Showing posts with label PvdA. Show all posts
Showing posts with label PvdA. Show all posts
1.3.10
'Mijn coalitie'
Op de website van HP/De Tijd een interviewtje met mij over de coalitie die mij in de gegeven omstandigheden het meest wenselijk voorkomt. Lees hier.
25.2.10
Balkenende
Dat heerlijke interview met Hans Wiegel al gelezen, vandaag in Trouw? Mijn column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over hetzelfde onderwerp (net als mijn column in Elsevier overigens). Op 9 juni gaat het over de vraag of we een rechts kabinet krijgen: economisch rechts (CDA, VVD, D66) dan wel een beetje heel rechts (CDA, VVD, PVV) of paars-III (PvdA, VVD, D66, GL). Dat moeten de Balkenende-critici een beetje in het oog houden, vind ik.
(En waar ligt eigenlijk ten diepste de voorkeur van Rutte?)
Binnen acht jaar tijd is zijn vierde kabinet gevallen, hem wordt bovendien een gebrek aan regie en leiderschap verweten, maar daags na de implosie van zijn vierde kabinet wijst het CDA-hoofdbestuur Balkenende toch weer aan als lijsttrekker. Bij acclamatie zelfs, en in alle stilte.
Die aanwijzing is waarschijnlijk vooral bedoeld om een machtsstrijd om het partijleiderschap tussen Balkenende en Eurlings of Verhagen te voorkomen. Maar de laatste peilingen van Maurice de Hond roepen de vraag op of de CDA-leiding een wijs besluit heeft genomen.
Volgens die peiling komt Balkenende’s grote rivaal Wouter Bos als de grote winnaar naar voren (+4). Het CDA moet opnieuw een zetel inleveren. Er zijn meer kiezers die het CDA de schuld van de val van het kabinet in de schoenen schuiven dan dat er kiezers zijn die de zwarte piet bij de PvdA leggen (34 om 33 procent). Bovendien is slechts een op de drie CDA-kiezers tevreden als Balkenende opnieuw de lijst gaat aanvoeren. De jonge Camile Eurlings wordt steeds populairder. Nog slechter is de score voor Balkenende als premier. Een overgrote meerderheid (79 procent) van de bevolking wil Balkende niet terug als premier, slechts 16 procent wil dat wel.
Op grond van deze gegevens kunnen er volgens mij de komende maanden, tot aan de verkiezingen op 9 juni, twee dingen gebeuren. Er kan een sfeer ontstaan (of beter: die is er blijkbaar al) waarin de kiezer denkt: alles beter dan Balkenende. Dat zal tot een grote verkiezingsnederlaag voor het CDA leiden, en mogelijk tot een nieuw kabinet onder leiding van Wouter Bos (en die gaat dan een 'progressief', 'paars' kabinet in elkaar sleutelen).
Wat ook kan gebeuren – en het lijkt mij het waarschijnlijkst en in ieder geval hoop ik er op – is dat de campagne zo hard en onbehaaglijk zal zijn, en de uitslag op zo’n regelrechte ramp voor het land zal uitlopen, dat de kiezer toch weer massaal de toevlucht zal nemen tot het CDA van Balkenende.
Ik heb mij de afgelopen jaren met enige regelmaat kritisch over dat CDA uitgelaten. Het CDA ontpopt zich naar mijn mening al te vaak als niet meer dan een machtsmachine. De inhoudelijke boodschap, het verhaal, was in de woestijn onder paars fraai opgetuigd, maar in de afgelopen acht jaar is dat verhaal alleen maar verschraald geraakt tot een klein glas doodgeslagen bier. Als het CDA wil winnen zal het dat verhaal weer moeten laten bruisen. Het is nu niet meer zo goed voorstelbaar, maar Balkenende heeft de verkiezingen van 2002 met een lezingentournee gevoerd.
Aan de andere kant staat dat Balkenende dit landje toch door een landschap van uiterste politieke instabiliteit heeft geloodst. Acht jaar lang nu al weer. Zijn voorganger Kok had het veel gemakkelijker: er was geld in overvloed en alle meningsverschillen waren afkoopbaar. Dan is het niet zo moeilijk om goede sier te maken. Balkenende trad aan met de LPF van Fortuyn, kreeg te maken met een politieke moord, met de opkomst van sterk groeiende bewegingen op de vleugels van het politieke spectrum, kon in 2006 weinig anders dan in zee gaan met de PvdA, en werd achtervolgd door zeven grote plagen: naast Uruzgan waren dat de discussies over de JSF, Irak, het crisispakket, de AOW, embryoselectie ende grote financiële crisis.
En hij staat er nog. Niets veranderd ten opzichte van 2002. Er moet iets zijn wat wij maar niet kunnen of willen zien. Het kan gereformeerde ambitie zijn, maar dan is die ons land toch maar ten goede gekomen – op een manier weliswaar waarvan ik in principe niet onder de indruk kon komen (vanwege de ontstentenis van dat verhaal), maar waarvan ik denk en erken dat er toch een enorme kracht in schuil gaat.
Het zou best kunnen dat de kiezers dat tussen nu en 9 juni ook gaan vermoeden.
(En waar ligt eigenlijk ten diepste de voorkeur van Rutte?)
Binnen acht jaar tijd is zijn vierde kabinet gevallen, hem wordt bovendien een gebrek aan regie en leiderschap verweten, maar daags na de implosie van zijn vierde kabinet wijst het CDA-hoofdbestuur Balkenende toch weer aan als lijsttrekker. Bij acclamatie zelfs, en in alle stilte.
Die aanwijzing is waarschijnlijk vooral bedoeld om een machtsstrijd om het partijleiderschap tussen Balkenende en Eurlings of Verhagen te voorkomen. Maar de laatste peilingen van Maurice de Hond roepen de vraag op of de CDA-leiding een wijs besluit heeft genomen.
Volgens die peiling komt Balkenende’s grote rivaal Wouter Bos als de grote winnaar naar voren (+4). Het CDA moet opnieuw een zetel inleveren. Er zijn meer kiezers die het CDA de schuld van de val van het kabinet in de schoenen schuiven dan dat er kiezers zijn die de zwarte piet bij de PvdA leggen (34 om 33 procent). Bovendien is slechts een op de drie CDA-kiezers tevreden als Balkenende opnieuw de lijst gaat aanvoeren. De jonge Camile Eurlings wordt steeds populairder. Nog slechter is de score voor Balkenende als premier. Een overgrote meerderheid (79 procent) van de bevolking wil Balkende niet terug als premier, slechts 16 procent wil dat wel.
Op grond van deze gegevens kunnen er volgens mij de komende maanden, tot aan de verkiezingen op 9 juni, twee dingen gebeuren. Er kan een sfeer ontstaan (of beter: die is er blijkbaar al) waarin de kiezer denkt: alles beter dan Balkenende. Dat zal tot een grote verkiezingsnederlaag voor het CDA leiden, en mogelijk tot een nieuw kabinet onder leiding van Wouter Bos (en die gaat dan een 'progressief', 'paars' kabinet in elkaar sleutelen).
Wat ook kan gebeuren – en het lijkt mij het waarschijnlijkst en in ieder geval hoop ik er op – is dat de campagne zo hard en onbehaaglijk zal zijn, en de uitslag op zo’n regelrechte ramp voor het land zal uitlopen, dat de kiezer toch weer massaal de toevlucht zal nemen tot het CDA van Balkenende.
Ik heb mij de afgelopen jaren met enige regelmaat kritisch over dat CDA uitgelaten. Het CDA ontpopt zich naar mijn mening al te vaak als niet meer dan een machtsmachine. De inhoudelijke boodschap, het verhaal, was in de woestijn onder paars fraai opgetuigd, maar in de afgelopen acht jaar is dat verhaal alleen maar verschraald geraakt tot een klein glas doodgeslagen bier. Als het CDA wil winnen zal het dat verhaal weer moeten laten bruisen. Het is nu niet meer zo goed voorstelbaar, maar Balkenende heeft de verkiezingen van 2002 met een lezingentournee gevoerd.
Aan de andere kant staat dat Balkenende dit landje toch door een landschap van uiterste politieke instabiliteit heeft geloodst. Acht jaar lang nu al weer. Zijn voorganger Kok had het veel gemakkelijker: er was geld in overvloed en alle meningsverschillen waren afkoopbaar. Dan is het niet zo moeilijk om goede sier te maken. Balkenende trad aan met de LPF van Fortuyn, kreeg te maken met een politieke moord, met de opkomst van sterk groeiende bewegingen op de vleugels van het politieke spectrum, kon in 2006 weinig anders dan in zee gaan met de PvdA, en werd achtervolgd door zeven grote plagen: naast Uruzgan waren dat de discussies over de JSF, Irak, het crisispakket, de AOW, embryoselectie ende grote financiële crisis.
En hij staat er nog. Niets veranderd ten opzichte van 2002. Er moet iets zijn wat wij maar niet kunnen of willen zien. Het kan gereformeerde ambitie zijn, maar dan is die ons land toch maar ten goede gekomen – op een manier weliswaar waarvan ik in principe niet onder de indruk kon komen (vanwege de ontstentenis van dat verhaal), maar waarvan ik denk en erken dat er toch een enorme kracht in schuil gaat.
Het zou best kunnen dat de kiezers dat tussen nu en 9 juni ook gaan vermoeden.
22.11.08
Sleutel
Ineens was ze weg, minister Vogelaar van Wonen, Wijken en Integratie, klinisch afgeserveerd in een sessie in een achterkamertje op Bos’ ministerie van Financiën. Weinig mensen zullen bij haar vertrek een zakdoek nodig hebben gehad: die ergerlijk proleterige tongval is nu verstomd, en hopelijk ook de dwaze praat die zij met enige regelmaat uitsloeg. We moeten ons maar gaan bezighouden met de opvolger die zich al zat in te lezen toen de gezagloze Vogelaar nog niet eens wist dat de partijleiding van haar af wilde: Eberhard van der Laan (53).
Maar één punt verdient nog wel even aandacht.
Vogelaar is destijds door Bos gepresenteerd als een van de nieuwe boegbeelden van de partij. Na vijf jaar oppositie en partij. Na vijf jaar oppositie en verloren verkiezingen moest de PvdA een electorale klapper gaan maken met de integratie van allochtonen en de aanpak van achterstandswijken.
Vogelaar moest laten zien dat de PvdA dit kon en daarmee Wilders en Verdonk de wind uit de zeilen nemen. Nog deze zomer zei Bos dat de geloofwaardigheid van de PvdA afhing van de vraag hoe ‘wij het er bij het integratievraagstuk vanaf brengen. Het is de sleutel terug naar de harten van de mensen.’
Moeten we na anderhalf jaar niet concluderen dat de PvdA met Vogelaar heeft gefaald en die sleutel nog steeds niet in handen heeft?
...
Lees de rest van mijn column in Elsevier. Abonneren kan hier.
Maar één punt verdient nog wel even aandacht.
Vogelaar is destijds door Bos gepresenteerd als een van de nieuwe boegbeelden van de partij. Na vijf jaar oppositie en partij. Na vijf jaar oppositie en verloren verkiezingen moest de PvdA een electorale klapper gaan maken met de integratie van allochtonen en de aanpak van achterstandswijken.
Vogelaar moest laten zien dat de PvdA dit kon en daarmee Wilders en Verdonk de wind uit de zeilen nemen. Nog deze zomer zei Bos dat de geloofwaardigheid van de PvdA afhing van de vraag hoe ‘wij het er bij het integratievraagstuk vanaf brengen. Het is de sleutel terug naar de harten van de mensen.’
Moeten we na anderhalf jaar niet concluderen dat de PvdA met Vogelaar heeft gefaald en die sleutel nog steeds niet in handen heeft?
...
Lees de rest van mijn column in Elsevier. Abonneren kan hier.
11.9.08
Onderwijs
Prominente politici hebben het academisch jaar geopend, de scholen zijn weer begonnen, en dus zie je overal leerlingen en studenten met rugzakken vol boeken over straat gaan. Ook in huize Spruyt zie ik zonen met tassen vol boeken sjouwen (mevrouw Spruyt en ik doen alleen in jongens) en als altijd bezorgde ouder onderwerp ik de inhoud van die boeken elk jaar aan een grondige inspectie. Ik kan iedereen alleen maar aanraden dat ook te doen.
Het kan namelijk zomaar gebeuren dat uw bloedjes van kinderen een geschiedenisboek in handen krijgen waaruit zij moeten leren dat burgers op verschillende manieren aan het politieke leven kunnen deelnemen: ‘Taarten in het gezicht van politici, ketchup over driedelig van politici, ketchup over driedelig grijs, kogelbrieven bij het ontbijt: burgers zijn niet alleen actief in het stemhokje.’ Als u bij deze passage aan Pim Fortuyn moet denken, dan moet u weten dat uw kinderen over hem leren dat hij op 6 mei 2002 door ‘een onbekende man’ is doodgeschoten.
Dat die man een linkse milieu activist was en Volkert van der Graaf heette, hoeven uw kinderen niet te weten. Wat zij wel moeten weten is dat die Fortuyn ‘scherpe opvattingen’ had, en dat die hem ‘uiteindelijk noodlottig’ zijn geworden. (Deze citaten zijn afkomstig uit het geschiedenisboek Indigo en het maatschappijleerboek Impuls, uitgaven van Wolters-Noordhoff.)...
Lees de rest van mijn wekelijkse column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
Het kan namelijk zomaar gebeuren dat uw bloedjes van kinderen een geschiedenisboek in handen krijgen waaruit zij moeten leren dat burgers op verschillende manieren aan het politieke leven kunnen deelnemen: ‘Taarten in het gezicht van politici, ketchup over driedelig van politici, ketchup over driedelig grijs, kogelbrieven bij het ontbijt: burgers zijn niet alleen actief in het stemhokje.’ Als u bij deze passage aan Pim Fortuyn moet denken, dan moet u weten dat uw kinderen over hem leren dat hij op 6 mei 2002 door ‘een onbekende man’ is doodgeschoten.
Dat die man een linkse milieu activist was en Volkert van der Graaf heette, hoeven uw kinderen niet te weten. Wat zij wel moeten weten is dat die Fortuyn ‘scherpe opvattingen’ had, en dat die hem ‘uiteindelijk noodlottig’ zijn geworden. (Deze citaten zijn afkomstig uit het geschiedenisboek Indigo en het maatschappijleerboek Impuls, uitgaven van Wolters-Noordhoff.)...
Lees de rest van mijn wekelijkse column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
30.4.08
Opinio-TV: Arie van der Zwan
Opinio-hoofdredacteur Jaffe Vink en ik spraken voor Opinio-TV op Het Gesprek een uur-lang met PvdA-ideoloog Arie van der Zwan. Bekijk de uitzending hier.
25.3.08
Let op Job
Iedereen weet zo langzamerhand wel dat er een week of wat terug een biografie van Joop den Uyl is verschenen. In de media trokken vooral twee onthullingen de aandacht: dat Den Uyl eind jaren dertig als student sympathie had gehad voor de politieke ontwikkelingen in Duitsland en dat hij als premier de monarchie redde door de volksvertegenwoordiging voor te liegen.
Politici hebben natuurlijk al die stukjes over het boek van Anet Bleich in de kranten en weekbladen zien staan, en nemen de laatste tijd ook met enige regelmaat de naam van Den Uyl in de mond. Een van hen is PvdA-leider Bos. Bos schreef eind februari een opinieartikel in de Volkskrant waarin hij onder meer betoogde dat het nieuwe kabinet wel degelijk een ‘kanteling’ heeft opgeleverd: in plaats van de polarisatie van de afgelopen jaren is nu het pragmatisme aangetreden. Een dag of tien later zei Bos, in een interview met dezelfde krant, weer iets heel anders. PvdA-bestuurders houden veel veranderingen tegen, betoogde Bos, omdat zij uitgaan van de ‘harmonie van de gevestigde belangen’ en daarom laten zij ‘de radicale opties die de partij zou moeten exploreren’ niet aan bod komen. In die situatie kan Den Uyl als kampioen van het politieke debat uitkomst bieden. In zijn spoor moet de PvdA scherper worden, de confrontatie zoeken en de problemen niet verdoezelen. En vooral ook polariseren, want ‘zonder polarisatie geen emancipatie’. ‘Niemand heeft het recht om niet gekwetst te worden.’
Ik kan me voorstellen dat er lokale PvdA-politici zijn die deze uitlatingen van Bos als een steun in de rug ervaren, mensen als Ahmed Marcouch en Lodewijk Asscher in Amsterdam, die geen blad voor de mond nemen, heel concrete problemen willen oplossen en het zich niet kunnen permitteren om daarbij met meel in de mond te praten. Polariseren wordt pas een ongeleid stijlmiddel wanneer het gepaard gaat met grove generalisaties. Marcouch aarzelt niet groepen hangjongeren in zijn stadsdeel Slotervaart uit te maken voor ‘tuig’. Maar hij heeft het dan niet over de Marokkaanse gemeenschap, maar over een specifieke groep binnen die gemeenschap.
Tegelijk brak er een storm van protest los op de nieuwe pleidooien van Bos. Publicisten die een dagtaak hebben aan het leveren van kritiek op de PvdA en haar leider, zoals Marcel van Dam, legden de woorden van Bos uit als een knieval voor het rauwe rechts dat het tegenwoordig zo goed doet. Terwijl Bos niet wil zeuren over de toon van het debat en een inhoudelijke discussie met dat rauwe rechts wil aangaan, zo precies en evenwichtig mogelijk.
Zo’n aankondiging is spannend, maar is tegelijk ook wat gratuit. Want waar blijft dat inhoudelijke antwoord dan? En als dat er al komt, krijgt Bos zijn partij er dan in mee?
Bos kan al lange tijd de indruk niet wegnemen dat hij niets meer goed kan doen en strijk-en-zet de verkeerde man op de verkeerde plaats en het verkeerde tijdstip is. Daarom reik ik hier, exclusief voor mijn lezers, een Geheimtip aan: Let op Job.
Job Cohen liet zich in een interview met De Pers (28 december) ontvallen dat hij het premierschap best aan kan en dat hij een terugkeer naar de nationale politiek niet uitsluit. Het nationale podium zoekt hij steeds meer op. In Nova ging hij in debat met Hero Brinkman van de PVV, en in het weekblad Opinio is hij begonnen aan een lange briefwisseling met zijn ideologische tegenvoeter, Frits Bolkestein van de VVD. Binnenkort verschijnt een essay van Cohen over het belang van gematigdheid, zodat de mensen niet alleen kunnen zien maar ook kunnen lezen dat hij, Job Cohen, de man is ‘aan wie je het wel kunt overlaten’. Om zijn profiel als nationaal denkend staatsman met de nodige intellectuele capaciteiten nog verder op te poetsen, werkt Cohen ook aan een bundeling van de lezingen en artikelen die hij de afgelopen jaren heeft gegeven en geschreven. Die bundel moet worden ingeleid door een lang interview met de kandidaat-premier, op te tekenen door een gerenommeerd journalist.
Terwijl de huidige partijleider worstelt maar niet boven kan blijven drijven, bereidt de man die door Bos al eens als de PvdA-kandidaat voor het premierschap is gepresenteerd, zich rustig voor op een tocht naar het Catshuis.
*) Deze column verscheen ook in Binnenlands Bestuur.
Politici hebben natuurlijk al die stukjes over het boek van Anet Bleich in de kranten en weekbladen zien staan, en nemen de laatste tijd ook met enige regelmaat de naam van Den Uyl in de mond. Een van hen is PvdA-leider Bos. Bos schreef eind februari een opinieartikel in de Volkskrant waarin hij onder meer betoogde dat het nieuwe kabinet wel degelijk een ‘kanteling’ heeft opgeleverd: in plaats van de polarisatie van de afgelopen jaren is nu het pragmatisme aangetreden. Een dag of tien later zei Bos, in een interview met dezelfde krant, weer iets heel anders. PvdA-bestuurders houden veel veranderingen tegen, betoogde Bos, omdat zij uitgaan van de ‘harmonie van de gevestigde belangen’ en daarom laten zij ‘de radicale opties die de partij zou moeten exploreren’ niet aan bod komen. In die situatie kan Den Uyl als kampioen van het politieke debat uitkomst bieden. In zijn spoor moet de PvdA scherper worden, de confrontatie zoeken en de problemen niet verdoezelen. En vooral ook polariseren, want ‘zonder polarisatie geen emancipatie’. ‘Niemand heeft het recht om niet gekwetst te worden.’
Ik kan me voorstellen dat er lokale PvdA-politici zijn die deze uitlatingen van Bos als een steun in de rug ervaren, mensen als Ahmed Marcouch en Lodewijk Asscher in Amsterdam, die geen blad voor de mond nemen, heel concrete problemen willen oplossen en het zich niet kunnen permitteren om daarbij met meel in de mond te praten. Polariseren wordt pas een ongeleid stijlmiddel wanneer het gepaard gaat met grove generalisaties. Marcouch aarzelt niet groepen hangjongeren in zijn stadsdeel Slotervaart uit te maken voor ‘tuig’. Maar hij heeft het dan niet over de Marokkaanse gemeenschap, maar over een specifieke groep binnen die gemeenschap.
Tegelijk brak er een storm van protest los op de nieuwe pleidooien van Bos. Publicisten die een dagtaak hebben aan het leveren van kritiek op de PvdA en haar leider, zoals Marcel van Dam, legden de woorden van Bos uit als een knieval voor het rauwe rechts dat het tegenwoordig zo goed doet. Terwijl Bos niet wil zeuren over de toon van het debat en een inhoudelijke discussie met dat rauwe rechts wil aangaan, zo precies en evenwichtig mogelijk.
Zo’n aankondiging is spannend, maar is tegelijk ook wat gratuit. Want waar blijft dat inhoudelijke antwoord dan? En als dat er al komt, krijgt Bos zijn partij er dan in mee?
Bos kan al lange tijd de indruk niet wegnemen dat hij niets meer goed kan doen en strijk-en-zet de verkeerde man op de verkeerde plaats en het verkeerde tijdstip is. Daarom reik ik hier, exclusief voor mijn lezers, een Geheimtip aan: Let op Job.
Job Cohen liet zich in een interview met De Pers (28 december) ontvallen dat hij het premierschap best aan kan en dat hij een terugkeer naar de nationale politiek niet uitsluit. Het nationale podium zoekt hij steeds meer op. In Nova ging hij in debat met Hero Brinkman van de PVV, en in het weekblad Opinio is hij begonnen aan een lange briefwisseling met zijn ideologische tegenvoeter, Frits Bolkestein van de VVD. Binnenkort verschijnt een essay van Cohen over het belang van gematigdheid, zodat de mensen niet alleen kunnen zien maar ook kunnen lezen dat hij, Job Cohen, de man is ‘aan wie je het wel kunt overlaten’. Om zijn profiel als nationaal denkend staatsman met de nodige intellectuele capaciteiten nog verder op te poetsen, werkt Cohen ook aan een bundeling van de lezingen en artikelen die hij de afgelopen jaren heeft gegeven en geschreven. Die bundel moet worden ingeleid door een lang interview met de kandidaat-premier, op te tekenen door een gerenommeerd journalist.
Terwijl de huidige partijleider worstelt maar niet boven kan blijven drijven, bereidt de man die door Bos al eens als de PvdA-kandidaat voor het premierschap is gepresenteerd, zich rustig voor op een tocht naar het Catshuis.
*) Deze column verscheen ook in Binnenlands Bestuur.
4.3.08
FNV-voorzitter Jongerius over een niksig kabinet
Yoeri Albrecht spraken voor Het Gesprek met FNV-voorzitter Agnes Jongerius over het
'niksige' kabinet-Balkenende. Bekijk het interview hier.
'niksige' kabinet-Balkenende. Bekijk het interview hier.
29.2.08
Interview met Lodewijk Asscher
Yoeri Albrecht en ik spraken voor Het Gesprek met de charismatische jonge wethouder van Amsterdam Lodewijk Asscher. Bekijk het interview hier.
25.2.08
Bolkestein en Cohen: gedroomde premiers
Frits Bolkestein en Job Cohen gaan de komende weken met elkaar in discussie in de kolommen van Opinio. Lees hier de openingsbrief van Frits Bolkestein. Ter gelegenheid van deze briefwisseling schreef ik het onderstaande dubbelportret voor Opinio.
Alle pogingen om het politieke landschap in Nederland tot twee kampen te herkavelen, zijn tot nog toe mislukt. Als het zou lukken, zou het ons weinig moeite kosten ons Frits Bolkestein als de onbetwiste leider van het ene kamp voor te stellen en Job Cohen als die van het tegenovergestelde.
Zij zijn de gedroomde kandidaten van twee verschillende bevolkingsgroepen.
Rechts tegenover links, de VVD tegenover de PvdA, de behoudende liberaal tegenover de sociaal-democraat, gegevenheden als nationale identiteit en cultuur tegenover de idee van het multiculturalisme, het scherpe debat tegenover het drinken van kopjes thee, dualisme versus polderen, direct en onomfloerst tegenover omzichtig en diplomatiek, een gevoel van urgentie tegenover de gedachte dat alles goed komt wanneer we maar niet zo zouden polariseren: zo lopen de breuklijnen ongeveer, tenminste in de gedachte van die bevolkingsgroepen.
Frederik Bolkestein wordt in april 75 jaar, Marius Job Cohen is veertien jaar jonger.
Bolkestein glorieerde in de jaren negentig als partijleider van de VVD; in 1998 scoorde hij 38 kamerzetels, en hij had toen volgens velen een succesvolle greep naar het premierschap kunnen doen. Job Cohen werd in 2003 door PvdA-leider Wouter Bos gepresenteerd als kandidaat-premier van zijn partij, maar de PvdA won de verkiezingen niet en Cohen bleef burgemeester van Amsterdam. In een recent interview met De Pers kondigde Cohen echter aan dat hij niet opziet tegen een terugkeer in de landelijke politiek. Hij is de laatste tijd vaak op de buis, zelfs om een debat aan te gaan met PVV’er Hero Brinkman, die hem voor ‘de slechtste en meest naïeve burgemeester’ uitmaakte.
Bolkestein maakt dezer dagen vooral een onthechte indruk. Hij zegt blij te zijn dat hij weg is uit de politiek, en hij is tegenwoordig als hoogleraar Intellectuele Grondslagen van Politieke Ontwikkelingen aan de universiteiten van Leiden en Delft verbonden. Hij schreef, anders dan Cohen, al een tiental boeken, en hij wil er daar nog één aan toevoegen: over de kwalijke rol van romantische intellectuelen in de politiek. Bolkestein denkt daarbij ongetwijfeld aan Joop den Uyl, Cohens partijgenoot.
Er zijn ook overeenkomsten tussen beide antagonisten. Beiden zijn Amsterdammer. Als ze een kopje thee met elkaar zouden willen drinken, zou de afstand lopend te overbruggen zijn: Cohen woont in zijn ambtswoning aan de Herengracht, Bolkestein houdt kantoor aan de Amstel.
Beide heren zijn geen up-starts. Cohen is de tweede zoon van A.E. (Dolf) Cohen (1913), die als historicus in 1941 bij Johan Huizinga promoveerde en als hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis en als rector magnificus aan de Universiteit van Leiden was verbonden. In de Tweede Wereldoorlog was hij ondergedoken; de grootouders van vaderszijde van Job Cohen kwamen in de oorlog om in het concentratiekamp Bergen-Belsen.
De grootvader van Frits Bolkestein, Gerrit Bolkestein, was zoon van een melkhandelaar, maar zelf werd hij eerst onderwijzer, daarna inspecteur van het onderwijs, en vervolgens minister van Onderwijs in het kabinet-De Geer II en in de kabinetten-Gerbrandy. Tijdens de oorlog zat hij dus als minister in Londen. Bolkesteins vader was advocaat en president van het Amsterdamse Gerechtshof.
Bolkestein maakte na zijn studie in Amsterdam carrière bij Shell (van 1960 tot 1976) en verbleef al die jaren in het buitenland; pas daarna koos hij voor de politiek, uit onvrede met de politiek van Den Uyl.
Cohen koos na zijn promotie in 1981 voor de universiteit. Hij ging naar Maastricht, waar hij in 1983 hoogleraar aan de juridische faculteit werd. Vanaf 1991 was hij tevens rector magnificus.
Toen Cohen zijn entree in de politiek maakte, in 1998 (al was hij kortstondig staatssecretaris van Onderwijs, van 1993 tot 1994, en lid van de Eerste Kamer), was Bolkestein al een old hand aan het Binnenhof. Hij was staatssecretaris van Economische Zaken (1982–1986) en minister van Defensie (1988–1989)geweest, en hij had vanaf 1990 de VVD-fractie in de Tweede Kamer geleid. In het jaar dat Cohen staatssecretaris van Justitie in het tweede kabinet-Kok werd en een nieuwe Vreemdelingenwet door de Tweede Kamer loodste, verliet Bolkestein de Nederlandse politiek om in Brussel Europees Commissaris voor de Interne Markt te worden. Hij bleef dat tot 2004. In die periode verruilde Cohen Den Haag voor Amsterdam, waar hij in januari 2001 als burgemeester aantrad. Hij kreeg er onder andere te maken met de moord op Theo van Gogh (2 november 2004), de filmmaker die hem altijd fel had bekritiseerd. Cohen sprak op de herdenkingsbijeenkomst die op de avond van de moord op de Dam werd gehouden, maar tijdens de uitvaartdienst zat hij achter in de zaal.
Cohens adagium (‘de boel bij elkaar houden’) was lange tijd uit, maar het mag zich in het huidige kenterende politieke klimaat weer in een zekere populariteit verheugen. “Ik heb op dit punt geen ogenblik getwijfeld of ik gelijk had,” aldus Cohen in het eerder genoemde interview met De Pers. “Het is volgens mij de enig juiste weg, en ik kán ook niet anders. Na de moord op Van Gogh werd het guur, maar daarna hebben anderen schoorvoetend ook weer het gevoel gekregen dat er iets basaals, gemeenschappelijks nodig is om door te gaan. Ik ben tevreden dat veel mensen inzien dat dit de juiste richting is, maar niet omdat het nu zo heerlijk is dat ik gelijk krijg… nee, écht niet! Zo zit ik niet in elkaar.”
Zowel Bolkestein als Cohen heeft dus al een imposante carrière achter de rug, waarbij opvalt dat Cohen veel meer publieke erkenning ten deel is gevallen dan Bolkestein. Bolkestein is de man die in de jaren negentig de problematiek van immigratie en integratie op de politieke agenda zette – al was hij jarenlang een roepende in de woestijn. Cohens partijgenoot Jacques Wallage (destijds fractievoorzitter van de PvdA, tegenwoordig burgemeester van Groningen) verweet Bolkestein dat hij slechts onderbuikgevoelens bespeelde. In januari 2000 ging een andere PvdA’er, Paul Scheffer, met de eer strijken toen hij in het NRC Handelsblad het artikel ‘Het multiculturele drama’ publiceerde – waarin volgens velen weinig stond dat Bolkestein al niet eerder had gezegd.
Cohen glorieerde als de burgemeester die het eerste homohuwelijk en het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima sloot (op 2 februari 2002 in de grote zaal van de Beurs van Berlage). In 2005 werd hij door het blad Binnenlands Bestuur tot de beste burgemeester van de afgelopen 25 jaar uitgeroepen, een jaar later werd hij gekozen tot de op één na beste burgemeester ter wereld, en werd hij door het tijdschrift Time ook uitgeroepen tot Held van Europa. Cohen geniet vooral waardering in kringen die zich inzetten voor ‘een open, democratische en tolerante samenleving’, zoals het werd geformuleerd in het rapport bij de Burgerschapsprijs die hij in november 2005 ontving.
Typerend voor het verschil tussen de directe Bolkestein en de omzichtige Cohen is een discussie uit april 2002. Voetbalfans scandeerden anti-Joodse liederen, en anti-Israëldemonstranten gingen zich aan hevig geweld te buiten. In het programma Buitenhof wees Bolkestein op het feit dat de meerderheid van de bevolking in de grote steden binnen enkele decennia allochtoon zal zijn en hij voorspelde dat incidenten tussen allochtone, islamitische jongeren en Nederlandse Joden vaker zullen gaan plaatsvinden. Volgens Cohen, die daags daarna in het NRC reageerde, waren de oorzaken van het toenemende antisemitisme vooral ‘buitengewoon complex’: “Bolkestein legt ongelooflijk snel een aantal causale verbanden die ik niet voor mijn rekening wil nemen.” Bolkesteins uitspraken zouden de kampen alleen nog maar verder uit elkaar drijven. “We moeten juist de kampen bij elkaar zien te houden. Daarvoor moeten we de contacten met die groep jongeren intensiveren. Met ze in gesprek gaan, in gesprek blijven en toch de grens duidelijk stellen.”
“Waarom is men toch zo beducht het kindje bij de naam te noemen?” vroeg Bolkestein zich af toen hij in 2003 samen met Cohen op een antisemitismebijeenkomst sprak en hij als enige de islamitische wortels van het nieuwe antisemitisme noemde.
Vanaf vandaag gaan beide heren in Opinio over deze en andere zaken in discussie.
*) Dit artikel verscheen eerder in Opinio.
Alle pogingen om het politieke landschap in Nederland tot twee kampen te herkavelen, zijn tot nog toe mislukt. Als het zou lukken, zou het ons weinig moeite kosten ons Frits Bolkestein als de onbetwiste leider van het ene kamp voor te stellen en Job Cohen als die van het tegenovergestelde.
Zij zijn de gedroomde kandidaten van twee verschillende bevolkingsgroepen.
Rechts tegenover links, de VVD tegenover de PvdA, de behoudende liberaal tegenover de sociaal-democraat, gegevenheden als nationale identiteit en cultuur tegenover de idee van het multiculturalisme, het scherpe debat tegenover het drinken van kopjes thee, dualisme versus polderen, direct en onomfloerst tegenover omzichtig en diplomatiek, een gevoel van urgentie tegenover de gedachte dat alles goed komt wanneer we maar niet zo zouden polariseren: zo lopen de breuklijnen ongeveer, tenminste in de gedachte van die bevolkingsgroepen.
Frederik Bolkestein wordt in april 75 jaar, Marius Job Cohen is veertien jaar jonger.
Bolkestein glorieerde in de jaren negentig als partijleider van de VVD; in 1998 scoorde hij 38 kamerzetels, en hij had toen volgens velen een succesvolle greep naar het premierschap kunnen doen. Job Cohen werd in 2003 door PvdA-leider Wouter Bos gepresenteerd als kandidaat-premier van zijn partij, maar de PvdA won de verkiezingen niet en Cohen bleef burgemeester van Amsterdam. In een recent interview met De Pers kondigde Cohen echter aan dat hij niet opziet tegen een terugkeer in de landelijke politiek. Hij is de laatste tijd vaak op de buis, zelfs om een debat aan te gaan met PVV’er Hero Brinkman, die hem voor ‘de slechtste en meest naïeve burgemeester’ uitmaakte.
Bolkestein maakt dezer dagen vooral een onthechte indruk. Hij zegt blij te zijn dat hij weg is uit de politiek, en hij is tegenwoordig als hoogleraar Intellectuele Grondslagen van Politieke Ontwikkelingen aan de universiteiten van Leiden en Delft verbonden. Hij schreef, anders dan Cohen, al een tiental boeken, en hij wil er daar nog één aan toevoegen: over de kwalijke rol van romantische intellectuelen in de politiek. Bolkestein denkt daarbij ongetwijfeld aan Joop den Uyl, Cohens partijgenoot.
Er zijn ook overeenkomsten tussen beide antagonisten. Beiden zijn Amsterdammer. Als ze een kopje thee met elkaar zouden willen drinken, zou de afstand lopend te overbruggen zijn: Cohen woont in zijn ambtswoning aan de Herengracht, Bolkestein houdt kantoor aan de Amstel.
Beide heren zijn geen up-starts. Cohen is de tweede zoon van A.E. (Dolf) Cohen (1913), die als historicus in 1941 bij Johan Huizinga promoveerde en als hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis en als rector magnificus aan de Universiteit van Leiden was verbonden. In de Tweede Wereldoorlog was hij ondergedoken; de grootouders van vaderszijde van Job Cohen kwamen in de oorlog om in het concentratiekamp Bergen-Belsen.
De grootvader van Frits Bolkestein, Gerrit Bolkestein, was zoon van een melkhandelaar, maar zelf werd hij eerst onderwijzer, daarna inspecteur van het onderwijs, en vervolgens minister van Onderwijs in het kabinet-De Geer II en in de kabinetten-Gerbrandy. Tijdens de oorlog zat hij dus als minister in Londen. Bolkesteins vader was advocaat en president van het Amsterdamse Gerechtshof.
Bolkestein maakte na zijn studie in Amsterdam carrière bij Shell (van 1960 tot 1976) en verbleef al die jaren in het buitenland; pas daarna koos hij voor de politiek, uit onvrede met de politiek van Den Uyl.
Cohen koos na zijn promotie in 1981 voor de universiteit. Hij ging naar Maastricht, waar hij in 1983 hoogleraar aan de juridische faculteit werd. Vanaf 1991 was hij tevens rector magnificus.
Toen Cohen zijn entree in de politiek maakte, in 1998 (al was hij kortstondig staatssecretaris van Onderwijs, van 1993 tot 1994, en lid van de Eerste Kamer), was Bolkestein al een old hand aan het Binnenhof. Hij was staatssecretaris van Economische Zaken (1982–1986) en minister van Defensie (1988–1989)geweest, en hij had vanaf 1990 de VVD-fractie in de Tweede Kamer geleid. In het jaar dat Cohen staatssecretaris van Justitie in het tweede kabinet-Kok werd en een nieuwe Vreemdelingenwet door de Tweede Kamer loodste, verliet Bolkestein de Nederlandse politiek om in Brussel Europees Commissaris voor de Interne Markt te worden. Hij bleef dat tot 2004. In die periode verruilde Cohen Den Haag voor Amsterdam, waar hij in januari 2001 als burgemeester aantrad. Hij kreeg er onder andere te maken met de moord op Theo van Gogh (2 november 2004), de filmmaker die hem altijd fel had bekritiseerd. Cohen sprak op de herdenkingsbijeenkomst die op de avond van de moord op de Dam werd gehouden, maar tijdens de uitvaartdienst zat hij achter in de zaal.
Cohens adagium (‘de boel bij elkaar houden’) was lange tijd uit, maar het mag zich in het huidige kenterende politieke klimaat weer in een zekere populariteit verheugen. “Ik heb op dit punt geen ogenblik getwijfeld of ik gelijk had,” aldus Cohen in het eerder genoemde interview met De Pers. “Het is volgens mij de enig juiste weg, en ik kán ook niet anders. Na de moord op Van Gogh werd het guur, maar daarna hebben anderen schoorvoetend ook weer het gevoel gekregen dat er iets basaals, gemeenschappelijks nodig is om door te gaan. Ik ben tevreden dat veel mensen inzien dat dit de juiste richting is, maar niet omdat het nu zo heerlijk is dat ik gelijk krijg… nee, écht niet! Zo zit ik niet in elkaar.”
Zowel Bolkestein als Cohen heeft dus al een imposante carrière achter de rug, waarbij opvalt dat Cohen veel meer publieke erkenning ten deel is gevallen dan Bolkestein. Bolkestein is de man die in de jaren negentig de problematiek van immigratie en integratie op de politieke agenda zette – al was hij jarenlang een roepende in de woestijn. Cohens partijgenoot Jacques Wallage (destijds fractievoorzitter van de PvdA, tegenwoordig burgemeester van Groningen) verweet Bolkestein dat hij slechts onderbuikgevoelens bespeelde. In januari 2000 ging een andere PvdA’er, Paul Scheffer, met de eer strijken toen hij in het NRC Handelsblad het artikel ‘Het multiculturele drama’ publiceerde – waarin volgens velen weinig stond dat Bolkestein al niet eerder had gezegd.
Cohen glorieerde als de burgemeester die het eerste homohuwelijk en het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima sloot (op 2 februari 2002 in de grote zaal van de Beurs van Berlage). In 2005 werd hij door het blad Binnenlands Bestuur tot de beste burgemeester van de afgelopen 25 jaar uitgeroepen, een jaar later werd hij gekozen tot de op één na beste burgemeester ter wereld, en werd hij door het tijdschrift Time ook uitgeroepen tot Held van Europa. Cohen geniet vooral waardering in kringen die zich inzetten voor ‘een open, democratische en tolerante samenleving’, zoals het werd geformuleerd in het rapport bij de Burgerschapsprijs die hij in november 2005 ontving.
Typerend voor het verschil tussen de directe Bolkestein en de omzichtige Cohen is een discussie uit april 2002. Voetbalfans scandeerden anti-Joodse liederen, en anti-Israëldemonstranten gingen zich aan hevig geweld te buiten. In het programma Buitenhof wees Bolkestein op het feit dat de meerderheid van de bevolking in de grote steden binnen enkele decennia allochtoon zal zijn en hij voorspelde dat incidenten tussen allochtone, islamitische jongeren en Nederlandse Joden vaker zullen gaan plaatsvinden. Volgens Cohen, die daags daarna in het NRC reageerde, waren de oorzaken van het toenemende antisemitisme vooral ‘buitengewoon complex’: “Bolkestein legt ongelooflijk snel een aantal causale verbanden die ik niet voor mijn rekening wil nemen.” Bolkesteins uitspraken zouden de kampen alleen nog maar verder uit elkaar drijven. “We moeten juist de kampen bij elkaar zien te houden. Daarvoor moeten we de contacten met die groep jongeren intensiveren. Met ze in gesprek gaan, in gesprek blijven en toch de grens duidelijk stellen.”
“Waarom is men toch zo beducht het kindje bij de naam te noemen?” vroeg Bolkestein zich af toen hij in 2003 samen met Cohen op een antisemitismebijeenkomst sprak en hij als enige de islamitische wortels van het nieuwe antisemitisme noemde.
Vanaf vandaag gaan beide heren in Opinio over deze en andere zaken in discussie.
*) Dit artikel verscheen eerder in Opinio.
22.2.08
Ome Joop
Recensie* van: Anet Bleich, Joop den Uyl, 1919-1987: dromer en doordouwer, Balans
‘Den Uyl, deze kleine grote man, was immer in de weer met het optillen van de onderkant van de samenleving. Ik zie dat vaak letterlijk voor mij’, schreef Pim Fortuyn in zijn autobiografie. ‘Ome Joop in die slonzige pakken van hem onder de sigarenas, met een sigaar in het hoofd bezig die zware onderkant op te tillen. Je zou willen dat hij je vader was!’
Den Uyls streven naar de spreiding van kennis, macht en inkomen ging met veel maatschappelijke en politieke onrust gepaard. Er wordt dezer dagen veel geklaagd over polarisatie, over de harde toon in politiek-maatschappelijke discussies en over het gevaar dat de samenleving als gevolg daarvan uiteenvalt. Vermoedelijk was het in de jaren zeventig allemaal veel erger. Ik herinner me nog goed hoe ik deel uitmaakte van een groep leerlingen die dagelijks vanuit het schone dorp Boskoop naar het Christelijk Lyceum fietste. Er heerste in die groep veel plezier en eensgezindheid, maar in 1977 – het jaar van de ellenlange en uiteindelijk mislukte formatie van een tweede kabinet-Den Uyl – viel de groep uiteen in een Den Uyl- en een Wiegel/Van Agt-kamp. We waren toen twaalf jaar oud, maar vonden blijkbaar dat politieke keuzes onverenigbaar waren met een voortzetting van onze vriendschappen. Daar hoor ik mijn eigen kinderen nooit over.
Ook herinner ik me nog goed dat we mijn vader er thuis altijd van moesten weerhouden een asbak door het tv-scherm te gooien zodra Den Uyl daarop te zien was en hij een langdradig betoog, steevast in twee punten verdeeld, begon af te steken. De ergernis over de man ontlaadde zich op oudejaarsavond, wanneer Wim Kan diens onhebbelijkheden op een sympathiek-genadeloze manier persifleerde.
De man die deze polarisatie belichaamde, Joop den Uyl dus, werd in 1919 in een gereformeerd middenstandersgezin in Hilversum geboren. Wat hem vanaf het begin van zijn milieu heeft onderscheiden, was zijn hunkering naar het grootse en meeslepende dat hem boven de kleine beslommeringen van het alledaagse leven zou verheffen. Die hunkering richtte zich aanvankelijk niet op de befaamde rode droom, maar keerde zich juist tegen de marxistische klassenstrijd en uitte zich in een romantisch rechts-nationalisme. Die idolatrie ging zo ver dat Den Uyl als student economie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam een pro-Duitse houding innam. Nog in 1939 – toen Praag al was bezet, de Kristallnacht al had plaatsgevonden en de Neurenbergse rassenwetten al van kracht waren - ging hij in de Noord-Duitse stad Kiel een zomercursus volgen. Onder de Duitse jeugd bespeurde hij een ‘verlangen naar pure humaniteit’. Hij wilde het ‘nieuwe Duitsland’ positief en ‘genuanceerd’ beoordelen.
De oorlog veranderde Den Uyl definitief. Hij herzag zijn politieke opvattingen en levenshouding: de woede over de Duitse aanval en bezetting vaagde zijn pro-Duitse sympathieën weg. En hij slaagde er eindelijk in, geholpen door de Zwitserse theoloog Karl Barth, zijn gereformeerde geloof van zich af te schudden.
En hij vond een vrouw. Dat wil zeggen: de Amsterdamse uitgever Geert van Oorschot zei in 1943 tegen hem: ‘Joop, ik heb dé vrouw voor jou gevonden’. Dat Van Oorschot zelf een intieme relatie met Elisabeth van Vessem had gehad, maar van haar af wilde voor een andere vrouw, zijn latere vrouw Hillie, verzweeg hij. Elisabeth van Vessem is de geschiedenis ingegaan als Liesbeth den Uyl. Maar toen Den Uyl erachter kwam dat Van Oorschot de eerste in haar leven was geweest, verbrak hij alle banden met hem.
Na de oorlog wenkte de droom van de nieuwe politiek: het streven naar vernieuwing in democratische en socialistische zin. Den Uyl werkte eerst bij Het Parool, daarna bij Vrij Nederland, en zette zich als journalist in voor een agenda voor méér democratie, minder sociale ongelijkheid, doorbreking van de vooroorlogse schotjesgeest en een gelijkwaardige verhouding met Indonesië. Maar als journalist had hij het idee ‘aan de schaduwkant van de gracht te wandelen, met uitzicht op zonnige gevels’. Om zelf in het zonlicht te komen koos hij voor de politiek, als lid van ‘het zondig ras der reformisten’. Hij werd, nog geen dertig jaar oud, directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, lid van de Amsterdamse gemeenteraad (1953), lid van de Tweede Kamer (1956), wethouder van Amsterdam (1962), minister van Economische Zaken in het kabinet Cals-Vondeling (1965), lijstaanvoerder van de PvdA (1966), minister-president (1973-1977), en een oppositieleider die bleef doorvechten toen hij zichzelf al had overleefd.. Door zijn vrouw en kinderen ingewonnen voor popmuziek en lang haar, probeerde hij de klassieke idealen van de sociaal-democratie te combineren met de hang naar democratisering die door Provo en Nieuw Links naar buiten brak. Vanaf 1973 voegde hij zich ook naar de mode van de nieuwe spelling, zodat ‘excuus’ in ‘ekskuus’ veranderde.
De rode draad in dit leven dat politiek was, bestond in het eindeloze streven naar vernieuwing via planmatige acties van de overheid. Als hij als wethouder zijn gang had kunnen gaan, was de Amsterdamse binnenstad aan de slopershamer ten onder gegaan. Grootschalige plannen voor de industriële ontwikkeling van de Amsterdamse haven mislukten, en de Bijlmer bleek eveneens aan de schema’s van de tekentafel ontsproten en met de harde werkelijkheid te botsen.
Het typerende van Den Uyl is dat hij daar nooit iets van heeft geleerd, en ook als minister-president zich maar is blijven inzetten voor plannen die de samenleving structureel moesten veranderen. Jaren later stele hij vast dat zijn kabinet ‘te laat’ was gekomen, omdat de economische voorwaarden inmiddels ontbraken.
Aan dit politieke leven is nu een biografe gewijd, geschreven door Volkskrant-columniste Anet Bleich, die deze week op haar studie aan de universiteit van Amsterdam is gepromoveerd. Het boek is, om te beginnen, uitstekend geschreven. Den Uyl had blijkbaar al vroeg het gevoel dat hij erg belangrijk zou worden, en heeft daarom veel bewaard, tot aan de opstellen uit zijn lagere schooltijd aan toe. Voor een biograaf is dat een prachtige bron, en Bleich heeft die goed benut. Haar boek ontleent zijn kracht aan de aandacht voor Den Uyls persoonlijk leven en aan de typerende anekdotiek, meer dan aan de politieke analyse. Belangrijke politieke debatten worden hier en daar wel wat erg kort behandeld.
Is Bleichs portret van Den Uyl fair? Het is in ieder geval congeniaal. Bleich behoort min of meer tot dezelfde politieke familie, maar dat heeft weer tot een zekere eenkennigheid geleid die haar ervan heeft weerhouden om voor haar boek ook rechtse critici als Hans Wiegel en Frits Bolkestein te interviewen. Is het boek hagiografisch? In het begin houd je je hart vast, wanneer Bleich haar held presenteert als het ‘jochie’ dat in de klas de schuld op zich nam voor iets wat hij niet had gedaan en een hart had dat overliep van medelijden ‘voor de arme sloebers die hij op straat tegen kwam’. Maar verderop in het boek gaat dit sentimentalisme gelukkig steeds meer ontbreken. Ze maakt Den Uyl tot een vroegtijdige ketter door hem de woorden ‘Kom, schepper van de geest’, in plaats van ‘Kom, Schepper, Heilige Geest’ in de mond te leggen, en denkt dat G. C. van Niftrik een boek van Karl Barth heeft vertaald, terwijl hij de auteur van een monografie over Barth was. Erger, uitgerekend in een biografie, is dat Sem Dresden bij Bleich Sam Dresden heet.
Maar dat zijn kleinigheden. Als rechtse man kan ik Bleich waarschijnlijk geen groter compliment geven dan door te schrijven dat ik na lezing van haar boek voor het eerst een beetje begreep waarom Fortuyn boven het bureau waaraan hij zijn Elsevier-columns schreef, niet alleen een portret van John F. Kennedy maar ook van Joop den Uyl had hangen.
*) Deze recensie is eveneens verschenen in HP/DeTijd.
‘Den Uyl, deze kleine grote man, was immer in de weer met het optillen van de onderkant van de samenleving. Ik zie dat vaak letterlijk voor mij’, schreef Pim Fortuyn in zijn autobiografie. ‘Ome Joop in die slonzige pakken van hem onder de sigarenas, met een sigaar in het hoofd bezig die zware onderkant op te tillen. Je zou willen dat hij je vader was!’
Den Uyls streven naar de spreiding van kennis, macht en inkomen ging met veel maatschappelijke en politieke onrust gepaard. Er wordt dezer dagen veel geklaagd over polarisatie, over de harde toon in politiek-maatschappelijke discussies en over het gevaar dat de samenleving als gevolg daarvan uiteenvalt. Vermoedelijk was het in de jaren zeventig allemaal veel erger. Ik herinner me nog goed hoe ik deel uitmaakte van een groep leerlingen die dagelijks vanuit het schone dorp Boskoop naar het Christelijk Lyceum fietste. Er heerste in die groep veel plezier en eensgezindheid, maar in 1977 – het jaar van de ellenlange en uiteindelijk mislukte formatie van een tweede kabinet-Den Uyl – viel de groep uiteen in een Den Uyl- en een Wiegel/Van Agt-kamp. We waren toen twaalf jaar oud, maar vonden blijkbaar dat politieke keuzes onverenigbaar waren met een voortzetting van onze vriendschappen. Daar hoor ik mijn eigen kinderen nooit over.
Ook herinner ik me nog goed dat we mijn vader er thuis altijd van moesten weerhouden een asbak door het tv-scherm te gooien zodra Den Uyl daarop te zien was en hij een langdradig betoog, steevast in twee punten verdeeld, begon af te steken. De ergernis over de man ontlaadde zich op oudejaarsavond, wanneer Wim Kan diens onhebbelijkheden op een sympathiek-genadeloze manier persifleerde.
De man die deze polarisatie belichaamde, Joop den Uyl dus, werd in 1919 in een gereformeerd middenstandersgezin in Hilversum geboren. Wat hem vanaf het begin van zijn milieu heeft onderscheiden, was zijn hunkering naar het grootse en meeslepende dat hem boven de kleine beslommeringen van het alledaagse leven zou verheffen. Die hunkering richtte zich aanvankelijk niet op de befaamde rode droom, maar keerde zich juist tegen de marxistische klassenstrijd en uitte zich in een romantisch rechts-nationalisme. Die idolatrie ging zo ver dat Den Uyl als student economie aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam een pro-Duitse houding innam. Nog in 1939 – toen Praag al was bezet, de Kristallnacht al had plaatsgevonden en de Neurenbergse rassenwetten al van kracht waren - ging hij in de Noord-Duitse stad Kiel een zomercursus volgen. Onder de Duitse jeugd bespeurde hij een ‘verlangen naar pure humaniteit’. Hij wilde het ‘nieuwe Duitsland’ positief en ‘genuanceerd’ beoordelen.
De oorlog veranderde Den Uyl definitief. Hij herzag zijn politieke opvattingen en levenshouding: de woede over de Duitse aanval en bezetting vaagde zijn pro-Duitse sympathieën weg. En hij slaagde er eindelijk in, geholpen door de Zwitserse theoloog Karl Barth, zijn gereformeerde geloof van zich af te schudden.
En hij vond een vrouw. Dat wil zeggen: de Amsterdamse uitgever Geert van Oorschot zei in 1943 tegen hem: ‘Joop, ik heb dé vrouw voor jou gevonden’. Dat Van Oorschot zelf een intieme relatie met Elisabeth van Vessem had gehad, maar van haar af wilde voor een andere vrouw, zijn latere vrouw Hillie, verzweeg hij. Elisabeth van Vessem is de geschiedenis ingegaan als Liesbeth den Uyl. Maar toen Den Uyl erachter kwam dat Van Oorschot de eerste in haar leven was geweest, verbrak hij alle banden met hem.
Na de oorlog wenkte de droom van de nieuwe politiek: het streven naar vernieuwing in democratische en socialistische zin. Den Uyl werkte eerst bij Het Parool, daarna bij Vrij Nederland, en zette zich als journalist in voor een agenda voor méér democratie, minder sociale ongelijkheid, doorbreking van de vooroorlogse schotjesgeest en een gelijkwaardige verhouding met Indonesië. Maar als journalist had hij het idee ‘aan de schaduwkant van de gracht te wandelen, met uitzicht op zonnige gevels’. Om zelf in het zonlicht te komen koos hij voor de politiek, als lid van ‘het zondig ras der reformisten’. Hij werd, nog geen dertig jaar oud, directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, lid van de Amsterdamse gemeenteraad (1953), lid van de Tweede Kamer (1956), wethouder van Amsterdam (1962), minister van Economische Zaken in het kabinet Cals-Vondeling (1965), lijstaanvoerder van de PvdA (1966), minister-president (1973-1977), en een oppositieleider die bleef doorvechten toen hij zichzelf al had overleefd.. Door zijn vrouw en kinderen ingewonnen voor popmuziek en lang haar, probeerde hij de klassieke idealen van de sociaal-democratie te combineren met de hang naar democratisering die door Provo en Nieuw Links naar buiten brak. Vanaf 1973 voegde hij zich ook naar de mode van de nieuwe spelling, zodat ‘excuus’ in ‘ekskuus’ veranderde.
De rode draad in dit leven dat politiek was, bestond in het eindeloze streven naar vernieuwing via planmatige acties van de overheid. Als hij als wethouder zijn gang had kunnen gaan, was de Amsterdamse binnenstad aan de slopershamer ten onder gegaan. Grootschalige plannen voor de industriële ontwikkeling van de Amsterdamse haven mislukten, en de Bijlmer bleek eveneens aan de schema’s van de tekentafel ontsproten en met de harde werkelijkheid te botsen.
Het typerende van Den Uyl is dat hij daar nooit iets van heeft geleerd, en ook als minister-president zich maar is blijven inzetten voor plannen die de samenleving structureel moesten veranderen. Jaren later stele hij vast dat zijn kabinet ‘te laat’ was gekomen, omdat de economische voorwaarden inmiddels ontbraken.
Aan dit politieke leven is nu een biografe gewijd, geschreven door Volkskrant-columniste Anet Bleich, die deze week op haar studie aan de universiteit van Amsterdam is gepromoveerd. Het boek is, om te beginnen, uitstekend geschreven. Den Uyl had blijkbaar al vroeg het gevoel dat hij erg belangrijk zou worden, en heeft daarom veel bewaard, tot aan de opstellen uit zijn lagere schooltijd aan toe. Voor een biograaf is dat een prachtige bron, en Bleich heeft die goed benut. Haar boek ontleent zijn kracht aan de aandacht voor Den Uyls persoonlijk leven en aan de typerende anekdotiek, meer dan aan de politieke analyse. Belangrijke politieke debatten worden hier en daar wel wat erg kort behandeld.
Is Bleichs portret van Den Uyl fair? Het is in ieder geval congeniaal. Bleich behoort min of meer tot dezelfde politieke familie, maar dat heeft weer tot een zekere eenkennigheid geleid die haar ervan heeft weerhouden om voor haar boek ook rechtse critici als Hans Wiegel en Frits Bolkestein te interviewen. Is het boek hagiografisch? In het begin houd je je hart vast, wanneer Bleich haar held presenteert als het ‘jochie’ dat in de klas de schuld op zich nam voor iets wat hij niet had gedaan en een hart had dat overliep van medelijden ‘voor de arme sloebers die hij op straat tegen kwam’. Maar verderop in het boek gaat dit sentimentalisme gelukkig steeds meer ontbreken. Ze maakt Den Uyl tot een vroegtijdige ketter door hem de woorden ‘Kom, schepper van de geest’, in plaats van ‘Kom, Schepper, Heilige Geest’ in de mond te leggen, en denkt dat G. C. van Niftrik een boek van Karl Barth heeft vertaald, terwijl hij de auteur van een monografie over Barth was. Erger, uitgerekend in een biografie, is dat Sem Dresden bij Bleich Sam Dresden heet.
Maar dat zijn kleinigheden. Als rechtse man kan ik Bleich waarschijnlijk geen groter compliment geven dan door te schrijven dat ik na lezing van haar boek voor het eerst een beetje begreep waarom Fortuyn boven het bureau waaraan hij zijn Elsevier-columns schreef, niet alleen een portret van John F. Kennedy maar ook van Joop den Uyl had hangen.
*) Deze recensie is eveneens verschenen in HP/DeTijd.
16.2.08
In gesprek met Khadija Arib
Voor het politieke praatprogramma 'Een Politiek Gesprek' van Het Gesprek spraken Yoeri Albrecht en ik met PvdA-kamerlid Khadija Arib. Over Islam in Nederland, Hirsi Ali, Geert Wilders en haar werk voor de koning van Marokko. Bekijk het interview hier.
13.12.07
Het dagboek van Andries Knevel
Recensie* van Andries Knevel, Avonduren, Ten Have € 19,90 en George Harinck, Waar komt het VU-kabinet vandaan?, EON Pers € 15,00
2007 was een enerverend jaar voor Andries Knevel, het gezicht van de Evangelische Omroep. Bij zijn gebruikelijke werkzaamheden kwam de presentatie van Knevel & Van den Brink, als tijdelijke vervangers van de populaire Pauw & Witteman, en de ChristenUnie, zíjn ChristenUnie, kwam aan de macht. Om te voorkomen dat de gebeurtenissen met hem op de loop zouden gaan, heeft Knevel het afgelopen jaar een dagboek bijgehouden.
Knevel (1952) zit zo af en toe dicht bij de macht, en dat mogen we weten ook. Zo vertelt hij dat André Rouvoet hem op 9 februari belt, twee dagen na de presentatie van het regeerakkoord van CDA, PvdA en ChristenUnie in het Catshuis. Dat gesprek ging zo:
‘Hoe vind je het allemaal bij elkaar, Andries?’
‘Goed gedaan, André, ik denk dat je het maximale eruit hebt gehaald en de grote aandacht voor jeugd en gezin in het akkoord, naast de strekking dat we weer moeten zoeken naar verbinding in de samenleving, naar cohesie en naar bezieling, spat er natuurlijk af.’
‘Meen je het echt?’
‘Ja, van harte, en ik zal jullie de komende tijd ook kritisch steunen.’
‘Dat vind ik geweldig, want ik hecht zeer aan je oordeel.’
Dank zij die positie van Knevel – hij kan het ook goed vinden met de minister-president, en drinkt in een hotel op een Waddeneiland tot diep in de nacht biertjes met hem – bevat het dagboek leuke weetjes. Het ChristenUnie-kamerlid Joel Voordewind vertelt hem bijvoorbeeld dat de fractie eigenlijk helemaal niet blij was met het feit dat Rouvoet minister werd. ‘Uiteindelijk heeft hij die keuze gemaakt, zonder de fractie te laten meebeslissen. Ik proef iets van verwijt in de stem van Joel.’ Na een uitzending van Knevel & Van den Brink blijft Wouter Bos lang hangen, ‘met een glas bier in de hand’. Bos vertelt hoe het toegaat in de Trêveszaal en wat er allemaal nog meer bij de PvdA aan de hand is, en maakt geen geheim van zijn wantrouwen jegens Balkenende. ‘Net als Gerrit Zalm krijgt Wouter Bos erg veel ruimte van premier Balkenende. En net als Zalm vraagt hij zich af of dat slimme tactiek is, of onvermogen van de premier om dossiers bij te houden of om krachtig leiderschap te tonen. Hoewel de verhouding tussen de twee goed is, zal er nooit sprake zijn van chemie. Die heeft Wouter Bos veel meer met André Rouvoet.’ Ook Balkenende loopt na een uitzending een keer leeg. ‘Hij vertelt onbekommerd over de kabinetsformatie, met een aantal pikante details.’ Het volk had die details via Knevels dagboek graag willen vernemen, maar Jack de Vries, onze staatssecretaris van Defensie, had in zijn toenmalige functie van mannetjesmaker al ingegrepen: ‘Hier geldt het geheim van Nieuwspoort’, waarschuwt hij tijdens het gesprek in de studio.
Dit soort passages, en de levendige manier waarop Knevel ze opschrijft, maakt dit dagboek zonder meer lezenswaardig. Maar het boek is om een andere reden nog veel interessanter. Knevel legt van dag tot dag verantwoording af van zijn denkbeelden, en vooral: van de ontwikkeling in zijn denken. En dat is in zijn geval meer dan een hoogstpersoonlijke biecht. Knevel representeert een ontwikkeling die zich in zijn hoek van christelijk Nederland overal voltrekt (of gaat voltrekken), en die ook voor de rest van Nederland van belang is.
Het moet iedereen in dit land toch zijn opgevallen dat de partijen waaruit de ChristenUnie in 2001 is ontstaan (GPV en RPF), zich tot diep in de jaren negentig manifesteerden als principiële clubs die het kabinetsbeleid vooral op ethische thema’s aanvielen. Daar hoor je nu steeds minder van. Principes zijn ingewisseld voor idealen, en de traditionele huiver voor een sterke staat is ingeruild voor de omhelzing van een daadkrachtige overheid die overal alle problemen gaat oplossen, tot achter de voordeur toe.
George Harinck is sinds kort hoogleraar in de geschiedenis van het neocalvinisme aan de Vrije Universiteit. Hij heeft dat ambt aanvaard met een oratie over de vraag waar het huidige ‘VU-kabinet’ vandaan komt. Het is een zeer verhelderend betoog waarin Harinck duidelijk maakt dat de ontwikkelingen die zich in de jaren zeventig in de ARP hebben voorgedaan, zich ook binnen de ChristenUnie hebben voltrokken. En dat, als gevolg daarvan, de ChristenUnie zich niet tot de luis in de pels van het CDA heeft ontwikkeld maar tot het jongere, serieuze broertje van de christen-democraten. Knevel vraagt zich in zijn dagboek openlijk af: ‘Wat is over vier jaar nog het verschil tussen CU en CDA?’ En hij verwondert er zich over dat de koerswijziging van de ChristenUnie, die dit kabinet mogelijk heeft gemaakt en die hij voluit steunt, zich geruisloos voltrekt en zonder debat met de achterban is geaccepteerd.
Voor Nederlanders die niet meer weten wat de Doleantie, de Vrijmaking en de Doorbraak geweest zijn (en dat zal inmiddels wel een meerderheid van de bevolking zijn), is de oratie van Harinck waarschijnlijk niet zonder een christelijke encyclopedie te lezen. Maar dat betekent ook dat deze groep mensen niet meer over de historische kennis beschikt om te kunnen begrijpen wat er nu in Nederland gebeurt en is gebeurd.
Knevel belichaamt en illustreert de ontwikkeling die Harinck beschrijft. Het komt in feite neer op een vergaande modernisering. Traditionele geloofsopvattingen (zoals de ouderdom van de aarde of homoseksualiteit) worden opgegeven of gerelativeerd. Een nieuwe openheid leidt tot fundamentele vragen over het lijden en gewelddadige passages in het Oude Testament. Het besef dat RPF en GPV destijds, en de SGP nu, met een achterhoedegevecht bezig waren, en dat christenen nu definitief een minderheid vormen, zorgt ervoor dat oude principes, de antithese en de confrontatie, plaats maken voor sociaal-bewogen idealen.
Zo schrijft Knevel: ‘Achteraf hebben we [de EO –red.] op een aantal terreinen best gelijk gehad, maar de vraag is of de confrontatie vruchtbaar is geweest. Misschien wel in het tijdsgewricht tot aan de val van de Muur, maar zeker niet daarna. Vandaar dat ik nu ook liever het gesprek met andersdenkenden zoek, dan dat ik ze vanuit een bolwerk zit te beschieten.’
Het christelijk geloof is voor Knevel inmiddels niet meer alleen een antwoord. Geloven is een avontuur waarin de vragen overheersend worden.
Deze ‘enorme ommezwaai’ leidt ook tot nieuwe twijfels, de gebruikelijke twijfels bij mensen die oude opvattingen verlaten, zich realiseren dat ze zich daarmee op een hellend vlak begeven, en zich een beetje angstig afvragen waar ze zullen eindigen. Als de wereld inderdaad miljarden jaren oud is, ‘hoe zit het dan met de zondeval?’, zo vraagt Knevel zich af. Hij citeert een oude hoogleraar van de VU, die het had over ‘de kat in de kelder’ en de vrees dat de kat die kelder verlaat. Ook in Knevels kelder zitten waarschijnlijk nog heel wat katten, naar hij zelf in alle openheid aangeeft.
Knevel is een goede man die op een eerlijke en oprechte manier verantwoording van zijn keuzes en ontwikkeling aflegt. En die de vraag die hij zichzelf stelt – ‘Het zal toch niet waar zijn dat ik links word?’ – impliciet met een volmondig ja heeft beantwoord.
*) Deze recensie verscheen eveneens in HP/De Tijd.
2007 was een enerverend jaar voor Andries Knevel, het gezicht van de Evangelische Omroep. Bij zijn gebruikelijke werkzaamheden kwam de presentatie van Knevel & Van den Brink, als tijdelijke vervangers van de populaire Pauw & Witteman, en de ChristenUnie, zíjn ChristenUnie, kwam aan de macht. Om te voorkomen dat de gebeurtenissen met hem op de loop zouden gaan, heeft Knevel het afgelopen jaar een dagboek bijgehouden.
Knevel (1952) zit zo af en toe dicht bij de macht, en dat mogen we weten ook. Zo vertelt hij dat André Rouvoet hem op 9 februari belt, twee dagen na de presentatie van het regeerakkoord van CDA, PvdA en ChristenUnie in het Catshuis. Dat gesprek ging zo:
‘Hoe vind je het allemaal bij elkaar, Andries?’
‘Goed gedaan, André, ik denk dat je het maximale eruit hebt gehaald en de grote aandacht voor jeugd en gezin in het akkoord, naast de strekking dat we weer moeten zoeken naar verbinding in de samenleving, naar cohesie en naar bezieling, spat er natuurlijk af.’
‘Meen je het echt?’
‘Ja, van harte, en ik zal jullie de komende tijd ook kritisch steunen.’
‘Dat vind ik geweldig, want ik hecht zeer aan je oordeel.’
Dank zij die positie van Knevel – hij kan het ook goed vinden met de minister-president, en drinkt in een hotel op een Waddeneiland tot diep in de nacht biertjes met hem – bevat het dagboek leuke weetjes. Het ChristenUnie-kamerlid Joel Voordewind vertelt hem bijvoorbeeld dat de fractie eigenlijk helemaal niet blij was met het feit dat Rouvoet minister werd. ‘Uiteindelijk heeft hij die keuze gemaakt, zonder de fractie te laten meebeslissen. Ik proef iets van verwijt in de stem van Joel.’ Na een uitzending van Knevel & Van den Brink blijft Wouter Bos lang hangen, ‘met een glas bier in de hand’. Bos vertelt hoe het toegaat in de Trêveszaal en wat er allemaal nog meer bij de PvdA aan de hand is, en maakt geen geheim van zijn wantrouwen jegens Balkenende. ‘Net als Gerrit Zalm krijgt Wouter Bos erg veel ruimte van premier Balkenende. En net als Zalm vraagt hij zich af of dat slimme tactiek is, of onvermogen van de premier om dossiers bij te houden of om krachtig leiderschap te tonen. Hoewel de verhouding tussen de twee goed is, zal er nooit sprake zijn van chemie. Die heeft Wouter Bos veel meer met André Rouvoet.’ Ook Balkenende loopt na een uitzending een keer leeg. ‘Hij vertelt onbekommerd over de kabinetsformatie, met een aantal pikante details.’ Het volk had die details via Knevels dagboek graag willen vernemen, maar Jack de Vries, onze staatssecretaris van Defensie, had in zijn toenmalige functie van mannetjesmaker al ingegrepen: ‘Hier geldt het geheim van Nieuwspoort’, waarschuwt hij tijdens het gesprek in de studio.
Dit soort passages, en de levendige manier waarop Knevel ze opschrijft, maakt dit dagboek zonder meer lezenswaardig. Maar het boek is om een andere reden nog veel interessanter. Knevel legt van dag tot dag verantwoording af van zijn denkbeelden, en vooral: van de ontwikkeling in zijn denken. En dat is in zijn geval meer dan een hoogstpersoonlijke biecht. Knevel representeert een ontwikkeling die zich in zijn hoek van christelijk Nederland overal voltrekt (of gaat voltrekken), en die ook voor de rest van Nederland van belang is.
Het moet iedereen in dit land toch zijn opgevallen dat de partijen waaruit de ChristenUnie in 2001 is ontstaan (GPV en RPF), zich tot diep in de jaren negentig manifesteerden als principiële clubs die het kabinetsbeleid vooral op ethische thema’s aanvielen. Daar hoor je nu steeds minder van. Principes zijn ingewisseld voor idealen, en de traditionele huiver voor een sterke staat is ingeruild voor de omhelzing van een daadkrachtige overheid die overal alle problemen gaat oplossen, tot achter de voordeur toe.
George Harinck is sinds kort hoogleraar in de geschiedenis van het neocalvinisme aan de Vrije Universiteit. Hij heeft dat ambt aanvaard met een oratie over de vraag waar het huidige ‘VU-kabinet’ vandaan komt. Het is een zeer verhelderend betoog waarin Harinck duidelijk maakt dat de ontwikkelingen die zich in de jaren zeventig in de ARP hebben voorgedaan, zich ook binnen de ChristenUnie hebben voltrokken. En dat, als gevolg daarvan, de ChristenUnie zich niet tot de luis in de pels van het CDA heeft ontwikkeld maar tot het jongere, serieuze broertje van de christen-democraten. Knevel vraagt zich in zijn dagboek openlijk af: ‘Wat is over vier jaar nog het verschil tussen CU en CDA?’ En hij verwondert er zich over dat de koerswijziging van de ChristenUnie, die dit kabinet mogelijk heeft gemaakt en die hij voluit steunt, zich geruisloos voltrekt en zonder debat met de achterban is geaccepteerd.
Voor Nederlanders die niet meer weten wat de Doleantie, de Vrijmaking en de Doorbraak geweest zijn (en dat zal inmiddels wel een meerderheid van de bevolking zijn), is de oratie van Harinck waarschijnlijk niet zonder een christelijke encyclopedie te lezen. Maar dat betekent ook dat deze groep mensen niet meer over de historische kennis beschikt om te kunnen begrijpen wat er nu in Nederland gebeurt en is gebeurd.
Knevel belichaamt en illustreert de ontwikkeling die Harinck beschrijft. Het komt in feite neer op een vergaande modernisering. Traditionele geloofsopvattingen (zoals de ouderdom van de aarde of homoseksualiteit) worden opgegeven of gerelativeerd. Een nieuwe openheid leidt tot fundamentele vragen over het lijden en gewelddadige passages in het Oude Testament. Het besef dat RPF en GPV destijds, en de SGP nu, met een achterhoedegevecht bezig waren, en dat christenen nu definitief een minderheid vormen, zorgt ervoor dat oude principes, de antithese en de confrontatie, plaats maken voor sociaal-bewogen idealen.
Zo schrijft Knevel: ‘Achteraf hebben we [de EO –red.] op een aantal terreinen best gelijk gehad, maar de vraag is of de confrontatie vruchtbaar is geweest. Misschien wel in het tijdsgewricht tot aan de val van de Muur, maar zeker niet daarna. Vandaar dat ik nu ook liever het gesprek met andersdenkenden zoek, dan dat ik ze vanuit een bolwerk zit te beschieten.’
Het christelijk geloof is voor Knevel inmiddels niet meer alleen een antwoord. Geloven is een avontuur waarin de vragen overheersend worden.
Deze ‘enorme ommezwaai’ leidt ook tot nieuwe twijfels, de gebruikelijke twijfels bij mensen die oude opvattingen verlaten, zich realiseren dat ze zich daarmee op een hellend vlak begeven, en zich een beetje angstig afvragen waar ze zullen eindigen. Als de wereld inderdaad miljarden jaren oud is, ‘hoe zit het dan met de zondeval?’, zo vraagt Knevel zich af. Hij citeert een oude hoogleraar van de VU, die het had over ‘de kat in de kelder’ en de vrees dat de kat die kelder verlaat. Ook in Knevels kelder zitten waarschijnlijk nog heel wat katten, naar hij zelf in alle openheid aangeeft.
Knevel is een goede man die op een eerlijke en oprechte manier verantwoording van zijn keuzes en ontwikkeling aflegt. En die de vraag die hij zichzelf stelt – ‘Het zal toch niet waar zijn dat ik links word?’ – impliciet met een volmondig ja heeft beantwoord.
*) Deze recensie verscheen eveneens in HP/De Tijd.
2.11.07
Rooie onderwijzers
Een van de eerste klussen waar ik, najaar 1995, als beginnend journalist op af werd gestuurd, was een tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Die tentoonstelling heette De Rode Droom en was gewijd aan een eeuw sociaal-democratie in Nederland. Ruim honderd jaar eerder, in 1894, was immers de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij opgericht. Ik herinner me nog hoezeer ik van die smaakvol ingerichte tentoonstelling onder de indruk was – van het elan dat vele afbeeldingen uitstraalden, van de koppen van Marx, Troelstra en Wibaut, van de schoonheid van de gemeenschapskunst, en van het onderliggende ideaal: de bestrijding van armoede en de geestelijke verheffing van ‘de arbeider’.
In de mooie catalogus bij de tentoonstelling schreef historicus Piet de Rooy in een groot essay dat ‘sociaal-democraten onder een wat tobberige zoektocht naar de eigen identiteit zuchten’. Maar volgens Wim Kok, die de tentoonstelling opende en toen net een jaar premier was van een eerste paars kabinet, was daar geen sprake van. De rol van de PvdA was in een tijd van ‘sluipende armoede en sociale desintegratie’ alles behalve uitgespeeld.
Maar ook toen rommelde het al. Paul Kalma, destijds nog directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, had kort daarvoor een rapport over De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit gepubliceerd, dat door PvdA-staatssecretaris Vermeend van Financiën was weggehoond als ‘de wonderbaarlijke terugkeer van verouderde ideeën’. En in diezelfde tijd sprak Kok van de noodzaak om de ‘oude ideologische veren’ af te schudden. De romantiek van de rode droom contrasteerde scherp met de neo-liberale zakelijkheid van die dagen.
Vlakbij de Nieuwe Kerk, op de hoek van de Lindengracht en de Brouwersgracht, stond ik vorige week te kijken naar het door Hans Bayens vervaardigde beeld van Theo Thijssen. Iedereen kent Theo Thijssen als de auteur van Kees de jongen. De CPNB-uitgave van De gelukkige klas (nu gratis af te halen in de openbare bibliotheken) had mij doen besluiten mij weer eens wat grondiger in het werk van Thijssen te verdiepen, inclusief een bezoek aan het Theo Thijssen Museum in de Eerste Leliedwarsstraat, een wandeling door de Jordaan en een pelgrimage naar dat beeld.
Ik ben, geloof ik, tamelijk nuchter, maar dat beeld ontroerde me. Een jongen zit achter een schooltafeltje, en schoolmeester Thijssen is zo half op dat tafeltje gaan zitten om hem te helpen. Het beeld toont de liefdevolle toewijding van een meester aan zijn leerling. Ik had het boekje van Peter-Paul de Baar over het Amsterdam van Theo Thijssen bij me, en die omschrijft de houding van Thijssen prachtig als ‘informeel en vaderlijk’.
Sjoerd Karsten van de universiteit van Amsterdam heeft een proefschrift over socialistische volksonderwijzers rond 1900 geschreven. Het is een lezenswaardig boek. Karsten beschrijft de moeilijke situatie van die rooie onderwijzers. Intellectuelen keken op hen neer; zij deden immers niet veel meer dan wat tweedehandskennis doorgeven. En voor de volksklasse voor wie die onderwijzers het allemaal deden, waren zij toch een beetje de wijze meneren. Te groot voor het servet, te klein voor het tafellaken, noemt Karsten dat.
Des te bewonderenswaardiger is daarom de inzet van die onderwijzers geweest. Thijssen zelf (zoon van een schoenmaker uit de Jordaan) streefde naar ‘een stukje opheffing uit het gewone, grauwe milieu van het kind, een straaltje schijnsel uit een hogere wereld, een glimpje cultuur’.
Wie zich in het werk van Thijssen verdiept (hij was ook vakbondsman en gemeenteraads- en Tweede Kamerlid voor de SDAP), kan alleen maar vaststellen dat alle zaken waar hij het over had (meer waardering en een betere positie voor de onderwijzer, de vrijheid van de onderwijzer, het belang van klassikaal onderwijs, en afkeer van modieuze vernieuwingen) onverminderd actueel zijn.
Maar de gedachte van dat ‘straaltje schijnsel uit een hogere wereld’ en dat ‘glimpje cultuur’ veronderstelt natuurlijk wel een zeker idee van wat cultuur behoort te zijn. Er is in het recente verleden al eerder opgewezen, o.a. door H. J. Schoo, dat de omarming van het cultuurrelativisme het einde van het verheffingsideaal betekende. In het onderwijs staan nu het nut en de materiële vooruitgang centraal.
De rode droom is daarmee tenminste gehalveerd. Maar hopelijk zijn er nog steeds heel veel onderwijzers die met eenzelfde toewijding hun werk doen als Thijssen destijds.
*) Deze column is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
In de mooie catalogus bij de tentoonstelling schreef historicus Piet de Rooy in een groot essay dat ‘sociaal-democraten onder een wat tobberige zoektocht naar de eigen identiteit zuchten’. Maar volgens Wim Kok, die de tentoonstelling opende en toen net een jaar premier was van een eerste paars kabinet, was daar geen sprake van. De rol van de PvdA was in een tijd van ‘sluipende armoede en sociale desintegratie’ alles behalve uitgespeeld.
Maar ook toen rommelde het al. Paul Kalma, destijds nog directeur van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, had kort daarvoor een rapport over De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit gepubliceerd, dat door PvdA-staatssecretaris Vermeend van Financiën was weggehoond als ‘de wonderbaarlijke terugkeer van verouderde ideeën’. En in diezelfde tijd sprak Kok van de noodzaak om de ‘oude ideologische veren’ af te schudden. De romantiek van de rode droom contrasteerde scherp met de neo-liberale zakelijkheid van die dagen.
Vlakbij de Nieuwe Kerk, op de hoek van de Lindengracht en de Brouwersgracht, stond ik vorige week te kijken naar het door Hans Bayens vervaardigde beeld van Theo Thijssen. Iedereen kent Theo Thijssen als de auteur van Kees de jongen. De CPNB-uitgave van De gelukkige klas (nu gratis af te halen in de openbare bibliotheken) had mij doen besluiten mij weer eens wat grondiger in het werk van Thijssen te verdiepen, inclusief een bezoek aan het Theo Thijssen Museum in de Eerste Leliedwarsstraat, een wandeling door de Jordaan en een pelgrimage naar dat beeld.
Ik ben, geloof ik, tamelijk nuchter, maar dat beeld ontroerde me. Een jongen zit achter een schooltafeltje, en schoolmeester Thijssen is zo half op dat tafeltje gaan zitten om hem te helpen. Het beeld toont de liefdevolle toewijding van een meester aan zijn leerling. Ik had het boekje van Peter-Paul de Baar over het Amsterdam van Theo Thijssen bij me, en die omschrijft de houding van Thijssen prachtig als ‘informeel en vaderlijk’.
Sjoerd Karsten van de universiteit van Amsterdam heeft een proefschrift over socialistische volksonderwijzers rond 1900 geschreven. Het is een lezenswaardig boek. Karsten beschrijft de moeilijke situatie van die rooie onderwijzers. Intellectuelen keken op hen neer; zij deden immers niet veel meer dan wat tweedehandskennis doorgeven. En voor de volksklasse voor wie die onderwijzers het allemaal deden, waren zij toch een beetje de wijze meneren. Te groot voor het servet, te klein voor het tafellaken, noemt Karsten dat.
Des te bewonderenswaardiger is daarom de inzet van die onderwijzers geweest. Thijssen zelf (zoon van een schoenmaker uit de Jordaan) streefde naar ‘een stukje opheffing uit het gewone, grauwe milieu van het kind, een straaltje schijnsel uit een hogere wereld, een glimpje cultuur’.
Wie zich in het werk van Thijssen verdiept (hij was ook vakbondsman en gemeenteraads- en Tweede Kamerlid voor de SDAP), kan alleen maar vaststellen dat alle zaken waar hij het over had (meer waardering en een betere positie voor de onderwijzer, de vrijheid van de onderwijzer, het belang van klassikaal onderwijs, en afkeer van modieuze vernieuwingen) onverminderd actueel zijn.
Maar de gedachte van dat ‘straaltje schijnsel uit een hogere wereld’ en dat ‘glimpje cultuur’ veronderstelt natuurlijk wel een zeker idee van wat cultuur behoort te zijn. Er is in het recente verleden al eerder opgewezen, o.a. door H. J. Schoo, dat de omarming van het cultuurrelativisme het einde van het verheffingsideaal betekende. In het onderwijs staan nu het nut en de materiële vooruitgang centraal.
De rode droom is daarmee tenminste gehalveerd. Maar hopelijk zijn er nog steeds heel veel onderwijzers die met eenzelfde toewijding hun werk doen als Thijssen destijds.
*) Deze column is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
12.9.07
In Memoriam H.J. Schoo
De journalist en uitgever Hendrik Jan Schoo is vorige week op 61-jarige leeftijd overleden. Met hem is een vakman van haast ouderwetse degelijkheid heengegaan: een man van brede kennis die hoge eisen stelde aan het wonderschone métier dat hij beoefende, een aangename man in de omgang wiens sonore stemgeluid een behaaglijk vertrouwen inboezemde, en een intellectueel die zich eraan ergerde dat het debat in Nederland niet langs inhoudelijke maar langs sociale scheidslijnen liep. Je moet daarin immers vooral laten zien dat je bij het goede kamp hoort, het kamp van de ‘enig mogelijke moraal en de enige behoorlijke emoties’. Als eigenzinnige vrijdenker geloofde Schoo daarentegen in de botsing van ideeën die tot de waarheid leidt.
Hem is na zijn dood veel lof toegezwaaid, door Marc Chavannes in de NRC, door Martin Sommer en Remco Meijer in de Volkskrant. Maar in alle stukken die sinds vorige week over Schoo zijn verschenen, ontbreekt een markering van Schoo’s eigen positie, of beter: een onverhulde vaststelling van de moeite die Schoo had om zijn eigen positie in te nemen.
Zelf behoorde ik niet tot Schoo’s intimi, maar in de afgelopen jaren hebben onze wegen zich geregeld gekruist. Schoo sprak (samen met Paul Cliteur en Mat Herben) bij de eerste bijeenkomst die de Edmund Burke Stichting belegde, en daarna hadden we enkele keren zitting in fora bij boekpresentaties, zoals Zwak voor Nederland van Dick Pels en de dissertatie van Hans Wansink over Pim Fortuyn. We lunchten zo af en toe in het Haagse Dudok, waarbij hij uitgesproken was in zijn opvattingen. En toen ik in april 2006 in Middelburg de Rooseveltlezing had gegeven, met bespiegelingen over het Amerikaanse neoconservatisme en de kansen op succes voor een vergelijkbare beweging in Nederland, stuurde ik HJ de tekst toe. Ik was benieuwd wat hij ervan vond, vooral ook omdat ik in die tekst een groepje sociaal-democraten had gedefinieerd die door ‘de feiten van de harde werkelijkheid’ en de publicaties over de grenzen van social engineering van de Britse psychiater Theodore Dalrymple, zich hadden ontwikkeld tot denkers die we in meerdere of mindere mate als Nederlandse ‘neocons’ konden typeren. Ik noemde Leon de Winter en Paul Scheffer, Jos de Beus, Hans Achterhuis en Afshin Ellian, Hans Wansink en Hendrik Jan Schoo.
In een uitvoerige email van 6 mei 2006 schreef Schoo o.a. het volgende:
"Het is merkwaardig om mezelf opgenomen te zien in een ‘eregalerij’ van Nederlandse neocons. Komt natuurlijk doordat ik liever ongrijpbaar en niet etiketteerbaar blijf, maar on balance denk ik dat het terecht is. Pleitte al in 1995 voor een georganiseerd conservatisme in Nederland, de missing link in ons politieke spectrum (‘Nieuw Duits conservatisme’; staat ook in De verwarde natie) en nam in 2000 als het ware een voorschot op Dalrymple met een – kort – pleidooi tegen cultuur- en waardenrelativisme teneinde de emancipatie weer op te kunnen pakken. Heb me al sinds m’n verre Amerikaanse jaren verwant gevoeld met mensen als Moynihan, Glazer, Podhoretz (die je niet noemt), de oude Kristol, Buckley (die je ook niet noemt). Later kwam Himmelfarb daarbij, eerst de ‘psychohistorica’, daarna vooral de auteur van The demoralization of society. En Lasch is natuurlijk een aanmerkelijke invloed geweest; hij wordt nooit als neocon gezien, maar in veel opzichten is hij dat wel. Ken je zijn prachtige The true and only heaven: Progress and its critics? Helaas ben ik in Chicago nooit in contact gekomen met enige neoconservatieve denker, hoewel ik bij wijze van spreken op hun stoep woonde."
Schoo, zoveel wordt uit deze email wel duidelijk, kende zijn klassiekers en leed niet aan de onthutsende onwetendheid die in Nederland rond dit onderwerp domineert. Hij wist dat het neoconservatisme in de Verenigde Staten een in de jaren dertig ontstane beweging was van ex-Trotskisten die zich onderscheidden als patriottische anti-communisten en later als critici van sociale projecten die wel goed waren bedoeld maar het tegenovergestelde effect hadden van wat zij beoogden: door overheidssteun bleven vele minderheden hangen in de achterstand waar zij uit gehaald moesten worden. (Pas in de jaren negentig is de agenda van de neoconservatieven versmald tot de buitenlandse politiek, en dat is het enige wat men in Nederland nu van hen weet.)
Schoo vond (zoals eerder Johan Huizinga) dat het ontbreken van een vergelijkbare politieke beweging in Nederland een gemis was, maar begreep ook dat het nog jaren zou duren voor zoiets in Nederland wortel zou kunnen schieten. Maar een ‘conservatieve omroep annex denktank annex tijdschrift annex website in één … lijkt me nog altijd een goed idee, temeer daar er tegenwoordig volgens marketeers (Motivaction) zoiets als een conservatieve burgerij bestaat. Die worden mediawijs door niemand bediend (Letter&Geest niet te na gesproken).’
Wie overigens de verwijzing naar het artikel over ‘Nieuw Duits conservatisme’ volgt en dat artikel uit februari 1995 weer eens leest, denkt aanvankelijk dat Schoo zich moet hebben vergist, en dat hij dat pleidooi voor ‘georganiseerd conservatisme in Nederland’ ergens anders heeft gehouden. Maar als je het nog eens welwillend leest, kun je het erin lezen, als je wilt. Schoo wilde dat ‘georganiseerde conservatisme’ blijkbaar wel, maar het kostte hem moeite zich daar duidelijk over uit te spreken.
Schoo was iemand die van zichzelf wist dat hij on balance een neoconservatief was (in de Amerikaanse betekenis van het woord dus), maar zich nooit publiekelijk als zodanig heeft geafficheerd. Dat kan te maken hebben gehad met zijn wens ‘ongrijpbaar en niet etiketteerbaar’ te blijven, maar dat verlangen kan op zijn beurt voortkomen uit de druk van de sociale omgeving, voor wie deze denkrichting taboe was.
Het is opvallend dat Schoo in zijn tijd bij Elsevier niet alleen Pim Fortuyn als columnist actief begeleidde, maar in de tweede helft van de jaren negentig ook zelf stukken schreef – lang voor Paul Scheffer dus - waarin hij zich verzette tegen immigratie als ‘cultureel experiment’ en tegen ‘de nieuwe heilsleer van het multiculturalisme’. Die heilsleer was volgens Schoo een symptoom van de crisis in de Nederlandse politiek die met de ontzuiling was ingezet. Hij voorzag een uitholling van de democratie doordat zelfbenoemde elites de ruimte in bezit namen die een gebrekkige vertegenwoordiging had geschapen.
Tegelijkertijd hield Schoo gepassioneerde betogen over ‘nut en noodzaak van een Nederlandse identiteit’. Hij uitte zijn twijfels over de inschikkelijkheid van de islam; de boeken van V. S. Naipaul hadden hem geleerd dat de islam ‘uit zijn aard niet in staat is een minderheidsstatus en daarmee wereldlijke autoriteit te accepteren’. En hij probeerde zijn sociaal-democratische broeders aan de oude, rode droom van de volksverheffing te herinneren. Dat ideaal kan niet terugkeren zolang het waardenrelativisme omarmd blijft, zo wist Schoo. Een eigentijdse vertolking van dit ideaal vond hij – als kenner van het Amerikaanse intellectuele leven – in de artikelen die Theodore Dalrymple publiceerde in de City Journal, het huisorgaan van het (neoconservatieve) Manhattan Institute in New York. Maar die stukken bood hij niet aan Elsevier, de Volkskrant of Vrij Nederland aan (de bladen waaraan hij achtereenvolgens was verbonden), maar aan Letter&Geest.
Zijn standpunten werden hem door links Nederland niet in dank afgenomen. Exemplarisch is de reactie van Paul Kalma, nu Tweede-Kamerlid voor de PvdA maar toen directeur van het wetenschappelijk bureau van die partij, die Schoo er in maart 2000 van betichtte dat hij als ‘ontketende kaaskop’ op een geniepige wijze de weg naar rechts-extremisme had bereid. Schoo verdedigde zich in Buitenhof (en later met de publicatie van zijn Elseviers-stukken in het boek De verwarde natie). Paul Kalma zei in die uitzending: ‘Kijk uit – ik spreek u aan op uw individuele verantwoordelijkheid als journalist – welke taal u gebruikt’. Schoo antwoordde met een zin die nog altijd dienst kan doen om de Sjoerd-de-Jong-klachten over de toon van het debat te pareren: ‘U wilt niet over de feiten praten. U wilt een soort stijlrecensie geven. Sorry, dat vind ik niet voldoende serieus voor een debat’.
(Dit geschil met de PvdA leeft overigens nog breed. ‘Ik stem nu VVD, maar eigenlijk ben ik een van die PvdA’ers die ontevreden is over de sociaal-democratie’, zei Afshin Ellian afgelopen zaterdag in het Algemeen Dagblad.)
Jan Blokker, het toenmalige geweten van de Volkskrant, sprak in december 2004, in een interview met Vrij Nederland, de vrees uit dat ‘mijn eigen Volkskrant’ ‘het spoor van Hendrik Jan Schoo’ zou volgen en ‘op de boot van Ellian en Wilders’ zou stappen. ‘Schoo is Leon de Winter, Joost Zwagerman en Afshin Ellian bij elkáár.’
Wie met deze kennis in zijn achterhoofd de herdenkingsartikelen van de afgelopen dagen nog eens herleest, kan niet anders dan vermoeden dat er een zekere tragiek in de loopbaan van Schoo schuilgaat. Zijn bijdragen in Elsevier werden nauwelijks serieus genomen omdat hij in het verkeerde blad schreef. De aanval op hem werd geopend toen hij zich in 1999 bij ‘het goede kamp’ van de Volkskrant vervoegde. Maar daar stuitte hij, in de woorden van Martin Sommer, op een krant die ‘degelijk gegrondvest bleek in evenwichtskunstenarij tussen stromingen ter redactie, journalistieke stijlen en een gecompliceerde verhouding met de lezende achterban’. Met deze poging tot hogere Kremlinologie overtreft Sommer zijn leermeester Schoo in de gave der verhulling. Schoo zelf had nog eenvoudig vastgesteld dat de pluriformiteit van de dominante Nederlandse media uit niet meer bestond dan de keuze tussen progressief en progressief.
Misschien dat in deze ene zin van Martin Sommer de tragiek in het leven van Schoo wordt aangeraakt. Deze zin tekent de Volkskrant in zijn onvrijheid en verstarring – typeringen die exemplarisch zijn geworden voor ‘de progressieve beweging’. En Schoo wist: niets is zo ouderwets geworden als ‘de progressieve beweging’. Deze beweging is niet in staat geweest haar verwantschap te zien met het neoconservatisme, met zijn vitale ideeën over volksverheffing en vooruitgang. En voor degenen die niet op het rechte pad bleven, lagen de woorden klaar. Schoo werd door zijn omgeving gewantrouwd als een ‘rechtse krachtpatser’ en ‘wegbereider van rechts-extremisme’.
Sommer, Meijer en Chavannes prijzen Schoo als (in de woorden van Sommer) ‘de scherpste, de breedste en tegelijk de meest evenwichtige en faire politiek commentator van Nederland’. Die lof is hem van harte gegund. Maar bij zijn politieke commentaren op de ‘erepositie’, rechtsonder in de zaterdagkrant, kreeg je ook vaak de indruk dat hij ergens tegenaan duwde, maar er ook voor leek terug te schrikken om even door te duwen. De neoconservatief vluchtte dan wel eens weg in zinnen die onnavolgbaar gingen kronkelen, waarbij hij zijn woorden van een woud van aanhalingstekens voorzag. Het was een man die moest overleven in de omgeving van die ene zin.
*) Een verkorte versie van dit artikel verschijnt deze week in het nieuwe nummer van Opinio.
9.8.07
De volgende
Toegegeven, het was voor het eerst sinds maanden mooi zomerweer. Het was het weekend van de Gay Pride, waarop wij trots onze tolerantie vieren. En het consumentenvertrouwen bleek die dag weer bijna net zo groot als in 2000.
Maar in Voorburg liep die zaterdag een jonge man een supermarkt uit. Drie islamitische jongens stonden hem daar op te wachten en sloegen hem – de ‘kankerlandverrader’ – tegen de grond. Want die mooie jongen, Ehsan Jami, voorziet de islam van vrijmoedige kritiek en verdedigt het recht op geloofsafval. En daar houden Mohammedaanse bruinhemden niet van. Hun geloof schrijft hun voor korte metten met zo’n afvallige te maken.
Dat is ze net niet helemaal gelukt, en zo zijn we zaterdag 4 augustus aan een tweede 2 november ontsnapt. Het ‘incident’ roept een gevoel van onbehagen op dat aanvankelijk haast obsessief werd toen reacties van officiële zijde uitbleven. Geen minister Vogelaar, die op de TV kwam melden dat ze dit toch echt niet bedoelde toen ze een pleidooi voor een joods-christelijk-islamitische cultuur hield. Geen vooraanstaande PvdA’ers die het voor Jami opnamen, en blijk gaven van verontwaardiging over deze straatterreur en op harde maatregelen aandrongen om dit te voorkomen. En zo zat Jami tot en met die maandagmiddag alleen en zonder beveiliging op het adres dat via tal van islamitische websites bekend was.
De PvdA-fractie van Leidschendam-Voorburg (waar Jami deel van uitmaakt), liet bij monde van voorzitter Harry Oldersma weten dat ze er vanuit gingen dat Jami door de lokale politie werd beschermd. Maar dat is de slechtst denkbare situatie waarin een bedreigde opinievormer zich kan bevinden.
Ik heb dat zelf gezien en meegemaakt met de Leidse hoogleraar en columnist Afshin Ellian (nu adviseur en woordvoerder van Jami). In een boekwinkel in Den Haag zou ik hem het eerste exemplaar aanbieden van een boekje dat ik had geschreven. Ellian, die toen al ernstig werd bedreigd, moest met zijn eigen auto van zijn woonplaats naar Den Haag rijden. Hij moest zijn auto in een parkeergarage parkeren, en vandaar naar het dichtst bij zijnde politiebureau lopen. En vandaar werd hij door twee geüniformeerde agenten naar de boekwinkel geëscorteerd – alsof hij zojuist een halsmisdaad had bedreven.
Dat was de behandeling die een bedreigde intellectueel als Ellian ten beurt viel – en het ‘regime’ dat men ook voor Jami in gedachten had. Want Ellian is geen kamerlid, minister of lid van het Koninklijk Huis, en valt daarom niet onder het zogeheten Rijksdomein. Veiligheid is dan een zaak van de lokale politie, of je moet je eigen particuliere beveiliging willen (en kunnen) inhuren.
Inmiddels is de wet gelukkig veranderd en is Ellian gepromoveerd naar het Rijksdomein, wat betekent dat de landelijke overheid hem beveiligt. Dat is nu ook met Jami gebeurd – al is dat, als we de verslaggeving in De Pers en NRC Handelsblad mogen geloven – niet van harte gegaan: Ellian heeft met kracht van argumenten moeten inpraten op de heren van de NCTb (het nationale coördinatiecentrum voor terrorismebestrijding onder leiding van Tjibbe Joustra) om hen van de noodzaak van adequate beveiliging te overtuigen.
En nu is Jami dus ergens (waar dan ook), omringd door twee of meer beveiligingsagenten. Zijn bewegingsvrijheid is beknot, en daarmee zijn ruimte tot handelen en spreken. De sfeer van bedreigingen en intimidatie werkt zeer efficiënt.
Die wetenschap stemt zowel melancholiek als opstandig. Want Jami is gewoon de volgende: na Ayaan Hirsi Ali, die in Nederland geen leven meer had en naar de Verenigde Staten uitweek, na Geert Wilders, na Rita Verdonk, en na Afshin Ellian. Allemaal mensen die de rest van hun leven in een halve gevangenis leven – en daar, voorzover ik ze persoonlijk ken, vrolijk en strijdbaar onder blijven. Die kracht wens je ook Jami van harte toe.
Zoals je dit land toewenst dat het wat fermer stelling gaat nemen tegen deze zieke werkelijkheid van geweld en intimidatie – zodat we niet steeds herinnerd hoeven te worden aan een uitspraak van Ellian, die eens zei dat hij op een gegeven moment ineens begreep waarom de Duitsers in mei 1940 maar een paar dagen nodig hadden gehad om de boel hier over te nemen.
*) Ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
Maar in Voorburg liep die zaterdag een jonge man een supermarkt uit. Drie islamitische jongens stonden hem daar op te wachten en sloegen hem – de ‘kankerlandverrader’ – tegen de grond. Want die mooie jongen, Ehsan Jami, voorziet de islam van vrijmoedige kritiek en verdedigt het recht op geloofsafval. En daar houden Mohammedaanse bruinhemden niet van. Hun geloof schrijft hun voor korte metten met zo’n afvallige te maken.
Dat is ze net niet helemaal gelukt, en zo zijn we zaterdag 4 augustus aan een tweede 2 november ontsnapt. Het ‘incident’ roept een gevoel van onbehagen op dat aanvankelijk haast obsessief werd toen reacties van officiële zijde uitbleven. Geen minister Vogelaar, die op de TV kwam melden dat ze dit toch echt niet bedoelde toen ze een pleidooi voor een joods-christelijk-islamitische cultuur hield. Geen vooraanstaande PvdA’ers die het voor Jami opnamen, en blijk gaven van verontwaardiging over deze straatterreur en op harde maatregelen aandrongen om dit te voorkomen. En zo zat Jami tot en met die maandagmiddag alleen en zonder beveiliging op het adres dat via tal van islamitische websites bekend was.
De PvdA-fractie van Leidschendam-Voorburg (waar Jami deel van uitmaakt), liet bij monde van voorzitter Harry Oldersma weten dat ze er vanuit gingen dat Jami door de lokale politie werd beschermd. Maar dat is de slechtst denkbare situatie waarin een bedreigde opinievormer zich kan bevinden.
Ik heb dat zelf gezien en meegemaakt met de Leidse hoogleraar en columnist Afshin Ellian (nu adviseur en woordvoerder van Jami). In een boekwinkel in Den Haag zou ik hem het eerste exemplaar aanbieden van een boekje dat ik had geschreven. Ellian, die toen al ernstig werd bedreigd, moest met zijn eigen auto van zijn woonplaats naar Den Haag rijden. Hij moest zijn auto in een parkeergarage parkeren, en vandaar naar het dichtst bij zijnde politiebureau lopen. En vandaar werd hij door twee geüniformeerde agenten naar de boekwinkel geëscorteerd – alsof hij zojuist een halsmisdaad had bedreven.
Dat was de behandeling die een bedreigde intellectueel als Ellian ten beurt viel – en het ‘regime’ dat men ook voor Jami in gedachten had. Want Ellian is geen kamerlid, minister of lid van het Koninklijk Huis, en valt daarom niet onder het zogeheten Rijksdomein. Veiligheid is dan een zaak van de lokale politie, of je moet je eigen particuliere beveiliging willen (en kunnen) inhuren.
Inmiddels is de wet gelukkig veranderd en is Ellian gepromoveerd naar het Rijksdomein, wat betekent dat de landelijke overheid hem beveiligt. Dat is nu ook met Jami gebeurd – al is dat, als we de verslaggeving in De Pers en NRC Handelsblad mogen geloven – niet van harte gegaan: Ellian heeft met kracht van argumenten moeten inpraten op de heren van de NCTb (het nationale coördinatiecentrum voor terrorismebestrijding onder leiding van Tjibbe Joustra) om hen van de noodzaak van adequate beveiliging te overtuigen.
En nu is Jami dus ergens (waar dan ook), omringd door twee of meer beveiligingsagenten. Zijn bewegingsvrijheid is beknot, en daarmee zijn ruimte tot handelen en spreken. De sfeer van bedreigingen en intimidatie werkt zeer efficiënt.
Die wetenschap stemt zowel melancholiek als opstandig. Want Jami is gewoon de volgende: na Ayaan Hirsi Ali, die in Nederland geen leven meer had en naar de Verenigde Staten uitweek, na Geert Wilders, na Rita Verdonk, en na Afshin Ellian. Allemaal mensen die de rest van hun leven in een halve gevangenis leven – en daar, voorzover ik ze persoonlijk ken, vrolijk en strijdbaar onder blijven. Die kracht wens je ook Jami van harte toe.
Zoals je dit land toewenst dat het wat fermer stelling gaat nemen tegen deze zieke werkelijkheid van geweld en intimidatie – zodat we niet steeds herinnerd hoeven te worden aan een uitspraak van Ellian, die eens zei dat hij op een gegeven moment ineens begreep waarom de Duitsers in mei 1940 maar een paar dagen nodig hadden gehad om de boel hier over te nemen.
*) Ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
3.8.07
Drie dagen van voorzichtige hoop
Zoals bekend zijn het je beste vrienden die je je feilen tonen. Om die reden wil ik graag nog eens ingaan op de ontwikkelingen binnen de PvdA.
Laten we met het goede nieuws beginnen: er was eventjes, heel eventjes, enige reden tot hoop. De partij kwam een paar maanden geleden onaangenaam in het nieuws toen bekend werd dat het PvdA-gemeenteraadslid Ehsan Jami een comité voor ex-moslims wilde oprichten, en dat een groepje partijgenoten aangevoerd door filmmaker Eddy Terstall daar zo van schrok dat ze de jonge man uit Iran wilden gaan ‘begeleiden’. Dat bleek in het sociaal-democratisch jargon een ander woord voor ‘censureren’: Jami moest zijn toon en de inhoud van zijn uitspraken matigen omdat anders de allochtone achterban zich wel eens boos van de partij kon afwenden.
Maar toen kwam schrijver Joost Zwagerman kort daarop, in mei, met een essay waarin hij zijn Schaamte voor links uiteenzette. Zijn kritiek was niet kinderachtig: hij verweet ‘links’, en in het bijzonder de PvdA, zowel op het terrein van het onderwijs als inzake het multiculturalisme en de ‘moraliserende overheid’ te hebben gefaald. Maar Zwagerman, en dat is dus het goede nieuws van de afgelopen periode, kreeg geen begeleidingscommissie maar een heus debat in de Amsterdamse Singelkerk, waar partijprominenten als Wouter Bos, staatssecretaris Ahmed Aboutaleb, wethouder Adri Duivesteijn en de kamerleden Diederik Samsom en Jeroen Dijsselbloem met hem de discussie aangingen.
En er viel bij die gelegenheid zelf enige winst te noteren, en er kon dus voorzichtig enige hoop worden gekoesterd. Want Bos zei bij die gelegenheid dat we in het islamdebat niet om het doen van generalisaties heen kunnen. Aboutaleb wist zelfs dat Geert Wilders heel precies weet waar de pijn in de samenleving zit, en dat je zijn PVV dus serieus moet nemen. Bos nam afstand van old school PvdA’er Ella Vogelaar, minister van integratie, die het – anders dan Bos zelf – niet over boerka’s wil hebben. En hij prees ‘vooruitstrevende types’ als Zwagerman en Dijsselbloem. ‘Zij scheppen ruimte waarna ik als leider de nieuwe consensus kan bepalen’, zei hij tegen Kustaw Bessems (journalist van De Pers, een krant die je tegenwoordig moet lezen om dit soort dingen goed te kunnen volgen). Die uitspraak getuigt niet echt van leiderschap, maar vooruit, het is al heel wat.
Maar de voorzichtige hoop kon niet langer dan een dag of drie worden gekoesterd. Drie dagen na het debat in de Singelkerk publiceerde Trouw een aanstootgevend interview met Vogelaar waarin zij zei dat onze cultuur op den duur joods-christelijk-islamitisch moet worden. Er wonen hier nu eenmaal 1 miljoen moslims. En weer een paar dagen later zei Bos himself dat Nederland een centrum van islamitisch bankieren moet worden.
Beide uitspraken waren ongetwijfeld bedoeld om die allochtone achterban van de PvdA gerust te stellen en te vleien (en ze voelden zich gevleid), maar getuigen vooral van een onthutsende onwetendheid waarvan vooral die allochtone achterban zelf het slachtoffer zal worden.
Of een cultuur joods of christelijk is, dan wel (ook) islamitisch, heeft niets met de aanwezigheid van joodse, christelijke of islamitische bewoners te maken (wat Vogelaar ons wilde doen geloven). Onze cultuur is nogal schatplichtig aan de klassieke beschaving, terwijl het aantal Grieken en Romeinen dat zich hier metterwoon heeft gevestigd, mij te verwaarlozen lijkt. Bovendien heeft Vogelaar geen enkel oog voor elementen uit de islamitische cultuur die onverenigbaar zijn met de joods-christelijke beschaving, en daarmee houdt zij moslims gevangen in een tribale cultuur die hen blijvend op achterstand zal zetten.
Hetzelfde geldt voor Bos. Zoals de arabist Hans Jansen onlangs in het weekblad Opinio heeft uitgelegd, verbiedt de Koran geen rente maar woeker. Bovendien hebben de meeste moslims helemaal geen moeite met het betalen van rente. Door de fundamentalistische interpretatie te volgen, schept Bos ruimte voor een fraude- en leugengevoelige praktijk die de moslims die voor de listige constructies zullen vallen, veel schade zal berokkenen.
Een moment van verlichting blijkt binnen de PvdA snel door ideologische en electorale verblinding te worden gevolgd – en dan te bedenken dat er in Nederland niet snel iets zal veranderen zolang de PvdA de partij blijft die zij maar al te vaak blijkt te zijn.
*) Ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
Laten we met het goede nieuws beginnen: er was eventjes, heel eventjes, enige reden tot hoop. De partij kwam een paar maanden geleden onaangenaam in het nieuws toen bekend werd dat het PvdA-gemeenteraadslid Ehsan Jami een comité voor ex-moslims wilde oprichten, en dat een groepje partijgenoten aangevoerd door filmmaker Eddy Terstall daar zo van schrok dat ze de jonge man uit Iran wilden gaan ‘begeleiden’. Dat bleek in het sociaal-democratisch jargon een ander woord voor ‘censureren’: Jami moest zijn toon en de inhoud van zijn uitspraken matigen omdat anders de allochtone achterban zich wel eens boos van de partij kon afwenden.
Maar toen kwam schrijver Joost Zwagerman kort daarop, in mei, met een essay waarin hij zijn Schaamte voor links uiteenzette. Zijn kritiek was niet kinderachtig: hij verweet ‘links’, en in het bijzonder de PvdA, zowel op het terrein van het onderwijs als inzake het multiculturalisme en de ‘moraliserende overheid’ te hebben gefaald. Maar Zwagerman, en dat is dus het goede nieuws van de afgelopen periode, kreeg geen begeleidingscommissie maar een heus debat in de Amsterdamse Singelkerk, waar partijprominenten als Wouter Bos, staatssecretaris Ahmed Aboutaleb, wethouder Adri Duivesteijn en de kamerleden Diederik Samsom en Jeroen Dijsselbloem met hem de discussie aangingen.
En er viel bij die gelegenheid zelf enige winst te noteren, en er kon dus voorzichtig enige hoop worden gekoesterd. Want Bos zei bij die gelegenheid dat we in het islamdebat niet om het doen van generalisaties heen kunnen. Aboutaleb wist zelfs dat Geert Wilders heel precies weet waar de pijn in de samenleving zit, en dat je zijn PVV dus serieus moet nemen. Bos nam afstand van old school PvdA’er Ella Vogelaar, minister van integratie, die het – anders dan Bos zelf – niet over boerka’s wil hebben. En hij prees ‘vooruitstrevende types’ als Zwagerman en Dijsselbloem. ‘Zij scheppen ruimte waarna ik als leider de nieuwe consensus kan bepalen’, zei hij tegen Kustaw Bessems (journalist van De Pers, een krant die je tegenwoordig moet lezen om dit soort dingen goed te kunnen volgen). Die uitspraak getuigt niet echt van leiderschap, maar vooruit, het is al heel wat.
Maar de voorzichtige hoop kon niet langer dan een dag of drie worden gekoesterd. Drie dagen na het debat in de Singelkerk publiceerde Trouw een aanstootgevend interview met Vogelaar waarin zij zei dat onze cultuur op den duur joods-christelijk-islamitisch moet worden. Er wonen hier nu eenmaal 1 miljoen moslims. En weer een paar dagen later zei Bos himself dat Nederland een centrum van islamitisch bankieren moet worden.
Beide uitspraken waren ongetwijfeld bedoeld om die allochtone achterban van de PvdA gerust te stellen en te vleien (en ze voelden zich gevleid), maar getuigen vooral van een onthutsende onwetendheid waarvan vooral die allochtone achterban zelf het slachtoffer zal worden.
Of een cultuur joods of christelijk is, dan wel (ook) islamitisch, heeft niets met de aanwezigheid van joodse, christelijke of islamitische bewoners te maken (wat Vogelaar ons wilde doen geloven). Onze cultuur is nogal schatplichtig aan de klassieke beschaving, terwijl het aantal Grieken en Romeinen dat zich hier metterwoon heeft gevestigd, mij te verwaarlozen lijkt. Bovendien heeft Vogelaar geen enkel oog voor elementen uit de islamitische cultuur die onverenigbaar zijn met de joods-christelijke beschaving, en daarmee houdt zij moslims gevangen in een tribale cultuur die hen blijvend op achterstand zal zetten.
Hetzelfde geldt voor Bos. Zoals de arabist Hans Jansen onlangs in het weekblad Opinio heeft uitgelegd, verbiedt de Koran geen rente maar woeker. Bovendien hebben de meeste moslims helemaal geen moeite met het betalen van rente. Door de fundamentalistische interpretatie te volgen, schept Bos ruimte voor een fraude- en leugengevoelige praktijk die de moslims die voor de listige constructies zullen vallen, veel schade zal berokkenen.
Een moment van verlichting blijkt binnen de PvdA snel door ideologische en electorale verblinding te worden gevolgd – en dan te bedenken dat er in Nederland niet snel iets zal veranderen zolang de PvdA de partij blijft die zij maar al te vaak blijkt te zijn.
*) Ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
7.6.07
Een kaarsje voor de PvdA
Je kunt van de PvdA zeggen wat je wilt, veel lelijks ook, maar iedereen zou dagelijks een kaarsje voor deze partij moeten opsteken, onder het prevelen van de vrome wens dat de sociaal-democraten toch ook eens het licht zullen gaan zien, overwonnen door de werkelijkheid. Al was het maar vanuit het besef dat er in Nederland nooit iets zal veranderen zolang de PvdA de partij blijft die zij nu is.
Voorlopig blijf je je echter verbazen. Zo heeft een partijcommissie zeer recent een rapport gepresenteerd waarin het grote falen bij de laatste verkiezingen is geanalyseerd. Iets over het opvegen van de scherven. Partijleider Bos heeft alle kritiek snel omarmd, en beterschap beloofd, zodat iedereen op de oude voet verder kan gaan en er over een inhoudelijke koers niet hoeft te worden nagedacht. De passage waarin deze commissie Bos in overweging gaf zich ook eens door kritische adviseurs te laten omringen, werd op het laatste moment geschrapt. Reden voor commissielid Edith Hooge om zich terug te trekken.
Dat lijkt mooi, maar er gaat een lampje branden, of je nu wilt of niet. Edith Hooge is de vrouw of vriendin van Lennart Booij. Hij presenteert nu dat nieuwe Lagerhuis, maar was vroeger actief binnen Niet Nix (opgericht om de PvdA wat op te schudden) en wilde samen met zijn vaste maatje Erik van Bruggen duo-voorzitter van de PvdA worden. Dat lukte niet. Zijn vriend Van Bruggen was een van de hoofdrolspelers in het Mercurius-beraad dat Bos probeerde bij te staan, en de commissie was er nu juist om dat beraad van onkritische adviseurs te beoordelen. Van Bruggen werd dus beoordeeld door de echtgenote of vriendin van zijn vaste partner (nog altijd zijn zij samen actief bij het communicatiebureau BKB).
Maar misschien kan dat allemaal omdat Van Bruggen een zeer bijzondere sociaal-democraat is. In een interview dat hij en Edith Hooge aan Carp gaven, en waarin zij uitlegden hoe druk zij het hebben omdat zij allebei vier dagen per week werken (zó druk dat mevrouw Hooge het hele huishouden en de zorg voor de twee dochters zoveel mogelijk heeft ‘geoutsourced’), zei hij: ‘Mensen vinden dat al snel elitair. Face it, je bent gewoon elite, denk ik dan. Je gaat in je spaarzame vrije tijd toch niet met boodschappen zeulen? Dat is verkeerde zuinigheid.’
Iedereen gaat natuurlijk zelf over dit soort kwesties, maar een abstracte uitspraak over de vervreemding tussen de PvdA en haar oorspronkelijke achterban wordt in zo’n citaat wel erg concreet.
Of de meer verlichte geesten binnen de PvdA aan invloed binnen de partij gaan winnen, zal waarschijnlijk pas blijken in oktober, wanneer de partij in een avondvergadering (maar dat belooft al niet veel goeds) een nieuwe voorzitter gaat kiezen.
Vooralsnog blijft de PvdA de gesloten regentenpartij, losgezongen van de maatschappelijke werkelijkheid, belust op macht, en niet in ideeën maar slechts in zoveel mogelijk kiezers geïnteresseerd. Dat blijkt niet alleen uit de discussies over de verloren verkiezingen van november vorig jaar, maar ook uit de manier waarop de PvdA-top met gemeenteraadslid Ehsan Jami omgaat. Jami is 22 jaar oud, is afkomstig uit Iran, ging na de aanslagen van 11 september 2001 zijn islamitische geloof bestuderen, en kwam tot de conclusie dat dat geloof zo anachronistisch en in die zin ‘achterlijk’ was dat het zijn geloof niet meer kon zijn. Nu heeft een afvallige moslim een groot probleem, omdat hij dan direct gevaar loopt: zijn voormalige geloofsgenoten kunnen zijn afvalligheid niet accepteren.
Jami heeft een comité voor ex-moslims opgericht. Geloofsafval is een integraal onderdeel van het in de Nederlandse Grondwet gewaarborgde recht op godsdienstvrijheid, maar omdat de PvdA vooral bang is dat Jami’s uitspraken de allochtone achterban van de partij zullen vervreemden, hebben ze een begeleidingscommissie ingesteld om Jami een beetje in te tomen.
Niet om de vrijheid van meningsuiting, niet om de vrijheid van geloof, noch ook om de veiligheid van Jami bekommert de sociaal-democratische elite zich, maar om het binden van een allochtone achterban waarvoor deze principes ‘(nog) niet vanzelfsprekend zijn’, zoals Eddy Terstall het formuleerde in een email aan negen prominent PvdA’ers.
Ontsteek een kaars voor het ontwaken van de rode droom van emancipatie en volksverheffing!
*) Een versie van dit stuk is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
Voorlopig blijf je je echter verbazen. Zo heeft een partijcommissie zeer recent een rapport gepresenteerd waarin het grote falen bij de laatste verkiezingen is geanalyseerd. Iets over het opvegen van de scherven. Partijleider Bos heeft alle kritiek snel omarmd, en beterschap beloofd, zodat iedereen op de oude voet verder kan gaan en er over een inhoudelijke koers niet hoeft te worden nagedacht. De passage waarin deze commissie Bos in overweging gaf zich ook eens door kritische adviseurs te laten omringen, werd op het laatste moment geschrapt. Reden voor commissielid Edith Hooge om zich terug te trekken.
Dat lijkt mooi, maar er gaat een lampje branden, of je nu wilt of niet. Edith Hooge is de vrouw of vriendin van Lennart Booij. Hij presenteert nu dat nieuwe Lagerhuis, maar was vroeger actief binnen Niet Nix (opgericht om de PvdA wat op te schudden) en wilde samen met zijn vaste maatje Erik van Bruggen duo-voorzitter van de PvdA worden. Dat lukte niet. Zijn vriend Van Bruggen was een van de hoofdrolspelers in het Mercurius-beraad dat Bos probeerde bij te staan, en de commissie was er nu juist om dat beraad van onkritische adviseurs te beoordelen. Van Bruggen werd dus beoordeeld door de echtgenote of vriendin van zijn vaste partner (nog altijd zijn zij samen actief bij het communicatiebureau BKB).
Maar misschien kan dat allemaal omdat Van Bruggen een zeer bijzondere sociaal-democraat is. In een interview dat hij en Edith Hooge aan Carp gaven, en waarin zij uitlegden hoe druk zij het hebben omdat zij allebei vier dagen per week werken (zó druk dat mevrouw Hooge het hele huishouden en de zorg voor de twee dochters zoveel mogelijk heeft ‘geoutsourced’), zei hij: ‘Mensen vinden dat al snel elitair. Face it, je bent gewoon elite, denk ik dan. Je gaat in je spaarzame vrije tijd toch niet met boodschappen zeulen? Dat is verkeerde zuinigheid.’
Iedereen gaat natuurlijk zelf over dit soort kwesties, maar een abstracte uitspraak over de vervreemding tussen de PvdA en haar oorspronkelijke achterban wordt in zo’n citaat wel erg concreet.
Of de meer verlichte geesten binnen de PvdA aan invloed binnen de partij gaan winnen, zal waarschijnlijk pas blijken in oktober, wanneer de partij in een avondvergadering (maar dat belooft al niet veel goeds) een nieuwe voorzitter gaat kiezen.
Vooralsnog blijft de PvdA de gesloten regentenpartij, losgezongen van de maatschappelijke werkelijkheid, belust op macht, en niet in ideeën maar slechts in zoveel mogelijk kiezers geïnteresseerd. Dat blijkt niet alleen uit de discussies over de verloren verkiezingen van november vorig jaar, maar ook uit de manier waarop de PvdA-top met gemeenteraadslid Ehsan Jami omgaat. Jami is 22 jaar oud, is afkomstig uit Iran, ging na de aanslagen van 11 september 2001 zijn islamitische geloof bestuderen, en kwam tot de conclusie dat dat geloof zo anachronistisch en in die zin ‘achterlijk’ was dat het zijn geloof niet meer kon zijn. Nu heeft een afvallige moslim een groot probleem, omdat hij dan direct gevaar loopt: zijn voormalige geloofsgenoten kunnen zijn afvalligheid niet accepteren.
Jami heeft een comité voor ex-moslims opgericht. Geloofsafval is een integraal onderdeel van het in de Nederlandse Grondwet gewaarborgde recht op godsdienstvrijheid, maar omdat de PvdA vooral bang is dat Jami’s uitspraken de allochtone achterban van de partij zullen vervreemden, hebben ze een begeleidingscommissie ingesteld om Jami een beetje in te tomen.
Niet om de vrijheid van meningsuiting, niet om de vrijheid van geloof, noch ook om de veiligheid van Jami bekommert de sociaal-democratische elite zich, maar om het binden van een allochtone achterban waarvoor deze principes ‘(nog) niet vanzelfsprekend zijn’, zoals Eddy Terstall het formuleerde in een email aan negen prominent PvdA’ers.
Ontsteek een kaars voor het ontwaken van de rode droom van emancipatie en volksverheffing!
*) Een versie van dit stuk is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
3.6.07
Pas op voor Afshin Ellian!
Het nieuws over de begeleidingscommissie voor Ehsan Jami (PvdA-gemeenteraadslid en oprichter van een comité voor ex-moslims) is deze week in het gezicht van de PvdA geëxplodeerd. Ik vind dat gemeen en onterecht.
De partij heeft het al zo moeilijk, naar het dezer dagen zelf in een reeks van rapporten en pamfletten uitlegt, en nu is er dan ook nog zo’n rechtse journalist van dat NRC Handelsblad die de partij met zijn scoop (in de veel gelezen zaterdagkrant, prominent boven aan pagina drie!) een dolk in de rug steekt.
Laten we het eerst eens over de zaak zelf hebben. Die jongeman Ehsan Jami neemt het op voor ex-moslims. Hij verdedigt hun recht op afvalligheid, en wil ze in bescherming nemen tegen moslims die dat recht niet erkennen en misschien wel eens gekke dingen kunnen uithalen met afvalligen. Heeft de profeet, geprezen zij zijn naam, niet gezegd dat afvalligen moeten worden gedood?
Natuurlijk is dat recht op afvalligheid een integraal onderdeel van het grondwettelijke recht op godsdienstvrijheid. Maar met de PvdA ben ik van mening dat je dat recht een beetje moet relativeren zodra er electorale belangen in het spel zijn. Wij van de PvdA zijn de partij van de uitkeringen en subsidies en daarmee van de allochtonen. Laat zo’n jochie van 22 uit Iran dat nu niet verstieren met staatsrechterlijke pleidooien, hoe zuiver die ook zijn. We hebben toch ook Ella Vogelaar als minister van het multiculturalisme aangesteld om ons te immuniseren tegen aanvallen van links (Femke en Jan)? Het is goed dat een begeleidingscommissie zo’n naïef en jong ventje uitlegt dat machts- en partijpolitiek altijd boven zaken van nationaal belang gaan.
Het is ook goed dat die commissie deze jongeman in bescherming neemt tegen de nefaste invloed van die vreselijke Afshin Ellian. Laten we wel wezen: de PvdA is altijd kritisch over bevoogding en betutteling, maar koestert intern een lange en rijke traditie van paternalisme. Dat moet vooral zo blijven.
Een begeleidingscommissie is een prachtig instrument om aan die traditie gestalte te geven. Het gescheld daarop in die verrekte rechtse media begrijp ik dan ook helemaal niet. Ik zelf word al jarenlang door zo’n commissie begeleid. Op een onbewaakt ogenblik heb ik mij zelf namelijk ook wel eens met die Ellian ingelaten. Ik heb hem zelfs wel eens het eerste exemplaar aangeboden van een boekje dat ik had geschreven.

Goede en brave burgers zijn mij toen te hulp geschoten om mij tegen mijzelf in bescherming te nemen. Want die Ellian was geen economische maar een politieke vluchteling, en dat is een feit dat rechtse mensen nog wel eens willen misbruiken. Toen ze zo vriendelijk waren hem een uitkering te willen geven, verscheen hij in een keurig pak in plaats van in een gescheurde spijkerbroek. En hij heeft ook nog eens drie studies gedaan. Die uitslover! Denkt zeker dat hij beter is dan wij. En nu overlaadt hij ons met pleidooien voor de waarden van de democratische rechtsstaat. Gemene stukjes zijn dat, want ze zijn vooral helder en zakelijk geschreven en daarom zo overtuigend. Hij verslaat er zijn duizenden mee, zelfs een PvdA-raadslid uit Voorschoten (die nog maar 22 jaar oud is en daarom eigenlijk te jong, te onervaren, en te naïef om zo’n functie te kunnen bekleden).
Nee, zoveel werd mij wel duidelijk, dankzij de leden van mijn begeleidingscommissie: die Afshin Ellian (met Radio Bloemendaal op de achtergrond) belichaamt alles waar wij goede, progressieve, netjes-linkse Nederlanders een hekel aan hebben. Ik heb kordaat met hem gebroken. Ik wil hem nooit meer zien, die Ellian!
Ik vind het ook heel flauw, gemeen en beledigend dat mijn vriend Eddy Terstall is weggezet als ‘een halve stasi’. Niks ‘halve stasi’! Een hele stasi! Want toen NRC over zijn activiteiten had bericht, zei hij heel beslist dat hij maar hoopte dat dat Iraanse jongetje niet zelf zijn emails naar de krant had gelekt. ‘Want dat zou zijn positie een stuk lastiger maken!’ Goed zo, zo is het! Mijn vriend Terstall is uit het rechte stasi-hout gesneden, en is zeker geen halve.
En nu we toch aan het lekken zijn: zoals u begrijpt heb ik goede contacten binnen de PvdA. Ik heb dit stukje alvast gemaild aan lastige querulanten als Jos de Beus, Paul Scheffer, Jacques Monasch, Hendrik Jan Schoo en Hans Wansink. Van die Dalrymple-sympathisanten, weet u wel. Ik heb ze gewaarschuwd: dat ik hoogstpersoonlijk mijn begeleidingscommissie op ze af zou sturen wanneer ze het zouden bestaan het voor Ehsan Jami, voor de rechtsstaat, voor de godsdienstvrijheid en voor de vrijheid van meningsuiting zouden opnemen, en daarmee de belangen van de partij, die het (mede dankzij hen) toch al zo moeilijk heeft, zouden schaden! Zo zijn we binnen de PvdA niet met elkaar getrouwd!
De partij heeft het al zo moeilijk, naar het dezer dagen zelf in een reeks van rapporten en pamfletten uitlegt, en nu is er dan ook nog zo’n rechtse journalist van dat NRC Handelsblad die de partij met zijn scoop (in de veel gelezen zaterdagkrant, prominent boven aan pagina drie!) een dolk in de rug steekt.
Laten we het eerst eens over de zaak zelf hebben. Die jongeman Ehsan Jami neemt het op voor ex-moslims. Hij verdedigt hun recht op afvalligheid, en wil ze in bescherming nemen tegen moslims die dat recht niet erkennen en misschien wel eens gekke dingen kunnen uithalen met afvalligen. Heeft de profeet, geprezen zij zijn naam, niet gezegd dat afvalligen moeten worden gedood?
Natuurlijk is dat recht op afvalligheid een integraal onderdeel van het grondwettelijke recht op godsdienstvrijheid. Maar met de PvdA ben ik van mening dat je dat recht een beetje moet relativeren zodra er electorale belangen in het spel zijn. Wij van de PvdA zijn de partij van de uitkeringen en subsidies en daarmee van de allochtonen. Laat zo’n jochie van 22 uit Iran dat nu niet verstieren met staatsrechterlijke pleidooien, hoe zuiver die ook zijn. We hebben toch ook Ella Vogelaar als minister van het multiculturalisme aangesteld om ons te immuniseren tegen aanvallen van links (Femke en Jan)? Het is goed dat een begeleidingscommissie zo’n naïef en jong ventje uitlegt dat machts- en partijpolitiek altijd boven zaken van nationaal belang gaan.
Het is ook goed dat die commissie deze jongeman in bescherming neemt tegen de nefaste invloed van die vreselijke Afshin Ellian. Laten we wel wezen: de PvdA is altijd kritisch over bevoogding en betutteling, maar koestert intern een lange en rijke traditie van paternalisme. Dat moet vooral zo blijven.
Een begeleidingscommissie is een prachtig instrument om aan die traditie gestalte te geven. Het gescheld daarop in die verrekte rechtse media begrijp ik dan ook helemaal niet. Ik zelf word al jarenlang door zo’n commissie begeleid. Op een onbewaakt ogenblik heb ik mij zelf namelijk ook wel eens met die Ellian ingelaten. Ik heb hem zelfs wel eens het eerste exemplaar aangeboden van een boekje dat ik had geschreven.
Goede en brave burgers zijn mij toen te hulp geschoten om mij tegen mijzelf in bescherming te nemen. Want die Ellian was geen economische maar een politieke vluchteling, en dat is een feit dat rechtse mensen nog wel eens willen misbruiken. Toen ze zo vriendelijk waren hem een uitkering te willen geven, verscheen hij in een keurig pak in plaats van in een gescheurde spijkerbroek. En hij heeft ook nog eens drie studies gedaan. Die uitslover! Denkt zeker dat hij beter is dan wij. En nu overlaadt hij ons met pleidooien voor de waarden van de democratische rechtsstaat. Gemene stukjes zijn dat, want ze zijn vooral helder en zakelijk geschreven en daarom zo overtuigend. Hij verslaat er zijn duizenden mee, zelfs een PvdA-raadslid uit Voorschoten (die nog maar 22 jaar oud is en daarom eigenlijk te jong, te onervaren, en te naïef om zo’n functie te kunnen bekleden).
Nee, zoveel werd mij wel duidelijk, dankzij de leden van mijn begeleidingscommissie: die Afshin Ellian (met Radio Bloemendaal op de achtergrond) belichaamt alles waar wij goede, progressieve, netjes-linkse Nederlanders een hekel aan hebben. Ik heb kordaat met hem gebroken. Ik wil hem nooit meer zien, die Ellian!
Ik vind het ook heel flauw, gemeen en beledigend dat mijn vriend Eddy Terstall is weggezet als ‘een halve stasi’. Niks ‘halve stasi’! Een hele stasi! Want toen NRC over zijn activiteiten had bericht, zei hij heel beslist dat hij maar hoopte dat dat Iraanse jongetje niet zelf zijn emails naar de krant had gelekt. ‘Want dat zou zijn positie een stuk lastiger maken!’ Goed zo, zo is het! Mijn vriend Terstall is uit het rechte stasi-hout gesneden, en is zeker geen halve.
En nu we toch aan het lekken zijn: zoals u begrijpt heb ik goede contacten binnen de PvdA. Ik heb dit stukje alvast gemaild aan lastige querulanten als Jos de Beus, Paul Scheffer, Jacques Monasch, Hendrik Jan Schoo en Hans Wansink. Van die Dalrymple-sympathisanten, weet u wel. Ik heb ze gewaarschuwd: dat ik hoogstpersoonlijk mijn begeleidingscommissie op ze af zou sturen wanneer ze het zouden bestaan het voor Ehsan Jami, voor de rechtsstaat, voor de godsdienstvrijheid en voor de vrijheid van meningsuiting zouden opnemen, en daarmee de belangen van de partij, die het (mede dankzij hen) toch al zo moeilijk heeft, zouden schaden! Zo zijn we binnen de PvdA niet met elkaar getrouwd!
Subscribe to:
Posts (Atom)