Twitter Updates 2.2: FeedWitter

23.7.08

Democratie en de grote economie

Kiezers moeten zich niet als vragende consumenten maar als actieve en zelfbewuste burgers opstellen, betoogt Gert van Dijk in een essay waarin hij de relevantie van het coöperatieve denken voor enkele actuele kwesties uitlegt.

De Nederlandse bevolking heeft ruim drie jaar geleden ‘nee’ gezegd tegen een Europese Grondwet. Na dat Nederlandse (en Franse) ‘nee’ hebben de Europese regeringsleiders de verdragstekst enigszins herzien door enkele symbolen te schrappen en het resultaat niet langer een Grondwet maar een Verdrag (van Lissabon) genoemd. Vervolgens hebben de meeste regeringen gezegd dat zij dit resultaat niet opnieuw via een referendum aan de bevolking wilden voorleggen. De parlementen zouden de tekst beoordelen.

Zo is het in Nederland ook gebeurd. Eerst de Tweede en daarna de Eerste Kamer hebben het Verdrag van Lissabon onlangs geratificeerd. Tegelijkertijd werd via opiniepeilingen duidelijk dat een overduidelijke meerderheid van de Nederlandse bevolking opnieuw ‘nee’ tegen het nieuwe Verdrag zou hebben gezegd. De Ieren, die in een referendum wel hun zegje mochten doen, hebben het Verdrag inmiddels met een veto getroffen, en het is nu aan de Franse president Sarkozy om als voorzitter van de Europese Unie een oplossing uit deze situatie te vinden – waarbij BBC-columnist Dymond al heeft gesuggereerd dat de EU de Ieren het beste een goed glas whisky en revolver kan aanbieden met het verzoek de eer aan zichzelf te houden.

Wanneer politieke leiders een agenda tegen de wens van de bevolking in doorzetten, kan het niet anders of die buiten spel gezette bevolking blijft achter met een vaag gevoel van onbehagen. Politieke beslissingen worden dan iets wat burgers ‘overkomt’, zonder dat ze de kans hebben gehad het daar met elkaar over te hebben. Het onbehagen bij burgers bestaat vooral in het onbestemde maar ongemakkelijke gevoel dat zij zeggenschap kwijt raken, en in toenemende mate onmachtige pionnen worden in grote processen die goedpraters plegen aan te duiden met een term als de ‘onvermijdelijke globalisering’.

Die retoriek over onvermijdelijkheid en mondialisering speelde ook een rol bij de buitenlandse overname van ABN AMRO. De grote economie houd je niet tegen, zo heette het. Of grote Nederlandse bedrijven als Stork, Fokker, Philips, ABN AMRO of Schiphol in Nederlandse handen zijn en blijven, was dan ook onbelangrijk. We zijn nu eenmaal primair een handelsnatie en als de verkoop van een bedrijf lucratief is, doen we dat gewoon. En als er al protesten komen tegen de verkwanseling van Nederlands erfgoed of tegen het verdwijnen van Nederland als financieel centrum, gaat de minister van Financiën achter een microfoon staan en zegt dat hij ondubbelzinnige ‘randvoorwaarden’ ten aanzien van de vestigingsplaats van het hoofdkantoor of de werkgelegenheid op korte termijn heeft bedongen. En daar blijft het dan bij.

Of al deze ontwikkelingen zo dwingend en onvermijdelijk zijn, staat echter nog te bezien. Zo af en toe worden alternatieven gepresenteerd, die dan niet bestaan in pleidooien voor een renationalisatie van de landelijke economie, maar wel in een pleidooi voor ‘een renationalisatie van het democratische dispuut’, met – in dit geval – de coöperatieve cultuur als inspiratiebron. Inzet daarbij is om onze grip en invloed op de economie en de overheid te heroveren.

Gert van Dijk, hoogleraar aan de universiteit van Wageningen en aan Nyenrode en van 1990 tot 2008 directeur van de Nationale Coöperatieve Raad (NCR), heeft vorige maand bij zijn afscheid een essay gepubliceerd (samen met de journalist Leo Klep) waarin hij probeert duidelijk te maken waarin het blijvende belang van het coöperatieve model gelegen is. Coöperaties, zo legt Van Dijk uit, zijn de laatste grote bedrijven die nog geheel in Nederlandse handen zijn. Bovendien vormen coöperaties democratische gemeenschappen waarbij de zeggenschap bij de leden berust. Ze varen in konvooi maar blijven baas over hun eigen schip, en over de koers van het konvooi. De vereniging van leden ziet niet alleen toe op goed bestuur maar formuleert ook de doelstelling van de onderneming.

