27.1.10
Boek Dik van Arkel over antisemtisme
In het boekenprogramma Net uit! dat de VPRO op woensdagmiddag uitzendt, en waar ik om de zoveel weken mag aanschuiven, heb ik woensdag 20 januari (vanaf 16:00 uur) een bijzonder boek besproken: het levens- en meesterwerk van Dik van Arkel (85 jaar oud, emeritus hoogleraar sociale geschiedenis in Leiden) over de geschiedenis van het antisemtisme: The Mark of Cain (Amsterdam University Press, 2009). Met voorbeeldige akribie heeft Van Arkel onderzocht onder welke omstandigheden (voorwaarden) antisemitisme is ontstaan en wanneer en hoe dat antisemitisme zich in geweld en vervolgingen kon uiten. Misschien is dit boek wel de definitieve studie over het onderwerp. Het is december vorig jaar aan burgemeester Cohen van Amsterdam aangeboden. U kunt de uitzending hier beluisteren.
18.1.10
Wilders-proces: de geest uit de fles
Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over het proces tegen Geert Wilders dat morgen begint.
Met een regiezitting opent de rechtbank in Amsterdam woensdag het proces tegen Geert Wilders. Het verhaal van Wilders polariseert en verscheurt de samenleving, en levert daarmee dus alles behalve een verheffende bijdrage aan het debat in Nederland, maar bestrijding van dat PVV-verhaal is een politieke opdracht en geen juridische. Het proces tegen Wilders is onterecht, contraproductief en ontzettend dom. Het is misschien nu al bestuurlijk en juridisch de grootste blunder van het jaar.
Het Openbaar Ministerie begreep dit anderhalf jaar geleden nog, en seponeerde de aangebrachte zaak tegen Wilders omdat zijn ‘kwetsende’ uitlatingen in een politieke context waren (en worden) gedaan. Het Amsterdamse Gerechtshof stelde echter op grond van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht vast dat vervolging van Wilders wel degelijk geboden is omdat zijn uitlatingen discriminerend van aard zouden zijn, een hele groep zouden beledigen en ‘haatzaaiend’ zouden zijn. (De Leidse jurist Hans Nieuwenhuis heeft overigens opgemerkt dat ‘haat zaaien’ geen juridische categorie is; de wet spreekt van ‘aanzetten tot haat’, wat iets anders is.)
Ik vind het proces tegen Wilders een onzalige gedachte omdat de verontwaardiging waaruit het voortkomt zo selectief is. Op de wijze waarop Wilders nu moslims onder vuur neemt, zijn christenen hier in Nederland decennia zo niet eeuwen lang onder vuur genomen. Als we vinden dat moslims meer bescherming nodig hebben dan andere religieuze groepen, waarom staat dat dan niet in een wet? Waarom bepalen de lange tenen van de beledigde wat we in Nederland onder beledigend verstaan? Of is hier eenvoudig weg sprake van angst, een angst die we voor andere geloven niet hoeven te hebben omdat die niet zo assertief en potentieel gewelddadig zijn?
Het selectieve zit ‘m ook hierin dat Wilders’ vergelijkingen van de islam met fascisme en van de Koran met Hitlers Mein Kampf op snerende verontwaardiging stuiten, terwijl het iedereen in Nederland vrij staat om Wilders en (vooral) zijn PVV-aanhang uit te maken voor fascist, rechts-extremist, racist en NSB’er.
Het proces toont bovenal de armoede van de Nederlandse politiek aan. Wilders voert een oorlog met de islam. Hij gelooft niet dat er een vorm van islam bestaat die inpasbaar is in de moderne, democratische samenleving die Nederland is. Wat dan rest is wegpesten. En dan wordt de zogenaamde ‘joods-christelijke traditie’ er met de haren bijgesleept als excuus voor dat wegpesten.
Dat verhaal verdient bestrijding, maar dan wel door politici en intellectuelen met een alternatief verhaal. (Een hoopvol begin maken CDA-politici Schinkelshoek en Sterk vandaag in het Nederlands Dagblad.) De juridisering van een politiek conflict, al dan niet onder politieke aansturing (wat Wilders’ advocaat Bram Moskowicz zaterdag in de Telegraaf suggereerde), staat gelijk aan het uitwijken naar de middelen van de inquisitie. Wilders is het voorwerp van een ostracisme, een schervengericht, waar de falende politiek alle belang bij heeft.
Kom, politici, met een alternatief inhoudelijk verhaal, in plaats van met hautaine terechtwijzingen en beschuldigingen!
Het proces tegen Wilders is bovenal loeistom. Wilders zal er in alle gevallen electoraal garen bij spinnen. Hij kan tot twee jaar cel en een boete van 18.500 euro worden veroordeeld. Als dat gebeurt zal hij als een martelaar van het vrije woord met een zeteltje of vijf in de peilingen stijgen. Als hij wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, zal hij het gerechtsgebouw verlaten en de uitspraak doen die de voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke zal moeten omzetten. Als hij wordt vrijgesproken, loopt hij als een held naar buiten, en ook dat door de kiezer worden beloond.
Wilders en zijn advocaat hebben bovendien aangekondigd dat zij een serie getuigen zullen oproepen, van radicale imams tot deskundigen en ex-moslims, om het gelijk van Wilders’ oordeel over de islam te bewijzen. Dat worden nog gezellige verhoren. De geest komt onwelriekend uit de fles, en het zal zo goed als onmogelijk blijken die geest weer in de fles terug te krijgen. En het hof zal die getuigenverhoren moeten toestaan om in ieder geval de schijn van een politiek proces te vermijden.
Als Wilders veroordeeld wordt, zal hij, maak ik me sterk, variëren op een uitspraak van Pim Fortuyn. Die zei dat ze hem dood konden schieten, maar dat het probleem dat hij aankaartte zou blijven bestaan. Wilders zal zeggen dat ze hem kunnen veroordelen en op die manier monddood zullen proberen te maken, maar dat het onbehagen voort blijft smeulen. En dan heeft hij nog gelijk ook.
Met een regiezitting opent de rechtbank in Amsterdam woensdag het proces tegen Geert Wilders. Het verhaal van Wilders polariseert en verscheurt de samenleving, en levert daarmee dus alles behalve een verheffende bijdrage aan het debat in Nederland, maar bestrijding van dat PVV-verhaal is een politieke opdracht en geen juridische. Het proces tegen Wilders is onterecht, contraproductief en ontzettend dom. Het is misschien nu al bestuurlijk en juridisch de grootste blunder van het jaar.
Het Openbaar Ministerie begreep dit anderhalf jaar geleden nog, en seponeerde de aangebrachte zaak tegen Wilders omdat zijn ‘kwetsende’ uitlatingen in een politieke context waren (en worden) gedaan. Het Amsterdamse Gerechtshof stelde echter op grond van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht vast dat vervolging van Wilders wel degelijk geboden is omdat zijn uitlatingen discriminerend van aard zouden zijn, een hele groep zouden beledigen en ‘haatzaaiend’ zouden zijn. (De Leidse jurist Hans Nieuwenhuis heeft overigens opgemerkt dat ‘haat zaaien’ geen juridische categorie is; de wet spreekt van ‘aanzetten tot haat’, wat iets anders is.)
Ik vind het proces tegen Wilders een onzalige gedachte omdat de verontwaardiging waaruit het voortkomt zo selectief is. Op de wijze waarop Wilders nu moslims onder vuur neemt, zijn christenen hier in Nederland decennia zo niet eeuwen lang onder vuur genomen. Als we vinden dat moslims meer bescherming nodig hebben dan andere religieuze groepen, waarom staat dat dan niet in een wet? Waarom bepalen de lange tenen van de beledigde wat we in Nederland onder beledigend verstaan? Of is hier eenvoudig weg sprake van angst, een angst die we voor andere geloven niet hoeven te hebben omdat die niet zo assertief en potentieel gewelddadig zijn?
Het selectieve zit ‘m ook hierin dat Wilders’ vergelijkingen van de islam met fascisme en van de Koran met Hitlers Mein Kampf op snerende verontwaardiging stuiten, terwijl het iedereen in Nederland vrij staat om Wilders en (vooral) zijn PVV-aanhang uit te maken voor fascist, rechts-extremist, racist en NSB’er.
Het proces toont bovenal de armoede van de Nederlandse politiek aan. Wilders voert een oorlog met de islam. Hij gelooft niet dat er een vorm van islam bestaat die inpasbaar is in de moderne, democratische samenleving die Nederland is. Wat dan rest is wegpesten. En dan wordt de zogenaamde ‘joods-christelijke traditie’ er met de haren bijgesleept als excuus voor dat wegpesten.
Dat verhaal verdient bestrijding, maar dan wel door politici en intellectuelen met een alternatief verhaal. (Een hoopvol begin maken CDA-politici Schinkelshoek en Sterk vandaag in het Nederlands Dagblad.) De juridisering van een politiek conflict, al dan niet onder politieke aansturing (wat Wilders’ advocaat Bram Moskowicz zaterdag in de Telegraaf suggereerde), staat gelijk aan het uitwijken naar de middelen van de inquisitie. Wilders is het voorwerp van een ostracisme, een schervengericht, waar de falende politiek alle belang bij heeft.
Kom, politici, met een alternatief inhoudelijk verhaal, in plaats van met hautaine terechtwijzingen en beschuldigingen!
Het proces tegen Wilders is bovenal loeistom. Wilders zal er in alle gevallen electoraal garen bij spinnen. Hij kan tot twee jaar cel en een boete van 18.500 euro worden veroordeeld. Als dat gebeurt zal hij als een martelaar van het vrije woord met een zeteltje of vijf in de peilingen stijgen. Als hij wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, zal hij het gerechtsgebouw verlaten en de uitspraak doen die de voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke zal moeten omzetten. Als hij wordt vrijgesproken, loopt hij als een held naar buiten, en ook dat door de kiezer worden beloond.
Wilders en zijn advocaat hebben bovendien aangekondigd dat zij een serie getuigen zullen oproepen, van radicale imams tot deskundigen en ex-moslims, om het gelijk van Wilders’ oordeel over de islam te bewijzen. Dat worden nog gezellige verhoren. De geest komt onwelriekend uit de fles, en het zal zo goed als onmogelijk blijken die geest weer in de fles terug te krijgen. En het hof zal die getuigenverhoren moeten toestaan om in ieder geval de schijn van een politiek proces te vermijden.
Als Wilders veroordeeld wordt, zal hij, maak ik me sterk, variëren op een uitspraak van Pim Fortuyn. Die zei dat ze hem dood konden schieten, maar dat het probleem dat hij aankaartte zou blijven bestaan. Wilders zal zeggen dat ze hem kunnen veroordelen en op die manier monddood zullen proberen te maken, maar dat het onbehagen voort blijft smeulen. En dan heeft hij nog gelijk ook.
Bij Radio 1 over proces tegen Wilders
Vanmorgen ben ik te gast bij het Radio 1-programma Dit is de dag. We gaan het tussen half elf en half twaalf o.a. hebben over het onzalige proces tegen Geert Wilders, dat a.s. woensdag met een regiezitting begint.
12.1.10
De coalitie en de commissie-Davids
Vanavond was ik te gast in het programma Standpunt Café op radio 1, samen met Frans Weisglas (VVD) en Harry van Bommel (SP). We spraken over het vandaag gepresenteerde rapport van de commissie-Davids over Irak en over de commotie die dat rapport binnen de coalitie veroorzaakt. U kunt de uitzending hier beluisteren.
Balkenende in problemen na explosief Irak-rapport

De heer Willibrord Davids, voorzitter van de commissie die onderzoek heeft gedaan naar de vraag hoe en waarom Nederland in 2002 en 2003 steun aan de oorlog in Irak heeft gegeven, heeft vanmorgen in Den Haag zijn rapport gepresenteerd. De conclusies van het rapport zijn scherp.
Zoals bekend besloot Nederland (anders dan Europese bondgenoten als Frankrijk en Duitsland) in het voorjaar van 2003 dat het de Amerikaanse inval in Irak zou steunen, niet militair maar wel politiek. De reden daarvan was dat de Nederlandse regering op dat moment demissionair was, CDA-leider Balkenende voerde (later mislukte) coalitieonderhandelingen met PvdA-leider Wouter Bos, en terwijl Balkenende de oorlog in Irak wilde steunen, wilde Bos dat niet. Vandaar dat compromis: wel politieke steun, geen militaire steun.
Nu blijkt dat de Amerikanen Nederland al in november 2002 een verzoek hebben gedaan om mee te helpen om de inval militair voor te bereiden. De Tweede Kamer is daarover ‘onvolledig geïnformeerd’, aldus de commissie-Davids. Of de verstrekking van die informatie ‘té onvolledig’ is geweest, moet nu door de Tweede Kamer worden beoordeeld. Van werkelijke militaire betrokkenheid van Nederland tijdens de beginfase van de oorlog is de commissie overigens niets gebleken.
Nog saillanter, en mogelijk zelfs explosiever, is de conclusie van de commissie dat een ‘adequaat’ volkenrechtelijk mandaat voor de militaire inval heeft ontbroken. Inderdaad, Sadam Hussein lapte alle resoluties van de Verenigde Naties aan zijn laars (ook de cruciale resolutie-1441 over het toelaten van wapeninspecteurs), maar dat op zich was geen voldoende rechtvaardiging voor de inval en de oorlog.
Erger nog, denk ik, is de conclusie dat het uiteindelijk politieke argumenten zijn geweest die de regering hebben doen besluiten om de inval in Irak te steunen. Het aan de kant schuiven van het regime van Sadam Hussein was een dominant motief, na de verschrikkelijke gebeurtenissen van 11 september 2001. Hussein had massavernietigingswapens en dus moest er een einde komen aan dit gevaar in het Midden-Oosten.
Die politiek doelstellingen waren zo belangrijk dat niemand goed heeft nagedacht over het voltooien van de missie. Die missie is een echec geworden, zei Davids, en zó mislukt dat Irak ook nu nog de onveiligste plek op aarde is.
En nu blijkt ook dat de informatie van de eigen, Nederlandse inlichtingendiensten ‘genuanceerd’ is geweest. ‘Genuanceerd’ betekent in dit geval: ‘gebrekkig’, gebrekkiger, terughoudender, onvollediger, minder alarmistisch dan de informatie van de buitenlandse (Amerikaanse en Engelse )inlichtingendiensten, die het voorstelden alsof Hussein in staat was met zijn wapens grote schade in het Midden-Oosten aan te richten, of zelfs binnen 45 minuten lange-afstandsraketten af te vuren. 'Alleen die informatie van de inlichtingendiensten die paste in het reeds ingenomen politieke standpunt, werd overgenomen en met de Tweede Kamer gedeeld.'
Het was dus allemaal niet waar. Ik heb het destijds allemaal geloofd, toen ik Blair hoorde spreken in het Engelse Lagerhuis en Powell in een vergadering van de Verenigde Naties.
We zijn, om redenen die nu nog niet geheel helder zijn, de oorlog in Irak ingerommeld, ingejokt. (Het was overigens niet om de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Jaap de Hoop Scheffer, aan zijn hoge functie bij de NAVO te helpen, zo heeft Davids vastgesteld.)
Davids gaat volgende week naar de Tweede Kamer om daar verder te praten met de commissie Buitenlandse Zaken. Daarna komt er ongetwijfeld een uitgebreid parlementair debat, en volgt er, denk ik, de instelling van een parlementaire enquête.
Davids benadrukte vanmorgen dat zijn commissie geen politiek oordeel velt, al velde hij wel een scherp oordeel over de politiek. Dat politieke oordeel is aan de Tweede Kamer, en het kan niet anders of dat oordeel zal hard zijn. Voor Balkenende en het CDA is dit rapport alles behalve een vrolijke opstap naar de gemeenteraadsverkiezingen van maart a.s.
Davids stuurde zijn mede-commissieleden in mei 2009 vanuit Venetië (waar hij met vakantie was) een ansichtkaart met de afbeelding van een schilderij van Titiaan. Op dat schilderij is afgebeeld hoe David de reus Goliath doodt (zie hierboven). Davids voelt zichzelf achteraf, zo zei hij, als David. Wie die Goliath was wilde hij niet zeggen.
6.1.10
Radio Politiek
Op 14 januari ben ik een uur lang ('s avonds tussen 20:00 en 21:00 uur) te gast bij RadioPolitiek in Den Haag. Luisteraars mogen de vragen indienen. Hoe dat moet, lees je hier.
5.1.10
Onderwijs
Ik heb het, geloof ik, hier nog nooit onthuld, maar ik werk twee dagen per week op een school voor voortgezet onderwijs in Rotterdam. Ik ben dat gaan doen nadat ik in het voorjaar van 2009 was uitgenodigd om voor een VWO-5 klas een lezing te geven over burgerschap. Dat was toen erg leuk, veel leuker dan het onderzoeksbaantje dat ik had, en toen er kort daarop een vacature kwam op mijn eigen oude school voor een leraar geschiedenis en maatschappijleer heb ik gesolliciteerd en ben ik nog aangenomen ook.
Ik geef les sinds het begin van dit schooljaar, en dat is me tot nog toe uitstekend bevallen. Maar nu ik zelf in de wereld van het onderwijs ben beland, maak ik me nog meer zorgen over het onderwijs dan ik voorheen al deed.
Er is heel lang veel te doen geweest over het onderwijs. Dat heeft destijds geresulteerd in de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie, geleid door de PvdA’er Jeroen Dijsselbloem, die nu al weer bijna twee jaar geleden een vernietigend rapport over de onderwijsvernieuwingen publiceerde. Het ‘nieuwe leren’ was eigenlijk helemaal niet zo’n goed idee, en is op een onverantwoorde manier ingevoerd. Ik heb zo maar het idee dat er sindsdien eigenlijk heel weinig is veranderd. Het systeem heeft zich weer gesloten, hoorde ik Ad Verbrugge (een van de initiatiefnemers van de vereniging Beter Onderwijs Nederland) onlangs zeggen. Het belangrijkste nieuws werd een verhoging van de lerarensalarissen met 3 procent – waarvan de scholen de helft overigens zelf moesten betalen.
De problemen in het onderwijs zijn en blijven ontstellend groot. De Volkskrant heeft onlangs een ‘panel van wijzen’ aangesteld die een onderwijsagenda met zes hoofdthema’s hebben opgesteld. Er is op de scholen teveel organisatorische rompslomp. Ouders en scholen staan te ver van elkaar af. De arbeidsvoorwaarden voor docenten zijn niet om over naar huis te schrijven. Er is te weinig maatwerk in het onderwijs, zodat er in de lessen geen recht kan worden gedaan aan de diversiteit van de leerlingen. De talenten van de leerlingen worden onvoldoende ontwikkeld. Docenten moeten meer kennis verwerven, meer kunde en meer vaardigheden.
Het is nogal wat. En dan zijn ze het belangrijkste nog vergeten: de inhoud, het curriculum van het onderwijs. Als we weer willen begrijpen dat onderwijs meer is dan het aanleren van vaardigheden, meer dan een opleiding waarmee je later iets nuttigs kunt gaan doen, als we weer willen begrijpen dat onderwijs er in eerste instantie is om mensen iets te leren en ze daarmee te vormen, dan moeten we het daar toch over hebben.
Als leraartje moet je ondertussen maar afwachten wat alle discussies over vernieuwingen en herzieningen gaan opleveren. Je leeft bij het adagium van Winston Churchill, die zijn politieke filosofie eens samenvatte met de letters K.M.T: Keep Muddling Through. Je moddert gewoon door omdat onderwijs er niet is voor leraren, ministers of Kamerleden, maar voor leerlingen. In het misschien wel beste boekje dat ooit over het onderwijs is geschreven, door Augustinus (354 – 430), staat al dat je onderwijs alleen met plezier en voldoening kunt blijven geven wanneer je van je vak houdt en van je leerlingen. Om hen gaat het immers. De belangrijkste eigenschap waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar 'krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde'. Alleen dat verdrijft uiteindelijk 'de duistenis van afkeer en verveling' die het onderwijs meer dan wat ook bedreigt.
Ik geef les sinds het begin van dit schooljaar, en dat is me tot nog toe uitstekend bevallen. Maar nu ik zelf in de wereld van het onderwijs ben beland, maak ik me nog meer zorgen over het onderwijs dan ik voorheen al deed.
Er is heel lang veel te doen geweest over het onderwijs. Dat heeft destijds geresulteerd in de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie, geleid door de PvdA’er Jeroen Dijsselbloem, die nu al weer bijna twee jaar geleden een vernietigend rapport over de onderwijsvernieuwingen publiceerde. Het ‘nieuwe leren’ was eigenlijk helemaal niet zo’n goed idee, en is op een onverantwoorde manier ingevoerd. Ik heb zo maar het idee dat er sindsdien eigenlijk heel weinig is veranderd. Het systeem heeft zich weer gesloten, hoorde ik Ad Verbrugge (een van de initiatiefnemers van de vereniging Beter Onderwijs Nederland) onlangs zeggen. Het belangrijkste nieuws werd een verhoging van de lerarensalarissen met 3 procent – waarvan de scholen de helft overigens zelf moesten betalen.
De problemen in het onderwijs zijn en blijven ontstellend groot. De Volkskrant heeft onlangs een ‘panel van wijzen’ aangesteld die een onderwijsagenda met zes hoofdthema’s hebben opgesteld. Er is op de scholen teveel organisatorische rompslomp. Ouders en scholen staan te ver van elkaar af. De arbeidsvoorwaarden voor docenten zijn niet om over naar huis te schrijven. Er is te weinig maatwerk in het onderwijs, zodat er in de lessen geen recht kan worden gedaan aan de diversiteit van de leerlingen. De talenten van de leerlingen worden onvoldoende ontwikkeld. Docenten moeten meer kennis verwerven, meer kunde en meer vaardigheden.
Het is nogal wat. En dan zijn ze het belangrijkste nog vergeten: de inhoud, het curriculum van het onderwijs. Als we weer willen begrijpen dat onderwijs meer is dan het aanleren van vaardigheden, meer dan een opleiding waarmee je later iets nuttigs kunt gaan doen, als we weer willen begrijpen dat onderwijs er in eerste instantie is om mensen iets te leren en ze daarmee te vormen, dan moeten we het daar toch over hebben.
Als leraartje moet je ondertussen maar afwachten wat alle discussies over vernieuwingen en herzieningen gaan opleveren. Je leeft bij het adagium van Winston Churchill, die zijn politieke filosofie eens samenvatte met de letters K.M.T: Keep Muddling Through. Je moddert gewoon door omdat onderwijs er niet is voor leraren, ministers of Kamerleden, maar voor leerlingen. In het misschien wel beste boekje dat ooit over het onderwijs is geschreven, door Augustinus (354 – 430), staat al dat je onderwijs alleen met plezier en voldoening kunt blijven geven wanneer je van je vak houdt en van je leerlingen. Om hen gaat het immers. De belangrijkste eigenschap waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar 'krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde'. Alleen dat verdrijft uiteindelijk 'de duistenis van afkeer en verveling' die het onderwijs meer dan wat ook bedreigt.
31.12.09
De Grote Haper: Franca en Sela© over 'ontkering', aansluiten of afhaken
Vanmorgen heel vroeg al, voor het losbarsten van de barbaarse euforie van het jaarlijkse vuurwerkgeweld, zat ik aan de keukentafel met de ochtendkranten. Ik dacht ze even snel weg te lezen, want zo’n laatste dag van het jaar is druk en rommelig: er moet nog veel geregeld worden voor vanavond, er moeten laatste boodschappen worden gedaan, en ik moet nog een bakker zien te vinden die bloem aan mij wil verkopen voor de oliebollen die mijn moeder wil gaan bakken.
Mijn plannen voor vandaag werden doorkruist door een foto in Trouw: door de kier van een niet thuis te brengen, enorme rode deur met zwart traliewerk keken twee dames mij aan, en ik moest er blijkbaar snel bij zijn want ze stonden op het punt de deur te sluiten. Ik had ze inmiddels al herkend: het waren Sela©, de artiestennaam van beeldend kunstenaar Liesbeth Goudzwaard-Labeur, de ontwerpster van de beroemde Calvijn glossy van eerder dit jaar, en Franca Treur, de jonge journaliste, verbonden aan nrc.next, die dit jaar debuteerde met een roman over haar reformatorische jeugd in het Zeeuwse Meliskerke.


Het werk van Sela© heeft mij, vanaf de allereerste kennismaking, om de een of andere reden geraakt, en sindsdien probeer ik haar te volgen in haar gangen op het grensgebied van haar komaf en grote talenten (zie: www.sela.nl).
Het boek Dorsvloer vol confetti van Franca Treur heb ik gelezen, niet direct bij verschijnen omdat ik toen druk was met de presentatie van mijn eigen boek over ds. Doornenbal, maar wel kort daarna: nieuwsgierig en gehaast, ik moet het binnenkort nog eens lezen. Ik had niet het idee dat het echt over die reformatorische jeugd ging. Het ging, dacht ik, over verhalen, verhalen die we verzinnen en vertellen om het leven bestand te geven, stevigheid via het begin van een gebinte, en soms blijken die verhalen bestand tegen het leven, soms ook niet. Bij Franca Treur hield het verhaal van haar ouders en grootmoeder over God en de Bijbel geen stand. ‘Het is beter zonder geloof, veel beter’, zei ze in een gesprek met Maarten ’t Hart en Jan Siebelink waarvan Vrij Nederland verslag deed.
Het dubbelinterview in de Trouw van vanmorgen zet je aan het denken omdat zich in de personen van Franca Treur (1979) en Sela© (1975) twee alternatieven aandienen, die zich de komende jaren en decennia steeds vaker en heviger aan orthodox-christelijk Nederland zullen voordoen: de knal van het aansluiten of afhaken.
Franca heeft gedag gezegd, is ‘ontkeerd’ in plaats van ‘bekeerd’, en dat nog wel op 11 september 2001, zonder het allemaal hard van zich af te trappen, lijkt gelukkig meer op Siebelink dan op ’t Hart, en heeft waarschijnlijk, vermoed ik, met nog iets van heimwee naar de geborgenheid van het oude verhaal. Maar met die ‘theologie van de gereformeerde gemeenten’ heeft ze het wel gehad: ‘Die boodschap is toch eenzijdig en donker en somber?’
Sela© is gebleven. Maar het gaat niet vanzelf. Ze is geen ‘voorbeeldrefo’, wordt heen en weer geslingerd tussen de ‘ongerijmdheden’ van het geloof en de indruk die de beelden van de christelijke traditie kunnen maken.
Franca en Sela© zijn de seismografen die registreren wat zich voltrekt binnen christelijk Nederland, en wat zich in nog veel heviger mate zal gaan voltrekken in de komende tijd.
Nu is mij niets gevraagd. Ik interrumpeer, heel onbeleefd, in een discussie waartoe ik niet ben uitgenodigd. Misschien, bedacht ik vanmorgen met enige schrik, word ik (1964) al te oud om me hier nog op een begripvolle wijze mee in te kunnen laten. Ik heb het toch niet kunnen laten omdat ik bang ben dat heel veel christenen het slachtoffer worden van het slechte, het heel slechte verhaal dat ze altijd is verteld, al dan niet op een kale boerderij in Meliskerke.
Het slechte verhaal dat ze altijd is verteld is het geaborteerde verhaal, de late verbijzonderingen van de negentiende en twintigste eeuw, het slechte verhaal is een gebroken bak waar het brakke en modderige slootwater van afscheidingen en doleanties, herenigingen en verenigingen, vrijmakingen en wederkeringen, uittredingen en terugkeringen uit weg loopt, het harde en meedogenloze tribalisme van ernstige mannen (ik heb ze lief), die Franca c.s. altijd hebben weggehouden – wisten zij veel – van het helder stromende water van de christelijke traditie van de kerk van alle eeuwen en plaatsen. Als ze hadden geweten van die katholieke breedte, zoals die bijvoorbeeld is belichaamd in het leven en denken van mijn ds. Doornenbal (1909 – 1975): open naar de cultuur, vriend van dichters en denkers, verworteld in de bedding van wijsheid en geloof die Gods Geest ook in ons land door de tijd heeft geslepen, en met een diep besef van een cultureel fundament van karakter en deugden en vertrouwen en vreze die een samenleving behoort te schragen – als ze dat allemaal hadden geweten … wat dan?
Waarom hebben alle Franca’s dat nooit te zien gekregen? Omdat ze, vermoedelijk, werden omringd door bange mannen (ik heb ze lief) die liever de schijnzekerheid hebben van de eerlijke dood, van artikel 36, van het theater van de Partij, en van de leeruitspraken van 1931 (of zoiets), en nog wat sociologische kenmerken - als hoedjes, jurkjes, avondmaalsmijding (verbeeld je maar niks!), zwarte pakken met vooraf ingeweven roos - als hoge muren optrokken om de stam bij elkaar te houden, en macht en een baan en de subsidies van Gods dienares niet te verliezen. De katholieke breedte, de vormende kracht van het verhaal van de christelijke traditie, ontbrak omdat de bevindelijke diepte er niet was. Dat is de Grote Haper.'De geborgenheid van weleer verbinden met het harde hier en nu', heet dat in een interview met Sela©. Het is allemaal erg ingewikkeld gemaakt, schreef ds. Doornenbal, en we begrijpen onze eigen hervormde leer niet meer, en we hebben een tweede muur opgetrokken: de muur tussen de gelovigen en het heil dat tot ons komt in het gewaad van het Woord dat Christus is.
En dan staan daar twee dappere meiden in Trouw, karakters met al hun vragen en onzekerheden, hun opgedane teleurstellingen en twijfels, en dat trof me, en ik heb een hopeloos gevoel van falen als ik dan niet iets zeg over die combinatie van bevindelijke diepte en katholieke breedte die bestand is tegen de verschrikkingen van het leven.
En nu naar de bakker en oliebollen bakken.
Zalig uiteinde!
Mijn plannen voor vandaag werden doorkruist door een foto in Trouw: door de kier van een niet thuis te brengen, enorme rode deur met zwart traliewerk keken twee dames mij aan, en ik moest er blijkbaar snel bij zijn want ze stonden op het punt de deur te sluiten. Ik had ze inmiddels al herkend: het waren Sela©, de artiestennaam van beeldend kunstenaar Liesbeth Goudzwaard-Labeur, de ontwerpster van de beroemde Calvijn glossy van eerder dit jaar, en Franca Treur, de jonge journaliste, verbonden aan nrc.next, die dit jaar debuteerde met een roman over haar reformatorische jeugd in het Zeeuwse Meliskerke.


Het werk van Sela© heeft mij, vanaf de allereerste kennismaking, om de een of andere reden geraakt, en sindsdien probeer ik haar te volgen in haar gangen op het grensgebied van haar komaf en grote talenten (zie: www.sela.nl).
Het boek Dorsvloer vol confetti van Franca Treur heb ik gelezen, niet direct bij verschijnen omdat ik toen druk was met de presentatie van mijn eigen boek over ds. Doornenbal, maar wel kort daarna: nieuwsgierig en gehaast, ik moet het binnenkort nog eens lezen. Ik had niet het idee dat het echt over die reformatorische jeugd ging. Het ging, dacht ik, over verhalen, verhalen die we verzinnen en vertellen om het leven bestand te geven, stevigheid via het begin van een gebinte, en soms blijken die verhalen bestand tegen het leven, soms ook niet. Bij Franca Treur hield het verhaal van haar ouders en grootmoeder over God en de Bijbel geen stand. ‘Het is beter zonder geloof, veel beter’, zei ze in een gesprek met Maarten ’t Hart en Jan Siebelink waarvan Vrij Nederland verslag deed.
Het dubbelinterview in de Trouw van vanmorgen zet je aan het denken omdat zich in de personen van Franca Treur (1979) en Sela© (1975) twee alternatieven aandienen, die zich de komende jaren en decennia steeds vaker en heviger aan orthodox-christelijk Nederland zullen voordoen: de knal van het aansluiten of afhaken.
Franca heeft gedag gezegd, is ‘ontkeerd’ in plaats van ‘bekeerd’, en dat nog wel op 11 september 2001, zonder het allemaal hard van zich af te trappen, lijkt gelukkig meer op Siebelink dan op ’t Hart, en heeft waarschijnlijk, vermoed ik, met nog iets van heimwee naar de geborgenheid van het oude verhaal. Maar met die ‘theologie van de gereformeerde gemeenten’ heeft ze het wel gehad: ‘Die boodschap is toch eenzijdig en donker en somber?’
Sela© is gebleven. Maar het gaat niet vanzelf. Ze is geen ‘voorbeeldrefo’, wordt heen en weer geslingerd tussen de ‘ongerijmdheden’ van het geloof en de indruk die de beelden van de christelijke traditie kunnen maken.
Franca en Sela© zijn de seismografen die registreren wat zich voltrekt binnen christelijk Nederland, en wat zich in nog veel heviger mate zal gaan voltrekken in de komende tijd.
Nu is mij niets gevraagd. Ik interrumpeer, heel onbeleefd, in een discussie waartoe ik niet ben uitgenodigd. Misschien, bedacht ik vanmorgen met enige schrik, word ik (1964) al te oud om me hier nog op een begripvolle wijze mee in te kunnen laten. Ik heb het toch niet kunnen laten omdat ik bang ben dat heel veel christenen het slachtoffer worden van het slechte, het heel slechte verhaal dat ze altijd is verteld, al dan niet op een kale boerderij in Meliskerke.
Het slechte verhaal dat ze altijd is verteld is het geaborteerde verhaal, de late verbijzonderingen van de negentiende en twintigste eeuw, het slechte verhaal is een gebroken bak waar het brakke en modderige slootwater van afscheidingen en doleanties, herenigingen en verenigingen, vrijmakingen en wederkeringen, uittredingen en terugkeringen uit weg loopt, het harde en meedogenloze tribalisme van ernstige mannen (ik heb ze lief), die Franca c.s. altijd hebben weggehouden – wisten zij veel – van het helder stromende water van de christelijke traditie van de kerk van alle eeuwen en plaatsen. Als ze hadden geweten van die katholieke breedte, zoals die bijvoorbeeld is belichaamd in het leven en denken van mijn ds. Doornenbal (1909 – 1975): open naar de cultuur, vriend van dichters en denkers, verworteld in de bedding van wijsheid en geloof die Gods Geest ook in ons land door de tijd heeft geslepen, en met een diep besef van een cultureel fundament van karakter en deugden en vertrouwen en vreze die een samenleving behoort te schragen – als ze dat allemaal hadden geweten … wat dan?
Waarom hebben alle Franca’s dat nooit te zien gekregen? Omdat ze, vermoedelijk, werden omringd door bange mannen (ik heb ze lief) die liever de schijnzekerheid hebben van de eerlijke dood, van artikel 36, van het theater van de Partij, en van de leeruitspraken van 1931 (of zoiets), en nog wat sociologische kenmerken - als hoedjes, jurkjes, avondmaalsmijding (verbeeld je maar niks!), zwarte pakken met vooraf ingeweven roos - als hoge muren optrokken om de stam bij elkaar te houden, en macht en een baan en de subsidies van Gods dienares niet te verliezen. De katholieke breedte, de vormende kracht van het verhaal van de christelijke traditie, ontbrak omdat de bevindelijke diepte er niet was. Dat is de Grote Haper.'De geborgenheid van weleer verbinden met het harde hier en nu', heet dat in een interview met Sela©. Het is allemaal erg ingewikkeld gemaakt, schreef ds. Doornenbal, en we begrijpen onze eigen hervormde leer niet meer, en we hebben een tweede muur opgetrokken: de muur tussen de gelovigen en het heil dat tot ons komt in het gewaad van het Woord dat Christus is.
En dan staan daar twee dappere meiden in Trouw, karakters met al hun vragen en onzekerheden, hun opgedane teleurstellingen en twijfels, en dat trof me, en ik heb een hopeloos gevoel van falen als ik dan niet iets zeg over die combinatie van bevindelijke diepte en katholieke breedte die bestand is tegen de verschrikkingen van het leven.
En nu naar de bakker en oliebollen bakken.
Zalig uiteinde!
22.12.09
Kerst 2009
Wonderlijk*
Tijdens de kerstdagen herdenken we de geboorte van de Zoon van God, Jezus Christus. Dat heeft iets merkwaardigs, omdat we, naar mijn beste weten, helemaal niet weten in welke tijd van het jaar Jezus geboren is. In het kerstverhaal houden de herders ’s nachts de wacht bij hun schaapskudden. Dat deden ze alleen ’s zomers.
De eerste vermelding van 25 december als Jezus’ geboortedag dateert uit het jaar 336 na Christus. Bij de Romeinen begon de lente op 25 maart. Op die dag, zo luidde de redenering, moest dan ook de wereld geschapen zijn, en op die dag moest ook de engel Gabriël aan Maria verschenen zijn om haar te vertellen dat zij zwanger was. Negen maanden later, op 25 december, werd haar kind geboren. Dat kwam goed uit, want op die dag viel ook het zonnewendefeest: de kortste dag was weer voorbij, het licht ging de duisternis overwinnen, en Jezus Christus was immers de onoverwinnelijke Zon der gerechtigheid.
Bij ons kerstfeest komt dus een grote hoeveelheid traditie, mythe en geschiedenis mee. Voor mij maakt dat het er alleen maar aantrekkelijker op. Ieder jaar probeer ik dan ook een beetje door te dringen tot de betekenis van dit feest, en ieder jaar weer doe ik dat door mijn bureau leeg te ruimen en daar een dikke foliant met preken op te leggen. De foliant, gebonden in perkament, dateert uit 1629, en de preken zijn ooit uitgesproken door een Anglicaanse bisschop, Lancelot Andrewes (1555 – 1626). Hij heeft die preken gehouden voor de koning van Engeland.
Wat ik zo fascinerend aan deze preken vind, is hun saaiheid. Andrewes zag een preek niet als een vorm van meeslepende zelfexpressie (zoals zijn tijdgenoot John Donne), maar stelde al zijn (niet geringe) gaven en talenten in dienst van een poging om de tekst te begrijpen. Menselijke gevoelens, ook religieuze, zijn immers onbetrouwbaar. Een goede meditatie dient niet om onze persoon uit te drukken, maar om het provincialisme van ons denken en voelen te overstijgen.
In een preek over de Wijzen uit het Oosten (die volgens Mattheüs 2 in het spoor van een ster de weg naar de stal in Bethlehem vonden, om daar Jezus te vereren) stelt Andrewes zich de erbarmelijkheid van hun lange tocht voor. ‘It was no summer progress. A cold coming they had of it, at this time of the year; just the worst time of the year to take a journey, and specially a long journey, in. The ways deep and the weather sharp, the very dead of winter.’
