Showing posts with label Recensies. Show all posts
Showing posts with label Recensies. Show all posts

15.4.10

Joseph Luns: bonhomie en bons mots

Mijn recensie in de HP/De Tijd van deze week gaat over de Luns-biografie van Albert Kersten.



Joseph Luns (1911 – 2002) is een van de bekendste en misschien ook wel beruchtste Nederlandse politici geweest. Hij begon zijn carrière als diplomaat, werd voor de KVP minister van Buitenlandse Zaken, bleef dat liefst negentien jaar lang (1952 – 1971), en werd daarna secretaris-generaal van de NAVO, van 1971 tot 1984. Luns was bovendien een verschijning: lang, een tikkeltje ijdel en deftig, maar toch vooral ook een man van de bonhomie en de bons mots. Hij zat eigenlijk nooit om een passend woord vergeleken, en was misschien wel de eerste Nederlandse politicus die van de camera hield en als het ware voor de verrekijk was geschapen.



Over een type als Luns verschenen tijdens zijn leven natuurlijk al boeken. Zo was er een boekje met de titel Gelooft u mij, het was een genoegen, en een boekje met ‘vrijmoedige herinneringen’ verteld aan journalist Michel van der Plas (Ik herinner mij). Het waren boekjes boordevol anekdotes en hilarische verhalen, moppenboeken bijna, waarin Luns zich bedoeld en onbedoeld als een conservatieve paljas afficheerde. CHU-senator Gerretson heeft wel eens gezegd dat hij zijn levenstaak zag in het ‘levensecht uitbeelden van de aartsreactionaire bullebak’. Luns had het ook gezegd kunnen hebben.

En dan is er nu de biografie van Luns door Albert Kersten. Kersten was hoogleraar diplomatieke geschiedenis aan de universiteit van Leiden en schreef ooit een mooie dissertatie over het ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens de Tweede Wereldoorlog (1981). Zijn boek over Luns is ruim 700 pagina’s dik, stevig gedocumenteerd en in vrijwel alle opzichten het tegendeel van de eerdere boekjes. Kersten is nauwelijks in de mens Luns geïnteresseerd. Zijn boek is meer een geschiedenis van de Nederlandse diplomatie en buitenlandse politiek na de Tweede Wereldoorlog dan een biografie in eigenlijke zin. Over de vrouw van Luns en zijn kinderen komen we bijvoorbeeld nauwelijks iets te weten. En voor de mooie verhalen moeten we die vroegere boekjes blijven lezen. De mooiste anekdote staat niet in het boek van Kersten maar werd verteld door oud-premier Piet de Jong tijdens de presentatie van het boek in Nieuwspoort. De Jong vertelde dat hij en Luns samen over het Plein in Den Haag liepen, en dat Luns hem vertelde dat hij die nacht opnieuw zijn ‘speciale droom’ had gehad. In die droom liepen De Jong en Luns ook over het Plein en werd De Jong door een vrachtauto overreden. Liggend op straat riep De Jong zijn minister van Buitenlandse Zaken nog toe: ‘Neem het over, Joseph! Neem het over!’ (‘Joseph’ natuurlijk op zijn Frans uitgesproken.) Luns droomde ervan premier te worden, elke keer weer in elk kabinet waarvan hij deel uitmaakte.

Het is eigenlijk wel begrijpelijk dat Kersten een heel ander boek heeft willen schrijven. Zijn boek gaat over de grote en memorabele momenten in de carrière van Luns, zoals de politieke strijd over de onafhankelijkheid van Nieuw-Guinea, zijn botsingen met de Franse president De Gaulle over de inrichting van Europa, zijn verzet tegen de geest van de jaren zestig (al bezocht Luns met een van zijn kinderen een concert van de Rolling Stones), zijn verzet tegen de te ‘lage’ huwelijken van de meisjes van Oranje, en zijn pleidooien voor minder idealisme en meer machtspolitiek realisme in het buitenlands beleid.

Kersten laat niet alleen zien dat achter de rijzige gestalte van de cabareteske Luns een onzeker persoon schuil ging, die de druk van zijn werk nauwelijks aan kon en aan flauwtes en depressies leed. Maar Luns is bovendien een persoon geweest die altijd ondergewaardeerd is. Hij was een vakman, met humor maar ook hard, die de Nederlandse verhoudingen in feite was ontgroeid en zijn levensavond doorbracht in zijn dubbele appartement in Brussel. Voor die man heeft Kersten een gepast monument opgericht.

(n.a.v. Albert Kersten, Luns: een politieke biografie; uitgeverij Boom € 39,90)

23.11.09

Recensie in het Financieele Dagblad

In de weekendbijlage Persoonlijk van het Financieele Dagblad stond afgelopen zaterdag een recensie, geschreven door Rijk Timmer, van mijn boek over ds. Doornenbal:

'Publicist Bart Jan Spruyt draagt een conservatieve levensbeschouwing uit, maar liep tot nu toe niet te koop met zijn inspiratiebron. In zijn nieuwste boek doet hij dat wel. Met geestdrift schrijft hij over de traditionele Nederlandse
Hervormde Kerk en over de in het CDA opgegane politieke beweging van de Christelijk-Historische Unie.

Spruyts nieuwe boek gaat over dominee Jacobus Teunis Doornenbal (1909-1975), een eenvoudige dorpspredikant met uitgesproken christelijke denkbeelden maar ook met een rijk cultureel leven. Spruyt zegt dit portret geschreven te hebben omdat het beeld van de calvinistische dominee in het algemeen in Nederland steeds meer bepaald wordt door 'de afrekening met een als benepen ervaren milieu'. Daarvan is bij Doornenbal geen sprake. Hij was persoonlijk bevriend met de dichter Gerrit Achterberg en correspondeerde met Nijhoff en Roland Holst.

De dominee zelf publiceerde wekelijks in de 'Hervormde Kerkbode' voor de classis Harderwijk. Zijn pennenvruchten zijn later verzameld in zeven boeken. Het is romantisch proza, vooral als Doornenbal schrijft over de natuur en het leven in plattelandsgemeenten en vissersdorpen. Zoals over het Zeeuwse Veere onder een stralend blauwe hemel:
'Het is zwaar de volmaaktheid der dingen te zien. Het is een bron van veel vreugde en van oneindig veel leed.
Want dit hart kan de volmaaktheid niet bevatten en dragen.'

De man had grote moeite met de opkomst van een nieuwe tijd in Nederland. Hij verafschuwde de Deltawerken, de massale automobiliteit en de televisie. Over de noodzaak televisie te bestrijden schreef hij: 'Het komt mij voor dat er hier voor de regering een vrij wat gewichtiger taak ligt dan in het vervolgen van de communisten'.

Dit verlangen om het bestaande te behouden deelt Spruyt met Doornenbal. Zijn boek bevat ook een essay van
Spruyts eigen hand over christelijk conservatisme. Je hoeft christen noch conservatief te zijn om dit essay op zijn
waarde te schatten. Spruyt schrijft mooi. Conservatisme klampt zich volgens hem niet vast 'aan wat de waan van
gisteren is en dus eeuwig voorbij, maar wil in ere houden wat eeuwig geldig is'. Voor hem behoort daartoe 'zowel
een klassieke opvoeding als de kleine ethiek van de etiquette en de stijl, en een postkantoor in ieder dorp en een
treinstation in elke plaats van enige omvang'. 'Conservatisme is intelligente nostalgie', schrijft Spruyt.

Vanuit deze visie pleit hij hartstochtelijk voor de terugkeer van 'moreel kapitaal' in onze samenleving. In de huidige maatschappij wordt het samenleven volgens hem niet meer 'beleefd als een verbond tussen de levenden, de doden en de nog niet geborenen'. In Spruyts optiek geeft de niet meer bestaande Christelijk-Historische Unie het goede voorbeeld. Een beweging waarin aristocratie en de gewone man samenwerkten.

Voor dit heimwee van Spruyt biedt Doornenbal trouwens hoop. Hij was er zeker van dat zij die heimwee hebben, thuis zullen komen.'

20.11.09

Recensie op Radio1

Als je eenmaal hebt liefgehad is afgelopen woensdag besproken tijdens het VPRO radioprogramma 'Villa VPRO' (Radio 1). Beluister de uitzending hier (vanaf minuut 16'50).

1.9.09

Boekenprogramma VPRO

Sinds kort zendt de VPRO iedere woensdagmiddag, tussen 4 uur en half vijf, op radio 1 een nieuw boekenprogramma uit. Het panel wisselt elke week van samenstelling, en de VPRO heeft gevraagd of ik zo af en toe ook eens mee wil doen, morgen (2 september) om te beginnen. De andere deelnemers zijn Nelleke Noordervliet en Natasja van den Berg. We mogen zelf een boek uitkiezen om het over te hebben, en ik heb het boek van Christopher Caldwell klaar gelegd: een goed boek over hoe de islam onze samenleving heeft veranderd, en de noodzaak om in het licht daarvan onze liberale waarden opnieuw te definiëren. De vertaling van het boek (Reflections on the Revolution in Europe: Immigration, Islam, and the West) is net verschenen bij uitgeverij Ambo o.d.t.: De Europese Revolutie: hoe de islam ons voorgoed veranderde. De Engelse titel is natuurlijk veel mooier, als variatie op het hoofdwerk van Edmund Burke: Reflections on the Revolution in France (1790).
Het boek van Caldwell is uitstekend, minder paniekerig en apocalyptisch dan vergelijkbare boeken van Bruce Bawer, Tony Blankley, Mark Steyn, Claire Berlinski en Melanie Phillips (die op onjuiste demografische cijfers zijn gebaseerd), en bijna net zo goed als dat van Bruce Thornton (Decline and Fall: Europe's Slow-Motion Suicide, Encounter Books, 2007), waarvan, vrees ik, wel nooit een Nederlandse vertaling zal verschijnen.

22.4.09

Europa's eerste revolutie*

De scheiding van kerk en staat is een christelijke verworvenheid, en het resultaat van een revolutie die wij ons weer bewust moeten worden, zo blijkt uit een magistraal boek van Tom Holland.
Hieronder mijn laatste lange recensie voor HP/De Tijd. Ik word twee keer gehalveerd: de frequentie gaat van één keer per twee weken naar één keer per maand en de lengte van 1000 naar 475 woorden.



Wie een boek opent dat begint met de zin: ‘Uitgerekend de slechtste tijd van het jaar voor een reis – en ook nog eens een heel slecht jaar’, die weet onmiddellijk dat het boek dat hij in handen houdt een bijzonder boek is. Want ook al is deze zin uit het oorspronkelijke Engels in het Nederlands vertaald, en ook al maakt de auteur zelf niet duidelijk waarnaar hij met deze woorden verwijst, je hoort toch direct de beginregels van het gedicht ‘Journey of the Magi’ van T. S. Eliot (hier geciteerd in de vertaling van Martinus Nijhof):

Het was een koude tocht,
En de slechtste tijd van het jaar
Voor een reis, voor zulk een verre reis.
De wegen modderig, het weer guur,
De winter op zijn strengst.


In het oorspronkelijke gedicht van Eliot staan deze regels tussen aanhalingstekens. Zij zijn een citaat, afkomstig uit een zeventiende-eeuwse preek, uitgesproken door Lancelot Andrewes, een bisschop die Eliot zo zeer om zijn ingetogen proza bewonderde dat hij hem niet alleen citeerde in een gedicht (zonder bronvermelding), maar ook een heel essay aan hem wijdde.

T. S. Eliot, een zeventiende-eeuwse bisschop, een gedicht en een preek over de lange en moeitevolle reis van de Bijbelse ‘wijzen uit het oosten’, die een ster aan de hemel hebben zien staan en door die ster te volgen uitkomen bij de stal in Bethlehem waar de Zoon van God is geboren – deze hele traditie klinkt mee (maar voor hoeveel mensen is dit nog herkenbaar?) in de openingszin van het nieuwe boek van Tom Holland.

Holland gebruikt het citaat niet voor een betoog over de wijzen uit het oosten, maar voor de barre tocht die de Duitse keizer Hendrik IV in 1076 met een gevolg van zo’n vijftig man aflegde. Het was het einde van de decembermaand, het sneeuwde al weken achter elkaar en in de Alpen lag de sneeuw hoger dan ooit. Hendrik en zijn gezelschap, die zigzaggend de steile Mont Cenis beklommen, werd dan ook door de lokale bevolking geraden terug te keren en de missie tot het voorjaar uit te stellen.

Maar dat deed Hendrik niet. Hij zette door, sneeuwstormen en strenge vorst trotserend, soms op handen en voeten kruipend, gewond en geschaafd, tot eind januari van het jaar 1077 aan toe. Het laatste stuk van zijn reis, die als bestemming een vesting in de Apennijnen had – het kasteel Canossa - , liep hij blootsvoets en ging hij gehuld in wol, zonder enige koninklijke luister. Hij hield zijn hoofd gebogen en tranen stroomden over zijn gezicht. Hij verdroeg de vernedering om drie dagen lang, te midden van andere boetelingen, rillend van de kou in de sneeuw voor de poorten van de binnenmuur van het kasteel te wachten.

Wat bezielde Hendrik, keizer van Duitsland, voortzetter van de traditie van de Romeinse keizers, om deze barre tocht op zo’n onwaardige manier af te leggen?
In het kasteel van Canossa bevond zich de paus, Gregorius VII, opvolger van Petrus, plaatsbekleder van Christus op aarde, vader van de wereldkerk. Hij had zich daar verscholen omdat hij wist dat de keizer in aantocht was, en hij had alle reden om te denken dat hendrik uit was op wraak. In het voorjaar van 1076 had de paus de keizer geëxcommuniceerd. Aanleiding was een poging van Hendrik geweest om de paus – die in de ogen van de keizer een bedreiging voor de christenwereld vormde – te dwingen tot aftreden. Dat was niet ongebruikelijk, dat een keizer zo iets deed. De oude en officiële theorie van paus Gelasius luidde weliswaar dat de paus een zwaardere verantwoordelijkheid had dan de keizer, ook in wereldlijke aangelegenheden, maar in de praktijk hadden de meeste pausen niet zonder de bescherming van de keizer gekund.
Maar Gregorius was net uit iets ander hout gesneden. Hij weigerde zich aan keizer Hendrik te onderwerpen en koos voor de tegenaanval. Hij plaatse hem buiten de kerk en liet weten dat alle onderdanen van de keizer hem, hun wereldse heerser, niet langer trouw en gehoorzaamheid verschuldigd waren. En dat hadden de Duitse vorsten zich geen twee keer laten vertellen. Zij beraamden plannen om de keizer ten val te brengen en het keizerrijk was daarmee onbestuurbaar geworden.

Vandaar dus de tocht en de haast van Hendrik. Dat was, naar de paus ook al snel duidelijk werd, geen wraaktocht maar één lange boetedoening om de excommunicatie ongedaan te maken en weer in de gunst van de kerk te komen.

Na die drie dagen die Hendrik voor de poorten van de vesting had doorgebracht, verkleumd biddend en smekend, had de paus de binnenpoorten laten ontgrendelen en Hendrik toegelaten. Hij vergaf hem met een pontificale kus.

Er was hier meer aan de hand dan een botsing tussen de twee grote ego’s van een kerkelijk en een wereldlijk vorst. De onderhandelingen tussen paus Gregorius en keizer Hendrik resulteerden in een nieuwe stand van zaken die volgens befaamde mediëvisten ‘het opmerkelijkste feit uit de middeleeuwse geschiedenis’ mag heten. Er voltrok zich een revolutie, die even ingrijpend was als later de Reformatie, de Renaissance of de Franse Revolutie. Er werd een nieuwe wereldorde gesticht. De wereld werd in deze zogeheten ‘investituurstrijd’ in tweeën gedeeld. Er kwam een domein voor het geestelijke en een domein voor het wereldlijke. Koningen mochten zich niet meer met de zaken van de kerk bemoeien. Kerk en staat werden gescheiden.
Het is opmerkelijk dat deze stap vooruit, gezet door de Rooms-Katholieke Kerk, niet het krediet heeft gekregen die zij verdient. ‘Wij gaan níet naar Canossa!’, riep de Duitse kanselier Bischmark in 1872 in de Rijksdag uit, en hij bedoelde daarmee dat het hem niet zou gebeuren dat de kerk de Duitse opmars naar verlichting en vooruitgang zou tegenhouden. En de scheiding van kerk en staat heet in onze dagen een verworvenheid van de Verlichting, geclaimd door liberalen en ander onchristelijk volk.

Dat Gregorius niet de roem en faam van een Luther, Erasmus of Voltaire heeft gekregen, komt volgens Holland doordat de revolutie die hij voltrok voltooid is en het ideaal een vanzelfsprekende zaak is geworden. Dat kerk en staat los van elkaar moeten bestaan, is sinds de elfde eeuw een fundamenteel gegeven in de Europese samenleving en cultuur.

Wij kunnen ons niet meer voorstellen dat deze eerste Europese revolutie ook anders had kunnen aflopen. ‘Zelfs de recente instroom van omvangrijke groepen immigranten uit niet-christelijke culturen kan het geheugen in het westen op dit punt nauwelijks opfrissen’, schrijft Holland. ‘Over bijvoorbeeld de islam wordt vaak gezegd dat die nooit een reformatie heeft gekend – terwijl het meer hout zou snijden om te zeggen dat die godsdienst nooit een ‘Canossa’ heeft gekend. Voor vrome moslims van nu is het idee van een scheiding tussen politiek en religie even verwerpelijk als voor de meeste tegenstanders van Gregorius toen.’

Tom Holland (1970) heeft opnieuw – na Perzisch vuur uit 2007 over de eerste oorlog tussen Oost en West, en na Rubicon uit 2006 over het einde van de Romeinse Republiek – een fantastisch boek geschreven, adembenemende lectuur over een revolutie die uit ons gemeenschappelijk geheugen is verdwenen, over een vanzelfsprekendheid die wij ons weer bewust moeten worden om een terugval in de situatie van vóór die revolutie te voorkomen.


Tom Holland
De gang naar Canossa
Athenaeum € 29,95


* eerder verschenen in HP/De Tijd

25.2.09

Bijtend als koude jenever

HP/De Tijd organiseert volgende week vrijdag 6 maart, samen met NRC Handelsblad en Trouw, een bijeenkomst over haar oud-columnist Jacques van Doorn, van wie postuum een dikke bundel artikelen is verschenen. Die zijn zeer informatief, maar niet zo leesbaar als zijn columns.

Hans Jansen, de geleerde arabist, mag nog wel eens in tv-programma’s komen opdraven om de islam aan het Nederlandse volk uit te leggen, als een soort seksuele voorlichting aan kinderen van zes. Tijdens een van zijn optredens werd hem eens gevraagd hoe dat toch zat met dat avondje dat aan het einde van de week waarin Theo van Gogh was vermoord, ergens in Amsterdam Oud-Zuid was belegd en waar ‘de vrienden van Ayaan’ bijeen waren geweest. Zo kort na de moord verdiende het natuurlijk aanbeveling daar niet al te veel over te zeggen. En om er maar helemaal vanaf te zijn, zei Jansen op een gegeven moment dingen waarvan hij vermoedde dat de vragensteller die graag wilde horen. En hij sprak in beelden, want dat wilde de vragensteller vermoedelijk vooral.

En zo begon Jansen te praten over het prachtige servies van de gastvrouw, het bijpassende bestek, de schitterende servetten, de kaarsen op tafel en de glazen als bokalen waar het heerlijkste wat de aarde had voortgebracht met gulle hand in uitgeschonken werd, etc., etc. En inderdaad, kort daarop werd televisiekijkend Nederland vergast op minutenlang bewegende beelden van soepterrines die in soepborden werden leeggegoten, tegen dreigende achtergrondmuziek en gemeenplaatsen met suggesties over de aanwezigheid in Nederland van een geheim anti-islamitisch genootschap.

Zo heeft Hans Jansen het verteld (in de HP/De Tijd van 19 december 2008), maar wat hij er niet bij vertelde was dat de heren die daar aanwezig waren geweest en er door de progressieve media van werden verdacht tot de hofhouding van de Somalische vrijheidsstrijdster te hebben behoord, zichzelf helemaal niet aanduidden als ‘vrienden van Ayaan’. Zij noemden zich ‘de vrienden van Van Doorn’.

Van Doorn, dat was Jacques van Doorn, of beter: J. A. A. van Doorn, de geleerde socioloog, de ‘sceptische liberaal-conservatief’, die in zijn column in HP/De Tijd en in de zaterdagse Trouw juist die vermaledijde, ‘neoconservatieve’ vrienden van Ayaan Hirsi Ali met grote regelmaat op de korrel nam. Zijn vrienden waren zij dus zeker niet. Dat zij zich toch als zodanig aanduidden, was een blijk van respect. Een stukje van Jan Blokker of Bert Wagendorp, van Dick Pels, Sjoerd de Jong of Willem Breedveld, ach, daar lagen de heren niet van wakker. Maar die stukken van Van Doorn, dat was andere koek: goed onderbouwd, goed geschreven, puntig en scherp, en vaak raak. En die deden dan pijn.

Van Doorn (geboren in 1925 in Maastricht) is bijna een jaar geleden, in mei 2008, in zijn woning in Sint Geertruid op 83-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van botkanker. De meeste mensen zullen hem gekend hebben als columnist, een ambacht dat hij tot een week voor zijn dood is blijven beoefenen. Hij schreef ook jarenlang voor de NRC, maar vertrok er in 1990 omdat de hoofdredactie zich had gedistantieerd van een column waarin hij zich over de zelfcensuur van joodse journalisten had uitgelaten. Na een spijtbetuiging door de krant ging hij vanaf 2005 zo af en toe ook weer voor de NRC schrijven. Sociologen kennen hem als de auteur van het boek Moderne sociologie, dat in 1959 verscheen en jarenlang als standaardwerk gold, en als hoogleraar aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Een breder publiek kent hem ook van het boek Ontsporing van geweld, een van de eerste kritische publicaties over de politionele acties in Indonesië (waar Van Doorn zijn diensttijd doorbracht).

Van Doorn was een kundig en gedistantieerd waarnemer. Hij had daarbij zijn afkomst en ontwikkeling mee. Als Hollandse jongen groeide hij op in Maastricht, hij leefde als agnost in een rooms milieu, was afkomstig uit een kleinburgerlijk milieu maar kreeg omgang met intellectuelen, maakte als Nederlandse jongen de Duitse bezetting mee en was als Nederlands soldaat drie en een half jaar in Indonesië. Hij zag niets in 1968, en hoe vernieuwend hij ook was, de generatie die 1968 droeg wraakte hem en dankte hem af. De overdrijving en overvraging uit die jaren dreef hem in het kamp van de voorzichtige, sceptische, afstandelijke conservatieven, het kamp waarvan ook J. L. Heldring deel uitmaakt. De redacteuren vergelijken hem met Jacques de Kadt en Raymond Aron, en dat is niet ten onrechte. Hij keerde zich tegen de depolitisering van de jaren negentig, maar ook tegen de reactie op die depolitisering in het populisme. Hij keerde zich aanvankelijk tegen het paternalisme van politici, maar hekelde uiteindelijk vooral de manipulaties van de populisten die ‘de onmondige kiezersmassa’ bedrogen. Van Doorn zelf wist het tegen het einde van zijn leven ook niet meer zo precies.

Nadat Van Doorn in december 2005 te horen had gekregen dat hij aan een ernstige ziekte leed, voltooide hij zijn studie over de sociaal-democratie in Duitsland. Die studie (Duits socialisme) verscheen in juni 2007 (besproken in de HP/De Tijd van 29 juni 2007). Tegelijkertijd vroeg hij twee bevriende Amsterdamse hoogleraren, de politicoloog Jos de Beus en de historicus Piet de Rooy, om een selectie bijeen te brengen uit de artikelen en essays die hij in een reeks van jaren over de Nederlandse geschiedenis en samenleving had geschreven. Het slothoofdstuk, 15.000 woorden lang over het herfsttij van onze democratie, is nieuw, maar stond ook al in het eerste nummer van deze jaargang van de HP – als een soort hommage aan de oud-columnist.

De bijeengebrachte studies vormen samen een boeiende geschiedenis van de ingrijpende veranderingen in de Nederlandse samenleving in de twintigste eeuw. Van Doorn zag scherp. Als een van de eersten zag hij het autochtone verzet in Rotterdam tegen de komst van immigranten (in 1972!), en als een van de eersten zag hij hoe de verzorgingsstaat overbelast raakte en de burgers veel te afhankelijk maakte. Dat laat echter onverlet dat al die artikelen erg gedetailleerd en uitvoerig zijn, en daar is niets op tegen, op zich, want er valt bij Van Doorn heel veel te leren over de ingrijpende veranderingen van de Nederlandse samenleving in de twintigste eeuw, maar ze missen de kracht van zijn columns en kortere werk.

De Beus en De Rooy schrijven in hun inleiding dat de columns in deze bloemlezing buiten beschouwing zijn gelaten omdat Gerry van der List, tegenwoordig redacteur van Elsevier, in 1996 De draagbare Van Doorn publiceerde, waarin die columns goeddeels terug te vinden zouden zijn. Maar daar gaan beide heren toch geheel voorbij aan het feit dat van Doorn beroemd en berucht is geworden als deelnemer aan het debat dat sinds de moorden op Fortuyn en Van Gogh de Nederlandse samenleving heeft beheerst: dat over de islam en de multiculturele samenleving.

Van Doorn was de publicist die niet gemakkelijk in een bepaalde positie te vangen was. Over de multiculturele samenleving schreef hij dat zij niet langer kon worden gezien als ‘een ontmoetingsplaats van culturen en religies maar als een kruitvat dat door de overheid bij voortduring moet worden natgehouden’. Dat is een vergaande constatering, want hoe is dat kruitvat ontstaan, dat wil je dan toch ook graag weten. Over de islam schreef Van Doorn dat zij ‘als een brok graniet in ons vlakke religieuze landschap ligt. Wie erop bijten wil, bijt op graniet.’ Bijtend als koude jenever, noemen de twee redacteuren zijn redeneertrant terecht.

Maar die kritische houding jegens het multiculturalisme en de islam hebben Van Doorn niet in het kamp van de vrienden van Van Doorn gebracht. Integendeel. Het kruit uit Van Doorns vat werd steevast afgeschoten op de nieuwe neoconservatieven: op George W. Bush en op ex-VVD’ers in Nederland als Hirsi Ali, Verdonk en Wilders. Hij ergerde zich zozeer aan deze rotzooitrappers (zoals hij ze zag) dat hij het bestond om begrip op te brengen voor de moslims die de afvallige Ehsan Jami klappen gaven. ‘Wie kaatst moet de bal verwachten’, was Van Doorns commentaar in de NRC.

Gezien het soort conservatisme dat Van Doorn wilde belichamen, is die positie volstrekt begrijpelijk. Maar ook die stukken over de populistische revolte in Nederland moeten snel bij elkaar worden gebracht en in hun historische context worden toegelicht.

N.a.v. J. A. A. van Doorn, Nederlandse democratie (uitg. Mets & Schilt)

11.2.09

Dalrymple krijgt kritiek van links*

De Britse cultuurcriticus Theodore Dalrymple, al jaren een favoriet van alles wat rechts en conservatief is, krijgt nu ook kritisch weerwerk in Nederland, van linkse academici, al is hun kritiek niet erg overtuigend omdat de alternatieven vaag blijven.


‘Een spook waart door de westerse wereld: het spook van de onderklasse’, schreef de spraakmakende cultuurcriticus Theodore Dalrymple in 2004 aan het begin van zijn boek over het Leven aan de onderkant. ‘Er waart een plaaggeest door links Nederland. Zijn naam is Theodore Dalrymple en hij brengt een inconvenient truth’, schrijft een Nederlandse socioloog aan het begin van een artikel dat deel uitmaakt van een hele bundel met kritische reacties op Dalrymple.

De inconvenient truth die Dalrymple sinds een jaar of vijf in Nederland uitdraagt, is vooral gericht tegen de opvatting dat mensen – hun gedrag, hun denken en hun levenswijze – gedetermineerd zijn door de omstandigheden waarin zij zijn opgegroeid, het soort jeugd dat zij hebben gehad en de kansen die zij hebben gekregen. Daarmee keert Dalrymple zich ook tegen een hulpcultuur die ervan uitgaat dat de problematiek van de achterstandswijken uitsluitend moet worden aangepakt door er de materiële leefomstandigheden te verbeteren. In plaats van de bewoners van die wijken als willoze slachtoffers van hun omstandigheden te zien, zouden we ze volgens Dalrymple op hun eigen kunnen en verantwoordelijkheid moeten aanspreken. En als ze verslaafd zijn, moeten we ze niet als zieken benaderen. Het roken van heroïne is vooral een moreel en mentaal probleem.

Er zijn volgens Dalrymple nu eenmaal culturen die niet in hun waarde moeten worden gelaten, maar bijgestuurd en verheven dienen te worden. Dat lukt ons echter niet zo lang ons denken gevangen blijft zitten in egalitarisme en cultuurrelativisme, want dan zijn verschillen in cultuur altijd principieel gelijkwaardig. De ene cultuur is niet inherent beter dan de ander, zo heeft een ruimdenkende elite van politici en academici vastgesteld. En daarmee hebben ze een systeem gecreëerd waarin mensen slachtoffer blijven en de onderklasse in stand wordt gehouden. Dwars tegen de ideologie van het relativisme in, tegen de politieke correctheid ook, tegen het vulgaire doorbreken van taboes in de moderne kunst en tegen de vermeende ruimdenkendheid van de elites propageert Dalrymple een terugkeer naar het klassieke beschavingsideaal, met veel positieve waardering voor het christelijk geloof als moreel kompas.

Dalrymple – pseudoniem van Anthony M. Daniels (1949) – is een ervaringsdeskundige. Hij werkte niet alleen in ontwikkelingslanden als Tanzania en Zimbabwe, maar vooral jarenlang als arts en psychiater met hoeren, junks, alcoholisten en criminelen in een ziekenhuis en gevangenis in een achterstandswijk in de Engelse stad Birmingham. Zijn patiënten, zo bleek, verontschuldigden zich voor hun wangedrag met behulp van argumenten die hulpverleners hun hadden ingefluisterd. Sinds zijn pensionering in 2005 woont Dalrymple op het Franse platteland.

Dalrymple’s boeken hebben vooral in Nederland een warm onthaal gevonden. Het opvallende en aardige is dat het werk van Dalrymple, een uitgesproken en erudiete conservatief, niet alleen in ‘rechtse’ kringen is verwelkomd, maar dat ook politici en intellectuelen die zich door zijn kritiek getroffen konden voelen, zich met hem hebben ingelaten. PvdA-Kamerlid Jeroen Dijsselbloem heeft Dalrymple regelmatig genoemd en geprezen. In de NRC prees Bas Heijne de ‘nietsontziende manier waarop Dalrymple zich tegen de gemakzuchtige aannames van het correct denkende establishment keert’. En Hans Wansink schreef in de Volkskrant dat de Nederlandse bijstandscultuur inderdaad funest is omdat die cultuur ‘mensen in de onderklasse berooft van de gedachte dat je zelf verantwoordelijk bent voor je lot en dat je je eigen omstandigheden in principe kunt verbeteren’.

En dan is er nu, bij de uitgeverij van Edo Klement in Kampen, een boek verschenen dat kritisch weerwerk aan de opvattingen van Dalrymple biedt. De tien reacties zijn gegroepeerd rondom drie thema’s: cultuur en beschaving, sociaal werk en de cultuur van de onderklasse, en conservatisme en beschaving. Zij worden voorafgegaan door een nog niet eerder verschenen essay van Dalrymple zelf, waarin hij nog eens uitlegt wat het verschil tussen hoge en lage cultuur is en wat de sociale en culturele schade is die voortvloeit uit de ontkenning van dat onderscheid. De meeste auteurs zijn verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven, uit Nederland doen Evelien Tonkens en Hans Boutellier mee. Boutellier schrijft in deze bundel dat de bijdragen van Tonkens aan het debat vooral van ‘geworstel’ getuigen en dat de heldere stellingname van Dalrymple in vergelijking daarmee een verademing is. Dat ben ik met hem eens.

De toon van de bijdragen is respectvol. Dalrymple wordt niet alleen om zijn inhoudelijke bijdrage en heldere stijl geprezen maar ook om zijn ‘Brits flegma en de zelfrelativerende toon van een gentleman. Belezen en wereldwijs werpt hij zich op als een authentieke, conservatieve stem.’

Het deel van de bundel dat aan Dalrymple’s conservatisme is gewijd (vier essays) is welwillend maar loopt niet over van begrip. Dat wil zeggen: wat voor Dalrymple en conservatieven van gelijke snit haast vanzelfsprekend is, wordt in deze bijdragen onnodig filosofisch geproblematiseerd. ‘Dalrymple’s conservatisme is een pleidooi voor volksverheffing, voor cultuur in het algemeen, voor ontwikkeling, voor inspanning in plaats van ontspanning, voor beheersing in plaats van ontlading’, stelt een van de auteurs, Thomas Nys, terecht vast. Die auteur weet ook dat die visie terug gaat op de overtuiging dat er zoiets als een permanente morele orde bestaat, een ‘geografie van goed en kwaad’, maar tegelijk stelt hij vast dat conservatieven geen archimedisch punt kunnen vinden om hun moraal een stevig fundament te geven. En daarom kunnen zij nooit een oplossing aandragen. Die kritiek ziet over het hoofd, zou Dalrymple zeggen, dat dat fundament wel degelijk gelegd is maar dat hij – ‘ik ben maar gewoon een dokter’ – alleen kan vaststellen wat er mis gaat en waarom een terugkeer naar een oudere traditie heilzaam is.

De meeste bijdragen in deze bundel zijn helaas niet zo helder en leesbaar als die van Dalrymple zelf. De lezer moet zich door nogal wat jargon heen bijten. Als de een de ‘egalitair-liberale verstandhouding’ beschrijft en ‘afweegt’, is een ander bezig de ‘grond te bevragen waarop Dalrymple zijn standpunten bouwt’. Soms wordt de toon wat onhebbelijk. Er wordt te gemakkelijk met termen als ‘markt’ en ‘neoliberaal’ gesmeten, en Dalrymple’s klachten heten ‘gratuit’, zijn aanpak ‘te simplistisch’, zijn beeld van armoede ‘ongenuanceerd’. Wat wordt daar tegenover gesteld?

In de meest leesbare bijdrage, die van Hans Boutellier (de Nederlandse socioloog die aan het begin van dit artikel al aan het woord kwam), wordt Dalrymple enerzijds geprezen vanwege zijn kritiek op ‘de links-libertaire mentaliteit’, maar anderzijds heet hij ‘niet boeiend’ en ‘oninteressant’ omdat hij zich in zijn zoektocht naar nieuwe coherentie en orde zich voor ‘nieuwe realiteiten’ zou afsluiten. In de nieuwe verhoudingen van de netwerksamenleving, die ‘onvermijdelijk’ tot een ondergang van een oude beschaving leiden, past een nieuwe moraal. Wat is die nieuwe moraal?

Boutellier definieert die als een zoektocht naar ‘de inherente zin van de sociale praktijk’. Een pagina later herhaalt hij deze formulering. Je slaat de bladzijde nog eens om en dan blijkt het artikel afgelopen te zijn.

Deze bundel is een mooi initiatief. En ik wens allen die beseffen dat Dalrymple gelijk heeft met zijn kritiek op de links-libertaire ondermijning van de beschaving maar terugdeinzen voor zijn conservatieve alternatief heel veel succes bij het formuleren van hun eigen alternatief. Maar zo schiet het natuurlijk niet op. ‘Het gaat hierbij’, schrijft Boutellier, ‘om een nadrukkelijke dialoog over de inhoudelijke kern van de praktijk, zonder welke deze praktijk als zinloos kan worden beschouwd’. Zo is dat!

N.a.v. Jelle Zeedijk e.a.
Bedrogen door de elite?
Klement / Pelckmans € 19,95

*(Ook verschenen in HP/De Tijd)

3.1.09

Leve het kapitalisme*

De Britse historicus Niall Ferguson schetst in een financieel-economische geschiedenis van de wereld de historische context van de huidige crisis. De uitvinding van het krediet is net zo belangrijk geweest als die van het wiel of de computer.

Niemand schijnt het te weten. De crisis die in de zomer van 2007 ineens in de Verenigde Staten uitbrak, zou ons niet raken. Toen die crisis toch ook ons land aandeed, zou de schade uiterst beperkt blijven omdat die economie van ons zo degelijk in elkaar stak. Toen de eerste banken in de problemen kwamen, heette het dat de crisis kortstondig zou zijn en onze ‘reële economie’ nauwelijks zou raken. Nu dat toch is gebeurd en de economie krakend tot stilstand komt, voorspellen politici ineens toch een recessie, maar die zal in 2010 wel weer uitgewoed zijn. Het aantal werklozen zal dan tot een half miljoen zijn opgelopen. Het laatste nieuws (premier Balkenende in zijn rol als gasthoofdredacteur van het Financieele Dagblad) is trouwens dat het nog lang niet zeker is dat de recessie in 2010 voorbij zal zijn. En Balkenende is nog niet uitgesproken of oud-minister Ruding van Financiën komt in dezelfde krant vertellen dat de crisis onze economie veel harder zal treffen dan het kabinet beweert. Er komt, zegt Ruding, zeker een krimp van 3 procent in plaats van de 0,75 procent die het Centraal Plan Bureau zegt te verwachten. Hij was amper uitgesproken of president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank zei hetzelfde.
Waarom zouden we dat eigenlijk allemaal nog geloven?
Het zijn niet de eerste de besten die ergens aan een tafel in een praatprogramma hun onwetendheid voortdurend schaamteloos etaleren. Het gaat om economen en politici, mensen die er een beetje voor hebben doorgeleerd. De Britse historicus Niall Ferguson was in november 2006 op een congres voor prominente beleggers, die blijkens de naam van hun conferentie (The Evolution of Excellence) blaakten van zelfvertrouwen. Zij zeiden daar ook dat aan alle grilligheden van de markt een einde was gekomen. De financiële markten waren immers efficiënt georganiseerd en de risico’s waren keurig gespreid en afgedekt. Ferguson wilde de congresgangers waarschuwen voor de blijvende risico’s in het systeem. Maar zijn waarschuwingen werden afgedaan als bangmakerij. Een van de aanwezigen stelde zelfs voor om de organisatie te vragen de volgende keer geen ‘spreker van buiten’ meer uit te nodigen maar de film Mary Poppins te laten zien.

En terwijl de beleggende wereld naar Mary Poppins ging zitten kijken, zette Ferguson zich schrap voor een studie van formaat: een financiële geschiedenis van de wereld. Ferguson beschrijft het ontstaan van het bankwezen, van de obligatiemarkten en van de aandelenhandel, van de verzekerings- en pensioenfondsen en de onroerendgoedmarkten. Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw (met de New Deal van president Roosevelt) werden huishoudens om politieke redenen gestimuleerd om meer geld te lenen en dat in onroerend goed te beleggen. Zo ontstonden Fannie Mae en Freddie Mac, de corporaties waarmee de problemen in de zomer van 2007 begonnen.

Met dit boek, dat in de beste Angelsaksische tradities uitblinkt door een speelse combinatie van veelzeggende details en de grote lijnen van het compositorisch strakke overzicht, schetst Ferguson – met andere woorden – de historische context van de huidige crisis. Van die crises hebben we er sinds 1870 overigens al 148 achter de rug. Het gaat dan om financiële crises waarbij een land een achteruitgang van minstens 10 procent in de omvang van zijn bruto binnenlands product incasseert, met een economische krimp van zo’n 3 procent per jaar.

Niall Ferguson (Glasgow, 1964) is als weinig anderen gekwalificeerd om zo’n boek te schrijven. Ferguson is als historicus een internationale superster. Hij doceert aan Harvard en in Oxford en is verbonden aan het Hoover Institution van de universiteit van Stanford. Hij is van huis uit een financieel-economisch historicus. Hij schreef onder andere een geschiedenis van het huis Rotschild. Maar hij is vooral bekend geworden vanwege zijn grote overzichtswerken: geschiedenissen van de bloedige oorlogen van de twintigste eeuw (De grote oorlogen), van het Britse Rijk (Wereldrijk) en van het Amerikaanse imperium (Colossus). Van enkele boeken van Ferguson zijn ook tv-series gemaakt en die hebben natuurlijk vooral zijn ster doen rijzen. Hij behoort inmiddels, volgens Time, tot de 100 invloedrijkste mensen ter wereld, volgens Prospect Magazine staat hij nummer 60 op de lijst van de meest invloedrijke intellectuelen ter wereld.

Zijn financieel-economische expertise en zijn vermogen grotere overzichtswerken te schrijven, zijn op een prettige manier samengekomen in zijn nieuwste boek dat een financieel-economische geschiedenis van de wereld wil bieden. Het aardige is dat Ferguson niet meedoet aan de neiging van links om de crises van de afgelopen tijd te zien als het failliet van het vrijemarktkapitalisme. Integendeel. Ferguson legt geduldig uit dat de uitvindingen van de financiële sector onmisbaar zijn geweest voor onze vooruitgang. Financiële innovaties zijn de motor van de westerse beschaving.

‘Krediet en schuld’, schrijft Ferguson, ‘behoren tot de fundamentele bouwstenen van de economische ontwikkeling, en zijn even vitaal voor de rijkdom der naties als mijnbouw, industrie en mobiele telefonie. Armoede kan daarentegen slechts zelden direct worden toegeschreven aan de streken van inhalige financiers. Dikwijls heeft deze meer te maken met het gebrek aan financiële instellingen – met het ontbreken van banken en niet met hun bestaan.’

Banken, beurzen en beleggingsfondsen hebben de groei van de ‘reële economie’ mogelijk gemaakt. Zonder krediet en aandelen is het immers zo goed als onmogelijk een nieuw bedrijf op te zetten. Als er geen financiële sector was geweest, aldus Ferguson, zou onze economie nog steeds worden bepaald door keuterboeren die met noeste arbeid een stukje grond bewerken dat nauwelijks genoeg oplevert om de mensen te onderhouden.

Geld is bij tal van historische gebeurtenissen van doorslaggevende betekenis geweest. Napoleon is bij Waterloo niet zozeer door de Engelse generaal Wellington verslagen als wel door de rol op de achtergrond van de bankiersfamilie Rotschild. Dat het Zuiden de Amerikaanse Burgeroorlog verloor kwam niet door de nederlaag van de confederale troepen bij Vicksburg in mei 1863, maar door het besluit van diezelfde Rotschilds om het Zuiden niet te steunen, alhoewel die staten hun politieke sympathie hadden. Geld heeft niet alleen het verloop van de geschiedenis gestuurd – nadrukkelijker dan wij ons meestal bewust zijn – maar is ook de wortel van bijna alle vooruitgang. Leve het kapitalisme, is dan ook de boodschap van het boek van de conservatieve Ferguson.

Ferguson heeft zijn boek in mei/juni van 2008 voltooid. De crisis die ons nu zo hard raakt, heeft niemand in de volle ernst en omvang zien aankomen, ook Ferguson niet. De situatie van vandaag lag tijdens het schrijven nog in een toekomst waarvan de aard onvoorspelbaar was. Ferguson voorspelde in 2006 al wel een liquiditeitscrisis, om de eenvoudige reden dat kennis van de financieel-economische geschiedenis hem had geleerd dat iedere zeepbel vroeg of laat barst.

Hij is van mening dat er niet alleen bonussen voor goede prestaties moeten worden verstrekt maar ook malussen voor slechte prestaties. En wanneer managers met aandelen en opties worden beloond, heeft dat een pervers effect. Het prikkelt hen namelijk om de waarde van de aandelen omhoog te manipuleren. Dat de verhouding tussen eigen en geleend kapitaal is zoek geraakt, is hierdoor veroorzaakt.

Verder is Ferguson uiterst voorzichtig. De age of leverage (waarin teveel geld wordt geleend en met dat geld wordt gespeculeerd) behoort misschien al wel tot het verleden. Maar een teveel aan regelgeving (of beter: nog meer regelgeving) belemmert financiële innovaties en die innovaties zijn altijd en overal de bron van vooruitgang.

En verder moeten we leren leven met de onvoorspelbaarheid van de toekomst. Want de geschiedenis – ook (of beter: juist) de financiële geschiedenis met zijn crises en crashes – is ongrijpbaar. Analyses en verklaringen kunnen pas achteraf worden gegeven. Er zijn heel veel toekomsten mogelijk, benadrukt Ferguson. Dat de waarheid daarvan iedere dag blijkt uit de woorden van politici en economen, krijgt daarmee bijna iets geruststellends, hoe groot de onzekerheid van onze financieel-economische toekomst ook blijft.

Niall Ferguson, Het succes van geld
uitgeverij Contact, € 34,95

* eerder verschenen in HP/De Tijd

26.11.08

De krant van morgen*

Een kwaliteitspers is van groot belang. Maar die moet wel echt pluriform zijn, en niet in dienst staan van een links-liberaal paternalisme.

Democratie veronderstelt, in theorie althans, mondige en kritische burgers – mensen die weten wat er speelt, zich daar een grondig oordeel over vormen en op grond daarvan (politieke) keuzes maken. Vandaar dat de media van vitaal belang zijn in een moderne samenleving: kranten, radio, tv en internet leveren immers de feiten en de opinies die burgers helpen bij hun meningsvorming. En vandaar ook het belang van een brede pers: niet alleen de opinie van een kleine groep moet publiek worden, ook die van andere groepen, van links tot rechts, moet een stem krijgen in het domein van de politieke meningsvorming.

Het is nog maar de vraag of de media, en in het bijzonder de kranten, in Nederland aan de eisen voldoen die aan haar moeten worden gesteld. Recente ontwikkelingen vormen een regelrechte bedreiging voor het voortbestaan van serieuze kwaliteitskranten, betogen althans de journalisten Warna Oosterbaan (werkzaam voor NRC Handelsblad) en Hans Wansink (politiek columnist van de Volkskrant) in een boekje dat zich laat lezen als een met ingehouden passie geschreven pamflet van twee heren die terecht trots zijn op het ambacht dat zij beoefenen en een lans breken voor de ‘professionele kwaliteitsjournalistiek’.

Fusies, teruglopende oplagen en advertentie-inkomsten, bezuinigingen en ontslagen zijn bij vrijwel alle landelijke kranten aan de orde van de dag. Dat het ze slecht gaat, heeft alles te maken met het gegeven dat zij al lang niet meer de belangrijkste leverancier van het nieuws zijn, noch het exclusieve forum voor debat en meningsvorming. Er zijn gratis kranten bijgekomen, het internet biedt talloze nieuwssites en platforms voor eindeloze discussies over van alles en nog wat, en er zijn digitale televisiekanalen bijgekomen. De krant is geen soevereine vorst meer die bepaalt wat haar lezers behoren te weten. De klant is koning geworden, en de lezers zijn kritische en assertieve consumenten geworden, zonder enige vooraf bepaalde loyaliteit.

Waarom is dit alles erg en zorgwekkend? Volgens Oosterbaan en Wansink omdat alle fusies tot een ‘minder pluriforme pers’ leiden, en omdat de druk van de markt een ‘onomkeerbare vervlakking van de journalistiek’ tot gevolg heeft. De ‘basisfuncties’ van de media komen daarmee direct in geding.
De analyse van Oosterbaan en Wansink mondt dan ook uit in een warm pleidooi voor de ‘handhaving van de klassieke functies van de journalistiek’. Zij doen daartoe zeven aanbevelingen. Kranten moeten hun journalistieke zelfvertrouwen herwinnen maar zich tegelijkertijd niet in een ivoren toren opsluiten: ze moeten een gedragscode opstellen en die door onafhankelijke ombudsmannen laten toetsen. Kranten moeten weer compacter worden en een duidelijke hiërarchische ordening in hun presentatie aanbrengen. Ze moeten tegelijkertijd vooral ook leesbaarder en toegankelijker worden en meer aan uitleg en analyse doen. Kranten moeten eigendom zijn van uitgevers die begrijpen dat een krant niet alleen een commercieel product is maar ook een cultuurdrager. Een concern als PCM (uitgever van de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw) is een ‘jammerlijke mislukking’. En kranten moeten, tot slot, investeren in de kwaliteit en omvang van hun redacties. Dat moeten centers of excellence worden.

Na lezing van dit sympathieke boekje is een plechtig ja en amen op zijn plaats. Kranten spelen als cultuurdragers een onmisbare rol in een parlementaire democratie en aan de kwaliteit van kranten, en weekbladen natuurlijk, kunnen alleen maar de hoogste kwaliteitseisen worden gesteld.

Toch valt er ook wel wat te zeuren.
Uit dit boekje rijst het beeld op van een krantengeschiedenis die eigenlijk betrekkelijk eenvoudig is verlopen. Eerst waren er de kranten en omroepen die niet vrij en zelfstandig waren omdat ze onderdeel uitmaakten van een zuil. Na die ontzuiling is het een jaar of twintig, dertig goed gegaan. Redacties waren soeverein en de pers was pluriform. Toen, zo eind jaren negentig, ging het echter weer fout, door de komst van internet, de bloggers, Metro en Spits. De ontworteling die de politiek raakte, kreeg ook de journalistiek in haar greep.

Maar dit beeld klopt niet. Na de ontzuiling is de afhankelijkheid van de bestuurlijke elites van de zuil niet ingeruild voor vrijheid en onafhankelijkheid maar voor een geheel nieuw soort afhankelijkheid: van de macht als zodanig. Iedereen die het Binnenhof kent, weet dit: journalisten en Kamerleden voeren dagelijks een baltsdans met elkaar op omdat ze er alle belang bij hebben om elkaar te vriend te houden.

Dit conglomeraat van politici en journalisten heeft verhinderd dat er in Nederland ooit een werkelijk pluriforme pers is ontstaan. Zoals de politiek homogeen was, links van het midden en alleen in haar politieke correctheid radicaal, zo weerspiegelden de media deze verhoudingen. Die totale verwevenheid blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat PCM niet alleen de drie belangrijkste Nederlandse dagbladen herbergt, maar zelf grotendeels eigendom is van de Stichting Democratie en Media, dat een soort PvdA-dependance is. Bij een andere eigenaar, de Stichting de Volkskrant, benoemt de FNV twee van de acht bestuursleden.

Het was dan ook geen wonder dat alle krantenredacties werden overvallen door de opkomst van Pim Fortuyn en het hardnekkige onbehagen dat hij loswoelde. Zo goed functioneerden de media blijkbaar niet. En daarom is het ook onjuist om alleen maar de negatieve gevolgen van alle recente ontwikkelingen te benadrukken. Zonder internet, bloggers en commerciële televisie – en vooral dankzij de druk die deze nieuwe media hebben uitgeoefend – zouden de kranten waarschijnlijk nog altijd weinig van de lessen van de afgelopen jaren hebben geleerd.

Oosterbaan en Wansink bepleiten een ‘verlicht paternalisme’. Evenals Thorbecke beschouwen zij de krant als een ‘bron van algemene onderrichting’. Daarom verwerpen zij het adagium ‘u vraagt, wij draaien’, en kiezen zij voor de slogan ‘wij weten wat u moet weten’. Op zich is dat prachtig. Maar als al die journalisten die zo goed weten wat wij moeten weten allemaal links van het midden zitten, terwijl de meerderheid van de Nederlandse bevolking zich heel ergens anders ophoudt, dan wordt vroeg of laat het gemor hoorbaar. Vroeger konden de morrenden nergens heen, nu beginnen ze een eigen weblog. Er heerst in Nederland tot op de dag van vandaag een enorme hypocrisie op dit punt.

Bovendien is het slechts hier en daar dat de lessen van de Fortuynrevolte zijn geleerd. Het grote probleem is dat er nu ook in de wereld van de media een even groot zwart gat dreigt te ontstaan als in de politiek. In de politiek gaapt dat gat tussen het politieke centrum enerzijds en de geradicaliseerde vleugels anderzijds. Kerkhistoricus Henk Hagoort, voorzitter van de raad van bestuur van de publieke omroep, heeft meermalen gezegd dat de actualiteitenrubrieken van de publieke omroep zich meer moeten inspannen om de ‘buitenstaanders’, dat zijn de Telegraaflezers en aanhangers van Wilders en Verdonk, te bedienen. Ronald Sörensen loopt op dit moment op Rotterdam op straat handtekeningen te verzamelen voor een Populistische Omroep. Dat is zowel triest (omdat het nodig is) als hoopgevend (omdat het initiatief wordt genomen). Zolang kranten, radio en tv in meerderheid blijven denken dat rechts per definitie onfatsoenlijk is en daarom binnen het publieke bestel geen plaats verdient, ligt radicalisering op de loer.

Alle fraaie woorden van journalisten als Wansink en Oosterbaan ten spijt, maken zij deel uit van een wereld die een situatie creëert waarin de stem van de straat niet wordt verheven maar geëxploiteerd, zowel in de politiek als in de media.


N.a.v.: Warna Oosterbaan en Hans Wansink
De krant moet kiezen: de toekomst van de kwaliteitsjournalistiek
Prometheus € 19,95

*(eerder verschenen in HP/De Tijd)

14.11.08

Geweld is er gewoon

De bochten die sommige mensen in hun leven nemen, kunnen duizelingwekkend zijn.

Hans Achterhuis (Hengelo, 1942) was na zijn studie theologie en filosofie al pijprokend werkzaam bij onverdacht linkse organisaties als het Werelddiaconaat van de Nederlandse Hervormde Kerk en het Nederlands Centrum voor Buitenlanders. Hij was een idealist, een anti-apartheidsactivist en een pleitbezorger van de Derde Wereld. Hij publiceerde boeken als Filosofen van de Derde Wereld en verdedigde daarin een instrumentele visie op geweld. Of geweld goed is en gerechtvaardigd, hangt af van de vraag welk middel het dient. Wanneer geweld wordt gebruikt voor bevrijding of emancipatie, dan is geweld goed; dient het om anderen te onderdrukken of uit te buiten, dan is het slecht. Che Guevara en Mao Zedong kregen dan ook een goede pers van de jonge Achterhuis. Een zoon vernoemde hij zelfs naar Che.

Wat Hans Achterhuis tot zo’n fascinerende denker maakt, is dat hij na, laten we zeggen, deze wat lichtvaardige jonge jaren, consequent ‘tegen zichzelf in’ is gaan denken, concreter: tegen de progressieve vooronderstellingen die aan zijn denken ten grondslag lagen. Hij deed dat als filosoof die achtereenvolgens aan de universiteit van Amsterdam, de Landbouwuniversiteit Wageningen en de universiteit van Twente verbonden is geweest. Achterhuis ging vorig jaar met emeritaat. Hij zegt nu geschrokken te zijn van de manier waarop hij in zijn ‘behoorlijk marxistische’ jaren over geweld schreef.

Eind jaren zeventig publiceerde Achterhuis een boek over De markt van welzijn en geluk, waarin hij de welzijnssector niet beschreef als de instantie die burgers tegen de anonieme macht van de overheid beschermt, maar als een sector die haar eigen vraag schept en mensen daartoe afhankelijk maakt en houdt van de geboden hulp. En toen de krakersrellen in de Amsterdamse Vondelstraat begin jaren tachtig gewelddadig uit de hand liepen, begreep Achterhuis dat daarmee een maatschappelijke grens werd overschreden en nam hij afstand van het linkse, gewelddadige activisme. Daarna volgden geleerde en verhelderende boeken over begrippen als schaarste, utopie en goede bedoelingen. Goede bedoelingen leiden vaak tot meer slachtoffers dan dat zij slachtoffers helpen. Schaf de ontwikkelingshulp maar af, betoogde Achterhuis inmiddels ook, en realiseer je dat ook een ideaal als de verzorgingsstaat slechte gevolgen kan hebben.

Hans Achterhuis ontpopte zich meer en meer als een lichtelijk gedesillusioneerde ex-idealist die het als filosoof als zijn maatschappelijke taak zag om het publiek van ‘actualiteitsanalyses’ te voorzien: een toetsing van de praktijken en gedachten die op een gegeven moment en vogue kunnen zijn aan wijsgerige criteria om zodoende vooronderstellingen bloot te leggen en actuele kwesties te verhelderen.

Wie dat als zijn taak beschouwt en na zijn emeritaat een boek over geweld afrondt, moet de kwestie-Duyvendak met enthousiasme hebben verwelkomd. Duyvendak, Kamerlid voor GroenLinks, bracht deze zomer een boek uit over zijn verleden als activist en maakte in een begeleidend persbericht met trots melding van zijn inbraak in het ministerie van Economische Zaken. Dat maakte, zoals we ons herinneren, een korte maar hevige discussie los over het linkse geweld in de jaren tachtig.

Achterhuis mengde zich ook in die discussie (in de Volkskrant van 2 september), en zijn interventie was eigenlijk de meest verhelderende van alle bijdragen uit die tijd. Duyvendak liet zich na zijn ostracisme ontvallen dat hij inmiddels tegen diefstal was omdat hij anders geen argumenten had wanneer rechtse mensen ook gingen stelen. Diezelfde instrumentele visie dus: als linkse mensen voor de goede zaak uit stelen gaan is er niets aan de hand, maar als rechtse mensen documenten uit een ministerie ontvreemden dan kan dat natuurlijk niet. Het hoge, utopistische doel blijft zo de gewelddadige middelen heiligen, stelde Achterhuis vast.

Achterhuis had ondertussen een studente ontmoet, een keurig opgevoede studente van goede komaf – Jet Isarin - die hem vertelde dat ze tijdens de krakersrellen zo was meegesleept door het geweld dat ze overal om zich heen had gezien, dat ze zo maar spontaan ook met stenen was gaan gooien en o.a. een ruit van een bank had doen sneuvelen. En ze had verder willen gaan, nog meer ruiten in willen gooien en ook de politie met stenen willen bekogelen. Vanwege de ‘kick’, naar ze zelf zei.

Daarmee werd het tijd voor een verhelderend boek over geweld. Dat boek, bijna 800 pagina’s dik, is deze week verschenen en biedt zowel een filosofische analyse van geweld als een soort persoonlijke verantwoording. Wat het boek als boek betreft: het is mooi uitgegeven, het is helder en toegankelijk geschreven, maar is ook teveel een uitvoerige literatuurstudie om nu als een soort politiek pamflet een stoot te kunnen geven aan het weer stil gevallen debat over de jaren tachtig. De leeswijzer is een apart hoofdstuk van tien pagina’s! En hoe interessant en leerzaam de uitvoerige excursen over Von Clausewitz, Hannah Arendt, Thomas Hobbes, Hegel en Fukuyama, Sartre en Carl Schmitt ook zijn, hoe verrassend ook de intermezzo’s met schrijvers als Coetzee en Tolstoi – we wisten toch al lang dat Achterhuis niet van de straat was? Een boek dat de actualiteit wil dienen, loopt hiermee het gevaar, vrees ik, dat het als een soort naslagwerk in de boekenkast verdwijnt en niet dienst doet als de stuk gelezen en kapot onderstreepte tekst aan de hand waarvan levendige debatten worden gevoerd. Maar misschien toont deze kritiek niet meer aan dan dat ik een boek wil dat Achterhuis helemaal niet heeft willen schrijven.

Als zijn boek inderdaad in boekenkasten verdwijnt, zou dat zonder meer jammer zijn. Achterhuis heeft zeer verstandige, zo niet wijze dingen te melden in dit uitgebreide onderzoek naar de verschillende verschijningsvormen van geweld, hun onderlinge verbindingen en de mechanismes erachter. De centrale stelling is eigenlijk dat kwaad en geweld geen toevallige en incidentele zaken zijn. Geweld is diep in de menselijke natuur verankerd en daarmee een verschijnsel dat altijd onder ons zal zijn. Niets is zo utopisch als de afschaffing van geweld. En daarom, schrijft Achterhuis: ‘Alleen wanneer we leren leven met geweld, kunnen we ook leren het te domesticeren. Elke poging om het geweld radicaal uit te bannen, bergt het risico in zich het ongewild op te roepen en te vergroten.’

Achterhuis heeft het dus vooral over de relatie tussen utopisch denken, en alle andere vormen van (links of rechts) idealisme enerzijds, en geweld anderzijds. We moeten bescheiden zijn in onze doelstellingen, constateert hij heel conservatief, want goede bedoelingen zijn gevaarlijk in een werkelijkheid die van nature en niet zo maar toevallig zeer weerbarstig is. En grote doelen vragen altijd grote aantallen slachtoffers: geloof in maakbaarheid kan een levensgevaarlijke illusie worden. De hoogste idealen hebben de meeste doden en slachtoffers gekost. Wat voor Achterhuis overblijft is een ‘idealistisch machiavellisme’: een idealisme dat uitgaat van de problemen en wetmatigheden van de realiteit en daarmee illusieloos te werk gaat. ‘Alleen wie op een politiek-realistische wijze zowel de verantwoordelijkheden als de verleidingen van de macht onderkent, verschaft zichzelf de mogelijkheden om haar enigszins te temperen.’

Is er iets te doen tegen geweld? Wat je niet kunt uitbannen, kun je wel leren hanteren. In een boek waarin geweld en de onveranderlijke menselijke conditie zozeer met elkaar in verband worden gebracht, verwacht je eigenlijk wat meer over opvoeding, onderwijs, een beschavingsideaal. Dat is vooral aanwezig in wat Achterhuis schrijft over het grote belang van de morele onverschrokkenheid van non-conformistische eenlingen. Achterhuis voert Anton Schmidt op, een soldaat uit het Duitse leger die in Polen Joodse partizanen heeft geholpen. Achterhuis benadrukt ook het belang van sterke democratische instituties om geweld te kanaliseren. Wanneer de strijd om erkenning inderdaad het centrale principe van de geschiedenis is, dan is niets zo belangrijk als een publieke ruimte waarin iedereen zijn zegje kan doen en alle frustraties en alle onbehagen bij voorbaat worden gede-escaleerd.

En zelfinzicht is belangrijk. Maar verder is het vooral een kwestie van hopen en bidden. Want Achterhuis is zeer pessimistisch. Een nieuwe Holocaust is nooit uitgesloten, en de ontworteling en extreme gewelddadigheid die je in een land als Zuid-Afrika aantreft, zouden wel eens het voorland kunnen zijn van het politieke, etnische en criminele geweld dat ons misschien wel te wachten staat.

Gelukkig maar dat Achterhuis zijn studie voor het uitbreken van de ontwrichtende kredietcrisis heeft afgerond.

Hans Achterhuis,
Met alle geweld
, Lemniscaat € 44,95

*) Deze recensie verscheen eerder in HP/De Tijd.

2.11.08

Vorming door Grote Boeken

De GroteBoeken – de klassieken uit de westerse beschavingstraditie – moeten vanzelfsprekend worden gelezen. Maar belangrijker nog dan de vraag wát we lezen is de vraag hóe we lezen.

In de Amerikaanse stad Annapolis (Maryland), een uurtje rijden van de hoofdstad Washington, staat een van de meest bijzondere scholen die ik ooit heb bezocht: St. John’s College. Het is geen middelbare school en geen universiteit. Het zit er tussenin, dit liberal arts college. Op de campus staan fraaie achttiende- en negentiende-eeuwse gebouwen, en in de klaslokalen zitten docenten en studenten met elkaar opeengepakt rond een soort huiskamertafel. Ze lezen met elkaar één specifiek boek, en de les bestaat in één lange onderlinge discussie van het gelezene.

Vier jaar duurt een verblijf aan deze school, en de studenten doen in die vier jaar niets anders dan met elkaar boeken lezen. Niet zomaar boeken maar Great Books, de Grote Boeken uit de westerse beschavingtraditie. Zo lezen ze in hun eerste jaar alles van Homerus en Plato en andere Griekse schrijvers, in hun tweede jaar de Romeinen, Augustinus en de belangrijke teksten uit de Middeleeuwen en de Renaissance, zoals Dante en Chaucer, Machiavelli, Rabelais en Montaigne. In het derde jaar volgen de grote schrijvers uit de vroegmoderne tijd, tot en met de romans van Jane Austen, en in het vierde en laatste jaar staan de belangrijke filosofen, schrijvers en politici van de negentiende en twintigste eeuw op het programma. De studenten verdiepen zich niet alleen in literaire, filosofische en politieke teksten, maar ook in muziek (een mis van Josquin Des Prez bijvoorbeeld) en in de belangrijke publicaties uit de geschiedenis van de wetenschap, van Harvey en Copernicus tot Newton en Einstein. In laboratoria doen zij zelfs de proeven na die deze geleerden tot hun grote ontdekkingen hebben gebracht.

Het is natuurlijk prachtig allemaal. En de reden dat dit soort scholen (St. John’s is al lang niet meer het enige liberal arts college) zo succesvol is, is zo goed als zeker gelegen in de stuitende teloorgang van het onderwijs, ook in de Verenigde Staten. Schrijvers die vroeger op een beetje gymnasium werden gelezen, moeten nu in een soort vervolgcursus aan de orde komen. Maar het mooie is natuurlijk wel dat het gebeurt, en mooier nog is dat de deelnemers deze jaren beschouwen als de basis van hun (latere) universitaire scholing, of ze nu talen, rechten of geschiedenis of een exact vak gaan studeren. Een beschaafd mens laat zich vormen door de wijsheid der eeuwen zoals die in boeken is neergeslagen – door ‘the best that has been thought and said’, zoals de negentiende-eeuwse Engelse pedagoog Matthew Arnold het uitdrukte. En die vorming dient aan iedere verdere specifieke studie vooraf te gaan.

Toch schuilt er zelfs bij zoveel moois een adder onder het gras. De docenten begeleiden de studenten tamelijk losjes. Zij spreken geen oordeel over de gelezen boeken uit en dringen zeker geen oordeel aan de studenten op. Alle boeken zijn even belangrijk en even lezenswaardig, als producten van de menselijke geest. Of sommige boeken waar zijn en anderen onwaar, dat moeten de studenten maar voor zichzelf ontdekken en uitmaken. De docenten helpen de studenten alleen om tot de inhoud van de boeken door te dringen.

Er zit dus een enorm relativisme in zo’n Grote Boekenprogramma ingebakken. Het gaat om wát de studenten lezen – een bepaalde canon van grote Boeken. Het gaat er niet om hóe ze die boeken lezen, zoekend en onderscheidend, op zoek naar een objectieve waarheid.

De kritiek die dus op die op zich prachtige Grote Boekenprogramma’s mogelijk is, kan ook geleverd worden op de serie boeken die de Amsterdamse uitgever Mets & Schilt sinds dit jaar op de markt brengt: een serie vertalingen van boeken (uitgegeven door de Amerikaanse uitgever Atlantic Books) over ‘boeken die de wereld veranderden’. Er zijn nu drie delen verschenen: over de Bijbel, over de Ilias en de Odyssee van Homerus, en over de economische werken van Adam Smith. Op het programma staan nog boeken over Het Kapitaal van Karl Marx, over Plato’s Politeia, de Koran, De oorsprong der soorten van Charles Darwin, De rechten van de mens van Thomas Paine, en Over de oorlog van Clausewitz . Het zijn boeken die ook deel uitmaken van het curriculum op St. John’s, en het zijn inderdaad boeken die de wereld hebben veranderd en daarmee klassiek zijn, onderdeel van de canon van boeken die een goed opgevoed mens gelezen dient te hebben. Maar hóe worden deze boeken gelezen in de boeken die aan hen zijn gewijd?

Het boek over de Bijbel is geschreven door de beroemde godsdiensthistorica Karen Armstrong. Auteur van het boek over Homerus is de Argentijnse essayist en bibliofiel Alberto Manguel. Patrick Jake O’Rourke tekent voor het boek over Adam Smith. Karen Armstrong gaat door voor een specialiste op het terrein van de drie monotheïstische godsdiensten en publiceerde al eerder over Mohammed en de Islam en schreef een boek dat zij de titel Een geschiedenis van God meegaf. Alberto Manguel (1948) is een fenomenaal geleerde man, een minnaar van boeken en literatuur, auteur van boeken over lezen en over bibliotheken. O’Rourke (1947) is een begaafd en veelzijdig publicist en is momenteel verbonden aan het Cato Institute in Washington, een ‘klassiek-liberale’ ofwel ‘libertarische’ denktank, die het gedachtegoed verspreidt dat kan worden samengevat in de opvatting dat de overheid, zeker in het economische leven, geen onderdeel van de oplossing maar van het probleem is.

Armstrong behandelt de Bijbel niet als een goddelijk maar als een puur menselijk boek, met teksten van uitlopende aard die een lange ontstaansgeschiedenis hebben en na hun codificatie een enorme invloed hebben uitgeoefend. Dat ontstaan weerspiegelt vooral de onderlinge discussies tussen de schrijvers en redacteuren van de Bijbel en weerspiegelt vooral de tijd waarin zij leefden. In de hoofdstukken over de invloed van de Bijbel beschrijft Armstrong de manier waarop teksten in de loop van de tijd zijn gelezen en uitgelegd, en ook dat natuurlijk weer met de maatschappelijke omstandigheden als bepalende factor. Er zijn erge dingen met de Bijbel gebeurd, zo legt Armstrong vast: slavernij en antisemitisme zijn ermee gerechtvaardigd, ‘christenfundamentalisten’ zijn aan de haal gegaan met het boek Openbaring, zoals Joodse kolonisten dat hebben gedaan met het boek Jozua.

Ik heb het niet zo op die Armstrong, eerlijk gezegd. Er staat veel onzin in haar boek. Zo zegt ze dat de Bijbel een gewelddadig boek is, veel meer dan de Koran, en dat we ons nadrukkelijk moeten distantiëren van onze christelijke cultuur die eigenlijk vooral ellende heeft voortgebracht. Die boodschap maakt Armstrong tot zo’n succesvol auteur, denk ik, vooral ook omdat ze eraan toevoegt dat het met de islam en de profeet wel snor zit en dat we voor die man en zijn boek helemaal niet op onze qui-vive behoeven te zijn. Dat is precies wat de meeste mensen willen horen.

Van het boek van Manguel heb ik genoten. Zijn verhaal over de twee oude verhalen van die ene dichter aan het begin van de westerse literatuurgeschiedenis, de blinde Homerus – het verhaal over de val van Troje en het verhaal over de lange thuisreis van Odysseus – groeit in dit elegante boek uit tot een geschiedenis van de wereldliteratuur zelf. Vergilius smeedde die verhalen om tot een groots epos over het ontstaan van het Romeinse Rijk, grote schrijvers als Dante, James Joyce en Derek Walcott zijn er beslissend door beïnvloed. Manguel weet het en kan het minutieus beschrijven omdat hij nu eenmaal alles heeft gelezen, en er op een zeldzaam vervoerende wijze over kan schrijven.

O’Rourke heeft het boek geschreven dat nu, in tijden van financiële crisis, door iedereen zou moeten worden gelezen. Het boek van Adam Smith over The Wealth of Nations (1776) geldt als de grondslag van het westerse kapitalisme, omdat hij (onder veel meer) schreef dat een bakker niet uit liefdadigheid brood bakt maar omdat er vraag naar is en er dus een prijs voor kan worden gevraagd, en dat dit systeem prima is. Maar veel minder bekend is dat Smith eerder een boek schreef met de titel The Theory of Moral Sentiments (1759), en dat boek is een deugdethiek. Smith was van mening dat het kapitalistische systeem alleen goed kon functioneren wanneer het werd gedragen door goed opgevoede en gevormde mensen die zich de deugden (de waarden en normen) eigen hebben gemaakt die een ongebreidelde hebzucht in toom houden. Die vorming is een betere garantie tegen de verwording van het kapitalistische systeem dan massaal overheidsingrijpen.

Aan het boek van Armstrong zou ik geen zuur verdiend geld verbranden, het boek van Manguel wens ik in de handen van vele literatuurliefhebbers, en het boek van O’Rourke zou ik graag in ieders bezit zien, nu vele commentatoren in een vlaag van linksig revanchisme de schuld van de huidige kredietcrisis bij het kapitalisme leggen. Als alle bankiers en beurshandelaren hun Adam Smith hadden gelezen, hadden we de afgelopen weken en maanden hele andere voorpagina’s gehad.


Alberto Manguel, De Ilias en de Odyssee van Homerus
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 252 blz.; ISBN 978 90 5330 659 8; € 18,-

P. J. O’Rourke, The Wealth of Nations van Adam Smith
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 222 blz.; ISBN 978 90 5330 636 9; € 18,-

Karen Armstrong, De Bijbel
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 272 blz.; ISBN 978 90 5330 578 2; € 18,-


*) Deze recensie verscheen eerder in het Reformatorisch Dagblad.

17.10.08

Familie Blokker in verwarring

We zijn een vervelend volkje, vindt de familie Blokker. Zolang we hen niet stoorden ging het goed, maar nu we niet meer zwijgen, maken we de heren chagrijnig.

We leven deze week in de week van de geschiedenis en dat zullen we weten ook. Naast tal van lokale activiteiten staat aanstaande zaterdag de Nacht van de Geschiedenis in hotel Krasnapolsky in Amsterdam op de agenda, het boek van Luuc Kooijmans over de zeventiende-eeuwse wetenschapper Jan Swammerdam is net verkozen tot het beste historische boek, en er zijn twee televisieseries over de Nederlandse geschiedenis van start gegaan: Verleden van Nederland en Nederland in 12 moorden, die de komende weken iedere zondagavond op Nederland 2 te zien zijn.

De TELEAC-serie over de twaalf Nederlandse moorden is gebaseerd op het gelijknamige boek van de familie Blokker, vader Jan (oud-columnist van de Volkskrant) en zonen Jan jr. (leraar/publicist) en Bas (NRC-journalist). Dat boek gaat over de Nederlandse identiteit. Maar die bestaat niet, zo luidt niet alleen de conclusie maar ook het uitgangspunt van het boek. ‘Als volk zijn we vaak een stuk onnederlandser geweest dan we misschien dachten’, is de moraal. Maar het oordeel over de Nederlandse burger valt in het boek vaak heel wat vinniger uit dan in deze milde correctie.

Dat er zoveel behoefte bestaat aan iets eigens, een identiteit, komt omdat we veel zekerheden hebben verloren, leggen de auteurs geduldig uit. Onze gulden en nationale zelfstandigheid hebben we verloren aan de Europese Unie, de iconen van onze handel en nijverheid aan de globaliserende economie en onze straten, buurten, scholen en dorpen zijn door de komst van niet-westerse immigranten onherkenbaar veranderd.
Nu zien we onszelf graag als verdraagzame en vreedzame polderaars, zonder vrees voor het vreemde of onbekende. Maar dat is een constructie waar helemaal niets van klopt. We zijn een bij tijden hysterisch volkje, xenofoob en intolerant. De twaalf moorden die de Blokkers beschrijven bewijzen dat, menen zij. En je hoeft tegenwoordig alleen maar naar bepaalde tv-programma’s terug te kijken, zoals Buren of De Rijdende Rechter om te zien hoe ‘doorsneeburgers’ staaltjes van onze volksaard tonen: ‘hebzuchtig, zelfgenoegzaam, verongelijkt, onverzoenlijk’.

Niets is zo veranderlijk als onze identiteit, zegt de firma Blokker. Maar tegelijk, beweren de Blokkers, is dat onaardige en rancuneuze de kern van die identiteit. Er wordt zelfs geen poging gedaan die tegenstrijdigheid uit te leggen.

Niks is volgens de Blokkers zo Nederlands als het Fortuynisme. Toch ontbreekt de moord op Pim Fortuyn in dit boek. Ook dat wordt niet verantwoord. Zou het zijn omdat de twaalf beschreven moorden de ‘onverdraagzaamheid, hysterie of vreemdelingenhaat’ van het klootjesvolk zouden illustreren, terwijl het bij Fortuyn om de moord gaat van een klootjesvolktribuun door een puinruimer van de elite?

De goede lezer weet nu al hoe laat het is. Dit boek is het werk van drie heren die zichzelf als meedogend progressief zien, terwijl ze in hun praktische stellingname op een elitaire manier volksvijandig zijn.

Jan Blokker (1927) is van mening dat hij en zijn kameraden niet meer ‘onder ons’ verkeren en zegt dat hij zich daardoor ‘belaagd’ voelt.

In de woestijn van de cultuur van de ‘doorsneeburger’ was er altijd een oase: zijn ‘eigen krant’, de Volkskrant, die ‘warme krant’ waaraan hij als koning der columnisten bijna veertig jaar lang zijn stilistische meesterwerkjes heeft bijgedragen. Die krant was weliswaar rooms (geweest), maar had zich losgemaakt van de kerk en van de vakbeweging. Sindsdien waren ze onder ons geweest, hij en zijn vrienden, de bovenlaag, en de meerderheid (de rest) van de bevolking was zo vriendelijk geweest beleefd te zwijgen.

Blokker vertelde het Jan Tromp in een interview dat op 27 september in de Volkskrant stond.

Maar toen kwamen Fortuyn en Van Gogh, en Wilders en Verdonk en Paul Scheffer, de straat ging zich roeren, de revolutie begon te dansen, en de oude bovenlaag werd in haar oase belaagd en staat nu zelfs op het punt de strijd op te geven.

Kinneging en Livestro hebben de jaren zestig en zeventig al weg gemitrailleerd, en iedereen die in de jaren tachtig iets fouts heeft gedaan moet nu op de knieën. Zo is het de gehele Nederlandse geschiedenis gegaan: er is een bepaalde status quo, een klein groepje komt die abrupt veranderen en de meerderheid past zich aan. Toen Blokker en zijn bovenlaagse vrienden de boel overnamen en de meerderheid bleef zwijgen, was er ‘onder ons’ niets aan de hand natuurlijk. Maar nu een nieuw clubje mensen die meerderheid een stem geeft, worden de heren een beetje chagrijnig.
Blokker en de zijnen rest niets dan de woestijn. ‘Het gaat snel’.

Het begon al in 2006, toen Blokker na een conflict met zijn krant – die ‘in het spoor van Hendrik Jan Schoo op de boot van Afshin Ellian en Leon de Winter’ stapte – naar nrc.next overstapte. En nu moet hij toezien hoe zijn oude krant zich ontpopt als de doorstart van Opinio, dat ‘malle en mislukte blaadje’, vol geschreven door ‘enge mensen’ als Andreas Kinneging en Jaffe Vink.

Wie dit leest, moet even terugdenken aan het interview dat Blokker in december 2004 aan Vrij Nederland gaf en waarin hij zei: ‘Wie nu in de war is, was dat altijd al’.

Blokker was toen zelf nog net zo eng als Jaffe Vink, overigens. Hij geloofde niet ‘dat al die moslims zulke aardige mensen zijn. Als blijkt dat er op allerlei plaatsen Van de Ven-achtige malloten rondhangen, zeg ik: sjoemel maar even met de rechtsstaat en pak ze op.’

Gelukkig maakt hij nu deel uit van de wereld van NRC Handelsblad, en is daar weer een beetje onder zijn bovenlaagse ons. Want bij NRC lopen nog essayistisch denkende mensen die vanuit een grote distantie schrijven, toonbeelden van intellectuele evenwichtigheid.

Onlangs stond er nog zo’n groots, evenwichtig, met voorbeeldige distantie geschreven essay in. Het ging erover dat hoog opgeleiden naar politiek links gaan, en de onderklasse naar politiek rechts. Ik ben een aantal keren aan dit stuk begonnen, maar het lukte niet. De titel getuigde al van die morele zelfgenoegzaamheid die voor die zwijgende meerderheid zo aanstootgevend werd dat ze de onder-onsers uit hun oase hebben verdreven.

In de Volkskrant stond diezelfde dag een interview met Herman Wijffels waarin hij licht triomfantelijk de ondergang van het kapitalisme vaststelde als gevolg van de kredietcrisis. In diezelfde krant was René Cuperus het met hem eens en Amanda Kluveld niet, en in de krant van de dinsdag erna ging Arie Elshout erop door.

Is deze verblijdende diversiteit te danken aan de doorstart van Opinio in de Volkskrant? Natuurlijk niet. De Volkskrant is de enige landelijke krant die iets heeft geleerd van de revolte van de afgelopen jaren. Daarom staat er nu wel eens een stukje in de krant van iemand die het niet altijd voor de volle 100 procent met Jan Blokker c.s. eens is. Dat Jan Blokker daardoor zo beledigd is dat hij voortdurend gaat zitten mokken over zijn huidige status van vervolgde minderheid, toont aan hoe kleinzielig zijn ‘onder ons’ was, en hoe overbodig ze in hun verwarring zijn geworden.

1.10.08

Benauwd CDA

Het wetenschappelijk instituut van het CDA erkent – eindelijk – het belang van een nieuw, groot verhaal om het onbehagen in de samenleving te lijf te gaan. Maar geldt dat ook voor de partij als geheel?

Staatssecretaris Jack de Vries van Defensie stapte begin vorige week in zijn dienstauto om zich naar een restaurant in het noordelijke Hoogeveen te laten rijden. Hij mocht daar een groep ‘dertigers’ van de Drentse CDA-afdeling toespreken. Jack de Vries (1968) was jarenlang de grote spindoctor achter J. P. Balkenende, en het geven van een toespraak in de provincie lijkt mij een klusje dat je De Vries wel kunt toevertrouwen. En dat bleek ook.

Zo zei De Vries dat het kabinet het nooit had mogen laten gebeuren dat er enkele dagen lang geen bussen van Connexxion in de Goudse wijk Oosterwei hebben gereden. Dat was een capitulatie voor de dreiging van Marokkaans geweld, aldus De Vries, en daardoor had Geert Wilders zich in de Tweede Kamer kunnen presenteren als de enige volksvertegenwoordiger die de problemen van de mensen in Gouda, en alle andere Nederlandse Gouda’s, begreep. Goed punt.

De Vries zei ook dat het een goed idee zou zijn om de dienstplicht opnieuw in te voeren. Uitstekend punt natuurlijk, zeker in een week waarin je eigen baas, minister Van Middelkoop van Defensie, gewoon laat opschrijven (in Vrij Nederland) hoe hij zich voor de dienst heeft weten te drukken en dat hij dat deed omdat hij allergisch is voor gezag. Dat kun je van Jack de Vries niet zeggen. Hij verbood zijn militairen om in uniform aan de boottocht van de Gay Pride deel te nemen.

En De Vries had HP/De Tijd goed gelezen. Ook een goed punt natuurlijk. Hij zwaaide in Hoogeveen met het artikel over ‘Het eeuwige CDA’ dat Roelof Bouwman twee weken geleden in HP publiceerde. Bouwman betoogde daarin dat het CDA erin is geslaagd om te midden van alle politieke onrust van de afgelopen jaren als een ‘bastion’ overeind te blijven staan. Het CDA is al sinds 2002 de grootste partij van Nederland en lijkt tot in lengte van jaren de centrale regierol in de vaderlandse politiek te zullen vervullen.

Maar De Vries is op zijn hoede. Die kop in HP/De Tijd (‘Het eeuwige CDA’), die had De Vries al eens eerder gelezen. ‘In 1991. Onder Lubbers stond het CDA op 54 zetels en de analyses waren toen ook al dat het CDA de eeuwige machtsfactor zou zijn’. Maar Lubbers ging ruzie maken met zijn kroonprins Elco Brinkman, bij de verkiezingen in 1994 verloor het CDA twintig zetels en kwam het voor acht jaar in de oppositiebanken terecht. Het CDA moet nu dus niet op zijn handen gaan zitten. ‘Het kan zomaar weer voorbij zijn’.

De kracht van het CDA, volgens De Vries, was dat het zichzelf, aangevoerd door het eigen wetenschappelijk bureau, in de jaren negentig ideologisch heeft geherdefinieerd. Het beleid dat de vier kabinetten Balkenende heeft gevoerd, is in die periode op papier gezet. Het is een punt dat ook Roelof Bouwman maakte: ‘wie wil weten hoe Nederland er over tien, vijftien jaar uitziet, neemt vandaag nog een abonnement op CDV’. CDV, Christen Democratische Verkenningen, is het orgaan van het wetenschappelijk instituut van het CDA, en wordt sinds kort geleid door Marcel ten Hooven (ex-Trouw, ex-Vrij Nederland).

Het laatste, net verschenen nummer van CDV is een boekwerk dat op een belangrijk onderwerp ingaat: ‘het benauwde midden’. Het gaat dus over de kwestie waarover iedereen zich zo langzamerhand druk maakt: de leegloop en middelmatigheid van het politieke midden en de vlucht van de kiezer naar de radicale flanken op links (SP) en op rechts (Wilders, Verdonk).

Het is mogelijk veel positieve dingen over het CDA te zeggen, maar wat je – althans tot voor kort – niet kon zeggen was dat het sterk en scherp op die driegende kladeratsj van de Nederlandse politiek heeft gereageerd. De christen-democraten hebben natuurlijk gezien hoe het aankaarten van het grote thema van de integratie- en immigratieproblematiek tot grote verdeeldheid heeft geleid bij de twee andere partijen in het centrum van de politiek, de VVD (Wilders, Verdonk) en de PvdA (Ehsan Jami). En daarom kozen zij voor het grote zwijgen, voor (vermeende) stabiliteit en rust.

Het boek Benauwd in het midden moeten we, denk ik, beschouwen als een eerste, en nog wat voorzichtige poging om de nieuwe werkelijkheid onder ogen te zien. De bijdragen concentreren zich op de Nederlandse middenklasse, de ruggengraat van de samenleving, die zich in toenemende mate zorgen over de economische en culturele toekomst van Nederland maakt, over veiligheid en criminaliteit, over de kosten van levensonderhoud en over de integratie van allochtonen. Ruim twintig bijdragen zijn aan de ‘ethiek van de vooruitgang’ en het economische belang van de middenklasse gewijd. En de vraag is natuurlijk welke politieke en maatschappelijke opgaven uit alle analyses voortvloeien.

De analyse komt er, kort en goed, op neer dat de middenklasse zich bedreigd voelt door krachten waarop het geen grip heeft (de globalisering van de economie, de immigratie) en de bestaande politiek de schuld geeft van het in huis halen van deze bedreigingen. Maar zowel de rechtse als de linkse remedie – nationalisme en verzorgingsstaatconservatisme’ –is erger dan de kwaal.

De middenklasse is er de afgelopen decennia ook in geslaagd zich economisch en moreel te emanciperen. Het gevolg daarvan is dat de stimulans om een leven te bereiken dat beter is dan dat van je ouders was, gaat ontbreken. En de geprivatiseerde moraal heeft tot een breuk met belangrijke vormende tradities geleid. Daarom, zo klinkt het heel christendemocratisch, heeft het ‘maatschappelijk weefsel’ dringend behoefte aan nieuwe verbindingen. Er zijn in dit boek dan ook nogal wat pleidooien te vinden voor ‘nieuwe dragende verhalen’, voor nieuwe ideeën van identificatie, identiteit en eigenheid.

Dat het CDA hierover wil gaan nadenken, of zelfs een leidende rol wil gaan vervullen, lijkt mij winst. Het onbehagen is eerder van culturele en morele dan van economische aard, zo wordt nu erkend. En het geeft niet langer pas om dat onbehagen met regenteske arrogantie doen als het geklaag van verwende burgers af te doen.
Pleidooien voor een beschavingsoffensief en moreel leiderschap, voor ‘een groot verhaal dat generaties verbindt en dat de middenklasse motiveert en een uitdaging biedt om zich aan op te trekken’, klonken ook bij de presentatie van deze uitgave, onder andere uit de mond van cultuursocioloog Gabriël van den Brink. En ook de voorzitter van de CDA-fractie in de Tweede Kamer, Pieter van Geel, liet zich toen niet onbetuigd.

Maar in hoeverre zijn deze verheffende gedachten, neergeslagen in een publicatie van het wetenschappelijk instituut van het CDA, representatief voor het CDA als geheel? In hoeverre zijn deze ideeën in andere partijgeledingen doorgedrongen?

Een prominent partijlid als Doekle Terpstra heeft in een interview voor de zender van Het Gesprek inmiddels laten weten dat het CDA volgens hem helemaal geen keuzes gaat maken. Dat brengt alleen maar electorale ruzies met zich mee, en vormt een regelrechte bedreiging voor de rust en stabiliteit die als hoogste goed worden gekoesterd. CDA-kamerlid Jan Schinkelshoek, nota bene voorzitter van de redactie van CDV, zei na de algemene politieke beschouwingen in de Tweede Kamer dat in een ontregeld land als Nederland niets zo sexy is als saaiheid.

En tijdens die algemene politieke beschouwingen bestond het weerwoord op het verbale geweld van Wilders toch niet in nieuwe, grote verhalen over de Nederlandse eigenheid. Pieter van Geel bleef opzichtig, verhaalloos, op zijn handen zitten. En dat is nou precies wat het CDA volgens Jack de Vries niet langer mag doen.

Recensie van: Marcel ten Hooven (red.), Benauwd in het midden, Boom € 24,90

*) Eerder verschenen in HP/DeTijd.

25.9.08

De onrustbarende muziek van Jaffe Vink

Van oktober 2006 tot juni 2008 zat ik in een kamer aan de Amsterdamse Keizersgracht dagelijks tegenover Jaffe Vink, de bedenker en jarenlange chef van de Trouw-bijlage Letter&Geest. In deze periode hebben we samen 71 Opinio's gemaakt, 1136 pagina's en 1,2 miljoen woorden geredigeerd. Het was een mooie tijd, en Jaffe Vink is een briljante redacteur van wie ik veel heb geleerd. Jaffe heeft deze zomer, teruggetrokken op het Groningse land, een bundel samengesteld met zijn beste artikelen: Hollandse stellingen, uitgegeven door uitgeverij Augustus. In de HP/De Tijd heb ik onderstaand stukje over dit boek geschreven.