Het woord ‘coöperatie’ zal bij de meeste mensen niet direct concrete associaties oproepen. Anderen zullen denken aan het CDA, de Rabobank, Campina-melk, groente- en bloemenveilingen en Univé. Dat is allemaal juist. Coöperaties zijn een vorm van zelforganisatie van vooral producenten (boeren bijvoorbeeld die hun melk willen afzetten) die door samenwerking bij de aan- en verkoop van producten hun economische macht willen vergroten. Hun motivatie was ‘liberaal’: het ging om ‘welbegrepen eigenbelang’, om het voor jezelf opkomen, en als je dat in je eentje niet goed genoeg kunt, doe je dat in samenwerking met anderen. De leden zijn mede-eigenaren en tegelijk de voornaamste zakenpartners van de coöperatie en zijn daarom direct betrokken bij het beleid van de organisatie. Het is een organisatievorm die vooral in Nederland heeft gefloreerd. Er is een Nationale Coöperatieve Raad waarbij de meeste coöperatieve ondernemingen zijn aangesloten, en er zijn in Tilburg en Wageningen leerstoelen waaraan ‘coöperatief recht’ kan worden gestudeerd.

Het punt is niet alleen dat coöperaties nog altijd grote en machtige ondernemingen zijn die een netwerk vormen dat door het CDA zorgvuldig wordt gekoesterd, maar ook dat het concept dat eraan ten grondslag ligt, nog altijd relevant blijft voor de discussie over de mondialisering van de economie en de kloof tussen burgers en politiek. Een coöperatie is immers niet alleen een onderneming die is opgericht om ervoor te zorgen dat de leden zoveel mogelijk winst op hun producten maken, maar ook een vereniging waarin de leden via hun interne democratie een buffer tegen de markt vormen. Samen bepalen zij hun eigen doelstellingen en formuleren daarmee de eigen voorwaarden waaronder zij willen produceren (waar, wat en hoe).

Zo zou ook onze democratie moeten functioneren als een buffer om in onderlinge samenspraak een aantal ‘eigen voorwaarden’ te handhaven. Wanneer de bestuurders die cultuur verwaarlozen, en de volksvertegenwoordigers te dicht tegen die bestuurders aankruipen – een recente klacht van vice-voorzitter Tjeenk Willink van de Raad van State, die Gert van Dijk volledig overneemt – kunnen die bestuurders voor rare verrassingen komen te staan. Zij hebben dan niet meer in de gaten wat er gaande is en worden dan overrompeld door het ‘nee’ tegen de Grondwet en de opkomst van Fortuyn, Wilders en Verdonk.

Maar de democratie wordt niet alleen bedreigd en ondermijnd door bestuurders die zich als CEO’s gaan dragen en niet meer luisteren naar wat er op het grondvlak gebeurt. Er dreigt ook een andere vermarkting van de politiek, die als het ware door die eerdere vermarkting wordt opgeroepen. In een democratie gebruiken burgers hun stem en invloed (voice) in maatschappelijke discussies. Maar als die stem niet wordt gehoord, veranderen ze van burgers in consumenten: ze eisen van de overheid dat het als professioneel bedrijf levert wat de ‘kiezersmarkt’ vraagt. Politici gaan dat dan ook beloven (Verdonk) of tonen zich verongelijkt (Balkenende) wanneer de burger ontevreden is met de producten die worden geleverd. En op den duur, aldus Gert van Dijk, wordt de kiezer klant-af. Omdat hij niet weg kan, gaat hij zweven. ‘Het consumentistische exit-mechanisme wint het van de inzet van de democratische voice.’

Waar het uiteindelijk op aan komt, is een mentaliteitsverandering: consumenten moeten veranderen in actieve burgers die het gevoel hebben samen voor iets te staan en zich daar ook voor willen inspannen. ‘Niet als vragende consument maar als actieve burger die samenwerkt met anderen om iets te bereiken of overeind te houden. Binnen, dankzij en ondanks de grote economie.’

Het essay van Gert van Dijk is een verrassende bijdrage aan een al langer slepend debat over representatie, democratie en goed bestuur. De originele invalshoek is zonder meer verhelderend en de conclusies zeer behartigenswaardig. Want zelfbewuste burgers willen door niets of niemand in een situatie worden gemanoeuvreerd waarin whisky en een revolver het enige alternatief worden.

Recensie van: Gert van Dijk (i.s.m. Leo Klep), Democratie en de grote economie, NCR € 15

*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.

No comments: