Twitter Updates 2.2: FeedWitter

7.1.08

Joodse levens

Op de avond van vrijdag 9 juli 1993 ging Ischa Meijer resoluut achter zijn elektrische IBM-typemachine zitten en begon woest te tikken. Hij belde zijn krant, het Parool, en kondigde aan dat er per fax een artikel aan kwam. Hij schreef het volgende, niet onder zijn eigen naam, maar onder de aanduiding ‘van onze verslaggever’:

‘Heemstede – Gisterenavond is in zijn woonplaats Heemstede de historicus, hebraïst en letterkundige dr. Jaap Meijer gestorven. Hij werd tachtig jaar.
Meijer verwierf faam met onder andere zijn biografie van Jakob Israel de Haan. Ook schreef hij een roemruchte studie over de tachtiger Willem Anthony Paap.
Meijer deed talloze dichtbundels verschijnen onder het pseudoniem Saul van Messel. Jakob Meijer werd geboren in Winschoten als zoon van een marskramer; niettemin gelukte het hem om het Nederlands-Israelitisch seminarium te doorlopen en later studeerde hij Nederlands en geschiedenis. Hij promoveerde nog in de oorlog bij Jan Romein, op een dissertatie over Isaac da Costa’s Weg naar het christendom. Iets later werd hij met zijn vrouw en zoon Ischa via Westerbork naar Bergen-Belsen gedeporteerd. Gedrieën overleefden zij dat kamp.

Na de oorlog ontwikkelde Jaap Meijer zich tot een gedreven docent, rabbijn (te Paramaribo) en schrijver van – vaak in eigen beheer uitgegeven – monografieën, meestal de geschiedenis der joden in Nederland betreffende; zijn diepe en veelomvattende kennis omtrent deze materie staat allerwegen buiten kijf; zijn, doorgaans polemische, instelling heeft hem echter tot een zeer geïsoleerd man gemaakt – een positie die hij overigens leek te ambiëren.’

Deze korte en zakelijke, maar positief getoonzette necrologie betrof de man, zijn vader, met wie de relatie al vele jaren volledig was verbroken en die hij placht aan te duiden als ‘die klootzak’.

Over vader en zoon is nu het eerste, ruim 700 pagina’s dikke deel van een dubbelbiografie verschenen, geschreven door Evelien Gans, bijzonder hoogleraar moderne joodse geschiedenis aan de universiteit van Amsterdam en als onderzoeker verbonden aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Ik weet niet of er jaarlijks een speciale prijs voor de beste biografie wordt toegekend, en ik weet ook niet of een biografie kan meedingen naar de prijs voor het beste historische boek. Maar als dit zo is, dan weet ik nu al wel dat Evelien Gans een prijs, of beide prijzen, moet krijgen. Het fraai vormgegeven boek is van grote klasse. Het enige nadeel is dat de foto’s soms niet op de goede plaats in de tekst staan, en wat ook bevreemdt is dat de auteur nog tot augustus 2007 aan het boek heeft gewerkt, terwijl het al in november in de winkels lag, en het colofon 2008 als jaar van uitgave vermeldt.

De klasse van het boek zit ‘m in de eerste plaats in de zeldzame combinatie van wetenschappelijke akribie in de behandeling van haar bronnen (waaronder vele interviews met ooggetuigen en nabestaanden) en een elegante en lenige schrijfstijl. En ik zou, in de tweede plaats, niet zo gauw een recent boek over de Tweede Wereldoorlog kunnen noemen waarin de hemeltergende wreedheid en de diepte van het lijden van mensen, vooral ook van Joodse mensen, tijdens de oorlog en na hun terugkeer uit de kampen, je zo aanvliegt en de keel dichtknijpt als dit boek.

Jaap Meijer komt in dit boek overigens allerminst als een ‘klootzak’ naar voren. Integendeel, hij is een man wiens persoon en levensweg je met respect en sympathie vervullen. Om te beginnen al omdat hij zoveel eerbied voor boeken koesterde dat hij erg boos werd op mensen die iets in boeken schreven, zeker als dat hun eigen naam betrof. Meijer was een beschaafd man.

Hij kwam uit Winschoten, waar hij in 1912 werd geboren, in een straatarm joods gezin. Winschoten, in Groningen, stond voor de oorlog als Mokum II bekend. Toen zijn vader overleden was, kon Jaap, hij was toen nog maar dertien jaar oud, naar Amsterdam om voor rabbijn te gaan studeren. Dat deed hij in moeilijke omstandigheden. De beurs was net genoeg om ergens een kale, onverwarmde kamer te kunnen huren. Voor zijn maaltijden moest hij iedere dag naar een ander gezin. Een Täg-Esser heette zo’n student uit de mediene (de Joodse provincie). De schaamte voor die afhankelijkheid en de drang naar erkenning hebben hem zijn hele leven voortgejaagd.

Hij was intelligent, en legde niet zijn laatste examen voor het rabbinaat af maar ging aan de universiteit van Amsterdam studeren. Hij voltooide die studie met een promotie over een dichter, Isaäc da Costa, wiens christelijke doop ruim een eeuw eerder zijn ‘joodse substantie’ volgens Meijer niet had kunnen weg wassen.
Meijer, de arme halve wees met zijn Groningse accent, assimileerde in de joods-Amsterdamse middenklasse, mede dankzij zijn huwelijk met Liesje Voet, een dochter van een voorman van de diamantbewerkersbond, en brak met het milieu waaruit hij afkomstig was. Bij zijn promotie en huwelijk ontbrak zijn moeder.

Toch behaalde hij ook zijn bakkersdiploma, wat hem in de kampen van Westerbork en Bergen-Belsen goed van pas kwam: hij kwam er in de keuken te werken, hoefde niet meer opgejaagd door een SS’er een kar met stenen voort te duwen, en kon zo het overleven ‘organiseren’ van zijn vrouw en zoontje Ischa – die één jaar oud in een reistas op zijn moeders schoot met hen was afgevoerd.

Na de oorlog ontwikkelde Jaap Meijer een koortsachtige activiteit om te redden wat er van het Nederlandse Jodendom nog te redden viel. In opdracht van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap inventariseerde hij de roof en de vernietigingen die hadden plaats gevonden; hij bracht een maandblad over Joodse geschiedenis uit; werd bibliothecaris van de bibliotheek van Ets Haim, de Portugese synagoge, en privaatdocent aan de universiteit van Amsterdam; en zijn publicaties over de Joodse geschiedenis vormden een niet aflatende stroom. Angst voor onzekere avonturen weerhielden hem ervan om op uitnodiging van Lou de Jong de geschiedenis van de Joden in de Tweede Wereldoorlog te schrijven – een taak die zijn vriend Jacques Presser met de twee delen Ondergang (1965) zou vervullen.

En toen was Meijer ineens weg. Uit angst voor de Russen en mogelijk ook vanwege verdenkingen dat hij zich boeken uit de bibliotheek had toegeëigend, verliet hij, met Liesje en Ischa, Nederland – niet om naar Israël te gaan, maar naar Suriname. En ook daar werkte hij koortsachtig, en lieten al zijn activiteiten weinig aandacht toe voor zijn kinderen en zijn vrouw.

En zo doet dit eerste deel van een joodse geschiedenis aan de hand van twee ‘ongewone, nogal schelmachtige mannen’, dat in 1956 met de bar mitswa van Ischa eindigt, je toch al vermoeden dat het mis moest gaan tussen vader en zoon en met dat zwaar getraumatiseerde gezin.

Na de oorlog zat de kleine Ischa op zijn knieën op een bank voor het raam, en keek eindeloos naar buiten zonder iets te zeggen. Soms schreeuwde hij alleen, een Duitse kreet, zoals hij die in de kampen had gehoord. Zijn vader negeerde dat. Hij had uitsluitend oog voor Ischa’s intellectuele ontwikkeling, en klemde zich na de terugkeer uit Suriname ‘krampachtig’ aan zijn vrouw vast, ‘op een wijze’, aldus Ischa later, ‘die geen enkele inmenging kon verdragen’.

Het vervolg op dit eerste deel laat helaas nog drie jaar op zich wachten.

Evelien Gans
Jaap en Ischa Meijer. Een joodse geschiedenis, 1912-1956
Bert Bakker € 39,90

*) Een versie dit stuk is eveneens verschenen in HP/DeTijd

1 comment:

Vincent said...

Indrukwekkende recensie. Ik ga het boek kopen. En ja, ik meen dat ook echt.