Showing posts with label ds. Doornenbal. Show all posts
Showing posts with label ds. Doornenbal. Show all posts

30.1.12

Ds. L. Kievit in Putten (1945)

De razzia die het Veluwse dorp Putten in oktober 1944 zo heeft geschonden en ontredderd, is een van de meest tragische gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Het verzet pleegde in de nacht van zaterdag 30 september op zondag 1 oktober 1944 een aanslag op een passerende auto met Duitse militairen. Eén Duitse officier kwam daarbij om het leven. De Duitsers namen diezelfde nacht nog wraak door Putten te omsingelen en daarna meedogenloze vergeldingsmaatregelen te treffen. Ruim honderd woningen werden in brand gestoken, zes mannen en een jonge vrouw doodgeschoten, en 660 mannen werden vanuit de hervormde Oude Kerk afgevoerd naar het concentratiekamp Neuengamme, waarvandaan zij naar verschillende andere kampen werden getransporteerd.

Na de oorlog, die voor Putten op 18 april 1945 eindigde, keerden slechts 48 mannen naar Putten terug, van wie er vijf kort daarna alsnog overleden. Het dorp rouwde om 552 doden, en telde 308 weduwen en 667 weeskinderen. Hoe hun mannen en vaders aan hun einde waren gekomen, wisten de nabestaanden vaak niet eens. ‘Er is zoveel geleden in Putten, dat achterbleef na de oorlog als een dorp van weduwen’, schreef ds. J. T. Doornenbal. ‘Als een akker is Putten geploegd geworden’ (Overpeinzingen van een pelgrim, 3e dr., 1995, p. 276).







Putten was een hervormd dorp. Tachtig procent van de bevolking behoorde tot de Nederlandse Hervormde Kerk, de Christelijk-Historische Unie was de grootste partij. In oktober 1944 was de hervormde gemeente vacant. Ds. C. B. Holland (1878-1948) had zich in 1930 aan de gemeente verbonden, en was in mei 1944 (tegen zijn zin) met emeritaat gegaan. Hij bleef hulpprediker maar kreeg lange tijd geen opvolger. Holland stond op 10 mei 1945, Hemelvaartsdag, voor de zware opgave om een eerste dodenlijst met 187 namen in een halfduistere dorpskerk voor te lezen aan een wanhopige schare die sinds 1 oktober 1944 niets meer over het lot van de weggevoerden had vernomen. In de dagen daarna bezocht hij vele families en gezinnen, tot het hem fysiek te zwaar werd en hij in de herfst van 1945 zijn hulppredikerschap om gezondheidsredenen moest neerleggen.

Putten had inmiddels een nieuwe herder en leraar gekregen in de persoon van ds. Leendert Kievit (1918-1990), die in augustus 1945 door zijn vader, ds. Izaäk Kievit, aan de gemeente was verbonden. Kievit jr. kwam van Schoonrewoerd. Enkele jaren na het overlijden van ds. Holland verscheen er een bundel preken van hem in druk, met een voorwoord van ds. L. Kievit. Hij prees zijn voorganger daarin als een man wiens uitspraken ‘even kras als raak’ waren geweest, ‘zonder iemand te sparen en recht op de man af. Zijn woorden hadden het gewicht der waarheid en nooit zwichtte hij voor menselijke weerstand’. Ds. Holland had voor het Woord gebeefd en uit dat Woord geleefd (Licht en leiding, 1950).

L. Kievit (1918-1990) zal voor vele lezers van Ecclesia geen onbekende zijn. Bij zijn overlijden hebben dr. W. Aalders en dr. M. Verduin hem in deze kolommen met sympathie en waardering herdacht. Verduin haalde vooral de levendige, reformatorische prediking van Kievit naar voren, waarbij de ‘trouw van God in de geslachten’ centraal stond en de hoorders ‘zonder omhaal van woorden oog in oog werden gezet met Christus’. Kievit was een belezen theoloog met een uitzonderlijk taalgevoel, en tegelijk een ‘man met een diepe pastorale bewogenheid’. Aalders tekende hem als een ‘fijnzinnig en artistiek mens’, ook als ‘de man uit Baarn’, de gentleman uit het oude villadorp, ‘de uitwonende, weggetrokken uit de idylle van zijn jeugd, uit zijns vaders huis, uit zijn land en maagschap.’

Zijn vader Izaäk Kievit (1887-1954) was sinds 1923 tot aan zijn emeritaat in 1952 predikant in Baarn en was een grote in het kerkelijke Israël. Hij had eigenlijk, als professor Hugo Visscher zijn zin had gekregen, moeten promoveren op de relatie tussen de filosoof René Descartes (1596-1650) en de gereformeerde theologie, en als hij dat had gedaan had Kievit sr. zijn grote gaven van hoofd en hart ongetwijfeld op een leerstoel kwijt gekund. Maar hij werd predikant. Wel heeft hij in Baarn jarenlang een contio geleid, waarbij hij theologische lezingen verzorgde voor een groep jonge predikanten die daar voor de rest van hun leven door gevormd zijn. Die kring was ontstaan doordat Kievit jr. en zijn jeugdvriend P. C. (Piet) Kuiper, de later zo beroemd geworden psychiater, als Utrechtse studenten vrienden mee naar huis namen om met Kievit sr. over tal van onderwerpen van gedachten te wisselen. Als gymnasiasten hadden Kievit jr. en Kuiper al onder leiding van Kievit sr. het werk van de filosoof Immanuël Kant gelezen, en als student in de geneeskunde (psychiatrie) heeft Kuiper meer dan eens bijdragen aan de bijeenkomsten geleverd over onderwerpen op het raakvlak van psychologie en theologie.

Tot de bezoekers van de maandelijkse Baarnse contio’s behoorde ook de bekende, reeds genoemde ds. J. T. Doornenbal (1909-1975). Hij beschouwde zich als een geestelijke zoon van ds. I. Kievit en was levenslang bevriend met ds. L. Kievit, die hij vooral bewonderde om zijn manier van preken. Nadat hij de preek had gehoord waarmee Kievit jr. ds. C. Balke in 1956 als zendingspredikant bevestigde, schreef Doornenbal: ‘zoals hij ’t kan, kan niemand het, zo fris en levendig en tegelijk zo zuiver. Mijn oude, dorre hart wordt altijd verkwikt onder zijn woord en verwarmd door het vuur van zijn geest. Hij weet de dingen zo treffend te zeggen en zo helemaal op zijn eigen manier: “Vader Balke heeft vier zoons, en hij moet er minstens één afstaan. God heeft maar één Zoon en Hij gaf Hem …”’ (Pastorale pennevruchten, 1994, pp. 38-39).





