16.3.10

HAFMO

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over Hans van Mierlo, de vorige week overleden oprichter van D66.

De gebeurtenissen in de vaderlandse politiek buitelden de afgelopen week over elkaar heen. Mensen gingen weg, anderen kwamen aan boord. Het politieke landschap is daarmee binnen korte tijd volledig herschikt.

Door alle commotie is het feit van het overlijden van H.A.F.M.O. (Hans) van Mierlo wat uit het nieuws weggedrukt. Dat is spijtig, want het doet geen recht aan de betekenis die van Mierlo voor de vaderlandse politiek heeft gehad. Als oprichter van D66, als Kamerlid, senator, minister, heeft hij toch zeker het statuur van politici als Joop den Uyl en Ruud Lubbers.

Nu sta ik hier en daar bekend als rechts en conservatief, en sterker, dat ben ik ook. Het hoeft dan ook niemand te verbazen dat ik wat geplaagd word door ambivalente gevoelens wanneer ik aan Hans van Mierlo denk. Met zijn links-liberale gedachtegoed en zijn bijna lachwekkende onderschatting van de problemen op het gebied van immigratie en integratie ('Niets aan de hand, en die ene man Bouyeri was niet meer dan een gek') heb ik niets. Maar toch heb ik hem (stiekem) altijd
bewonderd.

Om twee redenen, denk ik: om zijn analyse van de verouderde en vermolmde politieke structuren en zijn pleidooi voor bestuurlijke vernieuwingen (die ik beiden volledig deel) en om zijn stijl: hij was een soort artistieke leidsman van progressief Nederland, en ik heb vaak gedacht: als je politiek actief wordt, dan moet je het zo doen: breed en ruim, met zwier, flair en nonchalance, met diepe kennis die je licht draagt en toepast, en altijd vooral beseffend dat er belangrijkere en leukere dingen in het leven zijn dan politiek.

Ik ben tegen romantiek in de politiek. Maar ik vind het prima wanneer die romantiek aan ons voorbij trekt tegen de achtergrond van een grijze bureaucratie. Met opgetrokken kraag langs een gracht lopen, en dan zeggen: ‘We waren ongerust. Over de politieke situatie in ons land. Over de verwarring en de ondoorzichtigheid. Over de tanende invloed van de kiezers’. Ja, dan zet je iets neer.





Van de bestuurlijke vernieuwingen (de 'kroonjuwelen' van D66) is niets terecht gekomen. We hebben geen gekozen burgemeester en geen districtenstelsel gekregen. Maar Van Mierlo was wel de man (en als politiek journalist in de jaren negentig heb ik daar destijds boven op gestaan) die paars heeft geschapen, en de politieke vernieuwingen (moderniseringen/afrekeningen) die paars heeft gerealiseerd, hebben politiek en samenleving wel vergaand gemoderniseerd.

Ik geloof niet dat hij politiek en samenleving daarmee dichter bij elkaar heeft gebracht. Wanneer we directere vormen van democratie hadden gehad en de bevolking werkelijk iets te zeggen had gehad, dan was ongetwijfeld duidelijk geworden dat de meerderheid helemaal niet op al die oplossingen voor luxeproblemen zat te wachten: euthanasie, homohuwelijk, legalisering van prostitutie, de verdere liberalisering van abortus.

Juist dus omdat hij er niet in was geslaagd de bestuurlijke vernieuwingen te realiseren die oorspronkelijk het bestaansrecht van zijn partij vormden, kon hij de morele moderniseringen doorvoeren waarmee zijn partij tot op de dag van vandaag wordt geassocieerd.

Het was voor de paarse mensen een mooie tijd, die jaren negentig. Het geld klotste tegen de plinten, alle politieke en werkelijke problemen konden worden afgekocht, en veel van wat in onze wetgeving nog traditioneel was, werd opgeruimd. En ondertussen begrepen ze niet dat welvaart altijd leidt tot een 'revolution of rising expectations', tot teleurstellingen en ontevredenheid dus, en daarmee tot het onbehagen dat nu smeult onder de huid van de samenleving. Ik denk dat Van Mierlo aan het einde van zijn leven niet meer begreep wat er eigenlijk aan de hand was. R.I.P.

13.3.10

Hostierel

In de Trouw van vandaag, bijlage Letter&Geest, heb ik samen met historica en Volkskrant-columniste Amanda Kluveld en met Dirk-Jan Nijsink en Jacques Rozendaal (beiden van de SGP Jongeren) een artikel gepubliceerd over de zogeheten hostierel.


De hostierel, hét symbool van Nederlandse seculiere hufterigheid en een volkomen gebrek aan enig besef van heiligheid, kwam ten einde toen het bisdom overstag ging en verklaarde dat ter communie gaan aan het geweten van de individuele gelovige overgelaten zou worden.

