Twitter Updates 2.2: FeedWitter

22.8.08

HJ Schoo’s onvoltooide rijkdom

Hendrik Jan Schoo is door de PvdA nooit erg serieus genomen. Wat zou hij de partij hebben gezegd wanneer die hem daartoe een gelegenheid had geboden?

Hendrik Jan (‘HJ’) Schoo (Amsterdam, 1945) was hoofdredacteur van Elsevier, adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant en uitgever van Vrij Nederland. Hij schreef vanaf 2003 een politieke column in de Volkskrant, maar overleed al in september vorig jaar aan een longbloeding, nog geen 62 jaar oud.

Wat Schoo zo interessant maakte als politiek commentator, en wat het zo spannend maakte hem van week tot week te volgen, was zijn openheid, zijn afkeer van dogmatisme, zijn nieuwsgierigheid, zijn willen weten hoe de dingen werkelijk in elkaar staken. Zijn werk stond daardoor nooit in dienst van iets anders, en al helemaal niet van enige partij. Daardoor is Schoo in de tijd die hem na de Fortuyn-revolte gegeven was, een zeldzaam voorbeeld geworden van een beschouwer die in die jaren iets heeft bijgeleerd.

Dat blijkt vooral uit twee tot nog toe ongepubliceerde stukken die bedoeld waren voor een boek dat al in het najaar van 2002 door uitgever Prometheus werd aangekondigd maar dat nooit is uitgekomen: Het populistisch reveil. Moderne burgers en het onbehagen in de democratie. De twee hoofdstukken die Schoo voor dit boek wel afrondde, verschijnen nu in een fraaie bundel die een bloemlezing uit het werk van Schoo biedt. Een redactie bestaande uit Jos de Beus, Marc Chavannes (NRC), Arendo Joustra (Elsevier), Remco Meijer (Volkskrant), de historicus Willem Velema en socioloog Herman Vuijsje heeft de bundel samengesteld en van een informatieve inleiding voorzien. Het boek wordt op 4 september in Amsterdam gepresenteerd.

Het eerste van de twee nieuwe stukken (een lang hoofdstuk van 25 pagina’s) biedt een terugblik op Pim Fortuyn. Schoo trok hem in 1994 als politiek columnist voor Elsevier aan. Dat heeft hij vaak moeten uitleggen. In zijn verantwoording treft vooral zijn eerlijkheid. Dat wordt helemaal niks, die Fortuyn in de politiek, was Schoo’s aanvankelijke gedachte. ‘Zelden heeft iemand zo volstrekt ongelijk gekregen’, moest hij later concluderen. Boeiend in dit hoofdstuk is vooral ook het kijkje in de keuken dat het biedt. Het ging Fortuyn uiteindelijk, stelt Schoo op grond van zijn vele telefoongesprekken met hem vast, ‘om niet minder dan het behoud van het christelijke Avondland’.

Het tweede stuk moet de tekst zijn van wat de inleiding op dat nooit voltooide boek had moeten worden. Dat gaat over dat populistische reveil, en behandelt het populisme niet als ‘een abjecte oprisping van een misleid, tot het kwade geneigd en van bovenaf te beheersen electoraat’, maar als ‘een nuttige correctie op democratisch falen’. Het is oneindig jammer dat dit boek er nooit is gekomen.

En zo is er meer in het leven en werk van Schoo dat bijna als vanzelf de dichtregel van Leopold over ‘de rijkdom van het onvoltooide’ in herinnering roept. Niet alleen dat onvoltooide boek, niet alleen die vroege dood, maar ook dit, uitgesproken door de Amsterdamse hoogleraar Jos de Beus tijdens een herdenkingsbijeenkomst voor Schoo in De Rode Hoed in september vorig jaar: ‘HJ was de beste denker die de PvdA niet gekend heeft’.

Schoo, die zichzelf typeerde als een ‘freischwebende, partijloze sociaaldemocraat’, heeft links Nederland met gepaste vrijmoedigheid van opbouwende kritiek voorzien, maar de PvdA heeft zijn ideeën en adviezen nooit omarmd. Integendeel, Paul Kalma, nu Tweede-Kamerlid voor de PvdA en toen directeur van het wetenschappelijk bureau van die partij, maakte hem in maart 2000 uit voor een ‘ontketende kaaskop’.

Stel nu eens dat de PvdA Schoo’s grote talent wel had erkend en hem had uitgenodigd een groot essay te schrijven (een ‘intern discussiestuk’) of een toespraak te houden – wat zou Schoo de Nederlandse sociaaldemocraten dan hebben voorgehouden?

Op grond van dit nieuwe boek kunnen we in ieder geval weten dat hij ze hun nuffigheid zou hebben verweten, hun elitaire minachting van het klootjesvolk.

‘En omdat, waarde sociaaldemocraten,’, zo zou Schoo hebben gezegd, ‘u er niet meer wilt zijn voor de gewone mensen, daarom hebben zij hun toevlucht gezocht bij wat u populistisch rechts noemt. Dat is niet ongevaarlijk. Of kent u uw klassiekers niet meer, zoals De deftigheid in het gedrang van Jacques de Kadt, die ooit al eens een vergelijkbare analyse stelde. In de jaren dertig van de vorige eeuw.’

Schoo zou er bij de sociaal-democraten op aandringen om de Fortuyn-revolte als een historische breuklijn te accepteren. Doe dus niet net alsof een restauratie van vroegere verhoudingen nog altijd tot de mogelijkheden behoort. Neem het populisme serieus als een eerste fase naar een nieuwe stabiliteit, ná de periode van de verzuiling en ná de periode van de ontzuilde babyboomers die de geleide democratie in een progressief jasje hadden gestoken.

Om die nieuwe stabiliteit te bereiken, zou Schoo hebben gezegd, moet er een rem op de immigratie komen. Meer selectiviteit, strengere voorwaarden voor huwelijksmigratie. Nederland is vol, in meerdere opzichten. Omdat Nederland ‘soft’ blijft op het terrein van de immigratie, vlucht het in een ‘hard’ integratiebeleid, dat weinig kans van slagen heeft.

Na de glorieuze jaren van opwaartse sociale mobiliteit (1945 – 1975) is de sociaaldemocratie in diskrediet geraakt. Wil de PvdA een nieuwe strategie voor het aloude ideaal van de ‘volksverheffing’ kunnen ontwerpen, dan moeten de sociaaldemocraten het waarde- en cultuurrelativisme opgeven. De cultuurrelativist houdt altijd vol dat het een niet beter of hoger is dan het ander. Dat is onze afspraak.

‘Maar, sociaaldemocraten, wat als waarderelativisme en liberalisering, plus hun kennelijke consequentie, commercialisering, leiden tot verschroeide aarde, uniformiteit? Wordt het dan geen tijd om na te gaan of onze bevrijdende uitgangspunten wel stand houden?’

Zorg dus in de eerste plaats voor goed onderwijs. Begrijp nu eindelijk eens, sociaaldemocraten, dat de bevrijding van ‘1968’ voor de lagere klassen desastreus heeft uitgewerkt. ‘De culturele signalen waarmee die bestookt worden, zijn een handicap in hun maatschappelijke concurrentiestrijd.’

En wordt nu eindelijk eens een werkelijk republikeinse partij. Dat wil zeggen: bekritiseer in de monarchie niet alleen de populaire kitsch waarin het grossiert, maar zie republikanisme als het pleidooi voor het zelfbestuur op alle niveaus van vrije burgers. Zet je dus in voor radicale democratisering.

De hierboven genoemde samenstellers van deze bundel stellen in hun inleiding vast dat ‘de nieuwe consensus over Nederland’ volgens Schoo ‘conservatiever’ zou zijn geweest dan het oude evenwicht: conservatiever in de visie op de pacificatie tussen immigranten en autochtonen, conservatiever in de visie op een beschavingsmissie voor achterblijvers, conservatiever in de visie op de zelfstandigheid van de nationale overheid in een tijd van Europeanisering.

Het is zo, en het vooruitzicht stemt vrolijk.

Schoo was geen conservatief. Conservatisme is de bescherming van de sociale orde tegen de onterende aanvallen van de gecentraliseerde politieke staat (Robert Nisbet). Die argwaan tegen de overheid kende Schoo niet, of niet in dezelfde mate. Schoo was een neoconservatief, in de zin van een rechtse afsplitsing van de sociaaldemocratie. In Nederland heeft dat streven, in de tijd van De Kadt, Sal Tas en Frans Goedhart, ooit tot een nieuwe politieke partij geleid (DS’70), maar tegenwoordig leeft dat ideaal alleen nog maar voort in een groepje verspreide individuen, die in Schoo een leermeester hebben gehad.

Maar dit onvoltooide is geen rijkdom. Want alleen een vernieuwing van de PvdA langs de door Schoo uitgestippelde lijnen brengt die ‘nieuwe consensus’ nabij waaraan Nederland, ruim zes jaar na de Opstand, meer dan ooit behoefte heeft.

Recensie van: H. J. Schoo, Republiek van vrije burgers: het onbehagen in de democratie, Bert Bakker

*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.

No comments: