Twitter Updates 2.2: FeedWitter

11.3.08

William F. Buckley in memoriam

William F. Buckley was niet alleen de journalist die met zijn National Review de grondslag van de Amerikaanse conservatieve beweging heeft gelegd, maar ook een man die van het goede leven hield – een levensgenieter die de spreuk van Walter Bagehot belichaamde: conservatism is enjoyment. Dat merkte Ross Douthat, die als stagiair werd uitgenodigd een dag met Buckley te gaan zeilen. Van zijn relaas van die tocht heb ik vorige week een Nederlandse vertaling in Opinio gepubliceerd, voorafgegaan door navolgende biografische schets van Buckley

William F. Buckley, Jr. (1925-2008)
In zijn huis in Stamford, in de staat Connecticut, is vorige week op 82-jarige leeftijd William F. (Bill) Buckley overleden. Bill Buckley was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van een groep van academici, schrijvers en commentatoren die het Amerikaanse conservatisme van een intellectuele grondslag voorzagen. Hij gold dan ook als de intellectuele vader van het moderne Amerikaanse conservatisme. ‘De gesel van het liberalisme’ noemde Arthur M. Schlesinger hem – tot Buckley’s intense genoegen.
Er waren de beroemde vier boeken: The Road to Serfdom door de vrijemarkteconoom Friedrich Hayek (1944), Ideas Have Consequences door Richard Weaver (1948), Conservatism Revisited: The Revolt against Revolt (1949) van de historicus Peter Viereck, en The Conservative Mind door Russell Kirk (1953). Maar toen stichtte Buckley in 1955 een eigen tijdschrift, National Review, en hij wist daarmee een fusie tot stand te brengen tussen het traditionele conservatisme, de klassiek-liberale beweging (economische libertariërs) en anticommunisten. Daarmee legde hij binnen de Republikeinse Partij de basis voor een politieke beweging die in 1964 met Barry Goldwater nog mislukte, maar in 1981 met Ronald Reagan aan de macht kwam en in de afgelopen veertig jaar zeven van de tien presidentsverkiezingen heeft gewonnen.
Bij Reagan’s aantreden zei Buckley dat hij tevreden was met de rol van ‘buikspreker’ en dat hij elke officiële positie zou weigeren. Waarop Reagan grapte: “Wat jammer nou, ik wilde je net tot ambassadeur in Afghanistan benoemen” (toen door de Russen bezet). Zijn gebrek aan politieke ambitie was al in 1965 gebleken, toen Buckley meedeed aan de verkiezingen voor burgemeester van New York. Op de vraag wat hij zou doen als hij zou winnen, antwoordde hij: “Een hertelling aanvragen.” Hij kreeg 13 procent van de stemmen.
Buckley was de zoon van een gefortuneerde oliehandelaar uit New York, werd opgevoed door een Spaans sprekende gouvernante en opgeleid op privéscholen in Frankrijk en Engeland. Hij werd al in 1951 een nationaal bekende figuur. Hij publiceerde toen God and Man at Yale, een fundamentele kritiek op zijn universiteit, die hij ervan beschuldigde een atheïstische en collectivistische geest aan de studenten op te dringen. Hij zou daarna nog ruim vijftig andere boeken schrijven, over geschiedenis en politiek, maar ook over schrijven en spreken, over muziek en zeilen, en een serie spionageromans (Buckley zelf werkte kortstondig voor de CIA). Zijn column ‘On the Right’ verscheen jarenlang tweemaal per week in een groot aantal regionale kranten.
Buckley was een praktiserende katholiek, met een voorkeur voor de Latijnse mis. Hij speelde klavecimbel, had een vliegbrevet, en zeilde zowel de Atlantische als de Stille Oceaan over. Drieëndertig jaar lang, van 1966 tot 1999, presenteerde hij zijn eigen talkshow (Firing Line), en raakte geliefd als representant van een erudiet en humoristisch, zelfkritisch en vrijgevochten soort conservatisme.
Buckley had er aardigheid in de zelfbenoemde elite niet al te serieus te nemen. “Ik word liever geregeerd door de eerste tweeduizend namen uit het telefoonboek van Boston dan door de tweeduizend faculteitsleden van Harvard,” zei hij eens. Ondanks al zijn boeken, columns, en tientallen spreekbeurten per jaar, zei Buckley ooit: “Het is mij altijd weer gelukt de zaal teleur te stellen die mij naar een heldere en bondige verklaring van het conservatisme vroeg.” Maar hij schreef ook: “We moeten dat wat liberalisme heet omlaaghalen. Het is machtig maar decadent. En we moeten dat wat conservatisme heet, zien te redden. Het is zwak maar levensvatbaar.”

