De coalitiepartijen houden elkaar krampachtig vast om verkiezingen en daarmee een onregeerbaar land te voorkomen. Nu het politieke centrum leeg loopt en de vleugels zowel op links als op rechts sterk blijven, is de verwarring groot. Maar dat hoeft helemaal niet. Want wat we nu met verbazing bezien, is 2500 jaar geleden al beschreven in de teksten van klassieke politiek filosofen (die trouwens ook de remedie kenden).
Dinsdag is het Prinsjesdag, dan leest de koningin de Troonrede weer voor en presenteert het kabinet alle plannetjes en de begroting voor het komende jaar. Ons is geen hete herfst in het vooruitzicht gesteld, en daarom zouden we het misschien eens niet over die plannetjes en de ‘inkomensplaatjes’ moeten hebben, maar over de belangrijkste vraag die we ons kunnen stellen: is, bij het begin van het nieuwe politieke seizoen, ons systeem nog op orde? Leven we nog in een democratie, of glijden we langzaam en bijna onopgemerkt af naar een situatie die daar wel op lijkt maar er eigenlijk het einde van is? Wat zijn de voorwaarden waaronder een parlementaire democratie goed kan functioneren, en zijn die in Nederland nog aanwezig?
Het antwoord op de vraag of wij nog in een democratie leven, lijkt nogal voor de hand te liggen. Natuurlijk! We hebben als hoogste politieke orgaan een parlement, een Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal, waar door het volk gekozen politici onze zaken behartigen en bij meerderheid van stemmen over ja en nee, goed en fout beslissen. Wij kiezen en kunnen worden gekozen, onze stem is beslissend. Wij, het volk, regeren.
Tegelijk is het mogelijk verschijnselen van verval in onze democratische rechtsstaat aan te wijzen. De Leidse hoogleraar Paul Cliteur heeft zelfs een heel boek Tegen de decadentie geschreven, en had het toen over zaken als de bedreiging van de vrijheid van meningsuiting, misverstanden over de ‘rechterlijke onafhankelijkheid’ en de preoccupatie met rechten waardoor politici stelselmatig veel te hoge verwachtingen bij de bevolking wekken. Verontrustender is misschien nog wel de kritiek van de vroegere adjunct-hoofdredacteur van de Volkskrant, H. J. Schoo (1945 – 2007), die van mening was dat Nederland sinds de ontzuiling niet langer over een stabiel politiek systeem beschikt. De politieke elite heeft geen binding meer met een herkenbare achterban, is vervreemd geraakt van de levens en opvattingen van de kiezers en denkt tegelijk voor het eigen bestwil van die kiezers te handelen. Die kinderlijke behandeling was ‘de broedstoof’ voor ‘de revolte der burgers’ die in 2002 uitbrak.
We kunnen ons afvragen of deze verschijnselen (het verval van de instituties van de democratische rechtsstaat) de oorzaak van de huidige politieke malheur zijn of de symptomen van dieper liggende (culturele) verschijnselen. In de klassieke interpretatie van ‘democratie’ – en daar wil ik het hier over hebben - moet aan een aantal nadere voorwaarden zijn voldaan voordat er van democratie sprake kan zijn. Wanneer die voorwaarden ontbreken is er geen sprake van een democratie maar van een ochlocratie, regeert niet het volk maar de massa, leven wij niet in een democratische orde maar in een staat van anarchie waarin de massa, vroeg of laat, om een Grote Leider gaat roepen om de chaos te beteugelen en de orde te herstellen.
Wanneer ik het over de ‘klassieke interpretatie’ heb, dan bedoel ik dat zo letterlijk mogelijk. In de geschriften van Griekse denkers en schrijvers als Thucydides, Plato, Aristoteles, Isocrates en Polybius komen we beschouwingen tegen over de overgang van democratie (regering door het volk) naar iets anders, dat soms anarchie heet, soms (bij Polybius) ochlocratie, d.w.z: de regering door de massa (ochlos), of soms zelfs cheirocratie, de heerschappij van de vuist, oftewel het vuistrecht. In die overgangsfase verandert de sociale en morele zowel als de institutionele huishouding van een samenleving zodanig dat een gezond politiek systeem (democratie) plaats maakt voor een gevaarlijke fase van chaos en anarchie waarin de tirannieke verleiding levensgroot op de loer ligt.
Wanneer we de verschijnselen die deze overgang kenmerken – zoals beschreven door genoemde auteurs – op een rijtje zetten, dan komen we tot de volgende opsomming:
• In een democratie worden bepaalde tradities in ere gehouden, in een ochlocratie niet meer. ‘Alleen daar waar het als traditie geldt de goden te vrezen, de ouders te eren, oudere mensen te respecteren en de wetten te gehoorzamen, wanneer onder zúlke voorwaarden de wil van de meerderheid beslist, mag men van democratie spreken’, schrijft Polybius.
• In een democratie is een geheel ander vrijheidsbegrip in zwang dan in een ochlocratie. In een gezonde democratie wordt vrijheid gedefinieerd als het recht om te doen wat men behoort te doen. In een ochlocratie is vrijheid niet meer dan de eis om te kunnen doen en te kunnen zeggen wat men wil doen of zeggen omdat men dat leuk en lekker vindt en daarom ook goed. Vanuit het perspectief van een gezonde democratie is het vrijheidsbegrip in een ochlocratie ontaard in vrijblijvendheid en vrijpostigheid, wetteloosheid, ongebondenheid, onverantwoordelijkheid.
• In een ochlocratie verandert het taalgebruik: deugden worden ondeugden, ondeugden deugden. Wat onder gewone omstandigheden normaal is, krijgt in een ochlocratie een nieuwe, depreciërende benaming. Wat normaal ‘overmoedig’ heet, heet in een ochlocratie ‘dapper’; wat normaal ‘prudent’ is, wordt ineens ‘laf’. De schaamte wordt een ‘stommeling die moet worden verbannen’. Wie onbeschaamd is, heet moedig. Wie zichzelf beheerst, is een lafaard. Geen maat kunnen houden, is het echte leven. Anarchie wordt vrijheid zonder meer.
• In de chaos die ontstaat door deze herwaardering van alle waarden, staan politici op die zich als sterke man presenteren en die met voorbijzien aan bestaande wetten de orde zullen herstellen. Wat voor soort man is dat? Zo’n man is de verongelijkte, want voorheen buitengeslotene, en klassieke vrijheden en gelijke rechten zijn voor hem niet zo belangrijk meer als dat zij in de voorafgaande periode van de democratie waren. Bij Polybius heet hij ambitieus en onverschrokken, iemand die uitgesloten is geweest van eervolle functies in de politiek en die het volk misleidt en door het volk wordt gebruikt om een alleenheerschappij te vestigen.
• Want uiteindelijk is ochlocratie oftewel anarchie niet meer dan een tussenfase in de eeuwige cyclus van regeringsvormen, in dit geval tussen de regeringsvorm van de democratie en de alleenheerschappij die (op haar beurt) weer in despotie en tirannie ontaardt.
