Twitter Updates 2.2: FeedWitter

6.11.12

Rémi Brague



Goed nieuws over de Franse filosoof Rémi Brague. Ik hoorde vanmorgen dat er een Nederlandse vertaling gaat verschijnen van zijn meesterlijke essay over de Europese (Romeinse) cultuur. Brague publiceerde zijn boek in 1992 in het Frans (Europe, la voie romaine). Een Engelse vertaling  kwam tien jaar later uit (Eccentric Culture: A Theory of Western Civilization). Ook in andere talen is het boek inmiddels vertaald, maar in het Nederlands nog niet. Over een jaar komt die vertaling er alsnog. Emeritus hoogleraar Koos de Valk tekent voor de vertaling, die bij uitgeverij Klement zal verschijnen. Het boek wordt, D.v.e.f., gepresenteerd op het afscheidscolloquium van de Tilburgse hoogleraar Donald A. A. Loose, die op vrijdag 22 november 2013 met emeritaat gaat. Bij die gelegenheid komt ook Brague zelf naar Nederland voor een lezing.






Waarom ik dit boek van Brague zo waardeer, heb ik vorige week duidelijk gemaakt in mijn rubriek in Elsevier. Hieronder de tekst van dat stukje.


Een vingerhoed vol


Het is ongelijk verdeeld in de wereld, ook wat betreft de aandacht die filosofen krijgen en verdienen. Een filosoof die in Nederland veel bekender zou moeten zijn dan hij is, is de Parijse denker Rémi Brague (65). In zijn eigen land is hij, als voormalig hoogleraar aan de Sorbonne, wel geëerd. Zo kreeg hij de Grote Prijs voor de Filosofie van de Académie Française en maakt hij daar inmiddels deel uit van de prestigieuze Académie des sciences morales et politiques. De paus heeft hem vorige week de Ratzingerprijs voor Theologie toegekend.

Maar in Nederland zijn z’n optredens tot nog toe beperkt gebleven tot een enkele bijdrage aan een bijeenkomst van het Nexus Instituut en een groot interview in Opinio zaliger. Geen van zijn vele boeken is ooit in het Nederlands vertaald. Waarom verdient hij beter?

Ik heb Brague enkele keren ontmoet. Een kleine, beweeglijke man, met een te grote bril, zonder een zweem van iets dat naar het modieuze neigde. Hij trof mij vooral door zijn gevoel voor humor en voortdurende betuigingen van nederigheid. En die betuigingen waren nog niet gespeeld ook. Brague weet zoveel, dat hij – vergeeft u mij het cliché, maar in het geval van Brague is daar geen sprake van – vooral ook heeft leren inzien wat hij allemaal nog niet weet.

Zijn boeken op het terrein van de filosofie van de Oudheid en Middeleeuwen getuigen van een duizelingwekkende belezenheid in de primaire bronnen. Brague studeerde eerst klassieke talen en filosofie, en daarna ook nog (na zijn dertigste) Arabisch. Hij kreeg beide disciplines voldoende onder de knie om aan de Sorbonne zowel Griekse en Romeinse als Arabische filosofie te doceren. Maar het liefst had hij de naam willen dragen van zijn Amerikaanse uitgever Bruce Fingerhut. Een vingerhoed, daar kan niet veel in. Zo meende Brague zelf maar een klein beetje kennis en wijsheid in zich opgenomen te hebben.

Zijn bekendste, en voor een breed publiek belangrijkste boek is een studie over de essentie van de Europese cultuur. In het Frans heet dat boek Europe, la voie romaine (Europa, de Romeinse weg), in het Engels is het vertaald als Eccentric Culture – ‘excentriek’ in de letterlijke zin van buiten het centrum liggend. Het boek is al in meer dan tien talen vertaald, maar nog niet in het Nederlands.

De essentie van de Europese cultuur ligt buiten of aan de marge van het continent. Twee steden hebben Europa geschapen: Jeruzalem en Athene. In de hoofdstad van het oude Europa, Rome, bestond het besef dat er een norm buiten haar was waartoe iedereen zich moest verheffen. Er was een cultuur waarin Europeanen moesten assimileren, het geloof en de cultuur van de Joden en Grieken. En er was een barbarij die iedereen moest bedwingen – de eigen barbarij. De Europese cultuur is een cultuur die zichzelf door de eigen bronnen voortdurend laat corrigeren. Alle renaissances in de Europese geschiedenis zijn er het bewijs van. De Renaissance van de vijftiende en zestiende eeuw was, bijvoorbeeld, een geslaagde poging om het verval in kerk en samenleving te corrigeren door de Bijbel en de klassieken te herontdekken.

In dit opzicht verschilt de Europese, christelijke cultuur wezenlijk van de islamitische, Bragues tweede terrein van onderzoek. De Islam assimileert niet maar eigent zich iets toe, sluit het andere in zichzelf in zonder het nog langer als iets vreemds te erkennen. Gebruikte bronnen worden vernietigd, en worden niet gecultiveerd als een soort ‘tegenover’ dat moslims tot renaissances dwingt, tot een correctie van het eigen denken en geloven aan andere, ‘vreemde’ bronnen.

Daarom zal de Islam in het moderne Europa altijd een lastig verschijnsel blijven. Moslims geloven dat hun religie de beste van de wereld is, het geloof dat alle andere geloven overbodig heeft gemaakt en dat daarom dient te domineren. Maar de werkelijkheid in het Midden-Oosten bewijst eerder het tegendeel. Woede en rancune zijn het gevolg, zoals de geweldsuitbarstingen naar aanleiding van een recent anti-islamfilmpje op internet duidelijk maakten. Filosofie en een scheiding van kerk en staat laat zich binnen de islam niet denken. Als de Koran het onveranderlijk Woord van God is, dient de werkelijkheid zich aan dat boek aan te passen. Niet andersom.

Bij Brague berust dat oordeel op kennis en niet op een vooroordeel ingegeven door angst voor het andere en vreemde.

 

31.10.12

Elsevier-column over 'paarse' Rutte uit juli 2010



Enkele jaren geleden, in 2005, hebben (aspirant-)politici enkele zondagen in het geheim bij elkaar gezeten in een bijeenkomst die zij zelf het Veere beraad noemden. Jort Kelder, de oud-hoofdredacteur van Quote, was erbij, evenals oud-PvdA-politicus Rob Oudkerk, wiens carrière toen net gebroken was door onthullingen over zijn prostitutiebezoek. Ook Mark Rutte deed mee, de VVD-aanvoerder die nu met Job Cohen, Alexander Pechtold en Femke Halsema een Paars-plus kabinet wil formeren.

We weten nu pas van dit Veere beraad omdat Rob Oudkerk het vorige week in een interview met het weekblad HP/De Tijd heeft onthuld.P/HP H   De heren kwamen bijeen omdat ze graag een ‘progressieve volkspartij’ wilden oprichten. Rutte – ‘mijn lieve Mark’ zoals Oudkerk hem noemt - wilde uiteindelijk niet mee doen, omdat hij de plannen voor een progressieve volkspartij binnen de VVD wilde realiseren. Nu Rutte de verkiezingen heeft gewonnen, zit hij op de positie waar hij in 2005 van droomde, en daar maakt Oudkerk ‘een diepe buiging’ voor.

Vanuit een journalistiek oogpunt is zo’n interview met Oudkerk natuurlijk erg interessant. Maar het is ook schokkend, inhoudelijk. Rutte heeft zich in de laatste verkiezingscampagne nadrukkelijk geprofileerd als een rechts politicus. Hij sprak strenge taal over immigratie en integratie. Kansarme mensen kwamen wat hem betreft het land niet meer binnen. Net zo kritisch waren zijn uitspraken over ontwikkelingssamenwerking, en vooral, over de noodzaak om te bezuinigen. Bezuinigingen waren eigenlijk alleen bij de VVD in goede handen. Zeker niet bij de PVV, de partij van Geert Wilders die op sociaal-economisch terrein eigenlijk heel erg links was geworden. En al helemaal niet bij de PvdA, de partij die een verkiezingsprogramma schreef dat volgens Rutte eigenlijk ‘de langste zelfmoordbrief uit de geschiedenis’ was.

Met dat rechtse programma heeft Rutte de verkiezingen gewonnen. Rutte zei daarna dat hij het liefst een kabinet over rechts wilde gaan leiden, met de PVV en het CDA dus. Tot inhoudelijke onderhandelingen is het echter niet gekomen. CDA-leider Verhagen zei dat VVD en PVV het eerst over belangrijke rechtsstatelijke kwesties eens moesten zijn voordat hij wilde aanschuiven. Rutte heeft toen niet verder aangedrongen. Tijdens het Kamerdebat over de verkiezingsuitslag nodigde hij Wilders publiekelijk tot zeven maal toe uit om alsnog de gesprekken te openen. Maar Wilders was natuurlijk niet zo dom dat hij daarop in ging. Hij bleef zitten en heeft sindsdien gezwegen. Wilders heeft namelijk nog maar één doel, en dat zijn de volgende verkiezingen. Al denken Rutte en Verhagen en alle anderen dat ze het spel slim hebben gespeeld en dat de schuld voor het mislukken van een rechtse coalitie bij Wilders ligt. Niet in de optiek van (potentiële) PVV-stemmers.

De kansen van Wilders om de volgende verkiezingen te winnen nemen alleen maar toe nu Rutte de grote zwenking heeft gemaakt en is overgestapt naar het kamp van Paars-plus. ‘Laten we wel wezen: als Paars-plus er komt, hebben we over anderhalf jaar een premier met een blonde kuif’, zegt ook Oudkerk in genoemd interview.

Maar is er eigenlijk wel sprake van een grote zwenking bij Rutte of volgt hij in de keuze voor paars gewoon zijn hart, dat partijpolitiek nogal lichtzinnig is?

De onthullingen van Oudkerk roepen herinneringen op aan eerdere uitspraken van Rutte. Toen Rutte zich in maart 2006 als de nieuwe (kandidaat-)lijsttrekker presenteerde, nam hij nadrukkelijk afstand van het traditionele beeld van de VVD als de partij voor Wassenaarse dames met parelkettingen. De VVD moest ook de partij van de Marokkaanse buurtvaders worden. Hij bepleitte nog in 2004 een fusie met D66, en vond nog in 2000 dat de VVD onder (nota bene) Joris Voorhoeve te rechts en te populistisch was. Rutte is in 2007 een week gasthoofdredacteur van het (ter ziele gegane) weekblad Opinio geweest. Nadat de onderwerpen voor het nummer waren vastgesteld, vroeg een redacteur zo langs zijn neus weg of Rutte niet iets kwijt wilde over immigratie en integratie. Dat was helemaal niet nodig, zei Rutte, want met personen als Bolkestein en Rita Verdonk wist de kiezer wel wat hij wat dat betreft aan de VVD had. De opmerking van de redacteur dat die kiezer hem op dit onderwerp wellicht vooral met Hans Dijkstal associeerde, werd lachend weggewuifd.

Zijn campagneteam heeft Rutte begin dit jaar waarschijnlijk uitgelegd dat hij toch iets moest doen met dat onderwerp. Nu Rutte weer wat vrijer is, blijken zijn rechtse uitspraken een uit het hoofd geleerd lesje te zijn geweest. Een lesje waarmee de kiezer die een fatsoenlijk rechts beleid wilde, in de val van sociaal-liberale stagnatie is getuind.
 
[Oorspronkelijk verschenen in Elsevier, week 28, 2010]

26.10.12

De Volkskrant over het Christelijk Conservatief Beraad


Conservatief Beraad: aarzel toch niet over die 'C' van CDA

VAN ONZE VERSLAGGEVER RON MEERHOF − 26/10/12, 00:00

DEN HAAG - Of de duvel ermee speelt: belegt het Christelijk Conservatief Beraad (CCB) een van haar zeldzame bijeenkomsten, congresseert op dezelfde dag enkele tientallen kilometers verderop het CDA! Jammer, heel jammer, zegt CCB-voorzitter Eddy Bilder. 'Wij zouden juist nu, júíst voor het CDA iets kunnen betekenen.'

Het CDA gaat het zaterdag in Rotterdam hebben over de zoveelste verkiezingsnederlaag, hoe dat komt en wat eraan te doen is. Maar de echte antwoorden zullen te beluisteren zijn in de voormalige synagoge in Gouda, verwachten Bilder en zijn geestesgenoten. Eerst en vooral: Hou eens op met dat geaarzel over die 'C' van CDA. Die staat voor christelijk en voor niks anders.

Het CDA moet daar weer voor uit durven komen, betoogt bijvoorbeeld Bart-Jan Spruyt, mede-oprichter en bestuurslid van het CCB. 'Het CDA moet zich opnieuw oriënteren op de christelijke wortels en op het conservatisme. Straal uit dat de eigen natie boven Europa gaat en dat de eigen identiteit verkieslijk is boven een multiculturele samenleving. Dat soort dingen. Langs zo'n weg kan het CDA weer de fatsoenlijk rechtse, conservatieve volkspartij van weleer worden.'

Journalist, publicist en dwarsdenkend intellectueel Spruyt is al jaren een luis in de pels van rechts en confessioneel Nederland. Tien jaar terug richtte hij de Edmund Burke Stichting op, met als doel het gedachtengoed van die aartsvader van het conservatisme te verspreiden. De ambitie om dat ideaal ook politiek te verwezenlijken leidde tot een flirt met Geert Wilders die al snel in desillusie eindigde.

De presentatie van een boek van zijn hand over de Veluwse dominee Doornenbal, Wie eenmaal heeft liefgehad, leidde in 2009 tot het CCB. 'Er kwamen zomaar 300 mensen opdagen!', zegt Spruyt. 'De sfeer was zo goed dat we besloten dat we vaker bij elkaar wilden komen.' Politieke ambities heeft het beraad niet, zegt Spruyt. Maar invloed uitoefenen middels goede ideeën is bepaald niet verboden. Daar zou het CDA zijn voordeel mee moeten doen, vindt Spruyt.

'Zoals de naam al zegt: we beraden ons', zegt Bilder. 'In huiskamers en één tot tweemaal jaarlijks op een congres. Een kerk vol mensen, tussen de honderd en de tweehonderd, die discussiëren over de rol van christenen in de samenleving en wat het betekent conservatief te zijn. Moeten we ons terugtrekken in de eigen kring, zoals de gereformeerde gezindte vaak geneigd is te doen, en dan onze waarden in relatieve afzondering voorleven in de hoop dat dit navolging vindt? Of moeten we ons actief mengen in de samenleving om die actief van de waarde van ons gedachtengoed te overtuigen? Dat soort vragen.'

Sprekers zijn zaterdag onder anderen dominee Huib Klink, tweelingbroer van de voormalige CDA-minister Ab Klink, CU-Kamerlid Gert-Jan Segers en CDA-Kamerlid Sander de Rouwe. 'Maar die laatste heeft zojuist moeten afzeggen', zegt Bilder spijtig. 'Hij moet écht aanwezig zijn op zijn eigen congres. Er is niks aan te doen. Er zit geen kwaaiigheid achter. Het CDA was nu eenmaal erg laat met het vaststellen van een datum.'

 

31.1.12

Studiedag over 'Gezin en beschaving'

De Edmund Burke Stichting organiseert op zaterdag 11 februari a.s. een bijeenkomst over het thema Family and Civilization, naar het bekende boek van de Harvard socioloog Carle Zimmerman (dat is uitgegeven door onze vrienden van ISI). De bijeenkomst staat open voor studenten, promovendi en young professionals. Aanmelden door toezending van brief en CV aan info@burkestichting.nl

30.1.12

Ds. L. Kievit in Putten (1945)

De razzia die het Veluwse dorp Putten in oktober 1944 zo heeft geschonden en ontredderd, is een van de meest tragische gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Het verzet pleegde in de nacht van zaterdag 30 september op zondag 1 oktober 1944 een aanslag op een passerende auto met Duitse militairen. Eén Duitse officier kwam daarbij om het leven. De Duitsers namen diezelfde nacht nog wraak door Putten te omsingelen en daarna meedogenloze vergeldingsmaatregelen te treffen. Ruim honderd woningen werden in brand gestoken, zes mannen en een jonge vrouw doodgeschoten, en 660 mannen werden vanuit de hervormde Oude Kerk afgevoerd naar het concentratiekamp Neuengamme, waarvandaan zij naar verschillende andere kampen werden getransporteerd.

Na de oorlog, die voor Putten op 18 april 1945 eindigde, keerden slechts 48 mannen naar Putten terug, van wie er vijf kort daarna alsnog overleden. Het dorp rouwde om 552 doden, en telde 308 weduwen en 667 weeskinderen. Hoe hun mannen en vaders aan hun einde waren gekomen, wisten de nabestaanden vaak niet eens. ‘Er is zoveel geleden in Putten, dat achterbleef na de oorlog als een dorp van weduwen’, schreef ds. J. T. Doornenbal. ‘Als een akker is Putten geploegd geworden’ (Overpeinzingen van een pelgrim, 3e dr., 1995, p. 276).







Putten was een hervormd dorp. Tachtig procent van de bevolking behoorde tot de Nederlandse Hervormde Kerk, de Christelijk-Historische Unie was de grootste partij. In oktober 1944 was de hervormde gemeente vacant. Ds. C. B. Holland (1878-1948) had zich in 1930 aan de gemeente verbonden, en was in mei 1944 (tegen zijn zin) met emeritaat gegaan. Hij bleef hulpprediker maar kreeg lange tijd geen opvolger. Holland stond op 10 mei 1945, Hemelvaartsdag, voor de zware opgave om een eerste dodenlijst met 187 namen in een halfduistere dorpskerk voor te lezen aan een wanhopige schare die sinds 1 oktober 1944 niets meer over het lot van de weggevoerden had vernomen. In de dagen daarna bezocht hij vele families en gezinnen, tot het hem fysiek te zwaar werd en hij in de herfst van 1945 zijn hulppredikerschap om gezondheidsredenen moest neerleggen.

Putten had inmiddels een nieuwe herder en leraar gekregen in de persoon van ds. Leendert Kievit (1918-1990), die in augustus 1945 door zijn vader, ds. Izaäk Kievit, aan de gemeente was verbonden. Kievit jr. kwam van Schoonrewoerd. Enkele jaren na het overlijden van ds. Holland verscheen er een bundel preken van hem in druk, met een voorwoord van ds. L. Kievit. Hij prees zijn voorganger daarin als een man wiens uitspraken ‘even kras als raak’ waren geweest, ‘zonder iemand te sparen en recht op de man af. Zijn woorden hadden het gewicht der waarheid en nooit zwichtte hij voor menselijke weerstand’. Ds. Holland had voor het Woord gebeefd en uit dat Woord geleefd (Licht en leiding, 1950).

L. Kievit (1918-1990) zal voor vele lezers van Ecclesia geen onbekende zijn. Bij zijn overlijden hebben dr. W. Aalders en dr. M. Verduin hem in deze kolommen met sympathie en waardering herdacht. Verduin haalde vooral de levendige, reformatorische prediking van Kievit naar voren, waarbij de ‘trouw van God in de geslachten’ centraal stond en de hoorders ‘zonder omhaal van woorden oog in oog werden gezet met Christus’. Kievit was een belezen theoloog met een uitzonderlijk taalgevoel, en tegelijk een ‘man met een diepe pastorale bewogenheid’. Aalders tekende hem als een ‘fijnzinnig en artistiek mens’, ook als ‘de man uit Baarn’, de gentleman uit het oude villadorp, ‘de uitwonende, weggetrokken uit de idylle van zijn jeugd, uit zijns vaders huis, uit zijn land en maagschap.’

Zijn vader Izaäk Kievit (1887-1954) was sinds 1923 tot aan zijn emeritaat in 1952 predikant in Baarn en was een grote in het kerkelijke Israël. Hij had eigenlijk, als professor Hugo Visscher zijn zin had gekregen, moeten promoveren op de relatie tussen de filosoof René Descartes (1596-1650) en de gereformeerde theologie, en als hij dat had gedaan had Kievit sr. zijn grote gaven van hoofd en hart ongetwijfeld op een leerstoel kwijt gekund. Maar hij werd predikant. Wel heeft hij in Baarn jarenlang een contio geleid, waarbij hij theologische lezingen verzorgde voor een groep jonge predikanten die daar voor de rest van hun leven door gevormd zijn. Die kring was ontstaan doordat Kievit jr. en zijn jeugdvriend P. C. (Piet) Kuiper, de later zo beroemd geworden psychiater, als Utrechtse studenten vrienden mee naar huis namen om met Kievit sr. over tal van onderwerpen van gedachten te wisselen. Als gymnasiasten hadden Kievit jr. en Kuiper al onder leiding van Kievit sr. het werk van de filosoof Immanuël Kant gelezen, en als student in de geneeskunde (psychiatrie) heeft Kuiper meer dan eens bijdragen aan de bijeenkomsten geleverd over onderwerpen op het raakvlak van psychologie en theologie.

