezen. Het boek van Adam Smith over The Wealth of Nations (1776) geldt als de grondslag van het westerse kapitalisme, omdat hij (onder veel meer) schreef dat een bakker niet uit liefdadigheid brood bakt maar omdat er vraag naar is en er dus een prijs voor kan worden gevraagd, en dat dit systeem prima is. Maar veel minder bekend is dat Smith eerder een boek schreef met de titel The Theory of Moral Sentiments (1759), en dat boek is een deugdethiek. Smith was van mening dat het kapitalistische systeem alleen goed kon functioneren wanneer het werd gedragen door goed opgevoede en gevormde mensen die zich de deugden (de waarden en normen) eigen hebben gemaakt die een ongebreidelde hebzucht in toom houden. Die vorming is een betere garantie tegen de verwording van het kapitalistische systeem dan massaal overheidsingrijpen.

Aan het boek van Armstrong zou ik geen zuur verdiend geld verbranden, het boek van Manguel wens ik in de handen van vele literatuurliefhebbers, en het boek van O’Rourke zou ik graag in ieders bezit zien, nu vele commentatoren in een vlaag van linksig revanchisme de schuld van de huidige kredietcrisis bij het kapitalisme leggen. Als alle bankiers en beurshandelaren hun Adam Smith hadden gelezen, hadden we de afgelopen weken en maanden hele andere voorpagina’s gehad.


Alberto Manguel, De Ilias en de Odyssee van Homerus
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 252 blz.; ISBN 978 90 5330 659 8; € 18,-

P. J. O’Rourke, The Wealth of Nations van Adam Smith
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 222 blz.; ISBN 978 90 5330 636 9; € 18,-

Karen Armstrong, De Bijbel
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 272 blz.; ISBN 978 90 5330 578 2; € 18,-


*) Deze recensie verscheen eerder in het Reformatorisch Dagblad.

27.9.07

Antiliberale christenen zijn te liberaal

Veel christenen zijn bezet met een anti-liberaal virus. Vermoedelijk is dat virus 170 jaar geleden al in hen geïnjecteerd, toen de liberale minister C. F. van Maanen opdracht gaf de Afgescheidenen te vervolgen. Anti-religieuze uitlatingen van rechts-liberale politici en opiniemakers doen vele christenen vermoeden dat een liberaal-seculiere staat die hen van hun vrijheden berooft, ook nu weer allerminst denkbeeldig is.

Ik denk dat die zorg terecht is. Voor het nieuwe opinieweekblad Opinio interviewde ik onlangs de Engelse historicus Jonathan Israel, een van de helden van sommige rechts-liberale politici en opiniemakers. Zijn betoog kwam er kort en goed op neer dat de waarden van de Verlichting gewoon waar zijn en daarom de grondslag moeten vormen van het culturele en politieke leven, en dat er daarom voor religieuze organisaties geen plaats meer mag zijn in het publieke leven.

Veel christenen trekken uit die zorg echter precies de verkeerde conclusie. Sterker nog, in hun verzet tegen het liberalisme nemen zij een van de meest karakteristieke en gevaarlijkste aspecten van het liberale denken over. Dat aspect is de gedachte dat we met alle groepen in een samenleving door middel van dialoog, contract en onderhandeling uiteindelijk vrede kunnen sluiten.

Inderdaad: in Nederland heeft die aanpak van overleg decennia lang (zeg: ten tijde van de verzuiling) tot goede resultaten geleid. Voor alle groepen was er een plekje onder de Nederlandse zon. Maar met de islam werkt die aanpak niet. En toch wil ds. Visscher van de Gereformeerde Gemeenten dat christenen met moslims gaan samenwerken om de vrijheid van onderwijs te behouden, wil de orthodoxe katholiek Robert Lemm dat christenen en moslims samen tegen het liberalisme ten strijde trekken, en wil prof. Schuurman dat christenen en ‘reformistische’ moslims het moderne westerse denken over techniek en economie gaan corrigeren.

Al deze pleidooien getuigen van een onthutsende naïveteit. Ik wil best geloven dat de geschiedenis nog niet in alle hevigheid in een plaats als Breukelen is teruggekeerd, maar het voorstel van prof. Schuurman, vorige week geuit in zijn afscheidsrede, geeft vooral blijk van een schuldige onwetendheid.

Christenen moeten helder blijven zien dat:

1. er een onoverbrugbare kloof tussen het christelijk en islamitisch geloof bestaat,
2. de duivel in de details verborgen gaat en dat ogenschijnlijke overeenstemming in waarden veelal slechts schijn is, en dat
3. de islam een collectieve cultuur representeert waarin niet overleg en vrede met de ander centraal staat, maar diens onderwerping (langs gewelddadige of politieke weg).

Omdat veel christenen dit niet meer inzien, maken ook zij zich aan de hand van de Visschers, Lemms en Schuurmannen schuldig aan de bevordering van een van de meest fatale ontwikkelingen die zich dezer dagen voltrekt: dat wij niet de moslims veranderen maar zij ons. Onze welwillendheid en inschikkelijkheid geeft hun de ruimte om te blijven die ze zijn.

