Afgelopen dinsdag publiceerde ik – zoals elke week – op de website van Binnenlands Bestuur een column onder de titel ‘Blijvende correctheid’. Ik ging daar in op het feit dat de media zich nog geregeld schuldig maken aan verhullende politieke correctheid, en voerde daarvoor drie voorbeelden aan: de manier waarop er op radio en TV door de Bertus Hendriksen dezer wereld over de Moslimbroederschap wordt gesproken, de manier waarop er is bericht over die rare dialoogwandeling door Amsterdam-West en een uitspraak van politicologe en 'Egyptedeskundige' Monique Samuel. Er zijn altijd voorbeelden te over natuurlijk. Ik had het ook nog kunnen hebben over de manier waarop de NOS berichtte over de aanhoudende immigratie, die niet, zoals Rob Trip in het Journaal zei, zo maar uit de lidstaten van de Europese Unie komt, maar vooral uit enkele specifieke lidstaten zoals Polen, Bulgarije en Roemenië (wat hoofddemograaf Jan Latten ’s middags nog wel op de radio had mogen vertellen). Ook dat is verhullend en als zodanig een bron van nieuw onbegrip en onbehagen.
Maar met mevrouw Samuel is er iets aan de hand. Zij is half-Nederlands, half-Egyptisch en is de afgelopen weken verschillende keren op de televisie geweest om uit te leggen wat er allemaal in Egypte gebeurde. In een interview met het Nederlands Dagblad (helaas niet volledig on line) zei ze dat ze bij de NOS wel mocht praten over moslims en christenen die samen bidden maar niet over de islamitische aanslagen op twee koptisch kerken. Waarom mocht dat niet? ‘De NOS is bang voor islamofoob te worden uitgemaakt’, zei ze in het ND van afgelopen zaterdag.
Deze uitspraak nu, die ik in mijn column citeerde, heeft de toorn gewekt van de heer Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS Journaal. Er zou helemaal niets van kloppen, van die uitspraak van mevrouw Samuel over dat islamofobe karakter van de NOS. Mevrouw Samuel beweert inmiddels dat ze het zo niet heeft gezegd (maar dat er ‘natuurlijk wel iets achter die uitspraak schuilt’) en schijnt inmiddels haar excuses aan Laroes te hebben aangeboden. Dat doe je alleen wanneer je spijt hebt van je uitspraak, niet wanneer je het niet hebt gezegd en verkeerd geciteerd bent door het ND. Het interview in het ND was van tevoren ook door mevrouw Samuel gezien en gelezen en geapprobeerd. Mevrouw Samuel heeft inmiddels op twitter gezegd dat ze de NOS graag te vriend wil houden.
De spijt van mevrouw Samuel is de heer Laroes echter niet genoeg. Nu zij haar uitspraak wel heeft gedaan maar daar spijt van heeft gekregen vindt hij (schreef hij in verschillende tweets) dat mijn column op ‘flinterdun’ bewijs is gebaseerd en eist hij op hoge toon dat ik dat openlijk moet erkennen.
Dat valt allemaal nogal mee, denk ik. Het enige probleem is dat mijn betoogje gebaseerd was op drie voorbeelden waarvan er één is ingetrokken. De twee andere staan in ieder geval nog overeind, en zoals gezegd zou ik het aantal voorbeelden gemakkelijk kunnen vermeerderen.
Maar: is dat voorbeeld van mevrouw Samuel wel terecht ingetrokken? Is het wel terecht dat zij haar excuses heeft aangeboden, omdat de NOS wel degelijk aandacht aan het islamitische geweld tegen koptische christenen heeft geschonken? Dat is hooguit voor een deel het geval.
In zijn blog verwijst Laroes naar twee uitzendingen die duidelijk zouden moeten maken dat de NOS de nodige aandacht heeft besteed aan het lot van de Kopten in Egypte. Die uitzendingen hebben echter betrekking op de aanslag van 1 januari in Alexandrië en op tekenen van verzoening tussen moslims en christenen naar aanleiding van dat incident, vastgelegd door Nicole Lefever in de uitzending van 11 januari. Dat is dus ver voor de historische datum van 25 januari toen de revolutie uitbrak. Waar Samuel het op dat moment over wilde hebben waren natuurlijk de zware aanslagen van begin februari in de zuidelijke provincie Minya, waarbij minstens elf Kopten om het leven kwamen. Daar hebben we de NOS inderdaad niet over gehoord. Als we alleen de NOS hadden gehad, hadden we gedacht dat er ergens rond de jaarwisseling een incident was geweest maar dat die aanslag moslims en christenen juist dichter bij elkaar had gebracht. Gelukkig zijn er ook andere media en weten we beter, al heeft Laroes ondertussen mevrouw Samuel zo zwaar geïntimideerd dat hij haar haar excuses heeft laten aanbieden voor iets waarvoor zij haar excuses helemaal niet hoefde aan te bieden.
Zelf ben ik maar zo vrij dat niet te doen.
Showing posts with label media. Show all posts
Showing posts with label media. Show all posts
17.2.11
8.7.10
Politici aan hun jasje trekken
In de HP/De Tijd van deze week staat de recensie die ik heb geschreven van het boek van Elsevier-journalist Eric Vrijsen over de wereld van de Haagse politiek en media.
De periode waarin een nieuwe regering wordt geformeerd, zoals we die nu meemaken, is een aantrekkelijk Byzantijns intermezzo in het Nederlandse politieke proces. We schorten de democratie als het ware even op. De Majesteit speelt ineens een nadrukkelijke rol. Van kamers die altijd open staan, gaan de deuren nu dicht. Achter zware gordijnen wordt omzichtig gefluisterd. De directe en stoere taal van de verkiezingscampagnes maakt plaats voor wolken van woordenkraam waar alleen de echte ingewijden conclusies aan weten te verbinden. Politici voeren een ingewikkelde baltsdans op, waarin zij even gemakkelijk van partner als van muziek wisselen. En straks staat er toch ineens een club mensen met de koningin op het bordes van paleis Noordeinde. Dan hebben we toch weer een regering. Voor zolang het duurt. En dan begint het spel gewoon weer opnieuw.

Het is hard werken voor de beroepsgroep dankzij welke we iets weten van wat zich daar in de zomermaanden allemaal afspeelt in de verborgenheid van het Haagse Binnenhof. Met hun bloknoot in de hand posteren de politieke journalisten zich elke dag weer bij de ingang van de Eerste Kamer. Om een ‘quootje te scoren’, de verwachtingen vooraf en de ervaringen achteraf uit de mond van de (in)formateur en de betrokken hoofdrolspelers op te tekenen, en daaruit conclusies te trekken over welk kabinet van welke samenstelling we wel eens zouden kunnen krijgen.
Journalisten van radio en tv gaan voor de snelle quote en de mooie beelden van bekende politici die tussen de dagjestoeristen door naar hun formatieafspraak wandelen. Die quotes staan de volgende dag ook in de dagkranten, en in de betere kranten staan als het even kan meer afstandelijke en intelligente analyses van de gebeurtenissen. De afstand tot de gekte van de dag is bij de weekbladen natuurlijk nog groter. Die leveren op maandag of op dinsdag hun kopij bij de drukker in en moeten dus aan het begin van de week een idee hebben van wat de lezer het volgende weekend wil lezen. De betere weekbladjournalist slaagt er in deze situatie in om de actualiteit een plaats te geven in de trends van de langere termijn en het nieuws zo van een verhelderende duiding te voorzien voor zijn lezers.
Eric Vrijsen (1957) is zo’n journalist. Hij beoefent het ambacht al bijna dertig jaar, de laatste twintig jaar als politiek verslaggever bij Elsevier. Hij begon zijn loopbaan in 1981 bij het Eindhovens Dagblad en mocht als leerling-redacteur direct verslag doen van de pogingen van CDA, PvdA en D66 om een kabinet Van Agt-Den Uyl-Terlouw te smeden. Ook Vrijsen ging bij de ingang van de Eerste Kamer staan om ‘bruikbare quotes’ te verzamelen. Hij wist een plekje te bemachtigen in het groepje journalisten dat zich verdrong rondom Joop den Uyl toen die het pand verliet. Maar toen kwam ook Ruud Lubbers naar buiten en bestormden de journalisten hem. Een van hen trok Lubbers zelfs aan zijn jasje om hem te dwingen stil te blijven staan en zijn vragen te beantwoorden. ‘Wilt u niet aan mijn jasje trekken!’, riep Lubbers enigszins geïrriteerd uit. Vrijsen stond erbij, zag het aan en verwonderde zich.
Vrijsen is zich altijd blijven verwonderen over dat wonderlijke Haagse huwelijk tussen politiek en pers. Hij spreekt over hun ‘onderlinge verhouding die van wezenlijke betekenis voor het systeem is, terwijl er naar buiten toe weinig ruchtbaarheid aan wordt gegeven. Den Haag staat bol van de stilzwijgende afspraken tussen politici en de pers. Tussen beide categorieën bestaan allerlei vanzelfsprekendheden’.
Die blijvende verwondering heeft tot de blijvende distantie geleid die Vrijsen in staat heeft gesteld om niet alleen de relatie tussen pers en politiek helder te analyseren, maar ook de politieke ontwikkelingen in Den Haag helder te blijven bekijken door een bril die niet was beslagen door bewondering of irritatie. Daarom is Vrijsen ook in staat voorbij de hektiek van de dag te kijken: dit voorjaar nog werd Rutte afgeschreven, heette de terugval van Balkenende slechts tijdelijk en zou de strijd om de grootste tussen Pechtold en Wilders gaan.
In het boek dat Vrijsen na twintig jaar Elsevier heeft samengesteld staan dertien essays over dertig jaar Haagse politiek, van die eerste zomer in 1981tot de opkomst van Balkenende, Verdonk en Wilders. Wie de Haagse politiek wil begrijpen, maar vooral: wie wil doorgronden wat zich nu precies voltrekt in dat gewoel bij de ingang van de Eerste Kamer, doet er goed aan deze zomer het boek van Vrijsen te lezen.
N.a.v.: Eric Vrijsen, Wilt u niet aan mijn jasje trekken! (uitgeverij Balans), € 17,95
De periode waarin een nieuwe regering wordt geformeerd, zoals we die nu meemaken, is een aantrekkelijk Byzantijns intermezzo in het Nederlandse politieke proces. We schorten de democratie als het ware even op. De Majesteit speelt ineens een nadrukkelijke rol. Van kamers die altijd open staan, gaan de deuren nu dicht. Achter zware gordijnen wordt omzichtig gefluisterd. De directe en stoere taal van de verkiezingscampagnes maakt plaats voor wolken van woordenkraam waar alleen de echte ingewijden conclusies aan weten te verbinden. Politici voeren een ingewikkelde baltsdans op, waarin zij even gemakkelijk van partner als van muziek wisselen. En straks staat er toch ineens een club mensen met de koningin op het bordes van paleis Noordeinde. Dan hebben we toch weer een regering. Voor zolang het duurt. En dan begint het spel gewoon weer opnieuw.

Het is hard werken voor de beroepsgroep dankzij welke we iets weten van wat zich daar in de zomermaanden allemaal afspeelt in de verborgenheid van het Haagse Binnenhof. Met hun bloknoot in de hand posteren de politieke journalisten zich elke dag weer bij de ingang van de Eerste Kamer. Om een ‘quootje te scoren’, de verwachtingen vooraf en de ervaringen achteraf uit de mond van de (in)formateur en de betrokken hoofdrolspelers op te tekenen, en daaruit conclusies te trekken over welk kabinet van welke samenstelling we wel eens zouden kunnen krijgen.
Journalisten van radio en tv gaan voor de snelle quote en de mooie beelden van bekende politici die tussen de dagjestoeristen door naar hun formatieafspraak wandelen. Die quotes staan de volgende dag ook in de dagkranten, en in de betere kranten staan als het even kan meer afstandelijke en intelligente analyses van de gebeurtenissen. De afstand tot de gekte van de dag is bij de weekbladen natuurlijk nog groter. Die leveren op maandag of op dinsdag hun kopij bij de drukker in en moeten dus aan het begin van de week een idee hebben van wat de lezer het volgende weekend wil lezen. De betere weekbladjournalist slaagt er in deze situatie in om de actualiteit een plaats te geven in de trends van de langere termijn en het nieuws zo van een verhelderende duiding te voorzien voor zijn lezers.
Eric Vrijsen (1957) is zo’n journalist. Hij beoefent het ambacht al bijna dertig jaar, de laatste twintig jaar als politiek verslaggever bij Elsevier. Hij begon zijn loopbaan in 1981 bij het Eindhovens Dagblad en mocht als leerling-redacteur direct verslag doen van de pogingen van CDA, PvdA en D66 om een kabinet Van Agt-Den Uyl-Terlouw te smeden. Ook Vrijsen ging bij de ingang van de Eerste Kamer staan om ‘bruikbare quotes’ te verzamelen. Hij wist een plekje te bemachtigen in het groepje journalisten dat zich verdrong rondom Joop den Uyl toen die het pand verliet. Maar toen kwam ook Ruud Lubbers naar buiten en bestormden de journalisten hem. Een van hen trok Lubbers zelfs aan zijn jasje om hem te dwingen stil te blijven staan en zijn vragen te beantwoorden. ‘Wilt u niet aan mijn jasje trekken!’, riep Lubbers enigszins geïrriteerd uit. Vrijsen stond erbij, zag het aan en verwonderde zich.
Vrijsen is zich altijd blijven verwonderen over dat wonderlijke Haagse huwelijk tussen politiek en pers. Hij spreekt over hun ‘onderlinge verhouding die van wezenlijke betekenis voor het systeem is, terwijl er naar buiten toe weinig ruchtbaarheid aan wordt gegeven. Den Haag staat bol van de stilzwijgende afspraken tussen politici en de pers. Tussen beide categorieën bestaan allerlei vanzelfsprekendheden’.
Die blijvende verwondering heeft tot de blijvende distantie geleid die Vrijsen in staat heeft gesteld om niet alleen de relatie tussen pers en politiek helder te analyseren, maar ook de politieke ontwikkelingen in Den Haag helder te blijven bekijken door een bril die niet was beslagen door bewondering of irritatie. Daarom is Vrijsen ook in staat voorbij de hektiek van de dag te kijken: dit voorjaar nog werd Rutte afgeschreven, heette de terugval van Balkenende slechts tijdelijk en zou de strijd om de grootste tussen Pechtold en Wilders gaan.
In het boek dat Vrijsen na twintig jaar Elsevier heeft samengesteld staan dertien essays over dertig jaar Haagse politiek, van die eerste zomer in 1981tot de opkomst van Balkenende, Verdonk en Wilders. Wie de Haagse politiek wil begrijpen, maar vooral: wie wil doorgronden wat zich nu precies voltrekt in dat gewoel bij de ingang van de Eerste Kamer, doet er goed aan deze zomer het boek van Vrijsen te lezen.
N.a.v.: Eric Vrijsen, Wilt u niet aan mijn jasje trekken! (uitgeverij Balans), € 17,95
18.5.10
Vuilnisbakkenjournalistiek
Er is enige consternatie ontstaan over het verschijnen van een nieuw blad dat zichzelf nadrukkelijk presenteert als een politieke roddelglossy. Het heet Binnenhof en is een gezamenlijke publicatie van Weekend en het weekblad HP/De Tijd, beide uitgaven van Audax Publishing in Amsterdam. Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over de hypocrisie van de protesterende politici.
Op de cover staat Femke Halsema, een filtersigaret in de mond. Het blad biedt foto’s van het privéleven van politici, inclusief hun kinderen, en artikelen over hun geheime relaties (‘Jack de Vries was niet de enige’), over hun hypotheken, hun declaraties, hun eet- en drinkgewoonten en graaigedrag, en over de inhoud van hun vuilnisbakken.

D66-leider Alexander Pechtold zag foto’s van de inhoud van zijn vuilnisbak in het blad staan en klom in de pen om protest aan te tekenen tegen deze ‘vuilnisbakkenjournalistiek’, dit nieuwe hoofdstuk in de zoektocht naar nieuws, primeurs en entertainment. Hij wil niet dat de overheid of de rechterlijke macht grenzen aan de journalistieke vrijheid stellen, maar hoopt dat de journalistiek enige zelfbeheersing herwint en (met het interview met Ruben in De Telgraaf nog vers in het geheugen) zelf met een code komt waarin ieders privacy wordt gerespecteerd.
Ik kan me goed voorstellen dat politici geschrokken zijn van de inhoud van Binnenhof. Oude Haagse codes worden immers doorbroken. Iedereen in en rond Nieuwspoort weet wie het op de Haagse matras met wie doet, maar niemand schreef daar ooit over. Zoals ook nooit werd geschreven over wat er in Nieuwspoort en omgeving werd gezegd en gedaan. In die codes waren al enige scheuren en barsten ontstaan. Zo werd bekend dat Hero Brinkmans drankprobleem in de nachtelijke uren tot problemen kan leiden, en de affaire van Jack de Vries met zijn adjudante was vorige week een week lang nieuws, net zo lang tot De Vries vanwege deze ‘publicitaire druk’ aftrad.
Ik ben bang dat de publicatie van Binnenhof ertoe zal leiden dat nog minder mensen met goede kwaliteiten voor een loopbaan in de politiek zullen kiezen. Het risico van afbraak is immers groter dan ooit.
Maar tegelijk heeft het protest van politici tegen deze nieuwe trend iets hypocriets.
Worden politici in Binnenhof niet geconfronteerd met het eindpunt van een ontwikkeling waarin ze zelf zijn meegegaan? Politici moesten immers gewoon zijn, net als alle andere gewone mensen, zo zijn ze zelf gaan vinden. Als je aan die druk toegeeft, in tv-spelletjes gaat zitten, heel persoonlijke interviews geeft en jezelf eindeloos verlaagt om ‘de kloof met de kiezer’ te versmallen of op te heffen – ja, dan vraag je er ook om.
Bovendien hebben politici de vervelende gewoonte ontwikkeld om kiezers van alles en nog wat te beloven. Ze wekken zelf de indruk dat zij (de staat, de overheid) er zijn om alle problemen van burgers op te lossen (in plaats van toe te geven dat zij in negen van de tien gevallen onderdeel of bron van het probleem zijn). Daarmee wordt de burger gedegradeerd tot cliënt en consument. En als je dan geen waar voor hun geld kunt bieden, dan worden de consumenten ontevreden, en moet je niet vreemd opkijken wanneer kiezers je na verloop van tijd met afkeer en minachting tegemoet treden.
Binnenhof is dus een symptoom van een politieke cultuur in verval, en biedt natuurlijk geen enkele bijdrage aan een oplossing van dat probleem. En dat hebben politici aan zichzelf te danken.
Op de cover staat Femke Halsema, een filtersigaret in de mond. Het blad biedt foto’s van het privéleven van politici, inclusief hun kinderen, en artikelen over hun geheime relaties (‘Jack de Vries was niet de enige’), over hun hypotheken, hun declaraties, hun eet- en drinkgewoonten en graaigedrag, en over de inhoud van hun vuilnisbakken.

D66-leider Alexander Pechtold zag foto’s van de inhoud van zijn vuilnisbak in het blad staan en klom in de pen om protest aan te tekenen tegen deze ‘vuilnisbakkenjournalistiek’, dit nieuwe hoofdstuk in de zoektocht naar nieuws, primeurs en entertainment. Hij wil niet dat de overheid of de rechterlijke macht grenzen aan de journalistieke vrijheid stellen, maar hoopt dat de journalistiek enige zelfbeheersing herwint en (met het interview met Ruben in De Telgraaf nog vers in het geheugen) zelf met een code komt waarin ieders privacy wordt gerespecteerd.
Ik kan me goed voorstellen dat politici geschrokken zijn van de inhoud van Binnenhof. Oude Haagse codes worden immers doorbroken. Iedereen in en rond Nieuwspoort weet wie het op de Haagse matras met wie doet, maar niemand schreef daar ooit over. Zoals ook nooit werd geschreven over wat er in Nieuwspoort en omgeving werd gezegd en gedaan. In die codes waren al enige scheuren en barsten ontstaan. Zo werd bekend dat Hero Brinkmans drankprobleem in de nachtelijke uren tot problemen kan leiden, en de affaire van Jack de Vries met zijn adjudante was vorige week een week lang nieuws, net zo lang tot De Vries vanwege deze ‘publicitaire druk’ aftrad.