Maar goed, dit is allemaal gezegd en geschreven over de man ds. Kievit, die na zijn periode in Putten (1945-1952) nog predikant is geweest in Woerden, opnieuw Putten, Leiden en Gouda. Toen hij zich in augustus 1945 aan de gemeente van Putten verbond, was Kievit een jonge man, 27 jaar oud, en stond hij voor de taak een getraumatiseerde gemeente en gemeenschap te troosten en te leiden door de verkondiging van het Woord van God. Hoe kun je in die situatie het heil en de troost van het Evangelie uitdragen, zonder de genade door clichés en dooddoeners goedkoop te maken? Jaren later erkende Kievit in een interview met het opinieweekblad De Tijd (6 januari 1978) dat hij het er erg moeilijk mee had gehad. ‘Ik moet eerlijk zeggen: ik had er natuurlijk geen woorden voor. Het is onmogelijk in die omstandigheden aan te komen met: het zal wel ergens goed voor zijn, je zult het wel verdiend hebben, of: na regen komt zonneschijn. Het worden allemaal banaliteiten.’ Velen vonden in Putten steun in hun geloof in God, zoals ook de weggevoerde Puttenaren die hadden gevonden. ‘Eén overlevende zei: Je had in het kamp maar één keus: je moest je vasthouden aan God of aan het prikkeldraad’. Maar er waren ook Puttenaren die met hun vuist op tafel sloegen en met de kerk braken. Kievits eigen dienstmeisje verliet de kamer wanneer Kievit uit de Bijbel begon voor te lezen. ‘Ze had een broer verloren en zei: “dat kan ik niet meer horen dominee”.’ Voor Kievit zelf was het ‘een worsteling’ geweest. Dat betrof niet alleen de herdenkingsdiensten die hij in oktober 1945 moest leiden, zo kort na zijn bevestiging in Putten, maar ook de jaren daarna, toen hij iedere avond om zeven uur via eenzelfde route door het dorp liep om de vaderloze kinderen naar binnen en naar bed te jagen.

Bovendien moest hij natuurlijk pastorale bezoeken afleggen aan vrouwen die hun man en/of hun zoons hadden verloren. Zijn ‘verschrikkelijkste ervaring’, de ontmoeting die de diepste indruk op hem maakte, was een huisbezoek dat hij samen met een ouderling aflegde. (Kievit heeft niet alleen in De Tijd van dit voorval verhaald, maar ook in een herdenkingstoespraak die hij op 2 oktober 1984 in Putten heeft gehouden en die in De Waarheidsvriend van 11 oktober 1984 is gepubliceerd). De naam van die ouderling was Dirk Schuitemaker en hij had zijn twee zoons verloren, Cornelis van 20 jaar oud en Gerrit van 22 jaar oud. Bij de onthulling van het standbeeld van de vrouw van Putten op 1 oktober 1949 was deze Schuitemaker voorgesteld aan koningin Juliana, die hem had gevraagd hoe hij door zoveel leed had kunnen doorkomen. Schuitemaker had geantwoord dat hij dat nooit had gekund wanneer hij niet had geweten dat God de Heere Zijn toevlucht en troost was geweest. Om daar in liefde tegenover de getroffen koningin de vraag aan toe te voegen of zij daar nu zelf ook iets van mocht kennen.







Met deze man ging Kievit op huisbezoek. In sommige straten moesten ze hun bezoeken huis aan huis afleggen. Ze kwamen ook bij een vrouw die haar man kort voor de oorlog had verloren, van wie één zoon ver weg was gegaan en van wie nog één zoon bij haar thuis woonde. Tijdens het bezoek sloeg zij plotseling het vloerkleed weg, liet een luik zien, en zei: ‘Hieronder zat mijn zoon verscholen. Ik heb hem er haast aan z’n haren moeten uittrekken. Ik heb hem gezegd: je moet je melden en doe het nu maar, want de Duitsers hebben gezegd dat ze het hele dorp platbranden en dan verbrand je hier levend. Hij is gegaan en ik heb hem nooit meer teruggezien. Het huis is niet afgebrand. Kunnen jullie zoiets begrijpen?’, riep ze. ‘Ik hoor haar nog schreeuwen’, zei Kievit dertig jaar later in het interview met De Tijd.
Ds. Kievit probeerde wat te zeggen maar de vrouw zei tegen hem: ‘Och man, je bent nog zo jong en je hebt niks meegemaakt.’ Schuitemaker had tot dan gezwegen, maar nu boog hij zich wat voorover en zei voor het eerst wat. ‘Vrouw, heb ik ook niks meegemaakt?’ ‘Ja Dirk’, zei ze, ‘jij bent ook een jongen kwijt.’ ‘Ja twee’, zei hij toen. ‘En hoeveel had je er?’ ‘Twee.’ ‘O Dirk’, zei ze, ‘dat is haast nog erger. Twee jongens en twee kwiet, kun je dat begriepen?’ Toen zei Schuitemaker: ‘God had één Jongen en Hij wilde Hem kwijt voor jou en voor mij, voor jouw en mijn kinderen. Kun je dat begrijpen?’

Schuitemaker kon dat zeggen, omdat hij zelf immers zijn twee zonen had verloren. Als Kievit het had gezegd, ‘had dat niets betekend’, zei hij zelf. Bovendien had hij zelf ‘aan zoiets natuurlijk ook veel steun’. ‘Ik ben dat antwoord nooit vergeten, want Schuitemaker richtte zomaar het kruis op in het midden van het gesprek, in het midden van de nood en in het midden van de zorg. En dat alleen het kruis van de Heere Jezus Christus troost en rust kan bieden. En die vrouw, die nog nooit had kunnen huilen, een jaar later nog niet, barstte in snikken uit en zei: “Daar heb ik niet aan gedacht”.’ Zoals uit het hierboven gegeven citaat van ds. Doornenbal bleek, gebruikte Kievit het beeld van een vader die zijn zoon moest afstaan zelf ook in de bevestigingsdienst van ds. C. Balke als zendingspredikant. ‘De Heere had er Zijn Zoon voor over. En Hij had er maar één. Vader Balke heeft er vijf. Hij heeft er één voor over, gelukkig, om de zaligheid Gods bekend te maken onder de heidenen. Maar God had er, in geheel eenige zin, Zijn eigen lieve Zoon voor over. En u weet wel wat dat gekost heeft. Daar kunnen wij ons geen voorstelling van maken’ (Gods weg met de heidenen, pp. 259-260; Doornenbal had zich dus één zoon verrekend).

Voor het interview met De Tijd uit januari 1978 was een concrete aanleiding. De VARA had kort daarvoor een TV-documentaire over de gebeurtenissen van oktober 1944 uitgezonden (Putten op de Veluwe, het spoor terug naar de tragedie van 1944). Die documentaire was niet geheel onverdienstelijk, maar had een bedenkelijke leidraad: dat zoveel Puttenaren in de kampen om het leven waren gekomen, kwam door hun kerk en geloof. De gepredikte lijdzaamheid was een voedingsbodem van berusting en fatalisme geweest en had daarmee aan hun ondergang bijgedragen. Puttenaren geloofden dat alles was voorbeschikt, dat alles ging zoals het moest gaan en dat het daarom geen enkele zin had je tegen je lot te verzetten.

De Puttenaren waren nogal ontstemd over de documentaire. Niet alleen omdat oude wonden werden opengereten, maar vooral vanwege de verkeerde voorstelling van zaken, die, dachten ze, vanuit een anti-kerkelijk vooroordeel moest zijn gegeven. Kievit riep tegenover deze beeldvorming in herinnering dat Putten zich in de oorlog alles behalve passief had opgesteld. Putten had vele onderduikers geherbergd, er waren hier wapendroppings vanuit Engeland geweest en Putten had meegewerkt aan vluchtlijnen voor Engelse vliegers. En van het ‘stomme lot’ had hij nooit gesproken. ‘Wanneer je ervan uitgaat dat het van God komt, kun je er tenminste nog iets mee doen, meer dan met dat stomme lot. Tot God kun je bidden, je kunt met Hem praten, je kunt Hem zoeken. Er blijft natuurlijk iets raadselachtigs in, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Een ander kun je niet aanpraten dat zoiets van God komt maar het is natuurlijk wel een Bijbels gegeven. God slaat en God straft en dan worden veel mensen boos.’

Hoezeer de houding van Kievit verschilde van het beeld dat in de documentaire werd geschetst, blijkt vooral uit de preken die hij in 1945 in Putten heeft gehouden, met name uit zijn intredepreek over Jesaja 61:2c (26 augustus 1945) en de twee preken over Job 5 die hij een jaar na de deportatie heeft uitgesproken (2 oktober 1945). In deze preken is geen spoor van valse lijdelijkheid. Het Evangelie is er niet om ‘alle noden en zorgen op de bodem van een weemoedig hart te laten liggen’. En de preken zijn al evenmin een filosofische poging om een theodicee (rechtvaardiging van het Godsbestuur) in elkaar te knutselen. ‘In het boek Job gaat het niet om de oplossing van een raadsel, doch om de onthulling van het Heilige.’ De preken zijn pastoraal en ontdekkend tegelijkertijd, en doen precies wat Schuitemaker deed in het gesprek met die weduwe: zij richten het kruis op in het midden van alle vragen, nood en zorg, en wijzen de weg naar de troost en rust in de Heere Jezus Christus.

In de intredepreek stelde Kievit de vraag aan de orde waarom God hem naar het geteisterde, in leed en rouw gedompelde Putten had gezonden. ‘Wat trekt mij aan in u, wat beweegt de Heere tot u?’ Het was, met het woord uit Jesaja, om de treurigen te troosten. Maar helaas is onze troost vaak niet meer dan ‘een doek van ijdele woorden’ die over de put van de smart wordt gespreid, terwijl die smart daaronder nog even zwart blijft gapen. Onze troost is onmachtig, ‘een spiegelgevecht met de smart. Meer niet.’ Troosten kan daarom niet anders zijn dan de Knecht des Heeren, de Messias, die in deze wereld gezonden is om de treurigen te troosten, aan de gemeente voor te stellen.

In de eerste preek over Job (hoofdstuk 5, vers 8-9) benadrukt Kievit dat God het was die Putten heeft bezocht. ‘Hij schreed door uw midden, onaantastbaar in majesteit, schrikkelijk in gerichten, omfloerst door donkerheid.’ Het komt erop aan onder dat ‘hoge bezoek’ te buigen, en dan niet alleen ‘onder God maar ook bij God’ te komen. ‘Wat gij opkropt, dat knauwt u voortdurend. Het geeft zulk een opluchting als ge er eens over praat. Welnu, praat er eens met de Heere over, zo raad ik u. Beter adres is er immers niet.’ De God van het Woord is niet de afgod van de stugge stilte waartegenover slechts stomme gelatenheid past.

In de tweede preek over Job (hoofdstuk 5, vers 17-18) gaat het over het geluk van de mens die door God wordt bestraft. Want God doet smart en Hij verbindt, Hij doorwondt en Zijn handen helen. Niets is zo erg als wanneer God niet meer spreekt en Zijn hand aftrekt. Daar hebben we het wel naar gemaakt. Maar nu straft Hij nog om te behouden. God is geen zachte heelmeester, aldus Kievit. ‘Hij doet smart aan, Hij doorwondt. Ja, dat wordt niet verdoezeld, het is smartelijk. Wij worden niet slechts lichtelijk gekwetst, maar vreselijk doorkerfd, letterlijk verbrijzeld. Bloedig gaapt de wonde, uiteengereten is het hart, niets minder. De Almachtige is niet zachtzinnig, de smart vlijmt door de ziel. Hij hanteert het mes meesterlijk, zonder aarzeling. Een ruw handwerk, dat opereren? Ach nee, iedere hardvochtigheid is Hem vreemd. De Almachtige is Israëls Heelmeester. Het móet. Zijn hand beeft niet, maar Zijn hart trilt van ontferming. Hij, Hij doet smart aan en doorwondt, Hij de Heelmeester. Dat maakt het draaglijk, dat geeft kracht, dat geeft verwachting. Zijn kastijding is nooit ten dode, doch ten leven. Zij is nooit onverdiend of overbodig, zij is nooit zonder einde en zonder doel. Wie Hij onder handen neemt, zal Hij behandelen, en daarin willen wij Hem loven.’

Deze enkele citaten laten duidelijk genoeg zien op welk een geestelijke en pastorale wijze ds. Kievit in die moeilijke periode gezouten woorden van heil en troost vanuit het Evangelie aan de rouwende Puttenaren heeft mogen spreken. Blijkbaar heeft deze prediking ook een helende uitwerking gehad, kracht geschonken aan de Puttenaren om door te gaan en hun leven te herpakken, hun identiteit te hervinden en te behouden. Enkele jaren later maakte een groep van Puttenaren een reis naar de plaats in Duitsland waar veel afgevoerde mannen om het leven waren gekomen. ‘Toen wij in 1950’, vertelde Kievit in De Tijd, ‘voor het eerst een reis naar het kamp in Duitsland maakten en in Ladelund een gezamenlijke kerkdienst hielden met de Luthers-Evangelische kerk, die veel had gedaan voor het begraven van de slachtoffers en voor de registratie van de namen, zeiden sommige Puttenaren tegen me: u moet niet het Onze Vader bidden, want vergeven kan ik niet. Maar ze groeiden er toch naar toe en toen kon het wel. Zeer velen vonden juist in die tijd veel steun in hun geloof in God. De meesten zijn ook behoorlijk door al dat leed heen gekomen, ook al door de grote saamhorigheid en burenhulp over en weer.’


Ieder jaar worden de gebeurtenissen uit oktober 1944 in Putten herdacht. De thema’s uit de preken die Kievit zijn bovendien tijdloos – het lijden en het mysterie van Gods beproevingen en kastijdingen. Er is dus altijd goede reden om hierop terug te zien. Maar er is nu een extra reden, en die is gelegen in de publicatie van een theologische scriptie over de preken van ds. Kievit uit 1945. Deze sciptie, geschreven door de heer M. G. M. Mudde, biedt niet alleen een nieuwe editie van de drie belangrijke preken van ds. Kievit (over Jesaja 61 en Job 5) maar ook een analyse van de inhoud en een toelichting van de historische omstandigheden. Het boekje, dat van harte kan worden aanbevolen, heeft inmiddels al zoveel aftrek gevonden dat een tweede druk in voorbereiding is, dit keer met een bijdrage van prof. dr. W. Balke, die een goede vriend van zowel Kievit sr. als Kievit jr. is geweest. Wie het boekje wil bestellen kan zich in verbinding stellen met de auteur via dit emailadres: mudde-kievit@solcon.nl.

N.a.v. M. G. M. Mudde, Een goede raad en een grote troost. Onderzoek naar de preken van ds. L. Kievit na de Puttense razzia (1945-1952).


Dit artikel is eerder verschenen in het blad Ecclesia.

31.1.11

'Laatste Achterberg' in Langbroek begraven

In Langbroek, een dorp onder Doorn, heb ik maandagmiddag de begrafenis bijgewoond van een man die ik, helaas, nooit heb ontmoet. Zijn naam was Hendrik (Henk) Achterberg, de jongste broer van de dichter Gerrit Achterberg. Hij werd bijna 94 jaar oud en was de laatste nog levende uit het gezin van negen kinderen dat woonde in een boerderij waarvan Gerrit Achterberg schreef dat de godsdienst er zwaar tegen de hanebalken hing. Die boerderij heet Klein Jagerstein en staat aan de Langbroekerdijk, misschien een kilometer verwijderd van de Hervormde dorpskerk waar de Achterbergen kerkten en waar de rouwdienst deze middag plaats heeft. Op het kerkhof achter de kerk is hij begraven, net als zijn ouders, twee van zijn kinderen en zoveel familieleden meer, al generaties lang.





Langbroek en de Achterbergen zijn nauw aan elkaar verbonden, al eeuwen. Maar de herinnering aan Gerrit Achterberg ligt er tot op de dag van vandaag gevoelig. Gerrit schoot in december 1937, hij was toen 32 jaar oud, zijn Utrechtse hospita dood. Dat weten ze in Langbroek en ze praten er niet graag over. Henk heeft het nooit willen doen. Toen in 1985 in Langbroek een straat naar Gerrit Achterberg werd vernoemd, deed zich bij de onthulling, in het bijzijn van Gerrits weduwe en de nodige hoogwaardigheidsbekleders, een pijnlijk incident voor. Iemand fietste voorbij en schreeuwde: ‘Die moordenaar!’ Nog steeds zwijgt men maar liever over de dichter, die tien jaar na de moord het gedicht ‘Bekering’ publiceerde:

Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,
tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,
wat er ook in ons leven is gebeurd.

Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.

En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.


Aan de Langbroekerdijk, bij de stenen brug, slechts een paar huizen verwijderd van Klein Jagerstein, staat ook boerderij Snellestein, waar Francien van Donselaar woonde, het meisje met wie Henk elke dag opliep naar school, met wie hij later verkering kreeg en vele jaren gelukkig getrouwd is geweest (zij overleed op 1 januari 2004). Als zij naar school liepen, de Langbroekerdijk uit, kwamen zij langs Sandenburg, het grote witte sprookjeskasteel van de familie Van Lynden van Sandenburg, waar Henks vader, ook Hendrik geheten, als koetsier was begonnen. Achter de Oranjerie was Gerrit geboren, in 1905. Daarna was vader Hendrik gaan boeren op Klein Jagerstein. Daar was Henk ter wereld gekomen, en daar had de hooiberg gestaan waar Gerrit, zestien jaar oud, uit gevallen was. Henk, toen vijf jaar oud, was de enige ooggetuige van de smak geweest. ‘Gerrit klapte naar beneden op de stenen. Ik zie hem daar nu nog liggen en ik hoor hem nog kreunen en kermen van de pijn. Het was vreselijk. Die val wordt gerelateerd aan zijn latere levensloop. Zijn hersenen zouden door die val een dreun gekregen hebben waardoor ze niet meer normaal konden functioneren’, vertelde hij eens.

De school waar Hendrik en zijn Francien dagelijks naar toe liepen, en die dankzij de inspanningen van vader Hendrik een christelijke school was geworden, stond aan dezelfde brink als de kerk. De school is nu het Hervormd Centrum, en daar is de familie deze maandagmiddag bijeengekomen voor het begin van de rouwdienst. Een groot gezelschap: Henk en Francien kregen veertien kinderen, en tot in het vijfde geslacht zijn er nakomelingen. ‘Wij leven zoals God het wil’, zei Francien toen een kraamzuster na het tiende kind over geboortebeperking was begonnen.

De kerk is oud. Hoge ramen in witte muren. Aan weerszijden staan de hoge banken met de wapens van de vele adellijke families uit de streek. In de muur direct achter de preekstoel bevinden zich twee deuren direct naast elkaar, waar zondags de ouderlingen en diakenen door naar binnen komen. Nu rijden vier dochters van de overledene de baar door de ingang onder de toren naar binnen. Een van hen spreekt een ‘in memoriam’ uit, een ander leest een gedicht voor van de negentiende-eeuwse predikant J. J. van Oosterzee, verzen over de brief op dorrend blad die de dood hem heeft geschreven, maar die eindigen met de regel: ‘En – Dood! Waar blijft uw zegepraal?’

