Showing posts with label binnenlands bestuur. Show all posts
Showing posts with label binnenlands bestuur. Show all posts

31.5.11

De nieuwe hoffelijkheid van links

Wethouder Andrée van Es van Amsterdam hield onlangs een pleidooi voor hoffelijkheid in de strijd tegen het falen van haar oude ideaal, de multiculturele samenleving.





Dat is nieuw, een links politicus die waarden, normen, deugden en fatsoen bepleit in een politiek debat. Wie dat vroeger deed viel onder de banvloek van de fatsoensrakkerij. Royaal heb ik wethouder Van Es daarom welkom geheten in het conservatieve kamp, dat immers altijd al pleidooien voor een cultureel fundament onder de samenleving voerde. Het artikel stond vorige week op de website van Binnenlands Bestuur en in de Volkskrant.
Het stuk riep nogal wat reacties op van mensen die zich kwaad maakten over de inhoud. Daarom heb ik vandaag een repliek geschreven die op de website van Binnenlands Bestuur en op de opinie-website van de Volskkrant is verschenen. Beide artikelen staan hieronder.



Welkom, wethouder Van Es, in het conservatieve kamp!


Ik tel mijn zegeningen: als zelfs iemand van GroenLinks komt vertellen dat we de deugd van de hoffelijkheid moeten herstellen, dan blijkt de werkelijkheid zich zelfs in het erg linkse kamp onweerstaanbaar op te dringen. Maar wat moet het voor de linkse mens vervelend zijn om het grote historische ongelijk steeds weer te moeten toegeven.

Vorige week was ze ineens zeer nadrukkelijk aanwezig in het nieuws: Andrée van Es, in Amsterdam wethouder namens GroenLinks. Ze gaf interviews aan Trouw en de Volkskrant en verscheen bij Knevel & Van de Brink. Ze mocht komen uitleggen dat de Nederlandse samenleving wat hoffelijker moet worden.

Van Es (1953) was in de jaren tachtig Kamerlid voor de Pacifistisch-Socialistische Partij (opgegaan in GroenLinks). Daarna verdween ze in de wereld van de VPRO en de Balie en speelde ze een rol bij de inburgering van Máxima. Ze was directeur-generaal op het ministerie van Binnenlandse Zaken en keerde weer terug in de politiek. Sinds vorig jaar is ze wethouder in Amsterdam, de stad van 183 nationaliteiten, en gaat ze in die functie over zaken als participatie en integratie.

Naar de Amsterdamse gemeenteraad heeft ze een brief geschreven over het onderwerp ‘Burgerschap en Diversiteit’. Ondertitel: ‘Geen burgerschap zonder hoffelijkheid’. In de traditie van Amsterdam en van de radicale chique waartoe Van Es zich in 1973 bekeerde (bij de dood van de socialistische Chileense president Allende) gaat het in zulke brieven veelal over ‘beleidsvoornemens’. Maar nu gaat het over wat de stad van de burgers verwacht, hoe ze met elkaar moeten omgaan, hoe ze minder ruw en onwelwillend met elkaar moeten omgaan.

Van Es onderbouwt haar betoog met een beroep op de politiek filosoof John Rawls: ‘Hoe kunnen vrije en gelijke burgers die van inzicht verschillen over godsdienstige, filosofische en levensbeschouwelijke zaken vreedzaam met elkaar samenleven? Burgerschap, met alle verschillen van mening, ook fundamenteel, die daarbij horen, kan volgens Rawls niet zonder civility: hoffelijkheid.’

En het gaat niet alleen om hoffelijkheid: onwilligen moeten aan het werk op verbeurte van hun uitkering, het moet afgelopen zijn met de overlast door jongeren, pardon: Marokkaanse jongeren, de overheid is er niet langer om alle problemen op te lossen maar moet de zelfredzaamheid van burgers hooguit faciliteren, en alle problemen zijn begonnen met de multiculturele samenleving.

Je wrijft even in je ogen: als het allemaal niet rechts is, dan is het in ieder geval ook erg conservatief. Volgens Van Es zelf is ze vooral ‘eerlijker’ geworden.
Inderdaad, Van Es en de haren zijn altijd oneerlijk geweest. Dat wil zeggen: ze hebben gelogen. Problemen mochten niet worden benoemd. De multiculturele samenleving was een hoog ideaal en wie zich ertegen verzette of over de schaduwzijden durfde beginnen, was een racist, een nationalist, rancuneus, erg blank met een dikke onderbuik. De politiek ontfermde zich over de zwakken. Wie van zelfredzaamheid repte, was rechts, had geen idealen maar slechts belangen, en behoorde tot de verderfelijke mensensoort die meende dat armoede en achterstand vooral eigen schuld was.

Van Es is van het linkse geloof gevallen dat ijverde voor bevrijding, emancipatie en individualisme en daarmee een beslissende bijdrage heeft geleverd aan de vergruizing van het culturele fundament dat een samenleving moet dragen. Ieder voor zich en de staat voor ons allen, was de leuze van deze dames en heren. En filosofen als Rawls, de held van de pluralistische samenleving en het verzet tegen ‘de oneerlijke verdeling van aanleg en talenten’, waren hun helden.

Nu moeten burgers weer voor zichzelf zorgen en wat vriendelijker worden in de omgang met elkaar. Want het multiculturele ideaal dat de generatie van Van Es met zoveel morele hooghartigheid heeft uitgedragen, is stuk gelopen op de harde werkelijkheid. De chaos laat zich niet meer vanuit het gemeentehuis beteugelen, zo heeft Van Es moeten vaststellen, twintig jaar na Bolkestein, tien jaar na Paul Scheffer en Pim Fortuyn. Ex-communist word je na de val van de Muur.