Waar het ‘m in zit weet ik niet, maar deze zinnen hebben in hun nuchterheid iets aangrijpends. Zonder Andrewes te noemen begint Tom Holland zijn boek over de barre tocht van keizer Hendrik IV naar Canossa met deze woorden. Waarschijnlijk kende hij deze woorden dankzij het gedicht van T. S. Eliot over de ‘Journey of the Magi’ (uit 1927). Het is een prachtig gedicht, in het Nederlands vertaald door Martinus Nijhoff, over die Wijzen uit het Oosten, hun barre tocht, en de vertwijfeling waarin ze achterblijven, ook vele jaren nadien nog.
De Wijzen waren getuige geweest van een geboorte, daar in die stal in Bethlehem. Normaal is een geboorte het tegendeel van de dood. Maar deze geboorte had hun dood betekend. Ze waren naar hun koninkrijken teruggekeerd, maar na het zien van de geboorte van Jezus voelden zij zich niet meer thuis in de oude orde, ‘tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen’.
En, zo eindigt het gedicht (in de vertaling van Nijhoff):
‘Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.’
(‘I should be glad of another death.’)
Wonderlijke zinnen over een wonderlijk feest op een wonderlijke datum, waarover in wonderlijke zinnen is gepreekt, met wonderlijke gedichten die weer uit de lectuur van die preken zijn ontstaan. Ieder jaar weer moet ik opnieuw beginnen om te proberen er iets van te begrijpen. Wonderlijk is immers ook Zijn Naam.
* Als column verschenen in het kerstnummer van Elsevier.
Tijdens de kerstdagen herdenken we de geboorte van de Zoon van God, Jezus Christus. Dat heeft iets merkwaardigs, omdat we, naar mijn beste weten, helemaal niet weten in welke tijd van het jaar Jezus geboren is. In het kerstverhaal houden de herders ’s nachts de wacht bij hun schaapskudden. Dat deden ze alleen ’s zomers.
De eerste vermelding van 25 december als Jezus’ geboortedag dateert uit het jaar 336 na Christus. Bij de Romeinen begon de lente op 25 maart. Op die dag, zo luidde de redenering, moest dan ook de wereld geschapen zijn, en op die dag moest ook de engel Gabriël aan Maria verschenen zijn om haar te vertellen dat zij zwanger was. Negen maanden later, op 25 december, werd haar kind geboren. Dat kwam goed uit, want op die dag viel ook het zonnewendefeest: de kortste dag was weer voorbij, het licht ging de duisternis overwinnen, en Jezus Christus was immers de onoverwinnelijke Zon der gerechtigheid.
Bij ons kerstfeest komt dus een grote hoeveelheid traditie, mythe en geschiedenis mee. Voor mij maakt dat het er alleen maar aantrekkelijker op. Ieder jaar probeer ik dan ook een beetje door te dringen tot de betekenis van dit feest, en ieder jaar weer doe ik dat door mijn bureau leeg te ruimen en daar een dikke foliant met preken op te leggen. De foliant, gebonden in perkament, dateert uit 1629, en de preken zijn ooit uitgesproken door een Anglicaanse bisschop, Lancelot Andrewes (1555 – 1626). Hij heeft die preken gehouden voor de koning van Engeland.
Wat ik zo fascinerend aan deze preken vind, is hun saaiheid. Andrewes zag een preek niet als een vorm van meeslepende zelfexpressie (zoals zijn tijdgenoot John Donne), maar stelde al zijn (niet geringe) gaven en talenten in dienst van een poging om de tekst te begrijpen. Menselijke gevoelens, ook religieuze, zijn immers onbetrouwbaar. Een goede meditatie dient niet om onze persoon uit te drukken, maar om het provincialisme van ons denken en voelen te overstijgen.
In een preek over de Wijzen uit het Oosten (die volgens Mattheüs 2 in het spoor van een ster de weg naar de stal in Bethlehem vonden, om daar Jezus te vereren) stelt Andrewes zich de erbarmelijkheid van hun lange tocht voor. ‘It was no summer progress. A cold coming they had of it, at this time of the year; just the worst time of the year to take a journey, and specially a long journey, in. The ways deep and the weather sharp, the very dead of winter.’
Waar het ‘m in zit weet ik niet, maar deze zinnen hebben in hun nuchterheid iets aangrijpends. Zonder Andrewes te noemen begint Tom Holland zijn boek over de barre tocht van keizer Hendrik IV naar Canossa met deze woorden. Waarschijnlijk kende hij deze woorden dankzij het gedicht van T. S. Eliot over de ‘Journey of the Magi’ (uit 1927). Het is een prachtig gedicht, in het Nederlands vertaald door Martinus Nijhoff, over die Wijzen uit het Oosten, hun barre tocht, en de vertwijfeling waarin ze achterblijven, ook vele jaren nadien nog.
De Wijzen waren getuige geweest van een geboorte, daar in die stal in Bethlehem. Normaal is een geboorte het tegendeel van de dood. Maar deze geboorte had hun dood betekend. Ze waren naar hun koninkrijken teruggekeerd, maar na het zien van de geboorte van Jezus voelden zij zich niet meer thuis in de oude orde, ‘tussen vreemde mensen die hun goden omklemmen’.
En, zo eindigt het gedicht (in de vertaling van Nijhoff):
‘Ik zal blij zijn als ik andermaal sterf.’
(‘I should be glad of another death.’)
Wonderlijke zinnen over een wonderlijk feest op een wonderlijke datum, waarover in wonderlijke zinnen is gepreekt, met wonderlijke gedichten die weer uit de lectuur van die preken zijn ontstaan. Ieder jaar weer moet ik opnieuw beginnen om te proberen er iets van te begrijpen. Wonderlijk is immers ook Zijn Naam.
* Als column verschenen in het kerstnummer van Elsevier.
21.12.09
Balkenende V
Dit zijn de stiefdagen van het jaar. In de week voor Kerst begint voor veel mensen de laatste vakantie van het jaar. Deze lome dagen, tot het begin van de eerste week van januari, horen eigenlijk nergens bij: het oude jaar is voorbij, en het nieuwe jaar is nog niet begonnen. In deze open plek in de tijd kijk je terug en vooruit. En als je vooruit kijkt, slaat de schrik je om het hart. Want 2010 wordt ongetwijfeld een politiek zeer bewogen jaar.
Wanneer 2010 begonnen is, zullen de campagnes voor de gemeenteraadsverkiezingen op 3 maart op gang komen. Die campagnes zullen worden overschaduwd door twee gebeurtenissen. De commissie-Davids, die onderzoek doet naar de politieke besluitvorming rond onze steun aan de oorlog in Irak, presenteert op 12 januari haar bevindingen. Zijn er zaken geheim gehouden en verzwegen? Als het antwoord positief uitvalt, kan dat vergaande politieke gevolgen hebben.
