Showing posts with label ChristenUnie. Show all posts
Showing posts with label ChristenUnie. Show all posts

6.4.10

Wegzakken in eigen linksigheid

Mijn nieuwe column voor Binnenlands Bestuur gaat over het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie, over het ergerlijke dus van de links-christelijke claim op het alleenrecht op compassie, en over de helpende hand die de CU zo af en toe van een krant en een radio-en tv-presentator krijgt toegestoken.


In het Nederlands Dagblad van vanmorgen (dinsdag 6 april) stond een uitvoerig artikel over het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie, beginnend op de voorpagina, met een overlees op pagina 3. Dit primeurtje voor het ND hoeft niet te verbazen. Deze ‘christelijk betrokken’ krant is een product van de wereld (zuil) waaruit ook de CU is voortgekomen, en krant en partij investeren graag in een goede verstandhouding. Maar soms gaan ze daarin wat erg ver.

In het artikel van vandaag wordt onder andere melding gemaakt van een plan van CU-kamerlid Esmé Wiegman om de twintigweken-echo buiten de abortustermijn te plaatsen. Staatssecretaris Jet Bussemaker heeft dat plan onlangs ‘eenvoudigweg terzijde geschoven’. Geconfronteerd met de harde realiteit van de Haagse politiek gaat de CU zich nu praktischer opstellen, en niet meer de afschaffing van hele wetten (zoals de abortus- en euthanasiewet) eisen. In het verkiezingsprogramma wordt m.b.t. abortus alleen nog maar het terugbrengen van de abortustermijn naar achttien weken bepleit. En dan staat er tussen haakjes achter deze mededeling: ‘hier komt dus het recente plan van Wiegman weer om de hoek kijken, red.’

Wat krijgen we nu? Zo’n mededeling tussen haakjes is altijd een verduidelijkende toevoeging van iemand die in de tekst zelf niet aan het woord is. Maar is het artikel dan niet door de redactie van het ND geschreven? Is de auteur, Gerard Beverdam, in dienst van de ChristenUnie en heeft de redactie zich beperkt tot het invoegen van één verduidelijkende opmerking?

Het zou niet verbazen. Politiek leider André Rouvoet krijgt vanaf a.s. zaterdag tot aan de verkiezingen elke zaterdag de gelegenheid om drie vragen te beantwoorden, en lezers mogen hun suggesties insturen. Iedere zaterdag een lekker thuispotje, goedkoper dan advertentieruimte.

En wanneer dat allemaal nog niet genoeg mocht zijn, dan is daar altijd nog de heer Andries G. Knevel. Gisteravond zat Ed Anker, ook Kamerlid voor de ChristenUnie, in het programma Pauw & Witteman. Hij zat daar met droge ogen een dragend beginsel van de rechtsstaat door te zagen door namens zijn partij aan te kondigen dat de hoogte van een boete voortaan door iemands draagkracht zal worden bepaald. In de wereld van de ChristenUnie zijn de armen net iets meer gelijk voor de wet dan anderen.
Ex-VVD-kamerlid en tegenwoordige beroepstwitteraar Arend-Jan Boekestijn zat zich daar thuis over op te winden, en gaf lucht aan zijn verontwaardiging in een serie wat bozige tweets. Maar Knevel was ook nog wakker, en hij riep Boekestijn direct op ‘effe te dimmen’. Wie was de heiden Boekestijn om christenen ‘hun compassie met de zwakken in de wereld’ te verwijten?





Beetje irritant, die links-christelijke claim op het alleenrecht op compassie. En wat het nog erger maakt is natuurlijk dat de door de CU en Knevel bepleite politiek van hoge uitkeringen en lage boetes het tegengestelde effect zullen hebben. Het is een politiek die een toename van ‘zwakkeren’ creëert, in Nederland en in het buitenland. Want ook de ontwikkelingshulp moet volgens de CU en Knevel omhoog, naar 1 procent van het bbp. Medisch-ethische thema’s worden ondertussen gerelativeerd.
Het is niet leuk om te zeggen, en zeker niet aardig, maar hoe is het toch mogelijk dat een vanouds christelijke partij zo diep in haar eigen linksigheid kan wegzakken. Wat mij betreft tot een niveau waarop je de partij eigenlijk niet meer serieus kunt nemen, en er niets anders resteert dan ergernis over de gemiste kansen.

8.3.10

ChristenUnie: humorloos, maar eindelijk duidelijk

Nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur:


De kleine christelijke partijen (RPF, GPV, SGP) werden vroeger wel ‘klein-rechts’ genoemd. Gereformeerd waren ze, serieus, staatsrechtelijk degelijk. Ze trokken altijd samen op en in de Koude Oorlog waren zij onwankelbare atlantici. Ze dronken met elkaar een bescheiden kruikje rosé bij het diner. Ze prakten hun eten (maar dat mag van J. L. Heldring), en droegen schoenen met spekzolen.

Dat imago is grondig aan het veranderen, zij het in verschillende richtingen.

Alhoewel Kees van der Staaij, de opvolger van SGP-leider Bas van der Vlies, de wat hoekige lichaamstaal van zijn voorganger nog altijd imiteert wanneer hij positie kiest achter de interruptiemicrofoon (misschien wel onbewust), heeft hij een jeugdige uitstraling, verschijnt hij af en toe zelfs voor de buis en bloeit zijn gezicht soms open in een lach die richting het gulle tendeert.

Tegenover de toenemende losheid van de SGP (in het nette natuurlijk!) staat een toenemende verbetenheid bij hun voormalige broeders van de ChristenUnie (de fusie uit 2000 van GPV en RPF). Je hoeft maar vijf minuten op tv naar CU-leider André Rouvoet te kijken om je te realiseren dat hij in het diepst van zijn gedachten weet dat hij de komende maanden campagne moet gaan voeren met de leus: ‘Einde oefening’. Het heeft iets krampachtigs en chagrijnigs, de manier waarop representanten van de ChristenUnie (fractievoorzitter Arie Slob overigens uitgezonderd) dezer dagen kijken en de frustraties over gefnuikte ambities van zich af praten, en vooral: het is allemaal zo ongelooflijk humorloos.

Een week of wat terug kreeg ik een email van de redactie van een christelijk opinieblad (CV/Koers) dat vooral uitmunt in de wijze waarop het zichzelf, zijn lezers en de ChristenUnie met hun christen-zijn feliciteert. Of ik snel en in één zin een antwoord wilde geven op de vraag wat ons land na Balkenende IV nodig heeft. Zonder lang na te denken tikte ik in: ‘Een kabinet zonder de ChristenUnie’. Sinds de verschijning van het blad loopt mijn emailbox vol met verbeten reacties van CU-stemmers. Schande om zo lelijk over de partij te doen!

