Twitter Updates 2.2: FeedWitter

31.5.08

Voedsel voor onterfden

De Engelse filosoof Roger Scruton bekeerde zich in mei 1968 in Parijs tot het conservatisme – omdat vormen in stand moeten blijven willen we de inhoud niet verliezen.

Een van de leukste mensen op aarde die ik ken, is de Engelsman Roger Scruton. Ik heb hem eens van Schiphol opgehaald, en zag een rossige, wat onhandige man, erg Brits, met klodders paardenstront op zijn broek. Dat nam mij gelijk al zeer voor hem in.

Met zijn vrouw en muze Sophie woont hij op een boerderij op het Engelse platteland (Brinkworth, Wiltshire). Hij zit daar te schrijven en piano te spelen en houdt er kippen, varkens en vooral paarden. Met die paarden leeft hij een van zijn grootste passies uit: de vossenjacht. Hij schreef daar in 1998 een zeer onderhoudend, deels autobiografisch boekje over (On Hunting), maar Scrutons probleem is natuurlijk dat de jacht sinds 2004 in Engeland officieel is verboden. Om die reden woont hij gedurende een deel van het jaar in de Amerikaanse staat Virginia, waar jagen niet als een criminele handeling wordt beschouwd. Hij doceert daar aan het Institute for the Psychological Siences in Arlington, en is tevens gasthoogleraar aan de Universiteit van Princeton.

Scruton is filosoof, en heeft, geboren in 1944, een indrukwekkend oeuvre op zijn naam staan. Hij heeft aanvankelijk vooral boeken over zijn eigen vakgebied geschreven, die – zo heb ik wel eens gedacht – vooral tot doel hadden om zijn vakgenoten van zijn professionele kennis en kunde te overtuigen. Of dat helemaal gelukt is, weet ik niet. Hij heeft in een interview wel eens gezegd dat hij er niet in is geslaagd zichzelf respectabel te maken.

Scruton is en beetje het zwarte schaap van de Angelsaksische academische wereld. Dat heeft alles te maken met het feit dat hij op een gegeven moment is gestopt met mee te doen. De breuk in zijn leven ligt in 1968. Scruton was toen in Parijs en zag daar de revolutie door de straten dansen – en de toevlucht nemen tot lichtzinnig geweld en tot een nihilistische agenda die wel veel kapot wilde maken maar er weinig van blijvend belang voor in de plaats wist te stellen.

In de ongemakkelijke heroriëntatie die op die desillusie volgde, ontdekte hij het werk van de Engelse politicus en filosoof Edmund Burke (1730 – 1797). Burke had in het filosofisch curriculum een positie die hij tot voor kort ook nog aan de Universiteit van Amsterdam had: respectabel maar conservatief en dus achterhaald en dus was de studie van zijn werk tijdverspilling. Scruton ging hem echter lezen, en ontdekte drie belangrijke dingen: de verdediging van autoriteit, van tradities en vooroordelen, het inzicht dat de zelfingenomen minachting van revolutionairen voor voorouders tot een onterving van de nog ongeborenen leidt, en de gedachte dat de droom van gelijkheid en broederschap zich in de praktijk altijd uit in afgunst en haat, met veel geweld als gevolg. In de straten van Parijs had hij het allemaal met eigen ogen gezien.

In Nederland kun je het dezer dagen ook met eigen ogen zien. De roes van de vrijheid heeft tot een lichtzinnigheid en onverantwoordelijkheid geleid waarvan vooral jongeren de ravages in het leven van hun ouders en de ‘multiculturele’ samenleving hebben gezien. De minachting voor de traditie bij hun ouders, heeft hedendaagse jongeren onterfd. Op zoek naar een nieuwe orde in de chaos komen zij in veel gevallen uit bij het geestelijke voedsel dat Scruon hen aanreikt in de levensbeschouwing die hij in zijn boeken benoemt en verdedigt. Het zou mij niet verbazen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat Scruton vooral veel jonge lezers trekt.

Na zijn keuze tégen 1968 en tegen het werk van de filosofen die sindsdien in de mode zijn (geweest), is Scruton als intellectuele paria een geheel eigen weg gegaan. Na zijn studie in Cambridge doceerde hij van 1971 tot 1992 aan Birckbeck College in Londen, waar hij nog één andere conservatief aantrof: Nunzia, de Napolitaanse dame die maaltijden serveerde in de kantine voor de docenten en een lange neus naar de hoogleraren trok door haar toonbank te beplakken met kitscherige foto’s van de paus. Scruton doceerde daarna nog enkele jaren (van 1992 tot 1995) aan de Universiteit van Boston, en deed vooral wat een geleerde behoort te doen: boeken schrijven.

