Letter&Geest, de zaterdagse bijlage van het dagblad Trouw, publiceerde afgelopen zaterdag verschillende artikelen met persoonlijke 'crisisgedachten'. Ik schreef daarin onderstaand artikel.
Onverwacht had ik deze week een paar uur over, toen een bijeenkomst in mijn geboorteplaats Ridderkerk vroeger was afgelopen dan verwacht en een volgende afspraak nog even op zich liet wachten.
Ik ben toen wat gaan lopen, en die wandeling bracht mij in de straat waar mijn grootouders hebben gewoond en geleefd, een straat in Slikkerveer die uitkomt bij de hoge Ringdijk langs het drierivierenpunt van Lek, Noord en Nieuwe Maas, met zijn scheepswerven van Boele en De Groot en Van Vliet waar mijn grootvaders werkten, en met het pontje naar Krimpen. Aan de voet van de dijk staat de hervormde kerk, de Wilhelminakerk, gebouwd in de jaren dertig, waar ik ben gedoopt en waar God, volgens het oude doopformulier, ‘een eeuwig verbond der genade oprichtte om ons van alle goed te verzorgen en alle kwaad van ons te weren of ten onzen beste te keren’.
Toen ik daar langs liep, zag ik dat een vrijwilliger de bladeren op het kerkplein stond aan te vegen. En toen ik dichterbij kwam, herkende ik in deze man een oom van me, oom Piet van Beek uit het naburige Bolnes. We maakten een praatje, en de sentimental mood waarin ik toch al verkeerde, veranderde in een heuse sentimental journey toen we herinneringen gingen ophalen aan hoe het hier vroeger was geweest. Veel mooier eigenlijk nog, herinnerde ik mij.
Mijn oom liet mij de kerk van binnen zien, inclusief het doopvont, en toonde me in de hal een schilderij van kerk en omgeving uit 1958. De kerk werd toen nog omringd door weiland, en niet, zoals nu, door niet al te fraaie nieuwbouw en een benzinestation iets verder op. Het prachtige pontje heeft plaats gemaakt voor de gelikte Fast Ferry naar Rotterdam en Dordrecht.
Maar ik moest mij niet vergissen, zei mijn oom. Achter langs de rij huizen waar mijn grootouders hadden gewoond, had een slootje gelopen. Je moest over een plank over die sloot heen om bij het tuinschuurtje te komen. In dat slootje kwamen de riolen uit, en het wemelde er dan ook van de ratten.
Toen herinnerde ik mij ook weer de verhalen van mijn moeder over haar broers die haar vroeger bang hadden gemaakt door op de kale houten trap de geluiden van naar boven lopende ratten na te doen. En ik herinnerde mij ook weer dat het in die huizen niet alleen erg gezellig was geweest maar dat die huizen vooral erg klein waren geweest, met op de eerste verdieping alleen maar een open zolder, en hoe het altijd naar petroleum had gestonken in het keukentje, met in de hoek de wc.
De generatie van mijn ouders was die verhoudingen ontgroeid. Het jaar waarin mijn ouders trouwden was het jaar van de eerste loongolf. Zoals mijn ooms in de avonduren de HTS hadden gedaan, had mijn vader aan de kunstacademie in Rotterdam gestudeerd. Hij werkte ook bij Boele, maar op kantoor, en tekende later huizen en bibliotheken en liep in de bouw als uitvoerder van deze projecten. Mijn ouders woonden na hun huwelijk in een nieuwe maisonnette, en foto’s uit die tijd stralen geluk en optimisme uit. Mijn moeder kleedde zich als Jackie Kennedy, en als jongetje vond ik ook dat ze erg op haar leek.
Dit soort verhalen vertellen alle jongens uit mijn vriendenkring. Als de generatie van mijn ouders het al minder goed kreeg, dan was dat vaak een keuze. Een van de jongens vertelt vaak hoe z’n vader weg liep toen hij zelf zeventien was, en dat het enige tijd duurde voordat z’n moeder een bijstandsuitkering had gekregen. Ze hadden zich onder andere door die tijd heen geslagen door aardappels te rapen die na het oogsten op het veld waren blijven liggen. Maar hij vertelt het altijd met bijna iets van nostalgie in zijn stem. Net als wij heeft hij gestudeerd, en een huis gekocht dat hem als vanzelf rijk maakte.
We zijn nu 20 procent armer, en sommige van onze opdrachtgevers hebben 40 procent van hun vermogen én van hun budget verloren. En overal om ons heen zien we de recessie klappen uitdelen, en dreigt de geur van de nette armoe – die wij zelf nog nooit hebben geroken - zich in de kleren te gaan nestelen.
Maar iedere crisis is ook een kans. Jaren geleden, tijdens de bloedwarme zomer van 2003, leidde een verzakking van de ringdijk van de polder Groot-Mijdrecht tot een kadedoorbraak die de meeste huizen in het Utrechtse dorpje Wilnis blank zette. Toen gingen de bewoners van die huizen elkaar ineens helpen - tot hun eigen verrassing, want wie hun buren waren en hoe ze heetten hadden ze tot dan nauwelijks geweten. Shock & awe kan ook heilzaam zijn.
Als deze crisis ertoe leidt dat de hoogmoed en de gemakzucht van de afgelopen decennia omslaat in soberheid en bescheidenheid, dan is zij toch zo maar ‘ten onzen beste’ gekeerd.
Showing posts with label economie. Show all posts
Showing posts with label economie. Show all posts
2.3.09
3.1.09
Leve het kapitalisme*
De Britse historicus Niall Ferguson schetst in een financieel-economische geschiedenis van de wereld de historische context van de huidige crisis. De uitvinding van het krediet is net zo belangrijk geweest als die van het wiel of de computer.
Niemand schijnt het te weten. De crisis die in de zomer van 2007 ineens in de Verenigde Staten uitbrak, zou ons niet raken. Toen die crisis toch ook ons land aandeed, zou de schade uiterst beperkt blijven omdat die economie van ons zo degelijk in elkaar stak. Toen de eerste banken in de problemen kwamen, heette het dat de crisis kortstondig zou zijn en onze ‘reële economie’ nauwelijks zou raken. Nu dat toch is gebeurd en de economie krakend tot stilstand komt, voorspellen politici ineens toch een recessie, maar die zal in 2010 wel weer uitgewoed zijn. Het aantal werklozen zal dan tot een half miljoen zijn opgelopen. Het laatste nieuws (premier Balkenende in zijn rol als gasthoofdredacteur van het Financieele Dagblad) is trouwens dat het nog lang niet zeker is dat de recessie in 2010 voorbij zal zijn. En Balkenende is nog niet uitgesproken of oud-minister Ruding van Financiën komt in dezelfde krant vertellen dat de crisis onze economie veel harder zal treffen dan het kabinet beweert. Er komt, zegt Ruding, zeker een krimp van 3 procent in plaats van de 0,75 procent die het Centraal Plan Bureau zegt te verwachten. Hij was amper uitgesproken of president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank zei hetzelfde.
Waarom zouden we dat eigenlijk allemaal nog geloven?
Het zijn niet de eerste de besten die ergens aan een tafel in een praatprogramma hun onwetendheid voortdurend schaamteloos etaleren. Het gaat om economen en politici, mensen die er een beetje voor hebben doorgeleerd. De Britse historicus Niall Ferguson was in november 2006 op een congres voor prominente beleggers, die blijkens de naam van hun conferentie (The Evolution of Excellence) blaakten van zelfvertrouwen. Zij zeiden daar ook dat aan alle grilligheden van de markt een einde was gekomen. De financiële markten waren immers efficiënt georganiseerd en de risico’s waren keurig gespreid en afgedekt. Ferguson wilde de congresgangers waarschuwen voor de blijvende risico’s in het systeem. Maar zijn waarschuwingen werden afgedaan als bangmakerij. Een van de aanwezigen stelde zelfs voor om de organisatie te vragen de volgende keer geen ‘spreker van buiten’ meer uit te nodigen maar de film Mary Poppins te laten zien.
En terwijl de beleggende wereld naar Mary Poppins ging zitten kijken, zette Ferguson zich schrap voor een studie van formaat: een financiële geschiedenis van de wereld. Ferguson beschrijft het ontstaan van het bankwezen, van de obligatiemarkten en van de aandelenhandel, van de verzekerings- en pensioenfondsen en de onroerendgoedmarkten. Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw (met de New Deal van president Roosevelt) werden huishoudens om politieke redenen gestimuleerd om meer geld te lenen en dat in onroerend goed te beleggen. Zo ontstonden Fannie Mae en Freddie Mac, de corporaties waarmee de problemen in de zomer van 2007 begonnen.
Met dit boek, dat in de beste Angelsaksische tradities uitblinkt door een speelse combinatie van veelzeggende details en de grote lijnen van het compositorisch strakke overzicht, schetst Ferguson – met andere woorden – de historische context van de huidige crisis. Van die crises hebben we er sinds 1870 overigens al 148 achter de rug. Het gaat dan om financiële crises waarbij een land een achteruitgang van minstens 10 procent in de omvang van zijn bruto binnenlands product incasseert, met een economische krimp van zo’n 3 procent per jaar.
Niall Ferguson (Glasgow, 1964) is als weinig anderen gekwalificeerd om zo’n boek te schrijven. Ferguson is als historicus een internationale superster. Hij doceert aan Harvard en in Oxford en is verbonden aan het Hoover Institution van de universiteit van Stanford. Hij is van huis uit een financieel-economisch historicus. Hij schreef onder andere een geschiedenis van het huis Rotschild. Maar hij is vooral bekend geworden vanwege zijn grote overzichtswerken: geschiedenissen van de bloedige oorlogen van de twintigste eeuw (De grote oorlogen), van het Britse Rijk (Wereldrijk) en van het Amerikaanse imperium (Colossus). Van enkele boeken van Ferguson zijn ook tv-series gemaakt en die hebben natuurlijk vooral zijn ster doen rijzen. Hij behoort inmiddels, volgens Time, tot de 100 invloedrijkste mensen ter wereld, volgens Prospect Magazine staat hij nummer 60 op de lijst van de meest invloedrijke intellectuelen ter wereld.
Zijn financieel-economische expertise en zijn vermogen grotere overzichtswerken te schrijven, zijn op een prettige manier samengekomen in zijn nieuwste boek dat een financieel-economische geschiedenis van de wereld wil bieden. Het aardige is dat Ferguson niet meedoet aan de neiging van links om de crises van de afgelopen tijd te zien als het failliet van het vrijemarktkapitalisme. Integendeel. Ferguson legt geduldig uit dat de uitvindingen van de financiële sector onmisbaar zijn geweest voor onze vooruitgang. Financiële innovaties zijn de motor van de westerse beschaving.
‘Krediet en schuld’, schrijft Ferguson, ‘behoren tot de fundamentele bouwstenen van de economische ontwikkeling, en zijn even vitaal voor de rijkdom der naties als mijnbouw, industrie en mobiele telefonie. Armoede kan daarentegen slechts zelden direct worden toegeschreven aan de streken van inhalige financiers. Dikwijls heeft deze meer te maken met het gebrek aan financiële instellingen – met het ontbreken van banken en niet met hun bestaan.’
Banken, beurzen en beleggingsfondsen hebben de groei van de ‘reële economie’ mogelijk gemaakt. Zonder krediet en aandelen is het immers zo goed als onmogelijk een nieuw bedrijf op te zetten. Als er geen financiële sector was geweest, aldus Ferguson, zou onze economie nog steeds worden bepaald door keuterboeren die met noeste arbeid een stukje grond bewerken dat nauwelijks genoeg oplevert om de mensen te onderhouden.
Geld is bij tal van historische gebeurtenissen van doorslaggevende betekenis geweest. Napoleon is bij Waterloo niet zozeer door de Engelse generaal Wellington verslagen als wel door de rol op de achtergrond van de bankiersfamilie Rotschild. Dat het Zuiden de Amerikaanse Burgeroorlog verloor kwam niet door de nederlaag van de confederale troepen bij Vicksburg in mei 1863, maar door het besluit van diezelfde Rotschilds om het Zuiden niet te steunen, alhoewel die staten hun politieke sympathie hadden. Geld heeft niet alleen het verloop van de geschiedenis gestuurd – nadrukkelijker dan wij ons meestal bewust zijn – maar is ook de wortel van bijna alle vooruitgang. Leve het kapitalisme, is dan ook de boodschap van het boek van de conservatieve Ferguson.
Ferguson heeft zijn boek in mei/juni van 2008 voltooid. De crisis die ons nu zo hard raakt, heeft niemand in de volle ernst en omvang zien aankomen, ook Ferguson niet. De situatie van vandaag lag tijdens het schrijven nog in een toekomst waarvan de aard onvoorspelbaar was. Ferguson voorspelde in 2006 al wel een liquiditeitscrisis, om de eenvoudige reden dat kennis van de financieel-economische geschiedenis hem had geleerd dat iedere zeepbel vroeg of laat barst.
Hij is van mening dat er niet alleen bonussen voor goede prestaties moeten worden verstrekt maar ook malussen voor slechte prestaties. En wanneer managers met aandelen en opties worden beloond, heeft dat een pervers effect. Het prikkelt hen namelijk om de waarde van de aandelen omhoog te manipuleren. Dat de verhouding tussen eigen en geleend kapitaal is zoek geraakt, is hierdoor veroorzaakt.
Verder is Ferguson uiterst voorzichtig. De age of leverage (waarin teveel geld wordt geleend en met dat geld wordt gespeculeerd) behoort misschien al wel tot het verleden. Maar een teveel aan regelgeving (of beter: nog meer regelgeving) belemmert financiële innovaties en die innovaties zijn altijd en overal de bron van vooruitgang.
En verder moeten we leren leven met de onvoorspelbaarheid van de toekomst. Want de geschiedenis – ook (of beter: juist) de financiële geschiedenis met zijn crises en crashes – is ongrijpbaar. Analyses en verklaringen kunnen pas achteraf worden gegeven. Er zijn heel veel toekomsten mogelijk, benadrukt Ferguson. Dat de waarheid daarvan iedere dag blijkt uit de woorden van politici en economen, krijgt daarmee bijna iets geruststellends, hoe groot de onzekerheid van onze financieel-economische toekomst ook blijft.
Niall Ferguson, Het succes van geld
uitgeverij Contact, € 34,95
* eerder verschenen in HP/De Tijd
Niemand schijnt het te weten. De crisis die in de zomer van 2007 ineens in de Verenigde Staten uitbrak, zou ons niet raken. Toen die crisis toch ook ons land aandeed, zou de schade uiterst beperkt blijven omdat die economie van ons zo degelijk in elkaar stak. Toen de eerste banken in de problemen kwamen, heette het dat de crisis kortstondig zou zijn en onze ‘reële economie’ nauwelijks zou raken. Nu dat toch is gebeurd en de economie krakend tot stilstand komt, voorspellen politici ineens toch een recessie, maar die zal in 2010 wel weer uitgewoed zijn. Het aantal werklozen zal dan tot een half miljoen zijn opgelopen. Het laatste nieuws (premier Balkenende in zijn rol als gasthoofdredacteur van het Financieele Dagblad) is trouwens dat het nog lang niet zeker is dat de recessie in 2010 voorbij zal zijn. En Balkenende is nog niet uitgesproken of oud-minister Ruding van Financiën komt in dezelfde krant vertellen dat de crisis onze economie veel harder zal treffen dan het kabinet beweert. Er komt, zegt Ruding, zeker een krimp van 3 procent in plaats van de 0,75 procent die het Centraal Plan Bureau zegt te verwachten. Hij was amper uitgesproken of president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank zei hetzelfde.
Waarom zouden we dat eigenlijk allemaal nog geloven?
Het zijn niet de eerste de besten die ergens aan een tafel in een praatprogramma hun onwetendheid voortdurend schaamteloos etaleren. Het gaat om economen en politici, mensen die er een beetje voor hebben doorgeleerd. De Britse historicus Niall Ferguson was in november 2006 op een congres voor prominente beleggers, die blijkens de naam van hun conferentie (The Evolution of Excellence) blaakten van zelfvertrouwen. Zij zeiden daar ook dat aan alle grilligheden van de markt een einde was gekomen. De financiële markten waren immers efficiënt georganiseerd en de risico’s waren keurig gespreid en afgedekt. Ferguson wilde de congresgangers waarschuwen voor de blijvende risico’s in het systeem. Maar zijn waarschuwingen werden afgedaan als bangmakerij. Een van de aanwezigen stelde zelfs voor om de organisatie te vragen de volgende keer geen ‘spreker van buiten’ meer uit te nodigen maar de film Mary Poppins te laten zien.
En terwijl de beleggende wereld naar Mary Poppins ging zitten kijken, zette Ferguson zich schrap voor een studie van formaat: een financiële geschiedenis van de wereld. Ferguson beschrijft het ontstaan van het bankwezen, van de obligatiemarkten en van de aandelenhandel, van de verzekerings- en pensioenfondsen en de onroerendgoedmarkten. Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw (met de New Deal van president Roosevelt) werden huishoudens om politieke redenen gestimuleerd om meer geld te lenen en dat in onroerend goed te beleggen. Zo ontstonden Fannie Mae en Freddie Mac, de corporaties waarmee de problemen in de zomer van 2007 begonnen.
Met dit boek, dat in de beste Angelsaksische tradities uitblinkt door een speelse combinatie van veelzeggende details en de grote lijnen van het compositorisch strakke overzicht, schetst Ferguson – met andere woorden – de historische context van de huidige crisis. Van die crises hebben we er sinds 1870 overigens al 148 achter de rug. Het gaat dan om financiële crises waarbij een land een achteruitgang van minstens 10 procent in de omvang van zijn bruto binnenlands product incasseert, met een economische krimp van zo’n 3 procent per jaar.
Niall Ferguson (Glasgow, 1964) is als weinig anderen gekwalificeerd om zo’n boek te schrijven. Ferguson is als historicus een internationale superster. Hij doceert aan Harvard en in Oxford en is verbonden aan het Hoover Institution van de universiteit van Stanford. Hij is van huis uit een financieel-economisch historicus. Hij schreef onder andere een geschiedenis van het huis Rotschild. Maar hij is vooral bekend geworden vanwege zijn grote overzichtswerken: geschiedenissen van de bloedige oorlogen van de twintigste eeuw (De grote oorlogen), van het Britse Rijk (Wereldrijk) en van het Amerikaanse imperium (Colossus). Van enkele boeken van Ferguson zijn ook tv-series gemaakt en die hebben natuurlijk vooral zijn ster doen rijzen. Hij behoort inmiddels, volgens Time, tot de 100 invloedrijkste mensen ter wereld, volgens Prospect Magazine staat hij nummer 60 op de lijst van de meest invloedrijke intellectuelen ter wereld.
Zijn financieel-economische expertise en zijn vermogen grotere overzichtswerken te schrijven, zijn op een prettige manier samengekomen in zijn nieuwste boek dat een financieel-economische geschiedenis van de wereld wil bieden. Het aardige is dat Ferguson niet meedoet aan de neiging van links om de crises van de afgelopen tijd te zien als het failliet van het vrijemarktkapitalisme. Integendeel. Ferguson legt geduldig uit dat de uitvindingen van de financiële sector onmisbaar zijn geweest voor onze vooruitgang. Financiële innovaties zijn de motor van de westerse beschaving.
‘Krediet en schuld’, schrijft Ferguson, ‘behoren tot de fundamentele bouwstenen van de economische ontwikkeling, en zijn even vitaal voor de rijkdom der naties als mijnbouw, industrie en mobiele telefonie. Armoede kan daarentegen slechts zelden direct worden toegeschreven aan de streken van inhalige financiers. Dikwijls heeft deze meer te maken met het gebrek aan financiële instellingen – met het ontbreken van banken en niet met hun bestaan.’
Banken, beurzen en beleggingsfondsen hebben de groei van de ‘reële economie’ mogelijk gemaakt. Zonder krediet en aandelen is het immers zo goed als onmogelijk een nieuw bedrijf op te zetten. Als er geen financiële sector was geweest, aldus Ferguson, zou onze economie nog steeds worden bepaald door keuterboeren die met noeste arbeid een stukje grond bewerken dat nauwelijks genoeg oplevert om de mensen te onderhouden.
Geld is bij tal van historische gebeurtenissen van doorslaggevende betekenis geweest. Napoleon is bij Waterloo niet zozeer door de Engelse generaal Wellington verslagen als wel door de rol op de achtergrond van de bankiersfamilie Rotschild. Dat het Zuiden de Amerikaanse Burgeroorlog verloor kwam niet door de nederlaag van de confederale troepen bij Vicksburg in mei 1863, maar door het besluit van diezelfde Rotschilds om het Zuiden niet te steunen, alhoewel die staten hun politieke sympathie hadden. Geld heeft niet alleen het verloop van de geschiedenis gestuurd – nadrukkelijker dan wij ons meestal bewust zijn – maar is ook de wortel van bijna alle vooruitgang. Leve het kapitalisme, is dan ook de boodschap van het boek van de conservatieve Ferguson.
Ferguson heeft zijn boek in mei/juni van 2008 voltooid. De crisis die ons nu zo hard raakt, heeft niemand in de volle ernst en omvang zien aankomen, ook Ferguson niet. De situatie van vandaag lag tijdens het schrijven nog in een toekomst waarvan de aard onvoorspelbaar was. Ferguson voorspelde in 2006 al wel een liquiditeitscrisis, om de eenvoudige reden dat kennis van de financieel-economische geschiedenis hem had geleerd dat iedere zeepbel vroeg of laat barst.
Hij is van mening dat er niet alleen bonussen voor goede prestaties moeten worden verstrekt maar ook malussen voor slechte prestaties. En wanneer managers met aandelen en opties worden beloond, heeft dat een pervers effect. Het prikkelt hen namelijk om de waarde van de aandelen omhoog te manipuleren. Dat de verhouding tussen eigen en geleend kapitaal is zoek geraakt, is hierdoor veroorzaakt.
Verder is Ferguson uiterst voorzichtig. De age of leverage (waarin teveel geld wordt geleend en met dat geld wordt gespeculeerd) behoort misschien al wel tot het verleden. Maar een teveel aan regelgeving (of beter: nog meer regelgeving) belemmert financiële innovaties en die innovaties zijn altijd en overal de bron van vooruitgang.
En verder moeten we leren leven met de onvoorspelbaarheid van de toekomst. Want de geschiedenis – ook (of beter: juist) de financiële geschiedenis met zijn crises en crashes – is ongrijpbaar. Analyses en verklaringen kunnen pas achteraf worden gegeven. Er zijn heel veel toekomsten mogelijk, benadrukt Ferguson. Dat de waarheid daarvan iedere dag blijkt uit de woorden van politici en economen, krijgt daarmee bijna iets geruststellends, hoe groot de onzekerheid van onze financieel-economische toekomst ook blijft.
Niall Ferguson, Het succes van geld
uitgeverij Contact, € 34,95
* eerder verschenen in HP/De Tijd
30.12.08
Deugden
Ondanks – of beter: dankzij – de kredietcrisis heeft een gevoel van opluchting zich opzichtig meester gemaakt van onze politieke kaste en alle geledingen die daar omheen cirkelen. Die opluchting is ingegeven door de gedachte dat de kredietcrisis tot een geheel nieuwe discussie leidt en dat dit gunstig is voor links. De vorige discussie, dat was het langdurige en harde debat over immigratie en integratie dat de ‘ondraaglijke leegte’ van links heeft blootgelegd. Het nieuwe debat daarentegen gaat over het ‘falen’ van de markt, over de zegeningen van overheidsingrijpen en sterker staatstoezicht en toont (eindelijk weer eens) het gelijk van links aan.
In de nieuwe wereld die wij eind 2008 zijn binnengetreden maken Wilders en Verdonk plaats voor Bos en Halsema, en Cliteur en Bolkestein voor Schnabel en Pels. We gaan weer sparen in plaats van beleggen, verruilen de Hummer voor een Prius, de gloeilamp voor een spaarlamp, liberalisme voor socialisme, ABN voor Triodos, managers voor ambtenaren. We kopen geen nieuwe schoenen maar laten onze oude verzolen, smijten niet met geld in een warenhuis maar surfen over marktplaats.nl, gooien kapotte spullen niet zomaar weg maar laten die nog een keer repareren. Kortom, in de nieuwe wereld is voor de ‘rechtse heb- en spilzucht’ geen plaats meer, gaan we weer eerlijk delen en verdelen en nivelleren en ondernemers, beleggers en bankiers streng controleren. En dat lastige electoraat zal nu toch wel inzien dat het zich de luxe van het ongenoegen over de politiek niet langer kan permitteren.
Dit althans is de boodschap die we dagelijks zien, horen en lezen, op tv, radio en in kranten en weekbladen. Klopt die boodschap ook?...
Lees mijn antwoord in mijn column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
In de nieuwe wereld die wij eind 2008 zijn binnengetreden maken Wilders en Verdonk plaats voor Bos en Halsema, en Cliteur en Bolkestein voor Schnabel en Pels. We gaan weer sparen in plaats van beleggen, verruilen de Hummer voor een Prius, de gloeilamp voor een spaarlamp, liberalisme voor socialisme, ABN voor Triodos, managers voor ambtenaren. We kopen geen nieuwe schoenen maar laten onze oude verzolen, smijten niet met geld in een warenhuis maar surfen over marktplaats.nl, gooien kapotte spullen niet zomaar weg maar laten die nog een keer repareren. Kortom, in de nieuwe wereld is voor de ‘rechtse heb- en spilzucht’ geen plaats meer, gaan we weer eerlijk delen en verdelen en nivelleren en ondernemers, beleggers en bankiers streng controleren. En dat lastige electoraat zal nu toch wel inzien dat het zich de luxe van het ongenoegen over de politiek niet langer kan permitteren.
Dit althans is de boodschap die we dagelijks zien, horen en lezen, op tv, radio en in kranten en weekbladen. Klopt die boodschap ook?...
Lees mijn antwoord in mijn column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
22.12.08
Het Gelijk van Links?
Vanmiddag ging ik op Radio 1 (Villa VPRO) in debat met Dick Pels (Waterlandstichting) en Femke Halsema (GroenLinks) over het vermeende 'Gelijk van Links' naar aanleiding van de kredietcrisis. De uitzending is hier nogmaals te beluisteren.
21.12.08
Het Gelijk van Links?
Maandagmiddag (22 december) ben ik te gast bij het VPRO-programma 'Villa VPRO' op radio 1 om met Dick Pels en Femke Halsema te debatteren over Het Gelijk van Links, naar aanleiding van de kredietcrisis.