Het geintje had ondertussen wel een serieuze ondertoon. Mijn bezwaar tegen de ChristenUnie bestaat vooral hierin dat ze de afgelopen jaren voor een fundamentele koerswijziging hebben gekozen (van klein-rechts naar klein-links overgoten met een evangelische saus), dat hun journalistieke vriend Andries Knevel zelfs van een ‘paradigmawisseling’ spreekt, en dat de partij die verandering altijd heeft ontkend, laat staan dat ze er verantwoording over heeft afgelegd.

Maar sinds deze week zijn alle veranderingen in ieder geval impliciet erkend. Maandag heeft de CU een eerste publieke versie van het verkiezingsprogramma gepresenteerd en zich daarbij nadrukkelijk gepositioneerd als het glijmiddel voor een centrum-linkse coalitie van PvdA en CDA. De directeur van het wetenschappelijk bureau van de CU, Gert Jan Segers, zei op radio 1 dat de CU zich op links tussen CDA en PvdA in heeft gepositioneerd. Dat wisten we al, maar we mochten het nooit zeggen en nu zeggen ze het eindelijk zelf eens. En dat betekent natuurlijk dat de ChristenUnie lastenverzwaringen bepleit: een ‘crisis- en hersteltaks’ en de invoering van één tarief voor het aftrekken van de hypotheekrente.

Zo is dat: zuur en humorloos door het leven gaan, en veel geld van de bevolking afpakken omdat de overheid, zoals oud-CU-senator Kees van Bruchem eens schreef, veel beter weet dan de burger zelf hoe dat geld goed kan worden besteed.
We moeten de CU dankbaar zijn voor de eindelijk geboden duidelijkheid. Die uitspraak over de wenselijkheid van een kabinet zonder de CU na Balkenende IV moest ik maar eens gaan inlijsten.

25.6.09

De ChristenUnie en de islam

De ChristenUnie organiseert dezer dagen een reeks debatten over Nederland en de islam. Ik deed mee aan de bijeenkomst in Rotterdam, afgelopen maandag. Voor verslagen, zie hier en hier en hier.

De auteur van de bijdrage op DDS schrijft dat ik maar beter niet meer naar dit soort avondjes toe moet gaan. 'Ik kreeg het idee dat ‘ie [ik dus] zo nu en dan bezig was met het kweken van een behoorlijke maagzweer. Je zag aan hem dat hij zich zat op te vreten wanneer (vooral) Koç en De Vries zich weer eens van hun meest naïeve kant lieten zien. Wanneer Spruyt de microfoon kreeg zei hij zeer zinnige dingen welke ook op veel bijval uit het publiek konden rekenen.'
Toch blijf ik maar naar dit soort avondjes gaan. Na afloop kwam de groep ex-moslims naar mij toe, en die zeiden mij dat ik die avond als enige het geluid van de ex-moslims en vervolgde christenen had vertolkt. En het lijkt mij van belang dat die stem gehoord blijft worden.

Over dit onderwerp heb ik ook een stukje geschreven in het CU-blaadje Handschrift:


Maakt de ChristenUnie het verschil?

André Rouvoet heeft de draai gemaakt. Samenwerking met de PVV van Geert Wilders noemde hij aanvankelijk ‘ondenkbaar’ – zoals ook de SP, de PvdA, (een deel van) het CDA en GroenLinks en D66 een coalitie met Wilders bij voorbaat uitsloten. ‘Gelet op het programma en het profiel, gevoegd bij de toon en manier van optreden van de PVV, lijkt me een coalitie waarvan ChristenUnie en PVV deel uitmaken eerlijk gezegd ondenkbaar’, aldus Rouvoet vorige maand in een interview met het FD. Maar tijdens de jaarlijkse Vriendendag van de ChristenUnie, op zaterdag 6 juni in Den Haag, zei hij dat je ‘ze’ niet moet uitsluiten. Je moet bij coalitiebesprekingen altijd kijken naar wat er mogelijk is – al acht Rouvoet ook nu de kans klein dat zo’n bespreking ergens toe leidt.

Zo groot is de draai dus niet. Belangrijker dan deze nuancering was dan ook wat Rouvoet zei over de opgave ‘een beter alternatief [dan de voorstellen van Wilders] te bieden voor de problemen in ons land’. En daarbij had hij het over ‘ons eigen grote verhaal’.

Toen ik het verslag van de Vriendendag in het ND las, bleven mijn ogen bij deze woorden haken. Dat ‘eigen grote verhaal’ van de ChristenUnie, hebben we dat de afgelopen jaren eigenlijk wel gehoord?

Ik geloof zeker dat de ChristenUnie dat eigen verhaal heeft. Bij de ChristenUnie waren zowel de gewetens- als de geloofsvrijheid altijd in veilige handen. Maar in de staatsrechtelijke traditie die zij belichaamt, was ook altijd oog voor de grenzen van die vrijheid. Vrijheid mag geen excuus worden voor een politiek die er uiteindelijk op is gericht om anderen die vrijheid te ontnemen.

In het grote debat met Wilders heb ik dit verhaal niet gehoord. Alle nadruk is gevallen – net als bij het CDA – op de principiële gelijkwaardigheid en beschermwaardigheid van alle geloven. Van een kritische houding jegens het salafisme heb ik niets gemerkt – wel heb ik de stem van de ChristenUnie vaak gehoord in het koor van de politici die klaagden over de ‘toon’ van Wilders, en dat vooral deden omdat ze het liedje niet wilden horen.

Piet de Jong van het ND kan waarschijnlijk best onderwerpen (‘beleidsterreinen’) noemen waarop de ChristenUnie iets heeft bereikt, en dan kun je zeggen dat de ChristenUnie verschil heeft gemaakt. Maar bij de meest aangelegen kwestie van cultuur en integratie heb ik het geluid waarop ik had gehoopt, node gemist.

3.4.09

Islam in Nederland

Het wetenschappelijk bureau van de ChristenUnie, tegenwoordig geleid door Gert-Jan Segers, organiseert morgen (zaterdag 4 april) een congres over de islam en Nederland. Voorafgaand aan deze conferentie, waarop ik een van de sprekers zal zijn (samen met o.a. Fatima Elatik en James Kennedy) publiceerde het christelijke opinieblad CV/Koers vandaag onderstaand interview met mij.

Het integratiedebat is in een teleurstellende impasse terechtgekomen, zegt Bart Jan Spruyt. Hij snapt niet hoe de Haagse elite de boventoon in het integratiedebat achteloos heeft overgelaten aan Geert Wilders. En vol ongeloof ziet Spruyt toe dat diezelfde Wilders “nu salonfähig wordt gemaakt.” Spruyt wil een botsing zien. Een hard maar fair debat om moslims de waarden van het vanouds christelijke Nederland bij te brengen.