In het huidige debat staan christenen voor de taak om duidelijk te maken dat hun geloof vredelievend is en niet uit is op wereldlijke dominantie. En dat een rechtsstaat er niet is om iedereen moderne waarden op te dringen, maar een geheel van spelregels en procedures biedt om met verschillen om te gaan. En dat voor een geloof (het islamitische) dat zich niet in een minderheidspositie kan schikken, binnen zo’n rechtsstaat geen plaats is.


*) Een iets ingekorte versie van dit artikel is verschenen in het Reformatorisch Dagblad.

21.7.07

Meer invloed overheid op gezin gevaarlijk

De plannen van minister Rouvoet tasten de soevereiniteit van het gezin aan stelde ik eerder in een stuk op de opiniepagina van het RD. SGP-wethouder Van Duijn noemde dat in een reactie onzin en sprak van „ideologische verblinding” bij Spruyt. Hieronder mijn repliek .

De heer Van Duijn heeft mij verwaardigd met een reactie op mijn artikel op deze pagina. Laat ik zijn geëmotioneerde betoog puntsgewijs weerleggen.

Ten eerste, ik zou Rouvoet hebben overschat omdat wat hij nu naar voren brengt al jaren in de maak is of hier en daar zelfs al beleid is. Het is van tweeën één. Of je trekt honderd dagen het land in en roept aan het einde van die periode de media bij je om je nieuwe plannen te ontvouwen met betrekking tot de jeugdzorg, waaronder het plan voor die elektronische dossiers voor ieder kind in Nederland. Of je zegt na honderd dagen ’dialoog’ dat je eigenlijk niets nieuws hebt kunnen verzinnen en dat je gewoon gaat uitvoeren wat je voorgangers hebben verzonnen. Maar eerst stampij maken, en daarna bij het eerste zuchtje tegenwind zeggen dat je eigenlijk niets nieuws toevoegt en dat er niets aan de hand is, dat kan niet.

Ten tweede, ik zou vooral de heer Van Duijn en consorten aanvallen, terwijl die al zo lang bezig zijn met hun zegenrijke werk voor „kwetsbare jongeren.” De heer Van Duijn zal wel van mij willen aannemen dat ik geen voorstander ben van kindermishandeling of een tegenstander van effectief handelen, zelfs niet van ambtenaren. Ook begrijp ik dat bepaalde instanties in bepaalde situaties moeten ingrijpen. Maar de voorliggende plannen (van wie die ook zijn) gaan veel verder. Zoals consultatiebureaus nu al elektronische dossiers aanleggen met medische gegevens van alle kinderen, zo gaat de overheid nu ook elektronische dossiers aanleggen met gegevens over de sociale omgeving van álle kinderen, in álle gezinnen.

Bij ieder fatsoenlijk christenmens lopen dan natuurlijk de rillingen over de rug. Want een overheid wil altijd meer, zoals ook Van Duijn zelf laat zien door gelijk maar weer meer subsidie te vragen. En subsidies zijn belastinggeld, geld dus waar gewone mensen hard voor werken. Ze willen niet alleen altijd weer meer belasting heffen, ze willen de burger het liefst ook naar een eigen ideologisch model herscheppen. Nu hebben we Rouvoet -en die zou in de praktijk nog een beetje kunnen meevallen-, maar wie krijgen we straks? En wat gaat er dan allemaal onder ’risico’s’ vallen?

Drie. Van Duijn verwijt mij „ideologische verblinding”, maar geeft daarmee slechts aan zelf de weg volledig kwijt te zijn. Problemen in gezinnen en met jongeren ontstaan niet omdat de overheid geen goed jeugdbeleid voert, maar worden veroorzaakt door een scala aan culturele gebreken: echtscheidingen, onmatigheid, egoïsme, gebrek aan zelfbeheersing, het wegvallen van institutionele verbanden waarin dergelijke problemen voorheen werden aangepakt. Wanneer er geen mentaliteitsverandering (culturele omslag) komt die dit corrigeert, kan de overheid doen wat ze denkt te moeten doen, maar blijft het dweilen met de kraan open. En die dweil is ook nog eens vies, en waar de kraan zit (en of er überhaupt een kraan is), dat schijnt zelfs een SGP-wethouder niet meer te weten.

Want zo maakt Van Duijn zich bekend: als SGP-wethouder, terwijl hij tegelijk om meer subsidies vraagt en denkt dat de overheid opvoedingsproblemen kan oplossen. De heer Van Duijn heeft geluk dat ik geen voorzitter van de SGP ben, anders moest hij rap op zoek naar een echte baan.

*) Eerder verschenen in het Reformatorisch Dagblad.

9.7.07

Macht heeft Rouvoet verblind

Woorden hebben in de politiek nauwelijks nog enige betekenis. Ze kunnen zo veel dingen tegelijk betekenen dat ze eigenlijk betekenisloos zijn geworden. Links, rechts, progressief, conservatief, sociaal, liberaal: het zijn lege hulzen geworden waar je van alles en nog wat in kunt stoppen.

Dat geldt inmiddels ook voor het woord christelijk. Hoewel er altijd christenen in verschillende soorten en maten zijn geweest, was het lange tijd duidelijk welke politieke positie een bepaald soort christenen innam. De geestelijke nazaten van Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper hadden een duidelijk mensbeeld, een onderscheiden visie op de samenleving en een helder beeld van de reikwijdte en de mogelijkheden van de macht van de overheid. Vanuit hun sombere mensbeeld hechtten zij grote waarde aan instituties als gezin, familie, school, verenigingen en de kerk omdat mensen daar (onder meer) werden gevormd en opgevoed. En zij begrepen dat als het daar misging, de politiek eigenlijk weinig meer kon doen. De staat kan niet van je houden, is te log en te grof om fijnzinnige maatregelen te kunnen nemen. Sterker nog: wanneer de overheid zich gaat bemoeien met zaken waar ze geen verstand van heeft en waar ze helemaal niet voor is, wordt alles alleen nog maar erger.

Soevereiniteit
Tot voor kort leek André Rouvoet dit alles te begrijpen. In een interview met Trouw in april verwees hij nog expliciet naar de zogeheten leer van de soevereiniteit in eigen kring, een door Kuyper bedacht concept dat inhoudt dat tal van levenssferen -zoals die van het gezin- soeverein zijn, vrij en onafhankelijk van de staat. En daarom vond Rouvoet ook dat het gezin, als kleinste soevereine kring, primair verantwoordelijk is voor de opvoeding van kinderen.

Maar ja, nu is hij minister. CDA en PvdA hadden na de laatste verkiezingen geen meerderheid, moesten op zoek naar een derde partner, en hun oog viel op de ChristenUnie - niet omdat die partij christelijk was, maar omdat zij links is. En zo mocht de ChristenUnie aanschuiven, en op het altaar van de euforie van de macht worden voorheen belangrijke principes moeiteloos en (wat nog erger is) zonder enige vorm van verantwoording geofferd.

De honderddagentour van Rouvoet heeft geleid tot een beleidsprogramma (”Alle kansen voor alle kinderen”) waarin hij als minister voor Jeugd en Gezin de jeugdzorg op de schop neemt. Zijn voornemens komen erop neer dat hij de overheid een rol achter de voordeur toekent. Van alle kinderen in Nederland (ondanks het feit dat het met 95 procent van de kinderen gewoon goed gaat) wil Rouvoet een elektronisch dossier laten aanleggen waarin nauwkeurig wordt vastgelegd welke sociale risico’s zich bij die kinderen voordoen op hun weg naar de volwassenheid. En als er gevaar dreigt, stuurt hij een pedagoog of een ander soort hulpverlener op je af die je komt vertellen hoe de overheid wil dat jouw kinderen worden en hoe je dat moet bereiken.

Dit is een huiveringwekkend voorstel. De ChristenUnie ontpopt zich meer en meer als directe nakomeling van de afvallige ARP uit de jaren zeventig, die het begrip soevereiniteit in eigen kring herdefinieerde en er daarmee een betekenis aan gaf die tegengesteld was aan de oorspronkelijke betekenis (en sindsdien is dus ook dit woord van alle betekenis ontbloot). Het staat niet meer voor een afstandelijke overheid maar voor een overheid die zich overal mee bemoeit, tot aan de opvoeding van de kinderen aan toe.

Uitholling
Groen en Kuyper zouden Rouvoet nog hebben uitgelegd dat deze aanpak alleen maar tot een verdere verzwakking van gezinnen leidt. Wanneer gezinnen tot in de opvoeding aan toe van de overheid afhankelijk worden, leidt dit tot een verdere uitholling van instituties die de kern van de samenleving vormen. Voordat hij macht kreeg, wist Rouvoet nog dat alleen een mentaliteitsverandering en een culturele omslag gezinnen kunnen versterken. De macht heeft hem verblind en omgetoverd in gewoon weer zo’n politicus die dwars tegen alle overtuigende bewijzen van het tegendeel in gelooft in de macht van de staat en de maakbaarheid van de samenleving. Van een antirevolutionair heeft hij zich ontwikkeld tot een soort neoconservatief van het ergste soort: tot iemand die de macht van de staat gebruikt om culturele problemen op te lossen via links-dirigistische programma’s.

De overheid kan geen kinderen opvoeden, mag dat ook niet willen, en moet ook niet iets willen wat zij helemaal niet kan. Het wordt tijd dat Rouvoet zich de woorden in herinnering brengt van de op dit punt wijzere Ronald Reagan. Die zei dat niemand een zin kan uitspreken die erger is dan de volgende: „Hallo, ik ben van de overheid en ik kom je helpen.”

*) Versies van dit artikel zijn verschenen in het Reformatorisch Dagblad en Binnenlands Bestuur.