Beluister de uitzending live op Radio 1 vanaf 15:30 uur.
Beluister de uitzending live op Radio 1 vanaf 15:30 uur.
23.7.08
Democratie en de grote economie
Kiezers moeten zich niet als vragende consumenten maar als actieve en zelfbewuste burgers opstellen, betoogt Gert van Dijk in een essay waarin hij de relevantie van het coöperatieve denken voor enkele actuele kwesties uitlegt.
De Nederlandse bevolking heeft ruim drie jaar geleden ‘nee’ gezegd tegen een Europese Grondwet. Na dat Nederlandse (en Franse) ‘nee’ hebben de Europese regeringsleiders de verdragstekst enigszins herzien door enkele symbolen te schrappen en het resultaat niet langer een Grondwet maar een Verdrag (van Lissabon) genoemd. Vervolgens hebben de meeste regeringen gezegd dat zij dit resultaat niet opnieuw via een referendum aan de bevolking wilden voorleggen. De parlementen zouden de tekst beoordelen.
Zo is het in Nederland ook gebeurd. Eerst de Tweede en daarna de Eerste Kamer hebben het Verdrag van Lissabon onlangs geratificeerd. Tegelijkertijd werd via opiniepeilingen duidelijk dat een overduidelijke meerderheid van de Nederlandse bevolking opnieuw ‘nee’ tegen het nieuwe Verdrag zou hebben gezegd. De Ieren, die in een referendum wel hun zegje mochten doen, hebben het Verdrag inmiddels met een veto getroffen, en het is nu aan de Franse president Sarkozy om als voorzitter van de Europese Unie een oplossing uit deze situatie te vinden – waarbij BBC-columnist Dymond al heeft gesuggereerd dat de EU de Ieren het beste een goed glas whisky en revolver kan aanbieden met het verzoek de eer aan zichzelf te houden.
Wanneer politieke leiders een agenda tegen de wens van de bevolking in doorzetten, kan het niet anders of die buiten spel gezette bevolking blijft achter met een vaag gevoel van onbehagen. Politieke beslissingen worden dan iets wat burgers ‘overkomt’, zonder dat ze de kans hebben gehad het daar met elkaar over te hebben. Het onbehagen bij burgers bestaat vooral in het onbestemde maar ongemakkelijke gevoel dat zij zeggenschap kwijt raken, en in toenemende mate onmachtige pionnen worden in grote processen die goedpraters plegen aan te duiden met een term als de ‘onvermijdelijke globalisering’.
Die retoriek over onvermijdelijkheid en mondialisering speelde ook een rol bij de buitenlandse overname van ABN AMRO. De grote economie houd je niet tegen, zo heette het. Of grote Nederlandse bedrijven als Stork, Fokker, Philips, ABN AMRO of Schiphol in Nederlandse handen zijn en blijven, was dan ook onbelangrijk. We zijn nu eenmaal primair een handelsnatie en als de verkoop van een bedrijf lucratief is, doen we dat gewoon. En als er al protesten komen tegen de verkwanseling van Nederlands erfgoed of tegen het verdwijnen van Nederland als financieel centrum, gaat de minister van Financiën achter een microfoon staan en zegt dat hij ondubbelzinnige ‘randvoorwaarden’ ten aanzien van de vestigingsplaats van het hoofdkantoor of de werkgelegenheid op korte termijn heeft bedongen. En daar blijft het dan bij.
Of al deze ontwikkelingen zo dwingend en onvermijdelijk zijn, staat echter nog te bezien. Zo af en toe worden alternatieven gepresenteerd, die dan niet bestaan in pleidooien voor een renationalisatie van de landelijke economie, maar wel in een pleidooi voor ‘een renationalisatie van het democratische dispuut’, met – in dit geval – de coöperatieve cultuur als inspiratiebron. Inzet daarbij is om onze grip en invloed op de economie en de overheid te heroveren.
Gert van Dijk, hoogleraar aan de universiteit van Wageningen en aan Nyenrode en van 1990 tot 2008 directeur van de Nationale Coöperatieve Raad (NCR), heeft vorige maand bij zijn afscheid een essay gepubliceerd (samen met de journalist Leo Klep) waarin hij probeert duidelijk te maken waarin het blijvende belang van het coöperatieve model gelegen is. Coöperaties, zo legt Van Dijk uit, zijn de laatste grote bedrijven die nog geheel in Nederlandse handen zijn. Bovendien vormen coöperaties democratische gemeenschappen waarbij de zeggenschap bij de leden berust. Ze varen in konvooi maar blijven baas over hun eigen schip, en over de koers van het konvooi. De vereniging van leden ziet niet alleen toe op goed bestuur maar formuleert ook de doelstelling van de onderneming.
Het woord ‘coöperatie’ zal bij de meeste mensen niet direct concrete associaties oproepen. Anderen zullen denken aan het CDA, de Rabobank, Campina-melk, groente- en bloemenveilingen en Univé. Dat is allemaal juist. Coöperaties zijn een vorm van zelforganisatie van vooral producenten (boeren bijvoorbeeld die hun melk willen afzetten) die door samenwerking bij de aan- en verkoop van producten hun economische macht willen vergroten. Hun motivatie was ‘liberaal’: het ging om ‘welbegrepen eigenbelang’, om het voor jezelf opkomen, en als je dat in je eentje niet goed genoeg kunt, doe je dat in samenwerking met anderen. De leden zijn mede-eigenaren en tegelijk de voornaamste zakenpartners van de coöperatie en zijn daarom direct betrokken bij het beleid van de organisatie. Het is een organisatievorm die vooral in Nederland heeft gefloreerd. Er is een Nationale Coöperatieve Raad waarbij de meeste coöperatieve ondernemingen zijn aangesloten, en er zijn in Tilburg en Wageningen leerstoelen waaraan ‘coöperatief recht’ kan worden gestudeerd.
Het punt is niet alleen dat coöperaties nog altijd grote en machtige ondernemingen zijn die een netwerk vormen dat door het CDA zorgvuldig wordt gekoesterd, maar ook dat het concept dat eraan ten grondslag ligt, nog altijd relevant blijft voor de discussie over de mondialisering van de economie en de kloof tussen burgers en politiek. Een coöperatie is immers niet alleen een onderneming die is opgericht om ervoor te zorgen dat de leden zoveel mogelijk winst op hun producten maken, maar ook een vereniging waarin de leden via hun interne democratie een buffer tegen de markt vormen. Samen bepalen zij hun eigen doelstellingen en formuleren daarmee de eigen voorwaarden waaronder zij willen produceren (waar, wat en hoe).
Zo zou ook onze democratie moeten functioneren als een buffer om in onderlinge samenspraak een aantal ‘eigen voorwaarden’ te handhaven. Wanneer de bestuurders die cultuur verwaarlozen, en de volksvertegenwoordigers te dicht tegen die bestuurders aankruipen – een recente klacht van vice-voorzitter Tjeenk Willink van de Raad van State, die Gert van Dijk volledig overneemt – kunnen die bestuurders voor rare verrassingen komen te staan. Zij hebben dan niet meer in de gaten wat er gaande is en worden dan overrompeld door het ‘nee’ tegen de Grondwet en de opkomst van Fortuyn, Wilders en Verdonk.
Maar de democratie wordt niet alleen bedreigd en ondermijnd door bestuurders die zich als CEO’s gaan dragen en niet meer luisteren naar wat er op het grondvlak gebeurt. Er dreigt ook een andere vermarkting van de politiek, die als het ware door die eerdere vermarkting wordt opgeroepen. In een democratie gebruiken burgers hun stem en invloed (voice) in maatschappelijke discussies. Maar als die stem niet wordt gehoord, veranderen ze van burgers in consumenten: ze eisen van de overheid dat het als professioneel bedrijf levert wat de ‘kiezersmarkt’ vraagt. Politici gaan dat dan ook beloven (Verdonk) of tonen zich verongelijkt (Balkenende) wanneer de burger ontevreden is met de producten die worden geleverd. En op den duur, aldus Gert van Dijk, wordt de kiezer klant-af. Omdat hij niet weg kan, gaat hij zweven. ‘Het consumentistische exit-mechanisme wint het van de inzet van de democratische voice.’
Waar het uiteindelijk op aan komt, is een mentaliteitsverandering: consumenten moeten veranderen in actieve burgers die het gevoel hebben samen voor iets te staan en zich daar ook voor willen inspannen. ‘Niet als vragende consument maar als actieve burger die samenwerkt met anderen om iets te bereiken of overeind te houden. Binnen, dankzij en ondanks de grote economie.’
Het essay van Gert van Dijk is een verrassende bijdrage aan een al langer slepend debat over representatie, democratie en goed bestuur. De originele invalshoek is zonder meer verhelderend en de conclusies zeer behartigenswaardig. Want zelfbewuste burgers willen door niets of niemand in een situatie worden gemanoeuvreerd waarin whisky en een revolver het enige alternatief worden.
Recensie van: Gert van Dijk (i.s.m. Leo Klep), Democratie en de grote economie, NCR € 15
*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.
De Nederlandse bevolking heeft ruim drie jaar geleden ‘nee’ gezegd tegen een Europese Grondwet. Na dat Nederlandse (en Franse) ‘nee’ hebben de Europese regeringsleiders de verdragstekst enigszins herzien door enkele symbolen te schrappen en het resultaat niet langer een Grondwet maar een Verdrag (van Lissabon) genoemd. Vervolgens hebben de meeste regeringen gezegd dat zij dit resultaat niet opnieuw via een referendum aan de bevolking wilden voorleggen. De parlementen zouden de tekst beoordelen.
Zo is het in Nederland ook gebeurd. Eerst de Tweede en daarna de Eerste Kamer hebben het Verdrag van Lissabon onlangs geratificeerd. Tegelijkertijd werd via opiniepeilingen duidelijk dat een overduidelijke meerderheid van de Nederlandse bevolking opnieuw ‘nee’ tegen het nieuwe Verdrag zou hebben gezegd. De Ieren, die in een referendum wel hun zegje mochten doen, hebben het Verdrag inmiddels met een veto getroffen, en het is nu aan de Franse president Sarkozy om als voorzitter van de Europese Unie een oplossing uit deze situatie te vinden – waarbij BBC-columnist Dymond al heeft gesuggereerd dat de EU de Ieren het beste een goed glas whisky en revolver kan aanbieden met het verzoek de eer aan zichzelf te houden.
Wanneer politieke leiders een agenda tegen de wens van de bevolking in doorzetten, kan het niet anders of die buiten spel gezette bevolking blijft achter met een vaag gevoel van onbehagen. Politieke beslissingen worden dan iets wat burgers ‘overkomt’, zonder dat ze de kans hebben gehad het daar met elkaar over te hebben. Het onbehagen bij burgers bestaat vooral in het onbestemde maar ongemakkelijke gevoel dat zij zeggenschap kwijt raken, en in toenemende mate onmachtige pionnen worden in grote processen die goedpraters plegen aan te duiden met een term als de ‘onvermijdelijke globalisering’.
Die retoriek over onvermijdelijkheid en mondialisering speelde ook een rol bij de buitenlandse overname van ABN AMRO. De grote economie houd je niet tegen, zo heette het. Of grote Nederlandse bedrijven als Stork, Fokker, Philips, ABN AMRO of Schiphol in Nederlandse handen zijn en blijven, was dan ook onbelangrijk. We zijn nu eenmaal primair een handelsnatie en als de verkoop van een bedrijf lucratief is, doen we dat gewoon. En als er al protesten komen tegen de verkwanseling van Nederlands erfgoed of tegen het verdwijnen van Nederland als financieel centrum, gaat de minister van Financiën achter een microfoon staan en zegt dat hij ondubbelzinnige ‘randvoorwaarden’ ten aanzien van de vestigingsplaats van het hoofdkantoor of de werkgelegenheid op korte termijn heeft bedongen. En daar blijft het dan bij.
Of al deze ontwikkelingen zo dwingend en onvermijdelijk zijn, staat echter nog te bezien. Zo af en toe worden alternatieven gepresenteerd, die dan niet bestaan in pleidooien voor een renationalisatie van de landelijke economie, maar wel in een pleidooi voor ‘een renationalisatie van het democratische dispuut’, met – in dit geval – de coöperatieve cultuur als inspiratiebron. Inzet daarbij is om onze grip en invloed op de economie en de overheid te heroveren.
Gert van Dijk, hoogleraar aan de universiteit van Wageningen en aan Nyenrode en van 1990 tot 2008 directeur van de Nationale Coöperatieve Raad (NCR), heeft vorige maand bij zijn afscheid een essay gepubliceerd (samen met de journalist Leo Klep) waarin hij probeert duidelijk te maken waarin het blijvende belang van het coöperatieve model gelegen is. Coöperaties, zo legt Van Dijk uit, zijn de laatste grote bedrijven die nog geheel in Nederlandse handen zijn. Bovendien vormen coöperaties democratische gemeenschappen waarbij de zeggenschap bij de leden berust. Ze varen in konvooi maar blijven baas over hun eigen schip, en over de koers van het konvooi. De vereniging van leden ziet niet alleen toe op goed bestuur maar formuleert ook de doelstelling van de onderneming.
Het woord ‘coöperatie’ zal bij de meeste mensen niet direct concrete associaties oproepen. Anderen zullen denken aan het CDA, de Rabobank, Campina-melk, groente- en bloemenveilingen en Univé. Dat is allemaal juist. Coöperaties zijn een vorm van zelforganisatie van vooral producenten (boeren bijvoorbeeld die hun melk willen afzetten) die door samenwerking bij de aan- en verkoop van producten hun economische macht willen vergroten. Hun motivatie was ‘liberaal’: het ging om ‘welbegrepen eigenbelang’, om het voor jezelf opkomen, en als je dat in je eentje niet goed genoeg kunt, doe je dat in samenwerking met anderen. De leden zijn mede-eigenaren en tegelijk de voornaamste zakenpartners van de coöperatie en zijn daarom direct betrokken bij het beleid van de organisatie. Het is een organisatievorm die vooral in Nederland heeft gefloreerd. Er is een Nationale Coöperatieve Raad waarbij de meeste coöperatieve ondernemingen zijn aangesloten, en er zijn in Tilburg en Wageningen leerstoelen waaraan ‘coöperatief recht’ kan worden gestudeerd.
Het punt is niet alleen dat coöperaties nog altijd grote en machtige ondernemingen zijn die een netwerk vormen dat door het CDA zorgvuldig wordt gekoesterd, maar ook dat het concept dat eraan ten grondslag ligt, nog altijd relevant blijft voor de discussie over de mondialisering van de economie en de kloof tussen burgers en politiek. Een coöperatie is immers niet alleen een onderneming die is opgericht om ervoor te zorgen dat de leden zoveel mogelijk winst op hun producten maken, maar ook een vereniging waarin de leden via hun interne democratie een buffer tegen de markt vormen. Samen bepalen zij hun eigen doelstellingen en formuleren daarmee de eigen voorwaarden waaronder zij willen produceren (waar, wat en hoe).
Zo zou ook onze democratie moeten functioneren als een buffer om in onderlinge samenspraak een aantal ‘eigen voorwaarden’ te handhaven. Wanneer de bestuurders die cultuur verwaarlozen, en de volksvertegenwoordigers te dicht tegen die bestuurders aankruipen – een recente klacht van vice-voorzitter Tjeenk Willink van de Raad van State, die Gert van Dijk volledig overneemt – kunnen die bestuurders voor rare verrassingen komen te staan. Zij hebben dan niet meer in de gaten wat er gaande is en worden dan overrompeld door het ‘nee’ tegen de Grondwet en de opkomst van Fortuyn, Wilders en Verdonk.
Maar de democratie wordt niet alleen bedreigd en ondermijnd door bestuurders die zich als CEO’s gaan dragen en niet meer luisteren naar wat er op het grondvlak gebeurt. Er dreigt ook een andere vermarkting van de politiek, die als het ware door die eerdere vermarkting wordt opgeroepen. In een democratie gebruiken burgers hun stem en invloed (voice) in maatschappelijke discussies. Maar als die stem niet wordt gehoord, veranderen ze van burgers in consumenten: ze eisen van de overheid dat het als professioneel bedrijf levert wat de ‘kiezersmarkt’ vraagt. Politici gaan dat dan ook beloven (Verdonk) of tonen zich verongelijkt (Balkenende) wanneer de burger ontevreden is met de producten die worden geleverd. En op den duur, aldus Gert van Dijk, wordt de kiezer klant-af. Omdat hij niet weg kan, gaat hij zweven. ‘Het consumentistische exit-mechanisme wint het van de inzet van de democratische voice.’
Waar het uiteindelijk op aan komt, is een mentaliteitsverandering: consumenten moeten veranderen in actieve burgers die het gevoel hebben samen voor iets te staan en zich daar ook voor willen inspannen. ‘Niet als vragende consument maar als actieve burger die samenwerkt met anderen om iets te bereiken of overeind te houden. Binnen, dankzij en ondanks de grote economie.’
Het essay van Gert van Dijk is een verrassende bijdrage aan een al langer slepend debat over representatie, democratie en goed bestuur. De originele invalshoek is zonder meer verhelderend en de conclusies zeer behartigenswaardig. Want zelfbewuste burgers willen door niets of niemand in een situatie worden gemanoeuvreerd waarin whisky en een revolver het enige alternatief worden.
Recensie van: Gert van Dijk (i.s.m. Leo Klep), Democratie en de grote economie, NCR € 15
*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.
16.11.07
Ondernemer Ruud Koonstra
Deze week in het nieuwe nummer van Opinio een interview met ondernemer Ruud Koonstra. Jaffe Vink en ik spraken tevens met hem voor Het Gesprek in het nieuwe TV-praatprogramma Opinio TV.
8.9.07
Naargeestige afgunst
De majesteit zal begin volgende week de Gouden Koets weer bestijgen, en zich richting Ridderzaal begeven om de daar verzamelde leden van de Staten-Generaal op de hoogte te stellen van de plannen van haar regering voor het komende jaar.
De leden zullen veel bekends horen want de belangrijkste plannen zijn, opnieuw en zoals gebruikelijk, al weer uit gelekt.
Die plannen getuigen van een moedbenemende naargeestigheid. Wat je zou willen zien – ruimte, lucht, groei en dynamiek – zie je niet, wat je niet wilt zien – gemillimeter, lastenverzwaring, bedilzucht – duikt helaas overal op.
Om de nieuwe plannen te kunnen financieren neemt het kabinet de toevlucht tot enkele platte en voor de hand liggende maatregelen. Meer geld afpakken van de mensen, in de veronderstelling dat je dat geld veel beter weet te besteden dan die mensen zelf.
En zo gaat het btw-tarief met 5 procent omhoog, van 19 naar 20 procent. Nog makkelijker en platter: de accijns op roken, alcohol en benzine gaat ook (weer) omhoog. En natuurlijk wordt ook weer de leaseauto als melkkoe gebruikt. De Bosbelasting voor gepensioneerden wordt eerder ingevoerd dan aangekondigd, en de aftrekbaarheid van pensioenpremies wordt beperkt. Eigenaren van dure huizen worden extra belast door een stijging van het eigenwoningforfait voor huizen van meer dan 1 miljoen euro.
Ik weet niet of deze laatste maatregel tot veel compassie met die eigenaren van dure huizen zal leiden. Maar die lijkt mij toch op zijn plaats. Want stel dat je in Amsterdam woont, en daar dertig jaar geleden een huis hebt gekocht dat inmiddels meer dan 1 miljoen waard is (en dat je nu helemaal niet zou kunnen kopen) en dat je gewoon van plan bent er te blijven wonen. Dan leidt die stijging van het forfait voor een extra kostenpost van duizenden, zo niet tienduizenden euro’s.
Iedereen begrijpt dat hiermee hardwerkende Nederlanders de plannen van het kabinet moeten gaan betalen. Het ergst denkbare – de combinatie van een overheid die denkt zich overal mee te moeten bemoeien en daar veel geld voor nodig heeft, en het altijd weer pakken van de groep mensen waarop de economie drijft – getuigt van een deprimerende naargeestigheid. Het bewijst een gebrek aan elan en schwung die zeker in een periode van economische groei eigenlijk ondenkbaar zou moeten zijn.
Een kabinet als dit handelt in de veronderstelling dat niet burgers maar de regering de motor van een samenleving is. Daarom bieden zij geen ruimte – door lagere belastingen, minder regels en minder bemoeizucht – maar leggen zij zwaardere lasten op en bemoeien ze zich tot achter de achterdeur met de levens van burgers.
In dit klimaat is het te hopen dat er krachtig liberaal tegenwerk komt. Mark Rutte, leider van de VVD, heeft deze week in een speech bij de opening van het academisch jaar in Eindhoven veelbelovende dingen gezegd. Hij gruwt overduidelijk van de synthese van calvinistische middelmatigheid en sociaal-democratische nivelleringsdrift waarvan dit kabinet de belichaming is. Hij bepleit een overheid die zich beperkt tot de taken waar we een overheid voor hebben: een overheid die burgers beschermt tegen geweld, die de waarden van de democratische rechtsstaat handhaaft, zorgt voor een goede infrastructuur, de perverse ontwikkelingen van de afgelopen decennia in het onderwijs ongedaan maakt, ruimte biedt aan de vakbekwaamheid van artsen en leraren en agenten, en vooral: lasten verlicht.
Belastingbevrijdingsdag valt in Nederland ergens in de tweede helft van de maand juni. Dat betekent dus dat de gemiddelde burger (bijna) de helft van het jaar werkt om de speeltjes van politici te financieren.
‘Ik ben ervan overtuigd’, aldus Rutte, ‘dat een samenleving zelf veel beter en efficiënter met geld omgaat dan ministers, staatssecretarissen en ambtenaren’.
Zo is dat. Maar zo’n uitspraak getuigt van een vertrouwen in de kracht van burgers en de civil society die je binnen de huidige regeringsploeg niet aantreft. Geld afgeven, en wachten op ambtenaren die je problemen komen oplossen – dat is het devies van dit rood-gereformeerde kabinet.
Laten we uit protest aanstaande dinsdagmiddag niet achter de televisie gaan zitten.
*) Eerder verschenen in Binnenlands Bestuur.
De leden zullen veel bekends horen want de belangrijkste plannen zijn, opnieuw en zoals gebruikelijk, al weer uit gelekt.
Die plannen getuigen van een moedbenemende naargeestigheid. Wat je zou willen zien – ruimte, lucht, groei en dynamiek – zie je niet, wat je niet wilt zien – gemillimeter, lastenverzwaring, bedilzucht – duikt helaas overal op.
Om de nieuwe plannen te kunnen financieren neemt het kabinet de toevlucht tot enkele platte en voor de hand liggende maatregelen. Meer geld afpakken van de mensen, in de veronderstelling dat je dat geld veel beter weet te besteden dan die mensen zelf.
En zo gaat het btw-tarief met 5 procent omhoog, van 19 naar 20 procent. Nog makkelijker en platter: de accijns op roken, alcohol en benzine gaat ook (weer) omhoog. En natuurlijk wordt ook weer de leaseauto als melkkoe gebruikt. De Bosbelasting voor gepensioneerden wordt eerder ingevoerd dan aangekondigd, en de aftrekbaarheid van pensioenpremies wordt beperkt. Eigenaren van dure huizen worden extra belast door een stijging van het eigenwoningforfait voor huizen van meer dan 1 miljoen euro.
Ik weet niet of deze laatste maatregel tot veel compassie met die eigenaren van dure huizen zal leiden. Maar die lijkt mij toch op zijn plaats. Want stel dat je in Amsterdam woont, en daar dertig jaar geleden een huis hebt gekocht dat inmiddels meer dan 1 miljoen waard is (en dat je nu helemaal niet zou kunnen kopen) en dat je gewoon van plan bent er te blijven wonen. Dan leidt die stijging van het forfait voor een extra kostenpost van duizenden, zo niet tienduizenden euro’s.
Iedereen begrijpt dat hiermee hardwerkende Nederlanders de plannen van het kabinet moeten gaan betalen. Het ergst denkbare – de combinatie van een overheid die denkt zich overal mee te moeten bemoeien en daar veel geld voor nodig heeft, en het altijd weer pakken van de groep mensen waarop de economie drijft – getuigt van een deprimerende naargeestigheid. Het bewijst een gebrek aan elan en schwung die zeker in een periode van economische groei eigenlijk ondenkbaar zou moeten zijn.
Een kabinet als dit handelt in de veronderstelling dat niet burgers maar de regering de motor van een samenleving is. Daarom bieden zij geen ruimte – door lagere belastingen, minder regels en minder bemoeizucht – maar leggen zij zwaardere lasten op en bemoeien ze zich tot achter de achterdeur met de levens van burgers.
In dit klimaat is het te hopen dat er krachtig liberaal tegenwerk komt. Mark Rutte, leider van de VVD, heeft deze week in een speech bij de opening van het academisch jaar in Eindhoven veelbelovende dingen gezegd. Hij gruwt overduidelijk van de synthese van calvinistische middelmatigheid en sociaal-democratische nivelleringsdrift waarvan dit kabinet de belichaming is. Hij bepleit een overheid die zich beperkt tot de taken waar we een overheid voor hebben: een overheid die burgers beschermt tegen geweld, die de waarden van de democratische rechtsstaat handhaaft, zorgt voor een goede infrastructuur, de perverse ontwikkelingen van de afgelopen decennia in het onderwijs ongedaan maakt, ruimte biedt aan de vakbekwaamheid van artsen en leraren en agenten, en vooral: lasten verlicht.
Belastingbevrijdingsdag valt in Nederland ergens in de tweede helft van de maand juni. Dat betekent dus dat de gemiddelde burger (bijna) de helft van het jaar werkt om de speeltjes van politici te financieren.
‘Ik ben ervan overtuigd’, aldus Rutte, ‘dat een samenleving zelf veel beter en efficiënter met geld omgaat dan ministers, staatssecretarissen en ambtenaren’.
Zo is dat. Maar zo’n uitspraak getuigt van een vertrouwen in de kracht van burgers en de civil society die je binnen de huidige regeringsploeg niet aantreft. Geld afgeven, en wachten op ambtenaren die je problemen komen oplossen – dat is het devies van dit rood-gereformeerde kabinet.
Laten we uit protest aanstaande dinsdagmiddag niet achter de televisie gaan zitten.
*) Eerder verschenen in Binnenlands Bestuur.
Subscribe to:
Posts (Atom)