Ik ben bang dat de publicatie van Binnenhof ertoe zal leiden dat nog minder mensen met goede kwaliteiten voor een loopbaan in de politiek zullen kiezen. Het risico van afbraak is immers groter dan ooit.
Maar tegelijk heeft het protest van politici tegen deze nieuwe trend iets hypocriets.
Worden politici in Binnenhof niet geconfronteerd met het eindpunt van een ontwikkeling waarin ze zelf zijn meegegaan? Politici moesten immers gewoon zijn, net als alle andere gewone mensen, zo zijn ze zelf gaan vinden. Als je aan die druk toegeeft, in tv-spelletjes gaat zitten, heel persoonlijke interviews geeft en jezelf eindeloos verlaagt om ‘de kloof met de kiezer’ te versmallen of op te heffen – ja, dan vraag je er ook om.
Bovendien hebben politici de vervelende gewoonte ontwikkeld om kiezers van alles en nog wat te beloven. Ze wekken zelf de indruk dat zij (de staat, de overheid) er zijn om alle problemen van burgers op te lossen (in plaats van toe te geven dat zij in negen van de tien gevallen onderdeel of bron van het probleem zijn). Daarmee wordt de burger gedegradeerd tot cliënt en consument. En als je dan geen waar voor hun geld kunt bieden, dan worden de consumenten ontevreden, en moet je niet vreemd opkijken wanneer kiezers je na verloop van tijd met afkeer en minachting tegemoet treden.
Binnenhof is dus een symptoom van een politieke cultuur in verval, en biedt natuurlijk geen enkele bijdrage aan een oplossing van dat probleem. En dat hebben politici aan zichzelf te danken.
8.2.10
Twitter!
Ik moest er ook aan geloven. Vele conservatieve vrienden - onder wie vooral Menno de Bruyne en Arend-Jan Boekestijn - zeiden dat ik toch echt moest gaan twitteren. En ik geef toe: het is eigenlijk heel leuk. Nu weet ik tenminste wat Arend-Jan afgelopen zaterdag heeft gegeten, en weten mijn volgers waar ik afgelopen zaterdagavond heb uitgehangen, en dankzij twitter weten we nu ook dat het bericht in de Telegraaf over de snode plannen van de SGP om op slinkse wijze vrouwen te weren, een canard is. Zie: www.twitter.com/BartJanSpruyt.
6.1.10
Radio Politiek
Op 14 januari ben ik een uur lang ('s avonds tussen 20:00 en 21:00 uur) te gast bij RadioPolitiek in Den Haag. Luisteraars mogen de vragen indienen. Hoe dat moet, lees je hier.
8.12.09
Ontslagen bij Trouw en de Volkskrant
Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over het nieuws over de Persgroep, die tientallen redacteuren gaat ontslaan bij de landelijke ochtendbladen Trouw en de Volkskrant:
Iedere morgen ploffen er vier ochtendkranten op mijn deurmat: de Volkskrant, Trouw, de Telegraaf en het Nederlands Dagblad. Als ik ze uit heb, hoor ik de brievenbus opnieuw klepperen, en vallen de avondbladen op de mat.
Ik ben dol op kranten. Ik houd van de geur, van het knisperende papier, en ik kijk graag hoe ze hun nieuws selecteren en het brengen.
De gestage teloorgang van de kranten zie ik dan ook met lede ogen aan. Door de opkomst van het web en de gratis informatie via websites, door de opkomst van blogs en bloggers, hebben kranten voor veel mensen veel van hun relevantie verloren. Het aantal advertenties, naast de abonnementsgelden de belangrijkste bron van inkomsten, liep gestaag terug, een ontwikkeling die door de kreditecrisis alleen nog maar in een stroomversnelling is geraakt.
Trouw en de Volkskrant werden dit jaar overgenomen door de Persgroep, de uitgeverij van de Belg Christian van Thillo. Men zegt dat hij een man is met een hart voor kranten, en ik heb geen argumenten die het tegendeel bewijzen. Maar om zijn kranten in leven te houden, moet hij flink saneren. In de personeelsbestanden van de Volkskrant en Trouw, zo is gisteren bekend geworden, wordt flink gesneden: twintig procent van de medewerkers wordt op korte termijn (vóór 1 april 2010) ontslagen. Er verdwijnen niet alleen banen bij de afdelingen marketing en ict, maar ook bij de redacties. In totaal moeten bij de Volkskrant en Trouw vijftig journalisten ander werk gaan zoeken.
Dat is diep triest. Zulke aantallen hakken er in. Ik vraag me af of kranten nog wel volwaardige, journalistiek verantwoorde producten kunnen blijven leveren. Soms merk je nu al, denk ik soms, dat lang niet meer alle artikelen op de nieuwspagina’s door journalisten worden geschreven, maar door stagiaires aan de hand van de berichten van persbureaus in elkaar worden gefrommeld, en dat er daarna ook geen geld meer blijkt te zijn voor een volwaardig bezette eindredactie. Met als gevolg dat er soms gekke dingen doorheen glippen.
Democratie kan alleen bestaan bij een vakkundige pers. Democratie veronderstelt immers de aanwezigheid van burgers die adequaat geïnformeerd zijn, zich op grond van die informatie een duidelijk oordeel over een vraagstuk hebben kunnen vormen en vervolgens een weloverwogen stem kunnen uitbrengen.
De pers moet niet alleen van hoge kwaliteit zijn, maar ook divers. Burgers kunnen een zaak immers niet van alle kanten bekijken wanneer de belichting steeds vanuit dezelfde hoek op elk onderwerp valt. Wat dat betreft hebben we in Nederland nog een lange weg te gaan.
Er ploffen dagelijks vele kranten op mijn deurmat, maar echt onderling verschillen doen ze niet. Uiteindelijk zijn ze allemaal zo’n beetje links van het midden, zoals zo heel veel andere dingen in Nederland. Een fatsoenlijk rechts-conservatief medium hebben we niet. Misschien dat het komt met Wakker Nederland van Fons van Westerloo.
Die eenzijdigheid in de vaderlandse pers relativeert het nieuws van vandaag weer een beetje: er wordt gensneden in meer van hetzelfde. Wat blijft is en blijft in veel opzichten onderling inwisselbaar.
Iedere morgen ploffen er vier ochtendkranten op mijn deurmat: de Volkskrant, Trouw, de Telegraaf en het Nederlands Dagblad. Als ik ze uit heb, hoor ik de brievenbus opnieuw klepperen, en vallen de avondbladen op de mat.
Ik ben dol op kranten. Ik houd van de geur, van het knisperende papier, en ik kijk graag hoe ze hun nieuws selecteren en het brengen.
De gestage teloorgang van de kranten zie ik dan ook met lede ogen aan. Door de opkomst van het web en de gratis informatie via websites, door de opkomst van blogs en bloggers, hebben kranten voor veel mensen veel van hun relevantie verloren. Het aantal advertenties, naast de abonnementsgelden de belangrijkste bron van inkomsten, liep gestaag terug, een ontwikkeling die door de kreditecrisis alleen nog maar in een stroomversnelling is geraakt.
Trouw en de Volkskrant werden dit jaar overgenomen door de Persgroep, de uitgeverij van de Belg Christian van Thillo. Men zegt dat hij een man is met een hart voor kranten, en ik heb geen argumenten die het tegendeel bewijzen. Maar om zijn kranten in leven te houden, moet hij flink saneren. In de personeelsbestanden van de Volkskrant en Trouw, zo is gisteren bekend geworden, wordt flink gesneden: twintig procent van de medewerkers wordt op korte termijn (vóór 1 april 2010) ontslagen. Er verdwijnen niet alleen banen bij de afdelingen marketing en ict, maar ook bij de redacties. In totaal moeten bij de Volkskrant en Trouw vijftig journalisten ander werk gaan zoeken.
Dat is diep triest. Zulke aantallen hakken er in. Ik vraag me af of kranten nog wel volwaardige, journalistiek verantwoorde producten kunnen blijven leveren. Soms merk je nu al, denk ik soms, dat lang niet meer alle artikelen op de nieuwspagina’s door journalisten worden geschreven, maar door stagiaires aan de hand van de berichten van persbureaus in elkaar worden gefrommeld, en dat er daarna ook geen geld meer blijkt te zijn voor een volwaardig bezette eindredactie. Met als gevolg dat er soms gekke dingen doorheen glippen.
Democratie kan alleen bestaan bij een vakkundige pers. Democratie veronderstelt immers de aanwezigheid van burgers die adequaat geïnformeerd zijn, zich op grond van die informatie een duidelijk oordeel over een vraagstuk hebben kunnen vormen en vervolgens een weloverwogen stem kunnen uitbrengen.
De pers moet niet alleen van hoge kwaliteit zijn, maar ook divers. Burgers kunnen een zaak immers niet van alle kanten bekijken wanneer de belichting steeds vanuit dezelfde hoek op elk onderwerp valt. Wat dat betreft hebben we in Nederland nog een lange weg te gaan.
Er ploffen dagelijks vele kranten op mijn deurmat, maar echt onderling verschillen doen ze niet. Uiteindelijk zijn ze allemaal zo’n beetje links van het midden, zoals zo heel veel andere dingen in Nederland. Een fatsoenlijk rechts-conservatief medium hebben we niet. Misschien dat het komt met Wakker Nederland van Fons van Westerloo.
Die eenzijdigheid in de vaderlandse pers relativeert het nieuws van vandaag weer een beetje: er wordt gensneden in meer van hetzelfde. Wat blijft is en blijft in veel opzichten onderling inwisselbaar.
28.10.09
Chemofobie
Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over de berichtgeving rond het vermeende gifschip Probo Koala. Dat schip zou in Afrika giftig afval hebben geloosd, met vele doden en misschien wel tienduizenden vergiftigde mensen als gevolg. Al jaren doen de media op een alarmistische manier verslag van deze 'moord van Europa op Afrika' (GreenPeace), maar nu blijkt dat alles op spookverhalen berust. Waarom staat dat alleen in de NRC (ere wie ere toekomt) en niet in andere kranten en weekbladen?
Wat een ramp, die giframp die zich in augustus 2006 in Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust, voltrok. Een tanker van grondstoffenhandelaar Trafigura, de Probo Koala, legde in de haven van Abidjan aan en loste daar raffinaderijafval. Gevolg: 15 Ivorianen verloren het leven, en ontelbaar velen – misschien wel tienduizenden - werden vergiftigd.
Althans, dat was het verhaal. In verschillende kranten en bladen hebben we journalisten in bewogen bewoordingen verslag zien doen van de rampspoed die meedogenloze westerse kapitalisten de arme bevolking van een Afrikaans ontwikkelingsland hadden aangedaan. ‘Europa vergiftigt Afrika’ was de tekst die GreenPeace op de romp van de Probo Koala schilderde. Op foto’s hebben we Ivorianen gezien met huidzweren en andere aandoeningen, en mannen in witte pakken en gasmaskers. We zagen ook poelen met smerige drab en borden met daarop doodshoofden.
Om de nood enigszins te lenigen heeft Trafigura (gevestigd in Amsterdam) tot twee maal toe een miljoenenschikking getroffen: met de autoriteiten van Ivoorkust en met een advocatenkantoor dat de belangen van de slachtoffers behartigde. Eindelijk gerechtigheid, zo leek het. De hele zaak leek nog repercussies te hebben voor de Amsterdamse wethouder Marijke Vos (Milieu / GroenLinks) omdat zij de Probo Koala vanuit Amsterdam naar Abidjan had laten vertrekken. De PvdA-fractie in de Tweede kamer was ‘woedend en beschaamd’ over het incident, en woordvoerder Diederik Samson riep op 20 september 2007in de Tweede Kamer: ‘Wij hoeven de echte boeven natuurlijk niet te zoeken, want die zitten bij het bedrijf Trafigura. Grijp die personen en breng hen voor het gerecht.’
Maar er was eigenlijk niet veel aan de hand. Het opinieweekblad Opinio betoogde dat al in januari 2007, het overtuigende bewijs is onlangs geleverd door NRC-journalist Karel Knip (in de NRC van 18 oktober 2009). Tussen de dumping van het afval en de sterfgevallen bleek geen verband te bestaan. Een bepaald gas had wel een weerzinwekkende stank verspreid en daarmee een vals gevoel van giftigheid.
Hoe kan het dan dat er in Abidjan zo’n paniek was uitgebroken, dat GreenPeace tot acties overging, Trafigura werd vervolgd en alle media zo alarmistisch over de lozingen rapporteerden?
Waarschijnlijk heeft het alles te maken met een specifieke angst, chemofobie geheten. Zodra het woord ‘chemisch’ valt, lijkt een objectieve weergave van de feiten te sneuvelen. Wie de gebeurtenissen rond de Probo Koala en verschillende andere incidenten van de laatste decennia nader bekijkt, ziet een terugkerend patroon: de gevaren en schadelijke effecten van chemische stoffen worden stelselmatig overdreven en uitvergroot. Daaruit blijkt dat onze cultuur nog steeds niet verlost is van de romantische verheerlijking van het natuurlijke. Met sommige producten van de chemische industrie moet natuurlijk zorgvuldig en voorzichtig worden omgegaan, zoals de grote ramp in het Indiase Bhopal in 1984 duidelijk aantoonde. Maar we zouden bijna vergeten hoeveel we ook aan de chemie te danken hebben en hoezeer de groeiende beheersing van de chemie ons leven langer, gezonder, comfortabeler en veiliger heeft gemaakt.
Het zou helpen wanneer ook alle andere media zouden erkennen dat de berichtgeving over de Probo Koala op spookverhalen berustte, en dat chemofobie een slechte raadgever is.
Wat een ramp, die giframp die zich in augustus 2006 in Abidjan, de hoofdstad van Ivoorkust, voltrok. Een tanker van grondstoffenhandelaar Trafigura, de Probo Koala, legde in de haven van Abidjan aan en loste daar raffinaderijafval. Gevolg: 15 Ivorianen verloren het leven, en ontelbaar velen – misschien wel tienduizenden - werden vergiftigd.
Althans, dat was het verhaal. In verschillende kranten en bladen hebben we journalisten in bewogen bewoordingen verslag zien doen van de rampspoed die meedogenloze westerse kapitalisten de arme bevolking van een Afrikaans ontwikkelingsland hadden aangedaan. ‘Europa vergiftigt Afrika’ was de tekst die GreenPeace op de romp van de Probo Koala schilderde. Op foto’s hebben we Ivorianen gezien met huidzweren en andere aandoeningen, en mannen in witte pakken en gasmaskers. We zagen ook poelen met smerige drab en borden met daarop doodshoofden.
Om de nood enigszins te lenigen heeft Trafigura (gevestigd in Amsterdam) tot twee maal toe een miljoenenschikking getroffen: met de autoriteiten van Ivoorkust en met een advocatenkantoor dat de belangen van de slachtoffers behartigde. Eindelijk gerechtigheid, zo leek het. De hele zaak leek nog repercussies te hebben voor de Amsterdamse wethouder Marijke Vos (Milieu / GroenLinks) omdat zij de Probo Koala vanuit Amsterdam naar Abidjan had laten vertrekken. De PvdA-fractie in de Tweede kamer was ‘woedend en beschaamd’ over het incident, en woordvoerder Diederik Samson riep op 20 september 2007in de Tweede Kamer: ‘Wij hoeven de echte boeven natuurlijk niet te zoeken, want die zitten bij het bedrijf Trafigura. Grijp die personen en breng hen voor het gerecht.’
Maar er was eigenlijk niet veel aan de hand. Het opinieweekblad Opinio betoogde dat al in januari 2007, het overtuigende bewijs is onlangs geleverd door NRC-journalist Karel Knip (in de NRC van 18 oktober 2009). Tussen de dumping van het afval en de sterfgevallen bleek geen verband te bestaan. Een bepaald gas had wel een weerzinwekkende stank verspreid en daarmee een vals gevoel van giftigheid.
Hoe kan het dan dat er in Abidjan zo’n paniek was uitgebroken, dat GreenPeace tot acties overging, Trafigura werd vervolgd en alle media zo alarmistisch over de lozingen rapporteerden?
Waarschijnlijk heeft het alles te maken met een specifieke angst, chemofobie geheten. Zodra het woord ‘chemisch’ valt, lijkt een objectieve weergave van de feiten te sneuvelen. Wie de gebeurtenissen rond de Probo Koala en verschillende andere incidenten van de laatste decennia nader bekijkt, ziet een terugkerend patroon: de gevaren en schadelijke effecten van chemische stoffen worden stelselmatig overdreven en uitvergroot. Daaruit blijkt dat onze cultuur nog steeds niet verlost is van de romantische verheerlijking van het natuurlijke. Met sommige producten van de chemische industrie moet natuurlijk zorgvuldig en voorzichtig worden omgegaan, zoals de grote ramp in het Indiase Bhopal in 1984 duidelijk aantoonde. Maar we zouden bijna vergeten hoeveel we ook aan de chemie te danken hebben en hoezeer de groeiende beheersing van de chemie ons leven langer, gezonder, comfortabeler en veiliger heeft gemaakt.
Het zou helpen wanneer ook alle andere media zouden erkennen dat de berichtgeving over de Probo Koala op spookverhalen berustte, en dat chemofobie een slechte raadgever is.
19.8.09
Politiek, media en Wilders
Als iedereen deze week en de komende weken weer aan het werk of naar school gaat, en iets meer rechtop loopt, iets soepeler vanuit de heupen, de kin iets meer omhoog, dan komt dat omdat tal van rampen die ons plechtig waren beloofd, op het laatste moment niet door blijken te gaan.
Ik heb de afgelopen weken een aantal emails ontvangen waarin mij werd gevraagd nu alvast wat stukken aan te leveren voor het najaar. Dan zou immers een derde tot de helft van de personeelsleden thuis ziek in bed liggen met de Mexicaanse griep, en bij zo’n onderbezetting zou het goed zijn alvast wat stukken op de plank te hebben. Maar nu blijkt die Mexicaanse griep helemaal niet de beloofde pandemie te brengen en een gewoon griepje te zijn.
Het zou sowieso erg rustig zijn geworden in de Nederlandse kantoren en fabrieken. Niet alleen zou een groot percentage van werknemers en scholieren onder de wol van het ziekbed verdwijnen, een ander derde deel zou achter de geraniums terecht komen. De internationale financiële crisis zou de werkloosheid tot ongekende hoogten opdrijven. Maar ook dat gaat niet meer door. In Frankrijk en Duitsland groeit de economie al weer, en in ons eigen land is de vrije val van de economie tot staan gekomen (overigens op een zeer negatief groeicijfer). Dus met die crisis schijnen we het ergste ook al weer achter de rug te hebben.
Een derde ramp die Nederland in de ogen van velen bedreigde was het fenomeen Geert Wilders en zijn PVV. Zijn eclatante successen bij de Europese verkiezingen zou hij bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar wel eens kunnen herhalen. In 92 gemeenten was hij als de grootste uit de bus gekomen. Maar zie, Wilders heeft aangekondigd dat hij alleen in Den Haag en Almere mee zal doen en dat hij zich verder op de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Tweede kamer in maart en mei 2011 zal concentreren. Want hij wil de landelijke macht. Een lokale greep naar de macht is vooralsnog afgewend.
In de reacties op Wilders’ besluit streden sarcasme en opluchting om de voorrang. Volgens meisje Halsema laat Wilders zijn kiezers in de kou staan, volgens Pechtold liet hij weer eens zien dat zijn PVV geen democratische partij is. Marco Pastors in Rotterdam had uiteraard een goede dag en zei dat ook.