Tot de bezoekers van de maandelijkse Baarnse contio’s behoorde ook de bekende, reeds genoemde ds. J. T. Doornenbal (1909-1975). Hij beschouwde zich als een geestelijke zoon van ds. I. Kievit en was levenslang bevriend met ds. L. Kievit, die hij vooral bewonderde om zijn manier van preken. Nadat hij de preek had gehoord waarmee Kievit jr. ds. C. Balke in 1956 als zendingspredikant bevestigde, schreef Doornenbal: ‘zoals hij ’t kan, kan niemand het, zo fris en levendig en tegelijk zo zuiver. Mijn oude, dorre hart wordt altijd verkwikt onder zijn woord en verwarmd door het vuur van zijn geest. Hij weet de dingen zo treffend te zeggen en zo helemaal op zijn eigen manier: “Vader Balke heeft vier zoons, en hij moet er minstens één afstaan. God heeft maar één Zoon en Hij gaf Hem …”’ (Pastorale pennevruchten, 1994, pp. 38-39).





Maar goed, dit is allemaal gezegd en geschreven over de man ds. Kievit, die na zijn periode in Putten (1945-1952) nog predikant is geweest in Woerden, opnieuw Putten, Leiden en Gouda. Toen hij zich in augustus 1945 aan de gemeente van Putten verbond, was Kievit een jonge man, 27 jaar oud, en stond hij voor de taak een getraumatiseerde gemeente en gemeenschap te troosten en te leiden door de verkondiging van het Woord van God. Hoe kun je in die situatie het heil en de troost van het Evangelie uitdragen, zonder de genade door clichés en dooddoeners goedkoop te maken? Jaren later erkende Kievit in een interview met het opinieweekblad De Tijd (6 januari 1978) dat hij het er erg moeilijk mee had gehad. ‘Ik moet eerlijk zeggen: ik had er natuurlijk geen woorden voor. Het is onmogelijk in die omstandigheden aan te komen met: het zal wel ergens goed voor zijn, je zult het wel verdiend hebben, of: na regen komt zonneschijn. Het worden allemaal banaliteiten.’ Velen vonden in Putten steun in hun geloof in God, zoals ook de weggevoerde Puttenaren die hadden gevonden. ‘Eén overlevende zei: Je had in het kamp maar één keus: je moest je vasthouden aan God of aan het prikkeldraad’. Maar er waren ook Puttenaren die met hun vuist op tafel sloegen en met de kerk braken. Kievits eigen dienstmeisje verliet de kamer wanneer Kievit uit de Bijbel begon voor te lezen. ‘Ze had een broer verloren en zei: “dat kan ik niet meer horen dominee”.’ Voor Kievit zelf was het ‘een worsteling’ geweest. Dat betrof niet alleen de herdenkingsdiensten die hij in oktober 1945 moest leiden, zo kort na zijn bevestiging in Putten, maar ook de jaren daarna, toen hij iedere avond om zeven uur via eenzelfde route door het dorp liep om de vaderloze kinderen naar binnen en naar bed te jagen.

Bovendien moest hij natuurlijk pastorale bezoeken afleggen aan vrouwen die hun man en/of hun zoons hadden verloren. Zijn ‘verschrikkelijkste ervaring’, de ontmoeting die de diepste indruk op hem maakte, was een huisbezoek dat hij samen met een ouderling aflegde. (Kievit heeft niet alleen in De Tijd van dit voorval verhaald, maar ook in een herdenkingstoespraak die hij op 2 oktober 1984 in Putten heeft gehouden en die in De Waarheidsvriend van 11 oktober 1984 is gepubliceerd). De naam van die ouderling was Dirk Schuitemaker en hij had zijn twee zoons verloren, Cornelis van 20 jaar oud en Gerrit van 22 jaar oud. Bij de onthulling van het standbeeld van de vrouw van Putten op 1 oktober 1949 was deze Schuitemaker voorgesteld aan koningin Juliana, die hem had gevraagd hoe hij door zoveel leed had kunnen doorkomen. Schuitemaker had geantwoord dat hij dat nooit had gekund wanneer hij niet had geweten dat God de Heere Zijn toevlucht en troost was geweest. Om daar in liefde tegenover de getroffen koningin de vraag aan toe te voegen of zij daar nu zelf ook iets van mocht kennen.







Met deze man ging Kievit op huisbezoek. In sommige straten moesten ze hun bezoeken huis aan huis afleggen. Ze kwamen ook bij een vrouw die haar man kort voor de oorlog had verloren, van wie één zoon ver weg was gegaan en van wie nog één zoon bij haar thuis woonde. Tijdens het bezoek sloeg zij plotseling het vloerkleed weg, liet een luik zien, en zei: ‘Hieronder zat mijn zoon verscholen. Ik heb hem er haast aan z’n haren moeten uittrekken. Ik heb hem gezegd: je moet je melden en doe het nu maar, want de Duitsers hebben gezegd dat ze het hele dorp platbranden en dan verbrand je hier levend. Hij is gegaan en ik heb hem nooit meer teruggezien. Het huis is niet afgebrand. Kunnen jullie zoiets begrijpen?’, riep ze. ‘Ik hoor haar nog schreeuwen’, zei Kievit dertig jaar later in het interview met De Tijd.
Ds. Kievit probeerde wat te zeggen maar de vrouw zei tegen hem: ‘Och man, je bent nog zo jong en je hebt niks meegemaakt.’ Schuitemaker had tot dan gezwegen, maar nu boog hij zich wat voorover en zei voor het eerst wat. ‘Vrouw, heb ik ook niks meegemaakt?’ ‘Ja Dirk’, zei ze, ‘jij bent ook een jongen kwijt.’ ‘Ja twee’, zei hij toen. ‘En hoeveel had je er?’ ‘Twee.’ ‘O Dirk’, zei ze, ‘dat is haast nog erger. Twee jongens en twee kwiet, kun je dat begriepen?’ Toen zei Schuitemaker: ‘God had één Jongen en Hij wilde Hem kwijt voor jou en voor mij, voor jouw en mijn kinderen. Kun je dat begrijpen?’

Schuitemaker kon dat zeggen, omdat hij zelf immers zijn twee zonen had verloren. Als Kievit het had gezegd, ‘had dat niets betekend’, zei hij zelf. Bovendien had hij zelf ‘aan zoiets natuurlijk ook veel steun’. ‘Ik ben dat antwoord nooit vergeten, want Schuitemaker richtte zomaar het kruis op in het midden van het gesprek, in het midden van de nood en in het midden van de zorg. En dat alleen het kruis van de Heere Jezus Christus troost en rust kan bieden. En die vrouw, die nog nooit had kunnen huilen, een jaar later nog niet, barstte in snikken uit en zei: “Daar heb ik niet aan gedacht”.’ Zoals uit het hierboven gegeven citaat van ds. Doornenbal bleek, gebruikte Kievit het beeld van een vader die zijn zoon moest afstaan zelf ook in de bevestigingsdienst van ds. C. Balke als zendingspredikant. ‘De Heere had er Zijn Zoon voor over. En Hij had er maar één. Vader Balke heeft er vijf. Hij heeft er één voor over, gelukkig, om de zaligheid Gods bekend te maken onder de heidenen. Maar God had er, in geheel eenige zin, Zijn eigen lieve Zoon voor over. En u weet wel wat dat gekost heeft. Daar kunnen wij ons geen voorstelling van maken’ (Gods weg met de heidenen, pp. 259-260; Doornenbal had zich dus één zoon verrekend).

Voor het interview met De Tijd uit januari 1978 was een concrete aanleiding. De VARA had kort daarvoor een TV-documentaire over de gebeurtenissen van oktober 1944 uitgezonden (Putten op de Veluwe, het spoor terug naar de tragedie van 1944). Die documentaire was niet geheel onverdienstelijk, maar had een bedenkelijke leidraad: dat zoveel Puttenaren in de kampen om het leven waren gekomen, kwam door hun kerk en geloof. De gepredikte lijdzaamheid was een voedingsbodem van berusting en fatalisme geweest en had daarmee aan hun ondergang bijgedragen. Puttenaren geloofden dat alles was voorbeschikt, dat alles ging zoals het moest gaan en dat het daarom geen enkele zin had je tegen je lot te verzetten.

De Puttenaren waren nogal ontstemd over de documentaire. Niet alleen omdat oude wonden werden opengereten, maar vooral vanwege de verkeerde voorstelling van zaken, die, dachten ze, vanuit een anti-kerkelijk vooroordeel moest zijn gegeven. Kievit riep tegenover deze beeldvorming in herinnering dat Putten zich in de oorlog alles behalve passief had opgesteld. Putten had vele onderduikers geherbergd, er waren hier wapendroppings vanuit Engeland geweest en Putten had meegewerkt aan vluchtlijnen voor Engelse vliegers. En van het ‘stomme lot’ had hij nooit gesproken. ‘Wanneer je ervan uitgaat dat het van God komt, kun je er tenminste nog iets mee doen, meer dan met dat stomme lot. Tot God kun je bidden, je kunt met Hem praten, je kunt Hem zoeken. Er blijft natuurlijk iets raadselachtigs in, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Een ander kun je niet aanpraten dat zoiets van God komt maar het is natuurlijk wel een Bijbels gegeven. God slaat en God straft en dan worden veel mensen boos.’

Hoezeer de houding van Kievit verschilde van het beeld dat in de documentaire werd geschetst, blijkt vooral uit de preken die hij in 1945 in Putten heeft gehouden, met name uit zijn intredepreek over Jesaja 61:2c (26 augustus 1945) en de twee preken over Job 5 die hij een jaar na de deportatie heeft uitgesproken (2 oktober 1945). In deze preken is geen spoor van valse lijdelijkheid. Het Evangelie is er niet om ‘alle noden en zorgen op de bodem van een weemoedig hart te laten liggen’. En de preken zijn al evenmin een filosofische poging om een theodicee (rechtvaardiging van het Godsbestuur) in elkaar te knutselen. ‘In het boek Job gaat het niet om de oplossing van een raadsel, doch om de onthulling van het Heilige.’ De preken zijn pastoraal en ontdekkend tegelijkertijd, en doen precies wat Schuitemaker deed in het gesprek met die weduwe: zij richten het kruis op in het midden van alle vragen, nood en zorg, en wijzen de weg naar de troost en rust in de Heere Jezus Christus.

In de intredepreek stelde Kievit de vraag aan de orde waarom God hem naar het geteisterde, in leed en rouw gedompelde Putten had gezonden. ‘Wat trekt mij aan in u, wat beweegt de Heere tot u?’ Het was, met het woord uit Jesaja, om de treurigen te troosten. Maar helaas is onze troost vaak niet meer dan ‘een doek van ijdele woorden’ die over de put van de smart wordt gespreid, terwijl die smart daaronder nog even zwart blijft gapen. Onze troost is onmachtig, ‘een spiegelgevecht met de smart. Meer niet.’ Troosten kan daarom niet anders zijn dan de Knecht des Heeren, de Messias, die in deze wereld gezonden is om de treurigen te troosten, aan de gemeente voor te stellen.

In de eerste preek over Job (hoofdstuk 5, vers 8-9) benadrukt Kievit dat God het was die Putten heeft bezocht. ‘Hij schreed door uw midden, onaantastbaar in majesteit, schrikkelijk in gerichten, omfloerst door donkerheid.’ Het komt erop aan onder dat ‘hoge bezoek’ te buigen, en dan niet alleen ‘onder God maar ook bij God’ te komen. ‘Wat gij opkropt, dat knauwt u voortdurend. Het geeft zulk een opluchting als ge er eens over praat. Welnu, praat er eens met de Heere over, zo raad ik u. Beter adres is er immers niet.’ De God van het Woord is niet de afgod van de stugge stilte waartegenover slechts stomme gelatenheid past.

In de tweede preek over Job (hoofdstuk 5, vers 17-18) gaat het over het geluk van de mens die door God wordt bestraft. Want God doet smart en Hij verbindt, Hij doorwondt en Zijn handen helen. Niets is zo erg als wanneer God niet meer spreekt en Zijn hand aftrekt. Daar hebben we het wel naar gemaakt. Maar nu straft Hij nog om te behouden. God is geen zachte heelmeester, aldus Kievit. ‘Hij doet smart aan, Hij doorwondt. Ja, dat wordt niet verdoezeld, het is smartelijk. Wij worden niet slechts lichtelijk gekwetst, maar vreselijk doorkerfd, letterlijk verbrijzeld. Bloedig gaapt de wonde, uiteengereten is het hart, niets minder. De Almachtige is niet zachtzinnig, de smart vlijmt door de ziel. Hij hanteert het mes meesterlijk, zonder aarzeling. Een ruw handwerk, dat opereren? Ach nee, iedere hardvochtigheid is Hem vreemd. De Almachtige is Israëls Heelmeester. Het móet. Zijn hand beeft niet, maar Zijn hart trilt van ontferming. Hij, Hij doet smart aan en doorwondt, Hij de Heelmeester. Dat maakt het draaglijk, dat geeft kracht, dat geeft verwachting. Zijn kastijding is nooit ten dode, doch ten leven. Zij is nooit onverdiend of overbodig, zij is nooit zonder einde en zonder doel. Wie Hij onder handen neemt, zal Hij behandelen, en daarin willen wij Hem loven.’

Deze enkele citaten laten duidelijk genoeg zien op welk een geestelijke en pastorale wijze ds. Kievit in die moeilijke periode gezouten woorden van heil en troost vanuit het Evangelie aan de rouwende Puttenaren heeft mogen spreken. Blijkbaar heeft deze prediking ook een helende uitwerking gehad, kracht geschonken aan de Puttenaren om door te gaan en hun leven te herpakken, hun identiteit te hervinden en te behouden. Enkele jaren later maakte een groep van Puttenaren een reis naar de plaats in Duitsland waar veel afgevoerde mannen om het leven waren gekomen. ‘Toen wij in 1950’, vertelde Kievit in De Tijd, ‘voor het eerst een reis naar het kamp in Duitsland maakten en in Ladelund een gezamenlijke kerkdienst hielden met de Luthers-Evangelische kerk, die veel had gedaan voor het begraven van de slachtoffers en voor de registratie van de namen, zeiden sommige Puttenaren tegen me: u moet niet het Onze Vader bidden, want vergeven kan ik niet. Maar ze groeiden er toch naar toe en toen kon het wel. Zeer velen vonden juist in die tijd veel steun in hun geloof in God. De meesten zijn ook behoorlijk door al dat leed heen gekomen, ook al door de grote saamhorigheid en burenhulp over en weer.’


Ieder jaar worden de gebeurtenissen uit oktober 1944 in Putten herdacht. De thema’s uit de preken die Kievit zijn bovendien tijdloos – het lijden en het mysterie van Gods beproevingen en kastijdingen. Er is dus altijd goede reden om hierop terug te zien. Maar er is nu een extra reden, en die is gelegen in de publicatie van een theologische scriptie over de preken van ds. Kievit uit 1945. Deze sciptie, geschreven door de heer M. G. M. Mudde, biedt niet alleen een nieuwe editie van de drie belangrijke preken van ds. Kievit (over Jesaja 61 en Job 5) maar ook een analyse van de inhoud en een toelichting van de historische omstandigheden. Het boekje, dat van harte kan worden aanbevolen, heeft inmiddels al zoveel aftrek gevonden dat een tweede druk in voorbereiding is, dit keer met een bijdrage van prof. dr. W. Balke, die een goede vriend van zowel Kievit sr. als Kievit jr. is geweest. Wie het boekje wil bestellen kan zich in verbinding stellen met de auteur via dit emailadres: mudde-kievit@solcon.nl.