Beter (te) laat dan nooit natuurlijk. Ik tel mijn zegeningen.

Hartelijk welkom, mevrouw Van Es, in het conservatieve kamp. Met de grote Amerikaanse neoconservatief Irving Kristol bent u een ‘liberal who has been mugged by reality’, en daarmee feliciteer ik u. Ik bewonder uw moed. Want ik kan me goed voorstellen dat u deze stap met enige tegenzin zet. U en de uwen – ik denk niet alleen aan Paul Scheffer maar ook aan NRC-columnist Bas Heijne met zijn recente essay Moeten wij van elkaar houden? - belichaamden de weldenkendheid en moeten steeds meer hun grote historische ongelijk komen opbiechten nu de werkelijkheid zich onaangenaam opdringt. U en de uwen gaan daarmee in feite net zo pragmatisch en opportunistisch met het eigen gedachtegoed om als de gemiddelde politieke partij, en het moet pijnlijk zijn dat bij u zelf vast te stellen. U erkent dat historische ongelijk natuurlijk niet, maar stelt vast dat anderen u uw gedachtegoed en de consequenties daarvan wel eens met recht en reden kwalijk kunnen gaan nemen. Een concessie aan die werkelijkheid, zoals u die maakt, zou je daarom bijna kunnen zien als een smoes, om te laten zien dat u en de uwen op hun schreden zijn teruggekeerd en het allemaal zelf hebben bedacht, over die hoffelijkheid en zo.





U hebt in uw jeugd in de Haagse Vogelwijk ongetwijfeld het gymnasium bezocht en Horatius gelezen. Waarschijnlijk ook het gedicht over die hooivork, weet u nog wel, waarmee je dacht alles overboord te kunnen gooien, en over die menselijke natuur en de werkelijkheid die toch altijd weer blijven terugkeren en hun rechten opeisen.





Nogmaals: links en de moraal


Wethouder Andrée van Es kreeg onlangs alle gelegenheid om links en rechts uit te venten hoe zij haar portefeuille participatie en integratie in Amsterdam gaat invullen: door een pleidooi voor hoffelijkheid. Op deze plaats wijdde ik daar vorige week een stukje aan. Ik stelde daar dat die keuze van Van Es – een politiek pleidooi voor deugdzaamheid - nieuw was voor een progressief politicus. Linkse politici hebben zich in het recente verleden immers onderscheiden met pleidooien voor maximale vrijheid en tegen elke vorm van ‘betutteling’. Als daar problemen uit ontstonden, moest de overheid die oplossen. Van Es heeft dus ineens een politieke draai van 180 graden gemaakt. Maar goed, zo schreef ik, hoe ongeloofwaardig zo’n tournure ook is, beter laat dan nooit, zo’n pleidooi, en met een royaal gebaar heette ik wethouder Van Es van harte welkom in het conservatieve kamp.

Dat is niet overal even zeer gewaardeerd, zoals al snel bleek uit de vele boze reacties op deze website, op die van de Volkskrant en De Pers en enkele blogs.
Die kritiek was niet altijd even intelligent. Het verwijt dat mij vooral is gemaakt was het verwijt van de hovaardij. Ik zou betoogd hebben dat rechtse mensen hoffelijk zijn en linkse mensen niet. Ik zou het rechtse alleenrecht op hoffelijkheid hebben afgekondigd.

En dat is niet zo. In de eerste plaats had ik het niet over ‘rechts’ maar over ‘conservatief’. Ik geef toe dat het enige politieke scholing vraagt om het onderscheid te kunnen maken. Maar als rechts voor een kleine overheid staat die zich tot haar kerntaken beperkt, dan voegt de conservatief daaraan toe dat een samenleving voor alles een cultureel fundament nodig heeft van burgers die goed zijn opgevoed en goed onderwijs hebben ontvangen. We moeten immers wel weten hoe we met onze vrijheid behoren om te gaan.

In de tweede plaats zou ik niet graag beweren dat linkse mensen als individuen onhoffelijk zijn en rechtse mensen altijd hoffelijk. (Zo ben ik ook niet opgevoed. Toen ik in de kinderstoel al onvervalst rechts zat te kraaien, hief mijn moeder haar vinger en citeerde haar devies: ‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle’). Daar gaat het natuurlijk ook helemaal niet om. Het gaat erom of pleidooien voor hoffelijkheid (waarden en normen, deugden, een cultureel fundament, of hoe je het ook wilt noemen) een plaats mogen hebben in politieke discussies over de ravages die het vrijzinnig-progressieve ideaal van het multiculturalisme in de Nederlandse samenleving heeft aangericht. Conservatieven – en sommige rechts-liberale politici, zoals Frits Bolkestein – doen dat al tijden lang, Andrée van Es doet dat nu voor het eerst. Ik heb mijn linkse critici uitgedaagd mij voorbeelden te geven van progressieve pleidooien voor hoffelijkheid in het kader van een discussie over de multiculturele samenleving. Een antwoord zijn zij mij allen schuldig gebleven.





Daar komt nog iets bij. Het voorbeeld van Van Es staat natuurlijk niet op zichzelf. Links heeft er een handje van om na verloop van tijd de rechtse (conservatieve) pleidooien te herhalen. En als het dan door iemand uit de linkse hoek wordt gezegd, dan mag het ineens. Dan wordt ook net gedaan alsof die persoon het voor het eerst heeft gezegd. En worden er rare draaien aan dat linkse plagiaat van rechts gegeven.
Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Paul Scheffer. Frits Bolkestein stak al tien jaar zijn betogen tegen de schaduwkanten van de multiculturele samenleving af maar vond zelden enig onthaal. Volgens Jacques Wallage van de PvdA viste hij in het troebele water van het autochtone ressentiment. Toen Paul Scheffer echter tien jaar geleden paginagroot in NRC zijn beroemde stuk tegen het multiculturalisme publiceerde, werd aan dat krantenartikel een heus Kamerdebat gewijd en mocht hij sindsdien door het leven als de kampioen van wakker geworden links. Natuurlijk hebben de bijdragen van Scheffer grote verdiensten, maar hij heeft weinig gezegd wat al niet eerder was gezegd.





Hetzelfde geldt min of meer voor het recente essay van NRC-columnist Bas Heijne (Moeten wij van elkaar houden?). Links laboreert aan een vreemd affect, een nervositeit bijna, en dat is het verzet tegen elke poging iets te formuleren van een verhaal (identiteit) dat alle andere verhalen (identiteiten) overstijgt. Dat riekt al snel naar rechts-nationalistische dwingelandij, is bij voorbaat heel ‘eng’, en het volgende godwinnetje is dan nooit ver weg. Nu heeft Bas Heijne ingezien dat het beroep op abstracties als Grondwet en rechtstaat door de (zelf benoemde) politieke, bestuurlijke en intellectuele elite niet helpt, en dat we daarom in het debat over de multiculturele samenleving toch een verhaal (identiteit) moeten formuleren. Ook deze vooruitgang op links boek ik graag als winst, en ik accepteer deze positie graag als nieuw uitgangspunt voor een debat dat ons misschien eindelijk ergens kan brengen, maar merkwaardig blijft het: dat het verhaal nu wel mag omdat het in de NRC staat.

Het pleidooi dat links van rechts overschrijft, wordt in zulke gevallen niet alleen als nieuw en origineel gepresenteerd maar ook in een uitgesproken links discours ingebed en daarmee misbruikt. Politici als Van Es doen nu bijvoorbeeld net alsof zij het publieke pleidooi voor hoffelijkheid hebben ontdekt in hun verzet tegen de retoriek van Geert Wilders (kijk de uitzending van Knevel & Van den Brink waarin Van Es optrad, er maar op na). In zijn achterban zouden zich immers de primitieven bevinden, ‘rancuneuze types zonder moraal, zonder principes’ (Anil Ramdas).

Maar pleidooien voor hoffelijkheid, beste linksmens, zijn niet bedoeld om ons af te zetten tegen één specifiek groep. Onfatsoen laat zich niet indelen naar politieke achtergrond. Pleidooien voor hoffelijkheid en fatsoen zijn een algemeen appel op de samenleving om het culturele fundament onder onze rechtstaat, civil society en economie te onderhouden.

Links jat dus rechtse pleidooien als trucje voor eigen partijpolitiek gewin. Links is daarmee ongeloofwaardig, opportunistisch en vals.

Is dat reden tot somberte? Welnee. Links biedt altijd alle reden tot vrolijkheid. Want over vijf jaar staat in de Volkskrant wat deze week in de Elsevier staat. En over vijf jaar is zelfs de meest linkse lezer van dit stukje het met de inhoud ervan eens.

28.12.10

Rechts gaat winnen, maar CDA krijgt het moeilijk

De eerstvolgende verkiezingen, de Statenverkiezingen van 2 maart 2011, gaan over slechts één vraag: of wij voor of tegen het huidige kabinet zijn. Voorstanders stemmen op CDA, VVD of PVV, tegenstanders op een van de oppositiepartijen.


Ik ben bang voor progressief Nederland dat de Statenverkiezingen een flinke overwinning voor rechts zullen opleveren. Een eerste signaal daarvoor is het geringe enthousiasme dat de oproep van Job Cohen heeft losgemaakt. Cohen heeft alle progressieve partijen en organisaties gemaand om op zondag 16 januari naar Amsterdam te komen voor een demonstratie tegen het huidige rechtse, ‘cynische en uitsluitende’ kabinet. Maar Ouderenbond ANBO wil als neutrale organisatie niets met het exclusief-linkse protest te maken hebben. Zelfs de FNV weet nog niet zeker of ze meedoet. De ChristenUnie komt zeker niet – niet alleen omdat de manifestatie op zondag is maar ook omdat André Rouvoet ‘christelijk-sociale doelstellingen’ wil realiseren en dat wil doen door samenwerking ‘met alle partijen, coalitie of oppositie’. D66 wil niet een van de mede-organisatoren van de manifestatie zijn. Pechtold stuurt een vertegenwoordiger en die komt alleen maar luisteren ‘naar de nieuwe koers van de PvdA’.

Het zal die waarnemer waarschijnlijk niet meevallen om aan Pechtold door te geven wat die nieuwe koers is ‘van het andere Nederland dan het Nederland waar wij op afstevenen’ (Cohen). De onderlinge verschillen tussen de deelnemers zijn immers te groot om van één links-progressief blok te kunnen spreken. Dat ‘blok’ valt sowieso al uiteen in een oud-links (economisch ‘conservatief’) blok en een sociaal-liberaal (‘progressief’) blok. Eén boodschap zal dan ook niet klinken vanaf de Brakke Grond in Amsterdam, waar de manifestatie moet gaan plaatshebben.

De organisatie van brede maatschappelijke oppositie tegen dit kabinet is dus bij voorbaat mislukt. En al zou ze zijn gelukt, de vraag is nog maar of die oppositie erg succesvol zou zijn geweest. Het incident in de Eerste Kamer rond de verhoging van de btw op theaterkaartjes heeft duidelijk gemaakt hoe hecht de huidige regeringscoalitie momenteel is. Dat incident is door de meeste politici en media verkeerd gelezen, als een overwinning namelijk van de Eerste Kamer als zelfstandig orgaan van volksvertegenwoordiging tegenover dit kabinet. Maar dat het kabinet bereid was de maatregel een half jaar uit te stellen, bewijst vooral dat CDA, VVD en PVV bereid waren de zaak tegenover elkaar niet op de spits te drijven en in politieke volwassenheid tevreden te zijn met een compromis. Bovendien zal Rutte direct na het kerstreces (half januari) de plannen van al zijn ministers presenteren. Die plannen zullen de burger financieel geen pijn doen en op brede instemming kunnen rekenen. In die sfeer kan het niet anders of dit kabinet krijgt op 2 maart een nieuw mandaat in de vorm van een overtuigend vertrouwensvotum. En vervolgens, zo vermoed ik, gaan we een politiek saaie periode tegemoet die ons zal doen gapen als onder de meest paarse jaren. Maar gelukkig het land welks politiek saai is.

Het grote probleem voor deze coalitie is echter dat de winst op 2 maart naar VVD en PVV zal gaan en niet naar het CDA. Het CDA is al de enige van de drie partnerpartijen die het in de peilingen niet goed doet. Het CDA is bovendien de partij waarvan de achterban het meest ambivalent tegenover dit kabinet staat. VVD’ers en PVV’ers zijn zeer ingenomen met Rutte-I, voor CDA’ers geldt dit maar zeer gedeeltelijk. Het CDA is over het algemeen al zo verdeeld dat een strakke regie van bovenaf altijd nodig is om de boel partijpolitiek bij elkaar te houden. Dat is de belangrijkste conclusie die kan worden getrokken uit het eerste interview dat Jan Peter Balkenende na zijn vertrek uit de Haagse politiek heeft gegeven en dat deze week is verschenen in Christen Democratische Verkenningen, het blad van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Die verdeeldheid is door de deelname van het CDA aan een kabinet dat door de PVV wordt gedoogd alleen nog maar toegenomen, zoals iedereen heeft kunnen zien bij het CDA-partijcongres in oktober.

Zoals alle partijen oude rotten inzetten voor de Eerste Kamer verkiezingen (Van Boxtel voor D66, Hermans voor de VVD, Marleen Barth voor de PvdA) zo heeft ook het CDA een ervaren man bovenaan de lijst gezet: Elco Brinkman. Het komt mij voor dat deze politicus, in 1994 door Lubbers aan de kant gemanoeuvreerd, een rechtsig imago heeft. In de interviews die hij tot nog toe heeft gegeven (in de Telegraaf en in In Contact, het blaadje van de jongerenorganisatie van de SGP) benadrukt hij vooral de fouten die zijn politieke generatie heeft gemaakt in de softe opstelling in de discussie over de multiculturele samenleving en omarmt hij de correcties die Wilders op dit beleid (of beter: gebrek aan beleid) heeft aangebracht.

Ik neem iemand niet gauw kwalijk dat hij misschien wat rechtsig is. Maar het CDA heeft het al moeilijk en gaat het nog moeilijker krijgen wanneer de Statenverkiezingen uitlopen op een vertrouwensvotum over het beleid van het huidige kabinet. Om minimaal alle CDA’ers aan boord te houden, moet de partij een elegante spagaat uitvoeren waarvoor Brinkman misschien niet de meest aangewezen man is.

19.10.10

Eén natie, twee culturen

Vandaag realiseerde ik me ineens dat ik me voor het eerst in mijn leven enigszins thuis voel bij een nieuw kabinet.
Tot nog toe konden die kabinetten me eigenlijk niet zo veel schelen. Paars vond ik verschrikkelijk, al genoot ik altijd van de optredens van Frits Bolkestein. De politieke discussies sinds Fortuyn hebben mij ongemeen geboeid, vooral door de combinatie met cultuur en religie, maar de kabinetten-Balkenende (het tweede misschien enigszins uitgezonderd) hebben mij altijd lauw gelaten (op z’n best) of geërgerd (meestal). Een regering van CDA en PvdA is wat mij betreft een van de ergste dingen die een land kan overkomen.

Het kwam door een fotootje op de voorpagina van de NRC van afgelopen zaterdag. Mark Rutte staat achter zijn bureau in het Torentje en pakt zijn tas in, aan het einde van zijn eerste werkdag. Dat jongensachtige en wat onhandige, dat Engelse in zijn stijl en voorkomen, dat neemt me in voor de man. In deze tijden van blijvende onzekerheden vind ik dat hij een prima team van ervaren en ambachtelijke politici heeft samengesteld. Voor het eerst, denk ik, heb ik het gevoel dat een regering ook een beetje mijn regering is.

Een goede vriend vertelde mij eens dat hij zich bij het aannemen van een nieuw personeelslid maar één vraag stelde: of hij met die man of vrouw een weekje vakantie zou uithouden. Bij dit kabinet heb ik het idee dat me dat zou lukken. Met Cohen en Mariëtte Hamer zou bij het ontbijt al uitgepraat zijn en de rest van de dag zou ik proberen hen te ontlopen, en zij mij.