Het besluit van Wilders is wellicht niet fraai. Een politieke partij zou idealiter immers overal en altijd haar kiezers moeten kunnen vertegenwoordigen. Dat Wilders - na al die jaren - nog steeds geen geschikte kandidaten kan vinden en om die reden in de meeste gemeenten van deelname afziet, verbaast ook enigszins. In de eerste plaats omdat de politiek het domein van het opportunisme is, en de roverhoofdman die veel buit te verdelen heeft altijd veel volgelingen zal trekken. Bovendien had Wilders, zo konden we hier en daar lezen, zijn aanhang aanmerkelijk verbreed. Ook de hoger opgeleiden zouden hem inmiddels steunen in zijn strijd voor de vrijheid van meningsuiting. Maar dat betekent blijkbaar nog niet dat ze ook openlijk de PVV willen steunen. Het afbraakrisico en de gevraagde offers, qua reputatie en sociaal-economisch, zijn blijkbaar nog steeds te groot. En dan blijven de bozen en de verongelijkten over en daar ga je de oorlog niet mee winnen.
Wilders is terecht bevreesd voor een fatale combinatie van slechte vertegenwoordigers en media die iedere tegel zullen omdraaien om zijn partij te ontmaskeren. In het voorjaar van 2002, toen Kok-II was gevallen en Fortuyn in opkomst, gaf Wim Kok zijn laatste wekelijkse persconferentie. Na afloop daarvan waren er speeches en cadeautjes van het journaille voor de vertrekkende premier. Bij de naborrel stonden wat journalisten bij elkaar om de landelijke situatie te bespreken. Hun conclusie luidde dat ‘het volk’ nu nog wat ‘onrustig’ was, en daarom was enige terughoudendheid vooralsnog gepast, maar na het zomerreces … dan zouden ‘we’ ‘ze’ gaan maken. Wij journalisten zouden, met andere woorden, de jacht op de LPF openen.
De LPF heeft het de journalistiek erg gemakkelijk gemaakt. In oktober 2002, 87 dagen na zijn aantreden, viel het eerste kabinet-Balkenende. Er is in Nederland sprake van een merkwaardige verbroedering van journalistiek en politiek rond de vleespotten van de macht. En dat weet Wilders natuurlijk ook.
Ik heb de afgelopen weken een aantal emails ontvangen waarin mij werd gevraagd nu alvast wat stukken aan te leveren voor het najaar. Dan zou immers een derde tot de helft van de personeelsleden thuis ziek in bed liggen met de Mexicaanse griep, en bij zo’n onderbezetting zou het goed zijn alvast wat stukken op de plank te hebben. Maar nu blijkt die Mexicaanse griep helemaal niet de beloofde pandemie te brengen en een gewoon griepje te zijn.
Het zou sowieso erg rustig zijn geworden in de Nederlandse kantoren en fabrieken. Niet alleen zou een groot percentage van werknemers en scholieren onder de wol van het ziekbed verdwijnen, een ander derde deel zou achter de geraniums terecht komen. De internationale financiële crisis zou de werkloosheid tot ongekende hoogten opdrijven. Maar ook dat gaat niet meer door. In Frankrijk en Duitsland groeit de economie al weer, en in ons eigen land is de vrije val van de economie tot staan gekomen (overigens op een zeer negatief groeicijfer). Dus met die crisis schijnen we het ergste ook al weer achter de rug te hebben.
Een derde ramp die Nederland in de ogen van velen bedreigde was het fenomeen Geert Wilders en zijn PVV. Zijn eclatante successen bij de Europese verkiezingen zou hij bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar wel eens kunnen herhalen. In 92 gemeenten was hij als de grootste uit de bus gekomen. Maar zie, Wilders heeft aangekondigd dat hij alleen in Den Haag en Almere mee zal doen en dat hij zich verder op de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Tweede kamer in maart en mei 2011 zal concentreren. Want hij wil de landelijke macht. Een lokale greep naar de macht is vooralsnog afgewend.
In de reacties op Wilders’ besluit streden sarcasme en opluchting om de voorrang. Volgens meisje Halsema laat Wilders zijn kiezers in de kou staan, volgens Pechtold liet hij weer eens zien dat zijn PVV geen democratische partij is. Marco Pastors in Rotterdam had uiteraard een goede dag en zei dat ook.
Het besluit van Wilders is wellicht niet fraai. Een politieke partij zou idealiter immers overal en altijd haar kiezers moeten kunnen vertegenwoordigen. Dat Wilders - na al die jaren - nog steeds geen geschikte kandidaten kan vinden en om die reden in de meeste gemeenten van deelname afziet, verbaast ook enigszins. In de eerste plaats omdat de politiek het domein van het opportunisme is, en de roverhoofdman die veel buit te verdelen heeft altijd veel volgelingen zal trekken. Bovendien had Wilders, zo konden we hier en daar lezen, zijn aanhang aanmerkelijk verbreed. Ook de hoger opgeleiden zouden hem inmiddels steunen in zijn strijd voor de vrijheid van meningsuiting. Maar dat betekent blijkbaar nog niet dat ze ook openlijk de PVV willen steunen. Het afbraakrisico en de gevraagde offers, qua reputatie en sociaal-economisch, zijn blijkbaar nog steeds te groot. En dan blijven de bozen en de verongelijkten over en daar ga je de oorlog niet mee winnen.
Wilders is terecht bevreesd voor een fatale combinatie van slechte vertegenwoordigers en media die iedere tegel zullen omdraaien om zijn partij te ontmaskeren. In het voorjaar van 2002, toen Kok-II was gevallen en Fortuyn in opkomst, gaf Wim Kok zijn laatste wekelijkse persconferentie. Na afloop daarvan waren er speeches en cadeautjes van het journaille voor de vertrekkende premier. Bij de naborrel stonden wat journalisten bij elkaar om de landelijke situatie te bespreken. Hun conclusie luidde dat ‘het volk’ nu nog wat ‘onrustig’ was, en daarom was enige terughoudendheid vooralsnog gepast, maar na het zomerreces … dan zouden ‘we’ ‘ze’ gaan maken. Wij journalisten zouden, met andere woorden, de jacht op de LPF openen.
De LPF heeft het de journalistiek erg gemakkelijk gemaakt. In oktober 2002, 87 dagen na zijn aantreden, viel het eerste kabinet-Balkenende. Er is in Nederland sprake van een merkwaardige verbroedering van journalistiek en politiek rond de vleespotten van de macht. En dat weet Wilders natuurlijk ook.
29.6.09
Doorbreek de stilte
In de Volkskrant van zaterdag stond een mede door mij ondertekend manifest waarin wordt opgeroepen de stilte rond de volksrevolutie in Iran te doorbreken.
Voor de tekst van dit manifest in het Engels en het Farsi, zie hier en hier en hier (link naar een Iraanse verzetswebsite).
'Uiteindelijk zullen we ons niet de woorden van onze vijanden herinneren, maar de stilte van onze vrienden.’
Met deze legendarische woorden gaf Martin Luther King weer wat velen in Iran op dit moment moeten voelen. In de straten van Iran riskeren honderdduizenden mensen hun leven voor de vrijheid. In het vrije Westen blijft het akelig stil.
Op 12 juni 2009 werden er in Iran verkiezingen gehouden. Terwijl het in Iran normaal gesproken dagen duurt om de miljoenen papieren stembiljetten te tellen, was er nu binnen twee uur al een winnaar bekend: de huidige president Ahmadinejad. Dit ontketende een storm van protest.
Onder grote druk van de demonstranten stemde de Raad van Hoeders, het machtigste religieuze orgaan van het land, er in toe de meer dan zeshonderd klachten binnen vijf dagen te onderzoeken. Gisteren verklaarde de Raad van Hoeders dat er geen fraude had plaatsgevonden en dat deze verkiezing ‘de schoonste’ is in de geschiedenis van Iran.
Ondertussen wordt het voor de demonstranten in Iran steeds moeilijker hun vreedzame stem te laten horen. Het regime van Khamenei en Ahmadinejad is er in geslaagd de lijnen van communicatie af te sluiten. En diegenen die nog wel via internet en telefoon kunnen communiceren doen dat met direct gevaar voor eigen leven.
Voor miljoenen euro’s hebben westerse bedrijven zonder scrupules technologie verkocht aan een moorddadig regime. Met behulp van deze westerse technologie heeft dat regime bewerkstelligd dat het organiseren van verzet en het doorspelen van informatie aan de media in het Westen en aan de mensen in Iran zelf levensgevaarlijk is geworden. De prijs voor deze principeloze houding van westerse bedrijven tegenover een tiranniek regime wordt door vreedzame demonstranten betaald. Met hun leven.
Het is noodzakelijk dat wij stelling nemen. Tegen de onderdrukking van vreedzame demonstranten. Tegen de wurggreep van de Iraanse censuur. Tegen het laffe excuus van politieke neutraliteit. Tegen de medeplichtigheid van de stilte. Voor de verdediging van democratische waarden. Dat kan door de technologie, die het Iraanse regime gebruikt om haar burgers te onderdrukken, in te zetten om de censuur te omzeilen en in ons land anonieme proxy’s op te zetten.
Op dit moment draaien er in heel Nederland computersystemen onder hun capaciteit. Deze overtollige capaciteit kan worden ingezet om de Iraanse demonstranten in staat te stellen om anoniem deel te nemen aan een vrij verkeer van informatie: informatie doorgeven aan elkaar en aan de rest van de wereld.
In deze tijden bestaat er niet zoiets als politieke neutraliteit. Stilte is medeplichtigheid. Hoe durven wij de honderdduizenden te herdenken die hun strijd voor onze vrijheid met hun leven hebben bekocht, als wij niet eens bereid zijn in alle vrijheid anderen te helpen?
Wij roepen daarom alle bedrijven, instanties en universiteiten in Nederland op hun servers beschikbaar te stellen aan de demonstranten in Iran. Wij roepen elke universiteit, elke instantie en elk bedrijf op om op te staan voor de democratische waarden waar velen dankzij onze technologie nu met hun leven voor moeten betalen.
De Initiatiefnemers:
Mr. D.A.J. Suurland, promovendus van het Instituut Metajuridica te Leiden (woordvoerder)
Damon Golriz, docent, Haagse Hoge School
Dr. Amanda Kluveld, historicus, Universiteit van Amsterdam
Marina Lacroix, docent politicologie, Universiteit van Amsterdam
Arthur Wolff, student aan de TU Delft
Comité van Aanbeveling:
Hans van Baalen (delegatieleider Nederlandse liberalen, Europees Parlement)
Prof. Tom Barkhuysen (hoogleraar Staats- en Bestuursrecht, Leiden)
Prof. Henri Beunders (hoogleraar Geschiedenis van Maatschappij, Media en Cultuur, Erasmus Universiteit Rotterdam)
Frits Bolkestein (VVD)
Harry van Bommel (namens SP-fractie)
Prof. Paul Cliteur (hoogleraar Encyclopedie van de Rechtswetenschap, Leiden)
Martijn van Dam (PvdA)
Prof. Afshin Ellian (hoogleraar Sociale cohesie, Burgerschap en Multiculturaliteit, Leiden)
Anita Fähmel (Leefbaar Rotterdam)
Prof. Meindert Fennema (hoogleraar Politieke theorie en Etnische verhoudingen, Universiteit van Amsterdam)
Farhad Golyardi (hoofdredacteur Eutopia)
Femke Halsema (namens GroenLinks-fractie)
Theodor Holman (publicist)
Prof. Rikki Holtmaat (hoogleraar internationaal non-discriminatie recht, Leiden)
Farah Karimi (directeur Oxfam Novib)
Prof. Andreas Kinneging (hoogleraar Rechtsfilosofie, Leiden)
Henk Krol (Gay Krant)
Dr. Tanja van der Meer (Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Maastricht)
Dick Pels (publicist en voorzitter denktank Waterland)
Em. Prof. Bernard van Praag (universiteitshoogleraar Toegepaste Economie, Universiteit van Amsterdam)
Jan Pronk (PvdA)
Sandra Reemer (zangeres)
Mark Rutte (namens VVD- fractie)
Stephan Sanders (publicist)
Prof. Paul Scheffer (Wibaut Leerstoel, Universiteit van Amsterdam)
Xandra Schutte (Groene Amsterdammer)
Bart-Jan Spruyt (publicist)
Em. Prof. Abram de Swaan (universiteitshoogleraar Sociale wetenschap, Universiteit van Amsterdam)
Mr. Richard Verkijk (juridisch onderzoeker/advocaat, Universiteit Maastricht)
Prof. Frank van Vree (hoogleraar Journalistiek en Cultuur, Universiteit van Amsterdam)
Geert Wilders (namens PVV-fractie)
Amsterdamse Studenten Debatvereniging Bonaparte
Nijmeegse Studenten Debatvereniging Trivium
PerspectieF/ChristenUnie-jongeren
Voor de tekst van dit manifest in het Engels en het Farsi, zie hier en hier en hier (link naar een Iraanse verzetswebsite).
'Uiteindelijk zullen we ons niet de woorden van onze vijanden herinneren, maar de stilte van onze vrienden.’
Met deze legendarische woorden gaf Martin Luther King weer wat velen in Iran op dit moment moeten voelen. In de straten van Iran riskeren honderdduizenden mensen hun leven voor de vrijheid. In het vrije Westen blijft het akelig stil.
Op 12 juni 2009 werden er in Iran verkiezingen gehouden. Terwijl het in Iran normaal gesproken dagen duurt om de miljoenen papieren stembiljetten te tellen, was er nu binnen twee uur al een winnaar bekend: de huidige president Ahmadinejad. Dit ontketende een storm van protest.
Onder grote druk van de demonstranten stemde de Raad van Hoeders, het machtigste religieuze orgaan van het land, er in toe de meer dan zeshonderd klachten binnen vijf dagen te onderzoeken. Gisteren verklaarde de Raad van Hoeders dat er geen fraude had plaatsgevonden en dat deze verkiezing ‘de schoonste’ is in de geschiedenis van Iran.
Ondertussen wordt het voor de demonstranten in Iran steeds moeilijker hun vreedzame stem te laten horen. Het regime van Khamenei en Ahmadinejad is er in geslaagd de lijnen van communicatie af te sluiten. En diegenen die nog wel via internet en telefoon kunnen communiceren doen dat met direct gevaar voor eigen leven.
Voor miljoenen euro’s hebben westerse bedrijven zonder scrupules technologie verkocht aan een moorddadig regime. Met behulp van deze westerse technologie heeft dat regime bewerkstelligd dat het organiseren van verzet en het doorspelen van informatie aan de media in het Westen en aan de mensen in Iran zelf levensgevaarlijk is geworden. De prijs voor deze principeloze houding van westerse bedrijven tegenover een tiranniek regime wordt door vreedzame demonstranten betaald. Met hun leven.
Het is noodzakelijk dat wij stelling nemen. Tegen de onderdrukking van vreedzame demonstranten. Tegen de wurggreep van de Iraanse censuur. Tegen het laffe excuus van politieke neutraliteit. Tegen de medeplichtigheid van de stilte. Voor de verdediging van democratische waarden. Dat kan door de technologie, die het Iraanse regime gebruikt om haar burgers te onderdrukken, in te zetten om de censuur te omzeilen en in ons land anonieme proxy’s op te zetten.
Op dit moment draaien er in heel Nederland computersystemen onder hun capaciteit. Deze overtollige capaciteit kan worden ingezet om de Iraanse demonstranten in staat te stellen om anoniem deel te nemen aan een vrij verkeer van informatie: informatie doorgeven aan elkaar en aan de rest van de wereld.
In deze tijden bestaat er niet zoiets als politieke neutraliteit. Stilte is medeplichtigheid. Hoe durven wij de honderdduizenden te herdenken die hun strijd voor onze vrijheid met hun leven hebben bekocht, als wij niet eens bereid zijn in alle vrijheid anderen te helpen?
Wij roepen daarom alle bedrijven, instanties en universiteiten in Nederland op hun servers beschikbaar te stellen aan de demonstranten in Iran. Wij roepen elke universiteit, elke instantie en elk bedrijf op om op te staan voor de democratische waarden waar velen dankzij onze technologie nu met hun leven voor moeten betalen.
De Initiatiefnemers:
Mr. D.A.J. Suurland, promovendus van het Instituut Metajuridica te Leiden (woordvoerder)
Damon Golriz, docent, Haagse Hoge School
Dr. Amanda Kluveld, historicus, Universiteit van Amsterdam
Marina Lacroix, docent politicologie, Universiteit van Amsterdam
Arthur Wolff, student aan de TU Delft
Comité van Aanbeveling:
Hans van Baalen (delegatieleider Nederlandse liberalen, Europees Parlement)
Prof. Tom Barkhuysen (hoogleraar Staats- en Bestuursrecht, Leiden)
Prof. Henri Beunders (hoogleraar Geschiedenis van Maatschappij, Media en Cultuur, Erasmus Universiteit Rotterdam)
Frits Bolkestein (VVD)
Harry van Bommel (namens SP-fractie)
Prof. Paul Cliteur (hoogleraar Encyclopedie van de Rechtswetenschap, Leiden)
Martijn van Dam (PvdA)
Prof. Afshin Ellian (hoogleraar Sociale cohesie, Burgerschap en Multiculturaliteit, Leiden)
Anita Fähmel (Leefbaar Rotterdam)
Prof. Meindert Fennema (hoogleraar Politieke theorie en Etnische verhoudingen, Universiteit van Amsterdam)
Farhad Golyardi (hoofdredacteur Eutopia)
Femke Halsema (namens GroenLinks-fractie)
Theodor Holman (publicist)
Prof. Rikki Holtmaat (hoogleraar internationaal non-discriminatie recht, Leiden)
Farah Karimi (directeur Oxfam Novib)
Prof. Andreas Kinneging (hoogleraar Rechtsfilosofie, Leiden)
Henk Krol (Gay Krant)
Dr. Tanja van der Meer (Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Maastricht)
Dick Pels (publicist en voorzitter denktank Waterland)
Em. Prof. Bernard van Praag (universiteitshoogleraar Toegepaste Economie, Universiteit van Amsterdam)
Jan Pronk (PvdA)
Sandra Reemer (zangeres)
Mark Rutte (namens VVD- fractie)
Stephan Sanders (publicist)
Prof. Paul Scheffer (Wibaut Leerstoel, Universiteit van Amsterdam)
Xandra Schutte (Groene Amsterdammer)
Bart-Jan Spruyt (publicist)
Em. Prof. Abram de Swaan (universiteitshoogleraar Sociale wetenschap, Universiteit van Amsterdam)
Mr. Richard Verkijk (juridisch onderzoeker/advocaat, Universiteit Maastricht)
Prof. Frank van Vree (hoogleraar Journalistiek en Cultuur, Universiteit van Amsterdam)
Geert Wilders (namens PVV-fractie)
Amsterdamse Studenten Debatvereniging Bonaparte
Nijmeegse Studenten Debatvereniging Trivium
PerspectieF/ChristenUnie-jongeren
27.5.09
Lof van Menno
Mijn goede vriend Menno de Bruyne herdenkt dezer dagen dat hij al 25 jaar in dienst is van de Tweede-Kamerfractie van de SGP. In de geest spreek ik hem als volgt toe:
Beste Menno,
Je fietste als tiener naar de school in Goes waar ook onze premier school ging, en daarna ging je in Leiden rechten studeren, en daarna ben je in Den Haag voor de SGP gaan werken. Dat heb je volgehouden, tot op de dag van vandaag. En zo ben je erg Haags geworden, zij het op een Britse manier. Maar vóór alles ben je Zeeuw gebleven, afkomstig van het eiland van Kortgene en Colijnsplaat. Toen ik daar op een mooie zomerdag eens verzeild raakte, belde ik je op en vertelde je mij wat het beste restaurant van het dorp was. Mijn vrouw en ik aten er mosselen en dronken er een fles sprankelende witte wijn bij. Het eerste glas hebben we op jou geheven. En dat doen we nu weer: saluut!

We horen niet vaak van je. Dat past ook niet bij je functie. Je bent immers ‘de mond van’, in dit geval van fractievoorzitter Bas van der Vlies, die met zijn meer dan 10.000 (!) dienstdagen de huidige nestor van de Tweede Kamer is. Dat is, tussen haakjes, het aardige van jullie SGP’ers: jullie zijn zonder bijbedoelingen naar Den Haag gekomen. Jullie zullen toch nooit in de regering komen. Jullie blijven dus waarvoor jullie zijn gekomen en zien jullie baan niet als een eerste opstapje naar iets veel hogers en beters. Vandaar die vooroorlogse staaltjes van anciënniteit in jullie fractie.
We hebben elkaar in 1994 leren kennen, en we hebben elkaar vanaf het begin graag gemogen – ook toen er enige verwijdering kwam omdat ik bij een organisatie kwam te werken waartoe jij om professionele redenen enige afstand moest bewaren. Ik liep graag bij je langs, in die fraaie kamer met oude meubels die we het Herenlogement hebben gedoopt. Als ik geluk had rook ik op de gang pijptabak en wist ik dat senator Gerrit Holdijk er ook was. Gul deelde je altijd koffie en sigaren en ging je je op zijn allerplezierigst aan een mateloze woordenrijkheid te buiten.
Je humor is vermaard. In het partijblad De Banier heb je een vaste rubriek, de ‘Haagse propjes’. Als propjesschieter wil je nog wel eens mikken op de vroegere, nu kleinlinkse vrienden van de ChristenUnie, die helaas, zo bleek keer op keer, over heel wat minder humor en relativeringsvermogen bleken te beschikken dan jij zelf.
Eén keer heb ik je geïnterviewd, voor een serie over de boekerij van min of meer bekende Nederlanders. In je fraaie appartement in de Haagse wijk Marlot had je een hele avond nodig om te vertellen over je unieke collectie boeken over de Nederlandse parlementaire geschiedenis, die in alle hoeken en gaten van iedere kamer was weggestouwd. Later erfde je de bibliotheek van een vergelijkbare fanaat op het gebied van politieke boeken. Je pikte er zo’n tien boeken uit die je nog niet had – en nu was je collectie toch echt compleet, verzekerde je – en kon daarna de meeste van de duizenden boeken aan anderen doorgeven.
Je hebt ze nog gelezen ook, al die boeken. En daarmee ben je aan het Binnenhof – dat je als geen ander kent - uitgegroeid tot een wandelende encyclopedie van de Nederlandse politieke geschiedenis. Toen Hans Wiegel in 1999 het tweede kabinet-Kok beentje lichtte, was een telefoontje naar jou genoeg om precies te weten wanneer en door wiens toedoen en waarom er eerder in de Eerste Kamer een kabinet ten val was gekomen.
Met je kennis en kunde en je onmodieuze positie belichaam jij een staatsrechtelijke degelijkheid die ons bestel door alle stormen van veranderingen en vernieuwingen heen draagt, en daarmee iets dat nauwelijks nog bestaat.
In 1972 organiseerde de universiteit Groningen een meerdaags, geleerd congres over de historicus Johan Huizinga. Toen hij daar jaren later op terugblikte schreef Ernst Kossmann dat die bijeenkomst zozeer door een ‘elitair en evenwichtig welbehagen’ was beheerst dat het leek of een bepaalde stijl met een laatste buiging afscheid van de samenleving nam.
Aan die uitspraak heb ik moeten denken toen ik dezer dagen aan jou dacht. Dit stukje is dus niet alleen maar een felicitatie, maar ook een revérence. Naar jou en de stijl en traditie die je belichaamt.
Nu zijn wij Calvinisten nuchtere mensen. Maar toch hebben ook wij wel eens heimelijke dagdromen. In mijn mooiste zijn jij en ik lid van de Tweede Kamer. We vormen een tweemansfractie, en dat willen we graag zo houden. We voeren dus geen landelijke campagnes, maar gaan wel regelmatig het land in om met onze achterban te praten. Onze achterban, dat zijn christelijke conservatieven, oud-CHU’ers zeg maar, mensen aan wie jij en ik niets hoeven uit te leggen.
We delen een fractiekamer waarin een oude Chesterfield staat, twee mahoniehouten bureaus en een reusachtige boekenkast waarin de ganse parlementaire geschiedenis en het werk van Edmund Burke en Groen van Prinsterer zijn samengebracht. Een koelkastje herbergt de borrelfles waaruit we ons aan het einde van de middag een glaasje inschenken. Geen kamerbode die er iets van durft te zeggen wanneer we daarbij tevreden gaan zitten roken.
Op dinsdag gaan jij en ik samen in de Posthoorn lunchen en bestuderen we de Kameragenda voor die week bestuderen. Jij doet Zeeland, ik Gouda. Terug aan het Binnenhof lezen we kamerstukken onder klassiek geklank, en ik zie jouw gedachten regelmatig afdwalen en dat je dan een dichtbundel van Ida Gerhardt pakt of een wandelgids voor het Engelse platteland.
Het werk van onze fractie wordt ondersteund door een heus wetenschappelijk instituut, het Ds. J. T. Doornenbal Instituut. We hebben dit kantoor naar de beroemde hervormde predikant van Oene vernoemd omdat we ons geïnspireerd weten door zijn visie op de politiek. In februari 1964 moest ds. Doornenbal in Deventer voor de SGP spreken. Op de uitvlucht: ‘Maar ik ben helemaal geen lid van de SGP!’, had hij ten antwoord gekregen: ‘Dat hindert niet!’. Toen moest hij dus wel gaan, en raakte hij verzeild in de ‘vreemdste politieke samenkomst die ooit op deze planeet gehouden is’. Over politiek is niet gepraat, want daarvan had ds. Doornenbal ook, naar eigen zeggen, ‘niet het allerminste benul’. Hij sprak over de heiliging van de rustdag, maar ten slotte leek de bijeenkomst meer op een gezelschap dan op een politieke vergadering. ‘Elk besprak zijn stand van zaken’ (Groenewegen) en ‘over alle kerkmuren van christelijke- en oud- en nog-meer-Gereformeerd’ vielen de broeders elkaar in het hart. Er was sprake van een ware oecumene, iedereen was er wonderlijk gelukkig mee en na afloop zongen ze blijde psalmen. Het was, schreef ds. Doornenbal later, ‘een alleraangenaamst samenzijn, een verrassing in deze tijd en in een plaats als Deventer. Alleen maar, het had niets met politiek te maken en daarom was het waarschijnlijk zo goed’.
Toen we deze passages uit de bundel Pastorale pennevruchten lazen, keken we elkaar aan en ik zag jou denken en jij mij: wat waren we daar graag bij geweest.
Als we elkaar wat uitvoeriger moeten spreken, gaan we in Marlot jouw hond uitlaten. Daar beramen we een motie van afkeuring omdat het kabinet het heeft bestaan het dorp Colijnsplaat te hebben laten verslonzen. We hebben het politieke tij mee en onze motie haalt het: de tweede nacht van Kersten heet die van De Bruyne-Spruyt. Het eerste felicitatietelegram komt van Hans Wiegel.
Beste Menno,
Je fietste als tiener naar de school in Goes waar ook onze premier school ging, en daarna ging je in Leiden rechten studeren, en daarna ben je in Den Haag voor de SGP gaan werken. Dat heb je volgehouden, tot op de dag van vandaag. En zo ben je erg Haags geworden, zij het op een Britse manier. Maar vóór alles ben je Zeeuw gebleven, afkomstig van het eiland van Kortgene en Colijnsplaat. Toen ik daar op een mooie zomerdag eens verzeild raakte, belde ik je op en vertelde je mij wat het beste restaurant van het dorp was. Mijn vrouw en ik aten er mosselen en dronken er een fles sprankelende witte wijn bij. Het eerste glas hebben we op jou geheven. En dat doen we nu weer: saluut!

We horen niet vaak van je. Dat past ook niet bij je functie. Je bent immers ‘de mond van’, in dit geval van fractievoorzitter Bas van der Vlies, die met zijn meer dan 10.000 (!) dienstdagen de huidige nestor van de Tweede Kamer is. Dat is, tussen haakjes, het aardige van jullie SGP’ers: jullie zijn zonder bijbedoelingen naar Den Haag gekomen. Jullie zullen toch nooit in de regering komen. Jullie blijven dus waarvoor jullie zijn gekomen en zien jullie baan niet als een eerste opstapje naar iets veel hogers en beters. Vandaar die vooroorlogse staaltjes van anciënniteit in jullie fractie.
We hebben elkaar in 1994 leren kennen, en we hebben elkaar vanaf het begin graag gemogen – ook toen er enige verwijdering kwam omdat ik bij een organisatie kwam te werken waartoe jij om professionele redenen enige afstand moest bewaren. Ik liep graag bij je langs, in die fraaie kamer met oude meubels die we het Herenlogement hebben gedoopt. Als ik geluk had rook ik op de gang pijptabak en wist ik dat senator Gerrit Holdijk er ook was. Gul deelde je altijd koffie en sigaren en ging je je op zijn allerplezierigst aan een mateloze woordenrijkheid te buiten.
Je humor is vermaard. In het partijblad De Banier heb je een vaste rubriek, de ‘Haagse propjes’. Als propjesschieter wil je nog wel eens mikken op de vroegere, nu kleinlinkse vrienden van de ChristenUnie, die helaas, zo bleek keer op keer, over heel wat minder humor en relativeringsvermogen bleken te beschikken dan jij zelf.
Eén keer heb ik je geïnterviewd, voor een serie over de boekerij van min of meer bekende Nederlanders. In je fraaie appartement in de Haagse wijk Marlot had je een hele avond nodig om te vertellen over je unieke collectie boeken over de Nederlandse parlementaire geschiedenis, die in alle hoeken en gaten van iedere kamer was weggestouwd. Later erfde je de bibliotheek van een vergelijkbare fanaat op het gebied van politieke boeken. Je pikte er zo’n tien boeken uit die je nog niet had – en nu was je collectie toch echt compleet, verzekerde je – en kon daarna de meeste van de duizenden boeken aan anderen doorgeven.
Je hebt ze nog gelezen ook, al die boeken. En daarmee ben je aan het Binnenhof – dat je als geen ander kent - uitgegroeid tot een wandelende encyclopedie van de Nederlandse politieke geschiedenis. Toen Hans Wiegel in 1999 het tweede kabinet-Kok beentje lichtte, was een telefoontje naar jou genoeg om precies te weten wanneer en door wiens toedoen en waarom er eerder in de Eerste Kamer een kabinet ten val was gekomen.
Met je kennis en kunde en je onmodieuze positie belichaam jij een staatsrechtelijke degelijkheid die ons bestel door alle stormen van veranderingen en vernieuwingen heen draagt, en daarmee iets dat nauwelijks nog bestaat.
In 1972 organiseerde de universiteit Groningen een meerdaags, geleerd congres over de historicus Johan Huizinga. Toen hij daar jaren later op terugblikte schreef Ernst Kossmann dat die bijeenkomst zozeer door een ‘elitair en evenwichtig welbehagen’ was beheerst dat het leek of een bepaalde stijl met een laatste buiging afscheid van de samenleving nam.
Aan die uitspraak heb ik moeten denken toen ik dezer dagen aan jou dacht. Dit stukje is dus niet alleen maar een felicitatie, maar ook een revérence. Naar jou en de stijl en traditie die je belichaamt.
Nu zijn wij Calvinisten nuchtere mensen. Maar toch hebben ook wij wel eens heimelijke dagdromen. In mijn mooiste zijn jij en ik lid van de Tweede Kamer. We vormen een tweemansfractie, en dat willen we graag zo houden. We voeren dus geen landelijke campagnes, maar gaan wel regelmatig het land in om met onze achterban te praten. Onze achterban, dat zijn christelijke conservatieven, oud-CHU’ers zeg maar, mensen aan wie jij en ik niets hoeven uit te leggen.
We delen een fractiekamer waarin een oude Chesterfield staat, twee mahoniehouten bureaus en een reusachtige boekenkast waarin de ganse parlementaire geschiedenis en het werk van Edmund Burke en Groen van Prinsterer zijn samengebracht. Een koelkastje herbergt de borrelfles waaruit we ons aan het einde van de middag een glaasje inschenken. Geen kamerbode die er iets van durft te zeggen wanneer we daarbij tevreden gaan zitten roken.
Op dinsdag gaan jij en ik samen in de Posthoorn lunchen en bestuderen we de Kameragenda voor die week bestuderen. Jij doet Zeeland, ik Gouda. Terug aan het Binnenhof lezen we kamerstukken onder klassiek geklank, en ik zie jouw gedachten regelmatig afdwalen en dat je dan een dichtbundel van Ida Gerhardt pakt of een wandelgids voor het Engelse platteland.
Het werk van onze fractie wordt ondersteund door een heus wetenschappelijk instituut, het Ds. J. T. Doornenbal Instituut. We hebben dit kantoor naar de beroemde hervormde predikant van Oene vernoemd omdat we ons geïnspireerd weten door zijn visie op de politiek. In februari 1964 moest ds. Doornenbal in Deventer voor de SGP spreken. Op de uitvlucht: ‘Maar ik ben helemaal geen lid van de SGP!’, had hij ten antwoord gekregen: ‘Dat hindert niet!’. Toen moest hij dus wel gaan, en raakte hij verzeild in de ‘vreemdste politieke samenkomst die ooit op deze planeet gehouden is’. Over politiek is niet gepraat, want daarvan had ds. Doornenbal ook, naar eigen zeggen, ‘niet het allerminste benul’. Hij sprak over de heiliging van de rustdag, maar ten slotte leek de bijeenkomst meer op een gezelschap dan op een politieke vergadering. ‘Elk besprak zijn stand van zaken’ (Groenewegen) en ‘over alle kerkmuren van christelijke- en oud- en nog-meer-Gereformeerd’ vielen de broeders elkaar in het hart. Er was sprake van een ware oecumene, iedereen was er wonderlijk gelukkig mee en na afloop zongen ze blijde psalmen. Het was, schreef ds. Doornenbal later, ‘een alleraangenaamst samenzijn, een verrassing in deze tijd en in een plaats als Deventer. Alleen maar, het had niets met politiek te maken en daarom was het waarschijnlijk zo goed’.
Toen we deze passages uit de bundel Pastorale pennevruchten lazen, keken we elkaar aan en ik zag jou denken en jij mij: wat waren we daar graag bij geweest.
Als we elkaar wat uitvoeriger moeten spreken, gaan we in Marlot jouw hond uitlaten. Daar beramen we een motie van afkeuring omdat het kabinet het heeft bestaan het dorp Colijnsplaat te hebben laten verslonzen. We hebben het politieke tij mee en onze motie haalt het: de tweede nacht van Kersten heet die van De Bruyne-Spruyt. Het eerste felicitatietelegram komt van Hans Wiegel.
18.2.09
De media en Geert Wilders*
De politieke journalistiek in Nederland is niet meer wat zij geweest is. Dat is althans mijn indruk, alhoewel ik de politiek en de journalistiek vanaf een zekere afstand volg en er dus dingen kunnen zijn die aan mijn aandacht ontsnappen.
Het eerste wat mij opvalt is dat het verloop niet alleen in de politiek heel groot is (Kamerleden die het land meerdere termijnen dienen, zijn welhaast uitgestorven), maar dat dat ook voor de parlementaire journalistiek geldt. Er lopen, gelukkig, nog wel oude rotten rond, maar verder is het toch vooral jong, hip en onwetend. Als gevolg daarvan maken veel Haagse journalisten alles wat ze zien en horen voor het eerst mee, en zijn ze geneigd om er op hysterische toon verslag van te doen. Bezadigdheid is natuurlijk ook de dood in de pot, maar een evenwichtige mix van ervaring en distantie en van een jonge-honden-geest is essentieel voor goede journalistiek en daarmee voor een goed functionerende democratie.
Ik heb ook sterk de indruk dat journalisten hun vak niet meer als een roeping zien, maar als een beroep als alle andere, en dat dat gepaard gaat met een mentaliteit die vroeger ondenkbaar was. Laat mij dat illustreren met een voorbeeld.
Geert Wilders is al maanden druk bezig met de voorbereiding van zijn partij op de Europese en de volgende Tweede Kamer-verkiezingen. Al maanden lang komt hij iedere zaterdag met enkele getrouwen en kandidaat-volksvertegenwoordigers in het gebouw van de Tweede Kamer bijeen om zijn principes en opvattingen er bij die kandidaten in te stampen en te zien of ze niet al te stom zijn, en vooral: niet te potentieel verraderlijk, om zijn PVV te kunnen vertegenwoordigen. De ene zaterdag komt hij met tien kandidaten voor de Europese verkiezingen bijeen, de andere zaterdag met twintig kandidaten voor de Tweede Kamer.
Dat wist u niet want er is geen krant, radio- of tv-programma dat erover heeft bericht - behalve de Pers, de krant die er - ere wie ere toekomt - begin januari wel over heeft geschreven. Het kan dus niet anders of veruit de meeste journalisten komen in het weekend helemaal niet meer in het gebouw van de Tweede Kamer, en daarom kan Geert Wilders er ongemerkt zijn gang gaan. Ik wil niet veel zeggen, maar in de tijd van het Vrij Nederland van Joop van Tijn, van de concurrentie tussen de Volkskrant en NRC in de jaren negentig en van de Telegraaf toen Sjuul Paradijs er de politieke redactie leidde, was geen politicus daar mee weg gekomen. Dan hadden we al geweten wie er in die PVV-klasjes zaten en een beschouwing kunnen lezen over de vraag of het gebouw van het parlement voor partijpolitieke doeleinden gebruikt mag worden.
Een tweede voorbeeld. De PVV kondigde deze week niet alleen aan dat zij mee gaat doen aan de Europese verkiezingen, maar belegde ook een eerste ‘informatiebijeenkomst’, afgelopen maandag in gebouw Het Trefpunt in Waddinxveen. Op weg naar huis die avond besloot ik er even langs te rijden. Tot mijn verbazing was een groot gedeelte van Waddinxveen (het hele gebied tussen het station en het winkelcentrum) afgezet. Er waren niet alleen veel verkeersregelaars op de been, maar ook zo’n tachtig politieagenten en er reden overal politiebusjes rond. Het was er donker, en het regende, en het was er vooral erg stil. Navraag leerde dat zo’n vijftig mensen binnen waren om zich te laven aan de woorden van Wilders. Zo’n twintig ‘anti-fascistische’ demonstranten mochten niet in de buurt van het gebouw komen, en stonden wat zieligjes en nat in een apart vak leuzen te slaken.
Maar ik zag geen journalisten, en in de Volkskrant, de Trouw en de Telegraaf was dinsdagochtend niets terug te vinden. (Wie een verslag van de avond wil lezen, moet naar dit blog gaan, of naar deze twitter.)
Waarom is dit erg? Deze week werd ook bekend dat Wilders – na de berichten over zijn vervolging in Nederland en de weigering van de Britse regering om hem in Engeland toe te laten – in de peilingen op 25 zetels staat. Een op de zes Nederlanders overweegt dus op hem te stemmen. Eenerzijds is dit heel normaal; vergelijkbare partijen elders in Europa behalen ook een dergelijke score. Maar in Nederland is Wilders met dit aantal inmiddels de tweede partij van Nederland, na het CDA maar voor de PvdA. En van zo’n partij wil je dan graag weten wie er de zetels voor gaan bezetten en waar de discussies in alle Nederlandse Trefpunten over gaan.
Het eerste wat mij opvalt is dat het verloop niet alleen in de politiek heel groot is (Kamerleden die het land meerdere termijnen dienen, zijn welhaast uitgestorven), maar dat dat ook voor de parlementaire journalistiek geldt. Er lopen, gelukkig, nog wel oude rotten rond, maar verder is het toch vooral jong, hip en onwetend. Als gevolg daarvan maken veel Haagse journalisten alles wat ze zien en horen voor het eerst mee, en zijn ze geneigd om er op hysterische toon verslag van te doen. Bezadigdheid is natuurlijk ook de dood in de pot, maar een evenwichtige mix van ervaring en distantie en van een jonge-honden-geest is essentieel voor goede journalistiek en daarmee voor een goed functionerende democratie.
Ik heb ook sterk de indruk dat journalisten hun vak niet meer als een roeping zien, maar als een beroep als alle andere, en dat dat gepaard gaat met een mentaliteit die vroeger ondenkbaar was. Laat mij dat illustreren met een voorbeeld.
Geert Wilders is al maanden druk bezig met de voorbereiding van zijn partij op de Europese en de volgende Tweede Kamer-verkiezingen. Al maanden lang komt hij iedere zaterdag met enkele getrouwen en kandidaat-volksvertegenwoordigers in het gebouw van de Tweede Kamer bijeen om zijn principes en opvattingen er bij die kandidaten in te stampen en te zien of ze niet al te stom zijn, en vooral: niet te potentieel verraderlijk, om zijn PVV te kunnen vertegenwoordigen. De ene zaterdag komt hij met tien kandidaten voor de Europese verkiezingen bijeen, de andere zaterdag met twintig kandidaten voor de Tweede Kamer.
Dat wist u niet want er is geen krant, radio- of tv-programma dat erover heeft bericht - behalve de Pers, de krant die er - ere wie ere toekomt - begin januari wel over heeft geschreven. Het kan dus niet anders of veruit de meeste journalisten komen in het weekend helemaal niet meer in het gebouw van de Tweede Kamer, en daarom kan Geert Wilders er ongemerkt zijn gang gaan. Ik wil niet veel zeggen, maar in de tijd van het Vrij Nederland van Joop van Tijn, van de concurrentie tussen de Volkskrant en NRC in de jaren negentig en van de Telegraaf toen Sjuul Paradijs er de politieke redactie leidde, was geen politicus daar mee weg gekomen. Dan hadden we al geweten wie er in die PVV-klasjes zaten en een beschouwing kunnen lezen over de vraag of het gebouw van het parlement voor partijpolitieke doeleinden gebruikt mag worden.
Een tweede voorbeeld. De PVV kondigde deze week niet alleen aan dat zij mee gaat doen aan de Europese verkiezingen, maar belegde ook een eerste ‘informatiebijeenkomst’, afgelopen maandag in gebouw Het Trefpunt in Waddinxveen. Op weg naar huis die avond besloot ik er even langs te rijden. Tot mijn verbazing was een groot gedeelte van Waddinxveen (het hele gebied tussen het station en het winkelcentrum) afgezet. Er waren niet alleen veel verkeersregelaars op de been, maar ook zo’n tachtig politieagenten en er reden overal politiebusjes rond. Het was er donker, en het regende, en het was er vooral erg stil. Navraag leerde dat zo’n vijftig mensen binnen waren om zich te laven aan de woorden van Wilders. Zo’n twintig ‘anti-fascistische’ demonstranten mochten niet in de buurt van het gebouw komen, en stonden wat zieligjes en nat in een apart vak leuzen te slaken.
Maar ik zag geen journalisten, en in de Volkskrant, de Trouw en de Telegraaf was dinsdagochtend niets terug te vinden. (Wie een verslag van de avond wil lezen, moet naar dit blog gaan, of naar deze twitter.)
Waarom is dit erg? Deze week werd ook bekend dat Wilders – na de berichten over zijn vervolging in Nederland en de weigering van de Britse regering om hem in Engeland toe te laten – in de peilingen op 25 zetels staat. Een op de zes Nederlanders overweegt dus op hem te stemmen. Eenerzijds is dit heel normaal; vergelijkbare partijen elders in Europa behalen ook een dergelijke score. Maar in Nederland is Wilders met dit aantal inmiddels de tweede partij van Nederland, na het CDA maar voor de PvdA. En van zo’n partij wil je dan graag weten wie er de zetels voor gaan bezetten en waar de discussies in alle Nederlandse Trefpunten over gaan.
2.1.09
Na 8 jaar Bush
Vanmorgen heb ik deelgenomen aan een (opvallend evenwichtige) uitzending van radio 1 (Dit is de dag) over acht jaar presidentschap van George W. Bush. De uitzending is hier te beluisteren. De hele uitzending is de moeite waard, maar mijn eigen bijdrage begint in het vierde deel.
In het Nederlands Dagblad van zaterdag 3 januari reageer ik op een artikel over Bush dat een minimum aan kennis met een maximum aan linkse onzin combineert. Hieronder de tekst van mijn reactie.
De Amerikaanse filosoof Robert Nozick heeft eens, in een beroemd geworden essay, de vraag aan de orde gesteld waarom intellectuelen toch zo vaak links zijn. Nozick’s antwoord komt erop neer dat slimme jongetjes in de samenleving vaak niet de erkenning krijgen die ze op school en de universiteit wel kregen. Topondernemers, topsporters en succesvolle politici zijn vaak niet de besten van de klas, maar verwerven in hun latere leven een sociale status waar geleerden en journalisten alleen maar van kunnen dromen. En dat terwijl zij toch zo veel intelligenter waren! Het daaruit voortvloeiende ressentiment doet hen als vanzelf in het progressieve kamp belanden.
Tijdens het lezen van het hierbij gaande artikel van Jan Hoogland heb ik steeds aan het essay van Nozick moeten denken. In de maand waarin Obama als de nieuwe president van de Verenigde Staten zal aantreden en de huidige president het Witte Huis zal verlaten, is het grote Bush-bashen begonnen. Hoogland doet daar ijverig aan mee. Als doctor in de filosofie, gepromoveerd op de metafysica van Theodor Adorno – met zijn boek over De dialectiek van de Verlichting de linkse criticus van de ‘repressieve, kapitalistische maatschappij’- en docent ‘reformatorische wijsbegeerte’ aan een zich universiteit noemende hogeschool in het oosten des lands, heeft hij voor het domme en rijke patriciërszoontje George ‘Double You’ Bush alleen maar hoon over. Dat mag natuurlijk, maar het is allemaal niet erg overtuigend: Hoogland presenteert zijn stelling niet alleen op een toon van diepe minachting, maar is ook beschamend slecht geïnformeerd en is in zijn eindconclusie verraderlijk.
Evenals de meeste Amerikaanse conservatieven, ben ik kritisch, en dat al jaren, op het presidentschap van Bush. Hij heeft natuurlijk goede dingen gedaan: hij heeft de belastingen verlaagd, voor conservatieve rechters in het Hooggerechtshof gezorgd en bij kwesties rondom abortus en stamcelonderzoek een helder pro-life standpunt ingenomen. Maar het is niet zo moeilijk daar een lijstje van links-progressieve zonden tegenover te stellen. Zo heeft Bush de overheidsuitgaven doen exploderen en heeft hij de rol van de federale overheid in Washington op terreinen als onderwijs en gezondheidszorg doen toenemen. Wat dat laatste betreft zou hij het dus niet slecht doen als leider van de ChristenUnie.
Amerikaanse conservatieven zien in het presidentschap van Bush de definitieve teloorgang – aangekondigd in flims als Metropolitan van Whit Stillman – van de cultuur van de WASP, de White Anglo-Saxon Protestant. Dat brengt een gevoel van verlies met zich mee waarvoor domme hoon – vergelijkbaar met de triomfantelijke toon van Herman Wijffels bij het uitbreken van de kredietcrisis - pijnlijk is.
Irak is weer iets geheel anders. Een mix van argumenten die zowel in de promotie van democratie, humanitaire interventie, verzet tegen nucleaire proliferatie en het opleggen van VN-resoluties bestond, heeft de Verenigde Staten doen besluiten Irak binnen te vallen. Deze vorm van Wilsonianisme had de instemming van alle vooraanstaande Democraten, terwijl veel traditionele conservatieven haar afwezen. Het land leek af te glijden naar een totale burgeroorlog, maar de surge (de inzet van extra troepen) van vorig jaar heeft een situatie geschapen waarin weer over de toekomst kan worden nagedacht. Zo heeft Bush een verdrag gesloten met de Iraakse premier al-Maliki over de terugtrekking van de Amerikaanse troepen in 2011. Bush begrijpt in ieder geval dat er zoiets bestaat als het kwaad, en dat je, als je een vijand hebt omdat iemand jou nu eenmaal tot zijn vijand heeft bestempeld, de methode-Israël aanbeveling verdient: je wacht niet af om te bezien wat die vijand gaat doen, maar je valt hem aan voordat hij jou (opnieuw) schade kan toebrengen.
(Tussen haakjes: in Bush vallen ook zijn atletische capaciteiten te prijzen. In rust heeft Bush een hartslag van 45. Zo snel als hij reageerde op de schoenen die op die persconferentie naar hem werden gegooid, dat doet geen reformatorisch filosoof hem na.)
Ik weet niet of Hoogland wel eens in Amerika komt, en zo ja, of hij dan wel eens een goede conservatief spreekt, maar alles in zijn stuk wijst op het tegendeel. Zo gebruikt hij het woord ‘neoconservatief’ zonder ook maar één keer de indruk te wekken dat hij weet wat dat is. Hij verwijt conservatieven een ‘nogal kritiekloze’ verdediging van het vrije spel van de economische krachten, terwijl conservatieven altijd, voor zowel de rechtsstaat als de vrije markt, het belang hebben benadrukt van een cultureel fundament van waarden en deugden, die (o.a.) een ondeugd als de hebzucht breidelen. Hij verwijt Bush dat deze in zijn oorlog tegen het terrorisme heeft vergeten dat er altijd iets goeds in het kwade aanwezig is. Er zijn meer mensen dan Bush alleen die moeite hebben gehad om dat goede in het kwaad van het islamitisch terrorisme te ontwaren. Hij denkt dat conservatieven geen zelfkritiek meer kunnen opbrengen. Maar al jaren is binnen het Amerikaans conservatisme een invloedrijke beweging actief die van mening is dat de lange periode van macht het conservatisme heeft gecorrumpeerd en dat een herbronning hoogst noodzakelijk is. Daartoe worden nu ook nieuwe instituten opgericht.
Hoogland beschuldigt Bush ervan dat door zijn blunders de erosie van de westerse beschaving is ingezet. Maar anderzijds is Hoogland ook wel weer blij met die blunders van Bush. Hij vindt namelijk dat het misplaatste zelfvertrouwen en het morele superioriteitsgevoel van de Amerikaanse regering het Westen in een isolement en een kwaad daglicht hebben gemanoeuvreerd en dat zou best wel eens heel goed voor het Westen kunnen zijn. ‘Wij’ zullen meer rekening moeten gaan houden met anderen, onze rol zal minder dominant zijn en we zullen ‘een stukje’ moeten inleveren van onze ‘ongekende en onevenredige welvaart’.
Na die slotzin drong de conclusie van Nozick zich wel erg nadrukkelijk aan mij op. Iemand iets verwijten terwijl je met de consequenties ervan eigenlijk wel blij bent. De erosie van de westerse beschaving eigenlijk omhelzen, en de ‘morele kracht van opkomende beschavingen’ als China en Rusland prijzen. Je moet waarschijnlijk heel veel Adorno hebben gelezen om deze dialectiek te kunnen waarderen. Maar ik weet niet wat hier ‘reformatorisch’ aan is, ik weet zelfs niet wat hier progressief aan is, ik weet wel dat zich hier het verraderlijke van de progressieve klerk aandient.
In het Nederlands Dagblad van zaterdag 3 januari reageer ik op een artikel over Bush dat een minimum aan kennis met een maximum aan linkse onzin combineert. Hieronder de tekst van mijn reactie.
De Amerikaanse filosoof Robert Nozick heeft eens, in een beroemd geworden essay, de vraag aan de orde gesteld waarom intellectuelen toch zo vaak links zijn. Nozick’s antwoord komt erop neer dat slimme jongetjes in de samenleving vaak niet de erkenning krijgen die ze op school en de universiteit wel kregen. Topondernemers, topsporters en succesvolle politici zijn vaak niet de besten van de klas, maar verwerven in hun latere leven een sociale status waar geleerden en journalisten alleen maar van kunnen dromen. En dat terwijl zij toch zo veel intelligenter waren! Het daaruit voortvloeiende ressentiment doet hen als vanzelf in het progressieve kamp belanden.
Tijdens het lezen van het hierbij gaande artikel van Jan Hoogland heb ik steeds aan het essay van Nozick moeten denken. In de maand waarin Obama als de nieuwe president van de Verenigde Staten zal aantreden en de huidige president het Witte Huis zal verlaten, is het grote Bush-bashen begonnen. Hoogland doet daar ijverig aan mee. Als doctor in de filosofie, gepromoveerd op de metafysica van Theodor Adorno – met zijn boek over De dialectiek van de Verlichting de linkse criticus van de ‘repressieve, kapitalistische maatschappij’- en docent ‘reformatorische wijsbegeerte’ aan een zich universiteit noemende hogeschool in het oosten des lands, heeft hij voor het domme en rijke patriciërszoontje George ‘Double You’ Bush alleen maar hoon over. Dat mag natuurlijk, maar het is allemaal niet erg overtuigend: Hoogland presenteert zijn stelling niet alleen op een toon van diepe minachting, maar is ook beschamend slecht geïnformeerd en is in zijn eindconclusie verraderlijk.
Evenals de meeste Amerikaanse conservatieven, ben ik kritisch, en dat al jaren, op het presidentschap van Bush. Hij heeft natuurlijk goede dingen gedaan: hij heeft de belastingen verlaagd, voor conservatieve rechters in het Hooggerechtshof gezorgd en bij kwesties rondom abortus en stamcelonderzoek een helder pro-life standpunt ingenomen. Maar het is niet zo moeilijk daar een lijstje van links-progressieve zonden tegenover te stellen. Zo heeft Bush de overheidsuitgaven doen exploderen en heeft hij de rol van de federale overheid in Washington op terreinen als onderwijs en gezondheidszorg doen toenemen. Wat dat laatste betreft zou hij het dus niet slecht doen als leider van de ChristenUnie.
Amerikaanse conservatieven zien in het presidentschap van Bush de definitieve teloorgang – aangekondigd in flims als Metropolitan van Whit Stillman – van de cultuur van de WASP, de White Anglo-Saxon Protestant. Dat brengt een gevoel van verlies met zich mee waarvoor domme hoon – vergelijkbaar met de triomfantelijke toon van Herman Wijffels bij het uitbreken van de kredietcrisis - pijnlijk is.
Irak is weer iets geheel anders. Een mix van argumenten die zowel in de promotie van democratie, humanitaire interventie, verzet tegen nucleaire proliferatie en het opleggen van VN-resoluties bestond, heeft de Verenigde Staten doen besluiten Irak binnen te vallen. Deze vorm van Wilsonianisme had de instemming van alle vooraanstaande Democraten, terwijl veel traditionele conservatieven haar afwezen. Het land leek af te glijden naar een totale burgeroorlog, maar de surge (de inzet van extra troepen) van vorig jaar heeft een situatie geschapen waarin weer over de toekomst kan worden nagedacht. Zo heeft Bush een verdrag gesloten met de Iraakse premier al-Maliki over de terugtrekking van de Amerikaanse troepen in 2011. Bush begrijpt in ieder geval dat er zoiets bestaat als het kwaad, en dat je, als je een vijand hebt omdat iemand jou nu eenmaal tot zijn vijand heeft bestempeld, de methode-Israël aanbeveling verdient: je wacht niet af om te bezien wat die vijand gaat doen, maar je valt hem aan voordat hij jou (opnieuw) schade kan toebrengen.
(Tussen haakjes: in Bush vallen ook zijn atletische capaciteiten te prijzen. In rust heeft Bush een hartslag van 45. Zo snel als hij reageerde op de schoenen die op die persconferentie naar hem werden gegooid, dat doet geen reformatorisch filosoof hem na.)
Ik weet niet of Hoogland wel eens in Amerika komt, en zo ja, of hij dan wel eens een goede conservatief spreekt, maar alles in zijn stuk wijst op het tegendeel. Zo gebruikt hij het woord ‘neoconservatief’ zonder ook maar één keer de indruk te wekken dat hij weet wat dat is. Hij verwijt conservatieven een ‘nogal kritiekloze’ verdediging van het vrije spel van de economische krachten, terwijl conservatieven altijd, voor zowel de rechtsstaat als de vrije markt, het belang hebben benadrukt van een cultureel fundament van waarden en deugden, die (o.a.) een ondeugd als de hebzucht breidelen. Hij verwijt Bush dat deze in zijn oorlog tegen het terrorisme heeft vergeten dat er altijd iets goeds in het kwade aanwezig is. Er zijn meer mensen dan Bush alleen die moeite hebben gehad om dat goede in het kwaad van het islamitisch terrorisme te ontwaren. Hij denkt dat conservatieven geen zelfkritiek meer kunnen opbrengen. Maar al jaren is binnen het Amerikaans conservatisme een invloedrijke beweging actief die van mening is dat de lange periode van macht het conservatisme heeft gecorrumpeerd en dat een herbronning hoogst noodzakelijk is. Daartoe worden nu ook nieuwe instituten opgericht.
Hoogland beschuldigt Bush ervan dat door zijn blunders de erosie van de westerse beschaving is ingezet. Maar anderzijds is Hoogland ook wel weer blij met die blunders van Bush. Hij vindt namelijk dat het misplaatste zelfvertrouwen en het morele superioriteitsgevoel van de Amerikaanse regering het Westen in een isolement en een kwaad daglicht hebben gemanoeuvreerd en dat zou best wel eens heel goed voor het Westen kunnen zijn. ‘Wij’ zullen meer rekening moeten gaan houden met anderen, onze rol zal minder dominant zijn en we zullen ‘een stukje’ moeten inleveren van onze ‘ongekende en onevenredige welvaart’.
Na die slotzin drong de conclusie van Nozick zich wel erg nadrukkelijk aan mij op. Iemand iets verwijten terwijl je met de consequenties ervan eigenlijk wel blij bent. De erosie van de westerse beschaving eigenlijk omhelzen, en de ‘morele kracht van opkomende beschavingen’ als China en Rusland prijzen. Je moet waarschijnlijk heel veel Adorno hebben gelezen om deze dialectiek te kunnen waarderen. Maar ik weet niet wat hier ‘reformatorisch’ aan is, ik weet zelfs niet wat hier progressief aan is, ik weet wel dat zich hier het verraderlijke van de progressieve klerk aandient.
26.11.08
De krant van morgen*
Een kwaliteitspers is van groot belang. Maar die moet wel echt pluriform zijn, en niet in dienst staan van een links-liberaal paternalisme.
Democratie veronderstelt, in theorie althans, mondige en kritische burgers – mensen die weten wat er speelt, zich daar een grondig oordeel over vormen en op grond daarvan (politieke) keuzes maken. Vandaar dat de media van vitaal belang zijn in een moderne samenleving: kranten, radio, tv en internet leveren immers de feiten en de opinies die burgers helpen bij hun meningsvorming. En vandaar ook het belang van een brede pers: niet alleen de opinie van een kleine groep moet publiek worden, ook die van andere groepen, van links tot rechts, moet een stem krijgen in het domein van de politieke meningsvorming.
Het is nog maar de vraag of de media, en in het bijzonder de kranten, in Nederland aan de eisen voldoen die aan haar moeten worden gesteld. Recente ontwikkelingen vormen een regelrechte bedreiging voor het voortbestaan van serieuze kwaliteitskranten, betogen althans de journalisten Warna Oosterbaan (werkzaam voor NRC Handelsblad) en Hans Wansink (politiek columnist van de Volkskrant) in een boekje dat zich laat lezen als een met ingehouden passie geschreven pamflet van twee heren die terecht trots zijn op het ambacht dat zij beoefenen en een lans breken voor de ‘professionele kwaliteitsjournalistiek’.
Fusies, teruglopende oplagen en advertentie-inkomsten, bezuinigingen en ontslagen zijn bij vrijwel alle landelijke kranten aan de orde van de dag. Dat het ze slecht gaat, heeft alles te maken met het gegeven dat zij al lang niet meer de belangrijkste leverancier van het nieuws zijn, noch het exclusieve forum voor debat en meningsvorming. Er zijn gratis kranten bijgekomen, het internet biedt talloze nieuwssites en platforms voor eindeloze discussies over van alles en nog wat, en er zijn digitale televisiekanalen bijgekomen. De krant is geen soevereine vorst meer die bepaalt wat haar lezers behoren te weten. De klant is koning geworden, en de lezers zijn kritische en assertieve consumenten geworden, zonder enige vooraf bepaalde loyaliteit.
Waarom is dit alles erg en zorgwekkend? Volgens Oosterbaan en Wansink omdat alle fusies tot een ‘minder pluriforme pers’ leiden, en omdat de druk van de markt een ‘onomkeerbare vervlakking van de journalistiek’ tot gevolg heeft. De ‘basisfuncties’ van de media komen daarmee direct in geding.
De analyse van Oosterbaan en Wansink mondt dan ook uit in een warm pleidooi voor de ‘handhaving van de klassieke functies van de journalistiek’. Zij doen daartoe zeven aanbevelingen. Kranten moeten hun journalistieke zelfvertrouwen herwinnen maar zich tegelijkertijd niet in een ivoren toren opsluiten: ze moeten een gedragscode opstellen en die door onafhankelijke ombudsmannen laten toetsen. Kranten moeten weer compacter worden en een duidelijke hiërarchische ordening in hun presentatie aanbrengen. Ze moeten tegelijkertijd vooral ook leesbaarder en toegankelijker worden en meer aan uitleg en analyse doen. Kranten moeten eigendom zijn van uitgevers die begrijpen dat een krant niet alleen een commercieel product is maar ook een cultuurdrager. Een concern als PCM (uitgever van de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw) is een ‘jammerlijke mislukking’. En kranten moeten, tot slot, investeren in de kwaliteit en omvang van hun redacties. Dat moeten centers of excellence worden.
Na lezing van dit sympathieke boekje is een plechtig ja en amen op zijn plaats. Kranten spelen als cultuurdragers een onmisbare rol in een parlementaire democratie en aan de kwaliteit van kranten, en weekbladen natuurlijk, kunnen alleen maar de hoogste kwaliteitseisen worden gesteld.
Toch valt er ook wel wat te zeuren. Uit dit boekje rijst het beeld op van een krantengeschiedenis die eigenlijk betrekkelijk eenvoudig is verlopen. Eerst waren er de kranten en omroepen die niet vrij en zelfstandig waren omdat ze onderdeel uitmaakten van een zuil. Na die ontzuiling is het een jaar of twintig, dertig goed gegaan. Redacties waren soeverein en de pers was pluriform. Toen, zo eind jaren negentig, ging het echter weer fout, door de komst van internet, de bloggers, Metro en Spits. De ontworteling die de politiek raakte, kreeg ook de journalistiek in haar greep.
Maar dit beeld klopt niet. Na de ontzuiling is de afhankelijkheid van de bestuurlijke elites van de zuil niet ingeruild voor vrijheid en onafhankelijkheid maar voor een geheel nieuw soort afhankelijkheid: van de macht als zodanig. Iedereen die het Binnenhof kent, weet dit: journalisten en Kamerleden voeren dagelijks een baltsdans met elkaar op omdat ze er alle belang bij hebben om elkaar te vriend te houden.
Dit conglomeraat van politici en journalisten heeft verhinderd dat er in Nederland ooit een werkelijk pluriforme pers is ontstaan. Zoals de politiek homogeen was, links van het midden en alleen in haar politieke correctheid radicaal, zo weerspiegelden de media deze verhoudingen. Die totale verwevenheid blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat PCM niet alleen de drie belangrijkste Nederlandse dagbladen herbergt, maar zelf grotendeels eigendom is van de Stichting Democratie en Media, dat een soort PvdA-dependance is. Bij een andere eigenaar, de Stichting de Volkskrant, benoemt de FNV twee van de acht bestuursleden.
Het was dan ook geen wonder dat alle krantenredacties werden overvallen door de opkomst van Pim Fortuyn en het hardnekkige onbehagen dat hij loswoelde. Zo goed functioneerden de media blijkbaar niet. En daarom is het ook onjuist om alleen maar de negatieve gevolgen van alle recente ontwikkelingen te benadrukken. Zonder internet, bloggers en commerciële televisie – en vooral dankzij de druk die deze nieuwe media hebben uitgeoefend – zouden de kranten waarschijnlijk nog altijd weinig van de lessen van de afgelopen jaren hebben geleerd.
Oosterbaan en Wansink bepleiten een ‘verlicht paternalisme’. Evenals Thorbecke beschouwen zij de krant als een ‘bron van algemene onderrichting’. Daarom verwerpen zij het adagium ‘u vraagt, wij draaien’, en kiezen zij voor de slogan ‘wij weten wat u moet weten’. Op zich is dat prachtig. Maar als al die journalisten die zo goed weten wat wij moeten weten allemaal links van het midden zitten, terwijl de meerderheid van de Nederlandse bevolking zich heel ergens anders ophoudt, dan wordt vroeg of laat het gemor hoorbaar. Vroeger konden de morrenden nergens heen, nu beginnen ze een eigen weblog. Er heerst in Nederland tot op de dag van vandaag een enorme hypocrisie op dit punt.
Bovendien is het slechts hier en daar dat de lessen van de Fortuynrevolte zijn geleerd. Het grote probleem is dat er nu ook in de wereld van de media een even groot zwart gat dreigt te ontstaan als in de politiek. In de politiek gaapt dat gat tussen het politieke centrum enerzijds en de geradicaliseerde vleugels anderzijds. Kerkhistoricus Henk Hagoort, voorzitter van de raad van bestuur van de publieke omroep, heeft meermalen gezegd dat de actualiteitenrubrieken van de publieke omroep zich meer moeten inspannen om de ‘buitenstaanders’, dat zijn de Telegraaflezers en aanhangers van Wilders en Verdonk, te bedienen. Ronald Sörensen loopt op dit moment op Rotterdam op straat handtekeningen te verzamelen voor een Populistische Omroep. Dat is zowel triest (omdat het nodig is) als hoopgevend (omdat het initiatief wordt genomen). Zolang kranten, radio en tv in meerderheid blijven denken dat rechts per definitie onfatsoenlijk is en daarom binnen het publieke bestel geen plaats verdient, ligt radicalisering op de loer.
Alle fraaie woorden van journalisten als Wansink en Oosterbaan ten spijt, maken zij deel uit van een wereld die een situatie creëert waarin de stem van de straat niet wordt verheven maar geëxploiteerd, zowel in de politiek als in de media.
N.a.v.: Warna Oosterbaan en Hans Wansink
De krant moet kiezen: de toekomst van de kwaliteitsjournalistiek
Prometheus € 19,95
*(eerder verschenen in HP/De Tijd)
Democratie veronderstelt, in theorie althans, mondige en kritische burgers – mensen die weten wat er speelt, zich daar een grondig oordeel over vormen en op grond daarvan (politieke) keuzes maken. Vandaar dat de media van vitaal belang zijn in een moderne samenleving: kranten, radio, tv en internet leveren immers de feiten en de opinies die burgers helpen bij hun meningsvorming. En vandaar ook het belang van een brede pers: niet alleen de opinie van een kleine groep moet publiek worden, ook die van andere groepen, van links tot rechts, moet een stem krijgen in het domein van de politieke meningsvorming.
Het is nog maar de vraag of de media, en in het bijzonder de kranten, in Nederland aan de eisen voldoen die aan haar moeten worden gesteld. Recente ontwikkelingen vormen een regelrechte bedreiging voor het voortbestaan van serieuze kwaliteitskranten, betogen althans de journalisten Warna Oosterbaan (werkzaam voor NRC Handelsblad) en Hans Wansink (politiek columnist van de Volkskrant) in een boekje dat zich laat lezen als een met ingehouden passie geschreven pamflet van twee heren die terecht trots zijn op het ambacht dat zij beoefenen en een lans breken voor de ‘professionele kwaliteitsjournalistiek’.
Fusies, teruglopende oplagen en advertentie-inkomsten, bezuinigingen en ontslagen zijn bij vrijwel alle landelijke kranten aan de orde van de dag. Dat het ze slecht gaat, heeft alles te maken met het gegeven dat zij al lang niet meer de belangrijkste leverancier van het nieuws zijn, noch het exclusieve forum voor debat en meningsvorming. Er zijn gratis kranten bijgekomen, het internet biedt talloze nieuwssites en platforms voor eindeloze discussies over van alles en nog wat, en er zijn digitale televisiekanalen bijgekomen. De krant is geen soevereine vorst meer die bepaalt wat haar lezers behoren te weten. De klant is koning geworden, en de lezers zijn kritische en assertieve consumenten geworden, zonder enige vooraf bepaalde loyaliteit.
Waarom is dit alles erg en zorgwekkend? Volgens Oosterbaan en Wansink omdat alle fusies tot een ‘minder pluriforme pers’ leiden, en omdat de druk van de markt een ‘onomkeerbare vervlakking van de journalistiek’ tot gevolg heeft. De ‘basisfuncties’ van de media komen daarmee direct in geding.
De analyse van Oosterbaan en Wansink mondt dan ook uit in een warm pleidooi voor de ‘handhaving van de klassieke functies van de journalistiek’. Zij doen daartoe zeven aanbevelingen. Kranten moeten hun journalistieke zelfvertrouwen herwinnen maar zich tegelijkertijd niet in een ivoren toren opsluiten: ze moeten een gedragscode opstellen en die door onafhankelijke ombudsmannen laten toetsen. Kranten moeten weer compacter worden en een duidelijke hiërarchische ordening in hun presentatie aanbrengen. Ze moeten tegelijkertijd vooral ook leesbaarder en toegankelijker worden en meer aan uitleg en analyse doen. Kranten moeten eigendom zijn van uitgevers die begrijpen dat een krant niet alleen een commercieel product is maar ook een cultuurdrager. Een concern als PCM (uitgever van de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw) is een ‘jammerlijke mislukking’. En kranten moeten, tot slot, investeren in de kwaliteit en omvang van hun redacties. Dat moeten centers of excellence worden.
Na lezing van dit sympathieke boekje is een plechtig ja en amen op zijn plaats. Kranten spelen als cultuurdragers een onmisbare rol in een parlementaire democratie en aan de kwaliteit van kranten, en weekbladen natuurlijk, kunnen alleen maar de hoogste kwaliteitseisen worden gesteld.
Toch valt er ook wel wat te zeuren. Uit dit boekje rijst het beeld op van een krantengeschiedenis die eigenlijk betrekkelijk eenvoudig is verlopen. Eerst waren er de kranten en omroepen die niet vrij en zelfstandig waren omdat ze onderdeel uitmaakten van een zuil. Na die ontzuiling is het een jaar of twintig, dertig goed gegaan. Redacties waren soeverein en de pers was pluriform. Toen, zo eind jaren negentig, ging het echter weer fout, door de komst van internet, de bloggers, Metro en Spits. De ontworteling die de politiek raakte, kreeg ook de journalistiek in haar greep.
Maar dit beeld klopt niet. Na de ontzuiling is de afhankelijkheid van de bestuurlijke elites van de zuil niet ingeruild voor vrijheid en onafhankelijkheid maar voor een geheel nieuw soort afhankelijkheid: van de macht als zodanig. Iedereen die het Binnenhof kent, weet dit: journalisten en Kamerleden voeren dagelijks een baltsdans met elkaar op omdat ze er alle belang bij hebben om elkaar te vriend te houden.
Dit conglomeraat van politici en journalisten heeft verhinderd dat er in Nederland ooit een werkelijk pluriforme pers is ontstaan. Zoals de politiek homogeen was, links van het midden en alleen in haar politieke correctheid radicaal, zo weerspiegelden de media deze verhoudingen. Die totale verwevenheid blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat PCM niet alleen de drie belangrijkste Nederlandse dagbladen herbergt, maar zelf grotendeels eigendom is van de Stichting Democratie en Media, dat een soort PvdA-dependance is. Bij een andere eigenaar, de Stichting de Volkskrant, benoemt de FNV twee van de acht bestuursleden.
Het was dan ook geen wonder dat alle krantenredacties werden overvallen door de opkomst van Pim Fortuyn en het hardnekkige onbehagen dat hij loswoelde. Zo goed functioneerden de media blijkbaar niet. En daarom is het ook onjuist om alleen maar de negatieve gevolgen van alle recente ontwikkelingen te benadrukken. Zonder internet, bloggers en commerciële televisie – en vooral dankzij de druk die deze nieuwe media hebben uitgeoefend – zouden de kranten waarschijnlijk nog altijd weinig van de lessen van de afgelopen jaren hebben geleerd.
Oosterbaan en Wansink bepleiten een ‘verlicht paternalisme’. Evenals Thorbecke beschouwen zij de krant als een ‘bron van algemene onderrichting’. Daarom verwerpen zij het adagium ‘u vraagt, wij draaien’, en kiezen zij voor de slogan ‘wij weten wat u moet weten’. Op zich is dat prachtig. Maar als al die journalisten die zo goed weten wat wij moeten weten allemaal links van het midden zitten, terwijl de meerderheid van de Nederlandse bevolking zich heel ergens anders ophoudt, dan wordt vroeg of laat het gemor hoorbaar. Vroeger konden de morrenden nergens heen, nu beginnen ze een eigen weblog. Er heerst in Nederland tot op de dag van vandaag een enorme hypocrisie op dit punt.
Bovendien is het slechts hier en daar dat de lessen van de Fortuynrevolte zijn geleerd. Het grote probleem is dat er nu ook in de wereld van de media een even groot zwart gat dreigt te ontstaan als in de politiek. In de politiek gaapt dat gat tussen het politieke centrum enerzijds en de geradicaliseerde vleugels anderzijds. Kerkhistoricus Henk Hagoort, voorzitter van de raad van bestuur van de publieke omroep, heeft meermalen gezegd dat de actualiteitenrubrieken van de publieke omroep zich meer moeten inspannen om de ‘buitenstaanders’, dat zijn de Telegraaflezers en aanhangers van Wilders en Verdonk, te bedienen. Ronald Sörensen loopt op dit moment op Rotterdam op straat handtekeningen te verzamelen voor een Populistische Omroep. Dat is zowel triest (omdat het nodig is) als hoopgevend (omdat het initiatief wordt genomen). Zolang kranten, radio en tv in meerderheid blijven denken dat rechts per definitie onfatsoenlijk is en daarom binnen het publieke bestel geen plaats verdient, ligt radicalisering op de loer.
Alle fraaie woorden van journalisten als Wansink en Oosterbaan ten spijt, maken zij deel uit van een wereld die een situatie creëert waarin de stem van de straat niet wordt verheven maar geëxploiteerd, zowel in de politiek als in de media.
N.a.v.: Warna Oosterbaan en Hans Wansink
De krant moet kiezen: de toekomst van de kwaliteitsjournalistiek
Prometheus € 19,95
*(eerder verschenen in HP/De Tijd)
5.9.08
Wauw!
In al mijn bijdragen aan deze website heb ik tot nog toe vooral uitgelegd waarom het mij niet zo’n goed idee lijkt wanneer Barack Obama de volgende president van de Verenigde Staten wordt en dat ik evenmin erg enthousiast over John McCain ben. Maar sinds deze week hoop ik van harte op een Republikeinse overwinning. En dat heeft natuurlijk alles te maken met de politieke revelatie van deze week: Sarah Palin, de running mate van John McCain.
Voordat ik daar verder op inga, wil ik nog even terugkomen op mijn column van vorige week, waarin ik zeer kritisch was over de vijf uitzendingen die de NPS vorige week aan de Democratische conventie heeft gewijd. Ik hekelde zowel Jörgen Raymann als, vooral, Prem Radhakishun vanwege de schaamteloze wijze waarop zij hun partijdigheid en vooroordelen lieten blijken. Inmiddels blijkt dat anderen mijn kritiek op de NPS delen, zoals Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS-Journaal, en NOS-correspondent Eelco Bosch van Rosenthal. Laroes schreef geërgerd dat dat niet kon: vijf uitzendingen maken over Obama en niet over McCain: ‘Als je Barack zegt moet je ook John zeggen’. Eelco Bosch van Rosenthal herinnerde eraan dat NPS ook de afkorting van Narcistische Persoonlijkheidsstoornis is.
Ik heb Prem Radhakishun inmiddels in de studio van Het Gesprek ontmoet, en daar werd duidelijk dat Prem bij voorbaat immuun is voor kritiek op zijn journalistieke wanprestaties omdat die kritiek, volgens Prem, slechts afkomstig is van ‘een paar gekken’ uit de marge van de Nederlandse samenleving en omdat er geen wet is die van de NPS vraagt om onpartijdig verslag te doen van politieke gebeurtenissen. Bovendien was Obama’08 slechts infotainment geweest.
Het is lang geleden dat ik iemand er zo in heb zien slagen om binnen een half uur alle vooroordelen over de linkse kerk te bevestigen.
Maar nu Palin. Wauw, wat een dame! Ik had nog nooit van haar gehoord, maar haar profiel en standpunten spraken mij direct aan. Dat het progressieve journaille (op de Nederlandse TV steevast aangeduid als: onderzoeksjournalisten) zich op haar verleden zou werpen, was te verwachten, en dat ze niets van belang hebben gevonden, is geruststellend. Die canard over het gerucht dat Sarah Palin niet de moeder maar de grootmoeder van Trig zou zijn, was schandalig. Omdat het bericht niet klopte, niet omdat het erg geweest zou zijn wanneer het bericht wel had geklopt. Dan had Sarah Palin namelijk gewoon gedaan wat je in zo’n situatie van een conservatieve moeder kunt verwachten. Dat haar 17-jarige dochter, nog ongehuwd, in verwachting is, is al evenmin een probleem voor conservatieve Amerikanen. Het bewijst weliswaar dat ze seks heeft gehad vóór het huwelijk, maar het bewijst vooral dat ze geen voorbehoedsmiddelen heeft gebruikt. Dat Sarah Palin heel misschien (ook dit verhaal verkruimelde al snel) lid is geweest van een partij die naar de onafhankelijkheid van Alaska streeft, is ook geen probleem. Conservatieve Amerikanen hebben liever iemand die aan de soevereiniteit van afzonderlijke staten hecht dan aan mensen die denken dat Washington het politieke centrum van het land is.
En dat Palin niets van Washington moet hebben, maar een Amerikaanse van de kleine stad is, heeft ze overvloedig duidelijk gemaakt. ‘Ik heb de afgelopen dagen snel geleerd dat als je niet in aanzien staat bij de Washingtonse elite, dat sommigen in de media een kandidaat alleen al om die reden niet gekwalificeerd vinden’, zei ze in de geweldige speech waarmee ze haar kandidatuur voor het vice-presidentschap aanvaardde. ‘Maar hier is een citaat voor al die verslaggevers en commentatoren: Ik ga niet naar Washington om hun mening te vragen - ik ga naar Washington om de mensen van dit land te dienen.’ Zoals ze ook zei dat ze was opgegroeid met 'small town people': ‘Zij zijn degenen die het zwaarste werk doen in Amerika, die ons voedsel kweken, onze fabrieken draaiende houden en onze oorlogen uitvechten. Ze houden van hun land, in goede en in slechte tijden, en ze zijn altijd trots op Amerika.’ En ze blijkt allerminst onder de indruk van Obama’s lege retoriek: "Er zijn mensen die 'verandering' gebruiken omdat dat goed is voor hun carrière. Er zijn ook mensen, zoals John McCain, die hun carrière gebruiken om verandering te bereiken.'
Haar levensloop, haar politieke profiel (tegen abortus, voor wapenbezit), haar keuzes en opvattingen maken haar tot de ideale running mate van McCain. Haar vrouw-zijn maakt haar aantrekkelijk voor de Democratische kiezers die teleurgesteld zijn afgehaakt door de (volgens hen) vernederende manier waarop de Democraten Hillary Clinton hebben behandeld. Bovendien heeft Palin de eigenschappen en kwaliteiten die McCain voor veel Republikeinse keizers in onvoldoende mate bezit: ze is een onversneden conservatief en iemand van buiten Washington.
Het is te begrijpen dat sinds deze week de hoop en het élan in het Republikeinse kamp zijn teruggekeerd. Zeker ook na de speech van McCain die retorisch en qua performance natuurlijk veel minder was dan de speech van Obama, maar waarin McCain wel precies de dingen zei die hij nu als leider van de Republikeinen moet zeggen: hij uitte zich zeer kritisch over zijn eigen partij (‘Wij waren gekozen om Washington te veranderen, maar we lieten Washington ons veranderen, we verloren het vertrouwen van het Amerikaanse volk toen we macht belangrijker vonden dan onze principes’), sprak zich uit voor goede samenwerking met de Democraten (McCain wil een einde maken aan alle ‘partisan rancor’), beloofde transparantie en verantwoording en wil de regeringsuitgaven verlagen. Kortom, hij wil breken met het beleid van de afgelopen acht jaar.
En zijn relativerende humor bewees hij in zijn spot met Obama: ‘Ik ben geen kandidaat voor het presidentschap omdat ik denk [zoals Obama] dat ik gezegend ben met zulke persoonlijke grootsheid dat de geschiedenis mij heeft gezalfd om mijn land op een moeilijk moment te redden. Mijn land heeft mij gered en ik kan het niet vergeten. En ik zal voor dat land vechten zolang ik ademhaal.’