Ook Wim van Amerongen voert het woord. Hij schreef het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg, een persoonlijk verslag van zijn zoektocht naar sporen van de dichter in zijn geboortestreek. Henk Achterberg was een van zijn belangrijkste informanten geweest. Via het boek van Van Amerongen heb ik Henk Achterberg leren kennen en sympathie voor hem opgevat. Hij oogde gul en welgemoed op de foto’s in Van Amerongens boek. Hij had gevoel en liefde voor taal, wat in de familie veel voorkwam, had hij Van Amerongen ‘bijna vergoelijkend’ verteld. Hij had zijn vrouw zeer lief gehad. Op zijn zestiende schreef hij een gedicht over dat hij tot aan zijn overlijden als een hommage aan haar boven zijn bed had hangen. ‘O goede moeder, sterke boerenvrouw / stil als een zonnestraal / verglijdt uw leven./ Gij hoort geen uren slaan./ Uw naam is trouw / en alles wat gij doet, is geven.’/ Hij heeft veel betekend voor allen die hem hebben gekend, zoveel wordt tijdens deze dienst wel duidelijk. Een pater familias, een oprecht christenmens, die een grote lege plaats zal achterlaten in het leven van deze uitgebreide familie.



(Henk Achterberg, midden, met links Wim van Amerongen, auteur van het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg)


‘En aldaar zal geen nacht zijn’. Deze woorden uit het laatste hoofdstuk van de Bijbel stonden op de rouwkaart en daarover gaat de preek van de jonge dominee Barth. Genade, had Henk Achterberg tegen de dominee gezegd, kun je het beste omschrijven als ‘gratie met behoud van recht’. God is genadig, niet door aan de zonden voorbij te zien maar door ze te straffen in het lijden en de dood van Zijn Zoon. Over het leven is immers een nacht gevallen, de schaduw van de zonde die zich uitstrekt tot de dood. Maar God zal deze nacht verdrijven. Zoals Jezus’ eerste komst de gratie heeft gebracht, zo zal Zijn tweede komst het licht van de eeuwige dag brengen. Wij leven tussen die twee komsten in, en nu is het van tweeën één, hebben wij of de nacht van de zonde lief of het licht van God. Henk was een kind van Gods gratie en licht geweest.

Het is koud en grijs, deze maandagmiddag, de in het vooruitzicht gestelde zon, die hier van rijke symbolische betekenis zou zijn geweest, blijft verborgen. Op de dodenakker denk ik aan ds. J. T. (Ko) Doornenbal (1909 – 1975), de vriend van Gerrit Achterberg. Hij groeide op in het naburige Doorn en kerkte in zijn jeugd geregeld hier in de Hervormde Kerk van Langbroek (soms ook wel in het oud-gereformeerde kerkje dat verderop langs de provinciale weg staat, wat verworpen een meter of tien van de straatkant af). Ko was ook een boerenzoon, en dichterlijk aangelegd. De Achterbergen en de Doornenballen zijn zelfs verwant. Op de begraafplaats zie ik de grafsteen van Rijk Achterberg en zijn vrouw Marrigje Doornenbal. Marrigje was een zuster van de vader van ds. Doornenbal, Rijk was een neef van de vader van Gerrit en Henk. Doornenbal was bij de begrafenis van Gerrit en sprak het Onze Vader uit in huis en aan het graf, en hij was bij de begrafenis van de oude Hendrik, die samen met zijn vrouw Pietje ook hier op de Langbroekse dodenakker begraven ligt. Ook deze Hendrik werd 93 jaar oud. 'De winterwind woei koud over het kerkhof met de vele zerken en grafstenen van de oude adellijke en boerengeslachten die hier begraven liggen', schreef Doornenbal in 1968. 'Gerrit Achterberg heeft, vooral in zijn latere jaren, de band die hem met zijn vader verbond steeds nauwer gevoeld, en al vaker vond hij de weg naar de ouderlijke woning Klein Jagersteyn aan de Langbroeker Wetering. Het is nu voorbij, zoals zo veel. Huiverende kou over het kerkhof en de grafzerken. "Afgeschreven op een steen".' Zelf ligt Doornenbal een kilometer of wat verderop begraven, in Doorn, naast zijn ouders. Henk wordt ter aarde besteld in hetzelfde graf als zijn vrouw Francien, naast de twee kinderen die hen ontvielen.

‘De laatste Achterberg’, zo noemt Van Amerongen hem in de kerk. Wie zich in de levensloop van Henk verdiept, in zijn gaven van hoofd en hart, vraagt zich bijna als vanzelf af of deze man niet – net als Doornenbal – een leven vertegenwoordigde dat verdwijnt. Een eenvoudig, christelijk leven naar hervormde snit, dat zonder veel tierelantijnen leeft uit gratie en licht en dat vooral gééft. Dominee Barth spreekt over de erfenis van Henk Achterberg. Die moeten we wel ontvangen en niet verkwanselen maar bewaren en ook weer doorgeven. Tot de tweede komst. Misschien nog wel tot in het vijfde geslacht.







PS: De door Doornenbal geciteerde woorden 'Afgeschreven op een steen' zijn ontleend aan het gedicht 'Deïsme' van Gerrit Achterberg (VG 922): 'De mens is voor een tijd een plaats van God./ Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen,/ dan wordt hij afgeschreven op een steen.'

17.12.09

Benno Barnard over ds. Doornenbal

Op zijn weblog bij het Belgische weekblad Knack vervolgt Benno Barnard zijn bespreking van mijn boek over ds. J. T. Doornenbal. Barnard slaat aan het associëren, met als gevolg dat er een derde artikel zal volgen. 'Speciaal voor de mens die met een koevoet maat 68 uit het grote historische continuüm is losgewrikt', schrijft Barnard, 'bestrijd ik de onzalige Gallische superstitie dat verlicht-zijn niet zou samengaan met (a) christendom en (b) conservatisme. Daarom ben ik zo blij dat ik Doornenbal heb ontmoet, een christelijk conservatief die uitgesproken verlicht is... Maar wat houdt dat christelijke conservatisme van Doornenbal en zijn biograaf nu in? En hoe verwant moet ik mij daarmee voelen?'


Zelfportret als J.T. Doornenbal (2)

Ik geef u twee dominees ter overweging. De eerste, Balthasar Bekker, was afkomstig uit het Friese dorp Metslawier en leefde van 1634 tot 1698, in de Gouden Eeuw van de vooruitstrevende handelsrepubliek der Nederlanden. Deze predikant publiceerde in 1691-93 het boek 'De Betooverde Wereld', een baksteen, nee, een hoeksteen van de Nederlandse Verlichting, een achthonderd pagina's tellend betoog tegen het geloof in hekserij en de macht van de duivel en demonen over de mens, waarin Bekker zich beroept op Descartes. Een gewone dorpsdominee. Descartes. Achthonderd pagina's.

