Showing posts with label Wilders. Show all posts
Showing posts with label Wilders. Show all posts

28.7.11

Nihilisme, populisme, Breivik en Nederland

In de discussie die is losgebrand over Anders Breivik, 'Oslo' en het rechts populisme is het dienstig om te herinneren aan een tekst van de Joods-Amerikaanse politiek filosoof Leo Strauss ('German Nihilism'). Ik schreef daar dit voorjaar over in het blad ChristenDemocratische Verkenningen. De (lange) tekst volgt hieronder, voor de liefhebbers.


Het is onder ons, nette mensen, tot de goede toon gaan behoren om woordvoerders en aanhangers van het populisme te beschouwen als de slecht opgevoede en slecht geschoolde, luidruchtige en onbeschaamde binnendringers in een politieke wereld die wij voor onszelf zo netjes op orde hadden. Deze barbaren duw je weg achter een cordon sanitair of je verleidt ze tot participatie, in de hoop dat ze zichzelf kapot regeren of gedogen. Geen mogelijkheid om de opmars van het populisme te keren, mag onbenut worden gelaten. Want ze deugen niet. Volgens Rob Riemen zijn Geert Wilders en zijn beweging het ‘prototype van hedendaags fascisme’, en daarmee niets anders dan de politiek logische consequentie van de nihilistische massamaatschappij die wij zijn geworden. Frits Bolkestein denkt dat Wilders niet meer is dan een ‘kortstondige komeet’ en dat zijn kiezers bestaan uit people with a grudge. ‘Ze zijn werkloos en hun dochter is aan de drugs en hun zoon is weggelopen.’ En James Kennedy, om alleen hem nog te noemen, betoogt dat het Nederlandse populisme ‘gevaarlijk’ is omdat het ons zal verleiden zijn visie op immigratie en islam in ons systeem te absorberen. Dat zal uiteindelijk tot een situatie leiden ‘waarin sommige burgers veel minder rechten zullen krijgen dan anderen’.

In het beste geval erkennen we schoorvoetend dat er geen enkele reden is om de PVV te vergelijken met het vooroorlogse fascisme of nationaalsocialisme en dat er nog wel wat te leren valt van de successen die Wilders boekt: hij heeft de politieke urgentie van de kwestie van de immigratie ‘beter tot zich laten doordringen dan andere partijen’.

Zelf ben ik van mening dat we het populisme veel serieuzer moeten nemen. In de eerste plaats omdat het is ontstaan als gevolg van fouten en tekortkomingen in de politiek van andere partijen in het recente verleden. Het populisme heeft de neiging deze fouten onbeperkt en genadeloos te exploiteren, en excelleert niet direct in pogingen om anderen ervan te overtuigen dat het vooral in oplossingen geïnteresseerd is, maar toch: het breekt binnen dankzij een bres die die anderen zelf hebben laten ontstaan.

In de tweede plaats omdat populisten erkenning verdienen, gulhartige erkenning, voor hun bereidheid een thema te agenderen waarvoor zij aanvankelijk allerminst de kiezersgunst verwierven. Dat thema betreft een reële kwestie, en verdient daarom een legitieme plaats binnen ons politieke bestel. Samenwerking met Geert Wilders moet niet gericht zijn op de uiteindelijke uitschakeling van de PVV maar op integratie van de problematiek en de inhoudelijke bijsturing van het populisme (wat in 2005-2006al tevergeefs is geprobeerd). Het populisme beter begrijpen dan het zichzelf begrijpt, dat is de uitdaging van het populisme aan ons.

Wat is – zo luidt dus de vraag – dat thema dat het populisme heeft willen agenderen en waarvoor het erkenning verdient? Wat is ten diepste de achtergrond van de opkomst en het succes van het populisme?

Ronald Havenaar betoogt dat de bron van het populisme bestaat uit ‘een brede ontevredenheid over culturele thema’s, in het bijzonder de positie van immigranten’. Net als het fascisme in het interbellum – en alleen in dit opzicht daarmee vergelijkbaar – appelleert het populisme aan ‘een breed verlangen van de massa naar idealisme’. Nodig is een ‘eigentijds cultuurideaal dat zonder mitsen of maren immigranten verwelkomt die zich loyaal aanpassen aan Nederlandse wetten en waarden, dat wil zeggen die bereid zijn zich te verheffen tot leden van de nationaal-culturele gemeenschap die wordt bepaald door het Nederlanderschap in al zijn facetten, inclusief godsdienstvrijheid’.

Deze woorden van Havenaar zijn een late weerklank van de politiek filosoof Jacques de Kadt (1897 – 1988), die van 1948 tot 1963 voor de PvdA in de Tweede Kamer zat maar in 1970 zijn lidmaatschap van de partij opzegde uit afkeer van het nieuwlinkse ‘puberiaat’. Zijn twee belangrijkste werken zijn Het fascisme en de nieuwe vrijheid (1939) en De politiek der gematigden (1972). Hij liet zien dat het fascisme een volksbeweging was die zich verzette tegen ‘de wereld van de nooit ernstig genomen idealen en tegen de wereld van de massa; tegen de wereld der klerken en tegen de wereld der maagvergoders’. Fascisme zouden we kunnen omschrijven, in lijn met De Kadt, als de idealistische reactie op een liberale samenleving waarin alleen materiële welvaart geldt. Een samenleving heeft behoefte aan een ‘hoger ideaal’, aan ‘een perspectief dat over materiële doelstellingen heen reikt’. Alleen is dat idealisme in het fascisme ‘tot een haatgrens verwrongen en verstard’, vervormd tot een ‘paniekconservatisme’ dat grenst aan het contrarevolutionaire denken. ‘Alleen een cultuursocialisme dat deze motieven overnam en er een beschaafde inhoud aan gaf, zou naar de overtuiging van De Kadt het fascisme kunnen weerstaan’, schreef Havenaar in zijn boek over De Kadt, en hij volgt deze aanbeveling in zijn eigen weerwoord op het populisme van de PVV.
Een analyse die in sommige opzichten aan die van Jacques de Kadt doet denken, maar nog iets dieper gaat en, naar mijn mening, ook een betere uitweg biedt dan het ‘cultuursocialisme’ dat De Kadt en Havenaar voorstellen, is in februari 1941 gegeven door Leo Strauss (1899 – 1973). Strauss was een Duitse Jood die nazi-Duitsland ontvluchtte en via Parijs en Cambridge naar de Verenigde Staten wist te ontkomen. Hij vond daar onderdak bij de New School for Social Research in New York, waar hij een lezing gaf over het Duitse nihilisme. Later werd Strauss hoogleraar politieke filosofie aan de universiteit van Chicago.

In zijn lezing over het Duitse nihilisme, volgens de Parijse filosoof Pierre Manent de meest diepzinnige analyse van de geestelijke context van het nazisme, betoogt Strauss dat de jongere generatie in Duitsland in de jaren dertig behept was met een nihilistische geest die een uitlaatklep vond in het fascisme van Hitler. Dat nihilisme keerde zich tegen de moderne samenleving voor zover die opgaat in het streven naar niet meer dan het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen. Zo’n samenleving ontkent basale feiten van de menselijke natuur. Het vooruitzicht van een gepacificeerde planeet, een planetaire gemeenschap die zich alleen maar toelegt op de productie en consumptie van geestelijke en materiële handelswaar, was voor vele jonge Duitsers afschrikwekkend. Zij haatten het vooruitzicht van een wereld waarin iedereen gelukkig en tevreden zou zijn en zijn kleine pleziertjes zou hebben. Deze komst van de laatste mens (Nietzsche) was voor hen de grootste vernedering van de mensheid. Het betekende een wereld ‘waarin een groot hart niet kon slaan en een grote ziel niet kon ademen, een wereld zonder echte, onmetaforische offers, dat wil zeggen: een wereld zonder bloed, zweet en tranen’. Dat was de wereld waartegen jonge Duitsers in de jaren dertig ‘nee’ zeiden. Zij wisten echter niet wat zij wel wilden. Waar hun ‘ja’ zich op richtte, dat wisten zij eigenlijk niet. En daarom kwamen zij uit bij een vernietigingsdrang, bij een verheerlijking van militaire deugden, en dus bij de gewelddadige ideologie van het fascisme.

Wat had kunnen voorkomen dat het nihilisme van deze jonge Duitsers in het fascisme van Hitler uitmondde? Waar het deze jongeren in de eerste plaats aan ontbrak, volgens Strauss, waren leraren - leraren die een zelfde twijfel aan de principes van de moderne samenleving hadden gekend, maar die twijfel door diep en onafhankelijk nadenken hadden overwonnen en hun daarom in duidelijke taal de positieve en niet alleen destructieve betekenis van hun aspiraties konden uitleggen. Zij hadden deze jongeren een ‘rustige en gepaste trots’ op de Westerse beschaving kunnen bijbrengen, en daarmee weerstand tegen het nihilisme. ‘Conservatisme’ in de betekenis van een terugkeer zonder meer naar een specifieke traditie, bood volgens Strauss geen oplossing, hoe groot de verleiding ook is om het onindrukwekkende heden in te ruilen voor een indrukwekkend verleden. Beschaving zoekt wat goed is in de erfenis die de mens toevalt. Dat goede vond Strauss onder andere in de Engelse, zeer on-Duitse deugd van de prudentie en gematigdheid die in moderne idealen een redelijke aanpassing ziet aan veranderde omstandigheden van ‘het oude en eeuwige ideaal van fatsoen, van de rechtsstaat en van die vrijheid die geen ongebondenheid is’. Dit denken is niet radicaal, maar was een zegen voor het leven. Zij die het naar voren brachten waren volgens Strauss uitmuntend geverseerd in het tegengif van de klassieke traditie.

Het klassieke denken als tegengif tegen een modern ideaal waarin het materiële, handelswaar en vrijheid in de zin van ongebondenheid het één en het al is, dit culturele ideaal zoals Strauss dat formuleerde, herinnert aan klassieke opvattingen over de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om een samenleving op orde te houden. In de moderne opvatting gaat het altijd om de sociaal-economische en politieke voorwaarden waaronder een democratie goed functioneert; in het klassieke denken gaat het ook, en vooral, om culturele voorwaarden. Wanneer die voorwaarden ontbreken is er geen sprake van een democratie maar van een ochlocratie, regeert niet het volk maar de massa, leven wij niet in een democratische orde maar in een staat van anarchie waarin de massa, vroeg of laat, om een Grote Leider gaat roepen om de chaos te beteugelen en de orde te herstellen. (Het is niet overbodig erop te wijzen dat mensen die de posities van de traditionele elite innemen, moreel en intellectueel natuurlijk tot de soort van de massamens kunnen behoren en vaak ook behoren.)

In de geschriften van Griekse denkers en schrijvers als Thucydides, Plato, Aristoteles, Isocrates en Polybius komen we beschouwingen tegen over de overgang van democratie (regering door het volk) naar iets anders, dat soms anarchie heet, soms (bij Polybius) ochlocratie, d.w.z: de regering door de massa (ochlos), of soms zelfs cheirocratie, de heerschappij van de vuist. In die overgangsfase verandert de sociale en morele zowel als de institutionele huishouding van een samenleving zodanig dat een gezond politiek systeem (democratie) plaats maakt voor een gevaarlijke fase van chaos en anarchie waarin de tirannieke verleiding levensgroot op de loer ligt.