Maar er resten principiële vragen. Mag een kerk in eigen huis haar eigen regels bepalen, ook als de staat en de samenleving die discriminerend vinden?

Ja, stellen wij, want dat is onderdeel van de vrijheid van godsdienst en maakt deel uit van het beginsel van de scheiding van kerk en staat.

Nee, zegt onder anderen fractievoorzitter Femke Halsema van GroenLinks op Twitter: „Vrijheid van godsdienst is echt iets anders dan de vrijheid van een kerkelijke instantie om anderen te weigeren”. Volgens deze definitie betekent godsdienstvrijheid dat je wel in vrijheid mag geloven, maar niet de vrijheid hebt om in de kerk, zo te zeggen in eigen huis, dat geloof volgens de regels van het huis te praktiseren als die regels de staat onwelgevallig zijn.

Ploumen en haar partijgenoot Eberhard van der Laan, oud-minister van Prachtwijken, zeiden het zo: „De kerk is van ons allemaal”. Dat blijkt dan te betekenen dat de scheiding van kerk en staat vooral inhoudt dat de kerk zich moet houden aan de regels van de staat.

De discussie rond de hostierel duidt erop dat het standpunt van Halsema op sympathie kan rekenen, ook onder politici. Dit betekent dat de vrijheid van godsdienst zelfs binnen het eigen domein van de kerk onder druk kan komen te staan of op zijn minst niet langer vanzelfsprekend wordt geacht. Dat is niet verwonderlijk. Vrijheid van godsdienst lijkt eerder toegespitst op de individuele burger dan op de kerk. Bij het individu en zijn wensen en rechten kun je je van alles voorstellen, terwijl de kerk steeds vaker wordt beschouwd als een overbodig relict uit voorbije tijden. Omdat een tandarts beter is dan een kwakzalver en een huis met riolering comfortabeler dan een huis met een poepdoos in de tuin, daarom moet de wereld ook in moreel opzicht alleen maar vooruitgang hebben geboekt en daarom zijn onze waarden van nu per definitie beter dan de oude en tijdloze waarden van de kerk.

De uiterste consequentie van deze denkwijze is dat van de kerk geëist zal worden dat zij in regels, denken en praktiseren gelijk wordt aan dat wat de overheid (als stem van een toevallige meerderheid) raadzaam en correct acht en wat in de samenleving wenselijk en ’van deze tijd’ wordt gevonden.

Volgens de leer van de katholieke kerk moet iemand die de hostie wil ontvangen – en de hostie, een stukje ouwel, is na de consecratie niets minder dan het lichaam van Christus – in staat van genade zijn. Een praktiserend homoseksueel is dat niet, volgens diezelfde leer. Wanneer een priester tijdens de mis dus iemand voor zich op ziet doemen in een roze pak en met een roze driehoek in de hand, dan kan hij niet anders dan diegene voorstellen om niet ter communie te gaan. Communie veronderstelt een bepaald zondebesef. En zondebesef kan niet gepaard gaan met een godsbeeld waarin Onze Lieve Heer alles wel goed vindt omdat hij immers liefde is. God is geen links-liberale welzijnswerker.

Volgens deze kerk is de homoseksuele praxis dus zondig. Veel kerken zijn ook van mening dat de Bijbel duidelijk leert dat vrouwen niet tot kerkelijke ambten mogen worden toegelaten, en omdat zij de Bijbel aanvaarden als het Woord van God Zelf, accepteren zij deze regel in de praktijk van het kerkelijk leven. Een meerderheid in onze samenleving zal beide regels discriminerend achten. Volgens de redenering van de Halsema’s en de Ploumens zou de kerk om die reden haar standpunten en regels moeten aanpassen aan die van de niet-kerkelijke, seculier-liberale meerderheid. Dat is een vervelende vorm van willekeurig totalitarisme, die ongepast en ongewenst is ten opzichte van christelijke kerken en organisaties, nauw verbonden als deze zijn met de tradities, geschiedenis en cultuur van ons land.

Wanneer de kerk tegenwoordig nog aanspraak zou maken op zeggenschap over de inrichting van de samenleving, zou er meteen geroepen worden dat de scheiding van kerk en staat in het geding is. De vrijheden van de samenleving zouden dan immers worden beperkt door de leerstellingen en moraal van de kerk. Het beginsel van de scheiding van kerk en staat betekent dat de kerk geen formele positie in de publieke besluitvormingsprocedure heeft. En dus moet zij zich uitsluitend met haar eigen zaken bemoeien.

Maar het beginsel van de scheiding van kerk en staat houdt ook in dat kerken vrij zijn van overheidsinmenging in hun geloofsleer en geloofspraktijk. Dit is op heldere wijze uiteengezet in het eerste amendement op de Amerikaanse Grondwet. Daar heet het dat de overheid shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exercise thereof, or abridging the right of people peaceably to assemble. De scheiding van kerk en staat houdt dus in de eerste plaats in dat de overheid geen religie aan de samenleving mag opleggen (ook niet de seculiere religie van het gelijkheidsdenken) en de vreedzame uitoefening van de vrijheid van godsdienst niets in de weg mag leggen.

Democratie is niet bedoeld om iedereen tot dezelfde opvattingen te dwingen, maar biedt spelregels om met verschillen van mening om te gaan. Wie die spelregels accepteert, hoort er bij. Juist ook de kerk.

Dit laatste staat onder druk. Nu de kerk in eigen huis wordt lastiggevallen vanuit de samenleving, zijn er maar bitter weinig mensen die de vrijheid van godsdienst en het recht van de kerk om een minderheidsstandpunt te hebben, verdedigen. De scheiding tussen kerk en staat wordt nu in het debat meermaals zeer dwingend doorgevoerd, maar slechts in één richting: de kerk dient angstvallig achter het tuinhekje van de staat en het publieke leven te blijven staan, terwijl staat en straat het hekje van de kerk brutaal mogen openduwen en in het domein van de kerk luidruchtig nieuwe regels uitschreeuwen.

8.3.10

ChristenUnie: humorloos, maar eindelijk duidelijk

Nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur:


De kleine christelijke partijen (RPF, GPV, SGP) werden vroeger wel ‘klein-rechts’ genoemd. Gereformeerd waren ze, serieus, staatsrechtelijk degelijk. Ze trokken altijd samen op en in de Koude Oorlog waren zij onwankelbare atlantici. Ze dronken met elkaar een bescheiden kruikje rosé bij het diner. Ze prakten hun eten (maar dat mag van J. L. Heldring), en droegen schoenen met spekzolen.

Dat imago is grondig aan het veranderen, zij het in verschillende richtingen.

Alhoewel Kees van der Staaij, de opvolger van SGP-leider Bas van der Vlies, de wat hoekige lichaamstaal van zijn voorganger nog altijd imiteert wanneer hij positie kiest achter de interruptiemicrofoon (misschien wel onbewust), heeft hij een jeugdige uitstraling, verschijnt hij af en toe zelfs voor de buis en bloeit zijn gezicht soms open in een lach die richting het gulle tendeert.

Tegenover de toenemende losheid van de SGP (in het nette natuurlijk!) staat een toenemende verbetenheid bij hun voormalige broeders van de ChristenUnie (de fusie uit 2000 van GPV en RPF). Je hoeft maar vijf minuten op tv naar CU-leider André Rouvoet te kijken om je te realiseren dat hij in het diepst van zijn gedachten weet dat hij de komende maanden campagne moet gaan voeren met de leus: ‘Einde oefening’. Het heeft iets krampachtigs en chagrijnigs, de manier waarop representanten van de ChristenUnie (fractievoorzitter Arie Slob overigens uitgezonderd) dezer dagen kijken en de frustraties over gefnuikte ambities van zich af praten, en vooral: het is allemaal zo ongelooflijk humorloos.

Een week of wat terug kreeg ik een email van de redactie van een christelijk opinieblad (CV/Koers) dat vooral uitmunt in de wijze waarop het zichzelf, zijn lezers en de ChristenUnie met hun christen-zijn feliciteert. Of ik snel en in één zin een antwoord wilde geven op de vraag wat ons land na Balkenende IV nodig heeft. Zonder lang na te denken tikte ik in: ‘Een kabinet zonder de ChristenUnie’. Sinds de verschijning van het blad loopt mijn emailbox vol met verbeten reacties van CU-stemmers. Schande om zo lelijk over de partij te doen!

Het geintje had ondertussen wel een serieuze ondertoon. Mijn bezwaar tegen de ChristenUnie bestaat vooral hierin dat ze de afgelopen jaren voor een fundamentele koerswijziging hebben gekozen (van klein-rechts naar klein-links overgoten met een evangelische saus), dat hun journalistieke vriend Andries Knevel zelfs van een ‘paradigmawisseling’ spreekt, en dat de partij die verandering altijd heeft ontkend, laat staan dat ze er verantwoording over heeft afgelegd.

Maar sinds deze week zijn alle veranderingen in ieder geval impliciet erkend. Maandag heeft de CU een eerste publieke versie van het verkiezingsprogramma gepresenteerd en zich daarbij nadrukkelijk gepositioneerd als het glijmiddel voor een centrum-linkse coalitie van PvdA en CDA. De directeur van het wetenschappelijk bureau van de CU, Gert Jan Segers, zei op radio 1 dat de CU zich op links tussen CDA en PvdA in heeft gepositioneerd. Dat wisten we al, maar we mochten het nooit zeggen en nu zeggen ze het eindelijk zelf eens. En dat betekent natuurlijk dat de ChristenUnie lastenverzwaringen bepleit: een ‘crisis- en hersteltaks’ en de invoering van één tarief voor het aftrekken van de hypotheekrente.

Zo is dat: zuur en humorloos door het leven gaan, en veel geld van de bevolking afpakken omdat de overheid, zoals oud-CU-senator Kees van Bruchem eens schreef, veel beter weet dan de burger zelf hoe dat geld goed kan worden besteed.
We moeten de CU dankbaar zijn voor de eindelijk geboden duidelijkheid. Die uitspraak over de wenselijkheid van een kabinet zonder de CU na Balkenende IV moest ik maar eens gaan inlijsten.

2.3.10

Christenen en de PVV

Gisteravond zat ik, samen met o.a. Dirk-Jan Nijsink van de SGP Jongeren, in het NCRV-programma Schepper & Co. Het ging over de relatie tussen de PVV en christenen in Nederland. Bekijk de uitzending hier.

1.3.10

'Mijn coalitie'

Op de website van HP/De Tijd een interviewtje met mij over de coalitie die mij in de gegeven omstandigheden het meest wenselijk voorkomt. Lees hier.

25.2.10

Balkenende

Dat heerlijke interview met Hans Wiegel al gelezen, vandaag in Trouw? Mijn column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over hetzelfde onderwerp (net als mijn column in Elsevier overigens). Op 9 juni gaat het over de vraag of we een rechts kabinet krijgen: economisch rechts (CDA, VVD, D66) dan wel een beetje heel rechts (CDA, VVD, PVV) of paars-III (PvdA, VVD, D66, GL). Dat moeten de Balkenende-critici een beetje in het oog houden, vind ik.
(En waar ligt eigenlijk ten diepste de voorkeur van Rutte?)



Binnen acht jaar tijd is zijn vierde kabinet gevallen, hem wordt bovendien een gebrek aan regie en leiderschap verweten, maar daags na de implosie van zijn vierde kabinet wijst het CDA-hoofdbestuur Balkenende toch weer aan als lijsttrekker. Bij acclamatie zelfs, en in alle stilte.

Die aanwijzing is waarschijnlijk vooral bedoeld om een machtsstrijd om het partijleiderschap tussen Balkenende en Eurlings of Verhagen te voorkomen. Maar de laatste peilingen van Maurice de Hond roepen de vraag op of de CDA-leiding een wijs besluit heeft genomen.

Volgens die peiling komt Balkenende’s grote rivaal Wouter Bos als de grote winnaar naar voren (+4). Het CDA moet opnieuw een zetel inleveren. Er zijn meer kiezers die het CDA de schuld van de val van het kabinet in de schoenen schuiven dan dat er kiezers zijn die de zwarte piet bij de PvdA leggen (34 om 33 procent). Bovendien is slechts een op de drie CDA-kiezers tevreden als Balkenende opnieuw de lijst gaat aanvoeren. De jonge Camile Eurlings wordt steeds populairder. Nog slechter is de score voor Balkenende als premier. Een overgrote meerderheid (79 procent) van de bevolking wil Balkende niet terug als premier, slechts 16 procent wil dat wel.

Op grond van deze gegevens kunnen er volgens mij de komende maanden, tot aan de verkiezingen op 9 juni, twee dingen gebeuren. Er kan een sfeer ontstaan (of beter: die is er blijkbaar al) waarin de kiezer denkt: alles beter dan Balkenende. Dat zal tot een grote verkiezingsnederlaag voor het CDA leiden, en mogelijk tot een nieuw kabinet onder leiding van Wouter Bos (en die gaat dan een 'progressief', 'paars' kabinet in elkaar sleutelen).

Wat ook kan gebeuren – en het lijkt mij het waarschijnlijkst en in ieder geval hoop ik er op – is dat de campagne zo hard en onbehaaglijk zal zijn, en de uitslag op zo’n regelrechte ramp voor het land zal uitlopen, dat de kiezer toch weer massaal de toevlucht zal nemen tot het CDA van Balkenende.

Ik heb mij de afgelopen jaren met enige regelmaat kritisch over dat CDA uitgelaten. Het CDA ontpopt zich naar mijn mening al te vaak als niet meer dan een machtsmachine. De inhoudelijke boodschap, het verhaal, was in de woestijn onder paars fraai opgetuigd, maar in de afgelopen acht jaar is dat verhaal alleen maar verschraald geraakt tot een klein glas doodgeslagen bier. Als het CDA wil winnen zal het dat verhaal weer moeten laten bruisen. Het is nu niet meer zo goed voorstelbaar, maar Balkenende heeft de verkiezingen van 2002 met een lezingentournee gevoerd.

Aan de andere kant staat dat Balkenende dit landje toch door een landschap van uiterste politieke instabiliteit heeft geloodst. Acht jaar lang nu al weer. Zijn voorganger Kok had het veel gemakkelijker: er was geld in overvloed en alle meningsverschillen waren afkoopbaar. Dan is het niet zo moeilijk om goede sier te maken. Balkenende trad aan met de LPF van Fortuyn, kreeg te maken met een politieke moord, met de opkomst van sterk groeiende bewegingen op de vleugels van het politieke spectrum, kon in 2006 weinig anders dan in zee gaan met de PvdA, en werd achtervolgd door zeven grote plagen: naast Uruzgan waren dat de discussies over de JSF, Irak, het crisispakket, de AOW, embryoselectie ende grote financiële crisis.

En hij staat er nog. Niets veranderd ten opzichte van 2002. Er moet iets zijn wat wij maar niet kunnen of willen zien. Het kan gereformeerde ambitie zijn, maar dan is die ons land toch maar ten goede gekomen – op een manier weliswaar waarvan ik in principe niet onder de indruk kon komen (vanwege de ontstentenis van dat verhaal), maar waarvan ik denk en erken dat er toch een enorme kracht in schuil gaat.

Het zou best kunnen dat de kiezers dat tussen nu en 9 juni ook gaan vermoeden.

16.2.10

Libertijns

In een van de belangrijkste documenten uit de Nederlandse geschiedenis, het Plakkaat van Verlatinge uit 1581, staat een opmerkelijke zin. In dit staatsstuk, waarin de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden zich onafhankelijk verklaarden door de Spaanse koning Filips II te verlaten, zeggen de Nederlandse Staten dat zij oude rechten en vrijheden willen handhaven ‘en het leven en de eer van onze vrouwen, kinderen en nakomelingen’ beschermen ‘opdat zij niet in slavernij onder de Spanjaarden zouden vervallen’.

Ze hadden natuurlijk ook kunnen denken: het zal onze tijd wel duren. En het had hun tijd ook wel geduurd, hun tijd als oude mannen in een eeuw waarin de levensverwachting veel minder hoog was dan in de onze. Maar dat dachten ze niet. Het ging hun om de bescherming van iets wat oud was (rechten en privileges) en iets wat zou komen (het leven en de eer van kinderen en nakomelingen). We hebben hier te maken met mannen die ergens vandaan kwamen en ergens naar toe gingen. Ze begrepen dat het leven een contract is tussen de doden, de levenden en de nog niet geborenen. Ze begrepen dus dat je als burger de verantwoordelijkheid hebt om dat wat je ontvangen hebt beter dan het was door te geven aan een volgende generatie.
Nederland is de afgelopen decennia gedomineerd geweest door een generatie – grofweg de generatie van de babyboomers en hun voorlopers (de Stille Generatie) – die nergens vandaan kwam en ook nergens naar toe ging. Ze hebben in het heden geleefd, het eeuwige heden van maximale behoeftebevrediging, hebben dus goed voor zichzelf gezorgd en hun kinderen onterfd, zowel financieel als cultureel.

Het zijn mensen die nooit iets hebben meegemaakt. Ze groeiden op ná de oorlog, in de weelde van de jaren zestig en zeventig, hebben zichzelf van riante voorzieningen voorzien en zichzelf altijd buiten schot weten te houden. De aanstaande hervormingen van de verzorgingsstaat (waaronder de verhoging van de AOW-leeftijd) zullen hen niet meer treffen. Ze hebben de god van de vrijheid vereerd, en niet voorkomen dat die vrijheid ontaardde in onverantwoordelijkheid en vrijpostigheid.

Zo hebben zij hun kinderen en nakomelingen in een staat van slavernij gebracht. Hun kinderen en kleinkinderen moeten nu de financiële schade herstellen die zij hebben aangericht, en zijn nu op zoek naar de orde die zij massaal hebben afgeschaft (zoals de filosoof Peter Sloterdijk ooit in een interview met NRC vaststelde). Het zou hun tijd wel duren, hebben de babyboomers gedacht.

Nu gaan ze massaal met pensioen, worden ze een jaar of zeventig oud, en nu worden ze bang voor dat laatste ongemak: ziekten, aftakeling en de dood. En daarom hebben Hedy d’Ancona, Frits Bolkestein, Jan Terlouw, Mies Bouwman en Paul van Vliet als aansprekende representanten van deze avantgardistische generatie van verwende doorbrengers, voorlopers van de eigenlijke babyboomers, een pleidooi de wereld ingestuurd om alle 70-plussers het mensenrecht toe te kennen om zelf te bepalen wanneer hun leven ten einde is en er dan ook een einde aan te maken.

Zo horen we nog één keer van ze, om in het aangezicht van een grijnzende dood nog één keer de teugels van het leven in eigen hand te nemen. De libertaire paarse geest dient zich opnieuw aan, en heeft nog steeds niets geleerd van de grootste anti-babyboomer, de babyboomer Pim Fortuyn, die duidelijk heeft gemaakt dat vergaande individualisering en het verheffen van een persoonlijke ethiek tot publieke norm tot een verweesde samenleving leidt.

Toch goed dat er een vagevuur is.

12.2.10

Religie, waarheid en geweld

Het kan gebeuren dat je ergens iets leest waar je toch een beetje van op kijkt. Het is iets nieuws, of het is in ieder geval een beetje nieuw, of in ieder geval anders dan anders. Het kan, bijvoorbeeld, om een woord gaan dat ineens in een andere betekenis wordt gebruikt. Je knipt dat stukje uit de krant en je legt het apart om er later eens op terug te komen. En dan, enige tijd later, kom je binnen korte tijd meerdere stukjes tegen waarin hetzelfde – en verontrustende - in iets andere bewoordingen opnieuw wordt gezegd. Je vraagt je af: tekent zich hier iets nieuws af? Een nieuwe trend? En als dat zo is, en als die mogelijke trend inderdaad onrustbarend is, wordt het dan geen tijd die trend te signaleren?

Het overkwam mij toen ik op 26 januari j.l. een opiniestuk in de Volkskrant las. Het was geschreven door Dick Pels, een links-liberale intellectueel die sinds kort als directeur aan het wetenschappelijk instituut van GroenLinks verbonden is. In dat artikel betoogde Pels dat mensen met vaste opvattingen in Nederland eigenlijk niet meer mee mogen doen. Wie denkt dat hij de waarheid in pacht heeft, mag in een democratie niet meepraten. Daar mag je alleen meedoen wanneer je bereid bent ‘jouw waarheid’ op ieder moment van elke dag voor een andere waarheid in te ruilen.

Dat er zoiets als post-modernisme bestaat, dat meende ik al te weten. Je komt het bijvoorbeeld tegen bij romanschrijfster Franca Treur, die een boek schreef over haar bevindelijk-gereformeerde jeugd in Zeeland en geen kans voorbij laat gaan om haar lezers ervan te verzekeren (met recht en reden) dat haar boek geen afrekening met die jeugd is. Ze zag gewoon dat ze onderdeel was van een Verhaal, en dat dat Verhaal geen stand hield in de confrontatie met de werkelijkheid. Ze is nu op zoek naar een ander verhaal, en ze zoekt het momenteel bij atheïstische geleerden als Dawkins en Philipse.

Maar zo schattig als het postmodernisme van Franca Treur is dat van Dick Pels niet. Als je denkt dat jouw Verhaal niet alleen maar een Verhaal is maar waar is, dan mag je als ‘waarheidsfanaat’ niet meer meedoen aan de democratie.

Die opinie van Pels kwam niet helemaal onverwacht. Kort daarvoor (in de Trouw van 5 januari) had ik iets gelezen wat ik naar mijn idee wel met dit stukje van Pels in verband moest brengen. De classicus Gerard Koolschijn, ooit rector van een gymnasium in Den Haag, kondigde aan dat hij een nieuwe vertaling van Paulus’ brief aan de Romeinen had gemaakt. Die vertaling had hij opgedragen aan ds. J. P. Paauwe en aan zijn vader, mr. J. Koolschijn. Deze Koolschijn was een van de belangrijkste ‘volgelingen’ van ds. Paauwe.

De vertaling die Koolschijn heeft gemaakt komt voort uit diepe frustratie over zijn ‘paauwiaanse’ jeugd in Den Haag. Hij heeft ‘de pest’ aan Paulus en aan Paauwe, zo vertelt Koolschijn in Trouw. Hij is vervuld van een diepe afkeer van ‘christelijk fundamentalisme’, van voorgangers die hun machtshonger verbergen achter de ‘hocus pocus’ van een persoonlijke openbaring waarover niet te discussiëren valt. Zijn vertaling van Paulus’ brief aan de Romeinen is bedoeld om aan het licht te brengen hoe ‘rauw en duister’ Paulus eigenlijk was en dat ‘intelligente gelovigen’ diens ‘rare boodschap’, vastgelegd in warrige en verwarde teksten, niet meer zouden moeten geloven.

Waarom wil Koolschijn juist nu dit tegengeluid laten horen? Omdat, aldus Koolschijn, Paulus’ ‘soort’ sinds 11 september 2001 ‘weer geweldig van zich doet spreken’. ‘Er zijn weer mensen die anderen de verschrikkelijkste dingen aandoen op grond van een krankjorume overtuiging uit een heilig boek […] Door waanideeën offeren gelovigen zichzelf op om anderen te doden’. En we moeten niet denken dat zulke dingen alleen binnen de islam en in het Midden-Oosten gebeuren. Onze eigen premier is gereformeerd! Als zodanig reist hij mee op ‘de kar van het agressieve fundamentalisme’, die ooit door Paulus aan het rijden is gebracht. Dat ‘agressieve fundamentalisme’ bestaat dan uit een specifieke vorm van geweld: een radicale afwijzing van het leven (‘het enige leven dat we hebben’), de ‘totale verwerping van de schepping in dienst van een hersenschim’. Als Paulus’ fundamentalistische volgelingen nu maar in hun binnenkamer bleven om zichzelf daar voor de gek te gaan zitten houden – maar nee, ze krijgen in Nederland zelfs subsidie om op scholen kinderen af te leren hun verstand te gebruiken. ‘Wat een vernietiging en misvorming hebben ze op hun geweten!’

Met deze nieuwe opvatting van fundamentalisme staat Koolschijn niet alleen. Op dezelfde pagina in Trouw waarop het interview met Koolschijn staat, biecht columnist Jean-Jacques Suurmond op dat ook hij ooit een soort Umar Farouk Abdulmutallab is geweest, de man die op Kerstdag 2009 een vlucht naar Detroit wilde opblazen. Suurmond is namelijk als jonge man lid geweest van een ‘tamelijk fundamentalistische Pinkstergroep’. Hij nam de Bijbel letterlijk, zonderde zich af van de wereld en droomde van een duizendjarig vrederijk op aarde. Als zelfbenoemde ‘reddingswerker’ praatte hij eindeloos op mensen in om ze te bekeren. ‘Ook een vorm van geweld’ vindt Suurmond dat nu.

Wat is hier nu toch voor vreemds aan de hand?

Waarom wordt geweld niet meer gezien als fysieke bedreiging of mishandeling (zoals het woord in het normale taalgebruik wordt gebruikt), maar steeds meer als een vorm van geestelijke dwang en misvorming? Is dat omdat we het liever niet hebben over het islamitische geweld omdat we daar bang voor zijn en postmodern en posthistorisch als we zijn, geen antwoord op hebben? En willen we die angst camoufleren door nu onze afkeer te uiten van de vorm van geloof die we vroeger zelf hebben aangehangen? Zo van: christenen zeggen wel dat zij, anders dan moslims, niet (meer) gewelddadig zijn, maar ondertussen zijn ze even erg, al oefenen ze hun geweld niet fysiek maar psychisch uit, en is dat eigenlijk niet even erg?

In ieder geval geven de drie artikeltjes die ik onlangs las aanleiding tot drie eerste conclusies:

1. 'Het oordeel begint van het huis Gods', van afvallige christenen. Maar dat wisten we eigenlijk al.

2. Een nieuwe interpretatie van ‘geweld’ dreigt ingang te vinden, waarbij christenen en moslims in hetzelfde beklaagdenbankje komen te zitten. Beide religies zijn fundamentalistisch en intrinsiek gewelddadig, want beiden leggen een absolute claim op de waarheid, en beiden zouden dus eigenlijk niet in het publieke domein mogen worden toegelaten. De dreiging van uitsluiting is daarmee waarschijnlijk dichterbij dan ooit.

3. Anders dan veel mensen denken, ook binnen de gereformeerde gezindte, moeten we de komst van de islam in Nederland niet zien als een kans (als evangelisatieobject) en moeten we moslims ook niet omhelzen als bondgenoten, maar moeten we inzien dat de discussies die de islam oproept ongetwijfeld een bron van geloofsafval zullen zijn. Orthodoxe christenen zullen in de verleiding komen om islam en christendom slechts te zien als relatieve varianten op een onderdrukkend en gewelddadig, pre-modern geloofssysteem. Ik ben wel eens bang dat dat denken zijn duizenden zal verslaan.

Maar ik denk bovenal dat de feiten die ik uit die drie krantenartikeltjes heb bijeengelezen, binnen orthodox-christelijk Nederland een fundamentele bezinning en toerusting op gang moeten brengen.

8.2.10

Twitter!

Ik moest er ook aan geloven. Vele conservatieve vrienden - onder wie vooral Menno de Bruyne en Arend-Jan Boekestijn - zeiden dat ik toch echt moest gaan twitteren. En ik geef toe: het is eigenlijk heel leuk. Nu weet ik tenminste wat Arend-Jan afgelopen zaterdag heeft gegeten, en weten mijn volgers waar ik afgelopen zaterdagavond heb uitgehangen, en dankzij twitter weten we nu ook dat het bericht in de Telegraaf over de snode plannen van de SGP om op slinkse wijze vrouwen te weren, een canard is. Zie: www.twitter.com/BartJanSpruyt.