Bart Jan Spruyt zit graag in kasteel Oudaen in Utrecht aan de Oudegracht. Hij heeft er veel herinneringen. Spruyt liep “op verschrikkelijke wijze een blauwtje”, toen hij met een grote bos bloemen vergeefs wachtte op de vrouw van zijn dromen. De bos bloemen gaf hij maar aan de dame achter de bar en met zijn gedroomde vrouw is hij alsnog getrouwd. Nu komt Spruyt vooral naar Oudaen om gesprekken te voeren.

Gesprekken voeren doet Spruyt graag. In interviewprogramma Het Gesprek, in het verleden als politiek verslaggever van het Reformatorisch Dagblad en nu als publicist voor onder meer Binnenlands Bestuur en Elsevier. Op zijn weblog ventileert Spruyt zijn visie op politiek en maatschappij. Dat gaat er soms niet zachtzinnig aan toe. “Fair maar hard. Zo moet het debat gevoerd worden”, vindt Spruyt dan ook. “En dat is nu precies wat ontbreekt in het debat over immigratie en integratie. Voorspelbare onderwerpen, voorspelbare mensen, voorspelbare meningen.”

“Ik zwalk hierin tussen hoop en wanhoop”, zegt Spruyt. “Hoopvol door bijvoorbeeld NL2023, een initiatief van een groep jonge Marokkanen. Ze willen duidelijk maken dat zij een constructieve bijdrage willen leveren aan de toekomst van Nederland, ondanks dan wel dankzij hun religieuze en culturele achtergrond.”

“Maar ik heb ook wantrouwen. Neem nu Ahmed Marcouch, de sheriff van Amsterdam Zuid-Oost. Met die man kon ik prima opschieten. Als ik 'm tegenkwam stompten we elkaar joviaal op de borst. Hij had goede ideeën en kwam met prima initiatieven. Maar dan maakt 'ie zich ineens sterk voor een subsidie voor een of andere fanatieke moslim die in Nederland een lezing moet komen geven. Dan denk ik: stink ik er gewoon telkens weer in? Of is er een dimensie die ik niet begrijp in deze problematiek, iets hogers of zo? Ik denk het eerste.”

Graniet
De islam ligt als een brok graniet in ons vlakke religieuze landschap, citeert Spruyt de liberaal-conservatieve socioloog Jacques van Doorn. “Daarmee kun je drie dingen doen. Het laten liggen, en kijken wat het wordt. Dat is levensgevaarlijk. Je kunt het bijschaven, zodat het gaat passen in ons polderland of je kunt 't wegpesten. Dat laatste is wat Geert Wilders voorstaat en dat is onmogelijk en ongewenst. Ik kies liever voor die tweede variant. Maak de moslims duidelijk hoe wij in onze cultuur met elkaar omgaan; een pluriforme cultuur van geloofsvrijheid en gewetensvrijheid. Als wij onze cultuur en traditie niet beschermen, gaan ze eraan. Nederland moet die botsing met de islam niet uit de weg gaan, want juist als je botst, wordt je je bewust van je eigen identiteit.”

U wilt de islam in Nederland bijschaven? Dat klinkt wat belerend. Verwacht u niets van de moslimbevolking zelf?
Op dat vlak niet. Als er ergens weinig zelfkritiek zit, is het wel bij de moslimgemeenschap. Maar ik zie dat bijschaven niet als iets eenzijdigs, maar ik wil dat doen in gesprek met de moslimbevolking. In debat. Een hard debat. En dat mag belerend zijn. Voor de islam in Nederland zal duidelijk moeten worden dat wij er hier bepaalde waarden op nahouden. Dat wij een grondwet hebben, een constitutie waarop onze samenleving is gebaseerd.

Dat klinkt als een debat met maar een mogelijke uitkomst...
Je verwacht toch niet dat als ik het debat inga, het mij niet kan schelen wat er uitkomt? Dat debat is geen dictaat. De moslims mogen natuurlijk iets terug zeggen, graag zelfs! Maar ik constateer dat er salafisten zijn, mensen met een dubbele agenda, die zich verschuilen achter de vrijheid van godsdienst en die ten onrechte gebruiken om een eigen parallelle samenleving te creëren. De rechten die wij grondwettelijk hebben, moet je niet misbruiken, want dan verlies je ze.

Maar er zullen veel moslims zijn, die zich daarin niet aangesproken voelen.
Dat zou best kunnen. Maar wat jij nu zegt, laat toch alleen maar zien dat er een debat nodig is. Niemand weet precies een antwoord op deze vragen.

Historicus George Harinck pleitte een tijd geleden voor een herverzuiling van de maatschappij. Laat de moslims zich maar verenigen. Dan zijn ze in elk geval duidelijk aanspreekbaar...
Dat ligt natuurlijk voor de hand. Balkenende heeft echter zelf gezegd dat wanneer de moslims zich verzuilen ze in een gevangenis van achterstand terechtkomen. Daarin heeft hij helaas gelijk. Onderzoek van Sjoerd Karsten, een PvdA'er voor de goede orde, wijst bovendien uit dat mensen op moslimscholen, die toch het gevolg van een herzuiling zullen zijn, elkaar niet stimuleren, maar elkaar omlaag trekken. Ze hebben geen voorbeelden aan wie ze zich kunnen spiegelen. Er zitten geen kinderen van tandartsen, advocaten of ingenieurs tussen. In een pluriforme samenleving met een flink debat komen we veel verder. Ik zie veel meer in een platform. Zoals die NL2023-club; nu nog klein, maar wellicht kan het zich verbreden. Dat stemt mij hoopvol.

Hobbels
Spruyt ziet echter ook veel hobbels op de weg naar een open debat. “Geert Wilders heeft de discussie over immigratie en integratie volledig naar zich toegetrokken, zodat debat hierover bijna onmogelijk is geworden. Ik verwijt dat ook de Haagse elite. Toen Wilders de politieke arena betrad, hadden zij de problemen die hij benoemde beter en intelligenter moeten benoemen dan hij. Maar ze hebben gezwegen, de andere kant op gekeken. En om toch gehoor te krijgen is Wilders steeds radicalere standpunten gaan uitkrijten.”

Eind 2005, begin 2006 was Bart Jan Spruyt de rechterhand van PVV-leider Geert Wilders. In die beginfase van de PVV schreef Spruyt mee aan het verkiezingsprogramma en was hij beste maatjes met Wilders. Nu is Spruyt volledig afgeknapt op Wilders, die met zijn partij in recente peilingen als grootste uit de bus kwam. “Ik had in beginsel de hoop dat we zouden komen tot een brede conservatieve beweging, maar daar was Wilders totaal niet in geïnteresseerd. Het gaat bij hem om 'ik: Geert Wilders.”