Wanneer we de verschijnselen die deze overgang kenmerken – zoals beschreven door genoemde auteurs – op een rijtje zetten, dan komen we tot de volgende opsomming:
• In een democratie worden bepaalde tradities in ere gehouden, in een ochlocratie niet meer. ‘Alleen daar waar het als traditie geldt de goden te vrezen, de ouders te eren, oudere mensen te respecteren en de wetten te gehoorzamen, wanneer onder zúlke voorwaarden de wil van de meerderheid beslist, mag men van democratie spreken’, schrijft Polybius.
• In een democratie is een geheel ander vrijheidsbegrip in zwang dan in een ochlocratie. In een gezonde democratie wordt vrijheid gedefinieerd als het recht om te doen wat men behoort te doen. In een ochlocratie is vrijheid niet meer dan de eis om te kunnen doen en te kunnen zeggen wat men wil doen of zeggen omdat men dat leuk en lekker vindt en daarom ook goed. Vanuit het perspectief van een gezonde democratie is het vrijheidsbegrip in een ochlocratie ontaard in vrijblijvendheid en vrijpostigheid, wetteloosheid, ongebondenheid, onverantwoordelijkheid.
• In een overgangsfase van democratie naar ochlocratie slaat het gelijkheidsdenken door. Vaders gaan op voet van gelijkheid met hun kinderen om. Leraren zijn bang voor hun leerlingen en praten hen naar de mond. Oudere mensen gaan zich aan de jongeren aanpassen door zo geestig en aardig mogelijk over te komen. Om toch maar niet onsympathiek en autoritair te lijken doen ze de jongeren na.
• In een ochlocratie verandert het taalgebruik: deugden worden ondeugden, ondeugden deugden. Wat onder gewone omstandigheden normaal is, krijgt in een ochlocratie een nieuwe, depreciërende benaming. Wat normaal ‘overmoedig’ heet, heet in een ochlocratie ‘dapper’; wat normaal ‘prudent’ is, wordt ineens ‘laf’. De schaamte wordt een ‘stommeling die moet worden verbannen’. Wie onbeschaamd is, heet moedig. Wie zichzelf beheerst, is een lafaard. Geen maat kunnen houden, is het echte leven. Anarchie wordt vrijheid zonder meer.
• In de chaos die ontstaat door deze herwaardering van alle waarden, staan politici op die zich als sterke man presenteren en die met voorbijzien aan bestaande wetten de orde zullen herstellen. Wat voor soort man is dat? Zo’n man is de verongelijkte, want voorheen buitengeslotene, en klassieke vrijheden en gelijke rechten zijn voor hem niet zo belangrijk meer als dat zij in de voorafgaande periode van de democratie waren. Bij Polybius heet hij ambitieus en onverschrokken, iemand die uitgesloten is geweest van eervolle functies in de politiek en die het volk misleidt en door het volk wordt gebruikt om een alleenheerschappij te vestigen.
• Want uiteindelijk is ochlocratie oftewel anarchie niet meer dan een tussenfase in de eeuwige cyclus van regeringsvormen, in dit geval tussen de regeringsvorm van de democratie en de alleenheerschappij die (op haar beurt) weer in despotie en tirannie ontaardt.

We hebben weinig fantasie of verbeelding nodig om te kunnen zien dat dit in Nederland precies is gebeurd. Onze democratie is een ochlocratie geworden, en daarmee is de weerstand tegen de verleiding van het populisme verdwenen: of men is voor het populisme bezweken of men had het er geen antwoord op (anders dan het ‘antwoord’ van de morele verontwaardiging of een neerbuigendheid uit verlegenheid). Het echte antwoord is dus gelegen in een klassiek ideaal om het culturele fundament onder de samenleving in stand te houden.

Frits Bolkestein was de laatste Nederlandse politicus die dat ideaal expressis verbis heeft uitgedragen, en daar ook bij zei dat het liberalisme dat ideaal niet kon onderhouden. Dat Bolkestein het daar als liberaal voor het laatst over heeft gehad, bevreemdt omdat dit ideaal ten grondslag ligt aan het ontstaan van de christendemocratische politiek. Het uitgangspunt in het denken van de grondlegger van de antirevolutionaire en christelijk-historische richting in Nederland, Groen van Prinsterer (1801-1876), bestond in het gevaar van ochlocratie, populisme en tirannie: ‘het exces van democratie, de consequente toepassing van het beginsel der volkssoevereiniteit leidt eerst tot anarchie, later tot autocratie of dictatuur’.

De sleutel tot dit antwoord van een hoger gestemd populisme ligt in de handen van de christendemocratie, al schijnt zij zelf niet of maar hoogst zelden te beseffen dat zij die sleutel in handen heeft. Maar vanuit haar traditie kan zij het idealisme weer terugbrengen in de politiek, als cultuurideaal dat een bezielend verband schept door democratie en vrijheid moreel te begrenzen en de natie met bescheiden en gepaste trots te zien als een gemeenschap met een eigen historische identiteit.

27.7.11

Wilders, de PVV, de apocalyps en Breivik



Na de aanslagen in Oslo is er een discussie op gang gekomen over de mogelijke relatie tussen het gedachtegoed van de dader, Anders Breivik, en de ideeën en voorstellingen die de afgelopen jaren zijn verbreid door partijen en bewegingen die zich tegen immigratie, de islam en socialistisch links hebben gekeerd, waaronder de PVV van Geert Wilders.
In 2002, na de dood van Pim Fortuyn, is er pittig gediscussieerd over de vraag of het toenmalige politieke klimaat (inclusief de 'demonisering' van Fortuyn) een sfeer had doen ontstaan waarin de moord op Fortuyn had kunnen plaatsvinden. Geert Wilders zelf heeft in november 2009 betoogd dat uitlatingen van politici als Eberhard van der Laan (PvdA) en Alexander Pechtold (D66), 'politieke handlangers' van Mohammed Bouyeri, een 'klimaat van haat en geweld tegen mij en de PVV' deden ontstaan, dat tot gewelddadigheden kon leiden. De vraag of de ideeënwereld van politici, in dit geval van Wilders/de PVV, een bijdrage heeft geleverd aan de kortsluiting in de hersens van Breivik mag dus worden gesteld.

Naar mijn mening kan het zo zijn dat het apocalyptische visioen dat Wilders stelselmatig heeft geschilderd, en de gedachte dat het probleem met de moslimimmigranten zo groot was dat een politieke oplossing niet meer tot de mogelijkheden behoorde, de gedachte doet ontstaan dat een oplossing met on-politieke middelen moet worden gerealiseerd - in ieder geval in het hoofd van een Noorse romanticus die denkt dat hij als kruisridder de rest van Europa met een grootse heldendaad moet waarschuwen. Het gedachtegoed van de PVV is dus indirect, intellectueel medeverantwoordelijk voor mogelijke ontsporingen, zoals bij Breivik.
Gisteren heb ik mijn column voor Binnenlands Bestuur aan deze kwestie gewijd en daarna mocht ik deze analyse links en rechts op radio en tv komen verkondigen. Hier is het gesprek dat het NOS Journaal met mij opnam, hier mijn bijdrage aan Nieuwsuur.

En zo kan-ie wel weer. Nu gewoon weer aan het werk.

12.3.11

Wilders en Majesteit

Het Filosofisch Elftal van Trouw (over De koningin en de populist) borduurt vandaag voort op mijn column voor Binnenlands Bestuur van deze week over de opmerkelijk vrijmoedige kritiek van Geert Wilders op Majesteit. Waarom distantieert Wilders zich zo scherp van uitspraken van koningin Beatrix en andere leden van het koninklijk huis, en hoe komt het dat hij zich die houding kan permitteren (anders dan Pim Fortuyn tien jaar geleden)?
De tekst van de column staat ook hieronder.




Premier Rutte moest zich van de week in de Tweede Kamer verantwoorden over het besluit om Majesteit toch te laten aanzitten aan een privédiner in Oman, en daarmee over zijn relatie tot het koningshuis. Maar politiek veel interessanter en spannender is de relatie tot de koningin van PVV-leider Geert Wilders. Die zoekt openlijk de confrontatie met de koningin in een strijd om de volksgunst.


Het heeft Majesteit dan toch behaagd te dineren met Qaboos bin Said al-Said, de sultan van Oman. Dat leek niet voor de hand te liggen, die aanzit, omdat Oman, net als vele andere landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, het toneel van onrust en opstand is, en een bezoek aan Oman gemakkelijk als steun aan het bewind van de sultan kan worden uitgelegd. Inderdaad was de komst van koningin Beatrix voorpaginanieuws in de Engelstalige kranten van Oman. ‘Queen Beatrix in Muscat today’, meldde de Muscat Daily over de volle breedte van de voorpagina in een toepasselijke oranje steunkleur.

De Kamer riep premier Rutte op het matje omdat hij de koningin toestemming heeft gegeven voor het privédiner. Een meerderheid van de Kamer had vorige week immers duidelijk gemaakt dat het verstandig zou zijn wanneer het staatsbezoek aan Oman – dat aanvankelijk de bedoeling was – voorlopig niet doorging. Twee dagen later meldde het kabinet per brief aan de Kamer dat de koningin toch op korte termijn naar Oman ging, niet voor een staatsbezoek maar voor een privé-etentje. Om daarover alsnog iets te kunnen zeggen, wilde de Kamer dat Rutte zich beschikbaar stelde voor een debatje.

Zo’n debatje gaat natuurlijk over meer dan alleen dat bezoek en de rol van handelsbelangen die bij de besluitvorming een rol heeft gespeeld. Het gaat ook over de relatie van deze nieuwe en jonge premier tot het koningshuis. Dat is interessant genoeg. Maar eigenlijk nog veel interessanter, en in ieder geval spannender, is de relatie tot het koningshuis van PVV-leider Geert Wilders.





Toen het besluit dat Majesteit alsnog naar Oman zou afreizen, bekend was geworden, twitterde Wilders: ‘Honderden mensen demonstreerden vandaag [zondag – bjs] in Oman tegen regime van abjecte Sultan. Dat de Koningin met die dictator gaat dineren is erg dom!’

Zo’n reactie is op z’n minst vrijmoedig te noemen. En het was deze keer niet voor het eerst dat Wilders zijn kritiek op het koningshuis zonder enig voorbehoud spuide. Haar Kersttoespraken, vol met oproepen tot tolerantie en respect en andere zaken die niet bovenaan in de Wilderiaanse deugdencatalogus staan, hebben al eerder zijn toorn opgeroepen. Een oproep tot vrede en tot het tegengaan van grofheid in woord en daad hekelt hij steevast als een persoonlijke aanval op zijn politiek en retoriek. Hij is de ‘multiculti-onzin’ van het staatshoofd ‘spuugzat’.

Dat Wilders aan die afkeer uiting geeft, is opmerkelijk, zeker voor een 'populist', die weet waar de liefdes en loyaliteiten van het volk liggen, en dus ook weet dat hij met zijn handen van het koningshuis moet afblijven. Pim Fortuyn presenteerde zich bij zijn entree in de Nederlandse politiek als een rasechte republikein, die Majesteit hooguit een ceremoniële rol in ons bestel wilde toekennen. Op tournee in Limburg merkte hij echter dat dat standpunt hem niet zou gaan helpen, en zei hij haastig dat hij deze mening wel zou opgeven als het volk dat wilde. Dat wilde het volk (toen nog) en Fortuyn deed het.

Wilders neemt inmiddels hetzelfde standpunt in: de koningin mag niet langer onderdeel van de regering zijn en moet zich beperken tot een ceremoniële rol. ‘Als een haas’ moet zij de regering verlaten, en 20 procent van haar begroting moet zij inleveren. Hoe kan dat, deze verandering?

Het is Wilders gelukt de koningin en haar gevolg neer te zetten als een integraal onderdeel van de elite, zo niet van de linkse kerk. Bij Juliana had dat niet gekund, want zij presenteerde zich als de koningin van het gewone volk, die je met mevrouw mocht aanspreken. Wilhelmina was afstandelijker, maar gaf er blijk van dat zij zich diep verbonden voelde met het volk. Beatrix heeft zich aangediend als een majesteit die haar jubileum soms ook zonder het volk en alleen met de leden van haar eigen kaste wilde vieren. Zij is pro-Europees. Zij is voor de multiculturele samenleving, en liet Máxima zeggen dat dé Nederlander eigenlijk niet bestaat. Door haar vorig jaar zomer tijdens de kabinetsformatie aanvankelijk te passeren en samen met Rutte en Verhagen de formatiebesprekingen voort te zetten, suggereerde Wilders dat een rechts kabinet er alleen haars ondanks kon komen.

Wilders zoekt dus bewust de confrontatie met de koningin en de monarchie. Daaruit blijkt dat hij zich sterk genoeg voelt om de strijd om de volksgunst met haar aan te durven. Met het genaken van het jaar 2013, als Nederland twee eeuwen onafhankelijk is en de koningin wel eens zou kunnen overwegen af te treden, is dat gegeven spannender en belangrijker dan het debatje van vandaag in de Tweede Kamer.