Zeilen met de godfather
De kans om William F. Buckley jr. te ontmoeten, de grote man, de godfather van rechts Amerika, de urbane en boosaardige prins van de conservatieven, was een extra voordeeltje voor wie stage liep bij National Review. Hij was niet langer officieel als redacteur aan het blad verbonden want eind jaren tachtig was hij teruggetreden, maar zijn invloed duurde voort. Het blad herdrukte zijn columns in elk nummer, en hij schreef ook nog een eigen rubriek. Zo af en toe leverde hij een langer artikel aan het blad, en hij had ook nog een eigen kantoor en een assistent in het gebouw aan Lexington Avenue in New York, ergens halverwege de lokalen van de redactie en die van de zakelijke leiding. Overal waren planken met zijn boeken, een stoet van vertrouwde titels die getuigden van de vijftig jaar durende tocht van Rechts van de puinhopen naar de macht.
De huidige redacteuren, zijn uitverkoren erfgenamen, dineerden iedere tweede maandag van de maand met hem, en op mijn eerste dag werd ik getrakteerd op een uitnodiging om mee te eten, samen met mijn mede-stagiair, Jaime Sneider, een conservatief van Columbia-universiteit. Ik had Jaime pas net ontmoet, maar hij en ik bezegelden die avond onze vriendschap, terwijl we ons vergaapten aan Buckley’s fantastische onderkomen aan New York’s Upper East Side – de butler met zijn doordringende blik; de koks en de meisjes die in het Spaans met elkaar fluisterden; de eettafel met glazen met sigaretten bij ieder bord; de luxe zitkamer met zijn weelderige tapijten en gelakte tafels. We gaapten ook naar Buckley, die op ons afkwam om ons te begroeten, met zijn heldere en nieuwsgierige ogen, zijn speelse opmerkingen, en een lichaam dat door de ouderdom wat slap was geworden maar nog altijd door een sluimerende energie bij elkaar werd gehouden, als een soort opgerolde potentie. Zijn vrouw Pat was bij hem, met haar slanke, dominerende gestalte, en een Britse tongval als die van haar man. Buckley was zeer charmant, en ging meesterlijk met zijn eigen beroemdheid om, die hij tegelijkertijd erkende en wegduwde, ons ontwapenend met zijn vrolijkheid en zijn beroemde glimlach.
Die avond, die in een waas van wijn en heerlijke vleesgerechten en ontspannen conversatie voorbijging, zou onze enige glimp van nabij van Buckley zijn – dat namen we toen tenminste aan. Gedurende de anderhalve maand die volgde was er niets dat die indruk wegnam. Maar toen, midden juli, werd ik gebeld. De stem aan de andere kant was die van Buckley’s persoonlijke assistent.
“Bill wil jou en Jaime graag uitnodigen om vrijdag met hem te gaan zeilen,” zei ze. “Kun je dan? Prachtig. Je wordt om zes uur in Stamford opgepikt. Bij het treinstation, ja. Prima. Nog een prettige dag.”

En dus namen Jaime en ik de trein langs de kust van Connecticut naar Stamford, waar Buckley ons inderdaad ophaalde. We reden naar de haven waar de bootjongen – Ben, een student van Yale – en Buckley’s schip Patito op ons wachtten. Het was voor het eerst dat ik op zo’n grote zeilboot voer, en tot dusver is het de enige waarop ik ben gevraagd het roer vast te houden – een experiment dat zich voordeed zodra we met de motor de haven uitgevaren waren en de zwerm van jachten, zeilboten en motorboten van Stamford achter ons hadden gelaten. Buckley en de bootjongen hadden de zeilen in orde gemaakt, waarbij de jongeman behendig over de boot rondsprong en de oudere man orders riep, touwen vastknoopte en stuurde. Iets later ging Ben onderdeks en kwam hij weer naar boven met champagne en crackers met zalm, die door de kok thuis waren klaargemaakt. En Ben mixte martini’s, wat zijn werkelijke expertise was.
We dronken ze op terwijl de zon daalde, en op een gegeven moment raakten Jaime en ik in een eindeloze discussie verzeild – over religie of politiek, wat weet ik niet meer, maar we deden ons best om intellectueel en ernstig te klinken en indruk te maken op onze gastheer met de breedte en diepte van onze nog zo jonge geesten. Buckley scheen ons aandachtig te volgen, met zijn hoofd een beetje schuin terwijl wij heen en weer praatten, totdat hij eindelijk opstond van zijn positie aan het stuurrad, zijn martini pakte en zijn keel schraapte.
“Jullie voeren een fascinerende discussie,” zei hij, “maar zou ik hier misschien iets van mijn wijsheid mogen inbrengen?”
“Natuurlijk,” zeiden we snel, ons verheugend op een bon mot, misschien zelfs een verbluffende diepzinnigheid. “Alstublieft.”
“Wel, heren” – zijn plotselinge grijns leek zijn wangen op te slokken – “het komt mij voor dat jullie nu misschien die truien moeten aantrekken. De zon gaat onder, weet je, en als je het op het water koud krijgt, krijg je het niet snel meer warm.”

We gingen voor anker in Oyster Bay, in een smalle inham waar nog enkele andere zeilboten lagen te dobberen, terwijl de zon achter de beschermende landarm verdween en de bomen langs de kust de baai met schaduw bedekten. De kok had steaks klaargemaakt, die Ben op de een of andere manier voor ons warm maakte, en daarna kwamen een salade en gebakken aardappels, en daarna taart. Het had voor een diner in een viersterrenrestaurant kunnen doorgaan, dacht ik toen, alhoewel mijn ervaring in dat soort etablissementen beperkt was en mijn waardering van de maaltijd waarschijnlijk ook was beïnvloed door de grote bar aan boord.
Buckley dronk het meest, maar als het invloed op hem had, dan is mij dat ontgaan, terwijl Jaime en ik zo dronken werden dat ik mij onze conversatie nog maar nauwelijks kan herinneren.
Toen het dessert was afgeruimd en Ben vertrokken was om te gaan schoonmaken, verhief Buckley zich uit zijn stoel en keek starend op ons neer. “Ik ga na het eten altijd zwemmen,” zei hij. “Jullie zijn natuurlijk hartelijk welkom wanneer jullie ook willen zwemmen.”
Nu hij het zei, leek een zwempartijtje precies wat we eigenlijk moesten doen. (Ik stel me zo voor dat praktisch alles op dat moment van de avond precies was wat we eigenlijk moesten gaan doen.) Maar toen dacht ik er wat beter over na en slaakte een diepe en spijtige zucht.
“Ik zou graag gaan zwemmen, meneer,” zei ik. “Héél graag zelfs. Maar helaas, ik heb geen zwembroek bij me.”
Het kostte me zo lang om deze conclusie te bereiken dat Buckley al bezig was het trapje op te gaan, en hij keek me nu met nauwelijks verholen plezier aan. “Nou, ik ook niet. Maar het is al erg donker buiten. En we zijn hier alleen maar met mannen, toch?”
Toen hij weg was, zaten Jaime en ik even te zwijgen, terwijl het eten zich in onze magen nestelde en de wijn ons naar de ogen steeg.
“Je gaat toch niet echt zwemmen, hè?” vroeg hij me.
“Jij niet dan?” vroeg ik.
“Nou ja.”
“Wat nou ja?”
“Ik ben gewoon niet zo’n zwemliefhebber.”
“Kom op, Jaime,” zei ik plechtig. “dat ben ik ook niet, eerlijk gezegd. Maar weet je, er breekt een moment in het leven van een man aan waarop hij de kans krijgt tegen zijn kleinkinderen te zeggen: Ik heb nog in adamskostuum gezwommen met William F. Buckley jr. En dit, Jaime, dít is die kans.”
Dat maakte een einde aan onze discussie. We sloegen de laatste restjes wijn achterover en gingen naar boven, waar Buckley net vanaf de boeg in het water sprong, een flits neerstortend wit vlees in de duisternis. Jaime en ik kleedden ons snel uit, gaven een schreeuw en sprongen hem achterna het water in. Tijdens mijn sprong zag ik dat Buckley alweer de ladder op klom, en naar zijn handdoek greep – en toen, terwijl het koude water mij met een schok ontnuchterde, herinnerde ik mij hoe slecht ik eigenlijk kon zwemmen.
“Ik verzuip, Douthat,” riep iemand vlakbij toen ik boven water kwam, zout water uitspugend en rondspartelend. De stem leek vaag op die van Jaime, maar ik had zo mijn eigen problemen.
“Zwem naar het trapje,” kon ik nog roepen, terwijl ik kwallen wegduwde en als een hond voortspartelde, me afvragend hoe vaak haaien Oyster Bay aandeden. “Naar het trapje, Jaime!”

De volgende morgen lichtten we het anker en draaiden naar het noorden, naar Stamford en naar huis. Het was een prachtige dag, het water glinsterde, en we speelden Ghost, een woordspelletje – dat Buckley natuurlijk won, met wat foetelen aan het eind.
Thuisgekomen nam Buckley ons mee naar het koetshuis bij zijn zomerhuis om ons daar zijn studeerkamer te laten zien, een grote ruimte vol met eindeloze boekenplanken. Op sommige planken stonden alleen maar boeken van Buckley – de politieke boeken, de boeken over zeilen, de Blackford Oak spionageboeken. “Pak maar van mijn boeken wat je hebben wilt,” zei hij, en dus graaiden we allebei een handvol boeken bij elkaar, en hij signeerde ze, en reed ons door het schitterende licht van die zaterdag terug naar het station van Stamford, waar we hem bedankten (misschien wat te overdreven, maar hij bleef heel aardig) en op de trein terug naar New York stapten.
“Vertel me eens, is dit allemaal echt gebeurd?” vroeg ik toen we neerploften op onze stoelen en de trein zich in beweging zette.
“Ik kan nog steeds niet geloven dat je ons dwong om te gaan zwemmen,” zei Jaime, en toen voerde een giechelbui ons weg, net als de trein, naar het westen, naar de stad, Buckley en zijn vrouw Pat, Ben de bootjongen en Stamford achter ons latend.

No comments: