Het is natuurlijk goed wanneer je je realiseert dat het leven meer is dan het voedsel en de kleding. Dat het geestelijke uiteindelijk het materiële overstijgt. Maar je kunt ook al te idealistisch in dit leven staan, en geloven dat mensen hun gedrag en levensstijl laten bepalen door hun overtuigingen. Dat het leven een afgeleide is van de leer. Dat een verandering in opvattingen tot andere standpunten en keuzes leidt, en niet, andersom, dat een verandering in het leven tot een bijstelling van opvattingen leidt. Dat discussies en debatten dus zin hebben omdat je mensen ergens van kunt overtuigen en zij deze verandering zullen omzetten in andere positiekeuzes. Het zou leuk zijn als het waar was, maar het blijkt hopeloos naïef en te goedgelovig gedacht.
Met enige regelmaat sta ik in zaaltjes te spreken voor mij sympathieke gezelschappen die zich aan het bezinnen zijn. Niet zo maar op iets, maar op de kern van hun politieke boodschap. De omstandigheden zijn veranderd, en hoe moet je je boodschap dan brengen, dat is de vraag waarover het in zulk soort sessies altijd weer gaat. Hoe leg je uit dat je voor gewetensvrijheid bent maar tegen geloofsvrijheid? Of toch wel voor geloofsvrijheid maar dan wel tegen geloofsgelijkheid? Als dat onderscheid strikt juridisch niet te rechtvaardigen valt, hoe kun je dat dan doen met behulp van gewoonterechtelijke en cultuurrechtelijke argumenten? En als je op dit punt andere keuzes maakt, hoe leg je dat dan uit aan een achterban die heel eenvoudig denkt dat er maar één norm is, het Woord van God, en dat er daarom geen ruimte is voor geloofsvrijheid en alle geloof anders dan het calvinistische moet worden geweerd en uitgeroeid?
Je kunt daar een dagdeel over praten, maar je voelt al snel aan dat alle opmerkingen iets vrijblijvends hebben. Dat er wordt gediscussieerd lijkt wel een doel op zich, alsof iemand daar opdracht toe heeft gegeven, om welke reden dan ook. Het blijkt niet de bedoeling uit de discussie conclusies te trekken. Met de bijeenkomst hebben ze weer aan hun verplichting voldaan, jegens wie dan ook, en kunnen ze weer een tijdje vooruit. Aan het einde van zo’n bijeenkomst zijn er ook altijd deelnemers die benadrukken dat er geen enkele urgentie is. Het speelt eigenlijk niet zo in Den Haag, en ach, als je hier al uit zou komen met elkaar, dan is er morgen weer iets anders. Misschien is het zo dat als je goed en eerlijk nadenkt, dat je dan je standpunten moet herzien en een andere positie moet innemen. Maar wat een gedoe zal dat geven! Het kan wel waar zijn, maar wat komt het ons slecht uit.
Inderdaad, het verhaal van de plas en alles dat bleef zoals het was.
Ondertussen ontwikkelt het leven zich verder. Er voltrekken zich grote sociale en culturele veranderingen, terwijl de leer hetzelfde blijft. De zonen en dochteren van de gezelschappen die ik in zaaltjes tref, hebben zich verenigd in een vitale jongerenbeweging die dit alles uitmuntend illustreert. Op hun jaarlijkse toogdag stond er geen harmonium op het podium maar een vleugel, en speelden een pianist en een trompettist geen Datheen maar Chopin. Dankzij de emancipatie kunnen ze dat inmiddels. Een prijs werd uitgereikt aan een politiek activiste die zich vooral inzet voor de verbreiding van laïcisme en atheïsme. En de lijsttrekker met vrouw en kinderen werd met ballonnen en vreugdegeschal in een Amerikaans zonnetje gezet. Een van hun voorlieden schreef dat deze jongeren het hellend vlak van de synodaal-gereformeerden niet zullen afglijden omdat bij hen, anders dan bij die gereformeerden vroeger, de leer niet verandert. Alles blijft zoals het was.
Maar dat is natuurlijk niet zo. Vroeg of laat breekt het moment aan waarop de leer en het leven, dat zich onafhankelijk van die leer verder heeft ontwikkeld, zo ver uit elkaar zijn gegroeid dat de leer aan het leven moet worden aangepast. Niet dat ze dat dan zullen erkennen. Nee, die nieuwe leer is niet nieuw, maar is de leer zoals zij eigenlijk altijd was bedoeld, met wat andere accenten, hetzelfde in een veranderde context. De kern is hetzelfde gebleven. Maar dat staat dan natuurlijk nog maar te bezien.
Overtuigingen staan dus in dienst van iets anders: om een groepsgevoel in stand te houden, grenzen te trekken waarachter de groep zich kan terugtrekken en overleven. Het heeft wel wat, die cohesie, al gaat het niet zoals het hoort. De leer houdt blijkbaar geen stand tegen het leven, is de conclusie die je uiteindelijk trekt, sadder and wiser. Wereldwijzer, en een illusie armer.
Showing posts with label SGP. Show all posts
Showing posts with label SGP. Show all posts
14.2.11
21.9.10
SGP helpt rechts aan 78 zetels
Het is vandaag Prinsjesdag, maar een merkwaardige. De koets rijdt uit, de Majesteit neemt plaats op haar troon en zal iets van een Troonrede voorlezen. Maar er zijn geen Algemene Politieke Beschouwingen, de minister-president vliegt vanmiddag al naar New York, en laat het aan zijn minister van Financiën, Jan-Kees de Jager, om volgende week met de Kamer te debatteren over de 3,2 miljard aan bezuinigingen die het demissionaire kabinet heeft ingeboekt.
Het ritueel van Prinsjesdag is dit jaar nauwelijks van belang. Alles draait om dat andere grote ritueel: het Byzantijnse proces van de kabinetsformatie, met drie deelnemers die dichtbij een akkoord zouden zijn en deze dag vooral lijken te beschouwen als een aangename onderbreking van de spannende onderhandelingen.
Deze formatie zou wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als een waterscheiding. Het is eigenlijk ongekend wat we deze zomer allemaal hebben gezien. Met een nieuwe partij die de Nederlandse politiek ineens is gaan domineren, met een voorheen ongekende verruwing van de spelregels rondom de bewaking van het hele proces, met nieuw staatsrecht en een protesterende generatie van old boys die hoofdschuddend zo niet tandenknarsend toekijken bij zoveel revolutionair geweld.
Het is opmerkelijk dat er in de kolkende zee van deze vernieuwingsdrift ineens ook een rol blijkt te zijn weggelegd voor de meest traditionele, meest gouvernementele, meest Oranjegezinde en meest gezagsgetrouwe partij van het Binnenhof: de SGP. Al in een vroeg stadium zei de nieuwe partijleider van de SGP, Kees van der Staaij, dat zijn partij een rechtse coalitie best zou willen gedogen. In de befaamde brief van Ab Klink over zijn keuze om met de onderhandelingen te stoppen, stond een mysterieus zinnetje over een ‘erg smalle parlementaire meerderheid in de Tweede Kamer’ die op 76dan wel op ‘wellicht 78 zetels’ zou berusten. Dat is algemeen opgevat als een verwijzing naar de mogelijke steun van de tweekoppige SGP-fractie.
Nu is de SGP een partij die per definitie gedoogt. De Kamerleden van de oudste partij van het land zijn cross-benchers: zij maken geen deel uit van de coalitie maar rekenen zich ook niet bij voorbaat tot de oppositie. Ze geven over ieder wetsvoorstel een inhoudelijk oordeel. Eigenlijk kun je dus nu al voorspellen hoe de SGP stemt, omdat dat stemgedrag over het algemeen niet van omgevingsfactoren afhankelijk is.
Maar je moet ze ook weer niet al te boos maken, onze SGP’ers. De vorige partijleider, good old Bas van der Vlies, sloot zo rond de eeuwwisseling eens uit zijn slof toen hij geconfronteerd werd met een reeks wetsvoorstellen van paars II die hij niet anders kon zien dan als een welbewuste afrekening met christelijke elementen in onze wetgeving. Hij beloofde toen een oppositionele koers, en de SGP steunde destijds dan ook een motie van wantrouwen tegen minister Borst van Volksgezondheid.
Na de vroege belofte van Kees van der Staaij is er voortdurend discussie geweest over de vraag of er iets van een akkoord is tussen VVD, PVV en CDA enerzijds en de SGP anderzijds. Binnen de SGP heeft zich een generatiewisseling voltrokken: er is een nieuwe leider aangetreden en een nieuwe nummer twee (Elbert Dijkgraaf, hooggeleerd in de economie) die minder vies van het Haagse machtsspel lijken dan hun voorgangers. Natuurlijk beweren zij bij hoog en bij laag dat er geen akkoord is, en dat ze altijd bereid zijn om met wie dan ook een verhelderend gesprek aan te gaan, dus waarom niet met Rutte, maar het lijkt erop dat de SGP voor het eerst in haar 90-jarig bestaan zich echt met de politieke macht inlaat. En waarom ook niet? Het gaat hier om steun aan een kabinet dat inhoudelijk dicht bij de SGP staat, en als anderen je willen belonen (al is het maar om het risico van twee mogelijke CDA-dissidenten in te perken) voor jouw besluit om qua inhoud de komende vier jaar gewoon jezelf te blijven – en dus niet voor een oppositionele rol te kiezen - waarom zou je je dat niet laten aanleunen en een krappe parlementaire meerderheid aan een net wat riantere positie helpen?
Natuurlijk is de associatie van de SGP niet zonder gevaar voor de partij. Wilders maakt immers deel uit van die coalitie, en die wordt ervan verdacht dat hij met zijn onderscheid tussen de joods-christelijke en de islamitische traditie één bepaald geloof, dat van de moslims, een tweederangs status wil toekennen. Van de SGP kun je veel zeggen, maar niet dat de partij op het punt van de geloofsvrijheid altijd erg helder is geweest. Het zou goed zijn wanneer de partij zich daarvoor onomwonden zou uitspreken en zo op dit punt alle misverstand uit te sluiten.
Vooral omdat er volgens mij toch meer aan de hand is dan een stilzwijgend gentleman’s agreement tussen Rutte en Van der Staaij. In de achterban van de SGP wordt het Reformatorisch Dagblad gelezen, een nette krant die elke avond keurig het nieuws van gisteren brengt en zich niet onderscheidt door de geregelde publicatie van spraakmakende scoops. Maar deze week hadden ze er ineens twee.
In de krant van afgelopen vrijdag stond plotseling dat de onderhandelaars van CDA, VVD en PVV ook over de invoering van een vlaktaks praten. ‘Goed ingevoerde bronnen’ hadden dat tegenover de krant bevestigd. Ik heb het nog nergens anders gelezen. En in de krant van gisteren stond onverwachts dat VVD, CDA en PVV hebben besloten om in hun regeer- en gedoogakkoord geen verruiming van het aantal koopzondagen op te nemen. ‘Ingewijden’ hadden dat tegen de krant gezegd. En er stond bij dat dat besluit was genomen om de SGP niet te ‘bruuskeren’.
Wijst dat er niet op dat het gedogen van een rechts kabinet door de SGP tamelijk ver gaat en dat alle aardige lekken naar het Reformatorisch Dagblad bedoeld zijn om de SGP-achterban alvast met dat feit te verzoenen, zo niet er enigszins enthousiast voor te maken?
Het ritueel van Prinsjesdag is dit jaar nauwelijks van belang. Alles draait om dat andere grote ritueel: het Byzantijnse proces van de kabinetsformatie, met drie deelnemers die dichtbij een akkoord zouden zijn en deze dag vooral lijken te beschouwen als een aangename onderbreking van de spannende onderhandelingen.
Deze formatie zou wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als een waterscheiding. Het is eigenlijk ongekend wat we deze zomer allemaal hebben gezien. Met een nieuwe partij die de Nederlandse politiek ineens is gaan domineren, met een voorheen ongekende verruwing van de spelregels rondom de bewaking van het hele proces, met nieuw staatsrecht en een protesterende generatie van old boys die hoofdschuddend zo niet tandenknarsend toekijken bij zoveel revolutionair geweld.
Het is opmerkelijk dat er in de kolkende zee van deze vernieuwingsdrift ineens ook een rol blijkt te zijn weggelegd voor de meest traditionele, meest gouvernementele, meest Oranjegezinde en meest gezagsgetrouwe partij van het Binnenhof: de SGP. Al in een vroeg stadium zei de nieuwe partijleider van de SGP, Kees van der Staaij, dat zijn partij een rechtse coalitie best zou willen gedogen. In de befaamde brief van Ab Klink over zijn keuze om met de onderhandelingen te stoppen, stond een mysterieus zinnetje over een ‘erg smalle parlementaire meerderheid in de Tweede Kamer’ die op 76dan wel op ‘wellicht 78 zetels’ zou berusten. Dat is algemeen opgevat als een verwijzing naar de mogelijke steun van de tweekoppige SGP-fractie.
Nu is de SGP een partij die per definitie gedoogt. De Kamerleden van de oudste partij van het land zijn cross-benchers: zij maken geen deel uit van de coalitie maar rekenen zich ook niet bij voorbaat tot de oppositie. Ze geven over ieder wetsvoorstel een inhoudelijk oordeel. Eigenlijk kun je dus nu al voorspellen hoe de SGP stemt, omdat dat stemgedrag over het algemeen niet van omgevingsfactoren afhankelijk is.
Maar je moet ze ook weer niet al te boos maken, onze SGP’ers. De vorige partijleider, good old Bas van der Vlies, sloot zo rond de eeuwwisseling eens uit zijn slof toen hij geconfronteerd werd met een reeks wetsvoorstellen van paars II die hij niet anders kon zien dan als een welbewuste afrekening met christelijke elementen in onze wetgeving. Hij beloofde toen een oppositionele koers, en de SGP steunde destijds dan ook een motie van wantrouwen tegen minister Borst van Volksgezondheid.
Na de vroege belofte van Kees van der Staaij is er voortdurend discussie geweest over de vraag of er iets van een akkoord is tussen VVD, PVV en CDA enerzijds en de SGP anderzijds. Binnen de SGP heeft zich een generatiewisseling voltrokken: er is een nieuwe leider aangetreden en een nieuwe nummer twee (Elbert Dijkgraaf, hooggeleerd in de economie) die minder vies van het Haagse machtsspel lijken dan hun voorgangers. Natuurlijk beweren zij bij hoog en bij laag dat er geen akkoord is, en dat ze altijd bereid zijn om met wie dan ook een verhelderend gesprek aan te gaan, dus waarom niet met Rutte, maar het lijkt erop dat de SGP voor het eerst in haar 90-jarig bestaan zich echt met de politieke macht inlaat. En waarom ook niet? Het gaat hier om steun aan een kabinet dat inhoudelijk dicht bij de SGP staat, en als anderen je willen belonen (al is het maar om het risico van twee mogelijke CDA-dissidenten in te perken) voor jouw besluit om qua inhoud de komende vier jaar gewoon jezelf te blijven – en dus niet voor een oppositionele rol te kiezen - waarom zou je je dat niet laten aanleunen en een krappe parlementaire meerderheid aan een net wat riantere positie helpen?
Natuurlijk is de associatie van de SGP niet zonder gevaar voor de partij. Wilders maakt immers deel uit van die coalitie, en die wordt ervan verdacht dat hij met zijn onderscheid tussen de joods-christelijke en de islamitische traditie één bepaald geloof, dat van de moslims, een tweederangs status wil toekennen. Van de SGP kun je veel zeggen, maar niet dat de partij op het punt van de geloofsvrijheid altijd erg helder is geweest. Het zou goed zijn wanneer de partij zich daarvoor onomwonden zou uitspreken en zo op dit punt alle misverstand uit te sluiten.
Vooral omdat er volgens mij toch meer aan de hand is dan een stilzwijgend gentleman’s agreement tussen Rutte en Van der Staaij. In de achterban van de SGP wordt het Reformatorisch Dagblad gelezen, een nette krant die elke avond keurig het nieuws van gisteren brengt en zich niet onderscheidt door de geregelde publicatie van spraakmakende scoops. Maar deze week hadden ze er ineens twee.
In de krant van afgelopen vrijdag stond plotseling dat de onderhandelaars van CDA, VVD en PVV ook over de invoering van een vlaktaks praten. ‘Goed ingevoerde bronnen’ hadden dat tegenover de krant bevestigd. Ik heb het nog nergens anders gelezen. En in de krant van gisteren stond onverwachts dat VVD, CDA en PVV hebben besloten om in hun regeer- en gedoogakkoord geen verruiming van het aantal koopzondagen op te nemen. ‘Ingewijden’ hadden dat tegen de krant gezegd. En er stond bij dat dat besluit was genomen om de SGP niet te ‘bruuskeren’.
Wijst dat er niet op dat het gedogen van een rechts kabinet door de SGP tamelijk ver gaat en dat alle aardige lekken naar het Reformatorisch Dagblad bedoeld zijn om de SGP-achterban alvast met dat feit te verzoenen, zo niet er enigszins enthousiast voor te maken?
13.4.10
Het woord is aan Tjeenk Willink
Als ik voor een tribunaal van de SGP zou moeten verschijnen, zouden de mannenbroeders mij waarschijnlijk niet tot de doodstraf maar wel tot de schandpaal veroordelen. Dat laat onverlet dat ik ze liefheb en dat ik ze van harte de vrijheid gun om inzake het vrouwenkiesrecht een standpunt te huldigen dat de rest van Nederland niet deelt. De rechtsstaat beschermt de rechten en vrijheden van burgers, en is niet het instrument in de handen van een seculier-progressieve elite om onderdanen tegen hun wil in te bevrijden van opvattingen die in strijd zouden zijn met het grote dogma van de gelijkheid. En erger nog: sinds het arrest van de Hoge Raad van vorige week is een en hetzelfde feit (dat 'vrouwenstandpunt' van de SGP) in Nederland zowel legaal als illegaal. De eenheid van de rechtsstaat is daarmee verbroken.
Moet de vice-president van de Raad van State, de heer Herman Tjeenk Willink, daar niet iets van zeggen wanneer hij morgenochtend in Den Haag het jaarverslag van zijn Raad van State presenteert? Over die vraag gaat mijn column in Binnenlands Bestuur.
De vice-voorzitter van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, presenteert morgen in Den Haag het jaarverslag van zijn college. De inhoud van dat jaarverslag is over het algemeen niet de opening van de kranten van die avond of van de volgende ochtend. Wel weet Tjeenk Willink bij die jaarlijkse presentatie vaak een heel aardige speech neer te zetten, vol behartigenswaardige opmerkingen over de staat van onze democratie en rechtsstaat. Morgen heeft hij daar opnieuw alle reden toe, omdat er iets is gebeurd dat hem zeer ter harte moet gaan: de eenheid van de Nederlandse rechtsstaat is doorbroken.

De Hoge Raad heeft eind vorige week uitgesproken dat de Nederlandse staat de SGP moet dwingen om vrouwen op haar kandidatenlijsten te plaatsen (zie hier en hier). Zoals bekend staan er bij de SGP alleen mannen op die lijsten. Vrouwen mogen wel lid zijn van de SGP en de mannenbroeders vinden het ook niet erg als vrouwen op hen stemmen, maar het zogeheten regeerambt (inclusief het zijn van volksvertegenwoordiger, op welk niveau ook) is aan de man voorbehouden. Volgens de Hoge Raad discrimineert de SGP daarmee vrouwen, en handelt de Nederlandse staat in strijd met het Vrouwenverdrag van de Verenigde Naties wanneer het deze situatie laat voortbestaan.
Bij de SGP, toch een zeer gouvernementele partij, de oudste partij van Nederland, een partij ook die zich de afgelopen negentig jaar keurig aan de regels van de Nederlandse rechtsorde heeft gehouden, een partij ook van mensen die zichzelf als de Nederlanders bij uitstek zien, bij de partij is dit arrest hard aangekomen. De partij voelt zich gedegradeerd tot een pariastatus. In concreto zou het arrest immers op een verbod op de partij neerkomen omdat dat vrouwenstandpunt voor een meerderheid binnen de partij een zaak van een heilig principe is waarmee niet kan worden gemarchandeerd. Nog liever de lucht in dan een vrouw op de lijst (zeker als dat van buitenaf wordt opgedrongen).

Volgens de Hoge Raad, en natuurlijk ook volgens een afwachtende SGP, is de Nederlandse staat nu aan zet. Maar wat moet die doen? Er staan in de achterban van de SGP helemaal geen vrouwen te trappelen om namens de SGP in de Tweede Kamer te komen. Moet de staat dan vrouwen gaan dwingen om op een kandidatenlijst te gaan staan?
Maar ernstiger nog is een ander feit. De SGP heeft al eens eerder, in 2006, voor de rechtbank in Den Haag gestaan, en verloor toen haar subsidie vanwege haar vrouwenstandpunt. Eind 2007 heeft de Raad van State deze uitspraak van de Haagse rechtbank vernietigd. De belangrijkste overweging van de Raad van State was destijds dat er sprake moest zijn van een evenwichtige afweging, door de rechter en niet door politiek of bestuur, van twee zaken: het verbod op discriminatie en de plicht van gelijke behandeling enerzijds, en anderzijds het recht van politieke partijen om in een democratisch bestel te functioneren en daarmee het gehele electoraat in de publieke besluitvorming te vertegenwoordigen.
De Raad heeft met andere woorden geoordeeld dat de SGP een specifieke bevolkingsgroep representeert waarin anders over de gelijkheid van man en vrouw wordt gedacht, en anderzijds ook geoordeeld dat vrouwen in Nederland niet worden gediscrimineerd omdat zij binnen het spectrum van politieke partijen in Nederland lid kunnen worden van een partij die vrouwen op gelijke voet met mannen voordraagt voor vertegenwoordigende functies. Het ideaal en de norm van de gelijkheid mogen, met andere woorden, de vrijheid niet om zeep helpen.
De Hoge Raad heeft nu een tegengesteld oordeel uitgesproken, en geoordeeld dat het principe van de gelijkheid zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet prevaleert boven de klassieke grondrechten. Bevrijding is belangrijker dan vrijheid, emancipatie kan en moet door de staat worden afgedwongen.
Een beslissing van de hoogste burgerlijke rechter, de Hoge Raad, staat nu haaks op het oordeel dat de hoogste bestuursrechter, de Raad van State, eerder heeft geveld. Een en hetzelfde feit is in Nederland tegelijkertijd illegaal en legaal. Dat kan natuurlijk niet. De eenheid van de rechtsstaat is daarmee verbroken.
De staat wacht op de SGP, en de SGP wacht op de staat. Maar wij wachten vooral ook op het staatsrechtelijke commentaar op deze hoogst ongewenste situatie van de heer Tjeenk Willink, morgen in Den Haag.
Moet de vice-president van de Raad van State, de heer Herman Tjeenk Willink, daar niet iets van zeggen wanneer hij morgenochtend in Den Haag het jaarverslag van zijn Raad van State presenteert? Over die vraag gaat mijn column in Binnenlands Bestuur.
De vice-voorzitter van de Raad van State, Herman Tjeenk Willink, presenteert morgen in Den Haag het jaarverslag van zijn college. De inhoud van dat jaarverslag is over het algemeen niet de opening van de kranten van die avond of van de volgende ochtend. Wel weet Tjeenk Willink bij die jaarlijkse presentatie vaak een heel aardige speech neer te zetten, vol behartigenswaardige opmerkingen over de staat van onze democratie en rechtsstaat. Morgen heeft hij daar opnieuw alle reden toe, omdat er iets is gebeurd dat hem zeer ter harte moet gaan: de eenheid van de Nederlandse rechtsstaat is doorbroken.

De Hoge Raad heeft eind vorige week uitgesproken dat de Nederlandse staat de SGP moet dwingen om vrouwen op haar kandidatenlijsten te plaatsen (zie hier en hier). Zoals bekend staan er bij de SGP alleen mannen op die lijsten. Vrouwen mogen wel lid zijn van de SGP en de mannenbroeders vinden het ook niet erg als vrouwen op hen stemmen, maar het zogeheten regeerambt (inclusief het zijn van volksvertegenwoordiger, op welk niveau ook) is aan de man voorbehouden. Volgens de Hoge Raad discrimineert de SGP daarmee vrouwen, en handelt de Nederlandse staat in strijd met het Vrouwenverdrag van de Verenigde Naties wanneer het deze situatie laat voortbestaan.
Bij de SGP, toch een zeer gouvernementele partij, de oudste partij van Nederland, een partij ook die zich de afgelopen negentig jaar keurig aan de regels van de Nederlandse rechtsorde heeft gehouden, een partij ook van mensen die zichzelf als de Nederlanders bij uitstek zien, bij de partij is dit arrest hard aangekomen. De partij voelt zich gedegradeerd tot een pariastatus. In concreto zou het arrest immers op een verbod op de partij neerkomen omdat dat vrouwenstandpunt voor een meerderheid binnen de partij een zaak van een heilig principe is waarmee niet kan worden gemarchandeerd. Nog liever de lucht in dan een vrouw op de lijst (zeker als dat van buitenaf wordt opgedrongen).

Volgens de Hoge Raad, en natuurlijk ook volgens een afwachtende SGP, is de Nederlandse staat nu aan zet. Maar wat moet die doen? Er staan in de achterban van de SGP helemaal geen vrouwen te trappelen om namens de SGP in de Tweede Kamer te komen. Moet de staat dan vrouwen gaan dwingen om op een kandidatenlijst te gaan staan?
Maar ernstiger nog is een ander feit. De SGP heeft al eens eerder, in 2006, voor de rechtbank in Den Haag gestaan, en verloor toen haar subsidie vanwege haar vrouwenstandpunt. Eind 2007 heeft de Raad van State deze uitspraak van de Haagse rechtbank vernietigd. De belangrijkste overweging van de Raad van State was destijds dat er sprake moest zijn van een evenwichtige afweging, door de rechter en niet door politiek of bestuur, van twee zaken: het verbod op discriminatie en de plicht van gelijke behandeling enerzijds, en anderzijds het recht van politieke partijen om in een democratisch bestel te functioneren en daarmee het gehele electoraat in de publieke besluitvorming te vertegenwoordigen.
De Raad heeft met andere woorden geoordeeld dat de SGP een specifieke bevolkingsgroep representeert waarin anders over de gelijkheid van man en vrouw wordt gedacht, en anderzijds ook geoordeeld dat vrouwen in Nederland niet worden gediscrimineerd omdat zij binnen het spectrum van politieke partijen in Nederland lid kunnen worden van een partij die vrouwen op gelijke voet met mannen voordraagt voor vertegenwoordigende functies. Het ideaal en de norm van de gelijkheid mogen, met andere woorden, de vrijheid niet om zeep helpen.
De Hoge Raad heeft nu een tegengesteld oordeel uitgesproken, en geoordeeld dat het principe van de gelijkheid zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet prevaleert boven de klassieke grondrechten. Bevrijding is belangrijker dan vrijheid, emancipatie kan en moet door de staat worden afgedwongen.
Een beslissing van de hoogste burgerlijke rechter, de Hoge Raad, staat nu haaks op het oordeel dat de hoogste bestuursrechter, de Raad van State, eerder heeft geveld. Een en hetzelfde feit is in Nederland tegelijkertijd illegaal en legaal. Dat kan natuurlijk niet. De eenheid van de rechtsstaat is daarmee verbroken.
De staat wacht op de SGP, en de SGP wacht op de staat. Maar wij wachten vooral ook op het staatsrechtelijke commentaar op deze hoogst ongewenste situatie van de heer Tjeenk Willink, morgen in Den Haag.
8.3.10
ChristenUnie: humorloos, maar eindelijk duidelijk
Nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur:
De kleine christelijke partijen (RPF, GPV, SGP) werden vroeger wel ‘klein-rechts’ genoemd. Gereformeerd waren ze, serieus, staatsrechtelijk degelijk. Ze trokken altijd samen op en in de Koude Oorlog waren zij onwankelbare atlantici. Ze dronken met elkaar een bescheiden kruikje rosé bij het diner. Ze prakten hun eten (maar dat mag van J. L. Heldring), en droegen schoenen met spekzolen.
Dat imago is grondig aan het veranderen, zij het in verschillende richtingen.
Alhoewel Kees van der Staaij, de opvolger van SGP-leider Bas van der Vlies, de wat hoekige lichaamstaal van zijn voorganger nog altijd imiteert wanneer hij positie kiest achter de interruptiemicrofoon (misschien wel onbewust), heeft hij een jeugdige uitstraling, verschijnt hij af en toe zelfs voor de buis en bloeit zijn gezicht soms open in een lach die richting het gulle tendeert.
Tegenover de toenemende losheid van de SGP (in het nette natuurlijk!) staat een toenemende verbetenheid bij hun voormalige broeders van de ChristenUnie (de fusie uit 2000 van GPV en RPF). Je hoeft maar vijf minuten op tv naar CU-leider André Rouvoet te kijken om je te realiseren dat hij in het diepst van zijn gedachten weet dat hij de komende maanden campagne moet gaan voeren met de leus: ‘Einde oefening’. Het heeft iets krampachtigs en chagrijnigs, de manier waarop representanten van de ChristenUnie (fractievoorzitter Arie Slob overigens uitgezonderd) dezer dagen kijken en de frustraties over gefnuikte ambities van zich af praten, en vooral: het is allemaal zo ongelooflijk humorloos.
Een week of wat terug kreeg ik een email van de redactie van een christelijk opinieblad (CV/Koers) dat vooral uitmunt in de wijze waarop het zichzelf, zijn lezers en de ChristenUnie met hun christen-zijn feliciteert. Of ik snel en in één zin een antwoord wilde geven op de vraag wat ons land na Balkenende IV nodig heeft. Zonder lang na te denken tikte ik in: ‘Een kabinet zonder de ChristenUnie’. Sinds de verschijning van het blad loopt mijn emailbox vol met verbeten reacties van CU-stemmers. Schande om zo lelijk over de partij te doen!
Het geintje had ondertussen wel een serieuze ondertoon. Mijn bezwaar tegen de ChristenUnie bestaat vooral hierin dat ze de afgelopen jaren voor een fundamentele koerswijziging hebben gekozen (van klein-rechts naar klein-links overgoten met een evangelische saus), dat hun journalistieke vriend Andries Knevel zelfs van een ‘paradigmawisseling’ spreekt, en dat de partij die verandering altijd heeft ontkend, laat staan dat ze er verantwoording over heeft afgelegd.
Maar sinds deze week zijn alle veranderingen in ieder geval impliciet erkend. Maandag heeft de CU een eerste publieke versie van het verkiezingsprogramma gepresenteerd en zich daarbij nadrukkelijk gepositioneerd als het glijmiddel voor een centrum-linkse coalitie van PvdA en CDA. De directeur van het wetenschappelijk bureau van de CU, Gert Jan Segers, zei op radio 1 dat de CU zich op links tussen CDA en PvdA in heeft gepositioneerd. Dat wisten we al, maar we mochten het nooit zeggen en nu zeggen ze het eindelijk zelf eens. En dat betekent natuurlijk dat de ChristenUnie lastenverzwaringen bepleit: een ‘crisis- en hersteltaks’ en de invoering van één tarief voor het aftrekken van de hypotheekrente.
Zo is dat: zuur en humorloos door het leven gaan, en veel geld van de bevolking afpakken omdat de overheid, zoals oud-CU-senator Kees van Bruchem eens schreef, veel beter weet dan de burger zelf hoe dat geld goed kan worden besteed.
We moeten de CU dankbaar zijn voor de eindelijk geboden duidelijkheid. Die uitspraak over de wenselijkheid van een kabinet zonder de CU na Balkenende IV moest ik maar eens gaan inlijsten.
De kleine christelijke partijen (RPF, GPV, SGP) werden vroeger wel ‘klein-rechts’ genoemd. Gereformeerd waren ze, serieus, staatsrechtelijk degelijk. Ze trokken altijd samen op en in de Koude Oorlog waren zij onwankelbare atlantici. Ze dronken met elkaar een bescheiden kruikje rosé bij het diner. Ze prakten hun eten (maar dat mag van J. L. Heldring), en droegen schoenen met spekzolen.
Dat imago is grondig aan het veranderen, zij het in verschillende richtingen.
Alhoewel Kees van der Staaij, de opvolger van SGP-leider Bas van der Vlies, de wat hoekige lichaamstaal van zijn voorganger nog altijd imiteert wanneer hij positie kiest achter de interruptiemicrofoon (misschien wel onbewust), heeft hij een jeugdige uitstraling, verschijnt hij af en toe zelfs voor de buis en bloeit zijn gezicht soms open in een lach die richting het gulle tendeert.
Tegenover de toenemende losheid van de SGP (in het nette natuurlijk!) staat een toenemende verbetenheid bij hun voormalige broeders van de ChristenUnie (de fusie uit 2000 van GPV en RPF). Je hoeft maar vijf minuten op tv naar CU-leider André Rouvoet te kijken om je te realiseren dat hij in het diepst van zijn gedachten weet dat hij de komende maanden campagne moet gaan voeren met de leus: ‘Einde oefening’. Het heeft iets krampachtigs en chagrijnigs, de manier waarop representanten van de ChristenUnie (fractievoorzitter Arie Slob overigens uitgezonderd) dezer dagen kijken en de frustraties over gefnuikte ambities van zich af praten, en vooral: het is allemaal zo ongelooflijk humorloos.
Een week of wat terug kreeg ik een email van de redactie van een christelijk opinieblad (CV/Koers) dat vooral uitmunt in de wijze waarop het zichzelf, zijn lezers en de ChristenUnie met hun christen-zijn feliciteert. Of ik snel en in één zin een antwoord wilde geven op de vraag wat ons land na Balkenende IV nodig heeft. Zonder lang na te denken tikte ik in: ‘Een kabinet zonder de ChristenUnie’. Sinds de verschijning van het blad loopt mijn emailbox vol met verbeten reacties van CU-stemmers. Schande om zo lelijk over de partij te doen!
Het geintje had ondertussen wel een serieuze ondertoon. Mijn bezwaar tegen de ChristenUnie bestaat vooral hierin dat ze de afgelopen jaren voor een fundamentele koerswijziging hebben gekozen (van klein-rechts naar klein-links overgoten met een evangelische saus), dat hun journalistieke vriend Andries Knevel zelfs van een ‘paradigmawisseling’ spreekt, en dat de partij die verandering altijd heeft ontkend, laat staan dat ze er verantwoording over heeft afgelegd.
Maar sinds deze week zijn alle veranderingen in ieder geval impliciet erkend. Maandag heeft de CU een eerste publieke versie van het verkiezingsprogramma gepresenteerd en zich daarbij nadrukkelijk gepositioneerd als het glijmiddel voor een centrum-linkse coalitie van PvdA en CDA. De directeur van het wetenschappelijk bureau van de CU, Gert Jan Segers, zei op radio 1 dat de CU zich op links tussen CDA en PvdA in heeft gepositioneerd. Dat wisten we al, maar we mochten het nooit zeggen en nu zeggen ze het eindelijk zelf eens. En dat betekent natuurlijk dat de ChristenUnie lastenverzwaringen bepleit: een ‘crisis- en hersteltaks’ en de invoering van één tarief voor het aftrekken van de hypotheekrente.
Zo is dat: zuur en humorloos door het leven gaan, en veel geld van de bevolking afpakken omdat de overheid, zoals oud-CU-senator Kees van Bruchem eens schreef, veel beter weet dan de burger zelf hoe dat geld goed kan worden besteed.
We moeten de CU dankbaar zijn voor de eindelijk geboden duidelijkheid. Die uitspraak over de wenselijkheid van een kabinet zonder de CU na Balkenende IV moest ik maar eens gaan inlijsten.
8.2.10
Twitter!
Ik moest er ook aan geloven. Vele conservatieve vrienden - onder wie vooral Menno de Bruyne en Arend-Jan Boekestijn - zeiden dat ik toch echt moest gaan twitteren. En ik geef toe: het is eigenlijk heel leuk. Nu weet ik tenminste wat Arend-Jan afgelopen zaterdag heeft gegeten, en weten mijn volgers waar ik afgelopen zaterdagavond heb uitgehangen, en dankzij twitter weten we nu ook dat het bericht in de Telegraaf over de snode plannen van de SGP om op slinkse wijze vrouwen te weren, een canard is. Zie: www.twitter.com/BartJanSpruyt.
16.12.09
In debat met Frank Ankersmit over de scheiding van kerk en staat
Als lid van het filosofisch elftal van het dagblad Trouw word ik zo af en toe eens opgesteld. Vandaag mocht ik in discussie met de historicus Frank Ankersmit uit Groningen over de scheiding van kerk en staat, naar aanleiding van enkele recente incidenten. Hieronder volgt de tekst van de gedachtenwisseling:
STAATSKERK RUKT OP
Een meerderheid in de Amsterdamse gemeenteraad wil dat de stad stopt met de subsidiëring van religieuze instellingen, wegens discriminatie. Is dat het begin of het eind van de scheiding tussen kerk en staat?
Een door de VVD ingediende motie kreeg steun van 43 van de 45 Amsterdamse raadsleden: stop de subsidiëring van religieuze organisaties die een ‘discriminerend’ personeelsbeleid voeren. Bijvoorbeeld: het Leger des Heils, dat uitsluitend christenen aanneemt.
Het college van burgemeester en wethouders legde de motie naast zich neer en beriep zich daarbij op de scheiding tussen kerk en staat. Ook de indieners van de motie beriepen zich op dat principe. Wie hanteert het op de juiste wijze?
Frank Ankersmit: ,,Het verbaast mij dat men in een stad als Amsterdam, die vele nationaliteiten en religies huisvest en waar vanouds een zekere liberaliteit heerst tegenover dit soort vraagstukken, ineens geweldig principieel gaat denken.”
Bart Jan Spruyt: ,,Het tegendeel is het geval. Deden ze dat maar – principieel denken. Men dreigt juist een principe te verkwanselen. Gelukkig gaat het stadsbestuur daar niet in mee.”
Ankersmit: ,,De scheiding tussen kerk en staat is een verwarrend fenomeen, omdat ze in twee richtingen moet werken: van kerk naar staat en van staat naar kerk.
De eerste richting is het belangrijkste. Dat speelde duizend jaar geleden al: de strijd tussen keizer en paus om het wereldlijk gezag. In de Republiek hadden wij daar onze eigen variant op: de dominees probeerden greep te krijgen op het beleid van de regenten. Gelukkig voelden de meeste mensen aan hun water dat het onverstandig was om te veel macht te geven aan de dominees van een minderheidsgeloof dat toevallig de staatsgodsdienst was. In een land dat voor tweederde uit katholieken bestond, had dat binnen de kortste keren een burgeroorlog veroorzaakt. De regenten moesten de kerk zo ver mogelijk van het lijf zien te houden.
Pas na de Franse Revolutie is de scheiding tussen kerk en staat officieel geformaliseerd. Sindsdien is de staat neutraal, en hoeven we dus niet een twee drie bang te zijn dat de kerk de macht overneemt.”
Spruyt: ,,De theocratie ligt in Nederland inderdaad niet direct op de loer. Maar de politiek probeert wel aan alle kanten om religieuze uitingsvormen in door haar gewenste banen te leiden.”
Ankersmit: ,,Dat is de tweede richting: de pogingen die de staat onderneemt om de kerk te beïnvloeden. Daarin past ook deze VVD-motie. De staat kent, bijvoorbeeld via het bijzonder onderwijs, een zekere vrijheid toe aan religiositeit in het publieke domein.
Als liberaal heb ik daar lange tijd grote moeite mee gehad – religie hoort thuis in het privédomein en niet in door de staat gefinancierde instellingen. Daar ben ik tijdens het schrijven van het liberaal manifest op teruggekomen, althans: wat betreft het onderwijs. Ten eerste zijn er ook gelovige liberalen, en zou je ook hun vrijheid enkel beperken door het bijzonder onderwijs op te heffen. Ten tweede: de scholen op christelijke grondslag behoren volgens onderzoek tot de beste scholen van het land. Die zou je dan op grond van een consequent doorgevoerd principe de nek omdraaien. Jede Konsequenz führt zum Teufel.
Met andere woorden: ik denk dat je in deze principiële kwestie niet veel hebt aan principes. Voor een club als het Leger des Heils zou hetzelfde gelden als voor het christelijk onderwijs: een instelling die taken verricht waar de hele samenleving bij gediend is, zou dan in haar werk belemmerd worden vanwege een principe. Soms moet je erkennen dat principes ondergeschikt zijn aan de praktijk. Er vallen gelukkig ook altijd uitzonderingen te formuleren op basis van bewezen kwaliteit.”
Spruyt: ,,Ik vind dit een rare redenering. We hoeven niet te marchanderen met het principe, we moeten eraan vasthouden en het correct toepassen. Het idee dat een christelijke instelling zich niet zou mogen beperken tot het aannemen van christelijk personeel, is een zeer onwenselijk gevolg van het non-discriminatiebeginsel. Zo onwenselijk dat de waarde van dit eerste grondwetsartikel wat mij betreft verloren gaat.”
Ankersmit: ,,Geheel mee eens. Als we katholieke scholen toestaan, moeten we er ook niet gek van staan te kijken dat de leraren daar allemaal katholiek zijn.”
Spruyt: ,,Maar meer in het algemeen sla ik met verbazing gaande hoe inconsequent we in Nederland op dit moment bezig zijn. Aan de ene kant doet een groep sociaal-liberale politici verwoede pogingen om het christendom te verdrijven uit het publieke domein – zie deze VVD-motie.
Aan de andere kant zijn we massaal verontwaardigd over de voor moslims negatieve uikomst van het minarettenreferendum in Zwitserland. En de SGP krijgt het halve land over zich heen vanwege een motie waarin die partij vraagt om enige tact bij de bouw van moskeeën in oude volkswijken. Is het echt zo raar om een beetje rekening te houden met de gevoelens van vervreemding die een minaret kan oproepen bij autochtone bewoners in dat soort wijken?
Tegelijkertijd wordt een boer in Giessenburg door de gemeente gedwongen om de tekst ‘Jezus redt’ van zijn dak te verwijderen omdat deze niet in het landschap zou passen. En een Amsterdamse tramconducteur mag van zijn werkgever en van de rechter geen kruisje meer om zijn nek dragen tijdens zijn werk. Een hoofddoek daarentegen is geen enkel bezwaar. Op de Haagse Hogeschool weert men de kerstboom uit de aula, vanwege de multiculturele samenstelling van het studentenbestand.
De tendens is mij duidelijk: het christendom moet uit de publieke ruimte verdwijnen en we moeten tegelijkertijd ruimte laten voor de islam, en o wee als we de moslims voor het hoofd stoten.”
Ankersmit: ,,Het Amsterdamse stadsbestuur de motie niet aangenomen, dus zo’n vaart loopt het niet. En de invloed van de staat op religieuze zaken is hoe dan ook beperkt en stukken minder ingrijpend dan de invloedssfeer in de omgekeerde richting zou zijn.”
Spruyt: ,,Ik vind deze tendens wel degelijk bedreigend. De overheid moet niet denken dat ze vanwege een financiële bijdrage alles mag bepalen, om vanuit een onbestemde uniformeringsdrang heel Nederland te veranderen in een seculier-liberale eenheidsworst. Dat vind ik een afschuwelijk vooruitzicht.
We hebben in dit land afgesproken dat er voor religieuze instellingen een bepaalde vrijheid bestaat. Die moeten we respecteren. En ja, dat geldt in principe ook voor islamitische scholen, maar natuurlijk alleen als blijkt dat ze zich voegen binnen onze democratische rechtsorde en mits blijkt dat ze de vrijheid die ze zelf genieten ook aan anderen gunnen.”
STAATSKERK RUKT OP
Een meerderheid in de Amsterdamse gemeenteraad wil dat de stad stopt met de subsidiëring van religieuze instellingen, wegens discriminatie. Is dat het begin of het eind van de scheiding tussen kerk en staat?
Een door de VVD ingediende motie kreeg steun van 43 van de 45 Amsterdamse raadsleden: stop de subsidiëring van religieuze organisaties die een ‘discriminerend’ personeelsbeleid voeren. Bijvoorbeeld: het Leger des Heils, dat uitsluitend christenen aanneemt.
Het college van burgemeester en wethouders legde de motie naast zich neer en beriep zich daarbij op de scheiding tussen kerk en staat. Ook de indieners van de motie beriepen zich op dat principe. Wie hanteert het op de juiste wijze?
Frank Ankersmit: ,,Het verbaast mij dat men in een stad als Amsterdam, die vele nationaliteiten en religies huisvest en waar vanouds een zekere liberaliteit heerst tegenover dit soort vraagstukken, ineens geweldig principieel gaat denken.”
Bart Jan Spruyt: ,,Het tegendeel is het geval. Deden ze dat maar – principieel denken. Men dreigt juist een principe te verkwanselen. Gelukkig gaat het stadsbestuur daar niet in mee.”
Ankersmit: ,,De scheiding tussen kerk en staat is een verwarrend fenomeen, omdat ze in twee richtingen moet werken: van kerk naar staat en van staat naar kerk.
De eerste richting is het belangrijkste. Dat speelde duizend jaar geleden al: de strijd tussen keizer en paus om het wereldlijk gezag. In de Republiek hadden wij daar onze eigen variant op: de dominees probeerden greep te krijgen op het beleid van de regenten. Gelukkig voelden de meeste mensen aan hun water dat het onverstandig was om te veel macht te geven aan de dominees van een minderheidsgeloof dat toevallig de staatsgodsdienst was. In een land dat voor tweederde uit katholieken bestond, had dat binnen de kortste keren een burgeroorlog veroorzaakt. De regenten moesten de kerk zo ver mogelijk van het lijf zien te houden.
Pas na de Franse Revolutie is de scheiding tussen kerk en staat officieel geformaliseerd. Sindsdien is de staat neutraal, en hoeven we dus niet een twee drie bang te zijn dat de kerk de macht overneemt.”
Spruyt: ,,De theocratie ligt in Nederland inderdaad niet direct op de loer. Maar de politiek probeert wel aan alle kanten om religieuze uitingsvormen in door haar gewenste banen te leiden.”
Ankersmit: ,,Dat is de tweede richting: de pogingen die de staat onderneemt om de kerk te beïnvloeden. Daarin past ook deze VVD-motie. De staat kent, bijvoorbeeld via het bijzonder onderwijs, een zekere vrijheid toe aan religiositeit in het publieke domein.
Als liberaal heb ik daar lange tijd grote moeite mee gehad – religie hoort thuis in het privédomein en niet in door de staat gefinancierde instellingen. Daar ben ik tijdens het schrijven van het liberaal manifest op teruggekomen, althans: wat betreft het onderwijs. Ten eerste zijn er ook gelovige liberalen, en zou je ook hun vrijheid enkel beperken door het bijzonder onderwijs op te heffen. Ten tweede: de scholen op christelijke grondslag behoren volgens onderzoek tot de beste scholen van het land. Die zou je dan op grond van een consequent doorgevoerd principe de nek omdraaien. Jede Konsequenz führt zum Teufel.
Met andere woorden: ik denk dat je in deze principiële kwestie niet veel hebt aan principes. Voor een club als het Leger des Heils zou hetzelfde gelden als voor het christelijk onderwijs: een instelling die taken verricht waar de hele samenleving bij gediend is, zou dan in haar werk belemmerd worden vanwege een principe. Soms moet je erkennen dat principes ondergeschikt zijn aan de praktijk. Er vallen gelukkig ook altijd uitzonderingen te formuleren op basis van bewezen kwaliteit.”
Spruyt: ,,Ik vind dit een rare redenering. We hoeven niet te marchanderen met het principe, we moeten eraan vasthouden en het correct toepassen. Het idee dat een christelijke instelling zich niet zou mogen beperken tot het aannemen van christelijk personeel, is een zeer onwenselijk gevolg van het non-discriminatiebeginsel. Zo onwenselijk dat de waarde van dit eerste grondwetsartikel wat mij betreft verloren gaat.”
Ankersmit: ,,Geheel mee eens. Als we katholieke scholen toestaan, moeten we er ook niet gek van staan te kijken dat de leraren daar allemaal katholiek zijn.”
Spruyt: ,,Maar meer in het algemeen sla ik met verbazing gaande hoe inconsequent we in Nederland op dit moment bezig zijn. Aan de ene kant doet een groep sociaal-liberale politici verwoede pogingen om het christendom te verdrijven uit het publieke domein – zie deze VVD-motie.
Aan de andere kant zijn we massaal verontwaardigd over de voor moslims negatieve uikomst van het minarettenreferendum in Zwitserland. En de SGP krijgt het halve land over zich heen vanwege een motie waarin die partij vraagt om enige tact bij de bouw van moskeeën in oude volkswijken. Is het echt zo raar om een beetje rekening te houden met de gevoelens van vervreemding die een minaret kan oproepen bij autochtone bewoners in dat soort wijken?
Tegelijkertijd wordt een boer in Giessenburg door de gemeente gedwongen om de tekst ‘Jezus redt’ van zijn dak te verwijderen omdat deze niet in het landschap zou passen. En een Amsterdamse tramconducteur mag van zijn werkgever en van de rechter geen kruisje meer om zijn nek dragen tijdens zijn werk. Een hoofddoek daarentegen is geen enkel bezwaar. Op de Haagse Hogeschool weert men de kerstboom uit de aula, vanwege de multiculturele samenstelling van het studentenbestand.
De tendens is mij duidelijk: het christendom moet uit de publieke ruimte verdwijnen en we moeten tegelijkertijd ruimte laten voor de islam, en o wee als we de moslims voor het hoofd stoten.”
Ankersmit: ,,Het Amsterdamse stadsbestuur de motie niet aangenomen, dus zo’n vaart loopt het niet. En de invloed van de staat op religieuze zaken is hoe dan ook beperkt en stukken minder ingrijpend dan de invloedssfeer in de omgekeerde richting zou zijn.”
Spruyt: ,,Ik vind deze tendens wel degelijk bedreigend. De overheid moet niet denken dat ze vanwege een financiële bijdrage alles mag bepalen, om vanuit een onbestemde uniformeringsdrang heel Nederland te veranderen in een seculier-liberale eenheidsworst. Dat vind ik een afschuwelijk vooruitzicht.
We hebben in dit land afgesproken dat er voor religieuze instellingen een bepaalde vrijheid bestaat. Die moeten we respecteren. En ja, dat geldt in principe ook voor islamitische scholen, maar natuurlijk alleen als blijkt dat ze zich voegen binnen onze democratische rechtsorde en mits blijkt dat ze de vrijheid die ze zelf genieten ook aan anderen gunnen.”
14.12.09
Gerrit Holdijk
Op de website van Binnenlands Bestuur staat sinds vandaag mijn nieuwe column, gewijd aan een man die ik bewonder en zeer respecteer: Gerrit Holdijk van de SGP.
Politici zijn niet te benijden. Rusteloos zijn zij immers in de weer om de aandacht van de media te trekken, want wie radio, tv of krant haalt, ontvlucht het oordeel van de anonimiteit. Wie bekend is maakt kans op herverkiezing. En daar gaat het maar om, om dat politieke overleven.
Er zijn ook politici die erin slagen aan de aandacht van de media te ontsnappen, en daar een grote eer in stellen. Zo reed ik jaren geleden eens op een zaterdagmiddag naar het verre Apeldoorn om daar een senator te interviewen. Geen spoor van ijdelheid of heimelijke gevoelens van genoegdoening bij deze man. Toen wij aan tafel schoven, stelde hij rustig pijprokend vast dat hij in een interview in het geheel niet geïnteresseerd was. Maar een goed gesprek, daar was hij graag voor in. Toen ik hem daarop vroeg of hij ermee kon instemmen wanneer ik een schriftelijk verslag van dat goede gesprek in de krant zou plaatsen, keek hij me bedachtzaam aan, trok nog eens aan zijn pijp, en mompelde: ‘Ja, dat is dan wel goed.’
Hij is de enige politicus die tijdens een ‘interview’ (als ons goede gesprek dan toch zo mocht heten) tegen mij (als journalist) heeft gezegd dat ik hem maar moest onderbreken wanneer ik dacht dat hij het niet goed zag.
Hij noemde zichzelf, met veel zelfkennis, een ‘in de coulissen van de politiek verzeild geraakte jurist’.
De naam van deze man is Gerrit Holdijk. Holdijk heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en daarmee is er deze maand een einde aan zijn 37-jarige (!) dienstverband bij de Tweede-Kamerfractie van de SGP gekomen. In 1972 trad hij daar in dienst als beleidsmedewerker ‘juridische en moeilijke zaken’. Vanaf 1977 was hij ook redactielid van het tijdschrift Zicht van het wetenschappelijk instituut van de SGP. (Klik hier voor inzage in het speciale nummer dat de redactie van Zicht afgelopen zaterdag aan Holdijk heeft aangeboden; dat nummer verschijnt later deze week, ik heb het inmiddels, mij toegeschoven vanuit de boezem van de partij, met veel plezier gelezen.) Sinds 1986 is hij, met een korte onderbreking, lid van de Eerste Kamer, sinds 1987 is hij lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Beide laatste ambten blijft hij bekleden. Hij was en is een staatkundig-gereformeerd buitenbeentje. Hij koestert afwijkende standpunten over ‘theocratie’ en het beruchte vrouwenstandpunt. In de SGP is hij als christelijke conservatief ‘verzeild geraakt’.

Holdijk had, sinds 1971, ook zijn eigen juridische adviesbureau. En iedere woensdag fietste hij van Apeldoorn naar Uddel om zijn moeder te helpen op haar boerderij. Na haar overlijden is hij op die boerderij gaan wonen. Hij wordt in het werk op de boerderij bijgestaan door een tractor uit 1947, die hij vorig jaar heeft laten restaureren.

Holdijk heeft één keer de landelijke pers gehaald. Bij het debat over de toestemmingswet voor het voorgenomen huwelijk van prins Maurits en een dochter van Van den Broek (in 1998) en later (in 2001) bij een vergelijkbaar debat over Willem-Alexander en Maxima, stond hij ernstig te mopperen achter het spreekgestoelte. Geen gezeur, zo luidde in essentie zijn standpunt: de Oranjes zijn protestants, en die ‘onaantastbare traditie’ mag niet worden doorbroken door huwelijken met roomse burgermeisjes. Toenmalig premier Kok was daar zwaar chagrijnig over. Maar Holdijk vroeg zich doodgemoedereerd af waarom hij niet ‘op een ontspannen en volwassen manier over de verschillen in beleving van de historie’ had mogen spreken.
Het indrukwekkendst vond ik een optreden van Holdijk in het voorjaar van 2000. Prins Constantijn trad toen in het huwelijk met een dochter van Brinkhorst. Holdijk behoorde als senator tot de genodigden maar hij ging niet. Hij wilde niet in een situatie terechtkomen waarin hij de vader van de bruid, bewindsman op Landbouw, de hand moest schudden. Brinkhorst was ten tijde van de MKZ-crisis politiek verantwoordelijk voor de preventieve ruiming van gezonde koeien. ‘Het uit puur economische motieven op grote schaal doden van gezonde dieren gaat naar mijn diepste overtuiging radicaal in tegen de zorgplicht voor vee dat aan ons is toevertrouwd’.*
Aan Holdijks lijf geen polonaise, en bij hem zeker geen toneelstukje om de feestvreugde niet te bederven. Recht is recht, krom is krom. 'Politici' als Gerrit Holdijk, die om hun onafhankelijkheid en onversaagdheid diep respect afdwingen, dreigen, vrees ik, tot een uitstervend ras te gaan behoren.
*Voor wie wil weten wat hij zich bij die ‘zorgplicht’ moet voorstellen, verwijs ik naar twee miniatuurtjes van Koos van Zomeren over boer Van den Dikkenberg uit Lunteren (die ik hier uit ruimtegebrek niet in extenso kan citeren): Koos van Zomeren, Ruim duizend dagen werk (De Arbeiderspers, 2000), pp. 847-848.
Politici zijn niet te benijden. Rusteloos zijn zij immers in de weer om de aandacht van de media te trekken, want wie radio, tv of krant haalt, ontvlucht het oordeel van de anonimiteit. Wie bekend is maakt kans op herverkiezing. En daar gaat het maar om, om dat politieke overleven.
Er zijn ook politici die erin slagen aan de aandacht van de media te ontsnappen, en daar een grote eer in stellen. Zo reed ik jaren geleden eens op een zaterdagmiddag naar het verre Apeldoorn om daar een senator te interviewen. Geen spoor van ijdelheid of heimelijke gevoelens van genoegdoening bij deze man. Toen wij aan tafel schoven, stelde hij rustig pijprokend vast dat hij in een interview in het geheel niet geïnteresseerd was. Maar een goed gesprek, daar was hij graag voor in. Toen ik hem daarop vroeg of hij ermee kon instemmen wanneer ik een schriftelijk verslag van dat goede gesprek in de krant zou plaatsen, keek hij me bedachtzaam aan, trok nog eens aan zijn pijp, en mompelde: ‘Ja, dat is dan wel goed.’
Hij is de enige politicus die tijdens een ‘interview’ (als ons goede gesprek dan toch zo mocht heten) tegen mij (als journalist) heeft gezegd dat ik hem maar moest onderbreken wanneer ik dacht dat hij het niet goed zag.
Hij noemde zichzelf, met veel zelfkennis, een ‘in de coulissen van de politiek verzeild geraakte jurist’.
De naam van deze man is Gerrit Holdijk. Holdijk heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en daarmee is er deze maand een einde aan zijn 37-jarige (!) dienstverband bij de Tweede-Kamerfractie van de SGP gekomen. In 1972 trad hij daar in dienst als beleidsmedewerker ‘juridische en moeilijke zaken’. Vanaf 1977 was hij ook redactielid van het tijdschrift Zicht van het wetenschappelijk instituut van de SGP. (Klik hier voor inzage in het speciale nummer dat de redactie van Zicht afgelopen zaterdag aan Holdijk heeft aangeboden; dat nummer verschijnt later deze week, ik heb het inmiddels, mij toegeschoven vanuit de boezem van de partij, met veel plezier gelezen.) Sinds 1986 is hij, met een korte onderbreking, lid van de Eerste Kamer, sinds 1987 is hij lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Beide laatste ambten blijft hij bekleden. Hij was en is een staatkundig-gereformeerd buitenbeentje. Hij koestert afwijkende standpunten over ‘theocratie’ en het beruchte vrouwenstandpunt. In de SGP is hij als christelijke conservatief ‘verzeild geraakt’.

Holdijk had, sinds 1971, ook zijn eigen juridische adviesbureau. En iedere woensdag fietste hij van Apeldoorn naar Uddel om zijn moeder te helpen op haar boerderij. Na haar overlijden is hij op die boerderij gaan wonen. Hij wordt in het werk op de boerderij bijgestaan door een tractor uit 1947, die hij vorig jaar heeft laten restaureren.

Holdijk heeft één keer de landelijke pers gehaald. Bij het debat over de toestemmingswet voor het voorgenomen huwelijk van prins Maurits en een dochter van Van den Broek (in 1998) en later (in 2001) bij een vergelijkbaar debat over Willem-Alexander en Maxima, stond hij ernstig te mopperen achter het spreekgestoelte. Geen gezeur, zo luidde in essentie zijn standpunt: de Oranjes zijn protestants, en die ‘onaantastbare traditie’ mag niet worden doorbroken door huwelijken met roomse burgermeisjes. Toenmalig premier Kok was daar zwaar chagrijnig over. Maar Holdijk vroeg zich doodgemoedereerd af waarom hij niet ‘op een ontspannen en volwassen manier over de verschillen in beleving van de historie’ had mogen spreken.
Het indrukwekkendst vond ik een optreden van Holdijk in het voorjaar van 2000. Prins Constantijn trad toen in het huwelijk met een dochter van Brinkhorst. Holdijk behoorde als senator tot de genodigden maar hij ging niet. Hij wilde niet in een situatie terechtkomen waarin hij de vader van de bruid, bewindsman op Landbouw, de hand moest schudden. Brinkhorst was ten tijde van de MKZ-crisis politiek verantwoordelijk voor de preventieve ruiming van gezonde koeien. ‘Het uit puur economische motieven op grote schaal doden van gezonde dieren gaat naar mijn diepste overtuiging radicaal in tegen de zorgplicht voor vee dat aan ons is toevertrouwd’.*
Aan Holdijks lijf geen polonaise, en bij hem zeker geen toneelstukje om de feestvreugde niet te bederven. Recht is recht, krom is krom. 'Politici' als Gerrit Holdijk, die om hun onafhankelijkheid en onversaagdheid diep respect afdwingen, dreigen, vrees ik, tot een uitstervend ras te gaan behoren.
*Voor wie wil weten wat hij zich bij die ‘zorgplicht’ moet voorstellen, verwijs ik naar twee miniatuurtjes van Koos van Zomeren over boer Van den Dikkenberg uit Lunteren (die ik hier uit ruimtegebrek niet in extenso kan citeren): Koos van Zomeren, Ruim duizend dagen werk (De Arbeiderspers, 2000), pp. 847-848.
3.6.09
Mooi feestje
Nog één keer, en dan houd ik erover op: het was een mooi feestje, gisteravond in de Rooksalon van de Tweede Kamer, voor Menno de Bruyne. Een verslag is hier te bekijken en hier.
Op de foto hieronder feliciteer ik Menno en geef hem een cadeautje dat mij wel gepast leek: een publicatie van professor F. C. Gerretson over Groen van Prinsterer (al is de kans groot dat Menno deze publicatie al had, maar dan toch niet in deze vorm: het is een overdruk van een uitvoerig artikel uit 1915 met aantekeningen van de grote Gerretson zelf.)

En in de HP/De Tijd van deze week staat het stukje dat ik heb geschreven over het boekje dat Menno gisteren aangeboden heeft gekregen - met 25 artikelen van hem zelf en 25 'felicitaties en herinneringen' van mensen (politici en journalisten) met wie Menno de afgelopen vijfentwintig jaar te maken heeft gehad:
Ongeschreven codes
Op het Binnenhof is hij een beroemdheid, maar daarbuiten zullen slechts weinig mensen hem kennen. Menno de Bruyne (Goes, 1957) werkt als voorlichter voor de fractie van de SGP – voor een partij dus die niet overal even serieus wordt genomen en daardoor zelfs haar subsidies dreigt te verliezen. Menno herdenkt deze week dat hij zijn partij al 25 jaar trouw heeft gediend in zijn functie als ‘de mond van’, in dit geval van fractievoorzitter Bas van der Vlies, die met zijn meer dan 10.000 (!) dienstdagen de huidige nestor van de Tweede Kamer is. Dat is, tussen haakjes, het aardige van SGP’ers: ze zijn zonder bijbedoelingen naar Den Haag gekomen. Omdat ze toch nooit in de regering zullen komen, blijven ze waarvoor ze zijn gekomen en zien ze hun baan niet als een eerste opstapje naar iets veel hogers en beters. Vandaar die vooroorlogse staaltjes van anciënniteit in hun fractie.
Tegelijk is Menno meer, veel meer dan alleen maar de terecht onzichtbare voorlichter van een tweemansfractie. Hij is een wat a-typische SGP’er – hij gaat zijn weg door het leven met gepaste zwier en wilde haren en een outfit die het ook in een Oxfords college goed zou doen. En hij is een algemeen erkend expert op het gebied van het koninklijk huis, ons staatsrecht en de parlementaire geschiedenis. Dat maakt hem tot een wandelende encyclopedie van de Nederlandse politieke geschiedenis, en daarmee voor journalisten van alle soort en kleur een veel geraadpleegde bron van kennis. Toen Hans Wiegel, bijvoorbeeld, in 1999 het tweede kabinet-Kok in de Eerste Kamer liet struikelen, was één telefoontje naar Menno genoeg om precies te weten wanneer en hoe het eerder was gebeurd dat een kabinet in de Senaat ten val kwam.
Ter gelegenheid van zijn jubileum hebben collega’s een vriendenboekje samengesteld. Dat boekje valt in twee delen uiteen. Er staan 25 kortere stukken in met herinneringen en felicitaties van mensen met wie Menno de afgelopen decennia te maken heeft gehad. Van een (zeer geslaagd!) gedicht van onze minister van Defensie, Eimert van Middelkoop, tot waarderende woorden van journalisten en meditatieve bijdragen van partijgenoten.
Het andere deel bestaat uit artikelen van Menno de Bruyne zelf: beschouwingen over ons politieke bestel, over de rol van het huis van Oranje, en over de parlementaire geschiedenis. Wat is nu eigenlijk de status van een vice-premier, wat de rol van de koningin bij een kabinetsformatie of bij het tekenen van een wet, wanneer en waarom vergaderen Eerste en Tweede Kamer gezamenlijk, wat zijn de records van Balkenende? En wat zei toenmalig minister Hoogervorst toen Van der Vlies zich in de wc had opgesloten?
Al dit soort vragen worden met een zeldzame combinatie van deskundigheid en lichtvoetigheid beantwoord, en maken dit deel van de publicatie tot een juweeltje. Tegelijk is er iets dat boven de inhoud van de bijdragen uitstijgt en dat is de stijl waarvan zij getuigen. Menno de Bruyne belichaamt de codes en zeden van een wereld die vervlogen is. Politiek journalist Marcel ten Hooven schrijft, m.i. volkomen terecht, dat wat de Tweede Kamer momenteel uit balans brengt – in haar korte geheugen, de inflatie van al te grote woorden en permanente haast – bij Menno, bij zijn trouw aan ongeschreven codes en de lichte toets van zijn zelfrelativering, weer in balans komt. Daarmee is dit boekje verplichte kost voor alle Binnenhofbewoners en Binnenhofwatchers.
N.a.v. Menno de Bruyne, Open vensters (uitgeverij De Banier, € 9,95)
Op de foto hieronder feliciteer ik Menno en geef hem een cadeautje dat mij wel gepast leek: een publicatie van professor F. C. Gerretson over Groen van Prinsterer (al is de kans groot dat Menno deze publicatie al had, maar dan toch niet in deze vorm: het is een overdruk van een uitvoerig artikel uit 1915 met aantekeningen van de grote Gerretson zelf.)

En in de HP/De Tijd van deze week staat het stukje dat ik heb geschreven over het boekje dat Menno gisteren aangeboden heeft gekregen - met 25 artikelen van hem zelf en 25 'felicitaties en herinneringen' van mensen (politici en journalisten) met wie Menno de afgelopen vijfentwintig jaar te maken heeft gehad:
Ongeschreven codes
Op het Binnenhof is hij een beroemdheid, maar daarbuiten zullen slechts weinig mensen hem kennen. Menno de Bruyne (Goes, 1957) werkt als voorlichter voor de fractie van de SGP – voor een partij dus die niet overal even serieus wordt genomen en daardoor zelfs haar subsidies dreigt te verliezen. Menno herdenkt deze week dat hij zijn partij al 25 jaar trouw heeft gediend in zijn functie als ‘de mond van’, in dit geval van fractievoorzitter Bas van der Vlies, die met zijn meer dan 10.000 (!) dienstdagen de huidige nestor van de Tweede Kamer is. Dat is, tussen haakjes, het aardige van SGP’ers: ze zijn zonder bijbedoelingen naar Den Haag gekomen. Omdat ze toch nooit in de regering zullen komen, blijven ze waarvoor ze zijn gekomen en zien ze hun baan niet als een eerste opstapje naar iets veel hogers en beters. Vandaar die vooroorlogse staaltjes van anciënniteit in hun fractie.
Tegelijk is Menno meer, veel meer dan alleen maar de terecht onzichtbare voorlichter van een tweemansfractie. Hij is een wat a-typische SGP’er – hij gaat zijn weg door het leven met gepaste zwier en wilde haren en een outfit die het ook in een Oxfords college goed zou doen. En hij is een algemeen erkend expert op het gebied van het koninklijk huis, ons staatsrecht en de parlementaire geschiedenis. Dat maakt hem tot een wandelende encyclopedie van de Nederlandse politieke geschiedenis, en daarmee voor journalisten van alle soort en kleur een veel geraadpleegde bron van kennis. Toen Hans Wiegel, bijvoorbeeld, in 1999 het tweede kabinet-Kok in de Eerste Kamer liet struikelen, was één telefoontje naar Menno genoeg om precies te weten wanneer en hoe het eerder was gebeurd dat een kabinet in de Senaat ten val kwam.
Ter gelegenheid van zijn jubileum hebben collega’s een vriendenboekje samengesteld. Dat boekje valt in twee delen uiteen. Er staan 25 kortere stukken in met herinneringen en felicitaties van mensen met wie Menno de afgelopen decennia te maken heeft gehad. Van een (zeer geslaagd!) gedicht van onze minister van Defensie, Eimert van Middelkoop, tot waarderende woorden van journalisten en meditatieve bijdragen van partijgenoten.
Het andere deel bestaat uit artikelen van Menno de Bruyne zelf: beschouwingen over ons politieke bestel, over de rol van het huis van Oranje, en over de parlementaire geschiedenis. Wat is nu eigenlijk de status van een vice-premier, wat de rol van de koningin bij een kabinetsformatie of bij het tekenen van een wet, wanneer en waarom vergaderen Eerste en Tweede Kamer gezamenlijk, wat zijn de records van Balkenende? En wat zei toenmalig minister Hoogervorst toen Van der Vlies zich in de wc had opgesloten?
Al dit soort vragen worden met een zeldzame combinatie van deskundigheid en lichtvoetigheid beantwoord, en maken dit deel van de publicatie tot een juweeltje. Tegelijk is er iets dat boven de inhoud van de bijdragen uitstijgt en dat is de stijl waarvan zij getuigen. Menno de Bruyne belichaamt de codes en zeden van een wereld die vervlogen is. Politiek journalist Marcel ten Hooven schrijft, m.i. volkomen terecht, dat wat de Tweede Kamer momenteel uit balans brengt – in haar korte geheugen, de inflatie van al te grote woorden en permanente haast – bij Menno, bij zijn trouw aan ongeschreven codes en de lichte toets van zijn zelfrelativering, weer in balans komt. Daarmee is dit boekje verplichte kost voor alle Binnenhofbewoners en Binnenhofwatchers.
N.a.v. Menno de Bruyne, Open vensters (uitgeverij De Banier, € 9,95)
27.5.09
Lof van Menno
Mijn goede vriend Menno de Bruyne herdenkt dezer dagen dat hij al 25 jaar in dienst is van de Tweede-Kamerfractie van de SGP. In de geest spreek ik hem als volgt toe:
Beste Menno,
Je fietste als tiener naar de school in Goes waar ook onze premier school ging, en daarna ging je in Leiden rechten studeren, en daarna ben je in Den Haag voor de SGP gaan werken. Dat heb je volgehouden, tot op de dag van vandaag. En zo ben je erg Haags geworden, zij het op een Britse manier. Maar vóór alles ben je Zeeuw gebleven, afkomstig van het eiland van Kortgene en Colijnsplaat. Toen ik daar op een mooie zomerdag eens verzeild raakte, belde ik je op en vertelde je mij wat het beste restaurant van het dorp was. Mijn vrouw en ik aten er mosselen en dronken er een fles sprankelende witte wijn bij. Het eerste glas hebben we op jou geheven. En dat doen we nu weer: saluut!

We horen niet vaak van je. Dat past ook niet bij je functie. Je bent immers ‘de mond van’, in dit geval van fractievoorzitter Bas van der Vlies, die met zijn meer dan 10.000 (!) dienstdagen de huidige nestor van de Tweede Kamer is. Dat is, tussen haakjes, het aardige van jullie SGP’ers: jullie zijn zonder bijbedoelingen naar Den Haag gekomen. Jullie zullen toch nooit in de regering komen. Jullie blijven dus waarvoor jullie zijn gekomen en zien jullie baan niet als een eerste opstapje naar iets veel hogers en beters. Vandaar die vooroorlogse staaltjes van anciënniteit in jullie fractie.
We hebben elkaar in 1994 leren kennen, en we hebben elkaar vanaf het begin graag gemogen – ook toen er enige verwijdering kwam omdat ik bij een organisatie kwam te werken waartoe jij om professionele redenen enige afstand moest bewaren. Ik liep graag bij je langs, in die fraaie kamer met oude meubels die we het Herenlogement hebben gedoopt. Als ik geluk had rook ik op de gang pijptabak en wist ik dat senator Gerrit Holdijk er ook was. Gul deelde je altijd koffie en sigaren en ging je je op zijn allerplezierigst aan een mateloze woordenrijkheid te buiten.
Je humor is vermaard. In het partijblad De Banier heb je een vaste rubriek, de ‘Haagse propjes’. Als propjesschieter wil je nog wel eens mikken op de vroegere, nu kleinlinkse vrienden van de ChristenUnie, die helaas, zo bleek keer op keer, over heel wat minder humor en relativeringsvermogen bleken te beschikken dan jij zelf.
Eén keer heb ik je geïnterviewd, voor een serie over de boekerij van min of meer bekende Nederlanders. In je fraaie appartement in de Haagse wijk Marlot had je een hele avond nodig om te vertellen over je unieke collectie boeken over de Nederlandse parlementaire geschiedenis, die in alle hoeken en gaten van iedere kamer was weggestouwd. Later erfde je de bibliotheek van een vergelijkbare fanaat op het gebied van politieke boeken. Je pikte er zo’n tien boeken uit die je nog niet had – en nu was je collectie toch echt compleet, verzekerde je – en kon daarna de meeste van de duizenden boeken aan anderen doorgeven.
Je hebt ze nog gelezen ook, al die boeken. En daarmee ben je aan het Binnenhof – dat je als geen ander kent - uitgegroeid tot een wandelende encyclopedie van de Nederlandse politieke geschiedenis. Toen Hans Wiegel in 1999 het tweede kabinet-Kok beentje lichtte, was een telefoontje naar jou genoeg om precies te weten wanneer en door wiens toedoen en waarom er eerder in de Eerste Kamer een kabinet ten val was gekomen.
Met je kennis en kunde en je onmodieuze positie belichaam jij een staatsrechtelijke degelijkheid die ons bestel door alle stormen van veranderingen en vernieuwingen heen draagt, en daarmee iets dat nauwelijks nog bestaat.
In 1972 organiseerde de universiteit Groningen een meerdaags, geleerd congres over de historicus Johan Huizinga. Toen hij daar jaren later op terugblikte schreef Ernst Kossmann dat die bijeenkomst zozeer door een ‘elitair en evenwichtig welbehagen’ was beheerst dat het leek of een bepaalde stijl met een laatste buiging afscheid van de samenleving nam.
Aan die uitspraak heb ik moeten denken toen ik dezer dagen aan jou dacht. Dit stukje is dus niet alleen maar een felicitatie, maar ook een revérence. Naar jou en de stijl en traditie die je belichaamt.
Nu zijn wij Calvinisten nuchtere mensen. Maar toch hebben ook wij wel eens heimelijke dagdromen. In mijn mooiste zijn jij en ik lid van de Tweede Kamer. We vormen een tweemansfractie, en dat willen we graag zo houden. We voeren dus geen landelijke campagnes, maar gaan wel regelmatig het land in om met onze achterban te praten. Onze achterban, dat zijn christelijke conservatieven, oud-CHU’ers zeg maar, mensen aan wie jij en ik niets hoeven uit te leggen.
We delen een fractiekamer waarin een oude Chesterfield staat, twee mahoniehouten bureaus en een reusachtige boekenkast waarin de ganse parlementaire geschiedenis en het werk van Edmund Burke en Groen van Prinsterer zijn samengebracht. Een koelkastje herbergt de borrelfles waaruit we ons aan het einde van de middag een glaasje inschenken. Geen kamerbode die er iets van durft te zeggen wanneer we daarbij tevreden gaan zitten roken.
Op dinsdag gaan jij en ik samen in de Posthoorn lunchen en bestuderen we de Kameragenda voor die week bestuderen. Jij doet Zeeland, ik Gouda. Terug aan het Binnenhof lezen we kamerstukken onder klassiek geklank, en ik zie jouw gedachten regelmatig afdwalen en dat je dan een dichtbundel van Ida Gerhardt pakt of een wandelgids voor het Engelse platteland.
Het werk van onze fractie wordt ondersteund door een heus wetenschappelijk instituut, het Ds. J. T. Doornenbal Instituut. We hebben dit kantoor naar de beroemde hervormde predikant van Oene vernoemd omdat we ons geïnspireerd weten door zijn visie op de politiek. In februari 1964 moest ds. Doornenbal in Deventer voor de SGP spreken. Op de uitvlucht: ‘Maar ik ben helemaal geen lid van de SGP!’, had hij ten antwoord gekregen: ‘Dat hindert niet!’. Toen moest hij dus wel gaan, en raakte hij verzeild in de ‘vreemdste politieke samenkomst die ooit op deze planeet gehouden is’. Over politiek is niet gepraat, want daarvan had ds. Doornenbal ook, naar eigen zeggen, ‘niet het allerminste benul’. Hij sprak over de heiliging van de rustdag, maar ten slotte leek de bijeenkomst meer op een gezelschap dan op een politieke vergadering. ‘Elk besprak zijn stand van zaken’ (Groenewegen) en ‘over alle kerkmuren van christelijke- en oud- en nog-meer-Gereformeerd’ vielen de broeders elkaar in het hart. Er was sprake van een ware oecumene, iedereen was er wonderlijk gelukkig mee en na afloop zongen ze blijde psalmen. Het was, schreef ds. Doornenbal later, ‘een alleraangenaamst samenzijn, een verrassing in deze tijd en in een plaats als Deventer. Alleen maar, het had niets met politiek te maken en daarom was het waarschijnlijk zo goed’.
Toen we deze passages uit de bundel Pastorale pennevruchten lazen, keken we elkaar aan en ik zag jou denken en jij mij: wat waren we daar graag bij geweest.
Als we elkaar wat uitvoeriger moeten spreken, gaan we in Marlot jouw hond uitlaten. Daar beramen we een motie van afkeuring omdat het kabinet het heeft bestaan het dorp Colijnsplaat te hebben laten verslonzen. We hebben het politieke tij mee en onze motie haalt het: de tweede nacht van Kersten heet die van De Bruyne-Spruyt. Het eerste felicitatietelegram komt van Hans Wiegel.
Beste Menno,
Je fietste als tiener naar de school in Goes waar ook onze premier school ging, en daarna ging je in Leiden rechten studeren, en daarna ben je in Den Haag voor de SGP gaan werken. Dat heb je volgehouden, tot op de dag van vandaag. En zo ben je erg Haags geworden, zij het op een Britse manier. Maar vóór alles ben je Zeeuw gebleven, afkomstig van het eiland van Kortgene en Colijnsplaat. Toen ik daar op een mooie zomerdag eens verzeild raakte, belde ik je op en vertelde je mij wat het beste restaurant van het dorp was. Mijn vrouw en ik aten er mosselen en dronken er een fles sprankelende witte wijn bij. Het eerste glas hebben we op jou geheven. En dat doen we nu weer: saluut!

We horen niet vaak van je. Dat past ook niet bij je functie. Je bent immers ‘de mond van’, in dit geval van fractievoorzitter Bas van der Vlies, die met zijn meer dan 10.000 (!) dienstdagen de huidige nestor van de Tweede Kamer is. Dat is, tussen haakjes, het aardige van jullie SGP’ers: jullie zijn zonder bijbedoelingen naar Den Haag gekomen. Jullie zullen toch nooit in de regering komen. Jullie blijven dus waarvoor jullie zijn gekomen en zien jullie baan niet als een eerste opstapje naar iets veel hogers en beters. Vandaar die vooroorlogse staaltjes van anciënniteit in jullie fractie.
We hebben elkaar in 1994 leren kennen, en we hebben elkaar vanaf het begin graag gemogen – ook toen er enige verwijdering kwam omdat ik bij een organisatie kwam te werken waartoe jij om professionele redenen enige afstand moest bewaren. Ik liep graag bij je langs, in die fraaie kamer met oude meubels die we het Herenlogement hebben gedoopt. Als ik geluk had rook ik op de gang pijptabak en wist ik dat senator Gerrit Holdijk er ook was. Gul deelde je altijd koffie en sigaren en ging je je op zijn allerplezierigst aan een mateloze woordenrijkheid te buiten.
Je humor is vermaard. In het partijblad De Banier heb je een vaste rubriek, de ‘Haagse propjes’. Als propjesschieter wil je nog wel eens mikken op de vroegere, nu kleinlinkse vrienden van de ChristenUnie, die helaas, zo bleek keer op keer, over heel wat minder humor en relativeringsvermogen bleken te beschikken dan jij zelf.
Eén keer heb ik je geïnterviewd, voor een serie over de boekerij van min of meer bekende Nederlanders. In je fraaie appartement in de Haagse wijk Marlot had je een hele avond nodig om te vertellen over je unieke collectie boeken over de Nederlandse parlementaire geschiedenis, die in alle hoeken en gaten van iedere kamer was weggestouwd. Later erfde je de bibliotheek van een vergelijkbare fanaat op het gebied van politieke boeken. Je pikte er zo’n tien boeken uit die je nog niet had – en nu was je collectie toch echt compleet, verzekerde je – en kon daarna de meeste van de duizenden boeken aan anderen doorgeven.
Je hebt ze nog gelezen ook, al die boeken. En daarmee ben je aan het Binnenhof – dat je als geen ander kent - uitgegroeid tot een wandelende encyclopedie van de Nederlandse politieke geschiedenis. Toen Hans Wiegel in 1999 het tweede kabinet-Kok beentje lichtte, was een telefoontje naar jou genoeg om precies te weten wanneer en door wiens toedoen en waarom er eerder in de Eerste Kamer een kabinet ten val was gekomen.
Met je kennis en kunde en je onmodieuze positie belichaam jij een staatsrechtelijke degelijkheid die ons bestel door alle stormen van veranderingen en vernieuwingen heen draagt, en daarmee iets dat nauwelijks nog bestaat.
In 1972 organiseerde de universiteit Groningen een meerdaags, geleerd congres over de historicus Johan Huizinga. Toen hij daar jaren later op terugblikte schreef Ernst Kossmann dat die bijeenkomst zozeer door een ‘elitair en evenwichtig welbehagen’ was beheerst dat het leek of een bepaalde stijl met een laatste buiging afscheid van de samenleving nam.
Aan die uitspraak heb ik moeten denken toen ik dezer dagen aan jou dacht. Dit stukje is dus niet alleen maar een felicitatie, maar ook een revérence. Naar jou en de stijl en traditie die je belichaamt.
Nu zijn wij Calvinisten nuchtere mensen. Maar toch hebben ook wij wel eens heimelijke dagdromen. In mijn mooiste zijn jij en ik lid van de Tweede Kamer. We vormen een tweemansfractie, en dat willen we graag zo houden. We voeren dus geen landelijke campagnes, maar gaan wel regelmatig het land in om met onze achterban te praten. Onze achterban, dat zijn christelijke conservatieven, oud-CHU’ers zeg maar, mensen aan wie jij en ik niets hoeven uit te leggen.
We delen een fractiekamer waarin een oude Chesterfield staat, twee mahoniehouten bureaus en een reusachtige boekenkast waarin de ganse parlementaire geschiedenis en het werk van Edmund Burke en Groen van Prinsterer zijn samengebracht. Een koelkastje herbergt de borrelfles waaruit we ons aan het einde van de middag een glaasje inschenken. Geen kamerbode die er iets van durft te zeggen wanneer we daarbij tevreden gaan zitten roken.
Op dinsdag gaan jij en ik samen in de Posthoorn lunchen en bestuderen we de Kameragenda voor die week bestuderen. Jij doet Zeeland, ik Gouda. Terug aan het Binnenhof lezen we kamerstukken onder klassiek geklank, en ik zie jouw gedachten regelmatig afdwalen en dat je dan een dichtbundel van Ida Gerhardt pakt of een wandelgids voor het Engelse platteland.
Het werk van onze fractie wordt ondersteund door een heus wetenschappelijk instituut, het Ds. J. T. Doornenbal Instituut. We hebben dit kantoor naar de beroemde hervormde predikant van Oene vernoemd omdat we ons geïnspireerd weten door zijn visie op de politiek. In februari 1964 moest ds. Doornenbal in Deventer voor de SGP spreken. Op de uitvlucht: ‘Maar ik ben helemaal geen lid van de SGP!’, had hij ten antwoord gekregen: ‘Dat hindert niet!’. Toen moest hij dus wel gaan, en raakte hij verzeild in de ‘vreemdste politieke samenkomst die ooit op deze planeet gehouden is’. Over politiek is niet gepraat, want daarvan had ds. Doornenbal ook, naar eigen zeggen, ‘niet het allerminste benul’. Hij sprak over de heiliging van de rustdag, maar ten slotte leek de bijeenkomst meer op een gezelschap dan op een politieke vergadering. ‘Elk besprak zijn stand van zaken’ (Groenewegen) en ‘over alle kerkmuren van christelijke- en oud- en nog-meer-Gereformeerd’ vielen de broeders elkaar in het hart. Er was sprake van een ware oecumene, iedereen was er wonderlijk gelukkig mee en na afloop zongen ze blijde psalmen. Het was, schreef ds. Doornenbal later, ‘een alleraangenaamst samenzijn, een verrassing in deze tijd en in een plaats als Deventer. Alleen maar, het had niets met politiek te maken en daarom was het waarschijnlijk zo goed’.
Toen we deze passages uit de bundel Pastorale pennevruchten lazen, keken we elkaar aan en ik zag jou denken en jij mij: wat waren we daar graag bij geweest.
Als we elkaar wat uitvoeriger moeten spreken, gaan we in Marlot jouw hond uitlaten. Daar beramen we een motie van afkeuring omdat het kabinet het heeft bestaan het dorp Colijnsplaat te hebben laten verslonzen. We hebben het politieke tij mee en onze motie haalt het: de tweede nacht van Kersten heet die van De Bruyne-Spruyt. Het eerste felicitatietelegram komt van Hans Wiegel.
19.3.09
Kronkelen
Mijn column in de Elsevier van deze week gaat over een wetsvoorstel waarmee SGP-kamerlid Kees van der Staaij de greep van het Nederlandse parlement op Europese besluiten en vooral op de goedkeuring van nieuwe Europese verdragen wil vergroten. Op een achternamiddag kan een toevallige kamermeerderheid zo maar besluiten vergaande nationale bevoegdheden aan de Europese Unie over te dragen. Wie hart voor ons eigen land heeft, moet het initiatief van Van der Staaij dus verwelkomen. Maar de politieke realiteit van vandaag zou er wel eens voor kunnen zorgen dat de Nederlandse Kamer alle kanten op gaat kronkelen om geen steun aan dit voorstel te hoeven geven.
Lees de column verder en abonneer u hier op Elsevier.
Lees de column verder en abonneer u hier op Elsevier.
28.10.08
Onze broeders van de SGP
In de Trouw van vandaag heb ik onderstaand artikel gepubliceerd over belangrijke ontwikkelingen binnen de SGP. (De titel boven het stuk in Trouw ['Mannenbroeders niet meer Hollandse taliban'] is misleidend, omdat ik nooit van mening ben geweest dat de SGP de 'Hollandse taliban' waren.)
Twee jubilea zijn zo goed als onopgemerkt voorbijgegaan. De Staatkundig-Gereformeerde Partij vierde haar 90-jarig bestaan en haar politiek leider, Bas van der Vlies, mocht tegelijk gedenken dat hij al 10.000 dagen lid van de Tweede Kamer is.
Dat er maar zo weinig aandacht voor die twee gebeurtenissen is geweest, zullen de SGP’ers nauwelijks betreuren – als het ze al is opgevallen. Ze leven over het algemeen wat teruggetrokken en in het Reformatorisch Dagblad stond een interviewtje met Van der Vlies. En dan is het goed.
Het gebrek aan belangstelling bij de andere media is niet onbegrijpelijk. Van der Vlies is nu 27 jaar Kamerlid, en alhoewel dat opmerkelijk is in een tijd van jobhopping en kortlopende contracten, was de ARP’er Lodewijk Duymaer van Twist al eens ruim 44 jaar Kamerlid, Tilanus sr. (CHU) was het bijna 41 jaar en de liberaal Hendrik Goeman Borgesius was het 39 jaar.
Bovendien is de SGP in de ogen van velen een wat excentrieke partij, to put it mildly. Als oudste partij van het land heeft het twee opvattingen die voor de rest van Nederland onverteerbaar zijn.
In de eerste plaats menen SGP’ers dat mannen en vrouwen een geheel eigen rol in het leven hebben te spelen, en dat betekent dat vrouwen wel op de SGP mogen stemmen en er wel lid van mogen worden, maar de partij niet in enig politiek orgaan mogen vertegenwoordigen. Dat is discriminatie!, roept een enkele actiegroep, en het antwoord op de vraag of de SGP haar overheidssubsidie behoudt, is nog steeds onzeker.
Bovendien is de SGP een ‘theocratische’ partij. Dat wil zeggen dat ze graag zou zien dat de overheid en de kerk gezamenlijk het volksleven in christelijke banen zouden leiden. Ten tijde van de Republiek dachten velen er zo over en er zijn historici die menen dat dit ideaal hier of daar een jaar of wat gerealiseerd is. Erg populair is die opvatting nooit geweest en is die nooit geworden. Maar het betekende wel dat de SGP eigenlijk van mening was dat de vrijheid van godsdienst en van onderwijs anderen niet toe kwam.
Goed, met zulke standpunten is een goede pers niet bij voorbaat verzekerd. Maar daardoor is niet opgemerkt dat de partij vorige week, bij de viering van haar 90-jarig bestaan in een kaal wegrestaurant, een verrassende en belangrijke stap heeft gezet. In de eerste plaats heeft ze het woord ‘theocratie’ afgezworen. Dat riep na 11 september 2001 te veel misverstanden op. Waren de SGP’er niet onze eigen Taliban, die uiteindelijk de staat der Nederlanden volgens hun strikte religieuze opvattingen wilden inrichten?
Maar bovendien laten de SGP’ers het niet bij woorden alleen. Ze spreken ook met elkaar af dat ze de moderne, neutrale, democratisch geordende staat accepteren, en daarmee ook dat andere groepen dezelfde rechten op de vrijheid van godsdienst en onderwijs kunnen claimen. Je kunt die rechten niet voor jezelf opeisen, en van dat opeisen een van de belangrijkste activiteiten van je politieke leven maken, en ze anderen tegelijkertijd ontzeggen.
Het is een stap die de aartsvader van de christelijke politiek in Nederland, Groen van Prinsterer, 150 jaar geleden al heeft gezet, toen zulks nog opzienbarend was. En het lijkt bijna een belediging voor de lezer om er hier toch aandacht voor te vragen.
Ik doe dat toch omdat de ontwikkelingen binnen de SGP mij gewoon een beetje blij maken. Ik heb altijd gedacht dat de achterban van de partij – een paar honderdduizend mensen – het hart en bloed van de natie vormen. Als het erop aankomt, heb je ze hard nodig. Ik houd van die mensen.
Maar door die merkwaardige ideeën over vrouwen en staatsmodellen, had deze groep zich nodeloos van de rest van de samenleving geïsoleerd – of beter: hadden de leidinggevenden (want we hebben het hier nog over een echte zuil) al die gezagsgetrouwe mensen in een positie gemanoeuvreerd waarin al het talent en alle energie die erin schuil ging, al bij voorbaat kansloos en vruchteloos was. En gelooft u mij, er is daar veel talent en veel levenskracht. Maar het zat opgesloten en mocht er niet uit.
Wat we nu dus gaan zien is dat deze mensen niet meer eindeloos onder elkaar gaan zitten discussiëren over esoterische onderwerpen die alleen intern van schijnbaar belang zijn, maar dat ze vrij en vastberaden gaan meedoen aan relevante maatschappelijke discussies – op de voorwaarden zoals we die met elkaar hier in dit land hebben afgesproken en waaraan SGP’ers zelf, ondanks zichzelf, het nodige hebben bijgedragen.
Welkom in de strijd, mannenbroeders!
Twee jubilea zijn zo goed als onopgemerkt voorbijgegaan. De Staatkundig-Gereformeerde Partij vierde haar 90-jarig bestaan en haar politiek leider, Bas van der Vlies, mocht tegelijk gedenken dat hij al 10.000 dagen lid van de Tweede Kamer is.
Dat er maar zo weinig aandacht voor die twee gebeurtenissen is geweest, zullen de SGP’ers nauwelijks betreuren – als het ze al is opgevallen. Ze leven over het algemeen wat teruggetrokken en in het Reformatorisch Dagblad stond een interviewtje met Van der Vlies. En dan is het goed.