Het proces tegen Geert Wilders, dat op 20 januari begint, is de tweede gebeurtenis. De gevolgen van dat proces zijn nogal onvoorspelbaar: het kan Wilders de status van een martelaar en held van het vrije woord bezorgen, het kan er ook voor zorgen dat de PVV verder leegloopt. En wanneer de discussies over deze kwesties hoog oplopen, en alle partijen druk bezig zijn om zich politiek scherp te profileren vanwege de gemeenteraadsverkiezingen, beginnen ook de besprekingen die moeten resulteren in voorstellen om 20 procent (€ 35 miljard) op de Rijksbegroting te bezuinigen. Het is zo goed als ondenkbaar dat er in een tijd van profileringsdrang eensluidende adviezen naar buiten zullen komen.
Volkskrant-columniste Nausicaa Marbe, die het woord ‘stiefdagen’ heeft gemunt, noemde deze dagen een tijd van ‘verveling en afwachten’, en vooral van ‘doordrinken’. Ze schreef dat in de Trouw van 29 december 2001, maar acht jaar later en met de vooruitzichten voor het politieke jaar 2010 zijn haar sombere woorden meer dan ooit van toepassing.
Maar er gloort hoop. Premier Balkenende heeft een groot interview gegeven in het kerstnummer van het weekblad Elsevier, en zijn uitspraken stemmen zeer vrolijk.
Frank en vrij distantieert Balkenende zich van zijn huidige coalitiepartners. Open en eerlijk wees hij links af en koos hij voor rechts. Ik zou bijna zeggen, hoopvol en zonder ironie: zo kennen we de echte Balkenende weer!
Balkenende kondigt namelijk aan dat hij in een volgende kabinetsperiode verder wil gaan met zijn politiek van saneringen en hervormingen van de verzorgingsstaat. Tegelijkertijd betoont hij zich een categorisch tegenstander van belastingverhogingen. En hij wil grootscheeps op de staatsuitgaven bezuinigen. ‘We zullen de komende jaren misschien wel 50 miljard euro moeten bezuinigen om de overheidstekorten terug te dringen. Op langere termijn moeten we nóg meer besparen om overschotten te creëren en de staatsschuld af te betalen. Ik zet een rem op lastenverhogingen, want die vertragen de economie en zijn dus contraproductief. We moeten het zoeken in lagere staatsuitgaven.’
Balkenende laat er dus geen enkele twijfel over bestaan dat hij terug is bij de realistische hervormingsagenda van zijn eerste, centrumrechtse kabinetten. ‘Elke denkbare coalitie moet deze richting inslaan’, voegt hij daaraan toe.
Tijdens deze stiefdagen werd ik ineens toch een beetje vrolijk bij het vooruitzicht van het einde (het spoedige einde?) van deze onmachtige en amechtig voortschuifelende centrumlinkse coalitie, en het perspectief op een kabinet rondom CDA en VVD, met een realistische koers inzake de financieel-economische koers van het land. Het zou je bijna optimistisch stemmen over onze politieke toekomst in 2010. Als we op deze stiefdagen al doordrinken, dan maakt de beneveling van de whisky plaats voor sprankelende champagne.
Wanneer 2010 begonnen is, zullen de campagnes voor de gemeenteraadsverkiezingen op 3 maart op gang komen. Die campagnes zullen worden overschaduwd door twee gebeurtenissen. De commissie-Davids, die onderzoek doet naar de politieke besluitvorming rond onze steun aan de oorlog in Irak, presenteert op 12 januari haar bevindingen. Zijn er zaken geheim gehouden en verzwegen? Als het antwoord positief uitvalt, kan dat vergaande politieke gevolgen hebben.
Het proces tegen Geert Wilders, dat op 20 januari begint, is de tweede gebeurtenis. De gevolgen van dat proces zijn nogal onvoorspelbaar: het kan Wilders de status van een martelaar en held van het vrije woord bezorgen, het kan er ook voor zorgen dat de PVV verder leegloopt. En wanneer de discussies over deze kwesties hoog oplopen, en alle partijen druk bezig zijn om zich politiek scherp te profileren vanwege de gemeenteraadsverkiezingen, beginnen ook de besprekingen die moeten resulteren in voorstellen om 20 procent (€ 35 miljard) op de Rijksbegroting te bezuinigen. Het is zo goed als ondenkbaar dat er in een tijd van profileringsdrang eensluidende adviezen naar buiten zullen komen.
Volkskrant-columniste Nausicaa Marbe, die het woord ‘stiefdagen’ heeft gemunt, noemde deze dagen een tijd van ‘verveling en afwachten’, en vooral van ‘doordrinken’. Ze schreef dat in de Trouw van 29 december 2001, maar acht jaar later en met de vooruitzichten voor het politieke jaar 2010 zijn haar sombere woorden meer dan ooit van toepassing.
Maar er gloort hoop. Premier Balkenende heeft een groot interview gegeven in het kerstnummer van het weekblad Elsevier, en zijn uitspraken stemmen zeer vrolijk.
Frank en vrij distantieert Balkenende zich van zijn huidige coalitiepartners. Open en eerlijk wees hij links af en koos hij voor rechts. Ik zou bijna zeggen, hoopvol en zonder ironie: zo kennen we de echte Balkenende weer!
Balkenende kondigt namelijk aan dat hij in een volgende kabinetsperiode verder wil gaan met zijn politiek van saneringen en hervormingen van de verzorgingsstaat. Tegelijkertijd betoont hij zich een categorisch tegenstander van belastingverhogingen. En hij wil grootscheeps op de staatsuitgaven bezuinigen. ‘We zullen de komende jaren misschien wel 50 miljard euro moeten bezuinigen om de overheidstekorten terug te dringen. Op langere termijn moeten we nóg meer besparen om overschotten te creëren en de staatsschuld af te betalen. Ik zet een rem op lastenverhogingen, want die vertragen de economie en zijn dus contraproductief. We moeten het zoeken in lagere staatsuitgaven.’
Balkenende laat er dus geen enkele twijfel over bestaan dat hij terug is bij de realistische hervormingsagenda van zijn eerste, centrumrechtse kabinetten. ‘Elke denkbare coalitie moet deze richting inslaan’, voegt hij daaraan toe.
Tijdens deze stiefdagen werd ik ineens toch een beetje vrolijk bij het vooruitzicht van het einde (het spoedige einde?) van deze onmachtige en amechtig voortschuifelende centrumlinkse coalitie, en het perspectief op een kabinet rondom CDA en VVD, met een realistische koers inzake de financieel-economische koers van het land. Het zou je bijna optimistisch stemmen over onze politieke toekomst in 2010. Als we op deze stiefdagen al doordrinken, dan maakt de beneveling van de whisky plaats voor sprankelende champagne.
Subscribe to:
Posts (Atom)