Laten McCain en Palin Amerika in ieder geval behoeden voor een Democratische regering onder leiding van Barack Obama, die zei dat hij zijn per ongeluk zwangere dochter nooit zou willen ‘straffen’ met een kind.
*) Eerder verschenen op de website van de NOS.
Voordat ik daar verder op inga, wil ik nog even terugkomen op mijn column van vorige week, waarin ik zeer kritisch was over de vijf uitzendingen die de NPS vorige week aan de Democratische conventie heeft gewijd. Ik hekelde zowel Jörgen Raymann als, vooral, Prem Radhakishun vanwege de schaamteloze wijze waarop zij hun partijdigheid en vooroordelen lieten blijken. Inmiddels blijkt dat anderen mijn kritiek op de NPS delen, zoals Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS-Journaal, en NOS-correspondent Eelco Bosch van Rosenthal. Laroes schreef geërgerd dat dat niet kon: vijf uitzendingen maken over Obama en niet over McCain: ‘Als je Barack zegt moet je ook John zeggen’. Eelco Bosch van Rosenthal herinnerde eraan dat NPS ook de afkorting van Narcistische Persoonlijkheidsstoornis is.
Ik heb Prem Radhakishun inmiddels in de studio van Het Gesprek ontmoet, en daar werd duidelijk dat Prem bij voorbaat immuun is voor kritiek op zijn journalistieke wanprestaties omdat die kritiek, volgens Prem, slechts afkomstig is van ‘een paar gekken’ uit de marge van de Nederlandse samenleving en omdat er geen wet is die van de NPS vraagt om onpartijdig verslag te doen van politieke gebeurtenissen. Bovendien was Obama’08 slechts infotainment geweest.
Het is lang geleden dat ik iemand er zo in heb zien slagen om binnen een half uur alle vooroordelen over de linkse kerk te bevestigen.
Maar nu Palin. Wauw, wat een dame! Ik had nog nooit van haar gehoord, maar haar profiel en standpunten spraken mij direct aan. Dat het progressieve journaille (op de Nederlandse TV steevast aangeduid als: onderzoeksjournalisten) zich op haar verleden zou werpen, was te verwachten, en dat ze niets van belang hebben gevonden, is geruststellend. Die canard over het gerucht dat Sarah Palin niet de moeder maar de grootmoeder van Trig zou zijn, was schandalig. Omdat het bericht niet klopte, niet omdat het erg geweest zou zijn wanneer het bericht wel had geklopt. Dan had Sarah Palin namelijk gewoon gedaan wat je in zo’n situatie van een conservatieve moeder kunt verwachten. Dat haar 17-jarige dochter, nog ongehuwd, in verwachting is, is al evenmin een probleem voor conservatieve Amerikanen. Het bewijst weliswaar dat ze seks heeft gehad vóór het huwelijk, maar het bewijst vooral dat ze geen voorbehoedsmiddelen heeft gebruikt. Dat Sarah Palin heel misschien (ook dit verhaal verkruimelde al snel) lid is geweest van een partij die naar de onafhankelijkheid van Alaska streeft, is ook geen probleem. Conservatieve Amerikanen hebben liever iemand die aan de soevereiniteit van afzonderlijke staten hecht dan aan mensen die denken dat Washington het politieke centrum van het land is.
En dat Palin niets van Washington moet hebben, maar een Amerikaanse van de kleine stad is, heeft ze overvloedig duidelijk gemaakt. ‘Ik heb de afgelopen dagen snel geleerd dat als je niet in aanzien staat bij de Washingtonse elite, dat sommigen in de media een kandidaat alleen al om die reden niet gekwalificeerd vinden’, zei ze in de geweldige speech waarmee ze haar kandidatuur voor het vice-presidentschap aanvaardde. ‘Maar hier is een citaat voor al die verslaggevers en commentatoren: Ik ga niet naar Washington om hun mening te vragen - ik ga naar Washington om de mensen van dit land te dienen.’ Zoals ze ook zei dat ze was opgegroeid met 'small town people': ‘Zij zijn degenen die het zwaarste werk doen in Amerika, die ons voedsel kweken, onze fabrieken draaiende houden en onze oorlogen uitvechten. Ze houden van hun land, in goede en in slechte tijden, en ze zijn altijd trots op Amerika.’ En ze blijkt allerminst onder de indruk van Obama’s lege retoriek: "Er zijn mensen die 'verandering' gebruiken omdat dat goed is voor hun carrière. Er zijn ook mensen, zoals John McCain, die hun carrière gebruiken om verandering te bereiken.'
Haar levensloop, haar politieke profiel (tegen abortus, voor wapenbezit), haar keuzes en opvattingen maken haar tot de ideale running mate van McCain. Haar vrouw-zijn maakt haar aantrekkelijk voor de Democratische kiezers die teleurgesteld zijn afgehaakt door de (volgens hen) vernederende manier waarop de Democraten Hillary Clinton hebben behandeld. Bovendien heeft Palin de eigenschappen en kwaliteiten die McCain voor veel Republikeinse keizers in onvoldoende mate bezit: ze is een onversneden conservatief en iemand van buiten Washington.
Het is te begrijpen dat sinds deze week de hoop en het élan in het Republikeinse kamp zijn teruggekeerd. Zeker ook na de speech van McCain die retorisch en qua performance natuurlijk veel minder was dan de speech van Obama, maar waarin McCain wel precies de dingen zei die hij nu als leider van de Republikeinen moet zeggen: hij uitte zich zeer kritisch over zijn eigen partij (‘Wij waren gekozen om Washington te veranderen, maar we lieten Washington ons veranderen, we verloren het vertrouwen van het Amerikaanse volk toen we macht belangrijker vonden dan onze principes’), sprak zich uit voor goede samenwerking met de Democraten (McCain wil een einde maken aan alle ‘partisan rancor’), beloofde transparantie en verantwoording en wil de regeringsuitgaven verlagen. Kortom, hij wil breken met het beleid van de afgelopen acht jaar.
En zijn relativerende humor bewees hij in zijn spot met Obama: ‘Ik ben geen kandidaat voor het presidentschap omdat ik denk [zoals Obama] dat ik gezegend ben met zulke persoonlijke grootsheid dat de geschiedenis mij heeft gezalfd om mijn land op een moeilijk moment te redden. Mijn land heeft mij gered en ik kan het niet vergeten. En ik zal voor dat land vechten zolang ik ademhaal.’
Laten McCain en Palin Amerika in ieder geval behoeden voor een Democratische regering onder leiding van Barack Obama, die zei dat hij zijn per ongeluk zwangere dochter nooit zou willen ‘straffen’ met een kind.
*) Eerder verschenen op de website van de NOS.
In debat met Prem
Ik was gisteren te gast bij het tv-programma DAGBEELD, waar ik in discussie ging met de beruchte Prem Radhakishun over het NPS-programma Probama'08. Bekijk de uitzending hier. Mijn debat met Prem begint rond minuut 22.
2.9.08
NOS-baas Laroes haalt uit naar Obama 08
Hans Laroes valt mij bij in de Volkskrant vanmorgen:
Door Maud Effting
De Volkskrant
gepubliceerd op 02 september 2008 08:01, bijgewerkt op 2 september 2008 08:51
AMSTERDAM - Hoofdredacteur Hans Laroes van het NOS Journaal heeft maandag op zijn weblog scherp uitgehaald naar het NPS-programma Obama’08. Hij ergert zich aan het feit dat er wél vijf speciale uitzendingen gemaakt zijn over Barack Obama en de Democratische Conventie, en niet over John McCain en de Republikeinse Conventie.
VergrotingVergroting
‘Ik begrijp niet dat niemand van degenen die er over gaan bij NPS en NPO niet na 5 seconden (oké, 5 minuten mag ook), heeft gezegd: ja maar, dat kan toch niet?’, schrijft Laroes . ‘Als je Barack zegt moet je ook John zeggen.’ Laroes reageert ook omdat hij als NOS Journaal veel kritiek kreeg; de NPS wordt vaak verward met de NOS.
Hij wordt bijgevallen op de NOS-site door columnist Bart-Jan Spruyt. Die noemt Obama’08 ‘bevooroordeeld, walgelijk, dom, onprofessioneel, schandalig, racistisch en weerzinwekkend’. Zo lieten co-presentatoren Prem Radhakishun en Jörgen Raymann openlijk blijken pro-Obama te zijn, en er werden dingen gezegd als ‘In Nederland begrijpen we niet dat u als zwarte Republikein kunt zijn’ en ‘Vrouwen horen gewoon bij de Democraten’. Op de site noemt Spruyt Radhakishun een ‘randdebiele grootbek’.
Eindredacteur Carel Kuyl van Obama ’08: ‘Ik word een beetje moe van al die meneertjes die overal wat van vinden. Laat Laroes lekker wat over zijn eigen programma zeggen. Dit was zo bijzonder dat we er aandacht aan wilden besteden. We zitten deze week met evenveel mensen in de VS.
‘Natuurlijk, het was een liefdesverklaring van Prem en Jörgen aan Obama, en je kunt je afvragen of die liefdesverklaring van – met name Prem – niet veel te luidruchtig was. Ze stonden allebei te stuiteren dat een zwarte mogelijk president zou worden. Maar je moet dit met een knipoog zien. Het was geen gewoon journalistiek programma. Meer een poging om er op een lichtvoetige manier aandacht aan te besteden. We lieten ook genoeg mensen aan het woord die zeer rechts waren.’
*) Dit artikel is overgenomen uit de Volkskrant.
Door Maud Effting
De Volkskrant
gepubliceerd op 02 september 2008 08:01, bijgewerkt op 2 september 2008 08:51
AMSTERDAM - Hoofdredacteur Hans Laroes van het NOS Journaal heeft maandag op zijn weblog scherp uitgehaald naar het NPS-programma Obama’08. Hij ergert zich aan het feit dat er wél vijf speciale uitzendingen gemaakt zijn over Barack Obama en de Democratische Conventie, en niet over John McCain en de Republikeinse Conventie.
VergrotingVergroting
‘Ik begrijp niet dat niemand van degenen die er over gaan bij NPS en NPO niet na 5 seconden (oké, 5 minuten mag ook), heeft gezegd: ja maar, dat kan toch niet?’, schrijft Laroes . ‘Als je Barack zegt moet je ook John zeggen.’ Laroes reageert ook omdat hij als NOS Journaal veel kritiek kreeg; de NPS wordt vaak verward met de NOS.
Hij wordt bijgevallen op de NOS-site door columnist Bart-Jan Spruyt. Die noemt Obama’08 ‘bevooroordeeld, walgelijk, dom, onprofessioneel, schandalig, racistisch en weerzinwekkend’. Zo lieten co-presentatoren Prem Radhakishun en Jörgen Raymann openlijk blijken pro-Obama te zijn, en er werden dingen gezegd als ‘In Nederland begrijpen we niet dat u als zwarte Republikein kunt zijn’ en ‘Vrouwen horen gewoon bij de Democraten’. Op de site noemt Spruyt Radhakishun een ‘randdebiele grootbek’.
Eindredacteur Carel Kuyl van Obama ’08: ‘Ik word een beetje moe van al die meneertjes die overal wat van vinden. Laat Laroes lekker wat over zijn eigen programma zeggen. Dit was zo bijzonder dat we er aandacht aan wilden besteden. We zitten deze week met evenveel mensen in de VS.
‘Natuurlijk, het was een liefdesverklaring van Prem en Jörgen aan Obama, en je kunt je afvragen of die liefdesverklaring van – met name Prem – niet veel te luidruchtig was. Ze stonden allebei te stuiteren dat een zwarte mogelijk president zou worden. Maar je moet dit met een knipoog zien. Het was geen gewoon journalistiek programma. Meer een poging om er op een lichtvoetige manier aandacht aan te besteden. We lieten ook genoeg mensen aan het woord die zeer rechts waren.’
*) Dit artikel is overgenomen uit de Volkskrant.
29.8.08
Schandaal in Denver
Er is een meneer van de Vrije Universiteit in Amsterdam, zijn naam is Krouwel en hij beunt soms ook een beetje bij bij de PvdA, en die meneer kwam niet zo lang geleden in het nieuws met een onderzoek dat hij had verricht naar de vraag of de media nu links of rechts zijn. Hij was tot de conclusie gekomen dat het verwijt dat de media een integraal onderdeel van de linkse kerk zouden zijn– veel gehoord sinds Pim Fortuyn dat in 2002 voor het eerst nadrukkelijk naar voren bracht – geheel onterecht is. Meneer Krouwel had namelijk een tijd lang de berichtgeving in de Nederlandse kranten gevolgd en was na lang wikken en wegen en vooral veel passen en meten tot de conclusie gekomen dat de kranten eigenlijk vooral schreven over onderwerpen die we eerder rechts dan links zouden noemen, zoals over al dat gedoe met die multiculturele samenleving.
Wie is er nu dommer: meneer Krouwel of al die kranten en andere media die in alle ernst over zijn onderzoek berichtten? Het gaat natuurlijk niet over de vraag over welke onderwerpen de media berichten (en de werkelijkheid is nu eenmaal rechts) maar over de vraag op welke manier ze dat doen – welke voorkeuren ze laten blijken, bijvoorbeeld, of hoe fair en objectief ze de partij benaderen naar wie die voorkeur overduidelijk niet uit gaat. Daar had meneer Krouwel niet over nagedacht, en de media zelf ook niet, die uitvoerig en prominenten verslag van zijn bevindingen deden alsof die hen in één klap van hun slechte geweten hadden bevrijd.
Als ik nu even voor meneer Krouwel mag spelen en dan de berichtgeving over de Amerikaanse presidentsverkiezingen mag recenseren, dan heb ik een makkie. Wat zijn de media links, ongelooflijk links, en wat is in het bijzonder de publieke omroep ontzettend en schaamteloos links!
Dat blijkt niet alleen uit hun onderwerpkeuze maar zeker ook uit de manier waarop zij dat gekozen onderwerp behandelen.
U begrijpt natuurlijk wel dat ik het over de Democratische conventie heb die de afgelopen week in de Amerikaanse stad Denver (Colorado) is gehouden. De gehele NPS was afgereisd om daar verslag van te doen, niet als itempje in het Journaal of in NOVA, nee: een gehele week iedere avond een uur lang, met niets anders dan die Obama en de Democratische conventie.
Er valt ook iets goeds over dat programma (Obama’08) te zeggen en laat ik dat snel doen. Het enthousiasme spatte er van af, en dat gold niet alleen de Democraten maar ook het land Amerika als zodanig en de manier waarop de democratie daar functioneert. Je zag ze een beetje dizzy worden, die redacteuren en presentatoren die als Pietje Bells door Denver liepen: was dit nou dat land waar ze eigenlijk al zo lang gruwelijk de pest aan hadden, dit land waar mensen niet alleen stemmen en dan op TV naar de uitslagen gaan zitten kijken, maar waar ze heel actief bij het democratisch proces betrokken zijn, debatterend, folderend, zingend en scheldend, kortom, dit land waar politiek een feest is? En wie waren zij dat zij op dit feestje zo maar mochten binnen vallen en alles mee mochten maken? Ze genoten, en dat was mooi om te zien, aanstekelijk zelfs. Zo’n mooie vakantie hadden ze nog nooit gehad!
Het bewijst maar weer eens dat alle Nederlandse kritiek op Amerika niet van anti-Amerikanisme maar van anti-Republikanisme getuigt. En de heren grepen vervolgens werkelijk iedere kans aan om dat iedere minuut van hun uitzending nog eens en nog eens te bewijzen – op een manier die walgelijk was, dom, onprofessioneel, schandalig, racistisch, weerzinwekkend.
We zagen Joost Karhof, bekend als pratend NOVA-hoofd, en we zagen twee gekleurde medepresentatoren: Jörgen Raymann en Prem Radhakishun. Aanvankelijk zocht ik daar niets achter, maar al gauw werd duidelijk – en wie keek wilde het eerst niet geloven – dat beide grappenmakers wel degelijk op hun huidskleur waren geselecteerd. Die deelden zij immers met de grote held van alle uitzendingen, en die kleur vormde een additioneel of zelfs een primair argument om onverholen een voorkeur voor Obama uit te spreken: Obama was zwart, net als zij, en hij was de eerste zwarte presidentskandidaat, en van wat een geweldige tolerantie getuigde dat (ja echt, in het land van Bush) en wat zou het geweldig zijn om Obama’s twee zwarte dochtertjes in het Witte Huis te zien spelen, zoals we ook de kinderen van Kennedy eens onder het bureau van hun vader in de Oval Office hebben zien kruipen, want wat zou dat een geweldige revanche op de geschiedenis zijn, want dat Witte Huis was immers door zwarten (slaven!) gebouwd en een nazaat van die slaven (maar niet heus) zou daar nu gaan wonen!
Ze zeiden het echt, die tante Es en die randdebiele grootbek van een Radhakishun, en het opgewonden triumviraat deed werkelijk geen enkele moeite om zelfs maar heel eventjes net te doen alsof ze nog iets van objectiviteit betrachtten. Wat was Obama goed en cool en meeslepend en wat zou er veel gaan veranderen straks! En wat konden die studiogasten uit Obama’s campagneteam toch leuk en overtuigend uitleggen wat voor een smeerlappen die Republikeinen zijn: die rechtserikken doen aan smerige smeercampagnes, en snuffelen in je prullenbakken en filmen je tijdens je werk in de hoop je ergens op te betrappen en je daarna kapot te maken. Maar zij zelf, die engeltjes van Democraten, die hielden zich uitsluitend en alleen aan de feiten, echt waar, en zijn moreel zo hoogstaand dat ze dat allemaal nooit zouden doen en als ze zouden verliezen van die gemene rechtserds dan zouden ze met opgeheven hoofd het speeltoneel kunnen verlaten.
En onze drie mannetjes, Joost, Prem en Jörgen, maar knikken, want die weten ook al lang – mede dankzij de onvermijdelijke Michiel Vos, journalist én schoonzoon van de Democratische Speaker van het Huis van Afgevaardigden, Nancy Pelosi – dat er in essentie twee partijen zijn, een goede en een slechte: je hebt de hippe en jonge en leuke mensen, die nu in Denver rondswingen, en net als zij lekker progressief zijn en stads en slim, en je hebt een groep enge mensen, vooral bestaande uit oude, blanke mannen, die scheten en boeren laten en andere flauwiteiten verkopen, en die verder gewoon gek en gevaarlijk zijn.
So far for de Nederlandse journalistiek, so far for de publieke omroep, en so far for Joost, Prem en Jörgen. En het ergste is dat het niet alleen bevooroordeeld en schandalig is, maar ook dat er echt niets van klopt, dat de jongens niet zien wat ze zien en missen wat ze zouden moeten zien: dat Obama echt nog wel wat anders is dan een Nederlandse sociaal-democraat of sociaal-liberaal. En dat hij kan verliezen. In hun verblinding en bias spiegelen ze de Nederlandse kijker een fundamenteel verkeerd beeld van de Amerikaanse verkiezingen voor. Nooit geweten dat we belasting betaalden om de publieke omroep haar verheven taak op deze wijze te zien vervullen.
Volgende week: McCain en de Republikeinen op hun conventie in Minneapolis, wordt één hele uitzending aan gewijd!
*) Eerder verschenen op de website van de NOS.
Wie is er nu dommer: meneer Krouwel of al die kranten en andere media die in alle ernst over zijn onderzoek berichtten? Het gaat natuurlijk niet over de vraag over welke onderwerpen de media berichten (en de werkelijkheid is nu eenmaal rechts) maar over de vraag op welke manier ze dat doen – welke voorkeuren ze laten blijken, bijvoorbeeld, of hoe fair en objectief ze de partij benaderen naar wie die voorkeur overduidelijk niet uit gaat. Daar had meneer Krouwel niet over nagedacht, en de media zelf ook niet, die uitvoerig en prominenten verslag van zijn bevindingen deden alsof die hen in één klap van hun slechte geweten hadden bevrijd.
