Showing posts with label Populisme. Show all posts
Showing posts with label Populisme. Show all posts

28.7.11

Nihilisme, populisme, Breivik en Nederland

In de discussie die is losgebrand over Anders Breivik, 'Oslo' en het rechts populisme is het dienstig om te herinneren aan een tekst van de Joods-Amerikaanse politiek filosoof Leo Strauss ('German Nihilism'). Ik schreef daar dit voorjaar over in het blad ChristenDemocratische Verkenningen. De (lange) tekst volgt hieronder, voor de liefhebbers.


Het is onder ons, nette mensen, tot de goede toon gaan behoren om woordvoerders en aanhangers van het populisme te beschouwen als de slecht opgevoede en slecht geschoolde, luidruchtige en onbeschaamde binnendringers in een politieke wereld die wij voor onszelf zo netjes op orde hadden. Deze barbaren duw je weg achter een cordon sanitair of je verleidt ze tot participatie, in de hoop dat ze zichzelf kapot regeren of gedogen. Geen mogelijkheid om de opmars van het populisme te keren, mag onbenut worden gelaten. Want ze deugen niet. Volgens Rob Riemen zijn Geert Wilders en zijn beweging het ‘prototype van hedendaags fascisme’, en daarmee niets anders dan de politiek logische consequentie van de nihilistische massamaatschappij die wij zijn geworden. Frits Bolkestein denkt dat Wilders niet meer is dan een ‘kortstondige komeet’ en dat zijn kiezers bestaan uit people with a grudge. ‘Ze zijn werkloos en hun dochter is aan de drugs en hun zoon is weggelopen.’ En James Kennedy, om alleen hem nog te noemen, betoogt dat het Nederlandse populisme ‘gevaarlijk’ is omdat het ons zal verleiden zijn visie op immigratie en islam in ons systeem te absorberen. Dat zal uiteindelijk tot een situatie leiden ‘waarin sommige burgers veel minder rechten zullen krijgen dan anderen’.

In het beste geval erkennen we schoorvoetend dat er geen enkele reden is om de PVV te vergelijken met het vooroorlogse fascisme of nationaalsocialisme en dat er nog wel wat te leren valt van de successen die Wilders boekt: hij heeft de politieke urgentie van de kwestie van de immigratie ‘beter tot zich laten doordringen dan andere partijen’.

Zelf ben ik van mening dat we het populisme veel serieuzer moeten nemen. In de eerste plaats omdat het is ontstaan als gevolg van fouten en tekortkomingen in de politiek van andere partijen in het recente verleden. Het populisme heeft de neiging deze fouten onbeperkt en genadeloos te exploiteren, en excelleert niet direct in pogingen om anderen ervan te overtuigen dat het vooral in oplossingen geïnteresseerd is, maar toch: het breekt binnen dankzij een bres die die anderen zelf hebben laten ontstaan.

In de tweede plaats omdat populisten erkenning verdienen, gulhartige erkenning, voor hun bereidheid een thema te agenderen waarvoor zij aanvankelijk allerminst de kiezersgunst verwierven. Dat thema betreft een reële kwestie, en verdient daarom een legitieme plaats binnen ons politieke bestel. Samenwerking met Geert Wilders moet niet gericht zijn op de uiteindelijke uitschakeling van de PVV maar op integratie van de problematiek en de inhoudelijke bijsturing van het populisme (wat in 2005-2006al tevergeefs is geprobeerd). Het populisme beter begrijpen dan het zichzelf begrijpt, dat is de uitdaging van het populisme aan ons.

Wat is – zo luidt dus de vraag – dat thema dat het populisme heeft willen agenderen en waarvoor het erkenning verdient? Wat is ten diepste de achtergrond van de opkomst en het succes van het populisme?

Ronald Havenaar betoogt dat de bron van het populisme bestaat uit ‘een brede ontevredenheid over culturele thema’s, in het bijzonder de positie van immigranten’. Net als het fascisme in het interbellum – en alleen in dit opzicht daarmee vergelijkbaar – appelleert het populisme aan ‘een breed verlangen van de massa naar idealisme’. Nodig is een ‘eigentijds cultuurideaal dat zonder mitsen of maren immigranten verwelkomt die zich loyaal aanpassen aan Nederlandse wetten en waarden, dat wil zeggen die bereid zijn zich te verheffen tot leden van de nationaal-culturele gemeenschap die wordt bepaald door het Nederlanderschap in al zijn facetten, inclusief godsdienstvrijheid’.