Wilders is geradicaliseerd, zegt Spruyt. “Ik weet nog goed dat hij een interview gaf aan het Algemeen Dagblad. Daarin zei hij onder meer: Over mijn lijk dat er een moslimburgemeester komt, in bijvoorbeeld. Rotterdam. Ik las dat stuk voor publicatie en toen heb ik tegen hem gezegd: Geert, dit kun je niet maken. Er komt een dag dat er een moslim komt, een oprechte democraat, die burgemeester wil worden. Daar kun je niet tegen zijn. Hij zei: Je hebt gelijk, ik schrap het. Maar nu Aboutaleb is aangesteld als burgemeester in Rotterdam, heeft Wilders grote kritiek. Je merkt dat er nu niemand meer is in zijn partij die enige kritiek op hem uitoefent; hij heeft een team vol ja-knikkers om zich heen verzameld.”

“Het enige dat Wilders wil, is dat blok graniet, die moslimbevolking wegpesten en zijn politieke dood uitstellen. Een tijdje geleden maakte hij z'n eerste grote blunder door te zeggen dat hij minister-president wil worden. Dat kan niet, ook al wordt de PVV de grootste. Want in een coalitie moeten concessies worden gedaan. En concessies kan Wilders niet verkopen aan zijn achterban.”

“Mij wordt wel eens rancune verweten. Maar dat is het niet. Het is niets persoonlijks, het gaat om een objectief verschil van mening. Persoonlijk, als mens mag ik Geert Wilders graag. Toen ik eens in het ziekenhuis lag, nam hij contact met me op. Dan belt hij eens, of hij stuurt een sms. 't Is jammer dat hij m'n kleine broertje niet is, heb ik vaak tegen hem gezegd. Ik zou hem dagelijks een pak slaag geven. Dan was er nog wel wat van te maken. Maar Geert is m'n broertje niet. Hij is een liberaal, en dan kun je nooit een held zijn. Voor een liberaal geldt maar éé ding als zijn hoogste goed: zijn eigen belang en zijn eigen persoon.”

Niet van Wilders
Volgens Spruyt wordt het tijd dat de Haagse politiek naast Wilders ook een standpunt gaat innemen over de islam in Nederland. “Dat is hard nodig. Ik ken mensen op het partijbureau van het CDA. Zij zeggen: Moslims? Nee, daar gaan we het niet over hebben. Wij zijn toch niet van Wilders. Dat valt mij zo tegen. En als Wilders Pieter van Geel bevraagt over de uitspraken van voormalig minister Vogelaar over een joods-christelijke-islamitische cultuur, dan zegt hij: 'christendom staat voor respect.' En dan loopt hij weg. Juist de christelijke partijen moeten duidelijk maken dat de constitutie, waar ik het over had, niet alleen dat dunne boekje is, maar ook de instituties die de democratische rechtstaat belichamen. En dat ons culturele fundament gevormd is in een eeuwenoude christelijke traditie. Constitutioneel patriottisme is hier op zijn plaats.

Is de worsteling van veel christenen niet begrijpelijk? Enerzijds zien ze de problematiek in de islam, maar ze willen ook hun ´christelijke medemenselijkheid´ betonen aan die moslims 'die het goed bedoelen'...
Flauwekul. Het heeft niks met medemenselijkheid te maken als je deze groep aan hun lot overlaat en laat gebeuren dat ze in een soort parallelle samenleving terechtkomen. Wie niet polemiseert, is niet bekeerd. . Polariseren is geen doel, maar wel een middel.

Welk geluid moet de christelijke gemeenschap volgens u laten horen in het islamdebat?
Ik zal je een schokkend verhaal vertellen. Ik heb een goede vriend in Engeland, Douglas Murray heet hij. Een goeie, geleerde jongen. Echt zo'n Oxford-knaap. Een neo-conservatief en Anglicaans bovendien. Beter kan niet, zou je zeggen. Maar nu las ik onlangs een artikel van hem met de kop: Studying the islam made me an atheist. De islam heeft ´m een atheïst gemaakt. Dit is precies waar ik bang voor ben. Ook in Nederland. Christenen die gaan zeggen: ach, die islam heeft ook wel gelijkenis met het christendom. Ze zijn ongeveer hetzelfde als het gaat om homo's, vrouwen en beide zien ze de mens als een afhankelijk schepsel Gods. Het trekken van die paralellen is levensgevaarlijk, want geloven zijn dan ineens relatieve varianten van dat ene verschijnsel, de pre-moderne religie.. Als christenen moeten we de islam beter bestuderen. Het christendom is een vredelievende godsdienst. Wij zijn niet uit op wereldheerschappij. De islam wel.

Laat de christelijke gemeenschap nu te weinig van zich horen?
Er kunnen natuurlijk zaken zijn die zich aan mijn aandacht onttrekken, maar in het algemeen hoor ik niet veel. Ieder jaar komen er bijvoorbeeld wel wat studenten langs die dan vertellen over hoe ze discussiëren over hun rol in het islamdebat. Moeten we ons terugtrekken in onze eigen groep of hebben we een boodschap voor de wereld. Natuurlijk zeggen ze iedere keer: Ja! We hebben een boodschap voor de wereld. Maar daar blijft het dan bij. Waarom zie ik ze nooit in de Rode Hoed debatteren en waarom lees ik nou nooit eens een stuk op de opiniepagina's van de Volkskrant?

U stelt dat christenen moeten opkomen voor de christelijke traditie waarop Nederland is gestoeld. Dat valt niet mee in een samenleving die steeds minder van christenen moet hebben.
Het herstel van ons cultureel fundament moet tóch komen uit de christelijke hoek. En daarin hoop ik sterk op een Reveil. Misschien is dat onwaarschijnlijk, maar dat was het in de negentiende eeuw ook. Ik ben hoopvol, want God is almachtig en goedertieren.

5.2.09

Snode samenspraken met linkse christenen

In 2001-2002 hebben vertegenwoordigers van de ChristenUnie en van de conservatieve Edmund Burke Stichting in Haagse huiskamers snode samenspraken gevoerd. De ChristenUnie, toen nog in een lastig proces van fusering verwikkeld, kreeg de vraag voorgelegd of het denkbaar zou zijn dat de partij zich op termijn tot een conservatieve partij zou willen verbreden. En alhoewel er over en weer de nodige sympathie bestond (van de kant van de ChristenUnie vooral bij dr. Bart Verbrugh), werd de suggestie dat de ChristenUnie zich zou kunnen ontwikkelen tot een niet-exclusief-christelijke programpartij bijna verontwaardigd van de hand gewezen.
Alleen het Evangelie, alleen de Bijbel als het Woord van God reikte de partij de normen aan die in de politiek gehandhaafd moesten worden in een expliciete poging de samenleving te herkerstenen. Een verbreding van de partij tot een platform waarop mensen elkaar zouden kunnen vinden die – al dan niet christelijk geïnspireerd – een dam tegen de modernisering van Nederland wilden opwerpen, was ondenkbaar en onbespreekbaar.