29.7.10

Rechts gegrinnik

Mijn column op de website van Binnenlands Bestuur van deze week gaat over de formatie van een rechtse coalitie:


Op het moment dat ik dit schrijf weet de vaderlandse pers nog altijd niet waar Mark Rutte, Geert Wilders en Maxime Verhagen met elkaar zitten te praten, alhoewel Frits Wester van RTL zijn 50.000 volgelingen op Twitter gevraagd heeft of ze misschien iets hebben gezien. Maar al weten we niet waar, we weten wel dat ze met elkaar zitten te praten, dat wil zeggen: ‘informele gesprekken’ voeren, want onderhandelingen mogen de gesprekken van de achterban van het CDA nog niet heten.



Maar stel nu eens dat er deze week iets gebeurt. Dat er iets klikt tussen Mark, Geert en Maxime, en dat ze hun gesprekken gaan voortzetten in onderhandelingen? En dat dat tot een rechtse coalitie leidt, met de PVV in de regering dan wel in de rol van gedoogsteunverlener? Een meerderheid van 63 procent van de Nederlandse bevolking zou dat een goed idee vinden, zo’n coalitie van CDA en VVD die met steun van de PVV kan gaan regeren. Maar er zullen, denk ik, zeker twee personen in Nederland zijn die de haren uit hun hoofd zullen trekken: koningin Beatrix en Ruud Lubbers, de twee personen die uitgerekend hebben bevorderd dat de drie rechtse partijen deze gesprekken gaan voeren.

De koningin en Lubbers zijn er de afgelopen jaren immers niet in geslaagd hun afkeer van de PVV en vooral van de PVV-stemmer te verbergen. De koningin deed dat in haar kersttoespraak, waarin zij haar zorgen uitsprak over een klimaat van intolerantie waarbij een groep mensen als geheel over één kam werd geschoren. De koningin voelt zich veel beter thuis in een wereld waarin de Europese integratie wordt toegejuicht (ze schreef een voorwoord in een boekje met ten paleize voorgedragen lezingen waarin dit ideaal wordt uitgedragen), waarin het belang van Ontwikkelingssamenwerking wordt benadrukt (wijlen haar echtgenoot was de bij haar inwonende belichaming van dit ideaal) en waarin de zegeningen van het multiculturalisme met kosmopolitische grandeur worden uitgevent (prinses Máxima mocht bijvoorbeeld vertellen dat ze tot de conclusie was gekomen dat de Nederlander helemaal niet bestaat).

Ruud Lubbers is in dit alles eensgeestes met de vrouw met wie hij begin jaren tachtig de eerste schreden op het pad van het openbaar bestuur zette. Lubbers is een vooraanstaand lid van het progressieve netwerk van de World Connectors, zet zich in voor een gastvrij onthaal van asielzoekers in Nederland en heeft zich expliciet uitgesproken tegen de PVV. Hij deed dat bijvoorbeeld vorig jaar in een uitzending van Buitenhof, en dit voorjaar nog speelde hij een belangrijke rol achter de schermen van de verkiezingscampagne van het CDA, waarbij hij zijn partij wilde dwingen de PVV uit te sluiten (en omdat het CDA bang was dat Lubbers dat standpunt ook publiekelijk zou gaan uiten, zijn ze maar gaan zeggen, vreemd en onverwacht, dat ze graag een ‘hervormingskabinet’ met GroenLinks en D66 wilden). In 2007 publiceerde Lubbers het boekje De vrees voorbij, waarin hij zich net zo tegen de PVV’er uitsprak als de Majesteit dat in haar kersttoespraak zou doen.

Mijn linkse vrienden vertellen mij dezer dagen dat de gesprekken van deze week, wat hun betreft, hopelijk vooral een truc zijn, een truc waarmee de oude Haagse politiek zich met redenen omkleed van de PVV kan ontdoen, zonder dat Wilders nog zijn armen ten hemel kan heffen en kan uitroepen dat hij wordt buitengesloten door een cordon sanitair van de anderen.

Ik denk dat mijn linkse vrienden wel eens gelijk kunnen hebben, en dat het voorstel van Lubbers aan Rutte, Wilders en Verhagen inderdaad bedoeld is als een geënsceneerde truc. De opzichtige nadruk waarmee Lubbers vorige week zei dat hij en de koningin het zo belangrijk vonden dat alle politieke leiders in dezelfde mate aan het woord zouden komen want ze zijn ons alle even lief, is meestal een camouflage van het tegendeel.

Als ik dan tegen mijn linkse vrienden zeg dat je met zo’n truc de problematiek van het onbehagen en de politieke vertaling daarvan niet oplost, maken zij sussende gebaren. Daarover hoeven we ons helemaal niet druk te maken, die PVV als partij van proleten implodeert immers vanzelf, als we maar even geduld hebben.
Dat is nu precies de reden, denk ik, waarom rechts succes ook tot veel gegrinnik en tot leedvermaak zal leiden – al weet ik ook dat dat niet de meest edele emoties zijn.

8.7.10

Politici aan hun jasje trekken

In de HP/De Tijd van deze week staat de recensie die ik heb geschreven van het boek van Elsevier-journalist Eric Vrijsen over de wereld van de Haagse politiek en media.


De periode waarin een nieuwe regering wordt geformeerd, zoals we die nu meemaken, is een aantrekkelijk Byzantijns intermezzo in het Nederlandse politieke proces. We schorten de democratie als het ware even op. De Majesteit speelt ineens een nadrukkelijke rol. Van kamers die altijd open staan, gaan de deuren nu dicht. Achter zware gordijnen wordt omzichtig gefluisterd. De directe en stoere taal van de verkiezingscampagnes maakt plaats voor wolken van woordenkraam waar alleen de echte ingewijden conclusies aan weten te verbinden. Politici voeren een ingewikkelde baltsdans op, waarin zij even gemakkelijk van partner als van muziek wisselen. En straks staat er toch ineens een club mensen met de koningin op het bordes van paleis Noordeinde. Dan hebben we toch weer een regering. Voor zolang het duurt. En dan begint het spel gewoon weer opnieuw.




Het is hard werken voor de beroepsgroep dankzij welke we iets weten van wat zich daar in de zomermaanden allemaal afspeelt in de verborgenheid van het Haagse Binnenhof. Met hun bloknoot in de hand posteren de politieke journalisten zich elke dag weer bij de ingang van de Eerste Kamer. Om een ‘quootje te scoren’, de verwachtingen vooraf en de ervaringen achteraf uit de mond van de (in)formateur en de betrokken hoofdrolspelers op te tekenen, en daaruit conclusies te trekken over welk kabinet van welke samenstelling we wel eens zouden kunnen krijgen.

Journalisten van radio en tv gaan voor de snelle quote en de mooie beelden van bekende politici die tussen de dagjestoeristen door naar hun formatieafspraak wandelen. Die quotes staan de volgende dag ook in de dagkranten, en in de betere kranten staan als het even kan meer afstandelijke en intelligente analyses van de gebeurtenissen. De afstand tot de gekte van de dag is bij de weekbladen natuurlijk nog groter. Die leveren op maandag of op dinsdag hun kopij bij de drukker in en moeten dus aan het begin van de week een idee hebben van wat de lezer het volgende weekend wil lezen. De betere weekbladjournalist slaagt er in deze situatie in om de actualiteit een plaats te geven in de trends van de langere termijn en het nieuws zo van een verhelderende duiding te voorzien voor zijn lezers.

Eric Vrijsen (1957) is zo’n journalist. Hij beoefent het ambacht al bijna dertig jaar, de laatste twintig jaar als politiek verslaggever bij Elsevier. Hij begon zijn loopbaan in 1981 bij het Eindhovens Dagblad en mocht als leerling-redacteur direct verslag doen van de pogingen van CDA, PvdA en D66 om een kabinet Van Agt-Den Uyl-Terlouw te smeden. Ook Vrijsen ging bij de ingang van de Eerste Kamer staan om ‘bruikbare quotes’ te verzamelen. Hij wist een plekje te bemachtigen in het groepje journalisten dat zich verdrong rondom Joop den Uyl toen die het pand verliet. Maar toen kwam ook Ruud Lubbers naar buiten en bestormden de journalisten hem. Een van hen trok Lubbers zelfs aan zijn jasje om hem te dwingen stil te blijven staan en zijn vragen te beantwoorden. ‘Wilt u niet aan mijn jasje trekken!’, riep Lubbers enigszins geïrriteerd uit. Vrijsen stond erbij, zag het aan en verwonderde zich.

Vrijsen is zich altijd blijven verwonderen over dat wonderlijke Haagse huwelijk tussen politiek en pers. Hij spreekt over hun ‘onderlinge verhouding die van wezenlijke betekenis voor het systeem is, terwijl er naar buiten toe weinig ruchtbaarheid aan wordt gegeven. Den Haag staat bol van de stilzwijgende afspraken tussen politici en de pers. Tussen beide categorieën bestaan allerlei vanzelfsprekendheden’.

Die blijvende verwondering heeft tot de blijvende distantie geleid die Vrijsen in staat heeft gesteld om niet alleen de relatie tussen pers en politiek helder te analyseren, maar ook de politieke ontwikkelingen in Den Haag helder te blijven bekijken door een bril die niet was beslagen door bewondering of irritatie. Daarom is Vrijsen ook in staat voorbij de hektiek van de dag te kijken: dit voorjaar nog werd Rutte afgeschreven, heette de terugval van Balkenende slechts tijdelijk en zou de strijd om de grootste tussen Pechtold en Wilders gaan.

In het boek dat Vrijsen na twintig jaar Elsevier heeft samengesteld staan dertien essays over dertig jaar Haagse politiek, van die eerste zomer in 1981tot de opkomst van Balkenende, Verdonk en Wilders. Wie de Haagse politiek wil begrijpen, maar vooral: wie wil doorgronden wat zich nu precies voltrekt in dat gewoel bij de ingang van de Eerste Kamer, doet er goed aan deze zomer het boek van Vrijsen te lezen.

N.a.v.: Eric Vrijsen, Wilt u niet aan mijn jasje trekken! (uitgeverij Balans), € 17,95

15.6.10

Eerst over rechts

Op de website van Binnenlands Bestuur staat mijn nieuwe column, over de grote mond van klein-links en de kansen op een rechtse coalitie:

Oké, ze hebben ook wat zeteltjes gewonnen. D66 maakte het gigantische verlies uit 2006 een beetje goed en staat nu op 10 zetels, net als GroenLinks, dat van 7 zetels komt. Misschien is het ze een beetje in de bol geslagen. Alexander Pechtold (D66) leek immers op een grootse overwinning af te stevenen, totdat hij zich niet meer tegen Wilders kon afzetten omdat het debat tussen Cohen en Rutte liep. En toen bleek ineens dat D66 nog altijd voor niets staat. En Femke Halsema (GL) werd nog voor de verkiezingscampagne goed en wel begonnen was, al uitgeroepen tot de eerste première van Nederland. En nu staan ze buitenspel maar waarschuwen ze toch met een grote mond tegen een coalitie met de PVV. Pechtold en Halsema, twee politici die zich graag presenteren als de hoeders van de democratie en de rechtsstaat: waar bemoeien ze zich eigenlijk mee nu de VVD de grootste is geworden en de PVV de grootste winnaar van de verkiezingen is? Waarom zeggen ze niet gewoon dat een deel van de kiezers eigenlijk helemaal niet tot de Nederlandse bevolking behoort en daarom eigenlijk niet hadden mogen stemmen? En waarom geloven ze (dixit Hans Jansen) wel in de integratie van moslims in de Nederlandse samenleving maar moeten PVV’ers bij voorbaat worden uitgesloten?

Het is niet meer dan normaal en een plicht van fatsoen om deze week eerst eens goed te studeren op de mogelijkheid van een coalitie over rechts. Dat heeft VVD-informateur Uri Rosenthal geadviseerd gekregen en dat gaat hij vanaf vandaag ook doen. Natuurlijk zijn er grote hobbels te nemen. De PVV van Geert Wilders heeft standpunten die voor alle andere partijen moeilijk te verteren zijn, nieuwe geboden en verboden (bijvoorbeeld op de Koran), registratie op etnische afkomst etc. etc. Maar Wilders heeft zich onverwacht getransformeerd van een uiterst rechtlijnig in een uiterst wendbaar politicus, die een breekpunt (de verhoging van de AOW-leeftijd) weer net zo gemakkelijk inleverde – met het argument overigens dat hij dat zou doen om erger, een regering met de PvdA, te voorkomen. En het zou best eens kunnen dat zijn achterban dat heel goed begrijpt.

Niet zozeer Geert Wilders is het probleem (hij wil uiteindelijk een gewoon leven, erbij horen en meedoen) maar zijn mede-PVV’ers. Hero Brinkman wil de partij tegen de wens van Wilders in democratiseren en aan een eigen jeugdbeweging helpen. Wilders zelf is daar nogal bunzig van, omdat hij daarmee de greep op de zijnen zal verliezen. En is het nu werkelijk zo dat zijn nieuwe Kamerleden ons met een erg ministeriabele blik hebben aangekeken?
De VVD zal ongetwijfeld bang zijn de vingers aan de PVV te branden. Wie zich tot nog toe met de PVV heeft ingelaten, Agnes Jongerius van de FNV bijvoorbeeld, is daar besmeurd en bezoedeld uitgekomen.

Net zo groot als het probleem-PVV is voor Rutte het probleem-CDA. Het CDA heeft een ongekend pak slaag van de kiezer gekregen, is zijn politiek leider kwijtgeraakt, en is als Kamerfractie gehalveerd. De animo om weer te gaan regeren is daar natuurlijk niet groot, en de behoefte aan bescheidenheid des te groter. Als het CDA er toch weer in stapt, zal die beslissing voortvloeien uit een ongekend verantwoordelijkheidsgevoel. Zeker als we ons realiseren dat het CDA vooral rechtse kiezers in het katholieke zuiden is kwijtgeraakt en die niet gemakkelijk zal terugwinnen als kleine, meest linkse partner in een rechtse coalitie. Anderzijds dreigt een ander (links) deel van de achterban met een breuk met het CDA als de partij zich met de PVV inlaat. De optie om oppositie te gaan voeren tegen een paars kabinet en daarmee politiek profiel te herwinnen is natuurlijk veel aantrekkelijker.
Vandaar waarschijnlijk dat Maxime Verhagen de boot voorlopig afhoudt, in de eerste onderhandelingsronde niet wil meedoen en eerst eens afwacht of VVD en PVV er met elkaar uit kunnen komen.

Hoe moeilijk het ook is, en nog zal blijken te zijn, de kiezer heeft gesproken, rechts heeft fors gewonnen en het is nu een democratische plicht om de optie over rechts met VVD, PVV en CDA als eerste te onderzoeken. Daarom zegt Rutte vooralsnog dat zo’n coalitie niet onmogelijk is en zegt Wilders dat die coalitie ‘iets fantastisch’ kan worden – ook al mogen ze dat van de klein-linkse Pechtold en Halsema eigenlijk helemaal niet zeggen.

22.3.10

Ayaan, Wilders en Cohen

Na bijna vier jaar afwezigheid was Ayaan Hirsi Ali een weekje terug in Nederland. En dat hebben we geweten. Ze kwam haar nieuwe boek promoten, het tweede deel van haar autobiografie, en dat trok allerwege media-aandacht. Ze trad op, ontving tot haar verrassing een aanmoedigingsprijs van de SGP-jongeren, zag haar boek in alle kranten gerecenseerd en zocht zelf het debat met een ingezonden stuk in NRC Handelsblad. In dat stuk ontvouwde zij haar visie op Geert Wilders en zijn PVV.

Wilders en Ayaan waren ooit fractiegenoten bij de VVD. Samen schreven zij destijds een essay waarin zij de ‘liberale jihad’ aankondigden. Qua radicaliteit leken zij niet voor elkaar onder te doen.
Wilders verliet de VVD en Ayaan verliet ons land. En terwijl het denken van Wilders zich de afgelopen vier jaar radicaliseerde, is Ayaan nieuwsgierig gebleven en is haar denken niet stil blijven staan. Zo is ze tot de overtuiging gekomen - en deze opvatting heeft de afgelopen week nogal wat aandacht getrokken (hier en hier) – dat humanisten en de christelijke kerken een ‘strategische alliantie’ moeten sluiten om de groei van de islam te beteugelen.


(Ayaan afgelopen zaterdag in Utrecht op de dag van de SGP Jongeren, die haar de 'Oranje Boven' Prijs toekenden)


In haar uitspraken over Wilders benadrukt Ayaan dat de PVV ‘gewoon goed voor Nederland is’. Via deze partij kunnen veel mensen hun woede over de systematisch verkeerde aanpak door de traditionele partijen van immigratie, integratie en islam kanaliseren, in plaats van te rebelleren en te kiezen voor geweld. Ayaan waarschuwt terecht tegen de neiging Wilders te demoniseren als racist en fascist, maar net zo terecht stelt zij vast dat zijn voorstellen ‘in praktische zin onuitvoerbaar’ en ‘wettelijk niet haalbaar’ zijn. De traditionele partijen zouden de problematiek die Wilders signaleert en exploiteert, nu eindelijk eens serieus moeten nemen en in een Grote Overeenkomst de ‘misdadigheid en rotzooi’ van de multiculturele samenleving moeten aanpakken. Als ze dat niet doen, helpen ze zelf Wilders aan de macht.

Ayaan herhaalt in feite het pleidooi dat Frits Bolkestein begin jaren negentig al deed aan zijn collega-fractievoorzitters toen zij in Alma Mata in een bushokje zaten te wachten. Bolkestein zei dat de problemen van nationale omvang waren en dat alle partijen de handen ineens moesten slaan. Maar niemand deelde Bolkesteins gevoel van urgentie. Bolkestein kwam alleen te staan, en toen ook zijn eigen partij hem alleen liet staan was het befaamde ‘gat op rechts’ een feit.

Dat gat gaat pas verdwijnen als er een goede en fatsoenlijke rechts-conservatieve partij komt (wat vooralsnog niet waarschijnlijk is) of wanneer de bestaande partijen over hun eigen schaduw heen zouden springen en met zo'n Grote Overeenkomst zouden komen aanzetten. Dan zouden zij om te beginnen moeten erkennen dat het ‘populisme’ niet de oorzaak maar het gevolg van de segregatie is, dat die segregatie het gevolg is van decennia falend beleid en dat het daarom een eerste taak voor de verantwoordelijke partijen is om nu eindelijk eens de feiten onder ogen te zien.
Ik deel op dit punt dus de analyse van Ayaan. Er is een probleem gecreëerd, veel mensen verwachten een oplossing van een politicus die geen oplossing heeft en daarin ten diepste ook niet geïnteresseerd is, en de rest van Nederland verwacht nu alle heil van Job Cohen, die vindt dat vooral de ontvangende autochtone samenleving zich moet aanpassen en die dus alleen maar aan een vergroting van de problemen zal bijdragen. Als de komende verkiezingen tussen Cohen en Wilders gaan, dan gaan zij tussen twee mannen die op het meest aangelegen punt onbruikbaar zijn.

1.3.10

'Mijn coalitie'

Op de website van HP/De Tijd een interviewtje met mij over de coalitie die mij in de gegeven omstandigheden het meest wenselijk voorkomt. Lees hier.

18.1.10

Wilders-proces: de geest uit de fles

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over het proces tegen Geert Wilders dat morgen begint.

Met een regiezitting opent de rechtbank in Amsterdam woensdag het proces tegen Geert Wilders. Het verhaal van Wilders polariseert en verscheurt de samenleving, en levert daarmee dus alles behalve een verheffende bijdrage aan het debat in Nederland, maar bestrijding van dat PVV-verhaal is een politieke opdracht en geen juridische. Het proces tegen Wilders is onterecht, contraproductief en ontzettend dom. Het is misschien nu al bestuurlijk en juridisch de grootste blunder van het jaar.

Het Openbaar Ministerie begreep dit anderhalf jaar geleden nog, en seponeerde de aangebrachte zaak tegen Wilders omdat zijn ‘kwetsende’ uitlatingen in een politieke context waren (en worden) gedaan. Het Amsterdamse Gerechtshof stelde echter op grond van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht vast dat vervolging van Wilders wel degelijk geboden is omdat zijn uitlatingen discriminerend van aard zouden zijn, een hele groep zouden beledigen en ‘haatzaaiend’ zouden zijn. (De Leidse jurist Hans Nieuwenhuis heeft overigens opgemerkt dat ‘haat zaaien’ geen juridische categorie is; de wet spreekt van ‘aanzetten tot haat’, wat iets anders is.)

Ik vind het proces tegen Wilders een onzalige gedachte omdat de verontwaardiging waaruit het voortkomt zo selectief is. Op de wijze waarop Wilders nu moslims onder vuur neemt, zijn christenen hier in Nederland decennia zo niet eeuwen lang onder vuur genomen. Als we vinden dat moslims meer bescherming nodig hebben dan andere religieuze groepen, waarom staat dat dan niet in een wet? Waarom bepalen de lange tenen van de beledigde wat we in Nederland onder beledigend verstaan? Of is hier eenvoudig weg sprake van angst, een angst die we voor andere geloven niet hoeven te hebben omdat die niet zo assertief en potentieel gewelddadig zijn?

Het selectieve zit ‘m ook hierin dat Wilders’ vergelijkingen van de islam met fascisme en van de Koran met Hitlers Mein Kampf op snerende verontwaardiging stuiten, terwijl het iedereen in Nederland vrij staat om Wilders en (vooral) zijn PVV-aanhang uit te maken voor fascist, rechts-extremist, racist en NSB’er.

Het proces toont bovenal de armoede van de Nederlandse politiek aan. Wilders voert een oorlog met de islam. Hij gelooft niet dat er een vorm van islam bestaat die inpasbaar is in de moderne, democratische samenleving die Nederland is. Wat dan rest is wegpesten. En dan wordt de zogenaamde ‘joods-christelijke traditie’ er met de haren bijgesleept als excuus voor dat wegpesten.

Dat verhaal verdient bestrijding, maar dan wel door politici en intellectuelen met een alternatief verhaal. (Een hoopvol begin maken CDA-politici Schinkelshoek en Sterk vandaag in het Nederlands Dagblad.) De juridisering van een politiek conflict, al dan niet onder politieke aansturing (wat Wilders’ advocaat Bram Moskowicz zaterdag in de Telegraaf suggereerde), staat gelijk aan het uitwijken naar de middelen van de inquisitie. Wilders is het voorwerp van een ostracisme, een schervengericht, waar de falende politiek alle belang bij heeft.

Kom, politici, met een alternatief inhoudelijk verhaal, in plaats van met hautaine terechtwijzingen en beschuldigingen!

Het proces tegen Wilders is bovenal loeistom. Wilders zal er in alle gevallen electoraal garen bij spinnen. Hij kan tot twee jaar cel en een boete van 18.500 euro worden veroordeeld. Als dat gebeurt zal hij als een martelaar van het vrije woord met een zeteltje of vijf in de peilingen stijgen. Als hij wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, zal hij het gerechtsgebouw verlaten en de uitspraak doen die de voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke zal moeten omzetten. Als hij wordt vrijgesproken, loopt hij als een held naar buiten, en ook dat door de kiezer worden beloond.

Wilders en zijn advocaat hebben bovendien aangekondigd dat zij een serie getuigen zullen oproepen, van radicale imams tot deskundigen en ex-moslims, om het gelijk van Wilders’ oordeel over de islam te bewijzen. Dat worden nog gezellige verhoren. De geest komt onwelriekend uit de fles, en het zal zo goed als onmogelijk blijken die geest weer in de fles terug te krijgen. En het hof zal die getuigenverhoren moeten toestaan om in ieder geval de schijn van een politiek proces te vermijden.

Als Wilders veroordeeld wordt, zal hij, maak ik me sterk, variëren op een uitspraak van Pim Fortuyn. Die zei dat ze hem dood konden schieten, maar dat het probleem dat hij aankaartte zou blijven bestaan. Wilders zal zeggen dat ze hem kunnen veroordelen en op die manier monddood zullen proberen te maken, maar dat het onbehagen voort blijft smeulen. En dan heeft hij nog gelijk ook.

Bij Radio 1 over proces tegen Wilders

Vanmorgen ben ik te gast bij het Radio 1-programma Dit is de dag. We gaan het tussen half elf en half twaalf o.a. hebben over het onzalige proces tegen Geert Wilders, dat a.s. woensdag met een regiezitting begint.