Tegelijkertijd kan ik mij goed voorstellen dat heel veel Nederlanders precies het tegenovergestelde gevoel hebben. Ik begrijp dat omdat ik de aanblik en het aanhoren van linkse politici vaak bijna als een persoonlijke belediging ervaar. Dat is niets persoonlijks. Het gaat erom dat je mensen dingen hoort zeggen die zo werkelijkheidsvreemd en dom zijn, dat je je hart vasthoudt voor dit mooie land. Als ik Femke Halsema hoor praten over haar voornemen om de vrijheid van godsdienst te lijf te gaan met een radicaal gelijkheidsideaal en emancipatiedwang, dan vervullen die uitspraken mij met aversie, inclusief het toontje waarop die uitspraken worden gedaan. Ik heb vandaag instemmend gegromd bij het lezen van een opiniestuk van Diederik Boomsma in de Volkskrant: een goed geschreven stuk tegen een elite die bewust antiburgerlijke kunst voor de happy few is gaan maken maar daar wel subsidie voor wilde hebben en daarvoor nu de rekening gepresenteerd krijgt. Dat gegrom kwam ongetwijfeld voort uit afkeer van die elite. Het is net zo iets, stel ik mij voor, wat een linksmens overkomt wanneer hij Bolkestein over de vrije markt hoort, Wilders over immigratie of beelden ziet van de Amerikaanse Tea Party-beweging. Dat geeft allemaal niets, zolang het maar niet echt persoonlijk wordt. Wilders en Halsema zie je vaak samen lachen. Dat lijkt me een goed teken. Over Nederland moet je je pas echt zorgen gaan maken wanneer de politieke animositeit zou omslaan in een persoonlijke.

De Amerikaanse historica Gertrude Himmelfarb heeft een jaar of tien geleden een interessant boek over dit verschijnsel geschreven. Dat boek heet One Nation, Two Cultures en gaat over de Amerikaanse samenleving in de nasleep van de culturele revolutie. Die revolutie heeft de ene Amerikaanse natie in twee culturen verdeeld: een conservatieve en een progressief-liberale. In Amerika is deze tegenstelling duidelijk zichtbaar omdat die zich politiek heeft vertaald in een Republikeinse en een Democratische Partij. Bij ons in Nederland is dat niet het geval. Hooguit wordt het verschil zichtbaar in de tegenstelling tussen links en rechts. Waarbij rechts staat voor een kleine overheid, zelfredzaamheid en cultureel-morele waarden, en links staat voor de noodlottige combinatie van vrijheidsdrang en een alomtegenwoordige staat.





Het boek van Himmelfarb ontvouwt een conservatief programma om de civil society te revitaliseren als buffer tussen een excessief individualisme aan de ene kant en een onderdrukkende staat aan de andere kant. Ze schrijft over een hervorming van instituties als familie en gezin, over de politiek en over het christendom als een ‘seedbed of virtue’.

Ik weet dat Rutte veel goede boeken leest (las), maar ik ben bang dat hij dit boek van Himmelfarb niet kent, of als hij het kent, dan heeft hij de inhoud niet gebruikt als blauwdruk voor zijn regeringsbeleid. Daarvoor is hij natuurlijk ook veel te gematigd. Hij belichaamt eigenlijk het type mens dat in Amerika zou worden omschreven als een rechtse Democraat of een linkse Republikein. Misschien dat ik dat even zag in dat fotootje op de voorpagina van de NRC. En toen dacht dat hij daarmee misschien wel over de kwaliteiten beschikt om in een land van twee culturen die ene natie te belichamen.


12.7.10

Buitenspel

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over voetbal, politiek en de buitenspelpositie van Mark Rutte:

Sport en politiek hebben zoals bekend veel met elkaar te maken. Olympische Spelen zijn in het verleden om politiek-ideologische redenen geboycot. Politici maken graag goede sier met de sportieve successen van hun landgenoten. Premier Balkenende had zich afgelopen zondagavond wat graag laten vereeuwigen met een Nederlands elftal waarvan aanvoerder Giovanni van Bronckhorst de wereldbeker in zijn handen hield. Dat succes had dan ook een beetje op hem afgestraald.

Wat zijn de politieke gevolgen van sportief falen? Toen het Nederlands elftal in 1974de WK-finale van West-Duitsland had verloren, werden Johan Cruijff en de zijnen feestelijk onthaald op het gazon van het Catshuis, waar de toenmalige premier Joop den Uyl het gezelschap in een jolige polonaise voorging. Maar het verlies van 7 juli 1974 heeft een hele generatie opgescheept met chagrijn en wraakzucht. Want wij waren de besten (zoals de titel van het boek van Auke Kok over 1974 ook luidt). In de finale hadden we binnen een paar minuten op een 1-0 voorsprong gestaan. En zo hoorde het ook. Het krijt had door de vernietigende uithaal van Neeskens uiterst vertrouwd van de penaltystip gespat. Daarna besloten de totaalvoetballers van toen om wraak te nemen op alle gestolen fietsen in de oorlog door de Duitsers niet alleen te verslaan maar ook te vernederen. Dat ging dus mis. We verloren met 2-1. Ik zat met mijn vader te kijken, en ben na afloop van de wedstrijd een bal tegen een muurtje gaan schoppen. De sfeer en geladen stilte op straat, die zondagavond, is nadien alleen herhaald op 6 mei 2002, de dag van de moord op Pim Fortuyn.

Die jongens van 1974 hebben voor mij altijd symbool gestaan – hoe goed ze ook konden voetballen – voor een generatie van vrijgevochten en langharige profs die links als zij ongetwijfeld waren of in ieder geval oogden, heel goed voor hun eigen belangen wisten op te komen en uitblonken in een combinatie van lichtzinnigheid en politieke correctheid.

Pas het Nederlandse elftal van Bert van Marwijk leek af te rekenen met die misplaatste arrogantie die sinds 1974 altijd rond het Nederlands elftal heeft gehangen. Dit elftal was een team, met zes verdedigers die stofzuigend en schoffelend deden waarvoor ze betaald werden. Het werd niet door grote ego’s uiteengereten, speelde niet mooi maar wel efficiënt, stierf zwoegend niet in lichtvoetige schoonheid en stond terecht in de finale. Het verdriet van 1974 en 1978 zou eindelijk worden goed gemaakt. De redding kwam van rechts.