Het staat iedereen natuurlijk vrij zich hardop af te vragen waarom wij ons iets gelegen zouden moeten laten liggen aan de opvattingen van klassieke politiek filosofen die al zo’n 2500 jaar dood zijn. Maar wie de afgelopen jaren de Nederlandse politiek heeft gevolgd en daarna kennis neemt van deze klassiek theorie, moet haast wel geraakt worden door de frappante overeenkomsten. In een samenleving waarin – om het iets eigentijdser met de woorden van de Poolse filosoof Leszek Kolakowski te zeggen – het sacrale in de zin van het besef van het heilige is verdwenen, waarin men is gaan geloven dat de duivel verlost kan worden (m.a.w.: waarin het kwaad als iets tijdelijks en geneesbaars wordt gezien en het geloof in de utopie mogelijk wordt), waarin de band met het gegevene en gewordene (om die reden) is doorgesneden, waarin het samenleven niet meer wordt beleefd als een verbond tussen de levenden, de doden en de nog niet geborenen, en waarin de ongeschreven wetten niet meer in het menselijk hart gegrift staan, daar is het culturele fundament onder de democratische rechtsstaat verkruimeld en zo goed als volledig verdwenen.
Op de morele en sociale anarchie die daarvan het gevolg is (door sommigen verdedigd als de grote verworvenheden van 1968), hebben de grote constituerende partijen van de Nederlandse politiek (CDA, PvdA, VVD) geen antwoord. Dat is om meerdere redenen logisch. In de eerste plaats wel omdat een ochlocratie de regering van de massamens is, en de massamens is de gemiddelde mens. Ook de leden van onze elite behoren tot die categorie en vormen daarom in feite geen elite.
In de tweede plaats valt de periode van de morele en sociale anarchie in Nederland uitgerekend samen met een periode van immigratie en de grote kwestie van de integratie van (vooral islamitische) nieuwkomers. Dat is een grote culturele kwestie waar de leiders van de traditionele politieke partijen niet voor zijn opgeleid. Die kunnen heel goed met elkaar om een tafel gaan zitten om hier een procentje te plussen en daar wat te minderen om de inkomensplaatjes rond te krijgen (zoals we a.s. dinsdag ongetwijfeld weer zullen zien), maar zijn niet de virtuozen die in staat zijn een visie op cultuur en identiteit te verwoorden. Bovendien zijn hun partijen ontstaan op grond van een fundamentele overeenstemming over hele andere zaken, en zal een interne discussie over immigratie en integratie alleen maar tot verdeeldheid leiden, zoals we bij de VVD en de PvdA al hebben gezien. Om scheuringen te voorkomen zwijgt men liever, en laat men de spanningen oplopen.
Het politieke centrum is leeg en ‘benauwd’, zoals (zelfs) het CDA het deze week heeft uitgedrukt. PvdA, VVD en CDA zijn samen niet eens meer goed voor een Kamermeerderheid. Op de vleugels hebben zich politici gemanifesteerd die op z’n minst doen denken aan de soort die Polybius in een enkele zin typeerde. In de persoon van Rita Verdonk dient zich een ijzeren dame aan die het leiderschap ontging en die als volkstribuun de wil van de meerderheid tot wet wil verheffen. In de persoon van Geert Wilders – ook al verworpen door het establishment - hebben we te maken met een paniekconservatief die met voorbijzien van wetten en grondrechten de orde wil komen herstellen, en zichzelf en zijn zaak - in een merkwaardige combinatie van narcisme en demagogie - aankondigt in bewoordingen die van een anti-klassieke flinkheid getuigen.
De middelmaat van het centrum en het vigerende populisme kunnen alleen worden bestreden door een nieuwe elite die weer durft te moraliseren. Want zoveel is wel duidelijk als we de oude, klassieke analyse van ons huidige politieke klimaat serieus nemen: deze crisis is niet met wat politieke maatregelen en met wat geschuif in de diverse begrotingen op te lossen. Het gaat hier om een kwestie die Frits Bolkestein (het type politicus dat we meer dan ooit nodig hebben) als laatste heeft benoemd, in een artikel uit 1994: het belang om het culturele fundament onder de democratische rechtsstaat en de vrije markt te bewaren, om ‘de deugdzaamheid die het voortbestaan van vrijheid, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid moet garanderen’.
De verwerping van deze agenda door de VVD heeft het befaamde gat op rechts geschapen.
We moeten dus weer moraliseren, schreef Bolkestein. De al eerder genoemde HJ Schoo viel hem hierin nadrukkelijk bij, in een artikel waarin hij een pleidooi hield voor een terugkeer naar ‘authentiek, ongezouten moraliseren’, want ‘bezield, verfijnd moraliseren is een teken van grote beschaving’ (de Volkskrant, 29 december 2006, in een recensie van een ‘mooi en liefdevol’ boek van de Amerikaanse historica Gertrude Himmelfarb).
Want uiteindelijk gaat het in samenleving en politiek om Selbstzwang, om ‘in vrijheid ontwikkelde zelfbeheersing’, als noodzakelijke basis van het goede burgerschap dat alleen de verwording van democratie tot ochlocratie kan voorkomen.
*) Een ingekorte versie van dit essay verscheen op zaterdag 13 september 2008 in de Volkskrant.
Showing posts with label Rita Verdonk. Show all posts
Showing posts with label Rita Verdonk. Show all posts
13.9.08
17.4.08
Macht noch gezag
Geert Wilders en Rita Verdonk gloriëren dezer dagen als nooit tevoren. Wilders bracht zijn film Fitna uit en beleefde opnieuw een finest hour toen de Tweede Kamer daar een avondvullend debat aan wijdde. Lang bleef hij daarin fier overeind, totdat hij in de val trapte die het kabinet listig voor hem had opgezet. Eerst zei Balkenende dat er alle reden was geweest om alarm over de film te slaan omdat Wilders iets over de inhoud had onthuld. Het was aan minister Hirsch Ballin om vervolgens met twee gespreksverslagen op de proppen te komen waaruit zou blijken dat Wilders in gesprekken met Tjibbe Joustra, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding, en met de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken had verteld dat hij de Koran zou verscheuren en verbranden. Waarop Wilders verontwaardigd verkondigde dat hij zich ‘belazerd’ voelde, en gedecideerd uit het debat stapte.
Wie heeft er gelogen? Dankzij uitspraken van Joustra zelf, gedaan in De Pers, weten we dat er meerdere bronnen voor de analyse van het gesprek tussen hem en Wilders zijn gebruikt. En in het verslag van het gesprek met Hirsch Ballin en Ter Horst wordt alleen vermeld dat Wilders een toelichting op de film heeft gegeven, maar de inhoud van die toelichting wordt niet beschreven. Het meest waarschijnlijk is dus, vooralsnog, dat de ‘gespreksverslagen’ in werkelijkheid analyses zijn waarbij ook informatie is verwerkt die via andere bronnen bekend was geworden. Jan Marijnissen van de SP stelde waarschijnlijk de intelligentste vraag van de avond, toen hij zich hardop afvroeg of de informatie over de inhoud van de film ook via de inlichtingendiensten in het ‘verslag’ terecht kunnen zijn gekomen. Die onderscheppen immers Wilders’ data- en telefoonverkeer. Hirsch Ballin had de nodige twijfel kunnen wegnemen wanneer hij expliciet had gezegd dat Wilders zelf over de inhoud van de film en met name over het slot (het verscheuren en verbranden van de Koran) had verteld. Maar Hirsch Ballin liet dat na, ook in antwoord op de vraag van Marijnissen en later op die van Bas van der Vlies van de SGP.
Minstens zo opvallend is dat minder dan de helft van de bevolking gelooft dat het kabinet de waarheid over de gang van zaken heeft gesproken.
Kort daarop werd ook bekend dat Wilders’ PVV in de opiniepeilingen weer is gestegen. Volgens Maurice de Hond staat hij op achttien zetels.
Diezelfde peilingen maakten duidelijk dat ook de ster van Rita Verdonk stijgende is. Na de presentatie van haar beweging Trots op Nederland, vorige week donderdag in de Amsterdamse Passenger Terminal, zou zij, volgens De Hond, 22 zetels behalen (tegen 17 een week eerder); TNS/NIPO kent Verdonk zelfs 25 zetels toe. Tegelijkertijd is de malaise bij de andere partijen groot. De VVD staat (volgens De Hond) nu op dertien zetels, een historisch dieptepunt. De drie grote partijen in het politieke midden – PvdA, CDA en VVD – staan nu samen op 66 zetels, en ook dat is een historisch laagterecord. Tot voor kort dachten we nog dat CDA en PvdA in ieder geval altijd een regering kunnen vormen; nu kan zelfs een coalitie van ‘nationale eenheid’ niet meer op een meerderheid in de Tweede Kamer rekenen.
Het grote probleem daarbij is natuurlijk niet alleen dat het politieke centrum geen macht meer heeft – en ook haar gezag blijkt te hebben verloren. Groter nog is het probleem van het ontbreken van een alternatief voor het geïmplodeerde kartel. Uit de manier waarop Rita Verdonk haar plannen heeft gepresenteerd, en de manier waarop zij haar inhoudelijke programma wil gaan schrijven, blijkt dat zij een verbinding tot stand wil brengen tussen zichzelf als revolutionaire volkstribuun en de stem van de massa, die een meerderheid vormt en waarvan de wil alleen al om die reden wet moet zijn. Het resultaat zal een tirannie van de meerderheid zijn die minderheden zonder enige scrupule zal behandelen.
Je kunt dit kabinet lamlendigheid verwijten omdat alle belangrijke kwesties op de baan worden geschoven. Maar je kunt er ook stiekem een beetje blij mee zijn. Al dat gedoe, daar komen maar verkiezingen van. En niemand is benieuwd naar de uitslag.
*) Eerder verschenen in Binnenlands Bestuur.
Wie heeft er gelogen? Dankzij uitspraken van Joustra zelf, gedaan in De Pers, weten we dat er meerdere bronnen voor de analyse van het gesprek tussen hem en Wilders zijn gebruikt. En in het verslag van het gesprek met Hirsch Ballin en Ter Horst wordt alleen vermeld dat Wilders een toelichting op de film heeft gegeven, maar de inhoud van die toelichting wordt niet beschreven. Het meest waarschijnlijk is dus, vooralsnog, dat de ‘gespreksverslagen’ in werkelijkheid analyses zijn waarbij ook informatie is verwerkt die via andere bronnen bekend was geworden. Jan Marijnissen van de SP stelde waarschijnlijk de intelligentste vraag van de avond, toen hij zich hardop afvroeg of de informatie over de inhoud van de film ook via de inlichtingendiensten in het ‘verslag’ terecht kunnen zijn gekomen. Die onderscheppen immers Wilders’ data- en telefoonverkeer. Hirsch Ballin had de nodige twijfel kunnen wegnemen wanneer hij expliciet had gezegd dat Wilders zelf over de inhoud van de film en met name over het slot (het verscheuren en verbranden van de Koran) had verteld. Maar Hirsch Ballin liet dat na, ook in antwoord op de vraag van Marijnissen en later op die van Bas van der Vlies van de SGP.
Minstens zo opvallend is dat minder dan de helft van de bevolking gelooft dat het kabinet de waarheid over de gang van zaken heeft gesproken.
Kort daarop werd ook bekend dat Wilders’ PVV in de opiniepeilingen weer is gestegen. Volgens Maurice de Hond staat hij op achttien zetels.
Diezelfde peilingen maakten duidelijk dat ook de ster van Rita Verdonk stijgende is. Na de presentatie van haar beweging Trots op Nederland, vorige week donderdag in de Amsterdamse Passenger Terminal, zou zij, volgens De Hond, 22 zetels behalen (tegen 17 een week eerder); TNS/NIPO kent Verdonk zelfs 25 zetels toe. Tegelijkertijd is de malaise bij de andere partijen groot. De VVD staat (volgens De Hond) nu op dertien zetels, een historisch dieptepunt. De drie grote partijen in het politieke midden – PvdA, CDA en VVD – staan nu samen op 66 zetels, en ook dat is een historisch laagterecord. Tot voor kort dachten we nog dat CDA en PvdA in ieder geval altijd een regering kunnen vormen; nu kan zelfs een coalitie van ‘nationale eenheid’ niet meer op een meerderheid in de Tweede Kamer rekenen.
Het grote probleem daarbij is natuurlijk niet alleen dat het politieke centrum geen macht meer heeft – en ook haar gezag blijkt te hebben verloren. Groter nog is het probleem van het ontbreken van een alternatief voor het geïmplodeerde kartel. Uit de manier waarop Rita Verdonk haar plannen heeft gepresenteerd, en de manier waarop zij haar inhoudelijke programma wil gaan schrijven, blijkt dat zij een verbinding tot stand wil brengen tussen zichzelf als revolutionaire volkstribuun en de stem van de massa, die een meerderheid vormt en waarvan de wil alleen al om die reden wet moet zijn. Het resultaat zal een tirannie van de meerderheid zijn die minderheden zonder enige scrupule zal behandelen.
Je kunt dit kabinet lamlendigheid verwijten omdat alle belangrijke kwesties op de baan worden geschoven. Maar je kunt er ook stiekem een beetje blij mee zijn. Al dat gedoe, daar komen maar verkiezingen van. En niemand is benieuwd naar de uitslag.
*) Eerder verschenen in Binnenlands Bestuur.
9.4.08
Open brief aan Rita Verdonk
Geachte mevrouw Verdonk,
U en ik kennen elkaar niet persoonlijk, ik weet ook niet waar u woont en waarmee u zich de laatste dagen onledig hebt gehouden, maar toen ik dit weekeinde over een map met knipsels over de lancering van uw nieuwe beweging gebogen zat, stelde ik mij ineens zo voor dat u met uw mannen ook met zo’n map op uw schoot zat, en dat het bij u thuis een vrolijke boel was. Toen u met Ed en Kay op de gebeurtenissen van de voorafgaande dagen terugblikte, hebt u met elkaar geconcludeerd – zo stel ik mij voor – dat het Amerikaanse feestje in de Amsterdamse Passenger Terminal een groot succes was geweest, voorafgegaan en gevolgd door dagenlange gratis publiciteit. U was veel op televisie en de kranten en bladen stonden vol van u.
Maar ik denk dat dat niet de enige reden van uw vrolijkheid is geweest. Ik vermoed zo maar dat u zich met uw adviseurs vooral ook vrolijk hebt gemaakt over al die politicologen en journalisten die er – zes jaar na Fortuyn - nog steeds niets van begrijpen. In hun wereldbeeld had Geert Wilders in november 2006 naar Israël moeten emigreren. Maar hij won negen zetels. In hun wereldbeeld had u, nadat u de strijd om het leiderschap van de VVD van Mark Rutte had verloren, in de vergetelheid moeten wegzinken. Maar kijk, daar staat u ineens, geposteerd achter het roer van het schip van staat, ondanks een val van de keldertrap want een vrouw als u doet natuurlijk gewoon zelf de was, en u wordt door een grote menigte toegejuicht.
Kort voor de verkiezingen van november 2006 verscheen er een dikke bundel met wetenschappelijke studies over de ‘conservatieve onderstroom in de Lage Landen’. Dat boek had als titel Ruimte op rechts?, en de teneur ervan was dat er helemaal geen gat op de politieke rechterflank bestond. Wat een opluchting! Geert Wilders stond op één zetel in de peilingen, EénNL van Marco Pastors en Joost Eerdmans op 0,6 procent en de Lijst Vijf Fortuyn op 0,3 procent. Het gat van Fortuyn was een muizengaatje geworden. Er was geen enkele behoefte aan een nieuwe rechtse partij, de conservatieve kiezer was dik tevreden met het bestaande aanbod, zij stemden op CDA, VVD, SGP of ChristenUnie, en op rechts was er alleen nog ruimte voor wat ‘conservatief kruimelwerk’.
(Ik citeer uit een bijdrage van Joop van Holsteyn, die in Leiden hoogleraar in de Politieke Wetenschappen is, en er voor wordt betaald om verstand van dit soort zaken te hebben.)
In de peilingen van het afgelopen weekeinde staat uw TON op 22 tot 25 zetels en Geert Wilders op 18 zetels. De grote middenpartijen - CDA (31), PvdA (22) en VVD (13) - hebben nu samen 66 zetels: een nieuw diepterecord. Ook die dertien zetels van de VVD zijn een dieptepunt. Slechts 37 procent van de kiezers die in 2006 op de VVD stemde, wil dat nu weer doen; 40 procent van die kiezers stapt over op u. Door de electorale vlucht naar de flanken dreigt ons land ‘onregeerbaar’ te worden, zeggen journalisten en politici. Daarom worden alle echte problemen naar voren geschoven, want als ze iets niet willen, dan is het gedoe, geruzie en onenigheid. Daar komen maar verkiezingen van. Het woord ‘Weimar’ is de adequate metafoor voor deze situatie, maar dat woord mag je niet gebruiken want je zou er alleen maar iets mee oproepen. Als je in Nederland iets benoemt, word je er altijd van beschuldigd iets ‘op te roepen’, terwijl je het zo maar van de straat kunt oprapen.
Journalisten gaan prat op de onafhankelijkheid die de ontzuiling hen zou hebben gebracht. Maar in feite hebben zij hun oude afhankelijkheid van partij en kerk alleen maar voor een nieuwe ingeruild: voor die van het systeem, de macht als zodanig. Daarom hebben ze ook zo’n hekel aan nieuwkomers. Daarom hebben ze met vereende krachten Fortuyn eerst doodgezwegen, daarna gedemoniseerd, en pas toen hij doodgeschoten was, hebben ze geschreven dat de ‘frisse wind’ die hij door de Haagse kaasstolp had laten waaien, zo’n zegen was geweest. Exit Fortuyn en zijn erfenis.
In die geest heeft Jan Tromp van de Volkskrant afgelopen zaterdag een schrikbeeld opgeroepen van ‘het land van Rita’. Hij typeert u als ‘ophaaldienst van verlangens en eisen’, en onder uw minister-presidentschap resulteert dat in een land met zesbaans snelwegen, gratis openbaar vervoer, de doodstraf voor zeer ernstige misdaden als moord, verkrachting en terrorisme, een straatverbod voor boerka’s, een bouwverbod voor nieuwe moskeeën, een verbod op huwelijksmigratie, een halvering van de btw en het aantal ambtenaren en een verbod op softdrugs. En dat alles wordt gebracht op een toon alsof de Hunnen het hier voor het zeggen gaan krijgen, als het aan u ligt.
Wat mij vooral heeft verbaasd – en wat u plezier moet hebben gedaan, omdat het nu eenmaal beter is om bepaalde misverstanden bij de pers te laten bestaan, want dan kunt u gewoon uw gang blijven gaan – is de rare, incorrecte typering van het soort kiezer dat u zou aantrekken. Dat zouden boze, blanke mannen zijn, verongelijkte 50-plussers, de achterblijvers, die via de politiek wraak willen nemen op het leven dat hen zoveel mislukkingen en teleurstellingen heeft gebracht. Dat klopt niet met de beelden en foto’s van de mensen die vorige week donderdag op uw feestje waren.
Toen Geert Wilders met de VVD had gebroken, in september 2004, trad hij ruim een half jaar later, in de lente van 2005, voor het eerst met een publieke speech naar buiten. Dat was in een Rotterdamse jachthaven, voor een groot gehoor dat vooral uit zakenmensen bestond. Hij werd enthousiast ontvangen en haalde die avond veel geld op. Een jaar later sprak hij weer voor een groep Rotterdamse ondernemers, in restaurant Old Dutch (!) aan de Rochussenstraat. Er waren toen veel minder mensen, de reacties op zijn speech waren kritisch, en hij kreeg bitter weinig geld mee. De kritiek van deze mensen bestond uit twee punten: dat hij niet met anderen (zoals Marco Pastors) wilde samenwerken en dat hij het altijd en eeuwig over de islam had.
Met andere woorden: de twee groepen die Pim Fortuyn nog aan zich had weten te binden – de nieuwe ondernemers en de autochtonen uit de achterstandswijken (grof gezegd) – hebben zich nu over u en Wilders verdeeld. Uw kiezers zijn geen chagrijnig knorrende mannen, maar mensen die de ruimte willen hebben om hun vleugels uit te slaan, en daarom niet in de file willen staan, geen last willen hebben van anderen, en zeker niet van minderheden die een bedreiging voor hun vrijheid zouden vormen.
Anders dan Wilders bent u er ook in geslaagd in te breken bij lokale VVD-politici, en oefent u grote aantrekkingskracht uit op plaatselijke politici die nu nog onder de vlag van Leefbaar Nederland of de LPF opereren. Ook dat is een teken aan de wand voor de vertegenwoordigers van de oudere politieke partijen.
Met dit alles vormt u momenteel de grootste bedreiging voor het Haagse establishment van politici en journalisten. Dat is een forse streep door de rekening, want zij leken zo succesvol op weg naar een restauratie van het Nederland van vóór Pim Fortuyn. Zelfs het koninklijk huis werd voor die agenda ingezet. Wilders’ Fitna en het daarop volgende Kamerdebat hebben echter onmiskenbaar duidelijk maakte dat er een zwart gat gaapt in de Nederlandse politiek. Tussen Wilders en de rest zit helemaal niets. Het is het radicalisme van de één versus de onmacht van de anderen, de fiere verbetenheid van Wilders versus het bijna aandoenlijke gestuntel van een doodnerveuze Pieter van Geel. Via ‘uitzending gemist’ heeft u het ongetwijfeld met plezier aangezien.
Maar de vraag waarover ik het met u zou willen hebben, is of u dat zwarte gat in Den Haag kunt gaan opvullen.
Laten we om te beginnen één ding afspreken: laten we uw beweging niet ‘conservatief’ noemen. Dat woord lijkt me sowieso een etiket dat u graag vermijdt. En terecht. De achterban van een conservatieve beweging bestaat in landen als de Verenigde Staten altijd uit een bundeling van drie verschillende groepen burgers: van ‘haviken’ (die de totalitaire ideologie van de politieke islam net zo’n groot kwaad achten als het inmiddels overwonnen fascisme en communisme), van libertariërs (die in de overheid geen oplosser van problemen maar een onderdeel van het probleem zien) en van traditioneel, behoudend denkende en levende mensen, al dan niet gelovig. Christelijke mensen zijn er rechts, en rechtse mensen niet antireligieus. Zij begrijpen dat belangrijke instituties als de democratische rechtsstaat en de vrije markt een cultureel fundament nodig hebben, en dat de deugden die dat fundament vormen in niet onbelangrijke mate door gelovige mensen worden aangedragen. (Uw, naar eigen zeggen, grote voorbeeld Frits Bolkestein had het hier vaak over.) Dat wordt dus niets in Nederland, vooralsnog, waar christelijke mensen in negen van de tien gevallen links en politiekcorrect zijn en rechtse liberalen veelal antireligieus. Nederlandse conservatieven hebben momenteel dus niets in de politiek te zoeken; ze kunnen hooguit de analyses en ideeën aandragen waarmee een volgende generatie desgewenst zijn winst kan doen.
Nieuwsgierig naar uw intellectuele leidslieden, heeft men u eens gevraagd welke schrijvers er op uw nachtkastje lagen. ‘Thorbecke!’, antwoordde u, goed-liberaal als u toen nog wilde zijn. Dat leverde u de nodige hoon op, want de boeken van Thorbecke zouden helemaal niet op een nachtkastje passen en u zou uzelf dus als een intellectuele nitwit hebben ontmaskerd. Dat is natuurlijk onzin, want een bundel als Thorbecke en de wording van de Nederlandse natie is voor het slapengaan heel gemakkelijk in de hand te houden. Maar dat boek lijkt mij niet het soort proza te bevatten dat u nog even uit uw slaap kan houden.
Rousseau kan dat denk ik wel. Hij is de revolutionaire denker wiens gedachtegoed u zich volledig eigen lijkt te hebben gemaakt, in ieder geval zijn ideeën over volkssoevereiniteit en de volkswil. Volgens Rousseau ligt er, zoals u weet, een sociaal contract aan de samenleving ten grondslag: de mythe dat individuen in een soort natuurstaat uit eigenbelang hebben besloten om bepaalde individuele rechten op te geven en zich te onderwerpen aan een sociale orde. Wat binnen die orde mag en niet mag wordt bepaald door de soevereine wil, die bij Rousseau de uitdrukking is van de wil van de meerderheid van het volk. Ieder individu moet zich aan die volkswil als de hoogste autoriteit onderwerpen, en als hij dat niet wil moet hij ‘gedwongen worden om vrij te zijn’. Rousseau had dan ook veel sympathie voor de profeet Mohammed, wiens ‘gezonde denkbeelden’ immers een ‘staatsinrichting met een hechte samenhang’, een ‘perfecte eenheid’ garandeerden.
De Nederlandse democratische rechtsstaat is niet gebaseerd op het principe van de volkssoevereiniteit. De volkswil kan immers gemakkelijk leiden tot een tirannie van de meerderheid, die – bovendien – nogal wispelturig kan zijn en morgen kan herroepen wat vandaag nog heilig is verklaard. Daarom hebben wij een Grondwet met een opsomming van klassieke rechten en vrijheden die minderheden tegen de willekeur van toevallige meerderheden in bescherming neemt.
Over ‘de basis’ van uw beweging hebt u geen onduidelijkheid laten bestaan. ‘Ik luister naar het volk. De meerderheid beslist. Dat is democratie.’ En hoe die meerderheid erover denkt, gaat u via een eigen wiki-website vastleggen.
Als populistisch breekijzer in een politieke wereld die zich van de samenleving heeft vervreemd en geïsoleerd, klinkt dat nog aardig. De conservatieve journalist Bill Buckley zei het op zijn manier: we worden liever geregeerd door de eerste honderd namen uit het telefoonboek van Boston dan door de geleerde leden van de faculteit politicologie van de universiteit van Harvard. Maar als principe deugt uw ‘basis’ niet: het is op een gevaarlijke manier revolutionair. Al die concrete standpunten die de Volkskrant bij elkaar geënquêteerd heeft, interesseren mij niet zo. Waar het mij om gaat, is dat u zich als volkstribuun opwerpt als de woordvoerder van de massa wiens wil voor u wet is, of moet worden, en dat minderheden zich maar hebben te schikken.
Deze ‘basis’ leidt bij u nu al tot een zekere verblinding. Alhoewel u in uw vriendin en ‘medium’ Liesbeth van Dijk uw eigen Madame Blavatsky hebt gevonden, presenteert u zich niet als een gelovige. Er is echter een probleem: ongelovigen geloven alles. Zo gelooft u zelfs dat ‘een christelijke minderheid’ de rest van de Nederlanders haar wil wil opleggen door het winkelen op zondag te willen beperken. Maar de winkeltijdenwet dateert uit 1996, uit de hoogtijdagen van paars, toen de VVD met de PvdA en D66 regeerde, en bepaalt dat winkels op twaalf zondagen per jaar open mogen zijn. Wat het huidige kabinet nu doet, is het misbruik van bepaalde uitzonderingsbepalingen tegengaan. Het gedogen van dat misbruik lijkt me ook niets voor u. Regels zijn immers regels?
Bij het lezen van zo’n sneer naar een minderheid die een bedreiging zou vormen voor ‘vrijheden in het algemeen’, moet ik denken aan een vrouwspersoon die de belichaming vormde van Rousseau’s denkbeelden: Marianne, het symbool van de Franse Revolutie en de laïcistische natie, die gewapend met de fasces lictoriae, de bundel roedes die in het oude Rome de autoriteit en eenheid van de staat symboliseerde, de triomftocht van de Franse Republiek verbeeldt.
Door de verbinding die u wilt aanbrengen tussen u zelf als de eigentijdse Marianne met de fasces en de wil van de massa, dreigt u de overgang van democratie naar ochlocratie te gaan voltrekken. Wat ik daarmee bedoel is het volgende.
Klassieke politieke denkers als Aristoteles en Polybios hebben vastgesteld dat er in principe drie regeringsvormen zijn: monarchie (de regering door één persoon), aristocratie (de regering door een kleine groep vooraanstanden) en democratie (de regering door allen). Maar al die vormen kunnen ontaarden. Monarchie slaat dan om in dictatuur, aristocratie in oligarchie (de regering door enkele bevoorrechten), democratie in ochlocratie – dat wil zeggen, in een democratie regeert niet het volk, maar de redeloze massa, die niet met autoriteit wordt verheven maar naar de mond wordt gepraat. De voorwaarden voor een goed functionerende democratie gaan dan ontbreken – dat culturele fundament waar uw grote voorbeeld Frits Bolkestein het altijd over had – en het enige dat overblijft is het ideaal van de ongebreidelde vrijheid om te doen wat men wil en daarvoor maximale ruimte op te eisen, zonder rekening met anderen te houden. Als mijn voorgevoelens mij niet bedriegen, gaat u zich opwerpen als de volkstribuun die dat ideaal werkelijkheid wil maken. U maakt daarbij een grote erotische fout: als meisje dat graag aan de man wil, verklaart u zich bereid alles te doen om hem te behagen. Ik meen te weten dat mannen dat maar eventjes leuk vinden.
Maar dat is nog niet het einde van het verhaal. Want volgens de beproefde theorieën van de zojuist genoemde politieke denkers, vloeit daaruit een chaos voort die het volk opnieuw om een Grote Leider zal doen roepen. Het volk heeft nooit genoeg aan één IJzeren Rita. Het ijzer kan altijd nog harder.
Met de denkbeelden zoals u die tot nog toe hebt ontvouwd, mevrouw, is de democratie bij u niet in goede handen – ondanks alle schijn van het tegendeel. Bij u verwordt zij tot een ochlocratische tirannie van de meerderheid.
In het nieuwe boek van Paul Scheffer – het door u misprezen Land van aankomst – staat een belangrijk citaat van Manuel Castells, een Spaans socioloog. ‘Tegenover elkaar staan een kosmopolitische elite, die in dagelijkse verbinding staat met de gehele wereld, en een tribalisme van lokale gemeenschappen die zich terugtrekken in hun eigen ruimte als een laatste verweer tegen de macrokrachten die buiten hun greep hun leven bepalen.’ Ik deel uw verzet tegen die kosmopolitische elite, maar ben bang dat al die gewone mensen die de slippen van uw jas aangrijpen als hun ‘laatste verweer’ tegen alle bedreigingen die zij op zich af zien komen, bedrogen zullen uitkomen. U gaat een verantwoordelijkheid aan waartoe u net zo min bent toegerust als degenen die u bestrijdt. Dat wilde ik gezegd hebben.
[Opinio II-15 (11 april 2008)]
U en ik kennen elkaar niet persoonlijk, ik weet ook niet waar u woont en waarmee u zich de laatste dagen onledig hebt gehouden, maar toen ik dit weekeinde over een map met knipsels over de lancering van uw nieuwe beweging gebogen zat, stelde ik mij ineens zo voor dat u met uw mannen ook met zo’n map op uw schoot zat, en dat het bij u thuis een vrolijke boel was. Toen u met Ed en Kay op de gebeurtenissen van de voorafgaande dagen terugblikte, hebt u met elkaar geconcludeerd – zo stel ik mij voor – dat het Amerikaanse feestje in de Amsterdamse Passenger Terminal een groot succes was geweest, voorafgegaan en gevolgd door dagenlange gratis publiciteit. U was veel op televisie en de kranten en bladen stonden vol van u.
Maar ik denk dat dat niet de enige reden van uw vrolijkheid is geweest. Ik vermoed zo maar dat u zich met uw adviseurs vooral ook vrolijk hebt gemaakt over al die politicologen en journalisten die er – zes jaar na Fortuyn - nog steeds niets van begrijpen. In hun wereldbeeld had Geert Wilders in november 2006 naar Israël moeten emigreren. Maar hij won negen zetels. In hun wereldbeeld had u, nadat u de strijd om het leiderschap van de VVD van Mark Rutte had verloren, in de vergetelheid moeten wegzinken. Maar kijk, daar staat u ineens, geposteerd achter het roer van het schip van staat, ondanks een val van de keldertrap want een vrouw als u doet natuurlijk gewoon zelf de was, en u wordt door een grote menigte toegejuicht.
Kort voor de verkiezingen van november 2006 verscheen er een dikke bundel met wetenschappelijke studies over de ‘conservatieve onderstroom in de Lage Landen’. Dat boek had als titel Ruimte op rechts?, en de teneur ervan was dat er helemaal geen gat op de politieke rechterflank bestond. Wat een opluchting! Geert Wilders stond op één zetel in de peilingen, EénNL van Marco Pastors en Joost Eerdmans op 0,6 procent en de Lijst Vijf Fortuyn op 0,3 procent. Het gat van Fortuyn was een muizengaatje geworden. Er was geen enkele behoefte aan een nieuwe rechtse partij, de conservatieve kiezer was dik tevreden met het bestaande aanbod, zij stemden op CDA, VVD, SGP of ChristenUnie, en op rechts was er alleen nog ruimte voor wat ‘conservatief kruimelwerk’.
(Ik citeer uit een bijdrage van Joop van Holsteyn, die in Leiden hoogleraar in de Politieke Wetenschappen is, en er voor wordt betaald om verstand van dit soort zaken te hebben.)
In de peilingen van het afgelopen weekeinde staat uw TON op 22 tot 25 zetels en Geert Wilders op 18 zetels. De grote middenpartijen - CDA (31), PvdA (22) en VVD (13) - hebben nu samen 66 zetels: een nieuw diepterecord. Ook die dertien zetels van de VVD zijn een dieptepunt. Slechts 37 procent van de kiezers die in 2006 op de VVD stemde, wil dat nu weer doen; 40 procent van die kiezers stapt over op u. Door de electorale vlucht naar de flanken dreigt ons land ‘onregeerbaar’ te worden, zeggen journalisten en politici. Daarom worden alle echte problemen naar voren geschoven, want als ze iets niet willen, dan is het gedoe, geruzie en onenigheid. Daar komen maar verkiezingen van. Het woord ‘Weimar’ is de adequate metafoor voor deze situatie, maar dat woord mag je niet gebruiken want je zou er alleen maar iets mee oproepen. Als je in Nederland iets benoemt, word je er altijd van beschuldigd iets ‘op te roepen’, terwijl je het zo maar van de straat kunt oprapen.
Journalisten gaan prat op de onafhankelijkheid die de ontzuiling hen zou hebben gebracht. Maar in feite hebben zij hun oude afhankelijkheid van partij en kerk alleen maar voor een nieuwe ingeruild: voor die van het systeem, de macht als zodanig. Daarom hebben ze ook zo’n hekel aan nieuwkomers. Daarom hebben ze met vereende krachten Fortuyn eerst doodgezwegen, daarna gedemoniseerd, en pas toen hij doodgeschoten was, hebben ze geschreven dat de ‘frisse wind’ die hij door de Haagse kaasstolp had laten waaien, zo’n zegen was geweest. Exit Fortuyn en zijn erfenis.
In die geest heeft Jan Tromp van de Volkskrant afgelopen zaterdag een schrikbeeld opgeroepen van ‘het land van Rita’. Hij typeert u als ‘ophaaldienst van verlangens en eisen’, en onder uw minister-presidentschap resulteert dat in een land met zesbaans snelwegen, gratis openbaar vervoer, de doodstraf voor zeer ernstige misdaden als moord, verkrachting en terrorisme, een straatverbod voor boerka’s, een bouwverbod voor nieuwe moskeeën, een verbod op huwelijksmigratie, een halvering van de btw en het aantal ambtenaren en een verbod op softdrugs. En dat alles wordt gebracht op een toon alsof de Hunnen het hier voor het zeggen gaan krijgen, als het aan u ligt.
Wat mij vooral heeft verbaasd – en wat u plezier moet hebben gedaan, omdat het nu eenmaal beter is om bepaalde misverstanden bij de pers te laten bestaan, want dan kunt u gewoon uw gang blijven gaan – is de rare, incorrecte typering van het soort kiezer dat u zou aantrekken. Dat zouden boze, blanke mannen zijn, verongelijkte 50-plussers, de achterblijvers, die via de politiek wraak willen nemen op het leven dat hen zoveel mislukkingen en teleurstellingen heeft gebracht. Dat klopt niet met de beelden en foto’s van de mensen die vorige week donderdag op uw feestje waren.
Toen Geert Wilders met de VVD had gebroken, in september 2004, trad hij ruim een half jaar later, in de lente van 2005, voor het eerst met een publieke speech naar buiten. Dat was in een Rotterdamse jachthaven, voor een groot gehoor dat vooral uit zakenmensen bestond. Hij werd enthousiast ontvangen en haalde die avond veel geld op. Een jaar later sprak hij weer voor een groep Rotterdamse ondernemers, in restaurant Old Dutch (!) aan de Rochussenstraat. Er waren toen veel minder mensen, de reacties op zijn speech waren kritisch, en hij kreeg bitter weinig geld mee. De kritiek van deze mensen bestond uit twee punten: dat hij niet met anderen (zoals Marco Pastors) wilde samenwerken en dat hij het altijd en eeuwig over de islam had.
Met andere woorden: de twee groepen die Pim Fortuyn nog aan zich had weten te binden – de nieuwe ondernemers en de autochtonen uit de achterstandswijken (grof gezegd) – hebben zich nu over u en Wilders verdeeld. Uw kiezers zijn geen chagrijnig knorrende mannen, maar mensen die de ruimte willen hebben om hun vleugels uit te slaan, en daarom niet in de file willen staan, geen last willen hebben van anderen, en zeker niet van minderheden die een bedreiging voor hun vrijheid zouden vormen.
Anders dan Wilders bent u er ook in geslaagd in te breken bij lokale VVD-politici, en oefent u grote aantrekkingskracht uit op plaatselijke politici die nu nog onder de vlag van Leefbaar Nederland of de LPF opereren. Ook dat is een teken aan de wand voor de vertegenwoordigers van de oudere politieke partijen.
Met dit alles vormt u momenteel de grootste bedreiging voor het Haagse establishment van politici en journalisten. Dat is een forse streep door de rekening, want zij leken zo succesvol op weg naar een restauratie van het Nederland van vóór Pim Fortuyn. Zelfs het koninklijk huis werd voor die agenda ingezet. Wilders’ Fitna en het daarop volgende Kamerdebat hebben echter onmiskenbaar duidelijk maakte dat er een zwart gat gaapt in de Nederlandse politiek. Tussen Wilders en de rest zit helemaal niets. Het is het radicalisme van de één versus de onmacht van de anderen, de fiere verbetenheid van Wilders versus het bijna aandoenlijke gestuntel van een doodnerveuze Pieter van Geel. Via ‘uitzending gemist’ heeft u het ongetwijfeld met plezier aangezien.
Maar de vraag waarover ik het met u zou willen hebben, is of u dat zwarte gat in Den Haag kunt gaan opvullen.
Laten we om te beginnen één ding afspreken: laten we uw beweging niet ‘conservatief’ noemen. Dat woord lijkt me sowieso een etiket dat u graag vermijdt. En terecht. De achterban van een conservatieve beweging bestaat in landen als de Verenigde Staten altijd uit een bundeling van drie verschillende groepen burgers: van ‘haviken’ (die de totalitaire ideologie van de politieke islam net zo’n groot kwaad achten als het inmiddels overwonnen fascisme en communisme), van libertariërs (die in de overheid geen oplosser van problemen maar een onderdeel van het probleem zien) en van traditioneel, behoudend denkende en levende mensen, al dan niet gelovig. Christelijke mensen zijn er rechts, en rechtse mensen niet antireligieus. Zij begrijpen dat belangrijke instituties als de democratische rechtsstaat en de vrije markt een cultureel fundament nodig hebben, en dat de deugden die dat fundament vormen in niet onbelangrijke mate door gelovige mensen worden aangedragen. (Uw, naar eigen zeggen, grote voorbeeld Frits Bolkestein had het hier vaak over.) Dat wordt dus niets in Nederland, vooralsnog, waar christelijke mensen in negen van de tien gevallen links en politiekcorrect zijn en rechtse liberalen veelal antireligieus. Nederlandse conservatieven hebben momenteel dus niets in de politiek te zoeken; ze kunnen hooguit de analyses en ideeën aandragen waarmee een volgende generatie desgewenst zijn winst kan doen.
Nieuwsgierig naar uw intellectuele leidslieden, heeft men u eens gevraagd welke schrijvers er op uw nachtkastje lagen. ‘Thorbecke!’, antwoordde u, goed-liberaal als u toen nog wilde zijn. Dat leverde u de nodige hoon op, want de boeken van Thorbecke zouden helemaal niet op een nachtkastje passen en u zou uzelf dus als een intellectuele nitwit hebben ontmaskerd. Dat is natuurlijk onzin, want een bundel als Thorbecke en de wording van de Nederlandse natie is voor het slapengaan heel gemakkelijk in de hand te houden. Maar dat boek lijkt mij niet het soort proza te bevatten dat u nog even uit uw slaap kan houden.
Rousseau kan dat denk ik wel. Hij is de revolutionaire denker wiens gedachtegoed u zich volledig eigen lijkt te hebben gemaakt, in ieder geval zijn ideeën over volkssoevereiniteit en de volkswil. Volgens Rousseau ligt er, zoals u weet, een sociaal contract aan de samenleving ten grondslag: de mythe dat individuen in een soort natuurstaat uit eigenbelang hebben besloten om bepaalde individuele rechten op te geven en zich te onderwerpen aan een sociale orde. Wat binnen die orde mag en niet mag wordt bepaald door de soevereine wil, die bij Rousseau de uitdrukking is van de wil van de meerderheid van het volk. Ieder individu moet zich aan die volkswil als de hoogste autoriteit onderwerpen, en als hij dat niet wil moet hij ‘gedwongen worden om vrij te zijn’. Rousseau had dan ook veel sympathie voor de profeet Mohammed, wiens ‘gezonde denkbeelden’ immers een ‘staatsinrichting met een hechte samenhang’, een ‘perfecte eenheid’ garandeerden.
De Nederlandse democratische rechtsstaat is niet gebaseerd op het principe van de volkssoevereiniteit. De volkswil kan immers gemakkelijk leiden tot een tirannie van de meerderheid, die – bovendien – nogal wispelturig kan zijn en morgen kan herroepen wat vandaag nog heilig is verklaard. Daarom hebben wij een Grondwet met een opsomming van klassieke rechten en vrijheden die minderheden tegen de willekeur van toevallige meerderheden in bescherming neemt.
Over ‘de basis’ van uw beweging hebt u geen onduidelijkheid laten bestaan. ‘Ik luister naar het volk. De meerderheid beslist. Dat is democratie.’ En hoe die meerderheid erover denkt, gaat u via een eigen wiki-website vastleggen.
Als populistisch breekijzer in een politieke wereld die zich van de samenleving heeft vervreemd en geïsoleerd, klinkt dat nog aardig. De conservatieve journalist Bill Buckley zei het op zijn manier: we worden liever geregeerd door de eerste honderd namen uit het telefoonboek van Boston dan door de geleerde leden van de faculteit politicologie van de universiteit van Harvard. Maar als principe deugt uw ‘basis’ niet: het is op een gevaarlijke manier revolutionair. Al die concrete standpunten die de Volkskrant bij elkaar geënquêteerd heeft, interesseren mij niet zo. Waar het mij om gaat, is dat u zich als volkstribuun opwerpt als de woordvoerder van de massa wiens wil voor u wet is, of moet worden, en dat minderheden zich maar hebben te schikken.
Deze ‘basis’ leidt bij u nu al tot een zekere verblinding. Alhoewel u in uw vriendin en ‘medium’ Liesbeth van Dijk uw eigen Madame Blavatsky hebt gevonden, presenteert u zich niet als een gelovige. Er is echter een probleem: ongelovigen geloven alles. Zo gelooft u zelfs dat ‘een christelijke minderheid’ de rest van de Nederlanders haar wil wil opleggen door het winkelen op zondag te willen beperken. Maar de winkeltijdenwet dateert uit 1996, uit de hoogtijdagen van paars, toen de VVD met de PvdA en D66 regeerde, en bepaalt dat winkels op twaalf zondagen per jaar open mogen zijn. Wat het huidige kabinet nu doet, is het misbruik van bepaalde uitzonderingsbepalingen tegengaan. Het gedogen van dat misbruik lijkt me ook niets voor u. Regels zijn immers regels?
Bij het lezen van zo’n sneer naar een minderheid die een bedreiging zou vormen voor ‘vrijheden in het algemeen’, moet ik denken aan een vrouwspersoon die de belichaming vormde van Rousseau’s denkbeelden: Marianne, het symbool van de Franse Revolutie en de laïcistische natie, die gewapend met de fasces lictoriae, de bundel roedes die in het oude Rome de autoriteit en eenheid van de staat symboliseerde, de triomftocht van de Franse Republiek verbeeldt.
Door de verbinding die u wilt aanbrengen tussen u zelf als de eigentijdse Marianne met de fasces en de wil van de massa, dreigt u de overgang van democratie naar ochlocratie te gaan voltrekken. Wat ik daarmee bedoel is het volgende.
Klassieke politieke denkers als Aristoteles en Polybios hebben vastgesteld dat er in principe drie regeringsvormen zijn: monarchie (de regering door één persoon), aristocratie (de regering door een kleine groep vooraanstanden) en democratie (de regering door allen). Maar al die vormen kunnen ontaarden. Monarchie slaat dan om in dictatuur, aristocratie in oligarchie (de regering door enkele bevoorrechten), democratie in ochlocratie – dat wil zeggen, in een democratie regeert niet het volk, maar de redeloze massa, die niet met autoriteit wordt verheven maar naar de mond wordt gepraat. De voorwaarden voor een goed functionerende democratie gaan dan ontbreken – dat culturele fundament waar uw grote voorbeeld Frits Bolkestein het altijd over had – en het enige dat overblijft is het ideaal van de ongebreidelde vrijheid om te doen wat men wil en daarvoor maximale ruimte op te eisen, zonder rekening met anderen te houden. Als mijn voorgevoelens mij niet bedriegen, gaat u zich opwerpen als de volkstribuun die dat ideaal werkelijkheid wil maken. U maakt daarbij een grote erotische fout: als meisje dat graag aan de man wil, verklaart u zich bereid alles te doen om hem te behagen. Ik meen te weten dat mannen dat maar eventjes leuk vinden.
Maar dat is nog niet het einde van het verhaal. Want volgens de beproefde theorieën van de zojuist genoemde politieke denkers, vloeit daaruit een chaos voort die het volk opnieuw om een Grote Leider zal doen roepen. Het volk heeft nooit genoeg aan één IJzeren Rita. Het ijzer kan altijd nog harder.
Met de denkbeelden zoals u die tot nog toe hebt ontvouwd, mevrouw, is de democratie bij u niet in goede handen – ondanks alle schijn van het tegendeel. Bij u verwordt zij tot een ochlocratische tirannie van de meerderheid.
In het nieuwe boek van Paul Scheffer – het door u misprezen Land van aankomst – staat een belangrijk citaat van Manuel Castells, een Spaans socioloog. ‘Tegenover elkaar staan een kosmopolitische elite, die in dagelijkse verbinding staat met de gehele wereld, en een tribalisme van lokale gemeenschappen die zich terugtrekken in hun eigen ruimte als een laatste verweer tegen de macrokrachten die buiten hun greep hun leven bepalen.’ Ik deel uw verzet tegen die kosmopolitische elite, maar ben bang dat al die gewone mensen die de slippen van uw jas aangrijpen als hun ‘laatste verweer’ tegen alle bedreigingen die zij op zich af zien komen, bedrogen zullen uitkomen. U gaat een verantwoordelijkheid aan waartoe u net zo min bent toegerust als degenen die u bestrijdt. Dat wilde ik gezegd hebben.
[Opinio II-15 (11 april 2008)]
Subscribe to:
Posts (Atom)