2.11.09

Is Geert Wilders een gevaarlijke rechts-extremist?

Als je geen inhoudelijk verhaal hebt moet je je toevlucht nemen tot beschuldigingen en verdachtmakingen. Dat is precies wat politiek en bestuurlijk Nederland doet met een rapport over de PVV, dat zegt dat Wilders een gevaar is voor de staatsveiligheid. Koren op de molen van minister Van der Laan en D66-leider Alexander Pechtold. Vanmiddag sprak ik daarover in het radio 1-programma Standpunt.nl. U kunt dat programma hier beluisteren.

19.10.09

Dirk en Geert

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over het faillisement van Dirk Scheringa's DSB Bank en de vermoedelijke politiek-electorale gevolgen daarvan:

De ochtendkranten melden dat Wouter Bos (minister van Financiën, PvdA) geweigerd heeft om Dirk Scheringa en zijn DSB Bank de helpende hand te reiken. Nadat het Amerikaanse Lone Star Funds dit weekeinde definitief afzag van een overname van de bank, smeekte Dirk om 100 miljoen euro belastinggeld om een doorstart van zijn bank mogelijk te maken. Bos weigerde dat geld te verstrekken. Eerder hield hij andere banken met tientallen miljarden overeind. Deze 100 miljoen konden er niet meer vanaf. Hulp zou ‘zinloos’ zijn, zo heeft Bos’ ministerie laten weten.

Ik kan niet goed beoordelen of dat waar is. Ik vraag me wel af wat de politieke (electorale) gevolgen van dit alles zullen zijn.

Het beeld van het afgelopen weekeinde is toch dat een gewone jongen uit het volk, een buitenstaander die het nochtans heeft gemaakt, dag en nacht gezwoegd heeft om zijn bedrijf overeind te houden en voor zijn klanten te redden wat er te redden viel. Het kan niet anders of dat heeft overal veel respect afgedwongen. Hoe groot is dan het respect voor een minister die in de finale fase, al dan niet terecht, de hulp geweigerd heeft die Dirk had kunnen redden?

We hebben in Nederland nog zo’n volksjongen die het als buitenstaander toch heeft gemaakt, en die dit weekeinde ook hard heeft gewerkt. Geert Wilders liep afgelopen zaterdag met zijn gevolg in de Rotterdamse binnenstad te folderen tegen het ‘asociale kabinetsbesluit’ om de AOW-leeftijd naar 67 jaar te verhogen.

Wilders breekt in bij de PvdA. Alle mensen in de oude wijken van de grote en middelgrote steden die op hem stemmen, stemden vroeger op de PvdA. De vrouw die hem zaterdag omhelsde, zoende en in plat Rotterdams zei: ‘Schat, ik hou van je’, ziet in Wilders de man die haar problemen begrijpt. De problemen met immigratie en integratie, de overname van oude wijken door allochtonen, de vervreemding en het onbehagen die hiervan het gevolg waren, heeft de PvdA laten lopen.

In sociaal-economisch opzicht wordt Wilders roder en roder. Hij wil de voorzieningen van de welvaartsstaat handhaven. Hij is (inmiddels) voor handhaving van het minimumloon, voor handhaving van het ontslagrecht, en voor het niet verlagen van uitkeringen. De immigratie heeft bovendien tot een groter beroep op de uitkeringen geleid, en daarmee tot een verslechtering in hoogte en duur van die uitkeringen. Ook om die reden lopen PvdA’ers nu naar Wilders over. In de peilingen is de PVV inmiddels twee keer zo groot als de PvdA.

Het politieke genie achter Wilders, zijn fractiegenoot en tekstschrijver Martin Bosma, zei zaterdag dat hij blij was dat Bos heeft gezegd dat hij het AOW-besluit strijdvaardig gaat verdedigen. ‘Zo graaft de PvdA haar eigen graf. Ik wens Bos veel succes’.

Ook met het weigeren van steun aan DSB is Bos misschien wel zijn eigen politieke grafdelver geworden. De mensen die van de val van Dirk de financiële consequenties gaan voelen, op wie gaan die stemmen? Ik denk op de PVV. Ik denk niet dat deze partij iets voor deze financieel gedupeerden kan doen, maar ik denk dat de meesten van hen dat in hun woede wel denken.

9.9.09

Een beetje vreemd

Zo. We weten nu dat het kabinet sinds zijn aantreden twee jaar geleden voor ruim een half miljoen euro heeft gedeclareerd, van gehuurde jacquets tot stoelmassages en opfriscursussen Frans. Maar hoe hoog de rekening is geweest van de kosten verbonden aan de immigratie van niet-westerse allochtonen mogen we niet weten.

Volgens een onderzoek van het weekblad Elsevier – gebaseerd op bronnen waarnaar premier Balkenende zelf in juni nog verwees - heeft die immigratie de Nederlandse schatkist ruim 200 miljard euro gekost. PvdA-minister Eberhard van der Laan verklaarde eind vorige week dat de weigering van het kabinet om de vragen van PVV-kamerlid Sietse Fritsma hierover te beantwoorden een ‘politieke keuze’ is. Van der Laan had eerder overigens wel beloofd dat het kabinet alle vragen netjes zou beantwoorden. Dat was in een tijd, vlak voor het zomerreces, waarin hij zelf ook nog vond dat de immigratie van laagopgeleide mensen de ‘spankracht’ van Nederland te boven ging.

Maar dat is niet de enige reden waarom de weigering van het kabinet een beetje vreemd is. Balkenende verklaarde vijf jaar geleden dat de bijdrage van immigranten aan de Nederlandse samenleving ‘groot’ is en dat die bijdrage wordt ‘gewaardeerd’. Minister Donner zei een paar weken geleden nog in de Tweede Kamer: ‘Ik ben inderdaad van mening dat Nederland steeds heeft welgevaren bij immigratie, onverminderd de problemen die er zijn’.

Als je als kabinet overtuigd bent van de zegeningen van de immigratie, dan moet je niet voor je verantwoordelijkheid wegduiken wanneer de Kamer wil weten hoe het eigenlijk precies zit.

En waarom is die weigering een ‘politieke keuze’? Het kabinet is niet geïnteresseerd in wat een individu kost, ‘een Fries, iemand met blauwe ogen of een gehandicapte’, zei Van der Laan. ‘Wij kijken’, voegde hij daaraan toe, ‘naar de effecten van beleid, maar leggen onze inwoners niet langs de lat van wat ze in euro’s betekenen.’

Dit is een domme en onhandige manier om te zeggen dat je een kwalijk geurtje opsnuift rond die vragen van Wilders en Fritsma. Ik snuif dat geurtje ook op. Sinds Wilders voor de Deense televisie begon over de deportatie van miljoenen, zo niet tientallen miljoenen moslims die wel eens aan de mogelijkheid van een sharia zouden kunnen gaan denken, ben ik bang dat mijn voorspelling uit januari 2007 – dat Wilders laboreert aan een paniekerige vorm van conservatisme die gemakkelijk in fascisme kan overgaan – nu al is uitgekomen. Ook de vragen van Wilders en Fritsma over de immigratiekosten hebben slechts de kwalijke bedoeling om de al aanwezige afkeer en weerzin bij een groot deel van de Nederlandse bevolking van dit kabinet en allochtonen in het algemeen alleen maar te doen toenemen. De PVV exploiteert ressentiment.

Maar als minister heb je daar niets mee te maken. Dan heb je alleen met die vragen op zich te maken en ben je een vent en geef je antwoord. Ieder Kamerlid, ieder lid van de oppositie heeft daar te allen tijde recht op.

Die mannelijke houding zou dit kabinet vooral sieren omdat de immigratie van (niet-westerse) allochtonen altijd met economische argumenten is verkocht. Dus altijd langs de lat van de euro’s is gelegd. Juist dezer dagen verscheen de Nederlandse vertaling van het boek van de befaamde Amerikaanse journalist Christopher Caldwell over Europa, immigratie en de islam (De Europese revolutie: hoe de islam ons voorgoed veranderde, uitgeverij Ambo). Hij betoogt dat de immigratie belangrijke sociale en culturele gevolgen heeft gehad – resulterend in de verwatering van traditionele waarden - en dat de economische voordelen slechts kort en marginaal zijn geweest. ‘De vraag naar de economische kosten van immigratie is volledig legitiem. De rechtvaardiging voor massa-immigratie is altijd in economische termen gegeven: gastarbeiders waren nodig voor de Europese industrie. Je kunt niet argumenteren dat immigratie nodig was en is op economische gronden, en dan niet kijken naar de economische effecten’.

Ook kiezers begrijpen dat. Geef dus de feiten en duik niet weg maar voer een debat over die feiten. Zolang je dat niet doet, wint de PVV altijd, of je de cijfers nu geeft of niet. Sinds de weigering van het kabinet om de boeken te openen en inzage over de kosten te verschaffen staat de PVV echt wel weer boven de dertig zetels in de peilingen.

19.8.09

Politiek, media en Wilders

Als iedereen deze week en de komende weken weer aan het werk of naar school gaat, en iets meer rechtop loopt, iets soepeler vanuit de heupen, de kin iets meer omhoog, dan komt dat omdat tal van rampen die ons plechtig waren beloofd, op het laatste moment niet door blijken te gaan.

Ik heb de afgelopen weken een aantal emails ontvangen waarin mij werd gevraagd nu alvast wat stukken aan te leveren voor het najaar. Dan zou immers een derde tot de helft van de personeelsleden thuis ziek in bed liggen met de Mexicaanse griep, en bij zo’n onderbezetting zou het goed zijn alvast wat stukken op de plank te hebben. Maar nu blijkt die Mexicaanse griep helemaal niet de beloofde pandemie te brengen en een gewoon griepje te zijn.

Het zou sowieso erg rustig zijn geworden in de Nederlandse kantoren en fabrieken. Niet alleen zou een groot percentage van werknemers en scholieren onder de wol van het ziekbed verdwijnen, een ander derde deel zou achter de geraniums terecht komen. De internationale financiële crisis zou de werkloosheid tot ongekende hoogten opdrijven. Maar ook dat gaat niet meer door. In Frankrijk en Duitsland groeit de economie al weer, en in ons eigen land is de vrije val van de economie tot staan gekomen (overigens op een zeer negatief groeicijfer). Dus met die crisis schijnen we het ergste ook al weer achter de rug te hebben.

Een derde ramp die Nederland in de ogen van velen bedreigde was het fenomeen Geert Wilders en zijn PVV. Zijn eclatante successen bij de Europese verkiezingen zou hij bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar wel eens kunnen herhalen. In 92 gemeenten was hij als de grootste uit de bus gekomen. Maar zie, Wilders heeft aangekondigd dat hij alleen in Den Haag en Almere mee zal doen en dat hij zich verder op de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Tweede kamer in maart en mei 2011 zal concentreren. Want hij wil de landelijke macht. Een lokale greep naar de macht is vooralsnog afgewend.

In de reacties op Wilders’ besluit streden sarcasme en opluchting om de voorrang. Volgens meisje Halsema laat Wilders zijn kiezers in de kou staan, volgens Pechtold liet hij weer eens zien dat zijn PVV geen democratische partij is. Marco Pastors in Rotterdam had uiteraard een goede dag en zei dat ook.

Het besluit van Wilders is wellicht niet fraai. Een politieke partij zou idealiter immers overal en altijd haar kiezers moeten kunnen vertegenwoordigen. Dat Wilders - na al die jaren - nog steeds geen geschikte kandidaten kan vinden en om die reden in de meeste gemeenten van deelname afziet, verbaast ook enigszins. In de eerste plaats omdat de politiek het domein van het opportunisme is, en de roverhoofdman die veel buit te verdelen heeft altijd veel volgelingen zal trekken. Bovendien had Wilders, zo konden we hier en daar lezen, zijn aanhang aanmerkelijk verbreed. Ook de hoger opgeleiden zouden hem inmiddels steunen in zijn strijd voor de vrijheid van meningsuiting. Maar dat betekent blijkbaar nog niet dat ze ook openlijk de PVV willen steunen. Het afbraakrisico en de gevraagde offers, qua reputatie en sociaal-economisch, zijn blijkbaar nog steeds te groot. En dan blijven de bozen en de verongelijkten over en daar ga je de oorlog niet mee winnen.

Wilders is terecht bevreesd voor een fatale combinatie van slechte vertegenwoordigers en media die iedere tegel zullen omdraaien om zijn partij te ontmaskeren. In het voorjaar van 2002, toen Kok-II was gevallen en Fortuyn in opkomst, gaf Wim Kok zijn laatste wekelijkse persconferentie. Na afloop daarvan waren er speeches en cadeautjes van het journaille voor de vertrekkende premier. Bij de naborrel stonden wat journalisten bij elkaar om de landelijke situatie te bespreken. Hun conclusie luidde dat ‘het volk’ nu nog wat ‘onrustig’ was, en daarom was enige terughoudendheid vooralsnog gepast, maar na het zomerreces … dan zouden ‘we’ ‘ze’ gaan maken. Wij journalisten zouden, met andere woorden, de jacht op de LPF openen.

De LPF heeft het de journalistiek erg gemakkelijk gemaakt. In oktober 2002, 87 dagen na zijn aantreden, viel het eerste kabinet-Balkenende. Er is in Nederland sprake van een merkwaardige verbroedering van journalistiek en politiek rond de vleespotten van de macht. En dat weet Wilders natuurlijk ook.

7.7.09

Waterpistooltjes

Geruisloos heeft het CDA in de week voor het begin van het zomerreces afscheid genomen van zijn woordvoerster voor immigratie- en integratiezaken in de Tweede Kamer. Madeleine van Toorenburg is vervangen door Mirjam Sterk.

Van Toorenburg debuteerde in een geruchtmakend debat: het debat in september 2007 waarin Geert Wilders onze toenmalige minister van Wijken en nog zo wat, mevrouw Ella Vogelaar, uitlegde waarom zij wat hem betreft ‘knettergek’ geworden was. In haar maidenspeech liet Van Toorenburg zien, met ongeëvenaarde helderheid, waarom de zwakte van het CDA in het islamdebat bijna net zo verontrustend is als de zwakte van de PvdA.

Op de zondag na het debat zei minister Hirsch Ballin in het programma Buitenhof dat de media alleen over de toon en de stijl van het debat hadden bericht en dat zij zo weinig hadden gezegd over de inhoud ervan. Zelf had hij zo aardig gesproken, herinnerde hij zich, maar hij had vooral genoten van de ‘uitstekende en realistische bijdrage’ van mevrouw Van Toorenburg.

Waarin had die ten onrechte onopgemerkt gebleven bijdrage bestaan van het Kamerlid dat tot dan locatiemanager van de jeugdinrichting De Leij was geweest?

Het was geen betoog geweest dat uitblonk in helderheid. Ze wierp onder andere de vraag op wie nu toch onze vijand is. Die vraag werd niet beantwoord. Wel kregen we het een en ander te horen over niet bij name genoemde ‘religieuze groeperingen’ die veel goed maatschappelijk werk doen, over onze ‘kernwaarden’ die er ook toe doen ‘als het erop aankomt’. En ze had het erover dat ‘we’ in reactie op uitwassen zelf ‘de totale sfeer niet moeten verpesten’. Want dan ‘krijgen we het schip nooit door de branding’. En als we alle moslimjongeren in de hoek drijven, dan gaan ‘kwaadwillenden’ juist in die hoek ‘een lekker warm bad plaatsen: een jacuzzi’.

We hebben sindsdien niets meer van mevrouw Toorenburg gehoord. Haar leuterpraatjes hebben ervoor gezorgd dat haar politieke scheepje nu in de branding van de partijpolitieke profileringsdrang is gezonken. Mirjam Sterk mag het nu gaan proberen. De zin over dat schip en die branding en die waarschuwing over die jacuzzi hebben Wilders en zijn PVV niet tegengehouden. Mirjam Sterk heeft theologie gestudeerd en je hoort haar wel eens op de radio, en misschien dat zij iets beters weet te verzinnen. Maar ik weet niet zeker of ze bij de PVV al zenuwachtig zijn geworden.

Bij de PVV is het zelfvertrouwen sowieso groter dan ooit. Wilders was immers de grote winnaar bij de Europese verkiezingen, en zijn electoraat blijft zich maar verbreden. Ook bijna 10 procent van de ambtenaren stemt nu op Wilders, zoals een enquête van re.Public onlangs duidelijk maakte.

Zijn winst bij de Europese verkiezingen heeft de andere politici nu dan toch echt wakker geschud. Het CDA vervangt de woordvoerster integratiezaken, en de ene na de andere minister opent de aanval op Wilders. Na Van der Laan (de opvolger van Vogelaar), Donner (Sociale Zaken) en Van Middelkoop (Defensie) was het vorige week de beurt aan mevrouw Ter Horst, onze minister van Binnenlandse Zaken. Zij hoopt op een ‘opstand van de intellectuele elite’. De elite moet het slecht geïnformeerde volk gaan uitleggen dat het helemaal geen reden heeft om als groot verwend kind altijd maar zo te klagen.

Wilders is niet onder de indruk, zo blijkt uit een interview met de Volkskrant (4 juli 2009). ‘Ik moet op zijn tijd een kogelwerend vest dragen, maar voor de waterpistooltjes van al die ministers heb ik dat in elk geval niet nodig. Het is puur paniek. Tot 4 juni kon men zeggen: het zijn maar peilingen. Tot die avond kwam. Toen was het echt’.

En waarom zou hij ook onder de indruk komen, zolang de ministers van dit kabinet zich uitsluitend identificeren met ‘weldenkende en wellevende mensen’ die het volk gaan uitleggen dat Wilders onzin verkoopt.

De voorpagina van Trouw was vorige week hilarisch. Een foto van barbecueënde politici, met het bericht dat ze van mening zijn dat ze het antwoord op Wilders hebben gevonden. Ze geven hem lik op stuk!
Daags daarna bleek dat Wilders nu in twee nationale peilingen op kop staat: niet alleen in de peiling van Maurice de Hond maar ook in die van Synovate, met ruim dertig zetels.

9.6.09

Over de PVV, Gerard Reve en de Europese Unie

Vanmorgen zat ik samen met Theodor Holman en een vervelende linkse dominee uit Rotterdam (Piet de Jong) in het radio1-programma Dit is de dag. Holman had het over zijn boek over Gerard Reve, de dominee en ik hadden het over de vraag waarom de PVV van Geert Wilders vorige week zo succesvol was bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. De uitzending is hier te beluisteren.

26.5.09

Vox Pop

In het Trippenhuis, aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam, belegt de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen vandaag een congres over het 'populisme'. Ik zal daar een korte lezing geven en daarin iedereen uitnodigen om het populisme niet als een excuus of schaamlap voor het eigen falen te gebruiken, maar het te zien als een kritische vraag aan onszelf.
In de Trouw van afgelopen zaterdag - bijlage Letter&Geest - hebben Amanda Kluveld en ik een lang artikel over dit onderwerp gepubliceerd. Hieronder volgt de tekst van dat artikel:



Populisme is in toenemende mate onderwerp van beschouwing. Voormalig CDA-ideoloog Anton Zijderveld wijdde er het essay 'Populisme als politiek drijfzand' aan en zegde vervolgens zijn partijlidmaatschap op omdat het CDA de populistische PVV niet bij voorbaat wilde uitsluiten van een regeringscoalitie. De Amsterdamse Balie belegde vorige maand de bijeenkomst 'Verlicht populisme', waar minister van wonen, werken en integratie Eberhard van der Laan en ex-LPF-Kamerlid Joost Eerdmans met elkaar in debat gingen over het boek 'Diploma Democracy' van Mark Bovens en Anchrit Wille. En deze maand bogen in Leiden historici zich over de kwestie tijdens het congres 'Populisme in de polder'.

Wat opviel in Leiden, vooral in de beschouwingen over het hedendaagse niet-linkse populisme, was dat het verschijnsel overwegend negatief werd geduid en zelfs geridiculiseerd. Kort gezegd komt het erop neer dat de politieke, culturele en intellectuele elite van Nederland - dat wil zeggen, de mensen die zich in het publieke en politieke debat mengen, zichzelf tot de weldenkenden rekenen en doorgaans bij conferenties over populisme aanwezig zijn - van mening is dat we hier te maken hebben met een moeilijk te definiëren, maar voor iedereen toch min of meer gemakkelijk als 'fout' te herkennen politieke stijl, en met een volgens sommigen zelfs gevaarlijke ideologie.

Een van ons werd tijdens het congres in Leiden door iemand uit het publiek gekenschetst als "een populist naar inhoud maar niet naar stijl". Deze diskwalificatie - de opmerking was niet als compliment bedoeld - is typerend voor de wijze waarop de elite zich afmaakt van de problemen op het gebied van integratie, islamisering en het gebrek aan politieke daadkracht die (echte of vermeende) populisten constateren en willen agenderen. Het zijn in haar ogen kwesties die populisten zélf uit het niets hebben gecreëerd om het volk aan zich te binden. Vooral in de voordracht van historicus Koen Vossen was bitter weinig ruimte voor de erkenning dat het hier mogelijk om reëel bestaande problemen gaat. Met andere woorden: Wilders zuigt die 'tsunami' van islamisering uit zijn kwaadwillige duim. En Fortuyn, Verdonk en EénNL constateerden ten onrechte dat er in ons land sprake is van een multicultureel weg-met-ons-denken, zodat de nationalistische trots die zij daar tegenover willen stellen belachelijk en verwerpelijk is.

Als de populist rancuneus is, zoals in Leiden meerdere malen werd geconstateerd, dan is de elite beslist zelfgenoegzaam. Zo zelfgenoegzaam dat zij zelfs niet in staat is de grote problemen waarmee onze samenleving kampt onder ogen te zien. Zij zal dus voor die problemen geen werkelijke verantwoordelijkheid willen nemen of er een zinnige visie op ontwikkelen. Daarvoor is zij te druk met, zoals Zijderveld in zijn essay deed, het moreel diskwalificeren van het populisme, waarvan doorgaans gezegd wordt dat het geen oplossingen biedt en alleen maar inspeelt op onderbuikgevoelens. Op deze manier komt er geen inhoudelijk antwoord op de uitdagingen van het populisme en de correcties waartoe het de gevestigde politiek dwingt.

Onze stelling luidt dat de houding van de zelfgenoegzame elite en het negeren van nijpende problemen dat met die zelfgenoegzame houding samenhangt, een groot gevaar vormen voor onze democratie. Zeker bezien in het licht van de opkomst van de islam, het multicultureel-links politieke complex en het daaruit voortkomende jammerlijk falende Nederlandse integratiebeleid.

Wij leven in een democratie met als hoogste politieke orgaan een parlement, de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, waar door het volk gekozen politici onze zaken behartigen, de regering controleren en bij meerderheid van stemmen over ja en nee, goed en fout beslissen. Wij kiezen en kunnen worden gekozen, onze stem is beslissend. Wij, het volk, regeren. Tegelijkertijd zijn er volgens sommigen aanwijzingen dat onze democratische rechtsstaat tekenen van verval vertoont. In 'Tegen de decadentie' (2004) wees de Leidse hoogleraar Paul Cliteur bijvoorbeeld op de bedreiging van de vrijheid van meningsuiting, op misverstanden over de 'rechterlijke onafhankelijkheid' en op de preoccupatie met rechten waardoor politici stelselmatig veel te hoge verwachtingen wekken bij de bevolking.
Verontrustender is misschien nog wel de kritiek van de vroegere adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, H. J. Schoo (1945-2007), die van mening was dat Nederland sinds de ontzuiling niet langer over een stabiel politiek systeem beschikt. De politieke elite heeft geen binding meer met een herkenbare achterban, is vervreemd geraakt van de levens en opvattingen van de kiezers en denkt tegelijk voor het eigen bestwil van die kiezers te handelen. Die kinderlijke behandeling was 'de broedstoof' voor 'de revolte der burgers' die in 2002 uitbrak.

De constateringen van Cliteur en Schoo zijn belangrijk, maar tegelijkertijd kunnen we ons afvragen of deze verschijnselen (het verval van de democratische rechtsstaat) de oorzaak van de huidige politieke malheur zijn, of dat het symptomen zijn van dieperliggende (culturele) verschijnselen.

In de klassieke interpretatie van 'democratie' moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan voordat er van democratie sprake kan zijn. Wanneer die voorwaarden ontbreken, is er geen sprake van een democratie maar van een ochlocratie, regeert niet het volk maar de massa, leven wij niet in een democratische orde maar in een staat van anarchie waarin de massa, vroeg of laat, om een Grote Leider gaat roepen om de chaos te beteugelen en de orde te herstellen.

Wanneer wij het over de 'klassieke interpretatie' hebben, dan bedoelen we dat zo letterlijk mogelijk. In de geschriften van Griekse denkers en schrijvers als Thucydides, Plato, Aristoteles, Isocrates en Polybius komen we beschouwingen tegen over de overgang van democratie (regering door het volk) naar iets dat soms anarchie heet, soms ochlocratie (de regering door de massa), en soms zelfs cheirocratie, de heerschappij van de vuist, oftewel het vuistrecht. In die overgangsfase verandert de sociale, morele en institutionele huishouding van een samenleving zodanig dat een gezond politiek systeem (democratie) plaatsmaakt voor een gevaarlijke fase van chaos en anarchie waarin de tirannieke verleiding levensgroot op de loer ligt.

Wanneer we de verschijnselen die deze overgang kenmerken op een rijtje zetten, dan komen we tot de volgende opsomming. In een democratie worden bepaalde tradities in ere gehouden, in een ochlocratie niet meer. "Alleen daar waar het als traditie geldt de goden te vrezen, de ouders te eren, oudere mensen te respecteren en de wetten te gehoorzamen, wanneer onder z˙lke voorwaarden de wil van de meerderheid beslist, mag men van democratie spreken", schrijft Polybius. In een democratie is een geheel ander vrijheidsbegrip in zwang dan in een ochlocratie.

In een gezonde democratie wordt vrijheid gedefinieerd als het recht om te doen wat je behoort te doen. In een ochlocratie is vrijheid niet meer dan de eis om te kunnen doen en te kunnen zeggen wat je wilt doen of zeggen omdat je dat leuk en lekker vindt en daarom ook goed. Vanuit het perspectief van een gezonde democratie is het vrijheidsbegrip in een ochlocratie ontaard in vrijblijvendheid en vrijpostigheid, wetteloosheid, ongebondenheid, onverantwoordelijkheid. In een ochlocratie verandert het taalgebruik: deugden worden ondeugden, ondeugden deugden. Wat normaal is, krijgt in een ochlocratie een nieuwe, depreciërende benaming. Wat gewoonlijk 'overmoedig' heet, heet in een ochlocratie 'dapper'; wat normaal 'prudent' is, wordt ineens 'laf'. De schaamte wordt een "stommeling die moet worden verbannen". Wie onbeschaamd is, heet moedig. Wie zichzelf beheerst, is een lafaard. Geen maat kunnen houden, is het echte leven. Anarchie wordt vrijheid zonder meer.

In de chaos die ontstaat door deze herwaardering van alle waarden, staan politici op die zich als sterke man presenteren en die met voorbijzien aan bestaande wetten de orde zullen herstellen. Wat voor soort man is dat? Zo'n man is de verongelijkte, want voorheen buitengeslotene. Klassieke vrijheden en gelijke rechten zijn voor hem niet zo belangrijk meer als zij in de voorafgaande periode van de democratie waren. Bij Polybius heet hij ambitieus en onverschrokken, iemand die uitgesloten is geweest van eervolle functies in de politiek en die het volk misleidt en door het volk wordt gebruikt om een alleenheerschappij te vestigen. Want uiteindelijk is ochlocratie dan wel anarchie niet meer dan een tussenfase in de eeuwige cyclus van regeringsvormen, in dit geval tussen de regeringsvorm van de democratie en de alleenheerschappij die (op haar beurt) weer in despotie en tirannie ontaardt.

Het staat natuurlijk iedereen vrij zich hardop af te vragen waarom wij ons iets gelegen zouden moeten laten liggen aan de opvattingen van politiek filosofen die al zo'n 2500 jaar dood zijn. Maar wie de afgelopen jaren de Nederlandse politiek heeft gevolgd en daarna kennis neemt van deze klassieke theorie, moet haast wel geraakt worden door de frappante overeenkomsten.

Op de morele en sociale anarchie die het gevolg is van de verkruimeling van ons culturele fundament - door sommigen verdedigd als de grote verworvenheden van 1968 - hebben de grote constituerende partijen van de Nederlandse politiek (CDA, PvdA, VVD) geen antwoord. Dat is om meerdere redenen logisch.

In de eerste plaats omdat een ochlocratie de regering van de massamens is, en de massamens is de gemiddelde mens. Ook de leden van onze elite behoren tot die categorie en vormen daarom in feite geen elite.

In de tweede plaats valt de periode van morele en sociale anarchie in Nederland uitgerekend samen met een periode van immigratie en van de integratie van (vooral islamitische) nieuwkomers. Dat is een grote culturele kwestie waarvoor de leiders van de traditionele politieke partijen niet zijn opgeleid. Die kunnen heel goed met elkaar om de tafel zitten om hier een procentje te plussen en daar wat te minnen ten einde de inkomensplaatjes rond te krijgen. Maar zij zijn niet de virtuozen die een visie op cultuur en identiteit verwoorden. Bovendien zijn hun partijen ontstaan op grond van een fundamentele overeenstemming over heel andere zaken; een interne discussie over immigratie en integratie zal alleen maar tot verdeeldheid leiden. Dat was bij de VVD en de PvdA en recentelijk ook bij het CDA al te zien. Om scheuringen te voorkomen, wordt er gezwegen, en zo lopen de spanningen op.

Een derde reden is dat leden van de gevestigde politieke partijen zich aangetrokken voelen tot de door orthodoxe islamieten uitgedragen boodschap der onbegrepenen en verdrukten, die inspeelt op koloniaal schuldgevoel en het trauma van de Bezetting.
Het falen, kortom, van de politieke elite heeft een reactie opgeroepen - de grofgebekte, verbeten en machteloze reactie van het populisme. En in plaats dat de elite daarvan leert en er een antwoord op formuleert, wuift ze die reactie en daarmee het eigen falen hautain weg. Het camoufleert het eigen falen met moreel correcte praatjes.

Als het hierbij bleef, zou dat al erg genoeg zijn, maar er is meer aan de hand. In toenemende mate kiezen politieke partijen ervoor om zoveel mogelijk verantwoordelijkheden af te schuiven en culturele verworvenheden in te leveren. Het college van Rotterdam koos ervoor om de Zwitsers-Egyptische islamprediker Tariq Ramadan, kleinzoon van Hassan Al-Banna, stichter van de Moslimbroederschap in Egypte, in te huren als adviseur van de gemeente op het gebied van burgerschap, voor het voeren van de sociale stadsdialoog en als bruggenbouwer tussen allochtonen en autochtonen. Voor Ramadan werd ook een gasthoogleraarschap aan de Erasmus Universiteit bekostigd.

Nadat Ramadans (internationaal lang en breed bekende) vijandige uitspraken over homo's en vrouwen door de Gay Krant onder de aandacht waren gebracht en uit een door Leefbaar Rotterdam overhandigd filmpje bleek dat hij in het openbaar had gebeden voor de islamitische martelaren in Palestina, Tsjetsjenië, Afghanistan, Marokko, Algerije, Tunesië, Egypte, Soedan en Kasjmir, voor de overwinning van de Palestijnen op de vijand van het geloof en voor het zegevieren van de islam, reageerden alle coalitiepartijen (GroenLinks, PvdA, CDA en aanvankelijk VVD) alsof er niets aan de hand was. Ze lazen in de uitspraken en teksten van Ramadan vooral respect en dat was voldoende.

Er kwam een onderzoek en daaruit bleek volgens wethouder Rik Grashoff (GroenLinks) dat de uitspraken van Ramadan verkeerd vertaald waren en uit hun context gehaald. Grashoff liegt, constateerde journalist Max Pam in Binnenlands Bestuur toen hij de vertalingen met elkaar vergeleek. En zo is het.

Maar waarom? Omdat de politieke elite van de stadstaat Rotterdam de verantwoordelijkheid voor integratie en burgerschap - belangrijke zaken in iedere gezonde democratie en daarom direct verbonden aan het in stand houden van onze cultuur en vrijheden - het liefst uit handen geeft. Daar wil Rotterdam graag gemeenschapsgeld aan besteden. De Rotterdamse burger betaalde niet alleen meer dan anderhalf miljoen euro voor Ramadan maar ook voor de aparte zitplaatsen voor orthodoxe moslima's in Theater Zuidplein dat door de gemeente wordt gesubsidieerd.
Ook in de stadstaat Utrecht maakte het college een knieval voor islamitische wensen door het subsidiëren van voor mannen en vrouwen gescheiden doorverwijsloketten bij een moskee in Overvecht waar gemeentelijke informatie te verkrijgen is.

In de stadstaat Amsterdam vond vorige week zaterdag in de Apollohal het Nationaal Islam Congres plaats. Daar bogen orthodoxe moslims zich onder het mom van kennisoverdracht en academische studie over de invoering van de sharia in ons land, prezen ze de superioriteit van de islam en leefden ze zich uit in het ridiculiseren van andersgelovigen, Angela Merkel, homoseksuelen, de westerse democratie en de westerse vrijheden. De boodschap was duidelijk: de islam is niet voor niets in het Westen neergestreken, de islam zal hier de macht krijgen.

Dat zou best zo kunnen zijn, gezien de passieve houding van de eerder genoemde gevestigde politiek tegenover de islam.

De Apollohal is eigendom van de gemeente Amsterdam en staat onder het beheer van stadsdeel Oud-Zuid. Amsterdam faciliteert de fundamentalistische islam door dit gebouw aan het Nationaal Islam Congres te verhuren. Bestuurders met een visie op de verdediging van onze cultuur en identiteit zouden dat nooit laten gebeuren.
Maar wie zoiets durft te zeggen is volgens het politieke midden op z'n minst een populist, extreem-rechts of allebei. Het zij zo. Alleen lossen dergelijke diskwalificaties het echte probleem niet op: de middelmatigheid en visieloosheid van het zo keurige politieke midden.

De middelmaat van het centrum en het vigerende populisme kunnen alleen worden bestreden door een nieuwe elite die weer durft te moraliseren en het niet laat bij zelfgenoegzaam diskwalificeren. Want zoveel is wel duidelijk als we de klassieke analyse van ons huidige politieke klimaat serieus nemen: deze crisis is niet met wat politieke maatregelen en met wat geschuif in de diverse begrotingen op te lossen. Het gaat hier om een kwestie die Frits Bolkestein - het type politicus dat we meer dan ooit nodig hebben - begin jaren negentig als een van de eersten heeft benoemd: het belang om het culturele fundament onder de democratische rechtsstaat en de vrije markt te bewaren, het belang van de "deugdzaamheid die het voortbestaan van die vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid moet garanderen". De verwerping van deze agenda door de VVD heeft het befaamde gat op rechts geschapen. We moeten dus weer moraliseren, schreef Bolkestein.

Niet, zo vinden wij, moralizeuren. Wij zien niets in politieke bemoeizucht met de persoonlijke levenssfeer. Maar politici moeten wel grote zaken aankaarten als de bescherming van onze cultuur, het tegengaan van de islamisering en de deugden van de burger. De eerder genoemde H.J. Schoo hield een pleidooi voor een terugkeer naar "authentiek, ongezouten moraliseren", want "bezield, verfijnd moraliseren is een teken van grote beschaving".

Uiteindelijk gaat het in samenleving en politiek om Selbstzwang, om 'in vrijheid ontwikkelde zelfbeheersing', om het willen nemen van verantwoordelijkheid, om het durven herkennen, benoemen en bestrijden van de vijand. Dit is de noodzakelijke basis voor goed burgerschap. Dat alleen kan de verwording van democratie tot ochlocratie voorkomen.

12.5.09

Het gelijk van Jan Marijnissen*

Nu nieuwe verkiezingen, die voor het Europees parlement, aan de einder opdoemen, maakt een zekere zenuwachtigheid zich van veel politici meester. In plaats van Europese thema’s aan te kaarten, hebben ze het over maar één ding: de PVV van Wilders. In sommige peilingen staat de PVV aan kop, en op 4 juni zou wel eens kunnen blijken dat de PVV niet alleen in de peilingen maar ook in het stemhokje de grootste partij is.

De andere partijen zien zich nu genoodzaakt hun positie ten opzichte van Wilders te markeren. En dus hebben zowel de SP als de ChristenUnie en de PvdA duidelijk gemaakt dat regeren met de PVV wat hen betreft ‘ondenkbaar’ is. D66 en GroenLinks zeiden dat al eerder. Wilders zelf zegt ondertussen dat hij best premier wil worden als hij straks de grootste is, dat hij voor het vormen van een coalitie (bij voorkeur met CDA en VVD) best concessies wil doen en dat hij denkt dat hij er alleen met GroenLinks niet uit zal komen.

In de marge van dit partijpolitieke geschaak in de polder, ontspint zich een nieuwe discussie over het Nationaal Historisch Museum. De politieke hoofdrolspeler in dit conflict is minister Plasterk. Deze man is sowieso op oorlogspad. Met een herstel van het onderwijs in Nederland – in het oordeel van velen, zeker na het rapport-Dijsselbloem, een aangelegen zaak – houdt hij zich in het geheel niet bezig. Hij verkeert in de veronderstelling dat het aflopen van recepties en het dienen van de homolobby zijn bijzondere roeping zijn.

In dat verband heeft Plasterk de christelijke scholen in Nederland aangeschreven en hen verteld dat zij wel in hun grondslag mogen opnemen dat zij homoskesualiteit afwijzen, maar ze mogen niet van hun leerkrachten verlangen dat die deze grondslag ondertekenen. De scholen mogen dus geloven wat zij willen, als ze daarna maar doen wat Plasterk wil.

Plasterk baseert zich op een uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling, maar verzwijgt dat de Commissie met die recente uitspraak een draai van 180 graden heeft gemaakt. En met de gevoeligheden van zijn coalitiepartners houdt Plasterk in zijn missiedrang en stringente uitleg van de wet al helemaal geen rekening.

Van iemand die traditionele rechten en vrijheden – zoals de vrijheid van geloof en onderwijs – graag opoffert aan zijn agenda van modernisering, kan helaas niet verwacht worden dat hij kennis van het verleden van enig belang acht. Hij geeft als vanzelf de voorkeur aan een postmodernistische hutspot omdat de gedachte van een canon, van chronologie, van overzicht en inzicht, van het ontstaan ook van een democratische rechtsstaat met een verzekerde positie voor minderheden, hem als leidraad onverdraaglijk is.

De Tweede kamer is boos omdat de directie van het Nationaal Historisch Museum (NHM) zowel de oorspronkelijke locatie (naast het Openluchtmuseum in Arnhem) als de canon als leidraad heeft afgewezen. In plaats daarvan wil directeur Erik Schilp het museum naast de John Frostbrug laten bouwen, en de permanente tentoonstelling aan de hand van vijf thema’s inrichten. Dat is eigenlijk tamelijk logisch, want Schilp is een geestverwant van Plasterk. ‘Iemand die het over vroeger heeft, gaat snel vervelen’, naar zijn mening. ‘Het verleden moet zich bescheiden opstellen en niet teveel praatjes hebben’.

Niemand is dus zo ongeschikt voor het directeurschap van een Nationaal Historisch Museum als deze mens Schilp, en niemand is zo ongeschikt voor een baan als minister van Onderwijs en Cultuur als de mens Plasterk. Terwijl een door iedereen gewilde canon er is om ons denken te leiden en structuur te geven, willen zij over het verleden heersen, bezet als zij zijn met een anti-autoritaire, anti-patriottistische fobie.

Het idee voor zo’n museum is ooit aan het brein van Jan Marijnissen (SP) ontsproten. Hij is nu terecht van mening dat er nieuwe plannen moeten worden gemaakt nu er van het door de Kamer goedgekeurde oorspronkelijke concept helemaal niets meer over is. Hij is bang voor een soort Efteling, ‘een speeltuin met knoppen en spelletjes’. Historisch besef en kennis beginnen bij chronologie en van een zich voegen in het historisch gewordene. Maar Schilp heeft het Zuiderzee museum al eens omgetoverd in een instelling voor moderne kunst. Onze Jan heeft dan ook volkomen gelijk wanneer hij Schilp een ‘postmoderne yup’ noemt die van een historisch museum een kunstmuseum wil maken.

* verschenen in Binnenlands Bestuur.

26.3.09

Wilders en Den Haag

Mijn column in de Elsevier van deze week - alsof Wilders mij al had verteld dat hij het debat van vandaag demonstratief zou verlaten - gaat over de ingewikkelde relatie tussen Wilders en de rest van Den Haag - over zijn verlangen erbij te horen en de noodzaak zich tegelijkertijd af te zetten.

'... Op het eerste gezicht was het een blunder van jewelste toen Wilders vorige week zei dat hij premier van Nederland wil worden. Of de peilingen hem als zwoele wijn naar het hoofd waren gestegen, of dat zijn natuurlijke habitat van het Limburgse Venlo hem overmoedig hadden gemaakt, is niet duidelijk, maar dit is een hard feit: hij zei het gewoon, dat hij uiteindelijk gewoon mee wil doen in Den Haag, en daarmee gaf hij te kennen dat heel zijn politieke leven na de zomer van 2004 één grote rancunekwestie is en overlevingsdrang en verder niks.

Als het een blunder was, dan is zij vakkundig uitgelokt door het Haagse establishment, waar Wilders dus zo graag bij wil horen. Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, zei vorige maand dat Wilders helemaal niet extreem-rechts is of zo, welnee, hij zegt gewoon wat iedereen denkt maar niet durft te zeggen, en hij begrijpt dat het gewoon om de machtsvraag gaat: worden zij hier de baas in Nederland of blijven we dat zelf, passen zij zich aan ons aan of wij ons aan hen?

De elite gaat dus Wildersknuffelen, en de het hof gemaakte Wilders vindt dat blijkbaar wel prettig. Hij hoeft zich als poserende buitenstaander niet langer verongelijkt op te stellen. Hij is salonfähig verklaard. Wat zal zijn moeder trots op hem zijn, en zijn slippendragers die voorlopig niet bang voor hun baantjes hoeven te zijn ...'

Lees de hele column, abonneer u hier op Elsevier.

26.2.09

Onze 'elite' en Geert Wilders

Onze politieke en bestuurlijke 'elite' heeft Geert Wilders eerst genegeerd, daarna gedemoniseerd en probeert hem nu te assimileren - zoals ze dat ook met Pim Fortuyn heeft gedaan. Die houding van mensen als Paul Schnabel van het SCP getuigt van een verachtelijke lafheid die duur zal worden betaald.

Een chemicus heb ik eens een lezing horen geven over de reactie van een biologisch systeem op vreemde indringers. De details ben ik, een onverbeterlijke alfa, vergeten en ook het jargon, maar het kwam er op neer dat die reactie in drie fases verliep. Het systeem probeerde de indringer eerst te negeren, daarna te bestrijden en als dat niet lukte te assimileren. Het uiteindelijke gevolg is dan dat het systeem, aangevallen door een binnendringer die op de vernietiging van het systeem uit is, aan het einde van het proces sterker is dan ervoor.

Het aardige was dat ik niet als enige de parallel met politiek en media direct zag, maar dat die chemicus het daar ook over ging hebben. Toen Pim Fortuyn aan de poorten van het Binnenhof begon te rammelen, deden de Binnenhofbewoners eerst of ze niets hoorden. Ze weerden hem af door hem te negeren. Toen dat niet lukte omdat de boodschap van Fortuyn buiten dat Binnenhof erg veel weerklank vond, gingen ze de strijd met hem aan door hem te demoniseren. En toen niemand daar in trapte, namen de Binnenhovelingen hun toevlucht tot hun meest geslepen truc. Ze zeiden dat het maar goed was dat Fortuyn hen had wakker geschud, dat ze nu goed naar zijn boodschap hadden geluisterd, daar veel van hadden geleerd en die lessen ook in de praktijk wilden brengen.
Het systeem had zich versterkt. Maar dan moest het nu ook af gelopen zijn. Fortuyn had een frisse wind door het Binnenhof laten waaien, fijn, dat was ook hard nodig, maar de luiken konden nu weer dicht.

Die conclusie was alleen geloofwaardig geweest indien het midden werkelijk was geradicaliseerd, wat helaas is uitgebleven.

Wat met Fortuyn is gebeurd, gebeurt nu met Geert Wilders. (Met alleen dit verschil natuurlijk dat Wilders nog leeft.) Eerst haalden politiek en media (wat al te opzichtig) hun schouders over hem op. Er was immers geen ruimte op rechts, zei men. In de peilingen werd hij stelselmatig klein gehouden. Maar toen dat niet hielp en Wilders in november 2006 met negen zetels in de Kamer kwam, volgde de grote bestrijding – wat bij rechts altijd de vorm van demonisering aanneemt. Wilders heette een angsthaas en een oorlogshitser, de Nederlandse variant van rechts-extremistische partijen zoals die elders in Europa ook bestaan. Op instigatie van het Amsterdamse gerechtshof gaat het Openbaar Ministerie hem vervolgen wegens haatzaaien en discriminatie.

Maar ook dat hielp niet. Wilders vaarde (en vaart) er zelfs wel bij. In de peilingen staat hij op 25 zetels. En meer en meer hoger opgeleiden, bevreesd als zij zijn voor een beknotting van de vrijheid van meningsuiting, krijgen steeds meer sympathie voor hem.

En daarom gaat de bestuurlijke elite van Nederland nu haar volgende wapen inzetten: die van de publieke omhelzing. Een van de opperhoofden van die elite, meneer Schnabel van het SCP, zei maandag in de Volkskrant dat Wilders alleen maar verwoordt wat velen denken, dat hij helemaal niet extreem-rechts is, en dat hij alleen maar begrijpt dat het om de grote machtsvraag draait: van wie is dit land, wie buigt voor wie, wie past zich aan aan welke regels, wij aan de hunne of zij aan de onze? Daarmee is Wilders gewoon een van ons.

Wilders is ongetwijfeld een te gewiekst politicus om voor deze avances van het establishment te bezwijken. Wat Wilders overigens niet begrijpt en Schnabel heel goed, dat is dat hij met zijn PVV als uitlaatklep van ontevreden burgers het bestaande politieke systeem alleen maar versterkt. Aan de onvrede wordt dan toch maar uiting gegeven; dat er vervolgens niets verandert en het systeem het systeem blijft en Wilders politiek in leven blijft, is de duivelse omklemming van Wilders en de rest van het Binnenhof. Vandaar natuurlijk dat Schnabel hem publiekelijk omhelst – stel je voor dat iemand met 25 zetels ook nog eens dat systeem als zodanig ter discussie zou gaan stellen en meer directe vormen van democratie ging bepleiten, dan waren de rapen pas echt gaar.

Maar wat Schnabel en de zijnen weer niet door hebben, dat is dat zij hebben gezwegen toen zij hadden moeten spreken en hem nu annexeren terwijl zij hem moeten bestrijden. Toen Wilders de politieke arena betrad, hadden zij de problemen die hij benoemde, beter en intelligenter moeten benoemen dan hij. Nu zij hebben gezwegen en de andere kant op hebben gekeken, en Wilders om gehoor te vinden steeds radicalere standpunten is gaan uitkrijten, heeft hij het hele politieke debat over islam, immigratie, integratie en multiculturalisme zodanig naar zich toegetrokken dat verdere discussie bijna onmogelijk is geworden. Hij heeft het thema geclaimd om zijn politieke dood en emigratie uit te stellen. Juist nu Wilders dit thema uitsluitend en alleen voor eigen gewin misbruikt, geeft onze elite opnieuw niet thuis. Het is van een verachtelijke lafheid die duur zal worden betaald.

Ten burele van het CDA, bijvoorbeeld, is islamkritiek ongepast. Niet omdat de islam geen kritiek verdient, maar ‘omdat wij niet van Wilders zijn’. Het midden als zodanig, de drie grote constituerende partijen uit de Nederlandse politieke traditie, heeft collectief gefaald, juist toen zij victorie kraaiden omdat zij dachten Fortuyn ook politiek te hebben gedood. Je denkt als vanzelf aan twee regels uit 'Hotel California' van The Eagles:
They stab it with their steely knives, but they just can’t kill the beast.

(verschenen in de Volkskrant van 26 februari 2009)