En toen was daar, twee minuten voor het einde van de tweede verlenging, de uithaal van Andres Iniesta. Hij degradeerde de stabiele en volwassen zwoegers van Johannesburg tot dezelfde status als de hippies van München en Buenos Aires. Zolang je dacht dat Iniesta buitenspel had gestaan, kon je nog politieke parallellen trekken. Dan was Mark Rutte die Iniesta, omdat hij de rechtse winst bij de verkiezingen had verkwanseld tot pogingen om een paars kabinet te formeren. Daarmee stond Rutte immers fors buitenspel. Tjeenk Willink was dan scheidsrechter Howard Webb, die Rutte in buitenspelpositie zijn gang had laten gaan. En Maxime Verhagen was Arjan Robben, die een kans voor open doel op een rechtse coalitie had verkwanseld.



Maar Iniesta stond geen buitenspel. Het was een goudeerlijk doelpunt. Zelfs de troost van die parallel wordt ons dus niet gelaten. Rutte gaat vanuit zijn buitenspelpositie gewoon door met de onderhandelingen over zijn hippiekabinet, en wij moeten dat de komende weken aan gaan zitten kijken terwijl we de kater van Johannesburg nog niet eens weg hebben kunnen drinken.

19.4.10

Land van regenten

Nederland regentenland: het zal altijd wel zo blijven, maar juist daarom is de oppositie zo belangrijk, van cross-benchers, intellectuelen, columnisten, populisten en ander onguur volk.


‘We moeten weer leren de overheid te zien als een organisch onderdeel van de samenleving.’

Ik las deze zin, of een vergelijkbare zin, een week of wat geleden, ergens, ik weet helaas niet meer waar. Maar de zin heeft me veel te denken gegeven. Ik heb om te beginnen geconcludeerd dat het eigenlijk wel heel mooi zou zijn als je ertoe in staat zou zijn: de overheid te zien als een organisch onderdeel van de samenleving. Wat ze daar in Den Haag dan doen, dat doen ze dan namens ons, of beter nog: dat doen wij zelf. Belasting is dan een in vrijheid afgesproken, vrijwillige bijdrage aan het orgaan samenleving om de zwakke, behoeftige en nooddruftige onderdelen van het orgaan in leven te houden en te stimuleren. En politici zouden dan de mensen zijn die voor ons de dingen doen waarvan we allemaal vinden dat ze gedaan moeten worden.

Maar zo ligt het niet. Helaas. Het is niet alleen zo dat linkse mensen rechtse politici bekritiseren en rechtse mensen linkse politici, nee: mensen bekritiseren de politiek. Dat doet maar, daar in Den Haag. Ze hebben zich opgesloten in hun eigen wereldje, die vierkante kilometer van het Binnenhof, en houden zich bezig met hun eigen dingetjes, maar niet met de zaken waar de mensen op hun verjaardagen en aan de toog over praten. De overheid, de politiek in het algemeen, is geen organisch onderdeel van de samenleving, maar een vreemd vijandig gezwel dat je zo snel mogelijk moet isoleren en in haar macht beperken om verdere groei ervan te voorkomen.

Zo althans ervaren veel mensen het. Hoon is je deel wanneer je hun voorzichtig voorstelt om de politiek toch te zien als een essentieel bestanddeel van een orgaan waarvan zij zelf ook deel uitmaken.

Iedereen weet dit. We noemen het al jaren de ‘kloof’ tussen burger en politiek. Volgens sommigen is de afstand te groot, de kloof te diep (de ‘populisten’), volgens anderen (Maarten van Rossem en het CDA) kan die kloof niet diep en de afstand niet groot genoeg zijn.

Nederland wordt bestuurd door regenten. Dat is al heel lang zo, en ook D66 en ook de Fortuyn-revolte hebben daar geen einde aan kunnen maken. Ons land is een land van kleine gebaren, van schikken en plooien, van compromissen en consensus. Je kunt wel een visie hebben, maar je hebt die nog niet gegeven of ze vragen je heel concreet wat je praktische oplossingen zijn. Vergezichten en debatten, ontroering en vervoering leiden maar tot de tweedracht die je in een laag land onder de zeespiegel niet kunt gebruiken. Daar moet je op collegiale wijze wilde lopen kanaliseren en dijken graven.

De verzuiling van Nederland bracht de hechte institutionalisering van het regentendom. De zuilen zijn gevallen maar het dak van het regentendom is gewoon in de lucht blijven hangen. We knielen wel voor het beeld van de democratie en spuwen driewerf in de richting van alles en iedereen die iets van kritiek op ons politieke bestel durft te hebben. Maar met democratie heeft dit alles natuurlijk niets te maken. Democratie is vooral een woord dat we gebruiken om onze oligarchische systeem te camoufleren en te rechtvaardigen. Ons land is te groot om met z’n allen op dinsdagmiddag naar het Binnenhof te gaan. Daarom spreken we van representatie, maar we worden gerepresenteerd door mensen die we niet kennen. We laten het zo, en mensen die dit willen veranderen door de introductie van directere vormen van democratie zien we met volmaakte onverschilligheid zich stuklopen op de muren van het regentenkasteel.

Oligarchie is een van de belangrijkste en hardnekkigste tradities in de Nederlandse politiek, zo heeft de historicus Henk te Velde onlangs uiteengezet in een verhelderend en behartigenswaardig boek (Van regentenmentaliteit tot populisme). Alleen als je je erin schikt, kun je in de Nederlandse politiek meedoen en effectief zijn. Maar we moeten ook hen zaligspreken die zich niet schikken, de oppositionelen, de cross-benchers, de intellectuelen, columnisten en populisten. Ze maken de regenten zo af en toe een beetje zenuwachtig, zoals na afloop van het EU-referendum in juni 2005. Ze houden de elite scherp door haar voortdurend uit te dagen. Ze dwingen haar zo zich weer wat meer te voegen in het organisme van de samenleving.

8.3.10

ChristenUnie: humorloos, maar eindelijk duidelijk

Nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur:


De kleine christelijke partijen (RPF, GPV, SGP) werden vroeger wel ‘klein-rechts’ genoemd. Gereformeerd waren ze, serieus, staatsrechtelijk degelijk. Ze trokken altijd samen op en in de Koude Oorlog waren zij onwankelbare atlantici. Ze dronken met elkaar een bescheiden kruikje rosé bij het diner. Ze prakten hun eten (maar dat mag van J. L. Heldring), en droegen schoenen met spekzolen.

Dat imago is grondig aan het veranderen, zij het in verschillende richtingen.

Alhoewel Kees van der Staaij, de opvolger van SGP-leider Bas van der Vlies, de wat hoekige lichaamstaal van zijn voorganger nog altijd imiteert wanneer hij positie kiest achter de interruptiemicrofoon (misschien wel onbewust), heeft hij een jeugdige uitstraling, verschijnt hij af en toe zelfs voor de buis en bloeit zijn gezicht soms open in een lach die richting het gulle tendeert.

Tegenover de toenemende losheid van de SGP (in het nette natuurlijk!) staat een toenemende verbetenheid bij hun voormalige broeders van de ChristenUnie (de fusie uit 2000 van GPV en RPF). Je hoeft maar vijf minuten op tv naar CU-leider André Rouvoet te kijken om je te realiseren dat hij in het diepst van zijn gedachten weet dat hij de komende maanden campagne moet gaan voeren met de leus: ‘Einde oefening’. Het heeft iets krampachtigs en chagrijnigs, de manier waarop representanten van de ChristenUnie (fractievoorzitter Arie Slob overigens uitgezonderd) dezer dagen kijken en de frustraties over gefnuikte ambities van zich af praten, en vooral: het is allemaal zo ongelooflijk humorloos.

Een week of wat terug kreeg ik een email van de redactie van een christelijk opinieblad (CV/Koers) dat vooral uitmunt in de wijze waarop het zichzelf, zijn lezers en de ChristenUnie met hun christen-zijn feliciteert. Of ik snel en in één zin een antwoord wilde geven op de vraag wat ons land na Balkenende IV nodig heeft. Zonder lang na te denken tikte ik in: ‘Een kabinet zonder de ChristenUnie’. Sinds de verschijning van het blad loopt mijn emailbox vol met verbeten reacties van CU-stemmers. Schande om zo lelijk over de partij te doen!

Het geintje had ondertussen wel een serieuze ondertoon. Mijn bezwaar tegen de ChristenUnie bestaat vooral hierin dat ze de afgelopen jaren voor een fundamentele koerswijziging hebben gekozen (van klein-rechts naar klein-links overgoten met een evangelische saus), dat hun journalistieke vriend Andries Knevel zelfs van een ‘paradigmawisseling’ spreekt, en dat de partij die verandering altijd heeft ontkend, laat staan dat ze er verantwoording over heeft afgelegd.

Maar sinds deze week zijn alle veranderingen in ieder geval impliciet erkend. Maandag heeft de CU een eerste publieke versie van het verkiezingsprogramma gepresenteerd en zich daarbij nadrukkelijk gepositioneerd als het glijmiddel voor een centrum-linkse coalitie van PvdA en CDA. De directeur van het wetenschappelijk bureau van de CU, Gert Jan Segers, zei op radio 1 dat de CU zich op links tussen CDA en PvdA in heeft gepositioneerd. Dat wisten we al, maar we mochten het nooit zeggen en nu zeggen ze het eindelijk zelf eens. En dat betekent natuurlijk dat de ChristenUnie lastenverzwaringen bepleit: een ‘crisis- en hersteltaks’ en de invoering van één tarief voor het aftrekken van de hypotheekrente.

Zo is dat: zuur en humorloos door het leven gaan, en veel geld van de bevolking afpakken omdat de overheid, zoals oud-CU-senator Kees van Bruchem eens schreef, veel beter weet dan de burger zelf hoe dat geld goed kan worden besteed.
We moeten de CU dankbaar zijn voor de eindelijk geboden duidelijkheid. Die uitspraak over de wenselijkheid van een kabinet zonder de CU na Balkenende IV moest ik maar eens gaan inlijsten.

25.2.10

Balkenende

Dat heerlijke interview met Hans Wiegel al gelezen, vandaag in Trouw? Mijn column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over hetzelfde onderwerp (net als mijn column in Elsevier overigens). Op 9 juni gaat het over de vraag of we een rechts kabinet krijgen: economisch rechts (CDA, VVD, D66) dan wel een beetje heel rechts (CDA, VVD, PVV) of paars-III (PvdA, VVD, D66, GL). Dat moeten de Balkenende-critici een beetje in het oog houden, vind ik.
(En waar ligt eigenlijk ten diepste de voorkeur van Rutte?)



Binnen acht jaar tijd is zijn vierde kabinet gevallen, hem wordt bovendien een gebrek aan regie en leiderschap verweten, maar daags na de implosie van zijn vierde kabinet wijst het CDA-hoofdbestuur Balkenende toch weer aan als lijsttrekker. Bij acclamatie zelfs, en in alle stilte.

Die aanwijzing is waarschijnlijk vooral bedoeld om een machtsstrijd om het partijleiderschap tussen Balkenende en Eurlings of Verhagen te voorkomen. Maar de laatste peilingen van Maurice de Hond roepen de vraag op of de CDA-leiding een wijs besluit heeft genomen.

