Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over de studenten die protesteren tegen mogelijke bezuinigingen op Onderwijs. Hun basisbeurs wordt wellicht omgezet in een leenstelsel. Lijkt me een goed plan.
Studenten demonstreren, in Nijmegen, Amsterdam en Utrecht, tegen de voorgenomen bezuinigingen op het hoger onderwijs. Ze hebben er gebouwen en zalen bezet om uiting te geven aan hun protest.
Aanleiding is het plan van minister Plasterk van Onderwijs om de basisbeurs om te zetten in een sociaal leenstelsel. Is hun protest terecht?
Plasterks plan is onderdeel van de discussie die het kabinet de komende maanden in een wurggreep zal houden: de noodzaak om maar liefst 20 procent op de rijksbegroting te moeten bezuinigen om de gevolgen van de kredietcrisis op te vangen. Het gaat om het astronomische bedrag van (minimaal) 35 miljard euro. En het is duidelijk dat de discussie over de te maken keuzes een uiterste beroep op de spankracht van dit kabinet zal doen. Terwijl de PvdA ertoe neigt de hoogte van het bedrag een beetje af te zwakken, wil Balkenende het liefst veel meer bezuinigen dan die 35 miljard (zo zei hij in een interview in het kerstnummer van Elsevier.) Hij wil ook, zo zei hij in hetzelfde interview, de verzorgingsstaat hervormen, bijvoorbeeld door de duur van de WW-uitkering te beperken – een maatregel die de ChristenUnie niet snel zal meemaken. Van een verhoging van de inkomstenbelasting wil Balkenende daarentegen niets weten, en dat terwijl de PvdA openlijk speculeert over de mogelijkheid om het toptarief naar 60 procent te verhogen.
Deze discussie beperkt zich niet alleen tot de Haagse coalitie, maar vindt nu al zijn neerslag, om begrijpelijke redenen, in alle lagen van de bevolking. ‘Gewone mensen’ willen weten wat de bezuinigingen heel concreet voor hen gaan betekenen, temeer omdat de geruchten toenemen die zeggen dat we nog maar de eerste golf van de crisis over ons heen hebben gehad en dat er nog veel meer slecht nieuws op komst is. De Nederlandse gemeenten gaan een bijzondere periode tegemoet. De effecten van de economische recessie zullen hun weerslag vinden in de gemeentelijke begrotingen. De verminderde inkomsten vanuit het Rijk vragen om keuzes die de nieuwe colleges na de verkiezingen in maart 2010 moeten gaan maken. Een speciale lustrumeditie van het Gemeente Debat op 28 april a.s. gaat over deze problematiek.
Zoals ‘gewone mensen’ en gemeenten zich afvragen wat de consequenties van de voorgenomen bezuinigingen voor hun portemonnee en begroting zullen zijn, zo doen studenten dat ook. Minister Plasterk heeft al laten weten dat hij hun rumoer positief begroet.
Elk ministerie moet de komende maanden duidelijk maken waar het 20 procent op zijn uitgaven wil korten. Er is geen enkele reden om het Onderwijs daarvan (bij voorbaat) af te sluiten. En als er dan moet worden bezuinigd is het goed om dat niet te doen op het onderwijs al zodanig (dat is vaak al slecht en massaal genoeg), maar op de geldvretende studiefinanciering. Het is om meerdere redenen helemaal geen slecht idee om studenten geen geld te schenken (in het huidige systeem van de prestatiebeurs wordt de basisbeurs omgezet in een gift wanneer de student binnen tien [!] jaar afstudeert). Een studie is een investering in hun eigen toekomst. Het argument dat het niet goed is om jonge mensen met een schuld aan hun maatschappelijke loopbaan te laten beginnen wordt meer dan gecompenseerd door alles wat ze als kwalificaties hebben meegekregen als gevolg van hun studie.
Bovendien verdienen jonge mensen die hun studie hebben afgerond gemiddeld 32 procent meer dan een jongere zonder hogere opleiding. Een studieschuld van 12.000 euro (de basisbeurs bedraagt 250 euro per maand, dus 3000 euro per jaar, dus 12.000 euro in vier jaar), stelt dit percentage met 1 procent naar beneden bij tot 31 procent. Besef van het voorrecht dat je als student geniet, gecombineerd met de voordelen die je er achteraf van geniet, zou eigenlijk een felle blos op de wangen van de protesterende studenten moeten doen verschijnen.
Showing posts with label onderwijs. Show all posts
Showing posts with label onderwijs. Show all posts
2.2.10
5.1.10
Onderwijs
Ik heb het, geloof ik, hier nog nooit onthuld, maar ik werk twee dagen per week op een school voor voortgezet onderwijs in Rotterdam. Ik ben dat gaan doen nadat ik in het voorjaar van 2009 was uitgenodigd om voor een VWO-5 klas een lezing te geven over burgerschap. Dat was toen erg leuk, veel leuker dan het onderzoeksbaantje dat ik had, en toen er kort daarop een vacature kwam op mijn eigen oude school voor een leraar geschiedenis en maatschappijleer heb ik gesolliciteerd en ben ik nog aangenomen ook.
Ik geef les sinds het begin van dit schooljaar, en dat is me tot nog toe uitstekend bevallen. Maar nu ik zelf in de wereld van het onderwijs ben beland, maak ik me nog meer zorgen over het onderwijs dan ik voorheen al deed.
Er is heel lang veel te doen geweest over het onderwijs. Dat heeft destijds geresulteerd in de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie, geleid door de PvdA’er Jeroen Dijsselbloem, die nu al weer bijna twee jaar geleden een vernietigend rapport over de onderwijsvernieuwingen publiceerde. Het ‘nieuwe leren’ was eigenlijk helemaal niet zo’n goed idee, en is op een onverantwoorde manier ingevoerd. Ik heb zo maar het idee dat er sindsdien eigenlijk heel weinig is veranderd. Het systeem heeft zich weer gesloten, hoorde ik Ad Verbrugge (een van de initiatiefnemers van de vereniging Beter Onderwijs Nederland) onlangs zeggen. Het belangrijkste nieuws werd een verhoging van de lerarensalarissen met 3 procent – waarvan de scholen de helft overigens zelf moesten betalen.
De problemen in het onderwijs zijn en blijven ontstellend groot. De Volkskrant heeft onlangs een ‘panel van wijzen’ aangesteld die een onderwijsagenda met zes hoofdthema’s hebben opgesteld. Er is op de scholen teveel organisatorische rompslomp. Ouders en scholen staan te ver van elkaar af. De arbeidsvoorwaarden voor docenten zijn niet om over naar huis te schrijven. Er is te weinig maatwerk in het onderwijs, zodat er in de lessen geen recht kan worden gedaan aan de diversiteit van de leerlingen. De talenten van de leerlingen worden onvoldoende ontwikkeld. Docenten moeten meer kennis verwerven, meer kunde en meer vaardigheden.
Het is nogal wat. En dan zijn ze het belangrijkste nog vergeten: de inhoud, het curriculum van het onderwijs. Als we weer willen begrijpen dat onderwijs meer is dan het aanleren van vaardigheden, meer dan een opleiding waarmee je later iets nuttigs kunt gaan doen, als we weer willen begrijpen dat onderwijs er in eerste instantie is om mensen iets te leren en ze daarmee te vormen, dan moeten we het daar toch over hebben.
Als leraartje moet je ondertussen maar afwachten wat alle discussies over vernieuwingen en herzieningen gaan opleveren. Je leeft bij het adagium van Winston Churchill, die zijn politieke filosofie eens samenvatte met de letters K.M.T: Keep Muddling Through. Je moddert gewoon door omdat onderwijs er niet is voor leraren, ministers of Kamerleden, maar voor leerlingen. In het misschien wel beste boekje dat ooit over het onderwijs is geschreven, door Augustinus (354 – 430), staat al dat je onderwijs alleen met plezier en voldoening kunt blijven geven wanneer je van je vak houdt en van je leerlingen. Om hen gaat het immers. De belangrijkste eigenschap waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar 'krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde'. Alleen dat verdrijft uiteindelijk 'de duistenis van afkeer en verveling' die het onderwijs meer dan wat ook bedreigt.
Ik geef les sinds het begin van dit schooljaar, en dat is me tot nog toe uitstekend bevallen. Maar nu ik zelf in de wereld van het onderwijs ben beland, maak ik me nog meer zorgen over het onderwijs dan ik voorheen al deed.
Er is heel lang veel te doen geweest over het onderwijs. Dat heeft destijds geresulteerd in de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie, geleid door de PvdA’er Jeroen Dijsselbloem, die nu al weer bijna twee jaar geleden een vernietigend rapport over de onderwijsvernieuwingen publiceerde. Het ‘nieuwe leren’ was eigenlijk helemaal niet zo’n goed idee, en is op een onverantwoorde manier ingevoerd. Ik heb zo maar het idee dat er sindsdien eigenlijk heel weinig is veranderd. Het systeem heeft zich weer gesloten, hoorde ik Ad Verbrugge (een van de initiatiefnemers van de vereniging Beter Onderwijs Nederland) onlangs zeggen. Het belangrijkste nieuws werd een verhoging van de lerarensalarissen met 3 procent – waarvan de scholen de helft overigens zelf moesten betalen.
De problemen in het onderwijs zijn en blijven ontstellend groot. De Volkskrant heeft onlangs een ‘panel van wijzen’ aangesteld die een onderwijsagenda met zes hoofdthema’s hebben opgesteld. Er is op de scholen teveel organisatorische rompslomp. Ouders en scholen staan te ver van elkaar af. De arbeidsvoorwaarden voor docenten zijn niet om over naar huis te schrijven. Er is te weinig maatwerk in het onderwijs, zodat er in de lessen geen recht kan worden gedaan aan de diversiteit van de leerlingen. De talenten van de leerlingen worden onvoldoende ontwikkeld. Docenten moeten meer kennis verwerven, meer kunde en meer vaardigheden.
Het is nogal wat. En dan zijn ze het belangrijkste nog vergeten: de inhoud, het curriculum van het onderwijs. Als we weer willen begrijpen dat onderwijs meer is dan het aanleren van vaardigheden, meer dan een opleiding waarmee je later iets nuttigs kunt gaan doen, als we weer willen begrijpen dat onderwijs er in eerste instantie is om mensen iets te leren en ze daarmee te vormen, dan moeten we het daar toch over hebben.
Als leraartje moet je ondertussen maar afwachten wat alle discussies over vernieuwingen en herzieningen gaan opleveren. Je leeft bij het adagium van Winston Churchill, die zijn politieke filosofie eens samenvatte met de letters K.M.T: Keep Muddling Through. Je moddert gewoon door omdat onderwijs er niet is voor leraren, ministers of Kamerleden, maar voor leerlingen. In het misschien wel beste boekje dat ooit over het onderwijs is geschreven, door Augustinus (354 – 430), staat al dat je onderwijs alleen met plezier en voldoening kunt blijven geven wanneer je van je vak houdt en van je leerlingen. Om hen gaat het immers. De belangrijkste eigenschap waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar 'krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde'. Alleen dat verdrijft uiteindelijk 'de duistenis van afkeer en verveling' die het onderwijs meer dan wat ook bedreigt.
3.4.09
Lenteschool Edmund Burke Stichting
De eerstvolgende activiteit van de Edmund Burke Stichting is de eendaagse Lenteschool die op 1 mei 2009 zal plaatshebben in Utrecht, met als docenten Diederik Boomsma, Emma Cohen de Lara, Patrick Overeem, Andreas Kinneging en mijzelf. Thema van de Lenteschool is: De relevantie van het conservatisme anno 2009. De bijeenkomst is bedoeld voor enthousiaste studenten, promovendi en recent afgestudeerden met affiniteit met het conservatisme. Voorkennis is niet vereist. De Lenteschool is vooral geschikt voor wie nooit eerder een bijeenkomst in het kader van het EBS-studentprogramma heeft gevolgd. Aanmelden kan door het sturen van een c.v. en een motivatie naar info@burkestichting.nl voor 6 april a.s.
14.1.09
Geschiedenisboeken en Pim Fortuyn
Mijn nieuwe column in de Elsevier van deze week is geschreven naar aanleiding van de presentatie van een biografie van de grootvader van Frits Bolkestein. Maar de column spitst zich toe op een geschiedenisboek voor de HAVO waarin valselijk wordt verkondigd dat Pim Fortuyn zijn besluit de politiek in te gaan 'een maand na de aanslagen in New York' zou hebben aangekondigd:
'... Ik heb er hier al eerder op gewezen dat sommige boeken heel rare dingen over Fortuyn te melden hebben: hij zou door ‘een onbekende man’ zijn doodgeschoten en zijn ‘scherpe opvattingen’ zouden hem op die manier ‘noodlottig’ zijn geworden (Elsevier van 13 september 2008). Het boek Geschiedenis Werkplaats (alweer een uitgave van Wolters Noordhoff, 2006) moet HAVO-leerlingen in de tweede fase een ‘historisch overzicht’ bijbrengen. Maar over Pim Fortuyn moeten zij leren dat hij zich ‘een maand na de aanslagen in New York’ (van 11 september 2001) kandidaat stelde voor de verkiezingen van mei 2002.
Iedereen weet (of kan even opzoeken) dat Fortuyn al eerder, eind augustus 2001, aankondigde dat hij de politiek in ging. Zijn laatste column in Elsevier (‘Ik kom eraan!’) is van 1 september 2001. Door het zo voor te stellen alsof hij dat deed na de aanslagen in New York, wordt gesuggereerd dat Fortuyn een xenofoob was die politiek gewin uit die aanslagen wilde halen....'
Lees de hele column in de Elsevier van deze week. U kunt zich hier abonneren.
'... Ik heb er hier al eerder op gewezen dat sommige boeken heel rare dingen over Fortuyn te melden hebben: hij zou door ‘een onbekende man’ zijn doodgeschoten en zijn ‘scherpe opvattingen’ zouden hem op die manier ‘noodlottig’ zijn geworden (Elsevier van 13 september 2008). Het boek Geschiedenis Werkplaats (alweer een uitgave van Wolters Noordhoff, 2006) moet HAVO-leerlingen in de tweede fase een ‘historisch overzicht’ bijbrengen. Maar over Pim Fortuyn moeten zij leren dat hij zich ‘een maand na de aanslagen in New York’ (van 11 september 2001) kandidaat stelde voor de verkiezingen van mei 2002.
Iedereen weet (of kan even opzoeken) dat Fortuyn al eerder, eind augustus 2001, aankondigde dat hij de politiek in ging. Zijn laatste column in Elsevier (‘Ik kom eraan!’) is van 1 september 2001. Door het zo voor te stellen alsof hij dat deed na de aanslagen in New York, wordt gesuggereerd dat Fortuyn een xenofoob was die politiek gewin uit die aanslagen wilde halen....'
Lees de hele column in de Elsevier van deze week. U kunt zich hier abonneren.
2.11.08
Vorming door Grote Boeken
De GroteBoeken – de klassieken uit de westerse beschavingstraditie – moeten vanzelfsprekend worden gelezen. Maar belangrijker nog dan de vraag wát we lezen is de vraag hóe we lezen.
In de Amerikaanse stad Annapolis (Maryland), een uurtje rijden van de hoofdstad Washington, staat een van de meest bijzondere scholen die ik ooit heb bezocht: St. John’s College. Het is geen middelbare school en geen universiteit. Het zit er tussenin, dit liberal arts college. Op de campus staan fraaie achttiende- en negentiende-eeuwse gebouwen, en in de klaslokalen zitten docenten en studenten met elkaar opeengepakt rond een soort huiskamertafel. Ze lezen met elkaar één specifiek boek, en de les bestaat in één lange onderlinge discussie van het gelezene.
Vier jaar duurt een verblijf aan deze school, en de studenten doen in die vier jaar niets anders dan met elkaar boeken lezen. Niet zomaar boeken maar Great Books, de Grote Boeken uit de westerse beschavingtraditie. Zo lezen ze in hun eerste jaar alles van Homerus en Plato en andere Griekse schrijvers, in hun tweede jaar de Romeinen, Augustinus en de belangrijke teksten uit de Middeleeuwen en de Renaissance, zoals Dante en Chaucer, Machiavelli, Rabelais en Montaigne. In het derde jaar volgen de grote schrijvers uit de vroegmoderne tijd, tot en met de romans van Jane Austen, en in het vierde en laatste jaar staan de belangrijke filosofen, schrijvers en politici van de negentiende en twintigste eeuw op het programma. De studenten verdiepen zich niet alleen in literaire, filosofische en politieke teksten, maar ook in muziek (een mis van Josquin Des Prez bijvoorbeeld) en in de belangrijke publicaties uit de geschiedenis van de wetenschap, van Harvey en Copernicus tot Newton en Einstein. In laboratoria doen zij zelfs de proeven na die deze geleerden tot hun grote ontdekkingen hebben gebracht.
Het is natuurlijk prachtig allemaal. En de reden dat dit soort scholen (St. John’s is al lang niet meer het enige liberal arts college) zo succesvol is, is zo goed als zeker gelegen in de stuitende teloorgang van het onderwijs, ook in de Verenigde Staten. Schrijvers die vroeger op een beetje gymnasium werden gelezen, moeten nu in een soort vervolgcursus aan de orde komen. Maar het mooie is natuurlijk wel dat het gebeurt, en mooier nog is dat de deelnemers deze jaren beschouwen als de basis van hun (latere) universitaire scholing, of ze nu talen, rechten of geschiedenis of een exact vak gaan studeren. Een beschaafd mens laat zich vormen door de wijsheid der eeuwen zoals die in boeken is neergeslagen – door ‘the best that has been thought and said’, zoals de negentiende-eeuwse Engelse pedagoog Matthew Arnold het uitdrukte. En die vorming dient aan iedere verdere specifieke studie vooraf te gaan.
Toch schuilt er zelfs bij zoveel moois een adder onder het gras. De docenten begeleiden de studenten tamelijk losjes. Zij spreken geen oordeel over de gelezen boeken uit en dringen zeker geen oordeel aan de studenten op. Alle boeken zijn even belangrijk en even lezenswaardig, als producten van de menselijke geest. Of sommige boeken waar zijn en anderen onwaar, dat moeten de studenten maar voor zichzelf ontdekken en uitmaken. De docenten helpen de studenten alleen om tot de inhoud van de boeken door te dringen.
Er zit dus een enorm relativisme in zo’n Grote Boekenprogramma ingebakken. Het gaat om wát de studenten lezen – een bepaalde canon van grote Boeken. Het gaat er niet om hóe ze die boeken lezen, zoekend en onderscheidend, op zoek naar een objectieve waarheid.
De kritiek die dus op die op zich prachtige Grote Boekenprogramma’s mogelijk is, kan ook geleverd worden op de serie boeken die de Amsterdamse uitgever Mets & Schilt sinds dit jaar op de markt brengt: een serie vertalingen van boeken (uitgegeven door de Amerikaanse uitgever Atlantic Books) over ‘boeken die de wereld veranderden’. Er zijn nu drie delen verschenen: over de Bijbel, over de Ilias en de Odyssee van Homerus, en over de economische werken van Adam Smith. Op het programma staan nog boeken over Het Kapitaal van Karl Marx, over Plato’s Politeia, de Koran, De oorsprong der soorten van Charles Darwin, De rechten van de mens van Thomas Paine, en Over de oorlog van Clausewitz . Het zijn boeken die ook deel uitmaken van het curriculum op St. John’s, en het zijn inderdaad boeken die de wereld hebben veranderd en daarmee klassiek zijn, onderdeel van de canon van boeken die een goed opgevoed mens gelezen dient te hebben. Maar hóe worden deze boeken gelezen in de boeken die aan hen zijn gewijd?
Het boek over de Bijbel is geschreven door de beroemde godsdiensthistorica Karen Armstrong. Auteur van het boek over Homerus is de Argentijnse essayist en bibliofiel Alberto Manguel. Patrick Jake O’Rourke tekent voor het boek over Adam Smith. Karen Armstrong gaat door voor een specialiste op het terrein van de drie monotheïstische godsdiensten en publiceerde al eerder over Mohammed en de Islam en schreef een boek dat zij de titel Een geschiedenis van God meegaf. Alberto Manguel (1948) is een fenomenaal geleerde man, een minnaar van boeken en literatuur, auteur van boeken over lezen en over bibliotheken. O’Rourke (1947) is een begaafd en veelzijdig publicist en is momenteel verbonden aan het Cato Institute in Washington, een ‘klassiek-liberale’ ofwel ‘libertarische’ denktank, die het gedachtegoed verspreidt dat kan worden samengevat in de opvatting dat de overheid, zeker in het economische leven, geen onderdeel van de oplossing maar van het probleem is.
Armstrong behandelt de Bijbel niet als een goddelijk maar als een puur menselijk boek, met teksten van uitlopende aard die een lange ontstaansgeschiedenis hebben en na hun codificatie een enorme invloed hebben uitgeoefend. Dat ontstaan weerspiegelt vooral de onderlinge discussies tussen de schrijvers en redacteuren van de Bijbel en weerspiegelt vooral de tijd waarin zij leefden. In de hoofdstukken over de invloed van de Bijbel beschrijft Armstrong de manier waarop teksten in de loop van de tijd zijn gelezen en uitgelegd, en ook dat natuurlijk weer met de maatschappelijke omstandigheden als bepalende factor. Er zijn erge dingen met de Bijbel gebeurd, zo legt Armstrong vast: slavernij en antisemitisme zijn ermee gerechtvaardigd, ‘christenfundamentalisten’ zijn aan de haal gegaan met het boek Openbaring, zoals Joodse kolonisten dat hebben gedaan met het boek Jozua.
Ik heb het niet zo op die Armstrong, eerlijk gezegd. Er staat veel onzin in haar boek. Zo zegt ze dat de Bijbel een gewelddadig boek is, veel meer dan de Koran, en dat we ons nadrukkelijk moeten distantiëren van onze christelijke cultuur die eigenlijk vooral ellende heeft voortgebracht. Die boodschap maakt Armstrong tot zo’n succesvol auteur, denk ik, vooral ook omdat ze eraan toevoegt dat het met de islam en de profeet wel snor zit en dat we voor die man en zijn boek helemaal niet op onze qui-vive behoeven te zijn. Dat is precies wat de meeste mensen willen horen.
Van het boek van Manguel heb ik genoten. Zijn verhaal over de twee oude verhalen van die ene dichter aan het begin van de westerse literatuurgeschiedenis, de blinde Homerus – het verhaal over de val van Troje en het verhaal over de lange thuisreis van Odysseus – groeit in dit elegante boek uit tot een geschiedenis van de wereldliteratuur zelf. Vergilius smeedde die verhalen om tot een groots epos over het ontstaan van het Romeinse Rijk, grote schrijvers als Dante, James Joyce en Derek Walcott zijn er beslissend door beïnvloed. Manguel weet het en kan het minutieus beschrijven omdat hij nu eenmaal alles heeft gelezen, en er op een zeldzaam vervoerende wijze over kan schrijven.
O’Rourke heeft het boek geschreven dat nu, in tijden van financiële crisis, door iedereen zou moeten worden gelezen. Het boek van Adam Smith over The Wealth of Nations (1776) geldt als de grondslag van het westerse kapitalisme, omdat hij (onder veel meer) schreef dat een bakker niet uit liefdadigheid brood bakt maar omdat er vraag naar is en er dus een prijs voor kan worden gevraagd, en dat dit systeem prima is. Maar veel minder bekend is dat Smith eerder een boek schreef met de titel The Theory of Moral Sentiments (1759), en dat boek is een deugdethiek. Smith was van mening dat het kapitalistische systeem alleen goed kon functioneren wanneer het werd gedragen door goed opgevoede en gevormde mensen die zich de deugden (de waarden en normen) eigen hebben gemaakt die een ongebreidelde hebzucht in toom houden. Die vorming is een betere garantie tegen de verwording van het kapitalistische systeem dan massaal overheidsingrijpen.
Aan het boek van Armstrong zou ik geen zuur verdiend geld verbranden, het boek van Manguel wens ik in de handen van vele literatuurliefhebbers, en het boek van O’Rourke zou ik graag in ieders bezit zien, nu vele commentatoren in een vlaag van linksig revanchisme de schuld van de huidige kredietcrisis bij het kapitalisme leggen. Als alle bankiers en beurshandelaren hun Adam Smith hadden gelezen, hadden we de afgelopen weken en maanden hele andere voorpagina’s gehad.
Alberto Manguel, De Ilias en de Odyssee van Homerus
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 252 blz.; ISBN 978 90 5330 659 8; € 18,-
P. J. O’Rourke, The Wealth of Nations van Adam Smith
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 222 blz.; ISBN 978 90 5330 636 9; € 18,-
Karen Armstrong, De Bijbel
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 272 blz.; ISBN 978 90 5330 578 2; € 18,-
*) Deze recensie verscheen eerder in het Reformatorisch Dagblad.
In de Amerikaanse stad Annapolis (Maryland), een uurtje rijden van de hoofdstad Washington, staat een van de meest bijzondere scholen die ik ooit heb bezocht: St. John’s College. Het is geen middelbare school en geen universiteit. Het zit er tussenin, dit liberal arts college. Op de campus staan fraaie achttiende- en negentiende-eeuwse gebouwen, en in de klaslokalen zitten docenten en studenten met elkaar opeengepakt rond een soort huiskamertafel. Ze lezen met elkaar één specifiek boek, en de les bestaat in één lange onderlinge discussie van het gelezene.
Vier jaar duurt een verblijf aan deze school, en de studenten doen in die vier jaar niets anders dan met elkaar boeken lezen. Niet zomaar boeken maar Great Books, de Grote Boeken uit de westerse beschavingtraditie. Zo lezen ze in hun eerste jaar alles van Homerus en Plato en andere Griekse schrijvers, in hun tweede jaar de Romeinen, Augustinus en de belangrijke teksten uit de Middeleeuwen en de Renaissance, zoals Dante en Chaucer, Machiavelli, Rabelais en Montaigne. In het derde jaar volgen de grote schrijvers uit de vroegmoderne tijd, tot en met de romans van Jane Austen, en in het vierde en laatste jaar staan de belangrijke filosofen, schrijvers en politici van de negentiende en twintigste eeuw op het programma. De studenten verdiepen zich niet alleen in literaire, filosofische en politieke teksten, maar ook in muziek (een mis van Josquin Des Prez bijvoorbeeld) en in de belangrijke publicaties uit de geschiedenis van de wetenschap, van Harvey en Copernicus tot Newton en Einstein. In laboratoria doen zij zelfs de proeven na die deze geleerden tot hun grote ontdekkingen hebben gebracht.
Het is natuurlijk prachtig allemaal. En de reden dat dit soort scholen (St. John’s is al lang niet meer het enige liberal arts college) zo succesvol is, is zo goed als zeker gelegen in de stuitende teloorgang van het onderwijs, ook in de Verenigde Staten. Schrijvers die vroeger op een beetje gymnasium werden gelezen, moeten nu in een soort vervolgcursus aan de orde komen. Maar het mooie is natuurlijk wel dat het gebeurt, en mooier nog is dat de deelnemers deze jaren beschouwen als de basis van hun (latere) universitaire scholing, of ze nu talen, rechten of geschiedenis of een exact vak gaan studeren. Een beschaafd mens laat zich vormen door de wijsheid der eeuwen zoals die in boeken is neergeslagen – door ‘the best that has been thought and said’, zoals de negentiende-eeuwse Engelse pedagoog Matthew Arnold het uitdrukte. En die vorming dient aan iedere verdere specifieke studie vooraf te gaan.
Toch schuilt er zelfs bij zoveel moois een adder onder het gras. De docenten begeleiden de studenten tamelijk losjes. Zij spreken geen oordeel over de gelezen boeken uit en dringen zeker geen oordeel aan de studenten op. Alle boeken zijn even belangrijk en even lezenswaardig, als producten van de menselijke geest. Of sommige boeken waar zijn en anderen onwaar, dat moeten de studenten maar voor zichzelf ontdekken en uitmaken. De docenten helpen de studenten alleen om tot de inhoud van de boeken door te dringen.
Er zit dus een enorm relativisme in zo’n Grote Boekenprogramma ingebakken. Het gaat om wát de studenten lezen – een bepaalde canon van grote Boeken. Het gaat er niet om hóe ze die boeken lezen, zoekend en onderscheidend, op zoek naar een objectieve waarheid.
De kritiek die dus op die op zich prachtige Grote Boekenprogramma’s mogelijk is, kan ook geleverd worden op de serie boeken die de Amsterdamse uitgever Mets & Schilt sinds dit jaar op de markt brengt: een serie vertalingen van boeken (uitgegeven door de Amerikaanse uitgever Atlantic Books) over ‘boeken die de wereld veranderden’. Er zijn nu drie delen verschenen: over de Bijbel, over de Ilias en de Odyssee van Homerus, en over de economische werken van Adam Smith. Op het programma staan nog boeken over Het Kapitaal van Karl Marx, over Plato’s Politeia, de Koran, De oorsprong der soorten van Charles Darwin, De rechten van de mens van Thomas Paine, en Over de oorlog van Clausewitz . Het zijn boeken die ook deel uitmaken van het curriculum op St. John’s, en het zijn inderdaad boeken die de wereld hebben veranderd en daarmee klassiek zijn, onderdeel van de canon van boeken die een goed opgevoed mens gelezen dient te hebben. Maar hóe worden deze boeken gelezen in de boeken die aan hen zijn gewijd?
Het boek over de Bijbel is geschreven door de beroemde godsdiensthistorica Karen Armstrong. Auteur van het boek over Homerus is de Argentijnse essayist en bibliofiel Alberto Manguel. Patrick Jake O’Rourke tekent voor het boek over Adam Smith. Karen Armstrong gaat door voor een specialiste op het terrein van de drie monotheïstische godsdiensten en publiceerde al eerder over Mohammed en de Islam en schreef een boek dat zij de titel Een geschiedenis van God meegaf. Alberto Manguel (1948) is een fenomenaal geleerde man, een minnaar van boeken en literatuur, auteur van boeken over lezen en over bibliotheken. O’Rourke (1947) is een begaafd en veelzijdig publicist en is momenteel verbonden aan het Cato Institute in Washington, een ‘klassiek-liberale’ ofwel ‘libertarische’ denktank, die het gedachtegoed verspreidt dat kan worden samengevat in de opvatting dat de overheid, zeker in het economische leven, geen onderdeel van de oplossing maar van het probleem is.
Armstrong behandelt de Bijbel niet als een goddelijk maar als een puur menselijk boek, met teksten van uitlopende aard die een lange ontstaansgeschiedenis hebben en na hun codificatie een enorme invloed hebben uitgeoefend. Dat ontstaan weerspiegelt vooral de onderlinge discussies tussen de schrijvers en redacteuren van de Bijbel en weerspiegelt vooral de tijd waarin zij leefden. In de hoofdstukken over de invloed van de Bijbel beschrijft Armstrong de manier waarop teksten in de loop van de tijd zijn gelezen en uitgelegd, en ook dat natuurlijk weer met de maatschappelijke omstandigheden als bepalende factor. Er zijn erge dingen met de Bijbel gebeurd, zo legt Armstrong vast: slavernij en antisemitisme zijn ermee gerechtvaardigd, ‘christenfundamentalisten’ zijn aan de haal gegaan met het boek Openbaring, zoals Joodse kolonisten dat hebben gedaan met het boek Jozua.
Ik heb het niet zo op die Armstrong, eerlijk gezegd. Er staat veel onzin in haar boek. Zo zegt ze dat de Bijbel een gewelddadig boek is, veel meer dan de Koran, en dat we ons nadrukkelijk moeten distantiëren van onze christelijke cultuur die eigenlijk vooral ellende heeft voortgebracht. Die boodschap maakt Armstrong tot zo’n succesvol auteur, denk ik, vooral ook omdat ze eraan toevoegt dat het met de islam en de profeet wel snor zit en dat we voor die man en zijn boek helemaal niet op onze qui-vive behoeven te zijn. Dat is precies wat de meeste mensen willen horen.
Van het boek van Manguel heb ik genoten. Zijn verhaal over de twee oude verhalen van die ene dichter aan het begin van de westerse literatuurgeschiedenis, de blinde Homerus – het verhaal over de val van Troje en het verhaal over de lange thuisreis van Odysseus – groeit in dit elegante boek uit tot een geschiedenis van de wereldliteratuur zelf. Vergilius smeedde die verhalen om tot een groots epos over het ontstaan van het Romeinse Rijk, grote schrijvers als Dante, James Joyce en Derek Walcott zijn er beslissend door beïnvloed. Manguel weet het en kan het minutieus beschrijven omdat hij nu eenmaal alles heeft gelezen, en er op een zeldzaam vervoerende wijze over kan schrijven.
O’Rourke heeft het boek geschreven dat nu, in tijden van financiële crisis, door iedereen zou moeten worden gelezen. Het boek van Adam Smith over The Wealth of Nations (1776) geldt als de grondslag van het westerse kapitalisme, omdat hij (onder veel meer) schreef dat een bakker niet uit liefdadigheid brood bakt maar omdat er vraag naar is en er dus een prijs voor kan worden gevraagd, en dat dit systeem prima is. Maar veel minder bekend is dat Smith eerder een boek schreef met de titel The Theory of Moral Sentiments (1759), en dat boek is een deugdethiek. Smith was van mening dat het kapitalistische systeem alleen goed kon functioneren wanneer het werd gedragen door goed opgevoede en gevormde mensen die zich de deugden (de waarden en normen) eigen hebben gemaakt die een ongebreidelde hebzucht in toom houden. Die vorming is een betere garantie tegen de verwording van het kapitalistische systeem dan massaal overheidsingrijpen.