Als ik nu even voor meneer Krouwel mag spelen en dan de berichtgeving over de Amerikaanse presidentsverkiezingen mag recenseren, dan heb ik een makkie. Wat zijn de media links, ongelooflijk links, en wat is in het bijzonder de publieke omroep ontzettend en schaamteloos links!
Dat blijkt niet alleen uit hun onderwerpkeuze maar zeker ook uit de manier waarop zij dat gekozen onderwerp behandelen.
U begrijpt natuurlijk wel dat ik het over de Democratische conventie heb die de afgelopen week in de Amerikaanse stad Denver (Colorado) is gehouden. De gehele NPS was afgereisd om daar verslag van te doen, niet als itempje in het Journaal of in NOVA, nee: een gehele week iedere avond een uur lang, met niets anders dan die Obama en de Democratische conventie.
Er valt ook iets goeds over dat programma (Obama’08) te zeggen en laat ik dat snel doen. Het enthousiasme spatte er van af, en dat gold niet alleen de Democraten maar ook het land Amerika als zodanig en de manier waarop de democratie daar functioneert. Je zag ze een beetje dizzy worden, die redacteuren en presentatoren die als Pietje Bells door Denver liepen: was dit nou dat land waar ze eigenlijk al zo lang gruwelijk de pest aan hadden, dit land waar mensen niet alleen stemmen en dan op TV naar de uitslagen gaan zitten kijken, maar waar ze heel actief bij het democratisch proces betrokken zijn, debatterend, folderend, zingend en scheldend, kortom, dit land waar politiek een feest is? En wie waren zij dat zij op dit feestje zo maar mochten binnen vallen en alles mee mochten maken? Ze genoten, en dat was mooi om te zien, aanstekelijk zelfs. Zo’n mooie vakantie hadden ze nog nooit gehad!
Het bewijst maar weer eens dat alle Nederlandse kritiek op Amerika niet van anti-Amerikanisme maar van anti-Republikanisme getuigt. En de heren grepen vervolgens werkelijk iedere kans aan om dat iedere minuut van hun uitzending nog eens en nog eens te bewijzen – op een manier die walgelijk was, dom, onprofessioneel, schandalig, racistisch, weerzinwekkend.
We zagen Joost Karhof, bekend als pratend NOVA-hoofd, en we zagen twee gekleurde medepresentatoren: Jörgen Raymann en Prem Radhakishun. Aanvankelijk zocht ik daar niets achter, maar al gauw werd duidelijk – en wie keek wilde het eerst niet geloven – dat beide grappenmakers wel degelijk op hun huidskleur waren geselecteerd. Die deelden zij immers met de grote held van alle uitzendingen, en die kleur vormde een additioneel of zelfs een primair argument om onverholen een voorkeur voor Obama uit te spreken: Obama was zwart, net als zij, en hij was de eerste zwarte presidentskandidaat, en van wat een geweldige tolerantie getuigde dat (ja echt, in het land van Bush) en wat zou het geweldig zijn om Obama’s twee zwarte dochtertjes in het Witte Huis te zien spelen, zoals we ook de kinderen van Kennedy eens onder het bureau van hun vader in de Oval Office hebben zien kruipen, want wat zou dat een geweldige revanche op de geschiedenis zijn, want dat Witte Huis was immers door zwarten (slaven!) gebouwd en een nazaat van die slaven (maar niet heus) zou daar nu gaan wonen!
Ze zeiden het echt, die tante Es en die randdebiele grootbek van een Radhakishun, en het opgewonden triumviraat deed werkelijk geen enkele moeite om zelfs maar heel eventjes net te doen alsof ze nog iets van objectiviteit betrachtten. Wat was Obama goed en cool en meeslepend en wat zou er veel gaan veranderen straks! En wat konden die studiogasten uit Obama’s campagneteam toch leuk en overtuigend uitleggen wat voor een smeerlappen die Republikeinen zijn: die rechtserikken doen aan smerige smeercampagnes, en snuffelen in je prullenbakken en filmen je tijdens je werk in de hoop je ergens op te betrappen en je daarna kapot te maken. Maar zij zelf, die engeltjes van Democraten, die hielden zich uitsluitend en alleen aan de feiten, echt waar, en zijn moreel zo hoogstaand dat ze dat allemaal nooit zouden doen en als ze zouden verliezen van die gemene rechtserds dan zouden ze met opgeheven hoofd het speeltoneel kunnen verlaten.
En onze drie mannetjes, Joost, Prem en Jörgen, maar knikken, want die weten ook al lang – mede dankzij de onvermijdelijke Michiel Vos, journalist én schoonzoon van de Democratische Speaker van het Huis van Afgevaardigden, Nancy Pelosi – dat er in essentie twee partijen zijn, een goede en een slechte: je hebt de hippe en jonge en leuke mensen, die nu in Denver rondswingen, en net als zij lekker progressief zijn en stads en slim, en je hebt een groep enge mensen, vooral bestaande uit oude, blanke mannen, die scheten en boeren laten en andere flauwiteiten verkopen, en die verder gewoon gek en gevaarlijk zijn.
So far for de Nederlandse journalistiek, so far for de publieke omroep, en so far for Joost, Prem en Jörgen. En het ergste is dat het niet alleen bevooroordeeld en schandalig is, maar ook dat er echt niets van klopt, dat de jongens niet zien wat ze zien en missen wat ze zouden moeten zien: dat Obama echt nog wel wat anders is dan een Nederlandse sociaal-democraat of sociaal-liberaal. En dat hij kan verliezen. In hun verblinding en bias spiegelen ze de Nederlandse kijker een fundamenteel verkeerd beeld van de Amerikaanse verkiezingen voor. Nooit geweten dat we belasting betaalden om de publieke omroep haar verheven taak op deze wijze te zien vervullen.
Volgende week: McCain en de Republikeinen op hun conventie in Minneapolis, wordt één hele uitzending aan gewijd!
*) Eerder verschenen op de website van de NOS.
17.4.08
Opinio opnieuw gedagvaard
Het weekblad Opinio, waarvan ik adjunct-hoofdredacteur ben, wordt opnieuw aangeklaagd door de Staat, in een rechtszaak die al op 23 april voor de rechter komt.
Aanleiding voor minister-president Balkenende om de gerechtelijke procedure tegen Opinio voort te zetten, is een aan hem toegedichte rede die hij als CDA-leider zou hebben gehouden (gepubliceerd in Opinio van 4 april j.l. onder de titel: ‘De geheime rede van Balkenende’).
De Amsterdamse rechtbank oordeelde op 4 april j.l. nog dat de pastiche ‘overduidelijk’ als zodanig te herkennen was, dat de eis tot rectificatie daarom moest worden afgewezen en dat Balkenende zich als minister-president en CDA-leider een dergelijke parodie moest ‘laten welgevallen.’
Balkenende wil het hier echter niet bij laten. De Staat der Nederlanden begint op 23 april a.s. een bodemprocedure tegen Opinio. In de dagvaarding voert de landsadvocaat onder meer aan dat Opinio met de gefingeerde rede de ‘gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument’ op het verkeerde been heeft gezet. ‘Dit risico geldt al helemaal voor sommige buitenlandse overheden en groeperingen, die in deze tijden het optreden van de Nederlandse regering met argusogen volgen.’
Balkenende wil de grens van de vrijheid van meningsuiting blijkbaar door het leesvermogen van de gemiddelde 'consument' (lees: terrorist) laten bepalen.
De tekst van de dagvaarding, alsmede het eerdere vonnis van de Amsterdamse rechtbank, zijn te raadplegen op de website van Opinio.
Aanleiding voor minister-president Balkenende om de gerechtelijke procedure tegen Opinio voort te zetten, is een aan hem toegedichte rede die hij als CDA-leider zou hebben gehouden (gepubliceerd in Opinio van 4 april j.l. onder de titel: ‘De geheime rede van Balkenende’).
De Amsterdamse rechtbank oordeelde op 4 april j.l. nog dat de pastiche ‘overduidelijk’ als zodanig te herkennen was, dat de eis tot rectificatie daarom moest worden afgewezen en dat Balkenende zich als minister-president en CDA-leider een dergelijke parodie moest ‘laten welgevallen.’
Balkenende wil het hier echter niet bij laten. De Staat der Nederlanden begint op 23 april a.s. een bodemprocedure tegen Opinio. In de dagvaarding voert de landsadvocaat onder meer aan dat Opinio met de gefingeerde rede de ‘gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument’ op het verkeerde been heeft gezet. ‘Dit risico geldt al helemaal voor sommige buitenlandse overheden en groeperingen, die in deze tijden het optreden van de Nederlandse regering met argusogen volgen.’
Balkenende wil de grens van de vrijheid van meningsuiting blijkbaar door het leesvermogen van de gemiddelde 'consument' (lees: terrorist) laten bepalen.
De tekst van de dagvaarding, alsmede het eerdere vonnis van de Amsterdamse rechtbank, zijn te raadplegen op de website van Opinio.
11.7.07
Links of rechts: lood om oud ijzer
In maart 2004 zat ik in een hotelkamer in Washington DC tv te kijken en zag hoe Fox News de inval in Irak na een jaar vierde met beelden die de zegeningen van de militaire interventie opsomden: blije mensen, herstelde gas- en waterleidingen, openingen van scholen. Ik zapte naar CNN en zag beelden van aanslagen, bloed en leed.
In de discussie over het ‘linkse’ Buitenhof en de roep om een ‘rechts’ alternatief heb ik vaak aan die uitzendingen moeten terugdenken, en geconcludeerd dat het er dus niet om gaat om tegenover Buitenhof een ‘rechtse’ zender in het leven te roepen. Het voorbeeld van Fox News en CNN maakt immers duidelijk dat het niet om de ‘progressieve’ en ‘conservatieve’ signatuur van die zenders gaat, maar om het onthutsende gebrek aan kwaliteit dat zij allebei vanuit een duidelijke keuze voor een politieke agenda tentoonspreiden. ‘Links’ of ‘rechts’: zodra media aan politiek gaan doen, en hun taak van evenwichtige informatievoorziening verzaken (en dat is zoals bekend een noodzakelijke voorwaarde voor een goed functionerende democratie), is het lood om oud ijzer.
In het artikel over zijn benoeming tot columnist van Buitenhof (de Volkskrant van 6 juli), stelt Jos de Beus dat partijloosheid geen ‘algemene voorwaarde voor de kracht van intellectuelen als vrijdenkers’ is. De publieken hoeven slechts te zorgen voor ‘pluriformiteit’ en moeten daarom ‘denkers met vuile handen over het hele politieke spectrum’ aan het woord laten komen.
Ik ben het misschien wel eens met wat De Beus zegt over het ‘grote monster met de drie koppen’ dat de media ook bedreigt. Maar hij wijdt geen woord aan wat in dit verband vooral moet worden gezegd.
Om te beginnen moeten we vaststellen dat de omroepen als producten van de verzuiling niet meer het vanzelfsprekende bestaansrecht hebben dat zij hadden, en zich nu via gekunstelde identiteiten overeind proberen te houden. Maar wat erger is, is dat de vroegere afhankelijkheid van de politieke élite van de eigen zuil niet tot onafhankelijkheid heeft geleid maar geruisloos is ingewisseld voor een veel grotere afhankelijkheid: die van de macht als zodanig. Dat wordt natuurlijk nergens zo duidelijk als in Den Haag, waar iedereen iedereen te vriend moet zien te houden. Politiek en media maken deel uit van eenzelfde systeem, en beiden hebben er belang bij dat systeem in stand te houden en tegen de indringer te beschermen (door negatie, demonisering of door diens agenda zogenaamd over te nemen). En over dat systeem hangt de zware deken van een links-liberale, progressieve consensus, die de speelruimte van het debat begrenst.
Hoezeer De Beus, tot mijn grote spijt, ondanks zijn voorzichtige dissentisme nog altijd onder die verstikkende deken ligt, blijkt uit het voorbeeld dat hij aanvoert om ‘neoconservatieven met hun slachtoffergedrag’ de mond te snoeren. Er is volgens De Beus wel degelijke sprake van een evenwichtige verdeling in de Nederlandse journalistiek want Pauw & Witteman zijn links, en Knevel en Van den Brink rechts.
Ik heb het kijken naar de EO-mannen een paar uitzendingen volgehouden, en zag twee parvenu’s die alleen maar wilden laten zien dat zij weliswaar van de EO waren maar verder net zo hip, oppervlakkig en vooral zo schaamteloos banaal als de rest. Mag ik hier – hopelijk ten overvloede – de klacht van Freek de Jonge over het ontstellende kwaliteitsgebrek van de publieke omroep nog eens in herinnering roepen? Zo groot is de stille dwang tot consensus dat het niets meer uit maakt of je nu van de VARA of van de EO bent, of je nu Pauw of Knevel heet, en of Jos de Beus je nu rechts of links noemt, zolang je alle onderwerpen maar zo snel mogelijk tot het meest banale niveau terugbrengt en vooral verstrooiing wilt bieden. Voorkom dat het ergens over gaat, is de stelregel.
Wat wij dus nodig hebben zijn columnisten en journalisten die dit hele circus met enige distantie kunnen gadeslaan en (in die zin) als buitenstaanders het bekrompen speelveld oprekken en onderwerpen ter sprake brengen die vanuit de regerende consensus niet ter sprake kunnen komen. Dat gaat niet meevallen, want het is een hard en onomstreden feit dat de meerderheid van presentatoren, redacteuren en columnisten bij de Nederlandse media belijdend lid van de PvdA zijn.
Het is niet zo moeilijk wekelijks quasi-kritisch te ginnegappen over voorvalletjes binnen het systeem: er is altijd wel iemand die die week iets doms heeft gedaan of iets stoms heeft gezegd. Het wordt pas interessant wanneer iemand problemen benoemt en analyseert (bijvoorbeeld: het systeem als zodanig en de huidige pogingen tot restauratie waarmee dit systeem zich meer dan ooit als een oester wil sluiten, de demografie, de vitaliteit van het westen, de oorlog tegen de politieke islam, het belang van een cultureel fundament onder een samenleving, de terugkeer van de schoonheid, het belang van het herstel van het curriculum in het onderwijs) waar alle anderen, technocraten en bureaucraten als zij zijn, met een boog omheen lopen.
Doe het, Jos, wijd je eerste column bijvoorbeeld eens aan de vraag waarom jouw partij, de PvdA, in de aanloop naar de verkiezingen en ook daarna geen enkele grote sociale kwestie aan de orde heeft durven of kunnen stellen. Pest en bijt, overtuig en agendeer, en breng wat leven in de brouwerij van de progressieve consensus, want die linkse kerkdiensten op zondagochtend zijn eerlijk gezegd niet alleen hopeloos slecht, maar vooral ook zo ontzettend saai.
*) Een versie van dit artikel is verschenen in de Volkskrant.
In de discussie over het ‘linkse’ Buitenhof en de roep om een ‘rechts’ alternatief heb ik vaak aan die uitzendingen moeten terugdenken, en geconcludeerd dat het er dus niet om gaat om tegenover Buitenhof een ‘rechtse’ zender in het leven te roepen. Het voorbeeld van Fox News en CNN maakt immers duidelijk dat het niet om de ‘progressieve’ en ‘conservatieve’ signatuur van die zenders gaat, maar om het onthutsende gebrek aan kwaliteit dat zij allebei vanuit een duidelijke keuze voor een politieke agenda tentoonspreiden. ‘Links’ of ‘rechts’: zodra media aan politiek gaan doen, en hun taak van evenwichtige informatievoorziening verzaken (en dat is zoals bekend een noodzakelijke voorwaarde voor een goed functionerende democratie), is het lood om oud ijzer.
In het artikel over zijn benoeming tot columnist van Buitenhof (de Volkskrant van 6 juli), stelt Jos de Beus dat partijloosheid geen ‘algemene voorwaarde voor de kracht van intellectuelen als vrijdenkers’ is. De publieken hoeven slechts te zorgen voor ‘pluriformiteit’ en moeten daarom ‘denkers met vuile handen over het hele politieke spectrum’ aan het woord laten komen.
Ik ben het misschien wel eens met wat De Beus zegt over het ‘grote monster met de drie koppen’ dat de media ook bedreigt. Maar hij wijdt geen woord aan wat in dit verband vooral moet worden gezegd.
Om te beginnen moeten we vaststellen dat de omroepen als producten van de verzuiling niet meer het vanzelfsprekende bestaansrecht hebben dat zij hadden, en zich nu via gekunstelde identiteiten overeind proberen te houden. Maar wat erger is, is dat de vroegere afhankelijkheid van de politieke élite van de eigen zuil niet tot onafhankelijkheid heeft geleid maar geruisloos is ingewisseld voor een veel grotere afhankelijkheid: die van de macht als zodanig. Dat wordt natuurlijk nergens zo duidelijk als in Den Haag, waar iedereen iedereen te vriend moet zien te houden. Politiek en media maken deel uit van eenzelfde systeem, en beiden hebben er belang bij dat systeem in stand te houden en tegen de indringer te beschermen (door negatie, demonisering of door diens agenda zogenaamd over te nemen). En over dat systeem hangt de zware deken van een links-liberale, progressieve consensus, die de speelruimte van het debat begrenst.
Hoezeer De Beus, tot mijn grote spijt, ondanks zijn voorzichtige dissentisme nog altijd onder die verstikkende deken ligt, blijkt uit het voorbeeld dat hij aanvoert om ‘neoconservatieven met hun slachtoffergedrag’ de mond te snoeren. Er is volgens De Beus wel degelijke sprake van een evenwichtige verdeling in de Nederlandse journalistiek want Pauw & Witteman zijn links, en Knevel en Van den Brink rechts.
Ik heb het kijken naar de EO-mannen een paar uitzendingen volgehouden, en zag twee parvenu’s die alleen maar wilden laten zien dat zij weliswaar van de EO waren maar verder net zo hip, oppervlakkig en vooral zo schaamteloos banaal als de rest. Mag ik hier – hopelijk ten overvloede – de klacht van Freek de Jonge over het ontstellende kwaliteitsgebrek van de publieke omroep nog eens in herinnering roepen? Zo groot is de stille dwang tot consensus dat het niets meer uit maakt of je nu van de VARA of van de EO bent, of je nu Pauw of Knevel heet, en of Jos de Beus je nu rechts of links noemt, zolang je alle onderwerpen maar zo snel mogelijk tot het meest banale niveau terugbrengt en vooral verstrooiing wilt bieden. Voorkom dat het ergens over gaat, is de stelregel.
Wat wij dus nodig hebben zijn columnisten en journalisten die dit hele circus met enige distantie kunnen gadeslaan en (in die zin) als buitenstaanders het bekrompen speelveld oprekken en onderwerpen ter sprake brengen die vanuit de regerende consensus niet ter sprake kunnen komen. Dat gaat niet meevallen, want het is een hard en onomstreden feit dat de meerderheid van presentatoren, redacteuren en columnisten bij de Nederlandse media belijdend lid van de PvdA zijn.
Het is niet zo moeilijk wekelijks quasi-kritisch te ginnegappen over voorvalletjes binnen het systeem: er is altijd wel iemand die die week iets doms heeft gedaan of iets stoms heeft gezegd. Het wordt pas interessant wanneer iemand problemen benoemt en analyseert (bijvoorbeeld: het systeem als zodanig en de huidige pogingen tot restauratie waarmee dit systeem zich meer dan ooit als een oester wil sluiten, de demografie, de vitaliteit van het westen, de oorlog tegen de politieke islam, het belang van een cultureel fundament onder een samenleving, de terugkeer van de schoonheid, het belang van het herstel van het curriculum in het onderwijs) waar alle anderen, technocraten en bureaucraten als zij zijn, met een boog omheen lopen.
Doe het, Jos, wijd je eerste column bijvoorbeeld eens aan de vraag waarom jouw partij, de PvdA, in de aanloop naar de verkiezingen en ook daarna geen enkele grote sociale kwestie aan de orde heeft durven of kunnen stellen. Pest en bijt, overtuig en agendeer, en breng wat leven in de brouwerij van de progressieve consensus, want die linkse kerkdiensten op zondagochtend zijn eerlijk gezegd niet alleen hopeloos slecht, maar vooral ook zo ontzettend saai.
*) Een versie van dit artikel is verschenen in de Volkskrant.
Subscribe to:
Posts (Atom)