Zovele jaren na dato lijken de pogingen van toen van een haast onthutsende naïviteit te getuigen: de ChristenUnie heeft zich ontpopt als een christelijk-sociale partij en dat is heel iets anders dan de (christelijk-)conservatieve partij die de Edmund Burke Stichting voor ogen stond. En de ChristenUnie heeft destijds tevergeefs gehoopt dat de achterban van de Edmund Burke Stichting een electorale vijver zou vormen.

Er is sindsdien het nodige veranderd. De Edmund Burke Stichting, door schade en schande wijs geworden, heeft zich van alle partijpolitiek gedistantieerd en heeft de handen vol aan de programma’s die het voor studenten organiseert. Maar ook de ChristenUnie is veranderd. Na enkele teleurstellend verlopen verkiezingen verdubbelde de partij in november 2006 haar zetelaantal tot zes, en is het deel gaan uitmaken van het vierde kabinet-Balkenende. Dat regeren ging van au! omdat het om de nodige concessies en compromissen vroeg. Dat pijnlijke proces ging gepaard met vergoeilijkende opmerkingen over de uiteindelijke volwassenheid van de partij. De ChristenUnie is nu, opererend op het snijvlak van overtuiging en politieke realiteit, de programpartij die het in 2002 nog niet wilde zijn.

Die ontwikkeling is natuurlijk gedragen door inhoudelijke veranderingen. In een interessante beschouwing van Piet de Jong van het Nederlands Dagblad (30 januari 2009) komt duidelijk naar voren dat die veranderingen nu culmineren in een proces van herijking. De partij streeft niet langer naar de herkerstening van Nederland. Zij accepteert dat Nederland definitief een postchristelijk land is. In de praktijk heeft dat tot een verzakelijking geleid die nu met een theologische herbronning gepaard gaat. Een van de hoofdrolspelers is de gereformeerd-vrijgemaakte ethicus Ad de Bruijne, die christelijke politici oproept tot bescheidenheid en tot het zetten van kleine stappen en het sluiten van compromissen – een benadering die de conservatieve Burke-mensen in 2002 zouden hebben ondertekend – anders dan de toenmalige representanten van de ChristenUnie.

Deze herbronning (door André Rouvoet getypeerd als het ‘volwassen worden van de kleine christelijke politiek’) mondt in de praktijk echter uit in een ‘zakelijkheid’ die tot een ‘verflauwing der grenzen’ en daarmee tot een geheel andere visie op de staat heeft geleid. In zijn column voor Opunie heeft Bas Hengstmengel daar op een overtuigende wijze de vinger bij gelegd (‘Quo vadis, CU?’, 20 januari 2009). Hengstmengel stelt terecht vast dat Rouvoet de visie aanvankelijk zag als een opdringerige instantie die ‘plaatsvervangend taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden naar zich toetrekt’, tot een orgaan dat grote maatschappelijke problemen, ook in de gezinnen, moet en kan oplossen. ‘Een opvatting die we nog wel eens tegenkomen, namelijk dat de opvoeding van de kinderen door de staatsgemeenschap (gedeeltelijk) aan het gezin is gedelegeerd, moet fundamenteel van de hand worden gewezen’, schreef Rouvoet zelf in zijn boekje Reformatorische Staatsvisie uit 1992.

Rouvoet heeft zijn ommezwaai verdedigd met een beroep op een filosoof uit de kring van de reformatorische wijsbegeerte, Jonathan Chaplin. In een lezing in de Leidse Lokhorstkerk, in maart 2008, en in een artikel in Denkwijzer (juni 2008) probeerde Rouvoet uit te leggen dat zijn beleid niet in strijd was met de traditionele Kuyperiaanse gedachte van de soevereiniteit in eigen kring. Volgens die gedachte van Kuyper zijn alle kringen soeverein, hebben zij niets boven zich dan God en mag de staat zich hier niet tussen de kring en God schuiven. Ouders zijn dus verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen, en de overheid heeft hier dus niets achter de voordeur te zoeken.

Dat althans zou je denken, maar wie zo denkt heeft er volgens Rouvoet helemaal niets van begrepen. Want Chaplin heeft hem geleerd dat de overheid – juist vanuit de gedachte van de soevereiniteit in eigen kring – moet ingrijpen als ouders te kort schieten in de opvoeding van hun kinderen. Als daarvan sprake is, en als de overheid dan optreedt om de schending van de rechten van kinderen te voorkomen of te beëindigen, dan is er volgens Chaplin ‘geen sprake van onrechtmatige staatsbemoeienis’ of van het ‘overschrijden van grenzen’ maar juist van een staat die in eigen rechte aan zijn unieke roeping invulling geeft.

De ontwikkeling van het denken binnen de ChristenUnie tot dit standpunt is een van de meest tragische en verwerpelijke die ik ken. Wie in alle ernst meent dat de overheid de taak heeft om ‘de voorwaarden te scheppen waardoor gezinnen zich kunnen ontwikkelen en ouders de opvoeding en verzorging van kinderen op zich kunnen nemen’, dat de overheid zelf direct (zij het bij voorkeur tijdelijk) moet ingrijpen ‘als een gezin in de problemen is geraakt’, is van de traditie geheel los geraakt.

Het oude ideaal van de herkerstening maakt hier plaats voor de gedachte dat de gevolgen van de secularisatie kunnen worden gerepareerd door een overheid die neutraal en zorgzaam alle geslagen wonden kan genezen. Dat principe van de staat als ultimum remedium is in de eerste plaats voorbarig. Aan het grijpen naar het ultieme geneesmiddel van de staat, als dat al moest worden voorgesteld, had een lang en diepgravend politiek debat vooraf moeten gaan. En daaraan heeft het volledig ontbroken. Het had moeten gaan over de vraag wat een gezin eigenlijk is en waarom sterke gezinnen zo belangrijk zijn. Dan had dus gezegd moeten worden dat een gezin behoort te bestaan uit een biologische vader en moeder en hun kinderen. Dat het van belang is dat de moeder thuis is om, zeker als de kinderen nog de school gaande leeftijd hebben, voor de kinderen te zorgen. Dat het goed is om dat (desnoods) fiscaal te faciliteren.

Hoe is het mogelijk dat een christelijke minister een Gezinsnota uitvaardigt met op de kaft een afbeelding van een gezin dat uit een moeder, twee kinderen en een hond bestaat?