2.2.10

Studentenacties

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over de studenten die protesteren tegen mogelijke bezuinigingen op Onderwijs. Hun basisbeurs wordt wellicht omgezet in een leenstelsel. Lijkt me een goed plan.


Studenten demonstreren, in Nijmegen, Amsterdam en Utrecht, tegen de voorgenomen bezuinigingen op het hoger onderwijs. Ze hebben er gebouwen en zalen bezet om uiting te geven aan hun protest.

Aanleiding is het plan van minister Plasterk van Onderwijs om de basisbeurs om te zetten in een sociaal leenstelsel. Is hun protest terecht?

Plasterks plan is onderdeel van de discussie die het kabinet de komende maanden in een wurggreep zal houden: de noodzaak om maar liefst 20 procent op de rijksbegroting te moeten bezuinigen om de gevolgen van de kredietcrisis op te vangen. Het gaat om het astronomische bedrag van (minimaal) 35 miljard euro. En het is duidelijk dat de discussie over de te maken keuzes een uiterste beroep op de spankracht van dit kabinet zal doen. Terwijl de PvdA ertoe neigt de hoogte van het bedrag een beetje af te zwakken, wil Balkenende het liefst veel meer bezuinigen dan die 35 miljard (zo zei hij in een interview in het kerstnummer van Elsevier.) Hij wil ook, zo zei hij in hetzelfde interview, de verzorgingsstaat hervormen, bijvoorbeeld door de duur van de WW-uitkering te beperken – een maatregel die de ChristenUnie niet snel zal meemaken. Van een verhoging van de inkomstenbelasting wil Balkenende daarentegen niets weten, en dat terwijl de PvdA openlijk speculeert over de mogelijkheid om het toptarief naar 60 procent te verhogen.

Deze discussie beperkt zich niet alleen tot de Haagse coalitie, maar vindt nu al zijn neerslag, om begrijpelijke redenen, in alle lagen van de bevolking. ‘Gewone mensen’ willen weten wat de bezuinigingen heel concreet voor hen gaan betekenen, temeer omdat de geruchten toenemen die zeggen dat we nog maar de eerste golf van de crisis over ons heen hebben gehad en dat er nog veel meer slecht nieuws op komst is. De Nederlandse gemeenten gaan een bijzondere periode tegemoet. De effecten van de economische recessie zullen hun weerslag vinden in de gemeentelijke begrotingen. De verminderde inkomsten vanuit het Rijk vragen om keuzes die de nieuwe colleges na de verkiezingen in maart 2010 moeten gaan maken. Een speciale lustrumeditie van het Gemeente Debat op 28 april a.s. gaat over deze problematiek.

Zoals ‘gewone mensen’ en gemeenten zich afvragen wat de consequenties van de voorgenomen bezuinigingen voor hun portemonnee en begroting zullen zijn, zo doen studenten dat ook. Minister Plasterk heeft al laten weten dat hij hun rumoer positief begroet.

Elk ministerie moet de komende maanden duidelijk maken waar het 20 procent op zijn uitgaven wil korten. Er is geen enkele reden om het Onderwijs daarvan (bij voorbaat) af te sluiten. En als er dan moet worden bezuinigd is het goed om dat niet te doen op het onderwijs al zodanig (dat is vaak al slecht en massaal genoeg), maar op de geldvretende studiefinanciering. Het is om meerdere redenen helemaal geen slecht idee om studenten geen geld te schenken (in het huidige systeem van de prestatiebeurs wordt de basisbeurs omgezet in een gift wanneer de student binnen tien [!] jaar afstudeert). Een studie is een investering in hun eigen toekomst. Het argument dat het niet goed is om jonge mensen met een schuld aan hun maatschappelijke loopbaan te laten beginnen wordt meer dan gecompenseerd door alles wat ze als kwalificaties hebben meegekregen als gevolg van hun studie.

Bovendien verdienen jonge mensen die hun studie hebben afgerond gemiddeld 32 procent meer dan een jongere zonder hogere opleiding. Een studieschuld van 12.000 euro (de basisbeurs bedraagt 250 euro per maand, dus 3000 euro per jaar, dus 12.000 euro in vier jaar), stelt dit percentage met 1 procent naar beneden bij tot 31 procent. Besef van het voorrecht dat je als student geniet, gecombineerd met de voordelen die je er achteraf van geniet, zou eigenlijk een felle blos op de wangen van de protesterende studenten moeten doen verschijnen.