Deze woorden van Havenaar zijn een late weerklank van de politiek filosoof Jacques de Kadt (1897 – 1988), die van 1948 tot 1963 voor de PvdA in de Tweede Kamer zat maar in 1970 zijn lidmaatschap van de partij opzegde uit afkeer van het nieuwlinkse ‘puberiaat’. Zijn twee belangrijkste werken zijn Het fascisme en de nieuwe vrijheid (1939) en De politiek der gematigden (1972). Hij liet zien dat het fascisme een volksbeweging was die zich verzette tegen ‘de wereld van de nooit ernstig genomen idealen en tegen de wereld van de massa; tegen de wereld der klerken en tegen de wereld der maagvergoders’. Fascisme zouden we kunnen omschrijven, in lijn met De Kadt, als de idealistische reactie op een liberale samenleving waarin alleen materiële welvaart geldt. Een samenleving heeft behoefte aan een ‘hoger ideaal’, aan ‘een perspectief dat over materiële doelstellingen heen reikt’. Alleen is dat idealisme in het fascisme ‘tot een haatgrens verwrongen en verstard’, vervormd tot een ‘paniekconservatisme’ dat grenst aan het contrarevolutionaire denken. ‘Alleen een cultuursocialisme dat deze motieven overnam en er een beschaafde inhoud aan gaf, zou naar de overtuiging van De Kadt het fascisme kunnen weerstaan’, schreef Havenaar in zijn boek over De Kadt, en hij volgt deze aanbeveling in zijn eigen weerwoord op het populisme van de PVV.
Een analyse die in sommige opzichten aan die van Jacques de Kadt doet denken, maar nog iets dieper gaat en, naar mijn mening, ook een betere uitweg biedt dan het ‘cultuursocialisme’ dat De Kadt en Havenaar voorstellen, is in februari 1941 gegeven door Leo Strauss (1899 – 1973). Strauss was een Duitse Jood die nazi-Duitsland ontvluchtte en via Parijs en Cambridge naar de Verenigde Staten wist te ontkomen. Hij vond daar onderdak bij de New School for Social Research in New York, waar hij een lezing gaf over het Duitse nihilisme. Later werd Strauss hoogleraar politieke filosofie aan de universiteit van Chicago.

In zijn lezing over het Duitse nihilisme, volgens de Parijse filosoof Pierre Manent de meest diepzinnige analyse van de geestelijke context van het nazisme, betoogt Strauss dat de jongere generatie in Duitsland in de jaren dertig behept was met een nihilistische geest die een uitlaatklep vond in het fascisme van Hitler. Dat nihilisme keerde zich tegen de moderne samenleving voor zover die opgaat in het streven naar niet meer dan het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen. Zo’n samenleving ontkent basale feiten van de menselijke natuur. Het vooruitzicht van een gepacificeerde planeet, een planetaire gemeenschap die zich alleen maar toelegt op de productie en consumptie van geestelijke en materiële handelswaar, was voor vele jonge Duitsers afschrikwekkend. Zij haatten het vooruitzicht van een wereld waarin iedereen gelukkig en tevreden zou zijn en zijn kleine pleziertjes zou hebben. Deze komst van de laatste mens (Nietzsche) was voor hen de grootste vernedering van de mensheid. Het betekende een wereld ‘waarin een groot hart niet kon slaan en een grote ziel niet kon ademen, een wereld zonder echte, onmetaforische offers, dat wil zeggen: een wereld zonder bloed, zweet en tranen’. Dat was de wereld waartegen jonge Duitsers in de jaren dertig ‘nee’ zeiden. Zij wisten echter niet wat zij wel wilden. Waar hun ‘ja’ zich op richtte, dat wisten zij eigenlijk niet. En daarom kwamen zij uit bij een vernietigingsdrang, bij een verheerlijking van militaire deugden, en dus bij de gewelddadige ideologie van het fascisme.

Wat had kunnen voorkomen dat het nihilisme van deze jonge Duitsers in het fascisme van Hitler uitmondde? Waar het deze jongeren in de eerste plaats aan ontbrak, volgens Strauss, waren leraren - leraren die een zelfde twijfel aan de principes van de moderne samenleving hadden gekend, maar die twijfel door diep en onafhankelijk nadenken hadden overwonnen en hun daarom in duidelijke taal de positieve en niet alleen destructieve betekenis van hun aspiraties konden uitleggen. Zij hadden deze jongeren een ‘rustige en gepaste trots’ op de Westerse beschaving kunnen bijbrengen, en daarmee weerstand tegen het nihilisme. ‘Conservatisme’ in de betekenis van een terugkeer zonder meer naar een specifieke traditie, bood volgens Strauss geen oplossing, hoe groot de verleiding ook is om het onindrukwekkende heden in te ruilen voor een indrukwekkend verleden. Beschaving zoekt wat goed is in de erfenis die de mens toevalt. Dat goede vond Strauss onder andere in de Engelse, zeer on-Duitse deugd van de prudentie en gematigdheid die in moderne idealen een redelijke aanpassing ziet aan veranderde omstandigheden van ‘het oude en eeuwige ideaal van fatsoen, van de rechtsstaat en van die vrijheid die geen ongebondenheid is’. Dit denken is niet radicaal, maar was een zegen voor het leven. Zij die het naar voren brachten waren volgens Strauss uitmuntend geverseerd in het tegengif van de klassieke traditie.

Het klassieke denken als tegengif tegen een modern ideaal waarin het materiële, handelswaar en vrijheid in de zin van ongebondenheid het één en het al is, dit culturele ideaal zoals Strauss dat formuleerde, herinnert aan klassieke opvattingen over de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om een samenleving op orde te houden. In de moderne opvatting gaat het altijd om de sociaal-economische en politieke voorwaarden waaronder een democratie goed functioneert; in het klassieke denken gaat het ook, en vooral, om culturele voorwaarden. Wanneer die voorwaarden ontbreken is er geen sprake van een democratie maar van een ochlocratie, regeert niet het volk maar de massa, leven wij niet in een democratische orde maar in een staat van anarchie waarin de massa, vroeg of laat, om een Grote Leider gaat roepen om de chaos te beteugelen en de orde te herstellen. (Het is niet overbodig erop te wijzen dat mensen die de posities van de traditionele elite innemen, moreel en intellectueel natuurlijk tot de soort van de massamens kunnen behoren en vaak ook behoren.)

In de geschriften van Griekse denkers en schrijvers als Thucydides, Plato, Aristoteles, Isocrates en Polybius komen we beschouwingen tegen over de overgang van democratie (regering door het volk) naar iets anders, dat soms anarchie heet, soms (bij Polybius) ochlocratie, d.w.z: de regering door de massa (ochlos), of soms zelfs cheirocratie, de heerschappij van de vuist. In die overgangsfase verandert de sociale en morele zowel als de institutionele huishouding van een samenleving zodanig dat een gezond politiek systeem (democratie) plaats maakt voor een gevaarlijke fase van chaos en anarchie waarin de tirannieke verleiding levensgroot op de loer ligt.

Wanneer we de verschijnselen die deze overgang kenmerken – zoals beschreven door genoemde auteurs – op een rijtje zetten, dan komen we tot de volgende opsomming:
• In een democratie worden bepaalde tradities in ere gehouden, in een ochlocratie niet meer. ‘Alleen daar waar het als traditie geldt de goden te vrezen, de ouders te eren, oudere mensen te respecteren en de wetten te gehoorzamen, wanneer onder zúlke voorwaarden de wil van de meerderheid beslist, mag men van democratie spreken’, schrijft Polybius.
• In een democratie is een geheel ander vrijheidsbegrip in zwang dan in een ochlocratie. In een gezonde democratie wordt vrijheid gedefinieerd als het recht om te doen wat men behoort te doen. In een ochlocratie is vrijheid niet meer dan de eis om te kunnen doen en te kunnen zeggen wat men wil doen of zeggen omdat men dat leuk en lekker vindt en daarom ook goed. Vanuit het perspectief van een gezonde democratie is het vrijheidsbegrip in een ochlocratie ontaard in vrijblijvendheid en vrijpostigheid, wetteloosheid, ongebondenheid, onverantwoordelijkheid.
• In een overgangsfase van democratie naar ochlocratie slaat het gelijkheidsdenken door. Vaders gaan op voet van gelijkheid met hun kinderen om. Leraren zijn bang voor hun leerlingen en praten hen naar de mond. Oudere mensen gaan zich aan de jongeren aanpassen door zo geestig en aardig mogelijk over te komen. Om toch maar niet onsympathiek en autoritair te lijken doen ze de jongeren na.
• In een ochlocratie verandert het taalgebruik: deugden worden ondeugden, ondeugden deugden. Wat onder gewone omstandigheden normaal is, krijgt in een ochlocratie een nieuwe, depreciërende benaming. Wat normaal ‘overmoedig’ heet, heet in een ochlocratie ‘dapper’; wat normaal ‘prudent’ is, wordt ineens ‘laf’. De schaamte wordt een ‘stommeling die moet worden verbannen’. Wie onbeschaamd is, heet moedig. Wie zichzelf beheerst, is een lafaard. Geen maat kunnen houden, is het echte leven. Anarchie wordt vrijheid zonder meer.
• In de chaos die ontstaat door deze herwaardering van alle waarden, staan politici op die zich als sterke man presenteren en die met voorbijzien aan bestaande wetten de orde zullen herstellen. Wat voor soort man is dat? Zo’n man is de verongelijkte, want voorheen buitengeslotene, en klassieke vrijheden en gelijke rechten zijn voor hem niet zo belangrijk meer als dat zij in de voorafgaande periode van de democratie waren. Bij Polybius heet hij ambitieus en onverschrokken, iemand die uitgesloten is geweest van eervolle functies in de politiek en die het volk misleidt en door het volk wordt gebruikt om een alleenheerschappij te vestigen.
• Want uiteindelijk is ochlocratie oftewel anarchie niet meer dan een tussenfase in de eeuwige cyclus van regeringsvormen, in dit geval tussen de regeringsvorm van de democratie en de alleenheerschappij die (op haar beurt) weer in despotie en tirannie ontaardt.

We hebben weinig fantasie of verbeelding nodig om te kunnen zien dat dit in Nederland precies is gebeurd. Onze democratie is een ochlocratie geworden, en daarmee is de weerstand tegen de verleiding van het populisme verdwenen: of men is voor het populisme bezweken of men had het er geen antwoord op (anders dan het ‘antwoord’ van de morele verontwaardiging of een neerbuigendheid uit verlegenheid). Het echte antwoord is dus gelegen in een klassiek ideaal om het culturele fundament onder de samenleving in stand te houden.

Frits Bolkestein was de laatste Nederlandse politicus die dat ideaal expressis verbis heeft uitgedragen, en daar ook bij zei dat het liberalisme dat ideaal niet kon onderhouden. Dat Bolkestein het daar als liberaal voor het laatst over heeft gehad, bevreemdt omdat dit ideaal ten grondslag ligt aan het ontstaan van de christendemocratische politiek. Het uitgangspunt in het denken van de grondlegger van de antirevolutionaire en christelijk-historische richting in Nederland, Groen van Prinsterer (1801-1876), bestond in het gevaar van ochlocratie, populisme en tirannie: ‘het exces van democratie, de consequente toepassing van het beginsel der volkssoevereiniteit leidt eerst tot anarchie, later tot autocratie of dictatuur’.

De sleutel tot dit antwoord van een hoger gestemd populisme ligt in de handen van de christendemocratie, al schijnt zij zelf niet of maar hoogst zelden te beseffen dat zij die sleutel in handen heeft. Maar vanuit haar traditie kan zij het idealisme weer terugbrengen in de politiek, als cultuurideaal dat een bezielend verband schept door democratie en vrijheid moreel te begrenzen en de natie met bescheiden en gepaste trots te zien als een gemeenschap met een eigen historische identiteit.

26.5.09

Vox Pop

In het Trippenhuis, aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam, belegt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen vandaag een congres over het 'populisme'. Ik zal daar een korte lezing geven en daarin iedereen uitnodigen om het populisme niet als een excuus of schaamlap voor het eigen falen te gebruiken, maar het te zien als een kritische vraag aan onszelf.
In de Trouw van afgelopen zaterdag - bijlage Letter&Geest - hebben Amanda Kluveld en ik een lang artikel over dit onderwerp gepubliceerd. Hieronder volgt de tekst van dat artikel:



Populisme is in toenemende mate onderwerp van beschouwing. Voormalig CDA-ideoloog Anton Zijderveld wijdde er het essay 'Populisme als politiek drijfzand' aan en zegde vervolgens zijn partijlidmaatschap op omdat het CDA de populistische PVV niet bij voorbaat wilde uitsluiten van een regeringscoalitie. De Amsterdamse Balie belegde vorige maand de bijeenkomst 'Verlicht populisme', waar minister van wonen, werken en integratie Eberhard van der Laan en ex-LPF-Kamerlid Joost Eerdmans met elkaar in debat gingen over het boek 'Diploma Democracy' van Mark Bovens en Anchrit Wille. En deze maand bogen in Leiden historici zich over de kwestie tijdens het congres 'Populisme in de polder'.

Wat opviel in Leiden, vooral in de beschouwingen over het hedendaagse niet-linkse populisme, was dat het verschijnsel overwegend negatief werd geduid en zelfs geridiculiseerd. Kort gezegd komt het erop neer dat de politieke, culturele en intellectuele elite van Nederland - dat wil zeggen, de mensen die zich in het publieke en politieke debat mengen, zichzelf tot de weldenkenden rekenen en doorgaans bij conferenties over populisme aanwezig zijn - van mening is dat we hier te maken hebben met een moeilijk te definiëren, maar voor iedereen toch min of meer gemakkelijk als 'fout' te herkennen politieke stijl, en met een volgens sommigen zelfs gevaarlijke ideologie.

Een van ons werd tijdens het congres in Leiden door iemand uit het publiek gekenschetst als "een populist naar inhoud maar niet naar stijl". Deze diskwalificatie - de opmerking was niet als compliment bedoeld - is typerend voor de wijze waarop de elite zich afmaakt van de problemen op het gebied van integratie, islamisering en het gebrek aan politieke daadkracht die (echte of vermeende) populisten constateren en willen agenderen. Het zijn in haar ogen kwesties die populisten zélf uit het niets hebben gecreëerd om het volk aan zich te binden. Vooral in de voordracht van historicus Koen Vossen was bitter weinig ruimte voor de erkenning dat het hier mogelijk om reëel bestaande problemen gaat. Met andere woorden: Wilders zuigt die 'tsunami' van islamisering uit zijn kwaadwillige duim. En Fortuyn, Verdonk en EénNL constateerden ten onrechte dat er in ons land sprake is van een multicultureel weg-met-ons-denken, zodat de nationalistische trots die zij daar tegenover willen stellen belachelijk en verwerpelijk is.

Als de populist rancuneus is, zoals in Leiden meerdere malen werd geconstateerd, dan is de elite beslist zelfgenoegzaam. Zo zelfgenoegzaam dat zij zelfs niet in staat is de grote problemen waarmee onze samenleving kampt onder ogen te zien. Zij zal dus voor die problemen geen werkelijke verantwoordelijkheid willen nemen of er een zinnige visie op ontwikkelen. Daarvoor is zij te druk met, zoals Zijderveld in zijn essay deed, het moreel diskwalificeren van het populisme, waarvan doorgaans gezegd wordt dat het geen oplossingen biedt en alleen maar inspeelt op onderbuikgevoelens. Op deze manier komt er geen inhoudelijk antwoord op de uitdagingen van het populisme en de correcties waartoe het de gevestigde politiek dwingt.

Onze stelling luidt dat de houding van de zelfgenoegzame elite en het negeren van nijpende problemen dat met die zelfgenoegzame houding samenhangt, een groot gevaar vormen voor onze democratie. Zeker bezien in het licht van de opkomst van de islam, het multicultureel-links politieke complex en het daaruit voortkomende jammerlijk falende Nederlandse integratiebeleid.

Wij leven in een democratie met als hoogste politieke orgaan een parlement, de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, waar door het volk gekozen politici onze zaken behartigen, de regering controleren en bij meerderheid van stemmen over ja en nee, goed en fout beslissen. Wij kiezen en kunnen worden gekozen, onze stem is beslissend. Wij, het volk, regeren. Tegelijkertijd zijn er volgens sommigen aanwijzingen dat onze democratische rechtsstaat tekenen van verval vertoont. In 'Tegen de decadentie' (2004) wees de Leidse hoogleraar Paul Cliteur bijvoorbeeld op de bedreiging van de vrijheid van meningsuiting, op misverstanden over de 'rechterlijke onafhankelijkheid' en op de preoccupatie met rechten waardoor politici stelselmatig veel te hoge verwachtingen wekken bij de bevolking.
Verontrustender is misschien nog wel de kritiek van de vroegere adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, H. J. Schoo (1945-2007), die van mening was dat Nederland sinds de ontzuiling niet langer over een stabiel politiek systeem beschikt. De politieke elite heeft geen binding meer met een herkenbare achterban, is vervreemd geraakt van de levens en opvattingen van de kiezers en denkt tegelijk voor het eigen bestwil van die kiezers te handelen. Die kinderlijke behandeling was 'de broedstoof' voor 'de revolte der burgers' die in 2002 uitbrak.

De constateringen van Cliteur en Schoo zijn belangrijk, maar tegelijkertijd kunnen we ons afvragen of deze verschijnselen (het verval van de democratische rechtsstaat) de oorzaak van de huidige politieke malheur zijn, of dat het symptomen zijn van dieperliggende (culturele) verschijnselen.

In de klassieke interpretatie van 'democratie' moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan voordat er van democratie sprake kan zijn. Wanneer die voorwaarden ontbreken, is er geen sprake van een democratie maar van een ochlocratie, regeert niet het volk maar de massa, leven wij niet in een democratische orde maar in een staat van anarchie waarin de massa, vroeg of laat, om een Grote Leider gaat roepen om de chaos te beteugelen en de orde te herstellen.

Wanneer wij het over de 'klassieke interpretatie' hebben, dan bedoelen we dat zo letterlijk mogelijk. In de geschriften van Griekse denkers en schrijvers als Thucydides, Plato, Aristoteles, Isocrates en Polybius komen we beschouwingen tegen over de overgang van democratie (regering door het volk) naar iets dat soms anarchie heet, soms ochlocratie (de regering door de massa), en soms zelfs cheirocratie, de heerschappij van de vuist, oftewel het vuistrecht. In die overgangsfase verandert de sociale, morele en institutionele huishouding van een samenleving zodanig dat een gezond politiek systeem (democratie) plaatsmaakt voor een gevaarlijke fase van chaos en anarchie waarin de tirannieke verleiding levensgroot op de loer ligt.

Wanneer we de verschijnselen die deze overgang kenmerken op een rijtje zetten, dan komen we tot de volgende opsomming. In een democratie worden bepaalde tradities in ere gehouden, in een ochlocratie niet meer. "Alleen daar waar het als traditie geldt de goden te vrezen, de ouders te eren, oudere mensen te respecteren en de wetten te gehoorzamen, wanneer onder z˙lke voorwaarden de wil van de meerderheid beslist, mag men van democratie spreken", schrijft Polybius. In een democratie is een geheel ander vrijheidsbegrip in zwang dan in een ochlocratie.

In een gezonde democratie wordt vrijheid gedefinieerd als het recht om te doen wat je behoort te doen. In een ochlocratie is vrijheid niet meer dan de eis om te kunnen doen en te kunnen zeggen wat je wilt doen of zeggen omdat je dat leuk en lekker vindt en daarom ook goed. Vanuit het perspectief van een gezonde democratie is het vrijheidsbegrip in een ochlocratie ontaard in vrijblijvendheid en vrijpostigheid, wetteloosheid, ongebondenheid, onverantwoordelijkheid. In een ochlocratie verandert het taalgebruik: deugden worden ondeugden, ondeugden deugden. Wat normaal is, krijgt in een ochlocratie een nieuwe, depreciërende benaming. Wat gewoonlijk 'overmoedig' heet, heet in een ochlocratie 'dapper'; wat normaal 'prudent' is, wordt ineens 'laf'. De schaamte wordt een "stommeling die moet worden verbannen". Wie onbeschaamd is, heet moedig. Wie zichzelf beheerst, is een lafaard. Geen maat kunnen houden, is het echte leven. Anarchie wordt vrijheid zonder meer.

In de chaos die ontstaat door deze herwaardering van alle waarden, staan politici op die zich als sterke man presenteren en die met voorbijzien aan bestaande wetten de orde zullen herstellen. Wat voor soort man is dat? Zo'n man is de verongelijkte, want voorheen buitengeslotene. Klassieke vrijheden en gelijke rechten zijn voor hem niet zo belangrijk meer als zij in de voorafgaande periode van de democratie waren. Bij Polybius heet hij ambitieus en onverschrokken, iemand die uitgesloten is geweest van eervolle functies in de politiek en die het volk misleidt en door het volk wordt gebruikt om een alleenheerschappij te vestigen. Want uiteindelijk is ochlocratie dan wel anarchie niet meer dan een tussenfase in de eeuwige cyclus van regeringsvormen, in dit geval tussen de regeringsvorm van de democratie en de alleenheerschappij die (op haar beurt) weer in despotie en tirannie ontaardt.

Het staat natuurlijk iedereen vrij zich hardop af te vragen waarom wij ons iets gelegen zouden moeten laten liggen aan de opvattingen van politiek filosofen die al zo'n 2500 jaar dood zijn. Maar wie de afgelopen jaren de Nederlandse politiek heeft gevolgd en daarna kennis neemt van deze klassieke theorie, moet haast wel geraakt worden door de frappante overeenkomsten.

Op de morele en sociale anarchie die het gevolg is van de verkruimeling van ons culturele fundament - door sommigen verdedigd als de grote verworvenheden van 1968 - hebben de grote constituerende partijen van de Nederlandse politiek (CDA, PvdA, VVD) geen antwoord. Dat is om meerdere redenen logisch.

In de eerste plaats omdat een ochlocratie de regering van de massamens is, en de massamens is de gemiddelde mens. Ook de leden van onze elite behoren tot die categorie en vormen daarom in feite geen elite.

In de tweede plaats valt de periode van morele en sociale anarchie in Nederland uitgerekend samen met een periode van immigratie en van de integratie van (vooral islamitische) nieuwkomers. Dat is een grote culturele kwestie waarvoor de leiders van de traditionele politieke partijen niet zijn opgeleid. Die kunnen heel goed met elkaar om de tafel zitten om hier een procentje te plussen en daar wat te minnen ten einde de inkomensplaatjes rond te krijgen. Maar zij zijn niet de virtuozen die een visie op cultuur en identiteit verwoorden. Bovendien zijn hun partijen ontstaan op grond van een fundamentele overeenstemming over heel andere zaken; een interne discussie over immigratie en integratie zal alleen maar tot verdeeldheid leiden. Dat was bij de VVD en de PvdA en recentelijk ook bij het CDA al te zien. Om scheuringen te voorkomen, wordt er gezwegen, en zo lopen de spanningen op.

Een derde reden is dat leden van de gevestigde politieke partijen zich aangetrokken voelen tot de door orthodoxe islamieten uitgedragen boodschap der onbegrepenen en verdrukten, die inspeelt op koloniaal schuldgevoel en het trauma van de Bezetting.
Het falen, kortom, van de politieke elite heeft een reactie opgeroepen - de grofgebekte, verbeten en machteloze reactie van het populisme. En in plaats dat de elite daarvan leert en er een antwoord op formuleert, wuift ze die reactie en daarmee het eigen falen hautain weg. Het camoufleert het eigen falen met moreel correcte praatjes.

Als het hierbij bleef, zou dat al erg genoeg zijn, maar er is meer aan de hand. In toenemende mate kiezen politieke partijen ervoor om zoveel mogelijk verantwoordelijkheden af te schuiven en culturele verworvenheden in te leveren. Het college van Rotterdam koos ervoor om de Zwitsers-Egyptische islamprediker Tariq Ramadan, kleinzoon van Hassan Al-Banna, stichter van de Moslimbroederschap in Egypte, in te huren als adviseur van de gemeente op het gebied van burgerschap, voor het voeren van de sociale stadsdialoog en als bruggenbouwer tussen allochtonen en autochtonen. Voor Ramadan werd ook een gasthoogleraarschap aan de Erasmus Universiteit bekostigd.

Nadat Ramadans (internationaal lang en breed bekende) vijandige uitspraken over homo's en vrouwen door de Gay Krant onder de aandacht waren gebracht en uit een door Leefbaar Rotterdam overhandigd filmpje bleek dat hij in het openbaar had gebeden voor de islamitische martelaren in Palestina, Tsjetsjenië, Afghanistan, Marokko, Algerije, Tunesië, Egypte, Soedan en Kasjmir, voor de overwinning van de Palestijnen op de vijand van het geloof en voor het zegevieren van de islam, reageerden alle coalitiepartijen (GroenLinks, PvdA, CDA en aanvankelijk VVD) alsof er niets aan de hand was. Ze lazen in de uitspraken en teksten van Ramadan vooral respect en dat was voldoende.

Er kwam een onderzoek en daaruit bleek volgens wethouder Rik Grashoff (GroenLinks) dat de uitspraken van Ramadan verkeerd vertaald waren en uit hun context gehaald. Grashoff liegt, constateerde journalist Max Pam in Binnenlands Bestuur toen hij de vertalingen met elkaar vergeleek. En zo is het.

Maar waarom? Omdat de politieke elite van de stadstaat Rotterdam de verantwoordelijkheid voor integratie en burgerschap - belangrijke zaken in iedere gezonde democratie en daarom direct verbonden aan het in stand houden van onze cultuur en vrijheden - het liefst uit handen geeft. Daar wil Rotterdam graag gemeenschapsgeld aan besteden. De Rotterdamse burger betaalde niet alleen meer dan anderhalf miljoen euro voor Ramadan maar ook voor de aparte zitplaatsen voor orthodoxe moslima's in Theater Zuidplein dat door de gemeente wordt gesubsidieerd.
Ook in de stadstaat Utrecht maakte het college een knieval voor islamitische wensen door het subsidiëren van voor mannen en vrouwen gescheiden doorverwijsloketten bij een moskee in Overvecht waar gemeentelijke informatie te verkrijgen is.

In de stadstaat Amsterdam vond vorige week zaterdag in de Apollohal het Nationaal Islam Congres plaats. Daar bogen orthodoxe moslims zich onder het mom van kennisoverdracht en academische studie over de invoering van de sharia in ons land, prezen ze de superioriteit van de islam en leefden ze zich uit in het ridiculiseren van andersgelovigen, Angela Merkel, homoseksuelen, de westerse democratie en de westerse vrijheden. De boodschap was duidelijk: de islam is niet voor niets in het Westen neergestreken, de islam zal hier de macht krijgen.

Dat zou best zo kunnen zijn, gezien de passieve houding van de eerder genoemde gevestigde politiek tegenover de islam.

De Apollohal is eigendom van de gemeente Amsterdam en staat onder het beheer van stadsdeel Oud-Zuid. Amsterdam faciliteert de fundamentalistische islam door dit gebouw aan het Nationaal Islam Congres te verhuren. Bestuurders met een visie op de verdediging van onze cultuur en identiteit zouden dat nooit laten gebeuren.
Maar wie zoiets durft te zeggen is volgens het politieke midden op z'n minst een populist, extreem-rechts of allebei. Het zij zo. Alleen lossen dergelijke diskwalificaties het echte probleem niet op: de middelmatigheid en visieloosheid van het zo keurige politieke midden.

De middelmaat van het centrum en het vigerende populisme kunnen alleen worden bestreden door een nieuwe elite die weer durft te moraliseren en het niet laat bij zelfgenoegzaam diskwalificeren. Want zoveel is wel duidelijk als we de klassieke analyse van ons huidige politieke klimaat serieus nemen: deze crisis is niet met wat politieke maatregelen en met wat geschuif in de diverse begrotingen op te lossen. Het gaat hier om een kwestie die Frits Bolkestein - het type politicus dat we meer dan ooit nodig hebben - begin jaren negentig als een van de eersten heeft benoemd: het belang om het culturele fundament onder de democratische rechtsstaat en de vrije markt te bewaren, het belang van de "deugdzaamheid die het voortbestaan van die vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid moet garanderen". De verwerping van deze agenda door de VVD heeft het befaamde gat op rechts geschapen. We moeten dus weer moraliseren, schreef Bolkestein.

Niet, zo vinden wij, moralizeuren. Wij zien niets in politieke bemoeizucht met de persoonlijke levenssfeer. Maar politici moeten wel grote zaken aankaarten als de bescherming van onze cultuur, het tegengaan van de islamisering en de deugden van de burger. De eerder genoemde H.J. Schoo hield een pleidooi voor een terugkeer naar "authentiek, ongezouten moraliseren", want "bezield, verfijnd moraliseren is een teken van grote beschaving".

Uiteindelijk gaat het in samenleving en politiek om Selbstzwang, om 'in vrijheid ontwikkelde zelfbeheersing', om het willen nemen van verantwoordelijkheid, om het durven herkennen, benoemen en bestrijden van de vijand. Dit is de noodzakelijke basis voor goed burgerschap. Dat alleen kan de verwording van democratie tot ochlocratie voorkomen.