Het gebrek aan belangstelling bij de andere media is niet onbegrijpelijk. Van der Vlies is nu 27 jaar Kamerlid, en alhoewel dat opmerkelijk is in een tijd van jobhopping en kortlopende contracten, was de ARP’er Lodewijk Duymaer van Twist al eens ruim 44 jaar Kamerlid, Tilanus sr. (CHU) was het bijna 41 jaar en de liberaal Hendrik Goeman Borgesius was het 39 jaar.
Bovendien is de SGP in de ogen van velen een wat excentrieke partij, to put it mildly. Als oudste partij van het land heeft het twee opvattingen die voor de rest van Nederland onverteerbaar zijn.
In de eerste plaats menen SGP’ers dat mannen en vrouwen een geheel eigen rol in het leven hebben te spelen, en dat betekent dat vrouwen wel op de SGP mogen stemmen en er wel lid van mogen worden, maar de partij niet in enig politiek orgaan mogen vertegenwoordigen. Dat is discriminatie!, roept een enkele actiegroep, en het antwoord op de vraag of de SGP haar overheidssubsidie behoudt, is nog steeds onzeker.
Bovendien is de SGP een ‘theocratische’ partij. Dat wil zeggen dat ze graag zou zien dat de overheid en de kerk gezamenlijk het volksleven in christelijke banen zouden leiden. Ten tijde van de Republiek dachten velen er zo over en er zijn historici die menen dat dit ideaal hier of daar een jaar of wat gerealiseerd is. Erg populair is die opvatting nooit geweest en is die nooit geworden. Maar het betekende wel dat de SGP eigenlijk van mening was dat de vrijheid van godsdienst en van onderwijs anderen niet toe kwam.
Goed, met zulke standpunten is een goede pers niet bij voorbaat verzekerd. Maar daardoor is niet opgemerkt dat de partij vorige week, bij de viering van haar 90-jarig bestaan in een kaal wegrestaurant, een verrassende en belangrijke stap heeft gezet. In de eerste plaats heeft ze het woord ‘theocratie’ afgezworen. Dat riep na 11 september 2001 te veel misverstanden op. Waren de SGP’er niet onze eigen Taliban, die uiteindelijk de staat der Nederlanden volgens hun strikte religieuze opvattingen wilden inrichten?
Maar bovendien laten de SGP’ers het niet bij woorden alleen. Ze spreken ook met elkaar af dat ze de moderne, neutrale, democratisch geordende staat accepteren, en daarmee ook dat andere groepen dezelfde rechten op de vrijheid van godsdienst en onderwijs kunnen claimen. Je kunt die rechten niet voor jezelf opeisen, en van dat opeisen een van de belangrijkste activiteiten van je politieke leven maken, en ze anderen tegelijkertijd ontzeggen.
Het is een stap die de aartsvader van de christelijke politiek in Nederland, Groen van Prinsterer, 150 jaar geleden al heeft gezet, toen zulks nog opzienbarend was. En het lijkt bijna een belediging voor de lezer om er hier toch aandacht voor te vragen.
Ik doe dat toch omdat de ontwikkelingen binnen de SGP mij gewoon een beetje blij maken. Ik heb altijd gedacht dat de achterban van de partij – een paar honderdduizend mensen – het hart en bloed van de natie vormen. Als het erop aankomt, heb je ze hard nodig. Ik houd van die mensen.
Maar door die merkwaardige ideeën over vrouwen en staatsmodellen, had deze groep zich nodeloos van de rest van de samenleving geïsoleerd – of beter: hadden de leidinggevenden (want we hebben het hier nog over een echte zuil) al die gezagsgetrouwe mensen in een positie gemanoeuvreerd waarin al het talent en alle energie die erin schuil ging, al bij voorbaat kansloos en vruchteloos was. En gelooft u mij, er is daar veel talent en veel levenskracht. Maar het zat opgesloten en mocht er niet uit.
Wat we nu dus gaan zien is dat deze mensen niet meer eindeloos onder elkaar gaan zitten discussiëren over esoterische onderwerpen die alleen intern van schijnbaar belang zijn, maar dat ze vrij en vastberaden gaan meedoen aan relevante maatschappelijke discussies – op de voorwaarden zoals we die met elkaar hier in dit land hebben afgesproken en waaraan SGP’ers zelf, ondanks zichzelf, het nodige hebben bijgedragen.
Welkom in de strijd, mannenbroeders!
13.12.07
Mannenbroeders
Het VVD-congres van afgelopen zaterdag stond geheel in het teken van de vraag of de partij de gelederen zou sluiten, of dat de onrust zou voortduren en een voortijdig vertrek van Mark Rutte en partijvoorzitter Jan van Zanen de liberalen nog dieper in de crisis zou storten waarin het sinds het duel Rutte-Verdonk verkeert. Maar Rutte, en Van Zanen, mochten blijven, en de partijleider oogstte een ovationeel applaus toen hij afkondigde dat ‘de vijand in het Torentje zit’, en nergens anders. Dat is politiek, inderdaad: het onderscheiden van vriend en vijand.
In de marge van het partijcongres voerden de liberale burgerheren echter nog een andere discussie. Uitgedaagd door de ‘projectgroep individualisering’ en de ‘projectgroep maatschappelijke participatie’ beloofde VVD-kamerlid Willibrord van Beek dat zijn fractie zich gaat inzetten voor een wetswijziging die voorkomt dat de mannenbroeders van de Staatkundig Gereformeerde Partij nog langer overheidssubsidie krijgen. De SGP was die subsidie in september 2005 kwijt geraakt, maar de Raad van State oordeelde vorige week dat dat besluit, destijds genomen door toenmalig minister Remkes van Binnenlandse Zaken, onterecht was en dat de partij over 2006 en 2007 alsnog subsidie moet ontvangen, inclusief een voorschot op het komende jaar.
‘Wij zijn ook geschrokken van de uitspraak’, aldus Van Beek. ‘Er mag geen misverstand bestaan hoe de VVD denkt over gelijke rechten, ook van mannen en vrouwen. Gelijke behandeling ligt ons na aan het hart.’
De SGP is in 1918 opgericht – kort na de Pacificatie die o.a. een grondwetswijziging omvatte die stemrecht voor vrouwen in de toekomst mogelijk zou maken - en is sinds 1922 in de Tweede Kamer vertegenwoordigt, steevast met twee zetels. De partij onderscheidt zich duidelijk van alle andere partijen. Zo staat zij een ‘theocratie’ voor, en mogen vrouwen (sinds kort) wel lid worden van de partij maar mogen zij die niet in enig politiek lichaam vertegenwoordigen. Het ‘regeerambt’ komt alleen de man toe, vindt de partij.
Daar is de VVD het dus niet mee eens, en die partij wil nu dus een wetswijziging om de subsidiëring van de SGP alsnog te blokkeren. Dat is spijtig. Aan het voornemen van de VVD ligt de overtuiging ten grondslag dat democratie niet een orde is, een podium waarop verschillende partijen als representanten van verschillende levensbeschouwingen met elkaar in debat gaan, maar een proces waarbinnen een progressief programma moet worden gerealiseerd.
Natuurlijk is de democratische ruimte niet onbegrensd. Er dient overeenstemming te bestaan over de spelregels. Je verschilt hartgrondig van mening over tal van zaken, maar dat mag er niet toe leiden dat je elkaar beledigt of oproept tot geweld tegen elkaar. Iedereen heeft toegang tot grondwettelijk verankerde rechten en vrijheden zolang je die niet misbruikt, bijvoorbeeld door ze voor jezelf op te eisen maar ze voor anderen af te willen schaffen zodra je daartoe kans ziet. Tolerantie immers is geen zaak van onverschilligheid maar is het met pijn erkennen en verdragen van andersdenkenden, zelfs als je de macht hebt om die andersdenkenden het zwijgen op te leggen of te marginaliseren (door ze bijvoorbeeld uit te sluiten van subsidie).
Binnen deze opvatting van democratie is het bestaan van de SGP geen enkel probleem. Natuurlijk heeft de moderniteit tot ‘verworvenheden’ geleid die de SGP afwijst. Maar aan beledigingen gaan SGP-politici zich niet te buiten, en aan oproepen tot geweld hebben zij zich nooit bezondigd. Je kunt ze er zelfs niet van verdenken dat zij Nederland met politieke middelen grondig zouden willen verbouwen zodra ze de kans zouden krijgen. “Als de SGP ooit macht zou krijgen, dan gaat er niet veel veranderen in Nederland, maar is er al veel veranderd”, zei partijleider Van der Vlies ooit. Die uitspraak is de ultieme concessie aan het democratisch bestel.
De discussie rond de SGP heeft natuurlijk extra urgentie gekregen door de komst van de islam en de aanpassing aan moderne waarden en normen die wij van moslims vragen. Maar, zoals de Britse historicus Michael Burleigh heeft geschreven, de ruimte die bijvoorbeeld orthodoxe Joden, sikhs en Chinese immigranten hebben geëist (en gekregen) ‘vormt geen onderdeel van een campagne voor territoriale uitsluiting of een bewuste verwerping van ook maar de geringste aanpassing’.
Inderdaad: politiek is het onderscheiden van vriend en vijand, en dat kan de VVD maar zeer ten dele.
*) Eveneens verschenen als column in Binnenlands Bestuur.
In de marge van het partijcongres voerden de liberale burgerheren echter nog een andere discussie. Uitgedaagd door de ‘projectgroep individualisering’ en de ‘projectgroep maatschappelijke participatie’ beloofde VVD-kamerlid Willibrord van Beek dat zijn fractie zich gaat inzetten voor een wetswijziging die voorkomt dat de mannenbroeders van de Staatkundig Gereformeerde Partij nog langer overheidssubsidie krijgen. De SGP was die subsidie in september 2005 kwijt geraakt, maar de Raad van State oordeelde vorige week dat dat besluit, destijds genomen door toenmalig minister Remkes van Binnenlandse Zaken, onterecht was en dat de partij over 2006 en 2007 alsnog subsidie moet ontvangen, inclusief een voorschot op het komende jaar.
‘Wij zijn ook geschrokken van de uitspraak’, aldus Van Beek. ‘Er mag geen misverstand bestaan hoe de VVD denkt over gelijke rechten, ook van mannen en vrouwen. Gelijke behandeling ligt ons na aan het hart.’
De SGP is in 1918 opgericht – kort na de Pacificatie die o.a. een grondwetswijziging omvatte die stemrecht voor vrouwen in de toekomst mogelijk zou maken - en is sinds 1922 in de Tweede Kamer vertegenwoordigt, steevast met twee zetels. De partij onderscheidt zich duidelijk van alle andere partijen. Zo staat zij een ‘theocratie’ voor, en mogen vrouwen (sinds kort) wel lid worden van de partij maar mogen zij die niet in enig politiek lichaam vertegenwoordigen. Het ‘regeerambt’ komt alleen de man toe, vindt de partij.
Daar is de VVD het dus niet mee eens, en die partij wil nu dus een wetswijziging om de subsidiëring van de SGP alsnog te blokkeren. Dat is spijtig. Aan het voornemen van de VVD ligt de overtuiging ten grondslag dat democratie niet een orde is, een podium waarop verschillende partijen als representanten van verschillende levensbeschouwingen met elkaar in debat gaan, maar een proces waarbinnen een progressief programma moet worden gerealiseerd.
Natuurlijk is de democratische ruimte niet onbegrensd. Er dient overeenstemming te bestaan over de spelregels. Je verschilt hartgrondig van mening over tal van zaken, maar dat mag er niet toe leiden dat je elkaar beledigt of oproept tot geweld tegen elkaar. Iedereen heeft toegang tot grondwettelijk verankerde rechten en vrijheden zolang je die niet misbruikt, bijvoorbeeld door ze voor jezelf op te eisen maar ze voor anderen af te willen schaffen zodra je daartoe kans ziet. Tolerantie immers is geen zaak van onverschilligheid maar is het met pijn erkennen en verdragen van andersdenkenden, zelfs als je de macht hebt om die andersdenkenden het zwijgen op te leggen of te marginaliseren (door ze bijvoorbeeld uit te sluiten van subsidie).
Binnen deze opvatting van democratie is het bestaan van de SGP geen enkel probleem. Natuurlijk heeft de moderniteit tot ‘verworvenheden’ geleid die de SGP afwijst. Maar aan beledigingen gaan SGP-politici zich niet te buiten, en aan oproepen tot geweld hebben zij zich nooit bezondigd. Je kunt ze er zelfs niet van verdenken dat zij Nederland met politieke middelen grondig zouden willen verbouwen zodra ze de kans zouden krijgen. “Als de SGP ooit macht zou krijgen, dan gaat er niet veel veranderen in Nederland, maar is er al veel veranderd”, zei partijleider Van der Vlies ooit. Die uitspraak is de ultieme concessie aan het democratisch bestel.
De discussie rond de SGP heeft natuurlijk extra urgentie gekregen door de komst van de islam en de aanpassing aan moderne waarden en normen die wij van moslims vragen. Maar, zoals de Britse historicus Michael Burleigh heeft geschreven, de ruimte die bijvoorbeeld orthodoxe Joden, sikhs en Chinese immigranten hebben geëist (en gekregen) ‘vormt geen onderdeel van een campagne voor territoriale uitsluiting of een bewuste verwerping van ook maar de geringste aanpassing’.
Inderdaad: politiek is het onderscheiden van vriend en vijand, en dat kan de VVD maar zeer ten dele.
*) Eveneens verschenen als column in Binnenlands Bestuur.
Subscribe to:
Posts (Atom)