Aan het boek van Armstrong zou ik geen zuur verdiend geld verbranden, het boek van Manguel wens ik in de handen van vele literatuurliefhebbers, en het boek van O’Rourke zou ik graag in ieders bezit zien, nu vele commentatoren in een vlaag van linksig revanchisme de schuld van de huidige kredietcrisis bij het kapitalisme leggen. Als alle bankiers en beurshandelaren hun Adam Smith hadden gelezen, hadden we de afgelopen weken en maanden hele andere voorpagina’s gehad.
Alberto Manguel, De Ilias en de Odyssee van Homerus
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 252 blz.; ISBN 978 90 5330 659 8; € 18,-
P. J. O’Rourke, The Wealth of Nations van Adam Smith
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 222 blz.; ISBN 978 90 5330 636 9; € 18,-
Karen Armstrong, De Bijbel
Uitgeverij Mets & Schilt, Amsterdam; geb. met stofomslag, 272 blz.; ISBN 978 90 5330 578 2; € 18,-
*) Deze recensie verscheen eerder in het Reformatorisch Dagblad.
11.9.08
Onderwijs
Prominente politici hebben het academisch jaar geopend, de scholen zijn weer begonnen, en dus zie je overal leerlingen en studenten met rugzakken vol boeken over straat gaan. Ook in huize Spruyt zie ik zonen met tassen vol boeken sjouwen (mevrouw Spruyt en ik doen alleen in jongens) en als altijd bezorgde ouder onderwerp ik de inhoud van die boeken elk jaar aan een grondige inspectie. Ik kan iedereen alleen maar aanraden dat ook te doen.
Het kan namelijk zomaar gebeuren dat uw bloedjes van kinderen een geschiedenisboek in handen krijgen waaruit zij moeten leren dat burgers op verschillende manieren aan het politieke leven kunnen deelnemen: ‘Taarten in het gezicht van politici, ketchup over driedelig van politici, ketchup over driedelig grijs, kogelbrieven bij het ontbijt: burgers zijn niet alleen actief in het stemhokje.’ Als u bij deze passage aan Pim Fortuyn moet denken, dan moet u weten dat uw kinderen over hem leren dat hij op 6 mei 2002 door ‘een onbekende man’ is doodgeschoten.
Dat die man een linkse milieu activist was en Volkert van der Graaf heette, hoeven uw kinderen niet te weten. Wat zij wel moeten weten is dat die Fortuyn ‘scherpe opvattingen’ had, en dat die hem ‘uiteindelijk noodlottig’ zijn geworden. (Deze citaten zijn afkomstig uit het geschiedenisboek Indigo en het maatschappijleerboek Impuls, uitgaven van Wolters-Noordhoff.)...
Lees de rest van mijn wekelijkse column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
Het kan namelijk zomaar gebeuren dat uw bloedjes van kinderen een geschiedenisboek in handen krijgen waaruit zij moeten leren dat burgers op verschillende manieren aan het politieke leven kunnen deelnemen: ‘Taarten in het gezicht van politici, ketchup over driedelig van politici, ketchup over driedelig grijs, kogelbrieven bij het ontbijt: burgers zijn niet alleen actief in het stemhokje.’ Als u bij deze passage aan Pim Fortuyn moet denken, dan moet u weten dat uw kinderen over hem leren dat hij op 6 mei 2002 door ‘een onbekende man’ is doodgeschoten.
Dat die man een linkse milieu activist was en Volkert van der Graaf heette, hoeven uw kinderen niet te weten. Wat zij wel moeten weten is dat die Fortuyn ‘scherpe opvattingen’ had, en dat die hem ‘uiteindelijk noodlottig’ zijn geworden. (Deze citaten zijn afkomstig uit het geschiedenisboek Indigo en het maatschappijleerboek Impuls, uitgaven van Wolters-Noordhoff.)...
Lees de rest van mijn wekelijkse column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
5.9.08
Goed leraarschap
Een goede vriend van mij die in de Verenigde Staten woont, was onlangs een paar dagen in Nederland en zei dat hem niets zo verbaasde als de Nederlandse discussie over het onderwijs. Begin dit jaar presenteerde een speciale onderzoekscommissie een rapport waarvan de hoofdconclusie luidde dat de Nederlandse overheid ‘haar kerntaak, het zeker stellen van deugdelijk onderwijs, ernstig heeft verwaarloosd’. Dat is nogal wat. In het parlement is deze politieke boetedoening inmiddels met bijna verdacht enthousiasme omhelsd. Maar wie zou denken dat minister Plasterk sindsdien onverwijld aan de slag is gegaan, dat de gymnasia nu overal uit de grond schieten, dat de scholen en klassen kleiner zijn geworden en dat er overal weer gewoon gelukkige leraren voor de klas staan, heeft het mis. Plasterk lijkt ervoor te hebben gekozen de geschiedenis in te gaan als de hoedendragende halve bohemien die zich exclusief op de emancipatie van de homofiele medemens toelegt.
Bij de roep om goed onderwijs is inmiddels het besef doorgedrongen dat de kwaliteit en de positie van de leraar daarbij van het grootste belang is. Die moet goed zijn opgeleid en niet in bestuurlijke commissies zitten om ‘vernieuwingen te implementeren’ maar op een inspirerende manier voor de klas staan. Zijn die er nog, zulke leraren, of hangen de meesten moe gebeukt in de touwen, op zoek naar een escape?
Als dat laatste het geval is – en waarschijnlijk is het zo – is het goed ons te realiseren dat frustraties en ontmoediging bij leraren van alle tijden zijn, en dat er ook remedies tegen bestaan.
Aurelius Augustinus heeft meer dan 1600 jaar geleden een verhandeling geschreven over de vraag hoe je op een goede en inspirerende manier onderwijs kunt geven, zonder dat je als leraar je motivatie verliest. Deze Augustinus – hij werd geboren in het huidige Algerije en leefde van 354 tot 430 – was een zogeheten kerkvader. Hij was de zoon van een christelijke moeder en een heidense vader, was een beetje ondeugend in zijn jeugd en als zeer getalenteerde jongeman vooral erg ambitieus en daarom schopte hij het tot een algemeen bejubeld leraar en redenaar in Rome en Milaan. Na zijn bekering werd hij priester en bisschop van het Noord-Afrikaanse Hippo Regius, schreef hij boeken, preekte hij en fungeerde hij, de intellectuele leidsman, als vraagbaak voor talloze medechristenen.
Een van hen was een zekere Deogratias, van wie we alleen weten dat hij diaken was in Carthago. Carthago was destijds een van de belangrijkste centra van de christelijke kerk en cultuur. De bisschop had Deogratias opgedragen een soort basiscursus over het christelijk geloof te verzorgen. We schrijven het jaar 400, en na de bekering van keizer Constantijn (280 – 337) en verschillende edicten waarin het christelijk geloof vanaf het jaar 313 tot staatsgodsdienst uitgroeide, stroomden belangstellenden toe om zich te laten dopen en lid van de kerk te worden – vaak om redenen die minder verheven waren dan door de kerk wenselijk werd geacht.
Hoe doe je dat, het christelijk geloof uitleggen aan hordes ongeschoolde en maar matig geïnteresseerde mensen? Wat vertel je ze en wat niet? Hoe gretig mag en kun je zijn? Wat moet je doen als je jezelf hoort praten om dat je dezelfde riedel voor de zoveelste keer afsteekt? Hoe blijf je gemotiveerd als je het idee hebt dat je toehoorders je niet goed begrijpen, ook al betreed je slechts de platgetreden paden van de allereerste beginselen?
Het zijn de vragen die iedere leraar zich waarschijnlijk wel eens stelt wanneer hij voor de klas staat en in de zwarte afgrond van het hedendaags puberdom blikt, en iedere hoogleraar die geconfronteerd wordt met studenten die verrast opkijken wanneer ze horen dat Jezus en Christus geen broers maar een en dezelfde persoon zijn.
Deogratias legde zijn vragen aan Augustinus voor en deze beantwoordde ze in een kleine verhandeling over het geven van catechese die nu in een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen. (Het is prachtig dat uitgeverij Damon, evenals Ambo, steeds weer nieuwe en goede vertalingen van werken van Augustinus blijft uitbrengen. De uitgaven zijn zeer verzorgd en door deskundigen vervaardigd en ingeleid. In het boekje over het goede onderwijs wordt de lezer alleen onaangenaam getroffen door het vage woord ‘shows’ als vertaling van ‘spectacula’ en als Augustinus gewoon schrijft dat iemand christen wil worden en daartoe naar de kerk gaat, heet het hier dat iemand tot een ‘christelijke identiteit’ besloten heeft en naar de kerk komt om die te ‘realiseren’.)
In deze verhandeling laat Augustinus in de eerste plaats zien wat een goede leraar hij zelf was. ‘Mijzelf bevalt mijn eigen betoog ook bijna nooit’, merkt hij direct in het begin al begripvol op. De moeilijkheid bij het lesgeven bestaat vooral hierin dat het inzicht de geest als een ‘snelle lichtflits’ doordringt, terwijl het spreken traag is en heel lang duurt. Zo hobbelen we met gebrekkige formuleringen achter onze eigen gedachtegang aan en krijgt onze betoog iets heel onbevredigends. Dat kan zelfs leiden tot een diepe ‘innerlijke weerzin’, zo legt Augustinus uit. Hoe kunnen we er dan nog voor zorgen dat een leraar met plezier les blijft geven?
Het belangrijkste deel van Augustinus’ betoog gaat over die vraag, en de manier waarop hij die beantwoordt getuigt vaak van een diep psychologisch inzicht (die niet verrast bij de auteur van de Belijdenissen, die wel als de eerste ‘moderne’ autobiografie worden gezien). Het is van belang je verhaal af te stemmen op de samenstelling van de groep waartoe je je richt, en de verveling met blijmoedigheid te verdrijven. Maar de belangrijkste deugd waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar ‘krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde’. Alleen die deugd verdrijft uiteindelijk ‘de duisternis van afkeer en verveling’ die het onderwijs bedreigen.
Vanwege dit soort overwegingen is het lezen van dit boekje van Augustinus meer dan de moeite waard. Maar er is meer: we leren hier ook uit dat het geven van onderwijs in de eerste plaats een vak is dat bestaat uit het vertellen van een inhoudelijk verhaal. Het gaat om het overdragen van kennis. Augustinus geeft twee modelbetogen die Deogratias kunnen helpen om de essentie van het christelijk geloof kort en bondig uit te leggen. De tweede tekst is een samenvatting van de eerste en biedt ‘het christendom in een kwartier’, zoals de vertalers het uitdrukken. Ook dat is van belang in een tijd waarin die kennis sterk is afgenomen, zo niet verloren is gegaan.
En er is nog een laatste reden die lezing van dit werkje van Augustinus interessant maakt. In deze tekst, geschreven in het jaar 400, vinden we de eerste aanzetten tot de geschiedenisvisie die Augustinus, na de val van Rome (410), zou uitwerken tot het geschiedenisepos dat een van de pijlers van de westerse beschaving vormt: De stad van God (426). In die geschiedenis vormt de leer van de twee rijken (de stad van God en de stad van de mens) een van de belangrijkste elementen – en daaruit is, via de pauselijke reformaties van de elfde eeuw, het gedachtegoed ontstaan waarbinnen onze discussies over ‘de scheiding van kerk en staat’ mogelijk zijn geworden.