Politici hebben de neiging het belang van debat te ontkennen. Maar debat kan leiden tot een nieuwe bewustwording en tot andere keuzes, en daarmee effectiever zijn dan welk beleid dan ook.

Ik begrijp heel goed in welk een lastige situatie André Rouvoet zich bevindt. Je zult maar programmaminister zijn, omringd door ambtenaren die natuurlijk allemaal PvdA stemmen. Ga dan maar eens in tegen de dominante trend die wil dat moeders nog meer moeten gaan werken, en die een gezin definiëren als een of twee ouderen en kinderen.

Maar het had Rouvoet gesierd wanneer hij de discussie had aangedurfd en het hele gebied tussen de bestaande situatie en het besluit om de overheid naar ultieme middelen te laten grijpen, niet had overgeslagen.

En dat grijpen naar het instrumentarium van de staat is niet alleen voorbarig maar ook onjuist: de overheid kan niet van je houden en is niet neutraal, en zal zeker in onze tijd niet gericht zijn op de genezing van verstoorde of verbroken relaties.

De ChristenUnie heeft het ideaal van de herkerstening dus opgegeven en ingewisseld voor een modern links beleid waarin de overheid als laatste redmiddel orde in de chaos van de secularisering moet scheppen. Het heeft zich daarmee van zichzelf vervreemd en zich ver verwijderd van de vertegenwoordigers van de ChristenUnie van 2002, en van hun toenmalige conservatieve gesprekspartners. En dat is extreem spijtig voor mensen die, in het voetspoor van Groen van Prinsterer, het liefst een anti-moderne coalitie (hadden) zien ontstaan

(ook verschenen op de website Opunie)

7.8.08

Rouvoets haaienjacht

Als ik onze minister van Jeugd en Gezin, André Rouvoet van de ChristenUnie, bezig zie, moet ik altijd denken aan de tweede president van de Verenigde Staten, John Adams (1735- 1826). Niet zozeer vanwege zijn presidentiële uitstraling – Rouvoet heeft daarvoor net iets te veel de gejaagde blik van iemand die drie kranten achterloopt en echt alles gelezen wil hebben – maar vanwege een uitspraak van Adams die Rouvoet eigenlijk boven zijn bed zou moeten hangen.

En niet alleen boven zijn bed, maar ook aan de muur van zijn werkkamer...

Lees de rest van deze column in Elsevier van deze week. Abonneren kan hier.

13.12.07

Het dagboek van Andries Knevel

Recensie* van Andries Knevel, Avonduren, Ten Have € 19,90 en George Harinck, Waar komt het VU-kabinet vandaan?, EON Pers € 15,00


2007 was een enerverend jaar voor Andries Knevel, het gezicht van de Evangelische Omroep. Bij zijn gebruikelijke werkzaamheden kwam de presentatie van Knevel & Van den Brink, als tijdelijke vervangers van de populaire Pauw & Witteman, en de ChristenUnie, zíjn ChristenUnie, kwam aan de macht. Om te voorkomen dat de gebeurtenissen met hem op de loop zouden gaan, heeft Knevel het afgelopen jaar een dagboek bijgehouden.


Knevel (1952) zit zo af en toe dicht bij de macht, en dat mogen we weten ook. Zo vertelt hij dat André Rouvoet hem op 9 februari belt, twee dagen na de presentatie van het regeerakkoord van CDA, PvdA en ChristenUnie in het Catshuis. Dat gesprek ging zo:

‘Hoe vind je het allemaal bij elkaar, Andries?’

‘Goed gedaan, André, ik denk dat je het maximale eruit hebt gehaald en de grote aandacht voor jeugd en gezin in het akkoord, naast de strekking dat we weer moeten zoeken naar verbinding in de samenleving, naar cohesie en naar bezieling, spat er natuurlijk af.’

‘Meen je het echt?’

‘Ja, van harte, en ik zal jullie de komende tijd ook kritisch steunen.’

‘Dat vind ik geweldig, want ik hecht zeer aan je oordeel.’

Dank zij die positie van Knevel – hij kan het ook goed vinden met de minister-president, en drinkt in een hotel op een Waddeneiland tot diep in de nacht biertjes met hem – bevat het dagboek leuke weetjes. Het ChristenUnie-kamerlid Joel Voordewind vertelt hem bijvoorbeeld dat de fractie eigenlijk helemaal niet blij was met het feit dat Rouvoet minister werd. ‘Uiteindelijk heeft hij die keuze gemaakt, zonder de fractie te laten meebeslissen. Ik proef iets van verwijt in de stem van Joel.’ Na een uitzending van Knevel & Van den Brink blijft Wouter Bos lang hangen, ‘met een glas bier in de hand’. Bos vertelt hoe het toegaat in de Trêveszaal en wat er allemaal nog meer bij de PvdA aan de hand is, en maakt geen geheim van zijn wantrouwen jegens Balkenende. ‘Net als Gerrit Zalm krijgt Wouter Bos erg veel ruimte van premier Balkenende. En net als Zalm vraagt hij zich af of dat slimme tactiek is, of onvermogen van de premier om dossiers bij te houden of om krachtig leiderschap te tonen. Hoewel de verhouding tussen de twee goed is, zal er nooit sprake zijn van chemie. Die heeft Wouter Bos veel meer met André Rouvoet.’ Ook Balkenende loopt na een uitzending een keer leeg. ‘Hij vertelt onbekommerd over de kabinetsformatie, met een aantal pikante details.’ Het volk had die details via Knevels dagboek graag willen vernemen, maar Jack de Vries, onze staatssecretaris van Defensie, had in zijn toenmalige functie van mannetjesmaker al ingegrepen: ‘Hier geldt het geheim van Nieuwspoort’, waarschuwt hij tijdens het gesprek in de studio.

Dit soort passages, en de levendige manier waarop Knevel ze opschrijft, maakt dit dagboek zonder meer lezenswaardig. Maar het boek is om een andere reden nog veel interessanter. Knevel legt van dag tot dag verantwoording af van zijn denkbeelden, en vooral: van de ontwikkeling in zijn denken. En dat is in zijn geval meer dan een hoogstpersoonlijke biecht. Knevel representeert een ontwikkeling die zich in zijn hoek van christelijk Nederland overal voltrekt (of gaat voltrekken), en die ook voor de rest van Nederland van belang is.

Het moet iedereen in dit land toch zijn opgevallen dat de partijen waaruit de ChristenUnie in 2001 is ontstaan (GPV en RPF), zich tot diep in de jaren negentig manifesteerden als principiële clubs die het kabinetsbeleid vooral op ethische thema’s aanvielen. Daar hoor je nu steeds minder van. Principes zijn ingewisseld voor idealen, en de traditionele huiver voor een sterke staat is ingeruild voor de omhelzing van een daadkrachtige overheid die overal alle problemen gaat oplossen, tot achter de voordeur toe.

George Harinck is sinds kort hoogleraar in de geschiedenis van het neocalvinisme aan de Vrije Universiteit. Hij heeft dat ambt aanvaard met een oratie over de vraag waar het huidige ‘VU-kabinet’ vandaan komt. Het is een zeer verhelderend betoog waarin Harinck duidelijk maakt dat de ontwikkelingen die zich in de jaren zeventig in de ARP hebben voorgedaan, zich ook binnen de ChristenUnie hebben voltrokken. En dat, als gevolg daarvan, de ChristenUnie zich niet tot de luis in de pels van het CDA heeft ontwikkeld maar tot het jongere, serieuze broertje van de christen-democraten. Knevel vraagt zich in zijn dagboek openlijk af: ‘Wat is over vier jaar nog het verschil tussen CU en CDA?’ En hij verwondert er zich over dat de koerswijziging van de ChristenUnie, die dit kabinet mogelijk heeft gemaakt en die hij voluit steunt, zich geruisloos voltrekt en zonder debat met de achterban is geaccepteerd.

Voor Nederlanders die niet meer weten wat de Doleantie, de Vrijmaking en de Doorbraak geweest zijn (en dat zal inmiddels wel een meerderheid van de bevolking zijn), is de oratie van Harinck waarschijnlijk niet zonder een christelijke encyclopedie te lezen. Maar dat betekent ook dat deze groep mensen niet meer over de historische kennis beschikt om te kunnen begrijpen wat er nu in Nederland gebeurt en is gebeurd.

Knevel belichaamt en illustreert de ontwikkeling die Harinck beschrijft. Het komt in feite neer op een vergaande modernisering. Traditionele geloofsopvattingen (zoals de ouderdom van de aarde of homoseksualiteit) worden opgegeven of gerelativeerd. Een nieuwe openheid leidt tot fundamentele vragen over het lijden en gewelddadige passages in het Oude Testament. Het besef dat RPF en GPV destijds, en de SGP nu, met een achterhoedegevecht bezig waren, en dat christenen nu definitief een minderheid vormen, zorgt ervoor dat oude principes, de antithese en de confrontatie, plaats maken voor sociaal-bewogen idealen.

Zo schrijft Knevel: ‘Achteraf hebben we [de EO –red.] op een aantal terreinen best gelijk gehad, maar de vraag is of de confrontatie vruchtbaar is geweest. Misschien wel in het tijdsgewricht tot aan de val van de Muur, maar zeker niet daarna. Vandaar dat ik nu ook liever het gesprek met andersdenkenden zoek, dan dat ik ze vanuit een bolwerk zit te beschieten.’

Het christelijk geloof is voor Knevel inmiddels niet meer alleen een antwoord. Geloven is een avontuur waarin de vragen overheersend worden.

Deze ‘enorme ommezwaai’ leidt ook tot nieuwe twijfels, de gebruikelijke twijfels bij mensen die oude opvattingen verlaten, zich realiseren dat ze zich daarmee op een hellend vlak begeven, en zich een beetje angstig afvragen waar ze zullen eindigen. Als de wereld inderdaad miljarden jaren oud is, ‘hoe zit het dan met de zondeval?’, zo vraagt Knevel zich af. Hij citeert een oude hoogleraar van de VU, die het had over ‘de kat in de kelder’ en de vrees dat de kat die kelder verlaat. Ook in Knevels kelder zitten waarschijnlijk nog heel wat katten, naar hij zelf in alle openheid aangeeft.

Knevel is een goede man die op een eerlijke en oprechte manier verantwoording van zijn keuzes en ontwikkeling aflegt. En die de vraag die hij zichzelf stelt – ‘Het zal toch niet waar zijn dat ik links word?’ – impliciet met een volmondig ja heeft beantwoord.

*) Deze recensie verscheen eveneens in HP/De Tijd.

28.11.07

In debat met de ChristenUnie




Gisteravond ging ik in debat met ChristenUnie-kamerlid Joël Voordewind over de politieke koers van minister Rouvoet (ChristenUnie) die het 'Ministerie van Bemoeizucht' leidt in het derde kabinet Balkenende. Lees hier de verslagen van het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad. Foto's van het debat zijn hier te bekijken.

21.7.07

Meer invloed overheid op gezin gevaarlijk

De plannen van minister Rouvoet tasten de soevereiniteit van het gezin aan stelde ik eerder in een stuk op de opiniepagina van het RD. SGP-wethouder Van Duijn noemde dat in een reactie onzin en sprak van „ideologische verblinding” bij Spruyt. Hieronder mijn repliek .

De heer Van Duijn heeft mij verwaardigd met een reactie op mijn artikel op deze pagina. Laat ik zijn geëmotioneerde betoog puntsgewijs weerleggen.

Ten eerste, ik zou Rouvoet hebben overschat omdat wat hij nu naar voren brengt al jaren in de maak is of hier en daar zelfs al beleid is. Het is van tweeën één. Of je trekt honderd dagen het land in en roept aan het einde van die periode de media bij je om je nieuwe plannen te ontvouwen met betrekking tot de jeugdzorg, waaronder het plan voor die elektronische dossiers voor ieder kind in Nederland. Of je zegt na honderd dagen ’dialoog’ dat je eigenlijk niets nieuws hebt kunnen verzinnen en dat je gewoon gaat uitvoeren wat je voorgangers hebben verzonnen. Maar eerst stampij maken, en daarna bij het eerste zuchtje tegenwind zeggen dat je eigenlijk niets nieuws toevoegt en dat er niets aan de hand is, dat kan niet.

Ten tweede, ik zou vooral de heer Van Duijn en consorten aanvallen, terwijl die al zo lang bezig zijn met hun zegenrijke werk voor „kwetsbare jongeren.” De heer Van Duijn zal wel van mij willen aannemen dat ik geen voorstander ben van kindermishandeling of een tegenstander van effectief handelen, zelfs niet van ambtenaren. Ook begrijp ik dat bepaalde instanties in bepaalde situaties moeten ingrijpen. Maar de voorliggende plannen (van wie die ook zijn) gaan veel verder. Zoals consultatiebureaus nu al elektronische dossiers aanleggen met medische gegevens van alle kinderen, zo gaat de overheid nu ook elektronische dossiers aanleggen met gegevens over de sociale omgeving van álle kinderen, in álle gezinnen.

Bij ieder fatsoenlijk christenmens lopen dan natuurlijk de rillingen over de rug. Want een overheid wil altijd meer, zoals ook Van Duijn zelf laat zien door gelijk maar weer meer subsidie te vragen. En subsidies zijn belastinggeld, geld dus waar gewone mensen hard voor werken. Ze willen niet alleen altijd weer meer belasting heffen, ze willen de burger het liefst ook naar een eigen ideologisch model herscheppen. Nu hebben we Rouvoet -en die zou in de praktijk nog een beetje kunnen meevallen-, maar wie krijgen we straks? En wat gaat er dan allemaal onder ’risico’s’ vallen?

Drie. Van Duijn verwijt mij „ideologische verblinding”, maar geeft daarmee slechts aan zelf de weg volledig kwijt te zijn. Problemen in gezinnen en met jongeren ontstaan niet omdat de overheid geen goed jeugdbeleid voert, maar worden veroorzaakt door een scala aan culturele gebreken: echtscheidingen, onmatigheid, egoïsme, gebrek aan zelfbeheersing, het wegvallen van institutionele verbanden waarin dergelijke problemen voorheen werden aangepakt. Wanneer er geen mentaliteitsverandering (culturele omslag) komt die dit corrigeert, kan de overheid doen wat ze denkt te moeten doen, maar blijft het dweilen met de kraan open. En die dweil is ook nog eens vies, en waar de kraan zit (en of er überhaupt een kraan is), dat schijnt zelfs een SGP-wethouder niet meer te weten.

Want zo maakt Van Duijn zich bekend: als SGP-wethouder, terwijl hij tegelijk om meer subsidies vraagt en denkt dat de overheid opvoedingsproblemen kan oplossen. De heer Van Duijn heeft geluk dat ik geen voorzitter van de SGP ben, anders moest hij rap op zoek naar een echte baan.

*) Eerder verschenen in het Reformatorisch Dagblad.

9.7.07

Macht heeft Rouvoet verblind

Woorden hebben in de politiek nauwelijks nog enige betekenis. Ze kunnen zo veel dingen tegelijk betekenen dat ze eigenlijk betekenisloos zijn geworden. Links, rechts, progressief, conservatief, sociaal, liberaal: het zijn lege hulzen geworden waar je van alles en nog wat in kunt stoppen.

Dat geldt inmiddels ook voor het woord christelijk. Hoewel er altijd christenen in verschillende soorten en maten zijn geweest, was het lange tijd duidelijk welke politieke positie een bepaald soort christenen innam. De geestelijke nazaten van Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper hadden een duidelijk mensbeeld, een onderscheiden visie op de samenleving en een helder beeld van de reikwijdte en de mogelijkheden van de macht van de overheid. Vanuit hun sombere mensbeeld hechtten zij grote waarde aan instituties als gezin, familie, school, verenigingen en de kerk omdat mensen daar (onder meer) werden gevormd en opgevoed. En zij begrepen dat als het daar misging, de politiek eigenlijk weinig meer kon doen. De staat kan niet van je houden, is te log en te grof om fijnzinnige maatregelen te kunnen nemen. Sterker nog: wanneer de overheid zich gaat bemoeien met zaken waar ze geen verstand van heeft en waar ze helemaal niet voor is, wordt alles alleen nog maar erger.

Soevereiniteit
Tot voor kort leek André Rouvoet dit alles te begrijpen. In een interview met Trouw in april verwees hij nog expliciet naar de zogeheten leer van de soevereiniteit in eigen kring, een door Kuyper bedacht concept dat inhoudt dat tal van levenssferen -zoals die van het gezin- soeverein zijn, vrij en onafhankelijk van de staat. En daarom vond Rouvoet ook dat het gezin, als kleinste soevereine kring, primair verantwoordelijk is voor de opvoeding van kinderen.

Maar ja, nu is hij minister. CDA en PvdA hadden na de laatste verkiezingen geen meerderheid, moesten op zoek naar een derde partner, en hun oog viel op de ChristenUnie - niet omdat die partij christelijk was, maar omdat zij links is. En zo mocht de ChristenUnie aanschuiven, en op het altaar van de euforie van de macht worden voorheen belangrijke principes moeiteloos en (wat nog erger is) zonder enige vorm van verantwoording geofferd.

De honderddagentour van Rouvoet heeft geleid tot een beleidsprogramma (”Alle kansen voor alle kinderen”) waarin hij als minister voor Jeugd en Gezin de jeugdzorg op de schop neemt. Zijn voornemens komen erop neer dat hij de overheid een rol achter de voordeur toekent. Van alle kinderen in Nederland (ondanks het feit dat het met 95 procent van de kinderen gewoon goed gaat) wil Rouvoet een elektronisch dossier laten aanleggen waarin nauwkeurig wordt vastgelegd welke sociale risico’s zich bij die kinderen voordoen op hun weg naar de volwassenheid. En als er gevaar dreigt, stuurt hij een pedagoog of een ander soort hulpverlener op je af die je komt vertellen hoe de overheid wil dat jouw kinderen worden en hoe je dat moet bereiken.

Dit is een huiveringwekkend voorstel. De ChristenUnie ontpopt zich meer en meer als directe nakomeling van de afvallige ARP uit de jaren zeventig, die het begrip soevereiniteit in eigen kring herdefinieerde en er daarmee een betekenis aan gaf die tegengesteld was aan de oorspronkelijke betekenis (en sindsdien is dus ook dit woord van alle betekenis ontbloot). Het staat niet meer voor een afstandelijke overheid maar voor een overheid die zich overal mee bemoeit, tot aan de opvoeding van de kinderen aan toe.

Uitholling
Groen en Kuyper zouden Rouvoet nog hebben uitgelegd dat deze aanpak alleen maar tot een verdere verzwakking van gezinnen leidt. Wanneer gezinnen tot in de opvoeding aan toe van de overheid afhankelijk worden, leidt dit tot een verdere uitholling van instituties die de kern van de samenleving vormen. Voordat hij macht kreeg, wist Rouvoet nog dat alleen een mentaliteitsverandering en een culturele omslag gezinnen kunnen versterken. De macht heeft hem verblind en omgetoverd in gewoon weer zo’n politicus die dwars tegen alle overtuigende bewijzen van het tegendeel in gelooft in de macht van de staat en de maakbaarheid van de samenleving. Van een antirevolutionair heeft hij zich ontwikkeld tot een soort neoconservatief van het ergste soort: tot iemand die de macht van de staat gebruikt om culturele problemen op te lossen via links-dirigistische programma’s.

De overheid kan geen kinderen opvoeden, mag dat ook niet willen, en moet ook niet iets willen wat zij helemaal niet kan. Het wordt tijd dat Rouvoet zich de woorden in herinnering brengt van de op dit punt wijzere Ronald Reagan. Die zei dat niemand een zin kan uitspreken die erger is dan de volgende: „Hallo, ik ben van de overheid en ik kom je helpen.”

*) Versies van dit artikel zijn verschenen in het Reformatorisch Dagblad en Binnenlands Bestuur.