Hij had het als humanist natuurlijk in het Latijn kunnen schrijven, maar hij verkoos het Nederlands om een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Want, beste Vlamingen, al die Hollanders hadden van de reformatie leren lezen - weinig culturele omslagen in de wereldgeschiedenis hebben zo sterk bijgedragen tot de emancipatie als het protestantisme. (Ook het communisme zou mensen leren lezen en schrijven, maar dan met de van nul psychologisch inzicht getuigende bedoeling om ze verplicht gelukkig te maken.)

Dankzij twee vertalingen in het Duits heeft 'De Betooverde Wereld' de Verlichting in de Duitse landen diepgaand beïnvloed. De laatste aanklacht wegens hekserij dateert daar van 1775, terwijl het laatste proces in de Nederlandse Republiek al in 1608 had plaatsgevonden. De Aufklärung van Moses Mendelssohn en Frederik de Grote en Immanuel Kant had het een en ander te danken aan die dominee. (U ziet dat de Verlichting niet overal in oppositie met het christelijk geloof is ontstoken.)

Nu een Duitse dominee. Onlangs zag ik 'Das weisse Band', een tamelijk onthutsende, in zwart-wit gedraaide film over een feodaal gebleven Pruisisch dorp in het laatste jaar voor de Grosser Krieg (hoe onthullend trouwens dat niemand de Duitse benaming van die oorlog kent). Het verhaalt gaat over vreemde, sadistische en verschrikkelijke gebeurtenissen, hiërarchische verhoudingen die niet meer functioneren, gewelddadige opvoedingspraktijken - die samen de psychologische achtergrond van het nazisme zouden vormen, dat volgens de makers in de Duitse culturele structuur zat ingebakken. Daar geloof ik niets van, want ook de Engelsen en de Fransen tuigden hun kinderen graag met een lederen broeksriem af, maar de Duitsers wentelen zich nu eenmaal al vele decennia in het stof.

In 'Das weisse Band' speelt de dominee een belangrijke rol. Het is een dominee zoals ex-protestanten hem het liefste hebben, omdat ze in het kader van hun therapie sidderen van zondig genot als iemand anders van de onverwerkte godsdienst uit hun kindertijd iets onloochenbaar bespottelijks maakt. Een man met een scherp gezicht, getypecast op gevoelloosheid. Hij wordt met 'Herr Vater' aangesproken, waardoor hij semantisch al dicht bij God staat ('dominee' is trouwens de vocatief van het Latijn voor 'Heer' of 'heer'). Onder biddend opzien geeft hij zijn gebroed regelmatig een pak slaag. Ik ben er dan ook zeker van dat de scenarioschrijver door liefdeloze protestanten is opgevoed. Het hadden ook liefdeloze atheïsten kunnen zijn, maar het atheïsme is zo'n onaantrekkelijk verhaal omdat het helemaal geen verhaal is, zodat weinig mensen zich ertegen kunnen afzetten.

Een symbolische bruut van een dominee. De dominee als ondersoort van het genus der rotmoffen. Dat is althans de bedoeling. Maar ook daar geloof ik niets van. De man in de film is veel sympathieker dan hij wordt geportretteerd. Zijn twee oudste kinderen zijn rotzakken, tot wier gevoelens hij niet vermag door te dringen. Zijn mimiek wordt getekend door het verdriet van een vader die zijn nageslacht op een onmachtige manier bemint. Ja, hij is stug en onhandig. Al in zijn verzonken kindertijd gold deze onwrikbare regel: wie zijn kinderen liefheeft tuchtigt hen. In de pastorie - en in alle huizen van fatsoenlijke Pruisische burgers - verspert Deugd als een schildwacht de toegang tot de vertrekken van zijn zuster Intimiteit. Maar de arme dominee is ook het product van de Pruisische Verlichting: die staat achter hem in zijn boekenkast, zoals uit menig shot blijkt, en dat is een schildwacht die het Verstand bewaakt.

Terug naar Jacobus Teunis Doornenbal. Speciaal voor de mens die met een koevoet maat 68 uit het grote historische continuüm is losgewrikt, bestrijd ik de onzalige Gallische superstitie dat verlicht-zijn niet zou samengaan met (a) christendom en (b) conservatisme. Daarom ben ik zo blij dat ik Doornenbal heb ontmoet, een christelijk conservatief die uitgesproken verlicht is... Maar wat houdt dat christelijke conservatisme van Doornenbal en zijn biograaf nu in? En hoe verwant moet ik mij daarmee voelen?

'Naar mijn overtuiging,' schrijft Spruyt, 'belichaamt Doornenbal een traditie die "relevanter" is dan ooit. We hebben namelijk meer dan ooit behoefte aan intelligente nostalgie, aan een vorm van conservatisme die ons aanspoort en helpt om het goede - neergeslagen in ideeën, tradities en instituties - lief te hebben...' Daar ben ik het van harte mee eens, mede omdat Spruyt het conservatisme tot mijn blijde verrassing nog veel uitgebreider definieert met behulp van citaten uit mijn werk.

Wordt vervolgd

7.12.09

Benno Barnard over ds. Doornenbal

Op de website van het Belgische weekblad Knack is de dichter-schrijver-essayist Benno Barnard aan een uitvoerige bespreking begonnen van mijn boek over ds. J. T. Doornenbal: 'Zelfportret als J. T. Doornenbal'.
Hieronder het eerste deel:



Sinds ik het in 1976 voorgoed achter me heb gelaten, is mijn geboorteland zonder verder causaal verband behoorlijk onleefbaar geworden, en ik doe het graag aan Geert van Istendael cadeau, die erin liefhebbert zoals ik in België. Maar terwijl het in de tijd steeds verder van me vandaan glijdt, blijf ik het merkwaardig vinden dat zoveel ontwikkelde Vlamingen met een diepe antropologische verbazing naar de traditionele protestantse cultuur in Nederland staren, als naar een pruimenbrandewijn zwelgende stam van lichtgeraakte messentrekkers in de Balkan.

Een enkele lezende Vlaming heeft een nogal karikaturaal beeld aan Maarten 't Hart of Jan Wolkers ontleend, maar hun romans beschrijven marginale vormen van fundamentalistisch protestantisme, dat verder geen kwaad kan maar ook niet erg interessant is.

Wie werkelijk iets wil doorgronden van de schoonheden en beperkingen van de beschavingsvorm waaruit ik ben gekweekt, moet een ander, wonderlijk boek lezen, te weten 'Als je eenmaal hebt liefgehad, Over ds. J.T. Doornenbal, geloof, cultuur en politiek' van Bart Jan Spruyt (Boekencentrum, 2009). De schrijver (geboren in 1964) is historicus, gespecialiseerd in de geschiedenis van het christelijk verzet tegen Hitler, columnist van Elsevier en voorzitter van de conservatieve Edmund Burke Stichting. Ik vermeld zijn geboortejaar niet zomaar: er bestaan ook conservatieve denkers onder de tachtig.

Verbeeld ik me dat of hoor ik daar al het gekef van de vooroordelen, die het woord conservatisme volgen als poedels hun oudere dame? Er zijn zelfs twee oudere dames, die samen een wandelingetje maken, want het betreft hier een studie over christelijk conservatisme. Dat moet wel over iets dubbel vreselijks gaan! Bij die voorspelbare reactie teken ik aan dat de christianofobie onder weldenkenden een door het centrum van Jozef De Witte sterk onderschat verschijnsel is.

Jacobus Teunis Doornenbal (1909-1975) geldt voor Spruyt - zelf een christelijk conservatief, maar die overtuiging tast zijn zin voor de historische wetenschap geenszins aan - als een exemplarische figuur: geboren voor de Eerste Wereldoorlog, gestorven na mei '68. Daarmee behoort hij tot de laatste brede lichting van tolerante, cultuurdragende, door een mengeling van reformatie en humanisme gevormde dominees, een continuüm dat dankzij de secularisatie heeft opgehouden gecontinueerd te worden. Niet dat dominees als J.T. Doornenbal niet meer bestaan, maar hun plaats is naar de periferie verschoven.

Vier eeuwen lang vormden deze dominees de ruggengraat van het mystieke lichaam geheten het Nederlandse volk. Er zijn families die ononderbroken van vader op zoon dominees hebben voortgebracht, vierhonderd jaar lang, generatie na generatie. Aan domineeszaad ontsproten kinderen, zeker de exemplaren die op het platteland zijn opgegroeid, in het magische claustrum van een oeroude dorpspastorie met een grote tuin en een boomgaard, herkennen elkaar aan hun taalgebruik en hun humor, maar vooral aan hun heimwee.

De dominee! Exoot in dit Vlaanderen, steen uit de ruimte, artefact in een vitrine met voorwerpen uit de Beschaving van Calvijn, 1509-1968...

Allereerst dient de lezer te weten dat Doornenbal, zoals menige dominee, wekelijks stukjes schreef in een regionaal kerkblad. Daar moet men niet te gering over denken. Veel Nederlandse literatuur is protestants, ook als zij anti-protestants is. Maar hoeveel Vlaamse studenten in de letteren verkwisten hun tijd niet aan contemporain gezeur, zonder Gerrit Achterberg - 'godsdienst hangt zwaar tegen de hanebalken' - te kennen? In 1953 las Doornenbal de poëzie van Achterberg in het licht van de verhouding tussen het 'aesthetische en ethische' bij Kierkegaard, welke categorieën hij vergeleek met 'de strijd tussen Es en 't Ik'. Die stukjes schrijvende dominees, die figuurtjes in het achterdoek van de eigenlijke literatuur, die waren niet zo dom.

Maar terzake. Ik wil hier het conservatisme van Spruyt en Doornenbal uitleggen, en mijn eigen houding ertegenover. Doornenbal maakte de 'invasie van de moderniteit' mee en gaf zich daar voor het eerst rekenschap van toen een dienstmeisje 'aarzelend met de traditie brak door haar nieuwe kanten muts niet te vervangen door een rouwmuts toen een oudtante was gestorven die zij, nota bene, nooit had gezien'. Weldra zou iedereen 'dezelfde soort smakeloze kleding' dragen. Een nivellering naar beneden toe beroofde de Nederlanders van hun schoonheid, hun traditie, hun spiritualiteit en hun verstand.

Die Jacobus Teunis!

Maar ik herken zijn weemoed, dat besef dat een tijdperk ten einde loopt. Alles evolueert permanent, dat is al zo sinds de eerste pijlpunt. Maar de voorbije veertig jaar zijn de veranderingen zo radicaal! Ze grijpen in zo'n krankzinnig tempo plaats! Warempel, wat moet een Doornenbalachtige als ik nog in de tijd, nu de digitale technologie het geheugen van een nieuwe generatie door een collectief superbrein vervangen heeft?

Wordt vervolgd

23.11.09

Recensie in het Financieele Dagblad

In de weekendbijlage Persoonlijk van het Financieele Dagblad stond afgelopen zaterdag een recensie, geschreven door Rijk Timmer, van mijn boek over ds. Doornenbal:

'Publicist Bart Jan Spruyt draagt een conservatieve levensbeschouwing uit, maar liep tot nu toe niet te koop met zijn inspiratiebron. In zijn nieuwste boek doet hij dat wel. Met geestdrift schrijft hij over de traditionele Nederlandse
Hervormde Kerk en over de in het CDA opgegane politieke beweging van de Christelijk-Historische Unie.

Spruyts nieuwe boek gaat over dominee Jacobus Teunis Doornenbal (1909-1975), een eenvoudige dorpspredikant met uitgesproken christelijke denkbeelden maar ook met een rijk cultureel leven. Spruyt zegt dit portret geschreven te hebben omdat het beeld van de calvinistische dominee in het algemeen in Nederland steeds meer bepaald wordt door 'de afrekening met een als benepen ervaren milieu'. Daarvan is bij Doornenbal geen sprake. Hij was persoonlijk bevriend met de dichter Gerrit Achterberg en correspondeerde met Nijhoff en Roland Holst.

De dominee zelf publiceerde wekelijks in de 'Hervormde Kerkbode' voor de classis Harderwijk. Zijn pennenvruchten zijn later verzameld in zeven boeken. Het is romantisch proza, vooral als Doornenbal schrijft over de natuur en het leven in plattelandsgemeenten en vissersdorpen. Zoals over het Zeeuwse Veere onder een stralend blauwe hemel:
'Het is zwaar de volmaaktheid der dingen te zien. Het is een bron van veel vreugde en van oneindig veel leed.
Want dit hart kan de volmaaktheid niet bevatten en dragen.'

De man had grote moeite met de opkomst van een nieuwe tijd in Nederland. Hij verafschuwde de Deltawerken, de massale automobiliteit en de televisie. Over de noodzaak televisie te bestrijden schreef hij: 'Het komt mij voor dat er hier voor de regering een vrij wat gewichtiger taak ligt dan in het vervolgen van de communisten'.