N.a.v. M. G. M. Mudde, Een goede raad en een grote troost. Onderzoek naar de preken van ds. L. Kievit na de Puttense razzia (1945-1952).


Dit artikel is eerder verschenen in het blad Ecclesia.

23.1.12

Om de ziel van het kind

Voorspellingen zijn altijd moeilijk, vooral vooraf. Wie had vroeg in 2002 kunnen denken dat ons land tien jaar lang in de ban zou raken van een ‘nieuwe politiek’ van rechtse populisten, die aanvankelijk werden weggelachen maar nu dan toch een blijvende positie in het Nederlandse parlement bemachtigd lijken te hebben? Ik kan me nog herinneren dat ik politieke journalisten tien jaar geleden in perscentrum Nieuwspoort weddenschappen zag afsluiten over de vraag wie de nieuwe premier zou worden: Dijkstal (VVD) of Melkert (PvdA). Korte tijd later waren ze definitief weg.

De komende jaren zullen ongetwijfeld vooral in het teken van de economische crisis staan. Maar daarnaast is er een thema waarvan ik denk – als ik mij eens aan een voorspelling mag wagen – dat het in de komende tijd een belangrijke rol gaat spelen in de maatschappelijke en politieke discussies in Nederland. En dat is het kind.





Een eerste teken was de prille discussie, vorig jaar voorjaar en zomer, over de rituele slacht en de besnijdenis. Eerst verscheen er een wat wild opiniestuk in de Volkskrant, geschreven door een voormalig fractiemedewerker van de VVD. De teneur van dat artikel was dat we nu eindelijk het barbaarse ritueel van de onverdoofde slacht hadden afgeschaft (dachten we toen nog) en dat we dan nu maar gelijk moesten doorpakken en de barbarij van de jongensbesnijdenis moesten verbieden.

Opmerkelijk genoeg kreeg dat stuk een vervolg in een opinieartikel van het artsengenootschap KNMG in Trouw, waarin eveneens de afschaffing van de jongensbesnijdenis werd bepleit. Het opmerkelijkst was de argumentatie. Het verbod moet er niet alleen komen omdat besnijdenis een vreselijke fysieke verminking is, maar ook omdat die in strijd is met de rechten van het kind (zoals vastgelegd in het kinderrechtenverdrag van de VN). Wie heeft het recht, welke vader of moeder, welke kerk heeft het recht om een kind vanaf de geboorte een identiteit op te leggen die dat kind levenslang met zich meedraagt en waarvoor het zelf niet heeft gekozen? (Uit een recent artikel in de Jerusalem Post wordt duidelijk dat leden van de Knesseth zich zorgen maken over de dreigende verboden op de rituele slacht en de besnijdenis in Europa).

De kwestie wat volwassenen met kinderen kunnen uitvreten en ze kunnen aandoen, heeft natuurlijk een gruwelijke urgentie gekregen door de weerzinwekkende smeerpijperij in sommige delen van de Rooms-Katholieke Kerk. Hoe kwetsbaar zijn kinderen! Waar zijn zij eigenlijk nog veilig?

In een vraaggesprek met Antoine Bodar, eind vorige maand uitgezonden, vertelde tv-presentator Paul Witteman waarom hij afscheid van zijn roomse jeugd heeft genomen. Op een gegeven moment maakte Witteman zich boos over dingen die in de naam van God in de dagelijkse praktijk gebeuren. Bodar dacht toen dat hij het over het seksueel misbruik had. Maar nee, zei Witteman, ‘ik bedoel dat kinderen vanaf hun zesde jaar worden volgestampt met ideeën, met de catechismus. We weten allemaal hoe dat later doorwerkt. Juist op die jonge leeftijd word je volgestampt met ideeën over God. Met plaatjes van een mooie man met lange haren of een heel lieve Maria die als moeder is afgebeeld. In mijn ogen krijg je dan een heel verwrongen beeld van hoe het leven, hoe de onderlinge menselijke verhoudingen in elkaar zitten. Daar heb ik later last van gehad. Ik vind dat je moet oppassen met kinderen, ze moeten zich in vrijheid kunnen ontwikkelen.’

Vergis ik mij of is dit een manier van denken, denken vanuit het recht van het kind op de keuze voor een eigen identiteit, die de komende jaren steeds meer zal worden ingebracht tegen de vrijheid van de religieuze opvoeding? Komt er een conflict om de ziel van het kind?

In een liberale opvoeding kies je zelf en kies je voor jezelf. Je hoeft nergens dankbaar voor te zijn en je nergens voor te schamen. In een christelijke opvoeding gaat het om de ziel van het kind dat tot het kwade geneigd is en dus moet leren dat er wel heel veel is om dankbaar voor te zijn en ook heel veel om je voor te schamen. De opvoeding is er om de ziel in te wijden in de liefde tot God, karakter en geweten te vormen, gematigdheid, wijsheid, zelfbeheersing bij te brengen.

In de christelijke traditie is hier prachtig over geschreven, door fijnzinnige geesten als F. W. Foerster en W. Aalders bijvoorbeeld. Maar hoe overtuigend is dat verhaal in een situatie waarin liberalen zich sterk maken voor de rechten van het kind tegenover een kerk die kinderzielen heeft verwoest?

(Deze column stond vrijdag 13 januari j.l. in het Nederlands Dagblad)