In mijn artikel schreef ik dat:
de PVV de belichaming van een paniekerig soort van conservatisme is dat een middenpositie tussen prudent conservatisme en fascisme inneemt met een natuurlijke neiging tot de laatste stroming.Met die bijzin heb ik een gedachte herhaald - ontleend aan de niet zo bekende, conservatieve politiek filosoof Aurel Kolnai (1900-1973) - die ik in april vorig jaar al heb geuit in de Rooseveltlezing. Daarin heb ik uitvoerig uiteen gezet wat ‘prudent conservatisme’ is, en waarom alleen die stroming m.i. een adequaat tegenwicht kan bieden tegen ‘paniekconservatisme’ en het gevaar van neofascisme.
Nu wordt het woord ‘fascisme’ vaak gebruikt als een demoniserend label; vooral de vijanden van Fortuyn hebben het destijds als wapen tegen deze grote politicus ingebracht. De zaken die Kolnai opvoert als typering van het ‘paniekconservatisme’ (wat dus een tussenfase op de weg naar fascisme kan zijn) zijn niet alle op de PVV van toepassing. Voor een belangrijk aspect geldt dit echter wel: de zowel on-conservatieve als on-liberale neiging, en vooral het toegeven aan die neiging, om bij ieder probleem dat zich aandient onmiddellijk en uitsluitend de gewelddadige arm van de staat te hulp te roepen. Bij de PVV wordt de staat een almacht toegedicht en toegekend die in het federalistische denken van liberalisme en conservatisme niet bestaat. De macht van de staat is daar altijd begrensd door checks and balances, waaronder de macht van lagere overheden en de grenzen van de Grondwet.
Mijn artikel ‘Weimar in aanbouw’ ging echter niet over het probleem van het paniekconservatisme, maar over de constitutionele crisis waarin Nederland zich bevindt, en de zoektocht naar oplossingen daarvoor. Ik hoop op een even gepassioneerd debat over dat probleem.