Dit verlangen om het bestaande te behouden deelt Spruyt met Doornenbal. Zijn boek bevat ook een essay van
Spruyts eigen hand over christelijk conservatisme. Je hoeft christen noch conservatief te zijn om dit essay op zijn
waarde te schatten. Spruyt schrijft mooi. Conservatisme klampt zich volgens hem niet vast 'aan wat de waan van
gisteren is en dus eeuwig voorbij, maar wil in ere houden wat eeuwig geldig is'. Voor hem behoort daartoe 'zowel
een klassieke opvoeding als de kleine ethiek van de etiquette en de stijl, en een postkantoor in ieder dorp en een
treinstation in elke plaats van enige omvang'. 'Conservatisme is intelligente nostalgie', schrijft Spruyt.

Vanuit deze visie pleit hij hartstochtelijk voor de terugkeer van 'moreel kapitaal' in onze samenleving. In de huidige maatschappij wordt het samenleven volgens hem niet meer 'beleefd als een verbond tussen de levenden, de doden en de nog niet geborenen'. In Spruyts optiek geeft de niet meer bestaande Christelijk-Historische Unie het goede voorbeeld. Een beweging waarin aristocratie en de gewone man samenwerkten.

Voor dit heimwee van Spruyt biedt Doornenbal trouwens hoop. Hij was er zeker van dat zij die heimwee hebben, thuis zullen komen.'

20.11.09

Recensie op Radio1

Als je eenmaal hebt liefgehad is afgelopen woensdag besproken tijdens het VPRO radioprogramma 'Villa VPRO' (Radio 1). Beluister de uitzending hier (vanaf minuut 16'50).

17.11.09

Radio


Beluister hier de uitzending
van de zaterdagbijlage van VPRO's Avonden, waar ik een uur lang met Wim Brands (VPRO) in gesprek was over Als je eenmaal hebt liefgehad.

Tweede druk

Vandaag (woensdag) verschijnt ook de tweede druk van mijn boek over ds. J. T. Doornenbal (Als je eenmaal hebt liefgehad). Daar ben ik bijna een beetje beduusd van.

14.11.09

Ds. Doornenbal bij VPRO Boeken

Vandaag was ik een uur lang te gast bij Wim Brands van het boekenprogramma van de VPRO. Het gesprek over mijn nieuwe boek over ds. J. T. Doornenbal is hier te beluisteren (3 uur en 5 minuten na het begin van de uitzending).

7.11.09

Bij Andries Radio

Vanmorgen was ik te gast in het radioprgramma van Andries Knevel op radio 5, om te spreken over mijn boek over het christelijke conservatisme van ds. J. T. Doornenbal. De uitzending is hier te beluisteren.

Conservatief Café in de Sint-Jan

Afgelopen donderdagavond 5 november heb ik in een bijeenkomst van het Conservatief Café mijn nieuwe boek (Als je eenmaal hebt liefgehad) gepresenteerd. De bijeenkomst had plaats in de prachtige oude kerk van mijn woonplaats Gouda: de Sint-Jan. De avond was een feest. Veel oude vrienden en bekenden ontmoet in een welluidende sfeer van wellevendheid, met mooie toespraken van ds. Huib klink, Eddy Bilder en Menno de Bruyne. Het was een eer en een compliment dat er zoveel mensen waren, déze mensen, die eenzelfde zorg en liefde met elkaar delen.
Veel dank aan de organisatoren van het Conservatief Café: Wilco Boender, Rutger Schimmel en Frank Verhoef! Wilco Boender heeft op zijn website een uitvoerig verslag geplaatst, met verwijzingen naar verslagen in de media en naar andere websites.

3.11.09

Interview in HP/De Tijd over nieuwe boek

A.s. donderdagavond gaan we in de Sint-Jan in Gouda mijn nieuwe boek over het christelijke conservatisme van ds. J. T. Doornenbal presenteren. (U kunt zich hier nog aanmelden.) Op de website van HP/De Tijd staat sinds vanmorgen een interview met mij over de inhoud van het boek. U kunt dat interview hier lezen.

9.9.09

Boek is af! Presentatie op 5 november in ConservatiefCafé

Dit voorjaar en deze zomer heb ik geschreven aan een nieuw boek. Het manuscript heb ik enkele weken geleden bij de uitgever (Boekencentrum) ingeleverd. We willen het boek op 5 november in Gouda presenteren, tijdens het tweede Conservatief Café dat evenals het eerste zal worden gehouden in de bovenzaal van café de Zalm aan de Markt in Gouda. Menno de Bruyne, ds. H. Klink en Eddy Bilder (tweede Kamerlid voor het CDA) zullen daar de eerste exemplaren in ontvangst nemen.

Het boek gaat over een predikant: ds. J. T. (Co) Doornenbal. Hij werd honderd jaar geleden, in november 1909, geboren en overleed in april 1975. Hij was een boerenzoon met een dichterlijk-romantische aanleg. De dichter Gerrit Achterberg was een van zijn beste vrienden, en hij correspondeerde ook met Martinus Nijhoff en Adriaan Roland Holst. Hij was predikant in Woubrugge, Kesteren en Oene (op de Veluwe) en heeft heel zijn leven veel geschreven: lange stukken in de kerkbode, over kerkelijke en persoonlijke wederwaardigheden, over de natuur, over zijn reizen, over de boeken die hij las, de mensen die hij ontmoette, over cultuur en politiek.

Het boek biedt in de eerste plaats een portret van ds. Doornenbal. Daarop volgt een essay over het blijvende belang van zijn christelijk conservatisme. In drie appendices heb ik teksten van ds. Doornenbal uitgegeven: een lezing over de dichter Achterberg, een verhandeling over Alexander Comrie (een predikant uit de achttiende eeuw), en een preek over Jesaja 11.

Ik heb dit boek ontzettend gemakkelijk geschreven. Waarschijnlijk komt dat omdat dit onderwerp de liefde van mijn hart had, en ik dichter dan ooit bij mijzelf heb kunnen blijven. Het gaat over de geestelijke en kerkelijke traditie waaruit ik ben voortgekomen en die mij altijd heeft geïnspireerd. Ik vond het een mooie taak dat eens te expliciteren.

Ds. Doornenbal was een man die mystieke (bevindelijke) diepgang met katholieke breedte combineerde. Zijn visie op kerk en geloof, samenleving, cultuur en politiek (CHU) verdient het om aan de vergetelheid te worden ontrukt, omdat zijn christelijk-conservatieve boodschap nu misschien wel actueler is dan ooit.