‘Je kunt een boek beoordelen op zijn laatste zin’, schrijft Jaffe Vink in Hollandse stellingen, een door Floor Koomen fraai vormgegeven bundeling van opstellen die Vink de afgelopen jaren vooral in Letter&Geest en Opinio heeft gepubliceerd. De laatste zin in Vink’s eigen boek, het slot van een nieuw artikel dat hij speciaal voor deze bundel heeft geschreven, luidt als volgt: ‘Er moet een nieuwe elite opstaan. Roeping.’
Dat er een nieuwe elite moet opstaan, is de conclusie van een betoog waarin Vink het politieke populisme scherp afwijst en tegelijk zijn zorgen uit over de middelmatigheid van het krimpende politieke midden. Dat centrum moet radicaliseren, en zich vormen naar het voorbeeld van politieke virtuozen als Frits Bolkestein en Paul Scheffer. En die nieuwe elite moet zich niet alleen in de politiek manifesteren, maar moet ook voor goede televisie, goede kranten en goed onderwijs gaan zorgen.
‘Roeping’ is de titel van een gedicht van Gerard Reve uit 1973, met als slotregel: ‘Toch goed dat er een God is’. Voor Vink is Reve het voorbeeld van de religieuze virtuoos, wiens werk gunstig afsteekt tegen, bijvoorbeeld, het politiek geladen pro-Cuba proza van Harry Mulisch. Het contrast tussen Reve en ‘kafeenicht Mulles’ is vergelijkbaar met dat tussen de politieke virtuozen Scheffer en Bolkestein enerzijds en Marjet Hamer anderzijds, de fractievoorzitter van de PvdA, die graag badminton speelt en niet echt een favoriet boek heeft omdat er zoveel mooie boeken zijn, haar huis staat er vol mee.
Dit nieuwe opstel illustreert vrij precies Vink’s gebruikelijke manier van werken. Na een jaar Delft ging Vink (Scheemda, 1951) in 1970 in Amsterdam filosofie studeren. Die studie heeft er echter niet toe geleid dat Vink zich uitdrukt in lange, streng-logische betogen. Hij schrijft eerder als filoloog: ‘Heel precies lezen en de woorden serieus nemen’, noemt hij dat zelf. De meeste bijdragen in deze bundel vinden hun aanleiding in een enkel woord, een gedachte of uitspraak. Dat woord of die woorden worden geproefd en op hun zuiverheid beluisterd, en dan volgt er een impressionistisch, associatief betoog met veel poëzie en mystiek, geen grote woorden, veel gezoek en getast. Iemands woordkeus kan bij Vink bewijzen dat hij iets te pakken heeft, of illustreert zijn oneindige leegheid en opgeblazenheid. Die gave van de woordverliefdheid maakte Vink tot een genadeloze redacteur (het ‘tirannieke talent’ dat hij aanprijst, bezit hij zelf in hoge mate), die op stukken niet eens reageerde of ze vier of vijf keer liet herschrijven.
Vink is eerder een man van een klein plankje uitgelezen boeken en poëziebundeltjes dan van een uitgestrekte bibliotheek. En zoals Vink geen veellezer is, is hij ook geen veelschrijver. Hij proeft een woord of een zinnetje, observeert een alledaags tafereel, hij herhaalt van zichzelf en van anderen, hij concentreert zich op het lokale (‘onze psyche is lokaal’), en eindigt zijn artikel eerder in een suggestie dan in een forse, laat staan boude conclusie of aanbeveling.
Die houding leidt tot een intense afkeer van ‘kouwe drukte’, die je vooral in de politiek tegenkomt: zwaarwichtigheid verpakt in onleesbare zinnen die alleen maar tot pijnlijk gekras in de oren leiden. In het hekelen van de politiek heeft Vink inmiddels een aardige reputatie opgebouwd: van vinnige kritiek op het lachwekkende populisme van Eelco Brinkman (in een stuk uit 1994), via onthullende analyses van Kamerdebatten tot de beruchte pastiche waarin hij Balkenende de dingen laat zeggen die de premier in het debat over immigratie en islam volgens Vink had moeten zeggen. Vooral het CDA moet het bij Vink ontgelden, en dat komt waarschijnlijk omdat hij vindt dat je juist van die partij het een en ander zou mogen verwachten.
Een andere kant van die houding is een seismografische fijngevoeligheid voor bepaalde ontwikkelingen in ‘de moleculaire burgeroorlog’ (Enzensberger) die steeds rauwere vormen aanneemt. Vink citeert een gedicht van Anna Enquist, waarin het gaat over een ‘geur van aarde en gevaar’ en over de wind die ‘flarden van een onrustbarende muziek’ aandraagt. Maar Vink heeft het idee dat ‘het nooit waait in onze democratische polder. En als het waait, dan is het zelden een wind die flarden brengt van een onrustbarende muziek’.
Vink heeft die geur voor het eerst geroken en die muziek voor het eerst gehoord in het Amsterdamse stadsdeel de Pijp, waar hij en zijn dame in 1980 gingen wonen en twee dochters kregen (altijd van essentieel belang bij neoconservatieve bekeringen). Een van Vink’s eerste stukken verscheen in 1985 in de NRC en behandelde (toen al) het begin van de multiculturele samenleving en de spanningen, de fricties en het geweld waarmee dat gepaard ging.
Vink is een moderne, progressieve man, die de lange weg van Scheemda naar Amsterdam-Zuid heeft afgelegd, een weg die misschien wel net zo lang is als de bijna spreekwoordelijke reis van Brooklyn naar Manhattan uit de autobiografie van Norman Podhoretz. Hij gelooft in de vooruitgang en het moderne leven. ‘We zijn nog nooit zo rijk geweest en we zijn nog nooit zo vrij geweest. Het is de droom van onze voorouders die we hebben gerealiseerd’. Maar de realiteit van ‘probleemwijken’ als de Pijp bedreigt die vooruitgang en die verworvenheden van het moderne leven, en die onrustbarende muziek moet Vink laten horen in de democratische polder opdat er religieuze en politieke virtuozen opstaan die deze bedreigingen benoemen en aanpakken. In de Pijp schreef Vink de Brief aan mijn dochter (2001), een aanklacht tegen uitgewoonde ideeën, het permanente feest van de driften, de botsing van culturen en het grote zwijgen van de politiek.
De zaterdagbijlage Letter&Geest van Trouw was het eerste podium waarop Vink - als spil in het web van vrienden van Ayaan en gevlinderstrikte dirigent van een groeiend orkest van medeverontrusten - zijn muziek kon laten horen. Omdat de toon en de inhoud van het liedje de (hoofd)redactie van Trouw niet bevielen, moest Vink na achttien jaar, in mei 2006, op zoek naar een nieuw medium. Met Opinio herschiep hij het opinieweekblad in zijn meest pure vorm: alleen maar tekst, alleen maar columns en essays, donderde niet hoe lang, zonder foto’s, zonder advertenties, op roze knisperend krantenpapier, mede geschreven door een internationale stal van grote namen. Het blad was geen lang leven beschoren: begonnen in januari 2007, verscheen het laatste (71ste ) nummer na 1136 pagina’s en zo’n 1,2 miljoen woorden op 30 mei 2008.
Opinio, gefinancierd door zakenman Roel Pieper, is een van de meest creatieve misverstanden uit het recente verleden. Pieper investeerde 1,5 miljoen euro in het blad en toen het maandelijkse tekort van 60.000 euro niet snel genoeg slonk, zette hij de financiering stop, wat hem natuurlijk niet kwalijk te nemen valt. Pieper hoopte op een blad dat in onderwerpskeuze breder zou zijn, en actueler en toegankelijker, evenals alle betrokkenen (waaronder ondergetekende die als freelancer deel uitmaakte van de redactie); de hoop van Vink dat zijn conflict met Balkenende (de pastiche leidde in april van dit jaar tot een rechtszaak en een bodemprocedure) tot grotere naamsbekendheid en een spectaculaire groei van het abonneebestand zou leiden, ging niet in vervulling. En van de veranderingen waarover zo niet in juni 2007 dan toch zeker in december 2007 overeenstemming bestond, is het toen niet meer gekomen.
En de wind in de democratische polder is daarmee weer geluwd.

5.9.08

Goed leraarschap

Een goede vriend van mij die in de Verenigde Staten woont, was onlangs een paar dagen in Nederland en zei dat hem niets zo verbaasde als de Nederlandse discussie over het onderwijs. Begin dit jaar presenteerde een speciale onderzoekscommissie een rapport waarvan de hoofdconclusie luidde dat de Nederlandse overheid ‘haar kerntaak, het zeker stellen van deugdelijk onderwijs, ernstig heeft verwaarloosd’. Dat is nogal wat. In het parlement is deze politieke boetedoening inmiddels met bijna verdacht enthousiasme omhelsd. Maar wie zou denken dat minister Plasterk sindsdien onverwijld aan de slag is gegaan, dat de gymnasia nu overal uit de grond schieten, dat de scholen en klassen kleiner zijn geworden en dat er overal weer gewoon gelukkige leraren voor de klas staan, heeft het mis. Plasterk lijkt ervoor te hebben gekozen de geschiedenis in te gaan als de hoedendragende halve bohemien die zich exclusief op de emancipatie van de homofiele medemens toelegt.

Bij de roep om goed onderwijs is inmiddels het besef doorgedrongen dat de kwaliteit en de positie van de leraar daarbij van het grootste belang is. Die moet goed zijn opgeleid en niet in bestuurlijke commissies zitten om ‘vernieuwingen te implementeren’ maar op een inspirerende manier voor de klas staan. Zijn die er nog, zulke leraren, of hangen de meesten moe gebeukt in de touwen, op zoek naar een escape?

Als dat laatste het geval is – en waarschijnlijk is het zo – is het goed ons te realiseren dat frustraties en ontmoediging bij leraren van alle tijden zijn, en dat er ook remedies tegen bestaan.

Aurelius Augustinus heeft meer dan 1600 jaar geleden een verhandeling geschreven over de vraag hoe je op een goede en inspirerende manier onderwijs kunt geven, zonder dat je als leraar je motivatie verliest. Deze Augustinus – hij werd geboren in het huidige Algerije en leefde van 354 tot 430 – was een zogeheten kerkvader. Hij was de zoon van een christelijke moeder en een heidense vader, was een beetje ondeugend in zijn jeugd en als zeer getalenteerde jongeman vooral erg ambitieus en daarom schopte hij het tot een algemeen bejubeld leraar en redenaar in Rome en Milaan. Na zijn bekering werd hij priester en bisschop van het Noord-Afrikaanse Hippo Regius, schreef hij boeken, preekte hij en fungeerde hij, de intellectuele leidsman, als vraagbaak voor talloze medechristenen.

Een van hen was een zekere Deogratias, van wie we alleen weten dat hij diaken was in Carthago. Carthago was destijds een van de belangrijkste centra van de christelijke kerk en cultuur. De bisschop had Deogratias opgedragen een soort basiscursus over het christelijk geloof te verzorgen. We schrijven het jaar 400, en na de bekering van keizer Constantijn (280 – 337) en verschillende edicten waarin het christelijk geloof vanaf het jaar 313 tot staatsgodsdienst uitgroeide, stroomden belangstellenden toe om zich te laten dopen en lid van de kerk te worden – vaak om redenen die minder verheven waren dan door de kerk wenselijk werd geacht.

Hoe doe je dat, het christelijk geloof uitleggen aan hordes ongeschoolde en maar matig geïnteresseerde mensen? Wat vertel je ze en wat niet? Hoe gretig mag en kun je zijn? Wat moet je doen als je jezelf hoort praten om dat je dezelfde riedel voor de zoveelste keer afsteekt? Hoe blijf je gemotiveerd als je het idee hebt dat je toehoorders je niet goed begrijpen, ook al betreed je slechts de platgetreden paden van de allereerste beginselen?

Het zijn de vragen die iedere leraar zich waarschijnlijk wel eens stelt wanneer hij voor de klas staat en in de zwarte afgrond van het hedendaags puberdom blikt, en iedere hoogleraar die geconfronteerd wordt met studenten die verrast opkijken wanneer ze horen dat Jezus en Christus geen broers maar een en dezelfde persoon zijn.

Deogratias legde zijn vragen aan Augustinus voor en deze beantwoordde ze in een kleine verhandeling over het geven van catechese die nu in een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen. (Het is prachtig dat uitgeverij Damon, evenals Ambo, steeds weer nieuwe en goede vertalingen van werken van Augustinus blijft uitbrengen. De uitgaven zijn zeer verzorgd en door deskundigen vervaardigd en ingeleid. In het boekje over het goede onderwijs wordt de lezer alleen onaangenaam getroffen door het vage woord ‘shows’ als vertaling van ‘spectacula’ en als Augustinus gewoon schrijft dat iemand christen wil worden en daartoe naar de kerk gaat, heet het hier dat iemand tot een ‘christelijke identiteit’ besloten heeft en naar de kerk komt om die te ‘realiseren’.)

In deze verhandeling laat Augustinus in de eerste plaats zien wat een goede leraar hij zelf was. ‘Mijzelf bevalt mijn eigen betoog ook bijna nooit’, merkt hij direct in het begin al begripvol op. De moeilijkheid bij het lesgeven bestaat vooral hierin dat het inzicht de geest als een ‘snelle lichtflits’ doordringt, terwijl het spreken traag is en heel lang duurt. Zo hobbelen we met gebrekkige formuleringen achter onze eigen gedachtegang aan en krijgt onze betoog iets heel onbevredigends. Dat kan zelfs leiden tot een diepe ‘innerlijke weerzin’, zo legt Augustinus uit. Hoe kunnen we er dan nog voor zorgen dat een leraar met plezier les blijft geven?

Het belangrijkste deel van Augustinus’ betoog gaat over die vraag, en de manier waarop hij die beantwoordt getuigt vaak van een diep psychologisch inzicht (die niet verrast bij de auteur van de Belijdenissen, die wel als de eerste ‘moderne’ autobiografie worden gezien). Het is van belang je verhaal af te stemmen op de samenstelling van de groep waartoe je je richt, en de verveling met blijmoedigheid te verdrijven. Maar de belangrijkste deugd waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar ‘krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde’. Alleen die deugd verdrijft uiteindelijk ‘de duisternis van afkeer en verveling’ die het onderwijs bedreigen.

Vanwege dit soort overwegingen is het lezen van dit boekje van Augustinus meer dan de moeite waard. Maar er is meer: we leren hier ook uit dat het geven van onderwijs in de eerste plaats een vak is dat bestaat uit het vertellen van een inhoudelijk verhaal. Het gaat om het overdragen van kennis. Augustinus geeft twee modelbetogen die Deogratias kunnen helpen om de essentie van het christelijk geloof kort en bondig uit te leggen. De tweede tekst is een samenvatting van de eerste en biedt ‘het christendom in een kwartier’, zoals de vertalers het uitdrukken. Ook dat is van belang in een tijd waarin die kennis sterk is afgenomen, zo niet verloren is gegaan.

En er is nog een laatste reden die lezing van dit werkje van Augustinus interessant maakt. In deze tekst, geschreven in het jaar 400, vinden we de eerste aanzetten tot de geschiedenisvisie die Augustinus, na de val van Rome (410), zou uitwerken tot het geschiedenisepos dat een van de pijlers van de westerse beschaving vormt: De stad van God (426). In die geschiedenis vormt de leer van de twee rijken (de stad van God en de stad van de mens) een van de belangrijkste elementen – en daaruit is, via de pauselijke reformaties van de elfde eeuw, het gedachtegoed ontstaan waarbinnen onze discussies over ‘de scheiding van kerk en staat’ mogelijk zijn geworden.

Het is geen schande wanneer een beschaving zich haar eigen identiteit weer bewust wordt. Deze tekst van Augustinus is niet alleen een bron van troost en vreugde voor allen die wel eens een groep mensen moeten toespreken, maar biedt ook een van de beste ingangen tot die heilzame bewustwording.

Recensie van: Aurelius Augustinus, Goed onderwijs, Damon € 19,90

*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.