Scrutons oeuvre is ongekend veelzijdig. Hij schreef filosofische en esthetische verhandelingen, romans, verhalen, opera’s en twee autobiografische boeken. Hij hekelt het modernisme in de architectuur, waar eigenlijk iedereen een hekel aan heeft behalve de professionele critici die er hun brood mee verdienen, en die in de veronderstelling verkeren dat de stad van hen is en niet van de burgers. Hij kritiseert het moderne leven, zonder in een ondergangsstemming te verzinken. Hij publiceerde een elegie op het Engeland zoals het was: een weemoedige evocatie van een wereld van weleer en een verdediging van het blijvende belang van zijn tradities en instituties. Hij schreef een kritisch en goed onderbouwd boek over de islam, waarin hij duidelijk maakt dat de islamitische obsessie met de vrouwelijke seksualiteit en de status van de Koran (en de onverenigbaarheid daarvan met modern ideeën over seculier recht en bestuur) tot een ‘clash tussen beschavingen’ kan leiden, ware het niet dat moslims hun beschaving ergens in de woestijn hebben achtergelaten en nooit opnieuw hebben opgepakt.

Scruton publiceerde vorig jaar een boekje in de onvolprezen serie ‘Brief Encounters’ van de Amerikaanse publicist en uitgever Roger Kimball. Daarvan verschijnt deze week de Nederlandse vertaling onder de titel: Waarom cultuur belangrijk is. De centrale gedachte in het oeuvre van Scruton, zo blijkt uit deze publicatie, is eigenlijk dat vormen in stand moeten blijven om een goede inhoud te kunnen blijven voortbrengen – zoals ‘vormloze’ poëzie alleen maar tot de uitstoot van zinledigheid leidt. Zulke vormen zijn bij Scruton het gezin, religie, het bestaan van (seksuele) taboes, gemeenschappen, de natiestaat.

Zonder het traditionele gezin geen goede opvoeding in een stabiele en beschermende omgeving waarin jonge mensen tot evenwichtige en ‘deugdzame’ burgers kunnen uitgroeien. Zonder religie – of beter: een begrip van het heilige en mysterieuze – geen eerbied en gevoel voor traditie, en voor het zinvolle dat meer is dan gemak en plezier. Zonder seksuele taboes geen mogelijkheid van een normale seksuele relatie waarin toewijding en zelfbeheersing belangrijker is dan techniek, en geen mogelijkheid van een ‘rite de passage’ van een leven waarin je niet zelf het belangrijkste bent maar waarin je kunt geven in plaats van alleen te nemen. Zonder natiestaat geen historische identiteit, geen burgerschap en geen democratie in de zin van republikeins zelfbestuur.

Het zijn geen opvattingen die inmiddels algemeen ingang hebben gevonden. Maar Scruton ontwaart ‘tekenen van hoop’ die geen ‘geïsoleerde haarden van onmodieuze weerstand’ signaleren maar een groeiende beweging suggereren ‘tegen het heersende nihilisme’. ‘Misschien lukt het deze beweging niet om de cultuur weer de plaats te even waar ze thuishoort – in het hart van het universitaire onderwijs, en in het hart van onze leiders. Maar het lukt haar zeker om ons te laten zien waarom cultuur belangrijk is, en waarom de strijd om die cultuur te behouden ten volle moet worden gevoerd’.

Recensie van:
Roger Scruton
Waarom cultuur belangrijk is
Nieuw Amsterdam

*) Eerder verschenen in HP/DeTijd.

1 comment:

koen said...

"Hij hekelt het modernisme in de architectuur, waar eigenlijk iedereen een hekel aan heeft behalve de professionele critici die er hun brood mee verdienen..."

In deze ene zin worden zoveel aspecten met elkaar in verband gebracht, dat het te veel ruimte zou vergen om die aspecten en het verband ertussen te analyseren (het lijkt me dus een veeg teken dat deze zin als zodanig is geformuleerd). Ik zou daarom liever een vraag willen stellen, er van uitgaande dat het citaat, aangezien u het standpunt van Scruton niet weerlegt, ook uw positie beschrijft: wat is 'het modernisme in de architectuur'? Zijn er typische, niet-triviale voorbeelden te geven, die rechtvaardigen dat 'iedereen' er een hekel aan heeft. Kan, bij gebrek aan zulke voorbeelden, worden gerechtvaardigd dat het wezen van het modernisme in het algemeen of van het modernisme in de architectuur in het bijzonder door 'iedereen' wordt verafschuwd of verafschuwd behoort te worden?

Ik lees in '..behalve de professionele critici die er hun brood mee verdienen...' een insinuatie, namelijk dat deze mensen zeer onrechtvaardig geheel uit eigenbelang doen wat ze doen. Is zo'n insinuatie rechtvaardig of is het de uitkomst van de verlokking -die de mens altijd nabij ligt, onafhankelijk van welk tijdperk dan ook- om anderen verdacht te maken, zonder in het geschrevene blijk te geven van enig begrip van die anderen?

Steeds speelt een mogelijke weerleging door mijn hoofd, namelijk dat de betreffende zin 'polemisch' bedoeld zou zijn. Als dat polemische karakter met zich meebrengt dat er minder begrip voor nodig is om over anderen te schrijven, dan lijkt me het 'polemische' een typische exponent van dat afschuwelijke, laten we zeggen post-Nietzscheaanse, nihilistische, revolutionaire wereldbeeld, waarin het effect van het geschreve belangrijker is dan de waarheidsgetrouwheid ervan.