Het is geen schande wanneer een beschaving zich haar eigen identiteit weer bewust wordt. Deze tekst van Augustinus is niet alleen een bron van troost en vreugde voor allen die wel eens een groep mensen moeten toespreken, maar biedt ook een van de beste ingangen tot die heilzame bewustwording.
Recensie van: Aurelius Augustinus, Goed onderwijs, Damon € 19,90
*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.
Bij de roep om goed onderwijs is inmiddels het besef doorgedrongen dat de kwaliteit en de positie van de leraar daarbij van het grootste belang is. Die moet goed zijn opgeleid en niet in bestuurlijke commissies zitten om ‘vernieuwingen te implementeren’ maar op een inspirerende manier voor de klas staan. Zijn die er nog, zulke leraren, of hangen de meesten moe gebeukt in de touwen, op zoek naar een escape?
Als dat laatste het geval is – en waarschijnlijk is het zo – is het goed ons te realiseren dat frustraties en ontmoediging bij leraren van alle tijden zijn, en dat er ook remedies tegen bestaan.
Aurelius Augustinus heeft meer dan 1600 jaar geleden een verhandeling geschreven over de vraag hoe je op een goede en inspirerende manier onderwijs kunt geven, zonder dat je als leraar je motivatie verliest. Deze Augustinus – hij werd geboren in het huidige Algerije en leefde van 354 tot 430 – was een zogeheten kerkvader. Hij was de zoon van een christelijke moeder en een heidense vader, was een beetje ondeugend in zijn jeugd en als zeer getalenteerde jongeman vooral erg ambitieus en daarom schopte hij het tot een algemeen bejubeld leraar en redenaar in Rome en Milaan. Na zijn bekering werd hij priester en bisschop van het Noord-Afrikaanse Hippo Regius, schreef hij boeken, preekte hij en fungeerde hij, de intellectuele leidsman, als vraagbaak voor talloze medechristenen.
Een van hen was een zekere Deogratias, van wie we alleen weten dat hij diaken was in Carthago. Carthago was destijds een van de belangrijkste centra van de christelijke kerk en cultuur. De bisschop had Deogratias opgedragen een soort basiscursus over het christelijk geloof te verzorgen. We schrijven het jaar 400, en na de bekering van keizer Constantijn (280 – 337) en verschillende edicten waarin het christelijk geloof vanaf het jaar 313 tot staatsgodsdienst uitgroeide, stroomden belangstellenden toe om zich te laten dopen en lid van de kerk te worden – vaak om redenen die minder verheven waren dan door de kerk wenselijk werd geacht.
Hoe doe je dat, het christelijk geloof uitleggen aan hordes ongeschoolde en maar matig geïnteresseerde mensen? Wat vertel je ze en wat niet? Hoe gretig mag en kun je zijn? Wat moet je doen als je jezelf hoort praten om dat je dezelfde riedel voor de zoveelste keer afsteekt? Hoe blijf je gemotiveerd als je het idee hebt dat je toehoorders je niet goed begrijpen, ook al betreed je slechts de platgetreden paden van de allereerste beginselen?
Het zijn de vragen die iedere leraar zich waarschijnlijk wel eens stelt wanneer hij voor de klas staat en in de zwarte afgrond van het hedendaags puberdom blikt, en iedere hoogleraar die geconfronteerd wordt met studenten die verrast opkijken wanneer ze horen dat Jezus en Christus geen broers maar een en dezelfde persoon zijn.
Deogratias legde zijn vragen aan Augustinus voor en deze beantwoordde ze in een kleine verhandeling over het geven van catechese die nu in een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen. (Het is prachtig dat uitgeverij Damon, evenals Ambo, steeds weer nieuwe en goede vertalingen van werken van Augustinus blijft uitbrengen. De uitgaven zijn zeer verzorgd en door deskundigen vervaardigd en ingeleid. In het boekje over het goede onderwijs wordt de lezer alleen onaangenaam getroffen door het vage woord ‘shows’ als vertaling van ‘spectacula’ en als Augustinus gewoon schrijft dat iemand christen wil worden en daartoe naar de kerk gaat, heet het hier dat iemand tot een ‘christelijke identiteit’ besloten heeft en naar de kerk komt om die te ‘realiseren’.)
In deze verhandeling laat Augustinus in de eerste plaats zien wat een goede leraar hij zelf was. ‘Mijzelf bevalt mijn eigen betoog ook bijna nooit’, merkt hij direct in het begin al begripvol op. De moeilijkheid bij het lesgeven bestaat vooral hierin dat het inzicht de geest als een ‘snelle lichtflits’ doordringt, terwijl het spreken traag is en heel lang duurt. Zo hobbelen we met gebrekkige formuleringen achter onze eigen gedachtegang aan en krijgt onze betoog iets heel onbevredigends. Dat kan zelfs leiden tot een diepe ‘innerlijke weerzin’, zo legt Augustinus uit. Hoe kunnen we er dan nog voor zorgen dat een leraar met plezier les blijft geven?
Het belangrijkste deel van Augustinus’ betoog gaat over die vraag, en de manier waarop hij die beantwoordt getuigt vaak van een diep psychologisch inzicht (die niet verrast bij de auteur van de Belijdenissen, die wel als de eerste ‘moderne’ autobiografie worden gezien). Het is van belang je verhaal af te stemmen op de samenstelling van de groep waartoe je je richt, en de verveling met blijmoedigheid te verdrijven. Maar de belangrijkste deugd waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar ‘krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde’. Alleen die deugd verdrijft uiteindelijk ‘de duisternis van afkeer en verveling’ die het onderwijs bedreigen.
Vanwege dit soort overwegingen is het lezen van dit boekje van Augustinus meer dan de moeite waard. Maar er is meer: we leren hier ook uit dat het geven van onderwijs in de eerste plaats een vak is dat bestaat uit het vertellen van een inhoudelijk verhaal. Het gaat om het overdragen van kennis. Augustinus geeft twee modelbetogen die Deogratias kunnen helpen om de essentie van het christelijk geloof kort en bondig uit te leggen. De tweede tekst is een samenvatting van de eerste en biedt ‘het christendom in een kwartier’, zoals de vertalers het uitdrukken. Ook dat is van belang in een tijd waarin die kennis sterk is afgenomen, zo niet verloren is gegaan.
En er is nog een laatste reden die lezing van dit werkje van Augustinus interessant maakt. In deze tekst, geschreven in het jaar 400, vinden we de eerste aanzetten tot de geschiedenisvisie die Augustinus, na de val van Rome (410), zou uitwerken tot het geschiedenisepos dat een van de pijlers van de westerse beschaving vormt: De stad van God (426). In die geschiedenis vormt de leer van de twee rijken (de stad van God en de stad van de mens) een van de belangrijkste elementen – en daaruit is, via de pauselijke reformaties van de elfde eeuw, het gedachtegoed ontstaan waarbinnen onze discussies over ‘de scheiding van kerk en staat’ mogelijk zijn geworden.
Het is geen schande wanneer een beschaving zich haar eigen identiteit weer bewust wordt. Deze tekst van Augustinus is niet alleen een bron van troost en vreugde voor allen die wel eens een groep mensen moeten toespreken, maar biedt ook een van de beste ingangen tot die heilzame bewustwording.
Recensie van: Aurelius Augustinus, Goed onderwijs, Damon € 19,90
*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.
26.12.07
Winterschool Burkestichting
Binnenkort houdt de Edmund Burke Stichting (EBS) weer een bijeenkomst voor studenten. De Winterschool 2008 is een eendaagse bijeenkomst op maandag 14 januari 2008, te Den Haag. Thema van de Winterschool is: "Wat is de relevantie van het conservatisme anno 2008?" De bijeenkomst is bedoeld voor enthousiaste studenten, promovendi of recent afgestudeerden met affiniteit voor het conservatisme. Voorkennis is niet vereist. De Winterschool staat nadrukkelijk open voor wie nooit eerder een programma in het kader van het EBS-studentprogramma heeft gevolgd. Meld je aan door het sturen van een c.v. en een korte motivering voor 3 januari a.s. naar: info@burkestichting.nl.
24.12.07
In gesprek met...Ad Verbrugge
Jaffe Vink en ik in gesprek met filosoof Ad Verbrugge over het falende Nederlandse onderwijssysteem en andere actuele kwesties. Volgens Verbrugge verkeert Nederland in een situatie van crisis. Bekijk hier het interview.
6.12.07
De leegten achter het scholierenprotest
Het ene protest is het andere niet. In januari 2006 richtte een grote groep Leidse studenten zich in een ‘Lieve Maria’-brief tot toenmalig minister van Onderwijs Van der Hoeven. Die brief, mede ondertekend door zeventien zusterverenigingen van andere universiteiten, vormde een onderdeel van een landelijke actie voor meer wiskunde op de middelbare school. Veel bètastudenten op de universiteiten kwamen namelijk in de problemen, en waren boos. ‘Lieve Maria, we merken dat wij het universitaire niveau eigenlijk niet aankunnen. Daarom moeten wij nu bijspijkercursussen volgen, of zelfs stoppen met onze studie. We zouden willen dat we meer wiskunde hadden gehad op de middelbare school.’
En korter geleden nog protesteerden middelbare scholieren tegen het onderwijs dat zij krijgen. Dat is te versnipperd, en ze voelden zich proefdieren in een vreemd experiment dat meer een doel op zich leek te zijn als hun vorming ten goede leek te komen.
Deze twee voorbeelden zijn wel heel andere koek dan de protesten die we sinds een week of twee in enkele steden hebben mogen aanschouwen. Opgejut door DWARS, de jongeren van GroenLinks, hebben scholieren de handhaving van een wettelijke norm aangegrepen tot protesten die her en der op rellen, geweld en vernielingen zijn uitgelopen. De politie heeft al 200 arrestaties verricht, en als de uitslag van een kamerdebat de scholieren niet bevalt, komen er nog grotere demonstraties, tot op het Haagse Malieveld aan toe.
Hoe verwerpelijk die acties ook zijn, en hoe terecht ditmaal de verontwaardiging van politici ook is, toch moeten we iets verder kijken dan alleen naar die rellen, en naar dat geweld dat waarschijnlijk mede het gevolg is van hooligan-achtigen die de demonstraties hebben misbruikt.
Stevig onderwijs is een belangrijke voorwaarde voor de kracht van een samenleving, en in dat kader is de handhaving van de norm van 1040 uur les per schooljaar volkomen terecht. Maar alleen de kwantiteit zegt niet zoveel. Het gaat er ook om dat die uren zinvol worden gevuld.
Ik heb wat ervaringsdeskundigen in mijn directe omgeving, en uit hun verhalen kan ik niet opmaken dat dit altijd gebeurt. Er vallen iedere week veel lesuren uit, en dat komt meestal omdat leraren tijdens de lessen met elkaar moeten gaan zitten vergaderen. Voorheen was het dan zo dat die lesuren ‘vervielen’, en scholieren hun vrije tussenuren gebruikten om wat rond te hangen of in een nabij gelegen etablissement een potje poker op te zetten, of de gelegenheid aangrepen om maar alvast naar huis te gaan. Nu is er een nieuw regime dat erin bestaat dat scholen net doen alsof die uren worden vervangen. Dat heten dan ‘invaluren’ of ‘Z-uren’ (de ‘Z’ staat voor zelfstandig studeren), en die komen erop neer dat de scholieren begeleid door een speciale docent maar alvast hun huiswerk moeten gaan zitten maken. En die speciale docent kijkt ondertussen wat proefwerken na, of leest de Volkskrant.
Als ik nog scholier was, zou ik ook niet graag gevangen worden gehouden om iets te doen wat naar zijn naam en aard niet op school maar thuis dient te worden gedaan.
Maar achter die verlegenheid van de scholen, die er blijkbaar niet in slagen het geboden aantal uren zinvol te vullen, gaat nog iets anders schuil. Terwijl scholieren afgelopen maandag ook naar het Binnenhof oprukten en de gebouwen daar met eieren bekogelden, was de parlementaire commissie die onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen decennia doet, gewoon aan het werk. Voor deze commissie verscheen de Utrechtse hoogleraar P. R. J. Simons, een van de profeten van het ‘nieuwe leren’ (zelfstandig werken en ‘samenwerkend leren’). Maar hij zei iets opmerkelijks: ‘Het kernprobleem van ons onderwijs is dat we niet weten wat we echt belangrijk vinden. Daarover zou een nationaal debat moeten komen. We hebben de kennis in veel te veel vakken versnipperd. We hebben ook veel te veel uren en lesstof per vak.’
We weten niet meer wat we echt belangrijk vinden. Achter de verlegenheid van de scholen gaat dus een nog grotere verlegenheid schuil: een culturele leegte, die verhindert dat we ons onderwijs op een zinvolle manier inhoud geven. Als die rare en wilde protesten van deze week bijdragen aan de totstandkoming van een ‘nationaal debat’ daarover, dan tel ik mijn zegeningen.
*) Een versie van dit stuk is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
En korter geleden nog protesteerden middelbare scholieren tegen het onderwijs dat zij krijgen. Dat is te versnipperd, en ze voelden zich proefdieren in een vreemd experiment dat meer een doel op zich leek te zijn als hun vorming ten goede leek te komen.
Deze twee voorbeelden zijn wel heel andere koek dan de protesten die we sinds een week of twee in enkele steden hebben mogen aanschouwen. Opgejut door DWARS, de jongeren van GroenLinks, hebben scholieren de handhaving van een wettelijke norm aangegrepen tot protesten die her en der op rellen, geweld en vernielingen zijn uitgelopen. De politie heeft al 200 arrestaties verricht, en als de uitslag van een kamerdebat de scholieren niet bevalt, komen er nog grotere demonstraties, tot op het Haagse Malieveld aan toe.
Hoe verwerpelijk die acties ook zijn, en hoe terecht ditmaal de verontwaardiging van politici ook is, toch moeten we iets verder kijken dan alleen naar die rellen, en naar dat geweld dat waarschijnlijk mede het gevolg is van hooligan-achtigen die de demonstraties hebben misbruikt.
Stevig onderwijs is een belangrijke voorwaarde voor de kracht van een samenleving, en in dat kader is de handhaving van de norm van 1040 uur les per schooljaar volkomen terecht. Maar alleen de kwantiteit zegt niet zoveel. Het gaat er ook om dat die uren zinvol worden gevuld.
Ik heb wat ervaringsdeskundigen in mijn directe omgeving, en uit hun verhalen kan ik niet opmaken dat dit altijd gebeurt. Er vallen iedere week veel lesuren uit, en dat komt meestal omdat leraren tijdens de lessen met elkaar moeten gaan zitten vergaderen. Voorheen was het dan zo dat die lesuren ‘vervielen’, en scholieren hun vrije tussenuren gebruikten om wat rond te hangen of in een nabij gelegen etablissement een potje poker op te zetten, of de gelegenheid aangrepen om maar alvast naar huis te gaan. Nu is er een nieuw regime dat erin bestaat dat scholen net doen alsof die uren worden vervangen. Dat heten dan ‘invaluren’ of ‘Z-uren’ (de ‘Z’ staat voor zelfstandig studeren), en die komen erop neer dat de scholieren begeleid door een speciale docent maar alvast hun huiswerk moeten gaan zitten maken. En die speciale docent kijkt ondertussen wat proefwerken na, of leest de Volkskrant.
Als ik nog scholier was, zou ik ook niet graag gevangen worden gehouden om iets te doen wat naar zijn naam en aard niet op school maar thuis dient te worden gedaan.
Maar achter die verlegenheid van de scholen, die er blijkbaar niet in slagen het geboden aantal uren zinvol te vullen, gaat nog iets anders schuil. Terwijl scholieren afgelopen maandag ook naar het Binnenhof oprukten en de gebouwen daar met eieren bekogelden, was de parlementaire commissie die onderzoek naar de onderwijsvernieuwingen van de afgelopen decennia doet, gewoon aan het werk. Voor deze commissie verscheen de Utrechtse hoogleraar P. R. J. Simons, een van de profeten van het ‘nieuwe leren’ (zelfstandig werken en ‘samenwerkend leren’). Maar hij zei iets opmerkelijks: ‘Het kernprobleem van ons onderwijs is dat we niet weten wat we echt belangrijk vinden. Daarover zou een nationaal debat moeten komen. We hebben de kennis in veel te veel vakken versnipperd. We hebben ook veel te veel uren en lesstof per vak.’
We weten niet meer wat we echt belangrijk vinden. Achter de verlegenheid van de scholen gaat dus een nog grotere verlegenheid schuil: een culturele leegte, die verhindert dat we ons onderwijs op een zinvolle manier inhoud geven. Als die rare en wilde protesten van deze week bijdragen aan de totstandkoming van een ‘nationaal debat’ daarover, dan tel ik mijn zegeningen.
*) Een versie van dit stuk is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
5.11.07
Opinio TV
Samen met hoofdredacteur Jaffe Vink maak ik voor Opinio ook een tv-programma op de zender van Het Gesprek. De eerste uitzending van Opinio TV is vanaf het vorige weekeinde via internet en kabeltelevisie te zien. We voerden toen een gesprek met natuurkundige Hans Chang over wetenschap in Nederland. Het tweede gesprek was met de enthousiaste 'nieuwe ondernemer' Ruud Koornstra, initiatiefnemer en partner van de initiëringsmaatschappij Tendris.
2.11.07
Rooie onderwijzers
Een van de eerste klussen waar ik, najaar 1995, als beginnend journalist op af werd gestuurd, was een tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Die tentoonstelling heette De Rode Droom en was gewijd aan een eeuw sociaal-democratie in Nederland. Ruim honderd jaar eerder, in 1894, was immers de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij opgericht. Ik herinner me nog hoezeer ik van die smaakvol ingerichte tentoonstelling onder de indruk was – van het elan dat vele afbeeldingen uitstraalden, van de koppen van Marx, Troelstra en Wibaut, van de schoonheid van de gemeenschapskunst, en van het onderliggende ideaal: de bestrijding van armoede en de geestelijke verheffing van ‘de arbeider’.
In de mooie catalogus bij de tentoonstelling schreef historicus Piet de Rooy in een groot essay dat ‘sociaal-democraten onder een wat tobberige zoektocht naar de eigen identiteit zuchten’. Maar volgens Wim Kok, die de tentoonstelling opende en toen net een jaar premier was van een eerste paars kabinet, was daar geen sprake van. De rol van de PvdA was in een tijd van ‘sluipende armoede en sociale desintegratie’ alles behalve uitgespeeld.
Maar ook toen rommelde het al. Paul Kalma, destijds nog directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, had kort daarvoor een rapport over De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit gepubliceerd, dat door PvdA-staatssecretaris Vermeend van Financiën was weggehoond als ‘de wonderbaarlijke terugkeer van verouderde ideeën’. En in diezelfde tijd sprak Kok van de noodzaak om de ‘oude ideologische veren’ af te schudden. De romantiek van de rode droom contrasteerde scherp met de neo-liberale zakelijkheid van die dagen.
Vlakbij de Nieuwe Kerk, op de hoek van de Lindengracht en de Brouwersgracht, stond ik vorige week te kijken naar het door Hans Bayens vervaardigde beeld van Theo Thijssen. Iedereen kent Theo Thijssen als de auteur van Kees de jongen. De CPNB-uitgave van De gelukkige klas (nu gratis af te halen in de openbare bibliotheken) had mij doen besluiten mij weer eens wat grondiger in het werk van Thijssen te verdiepen, inclusief een bezoek aan het Theo Thijssen Museum in de Eerste Leliedwarsstraat, een wandeling door de Jordaan en een pelgrimage naar dat beeld.
Ik ben, geloof ik, tamelijk nuchter, maar dat beeld ontroerde me. Een jongen zit achter een schooltafeltje, en schoolmeester Thijssen is zo half op dat tafeltje gaan zitten om hem te helpen. Het beeld toont de liefdevolle toewijding van een meester aan zijn leerling. Ik had het boekje van Peter-Paul de Baar over het Amsterdam van Theo Thijssen bij me, en die omschrijft de houding van Thijssen prachtig als ‘informeel en vaderlijk’.
Sjoerd Karsten van de universiteit van Amsterdam heeft een proefschrift over socialistische volksonderwijzers rond 1900 geschreven. Het is een lezenswaardig boek. Karsten beschrijft de moeilijke situatie van die rooie onderwijzers. Intellectuelen keken op hen neer; zij deden immers niet veel meer dan wat tweedehandskennis doorgeven. En voor de volksklasse voor wie die onderwijzers het allemaal deden, waren zij toch een beetje de wijze meneren. Te groot voor het servet, te klein voor het tafellaken, noemt Karsten dat.
Des te bewonderenswaardiger is daarom de inzet van die onderwijzers geweest. Thijssen zelf (zoon van een schoenmaker uit de Jordaan) streefde naar ‘een stukje opheffing uit het gewone, grauwe milieu van het kind, een straaltje schijnsel uit een hogere wereld, een glimpje cultuur’.
Wie zich in het werk van Thijssen verdiept (hij was ook vakbondsman en gemeenteraads- en Tweede Kamerlid voor de SDAP), kan alleen maar vaststellen dat alle zaken waar hij het over had (meer waardering en een betere positie voor de onderwijzer, de vrijheid van de onderwijzer, het belang van klassikaal onderwijs, en afkeer van modieuze vernieuwingen) onverminderd actueel zijn.
Maar de gedachte van dat ‘straaltje schijnsel uit een hogere wereld’ en dat ‘glimpje cultuur’ veronderstelt natuurlijk wel een zeker idee van wat cultuur behoort te zijn. Er is in het recente verleden al eerder opgewezen, o.a. door H. J. Schoo, dat de omarming van het cultuurrelativisme het einde van het verheffingsideaal betekende. In het onderwijs staan nu het nut en de materiële vooruitgang centraal.
De rode droom is daarmee tenminste gehalveerd. Maar hopelijk zijn er nog steeds heel veel onderwijzers die met eenzelfde toewijding hun werk doen als Thijssen destijds.
*) Deze column is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
In de mooie catalogus bij de tentoonstelling schreef historicus Piet de Rooy in een groot essay dat ‘sociaal-democraten onder een wat tobberige zoektocht naar de eigen identiteit zuchten’. Maar volgens Wim Kok, die de tentoonstelling opende en toen net een jaar premier was van een eerste paars kabinet, was daar geen sprake van. De rol van de PvdA was in een tijd van ‘sluipende armoede en sociale desintegratie’ alles behalve uitgespeeld.
Maar ook toen rommelde het al. Paul Kalma, destijds nog directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, had kort daarvoor een rapport over De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit gepubliceerd, dat door PvdA-staatssecretaris Vermeend van Financiën was weggehoond als ‘de wonderbaarlijke terugkeer van verouderde ideeën’. En in diezelfde tijd sprak Kok van de noodzaak om de ‘oude ideologische veren’ af te schudden. De romantiek van de rode droom contrasteerde scherp met de neo-liberale zakelijkheid van die dagen.
Vlakbij de Nieuwe Kerk, op de hoek van de Lindengracht en de Brouwersgracht, stond ik vorige week te kijken naar het door Hans Bayens vervaardigde beeld van Theo Thijssen. Iedereen kent Theo Thijssen als de auteur van Kees de jongen. De CPNB-uitgave van De gelukkige klas (nu gratis af te halen in de openbare bibliotheken) had mij doen besluiten mij weer eens wat grondiger in het werk van Thijssen te verdiepen, inclusief een bezoek aan het Theo Thijssen Museum in de Eerste Leliedwarsstraat, een wandeling door de Jordaan en een pelgrimage naar dat beeld.
Ik ben, geloof ik, tamelijk nuchter, maar dat beeld ontroerde me. Een jongen zit achter een schooltafeltje, en schoolmeester Thijssen is zo half op dat tafeltje gaan zitten om hem te helpen. Het beeld toont de liefdevolle toewijding van een meester aan zijn leerling. Ik had het boekje van Peter-Paul de Baar over het Amsterdam van Theo Thijssen bij me, en die omschrijft de houding van Thijssen prachtig als ‘informeel en vaderlijk’.
Sjoerd Karsten van de universiteit van Amsterdam heeft een proefschrift over socialistische volksonderwijzers rond 1900 geschreven. Het is een lezenswaardig boek. Karsten beschrijft de moeilijke situatie van die rooie onderwijzers. Intellectuelen keken op hen neer; zij deden immers niet veel meer dan wat tweedehandskennis doorgeven. En voor de volksklasse voor wie die onderwijzers het allemaal deden, waren zij toch een beetje de wijze meneren. Te groot voor het servet, te klein voor het tafellaken, noemt Karsten dat.
Des te bewonderenswaardiger is daarom de inzet van die onderwijzers geweest. Thijssen zelf (zoon van een schoenmaker uit de Jordaan) streefde naar ‘een stukje opheffing uit het gewone, grauwe milieu van het kind, een straaltje schijnsel uit een hogere wereld, een glimpje cultuur’.
Wie zich in het werk van Thijssen verdiept (hij was ook vakbondsman en gemeenteraads- en Tweede Kamerlid voor de SDAP), kan alleen maar vaststellen dat alle zaken waar hij het over had (meer waardering en een betere positie voor de onderwijzer, de vrijheid van de onderwijzer, het belang van klassikaal onderwijs, en afkeer van modieuze vernieuwingen) onverminderd actueel zijn.
Maar de gedachte van dat ‘straaltje schijnsel uit een hogere wereld’ en dat ‘glimpje cultuur’ veronderstelt natuurlijk wel een zeker idee van wat cultuur behoort te zijn. Er is in het recente verleden al eerder opgewezen, o.a. door H. J. Schoo, dat de omarming van het cultuurrelativisme het einde van het verheffingsideaal betekende. In het onderwijs staan nu het nut en de materiële vooruitgang centraal.
De rode droom is daarmee tenminste gehalveerd. Maar hopelijk zijn er nog steeds heel veel onderwijzers die met eenzelfde toewijding hun werk doen als Thijssen destijds.
*) Deze column is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
8.9.07
Interview met Frits van Oostrom: Op jacht naar de voorhoede
Prof. dr. Frits van Oostrom (1953) is president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en is als universiteitshoogleraar verbonden aan de Universiteit Utrecht. Hij schreef enkele bekende en meermaals bekroonde boeken over de geschiedenis van de Middelnederlandse letterkunde, waaronder Stemmen op schrift (Bert Bakker, 2006), het eerste deel van een nieuwe geschiedenis van de Nederlandse literatuur. Hij was voorzitter van de commissie die vorig jaar de Nederlandse canon opstelde.
"Groei, dat is een thema waar ik als man van slechts 1 meter 70 wel iets mee heb! Zoals bekend zijn de meeste dictators en massamoordenaars kleine mannen geweest. Gelukkig heeft mijn compensatie zich langs de weg van de intellectuele groei voltrokken, waarbij ik veel te danken heb aan het goede onderwijs dat ik heb genoten. Bovendien was mijn vader neerlandicus en een intellectueel begaafde man. Hij zat voor de VVD in de gemeenteraad van Leiderdorp, en hij was voorzitter van het bestuur van de openbare school – in een tijd dat Leiderdorp nog zeer confessioneel was, terwijl de VVD er nu de grootste partij is. Ik ben dus een zondagskind, met een talent op een zeer specifiek gebied, dat ik met veel volharding en discipline tot het uiterste heb willen benutten. Gelukkig heb ik kinderen, die mij voor een al te eenzijdige oriëntatie behoeden en daarmee balans en ook persoonlijke groei in mijn leven brengen! Maar ik ben geen voorbeeld van iemand uit een kansarm milieu die via het onderwijs de sociale ladder heeft kunnen opklimmen. Alhoewel het bieden van die mogelijkheid natuurlijk een van de meest positieve kanten van ons onderwijssysteem is.
Hoe beoordeelt u dat onderwijssysteem eigenlijk?
Laten we om te beginnen de goede kanten ervan waarderen. Het is heel erg Nederlands, en het past bij onze identiteit en geschiedenis, maar ook mensen van Amerikaanse topuniversiteiten – waar ik veel mee op heb – zien de positieve kanten van ons stelsel. En dan bedoel ik drie dingen. Ten eerste: ons onderwijs is laagdrempelig. Iedereen met vwo kan naar de universiteit. Ten tweede is ons onderwijs van een behoorlijk niveau. En ten derde zijn de kosten van ons onderwijs relatief gering. Maar al deze positieve kanten van ons systeem hebben ook hun schaduwzijden.
Laten we het rijtje langslopen. Wat is volgens u het nadeel van die laagdrempeligheid?
Ontzettend veel jonge mensen kunnen elk jaar aan een universiteit gaan studeren. De populatie aan de universiteiten is dus zeer divers: je hebt heel veel matige studenten en ook heel goede, briljante studenten. Selectie aan de poort is erg on-Nederlands, en dat heeft dus weinig kans van slagen, alhoewel we het best eens aan één universiteit zouden kunnen proberen. Maar we hebben nu voor al die studenten een en hetzelfde onderwijsaanbod, het one-size-fits-all-model. In dat zwembad moeten we de betere studenten niet eindeloos laten watertrappelen in afwachting van de meute. Ik ben dan ook erg voor de introductie van een honours-traject, een specifiek, hoger programma voor een selecte groep goede studenten, als integraal onderdeel van elke studierichting. Ook het student-assistentschap moeten we weer rehabiliteren. Als ik terugkijk, kan ik alleen maar vaststellen dat mijn eigen groei als academicus is begonnen toen ik een paar jaar assistent was van de Utrechtse mediëvist W.P. Gerritsen.
Uw tweede punt verrast me: dat u ons onderwijs van een ‘behoorlijk niveau’ noemt, terwijl u zelf hebt vastgesteld dat een tekort aan ontwikkeling ertoe heeft geleid dat we ‘heel weinig gevoel van kader hebben en wat dat betreft gedesoriënteerd in de wereld staan’.
Het probleem met het niveau van ons onderwijs is dat de scholing wel goed is maar dat we slecht zijn in de vorming. We leiden goede tandartsen, natuurkundigen en informatici op. Maar mede als gevolg van de massaliteit van het onderwijs – geen hoogleraar ontvangt thuis nog studenten op de thee – is de opleiding tot een academisch gevormd, algemeen ontwikkeld persoon ver achter gebleven. Hoe we dat moeten oplossen? Laten we eens goed kijken naar liberal arts- en Great Books-programma’s zoals Angelsaksische universiteiten die kennen. Iets in die geest kan best. We hebben ook het risico durven nemen door een paar mensen een canon van de Nederlandse geschiedenis te laten opstellen. Laten we daarom ook deze discussie aandurven en die gewoon met elkaar gaan voeren. Wat dat betreft zie ik graag wat meer ondernemersgeest in de universitaire wereld.
Wat hier ook een rol speelt, en dat is ook een zwakte van het systeem, is de te grote hoeveelheid schotten in het onderwijs. Ook dat is natuurlijk heel Nederlands: de verkavelde polder, met veel hekjes en schrikdraad. De specialisatie heeft daarmee microscopische proporties aangenomen, met als gevolg dat een student scheikunde niet snel colleges muziekgeschiedenis zal gaan volgen – en als hij daar al zin in heeft, wordt het vanuit het systeem sterk ontmoedigd.
En de kosten van ons systeem noemt u ‘relatief gering’?
Ja, het systeem is niet heel duur en dat is natuurlijk mooi. Maar tegelijkertijd is het systeem door allerlei bezuinigingsronden van de afgelopen jaren wel wat te goedkoop geworden. Politici ondertekenen wel allerlei mooie verklaringen, zoals die van Lissabon, maar ze stoppen hun geld niet waar hun mond zit. Er wordt heel veel geld rondgestrooid voor losse projecten. Ik zou zeggen: wees niet zo gericht op het snelle scoren, maar investeer structureel en fundamenteel in de basis van het onderwijs, ook al is dat politiek niet zo sexy.
Laat ik een voorbeeld geven. De verhouding staf-student was in Nederland vorig jaar 1:19. Dus voor elke groep van negentien studenten was er één docent. Dat wordt elk jaar met één slechter. De verhouding dit jaar is 1:20. En er zijn studierichtingen, zoals communicatiewetenschappen, waarin de verhouding 1:80 is. Dan krijg je dus als vanzelf niksige vakken. Laten we daarom investeren in meer en beter personeel aan onze universiteiten. Maar om de een of andere reden is het de universiteiten nog niet gelukt de politiek hiervan te overtuigen.
Welke veranderingen zou u nog meer willen zien?
Ik zou bepaalde vormen van dirigisme in het onderwijs graag doen afnemen. Ondernemers eisen altijd veel ruimte en vrijheid voor zichzelf op; laten ze dan niet boven het onderwijs gaan hangen met gezeur over het te grote aantal universiteiten of studierichtingen als kunstgeschiedenis. Wat de behoefte aan een bepaald soort studenten is, is moeilijk meetbaar. Dat hebben we gezien bij de tandartsenopleidingen – waarvan er in de jaren tachtig twee van de vijf werden opgeheven, waarna er snel weer één moest worden geopend omdat er te weinig tandartsen bij kwamen. Als iets nou meetbaar zou moeten zijn, dan is het de behoefte aan tandartsen. Maar zelfs dat bleek in de praktijk heel moeilijk, en dat geldt dan zeker voor vakken als klassieke talen en kunstgeschiedenis, waarvan de behoefte nog veel minder goed meetbaar is. Laten we afstappen van het planeconomische denken en hier de markt zijn werk laten doen, die de aanwezigheid van te veel kunsthistorici vanzelf afstraft.
Waar we ook slecht in zijn, is in het levenslang leren. We verspillen, hoe gek dat ook klinkt, ons onderwijs uitsluitend aan jonge mensen, die door de verkorting van de studieduur ook steeds jonger afstuderen – we jagen ze door het onderwijs heen alsof een studie niet meer is dan een kostenpost! – en die in de toekomst langer moeten gaan werken. Dat betekent dat zij tussen hun 23ste en 70ste jaar alleen maar zullen werken. Het moet veel normaler worden om regelmatig terug te keren naar het onderwijs. Laten we ons systeem dus opener maken, zowel tijdens de studie als daarna. Nu zitten er vooral bij avondcolleges veel ouderen, een tandarts bijvoorbeeld die Arabisch studeert, maar die mensen zitten daar uitsluitend voor de hobby.
Ziet u al een kentering naar de door u gewenste richting?
Laat ik die vraag met een anekdote beantwoorden. Halverwege de jaren tachtig was er een hoogleraar rechten, Schermers, die bij hem aan huis aan een select groepje studenten colleges gaf. Dat stuitte op wantrouwen, en al helemaal toen men erachter kwam dat de naam die de hoogleraar aan dit groepje gaf – Mordenate – ‘more than eight’ betekende. De bijeenkomsten waren dus alleen bedoeld voor studenten die gemiddeld hoger dan een acht scoorden! Destijds leidde dit bijna tot een berisping, nu zou men zeggen dat die man visionair is geweest.
We hebben nu zelfs een PvdA-minister van Onderwijs bij wie het woord ‘excellentie’ in de mond bestorven ligt. Sociaal gevoel is oké, maar we moeten ook beseffen dat we het moeten hebben van excellente studenten, en dat ons onderwijs er niet op ingericht mag zijn om die alleen maar een kopje kleiner te maken.
*) Dit interview verscheen eerder in Opinio.
"Groei, dat is een thema waar ik als man van slechts 1 meter 70 wel iets mee heb! Zoals bekend zijn de meeste dictators en massamoordenaars kleine mannen geweest. Gelukkig heeft mijn compensatie zich langs de weg van de intellectuele groei voltrokken, waarbij ik veel te danken heb aan het goede onderwijs dat ik heb genoten. Bovendien was mijn vader neerlandicus en een intellectueel begaafde man. Hij zat voor de VVD in de gemeenteraad van Leiderdorp, en hij was voorzitter van het bestuur van de openbare school – in een tijd dat Leiderdorp nog zeer confessioneel was, terwijl de VVD er nu de grootste partij is. Ik ben dus een zondagskind, met een talent op een zeer specifiek gebied, dat ik met veel volharding en discipline tot het uiterste heb willen benutten. Gelukkig heb ik kinderen, die mij voor een al te eenzijdige oriëntatie behoeden en daarmee balans en ook persoonlijke groei in mijn leven brengen! Maar ik ben geen voorbeeld van iemand uit een kansarm milieu die via het onderwijs de sociale ladder heeft kunnen opklimmen. Alhoewel het bieden van die mogelijkheid natuurlijk een van de meest positieve kanten van ons onderwijssysteem is.
Hoe beoordeelt u dat onderwijssysteem eigenlijk?
Laten we om te beginnen de goede kanten ervan waarderen. Het is heel erg Nederlands, en het past bij onze identiteit en geschiedenis, maar ook mensen van Amerikaanse topuniversiteiten – waar ik veel mee op heb – zien de positieve kanten van ons stelsel. En dan bedoel ik drie dingen. Ten eerste: ons onderwijs is laagdrempelig. Iedereen met vwo kan naar de universiteit. Ten tweede is ons onderwijs van een behoorlijk niveau. En ten derde zijn de kosten van ons onderwijs relatief gering. Maar al deze positieve kanten van ons systeem hebben ook hun schaduwzijden.
Laten we het rijtje langslopen. Wat is volgens u het nadeel van die laagdrempeligheid?
Ontzettend veel jonge mensen kunnen elk jaar aan een universiteit gaan studeren. De populatie aan de universiteiten is dus zeer divers: je hebt heel veel matige studenten en ook heel goede, briljante studenten. Selectie aan de poort is erg on-Nederlands, en dat heeft dus weinig kans van slagen, alhoewel we het best eens aan één universiteit zouden kunnen proberen. Maar we hebben nu voor al die studenten een en hetzelfde onderwijsaanbod, het one-size-fits-all-model. In dat zwembad moeten we de betere studenten niet eindeloos laten watertrappelen in afwachting van de meute. Ik ben dan ook erg voor de introductie van een honours-traject, een specifiek, hoger programma voor een selecte groep goede studenten, als integraal onderdeel van elke studierichting. Ook het student-assistentschap moeten we weer rehabiliteren. Als ik terugkijk, kan ik alleen maar vaststellen dat mijn eigen groei als academicus is begonnen toen ik een paar jaar assistent was van de Utrechtse mediëvist W.P. Gerritsen.
Uw tweede punt verrast me: dat u ons onderwijs van een ‘behoorlijk niveau’ noemt, terwijl u zelf hebt vastgesteld dat een tekort aan ontwikkeling ertoe heeft geleid dat we ‘heel weinig gevoel van kader hebben en wat dat betreft gedesoriënteerd in de wereld staan’.
Het probleem met het niveau van ons onderwijs is dat de scholing wel goed is maar dat we slecht zijn in de vorming. We leiden goede tandartsen, natuurkundigen en informatici op. Maar mede als gevolg van de massaliteit van het onderwijs – geen hoogleraar ontvangt thuis nog studenten op de thee – is de opleiding tot een academisch gevormd, algemeen ontwikkeld persoon ver achter gebleven. Hoe we dat moeten oplossen? Laten we eens goed kijken naar liberal arts- en Great Books-programma’s zoals Angelsaksische universiteiten die kennen. Iets in die geest kan best. We hebben ook het risico durven nemen door een paar mensen een canon van de Nederlandse geschiedenis te laten opstellen. Laten we daarom ook deze discussie aandurven en die gewoon met elkaar gaan voeren. Wat dat betreft zie ik graag wat meer ondernemersgeest in de universitaire wereld.
Wat hier ook een rol speelt, en dat is ook een zwakte van het systeem, is de te grote hoeveelheid schotten in het onderwijs. Ook dat is natuurlijk heel Nederlands: de verkavelde polder, met veel hekjes en schrikdraad. De specialisatie heeft daarmee microscopische proporties aangenomen, met als gevolg dat een student scheikunde niet snel colleges muziekgeschiedenis zal gaan volgen – en als hij daar al zin in heeft, wordt het vanuit het systeem sterk ontmoedigd.
En de kosten van ons systeem noemt u ‘relatief gering’?
Ja, het systeem is niet heel duur en dat is natuurlijk mooi. Maar tegelijkertijd is het systeem door allerlei bezuinigingsronden van de afgelopen jaren wel wat te goedkoop geworden. Politici ondertekenen wel allerlei mooie verklaringen, zoals die van Lissabon, maar ze stoppen hun geld niet waar hun mond zit. Er wordt heel veel geld rondgestrooid voor losse projecten. Ik zou zeggen: wees niet zo gericht op het snelle scoren, maar investeer structureel en fundamenteel in de basis van het onderwijs, ook al is dat politiek niet zo sexy.
Laat ik een voorbeeld geven. De verhouding staf-student was in Nederland vorig jaar 1:19. Dus voor elke groep van negentien studenten was er één docent. Dat wordt elk jaar met één slechter. De verhouding dit jaar is 1:20. En er zijn studierichtingen, zoals communicatiewetenschappen, waarin de verhouding 1:80 is. Dan krijg je dus als vanzelf niksige vakken. Laten we daarom investeren in meer en beter personeel aan onze universiteiten. Maar om de een of andere reden is het de universiteiten nog niet gelukt de politiek hiervan te overtuigen.
Welke veranderingen zou u nog meer willen zien?
Ik zou bepaalde vormen van dirigisme in het onderwijs graag doen afnemen. Ondernemers eisen altijd veel ruimte en vrijheid voor zichzelf op; laten ze dan niet boven het onderwijs gaan hangen met gezeur over het te grote aantal universiteiten of studierichtingen als kunstgeschiedenis. Wat de behoefte aan een bepaald soort studenten is, is moeilijk meetbaar. Dat hebben we gezien bij de tandartsenopleidingen – waarvan er in de jaren tachtig twee van de vijf werden opgeheven, waarna er snel weer één moest worden geopend omdat er te weinig tandartsen bij kwamen. Als iets nou meetbaar zou moeten zijn, dan is het de behoefte aan tandartsen. Maar zelfs dat bleek in de praktijk heel moeilijk, en dat geldt dan zeker voor vakken als klassieke talen en kunstgeschiedenis, waarvan de behoefte nog veel minder goed meetbaar is. Laten we afstappen van het planeconomische denken en hier de markt zijn werk laten doen, die de aanwezigheid van te veel kunsthistorici vanzelf afstraft.
Waar we ook slecht in zijn, is in het levenslang leren. We verspillen, hoe gek dat ook klinkt, ons onderwijs uitsluitend aan jonge mensen, die door de verkorting van de studieduur ook steeds jonger afstuderen – we jagen ze door het onderwijs heen alsof een studie niet meer is dan een kostenpost! – en die in de toekomst langer moeten gaan werken. Dat betekent dat zij tussen hun 23ste en 70ste jaar alleen maar zullen werken. Het moet veel normaler worden om regelmatig terug te keren naar het onderwijs. Laten we ons systeem dus opener maken, zowel tijdens de studie als daarna. Nu zitten er vooral bij avondcolleges veel ouderen, een tandarts bijvoorbeeld die Arabisch studeert, maar die mensen zitten daar uitsluitend voor de hobby.
Ziet u al een kentering naar de door u gewenste richting?
Laat ik die vraag met een anekdote beantwoorden. Halverwege de jaren tachtig was er een hoogleraar rechten, Schermers, die bij hem aan huis aan een select groepje studenten colleges gaf. Dat stuitte op wantrouwen, en al helemaal toen men erachter kwam dat de naam die de hoogleraar aan dit groepje gaf – Mordenate – ‘more than eight’ betekende. De bijeenkomsten waren dus alleen bedoeld voor studenten die gemiddeld hoger dan een acht scoorden! Destijds leidde dit bijna tot een berisping, nu zou men zeggen dat die man visionair is geweest.
We hebben nu zelfs een PvdA-minister van Onderwijs bij wie het woord ‘excellentie’ in de mond bestorven ligt. Sociaal gevoel is oké, maar we moeten ook beseffen dat we het moeten hebben van excellente studenten, en dat ons onderwijs er niet op ingericht mag zijn om die alleen maar een kopje kleiner te maken.
*) Dit interview verscheen eerder in Opinio.
2.2.07
Twee bijdragen
In het jongste nummer van het nieuwe weekblad Opinio staan twee bijdragen van mijn hand. Een kritische column over Ian Buruma's boek over de moord op Theo van Gogh en een lang interview met UvA-hoogleraar Sjoerd Karsten over het Nederlands onderwijs.
18.1.07
Wat is er mis met het onderwijs?
In het nieuwe opinieweekblad Opinio, dat deze week voor het eerst verschijnt, staat de weergave van een gesprek dat ik had met onderwijscriticus en filosoof Ad Verbrugge.
'Wat is er mis het ons onderwijs? Er is heel veel mis.'
Lees het hele interview op de website van Opinio.
'Wat is er mis het ons onderwijs? Er is heel veel mis.'
Lees het hele interview op de website van Opinio.
Subscribe to:
Posts (Atom)