Volgens die peiling komt Balkenende’s grote rivaal Wouter Bos als de grote winnaar naar voren (+4). Het CDA moet opnieuw een zetel inleveren. Er zijn meer kiezers die het CDA de schuld van de val van het kabinet in de schoenen schuiven dan dat er kiezers zijn die de zwarte piet bij de PvdA leggen (34 om 33 procent). Bovendien is slechts een op de drie CDA-kiezers tevreden als Balkenende opnieuw de lijst gaat aanvoeren. De jonge Camile Eurlings wordt steeds populairder. Nog slechter is de score voor Balkenende als premier. Een overgrote meerderheid (79 procent) van de bevolking wil Balkende niet terug als premier, slechts 16 procent wil dat wel.

Op grond van deze gegevens kunnen er volgens mij de komende maanden, tot aan de verkiezingen op 9 juni, twee dingen gebeuren. Er kan een sfeer ontstaan (of beter: die is er blijkbaar al) waarin de kiezer denkt: alles beter dan Balkenende. Dat zal tot een grote verkiezingsnederlaag voor het CDA leiden, en mogelijk tot een nieuw kabinet onder leiding van Wouter Bos (en die gaat dan een 'progressief', 'paars' kabinet in elkaar sleutelen).

Wat ook kan gebeuren – en het lijkt mij het waarschijnlijkst en in ieder geval hoop ik er op – is dat de campagne zo hard en onbehaaglijk zal zijn, en de uitslag op zo’n regelrechte ramp voor het land zal uitlopen, dat de kiezer toch weer massaal de toevlucht zal nemen tot het CDA van Balkenende.

Ik heb mij de afgelopen jaren met enige regelmaat kritisch over dat CDA uitgelaten. Het CDA ontpopt zich naar mijn mening al te vaak als niet meer dan een machtsmachine. De inhoudelijke boodschap, het verhaal, was in de woestijn onder paars fraai opgetuigd, maar in de afgelopen acht jaar is dat verhaal alleen maar verschraald geraakt tot een klein glas doodgeslagen bier. Als het CDA wil winnen zal het dat verhaal weer moeten laten bruisen. Het is nu niet meer zo goed voorstelbaar, maar Balkenende heeft de verkiezingen van 2002 met een lezingentournee gevoerd.

Aan de andere kant staat dat Balkenende dit landje toch door een landschap van uiterste politieke instabiliteit heeft geloodst. Acht jaar lang nu al weer. Zijn voorganger Kok had het veel gemakkelijker: er was geld in overvloed en alle meningsverschillen waren afkoopbaar. Dan is het niet zo moeilijk om goede sier te maken. Balkenende trad aan met de LPF van Fortuyn, kreeg te maken met een politieke moord, met de opkomst van sterk groeiende bewegingen op de vleugels van het politieke spectrum, kon in 2006 weinig anders dan in zee gaan met de PvdA, en werd achtervolgd door zeven grote plagen: naast Uruzgan waren dat de discussies over de JSF, Irak, het crisispakket, de AOW, embryoselectie ende grote financiële crisis.

En hij staat er nog. Niets veranderd ten opzichte van 2002. Er moet iets zijn wat wij maar niet kunnen of willen zien. Het kan gereformeerde ambitie zijn, maar dan is die ons land toch maar ten goede gekomen – op een manier weliswaar waarvan ik in principe niet onder de indruk kon komen (vanwege de ontstentenis van dat verhaal), maar waarvan ik denk en erken dat er toch een enorme kracht in schuil gaat.

Het zou best kunnen dat de kiezers dat tussen nu en 9 juni ook gaan vermoeden.

16.2.10

Libertijns

In een van de belangrijkste documenten uit de Nederlandse geschiedenis, het Plakkaat van Verlatinge uit 1581, staat een opmerkelijke zin. In dit staatsstuk, waarin de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden zich onafhankelijk verklaarden door de Spaanse koning Filips II te verlaten, zeggen de Nederlandse Staten dat zij oude rechten en vrijheden willen handhaven ‘en het leven en de eer van onze vrouwen, kinderen en nakomelingen’ beschermen ‘opdat zij niet in slavernij onder de Spanjaarden zouden vervallen’.

Ze hadden natuurlijk ook kunnen denken: het zal onze tijd wel duren. En het had hun tijd ook wel geduurd, hun tijd als oude mannen in een eeuw waarin de levensverwachting veel minder hoog was dan in de onze. Maar dat dachten ze niet. Het ging hun om de bescherming van iets wat oud was (rechten en privileges) en iets wat zou komen (het leven en de eer van kinderen en nakomelingen). We hebben hier te maken met mannen die ergens vandaan kwamen en ergens naar toe gingen. Ze begrepen dat het leven een contract is tussen de doden, de levenden en de nog niet geborenen. Ze begrepen dus dat je als burger de verantwoordelijkheid hebt om dat wat je ontvangen hebt beter dan het was door te geven aan een volgende generatie.
Nederland is de afgelopen decennia gedomineerd geweest door een generatie – grofweg de generatie van de babyboomers en hun voorlopers (de Stille Generatie) – die nergens vandaan kwam en ook nergens naar toe ging. Ze hebben in het heden geleefd, het eeuwige heden van maximale behoeftebevrediging, hebben dus goed voor zichzelf gezorgd en hun kinderen onterfd, zowel financieel als cultureel.

Het zijn mensen die nooit iets hebben meegemaakt. Ze groeiden op ná de oorlog, in de weelde van de jaren zestig en zeventig, hebben zichzelf van riante voorzieningen voorzien en zichzelf altijd buiten schot weten te houden. De aanstaande hervormingen van de verzorgingsstaat (waaronder de verhoging van de AOW-leeftijd) zullen hen niet meer treffen. Ze hebben de god van de vrijheid vereerd, en niet voorkomen dat die vrijheid ontaardde in onverantwoordelijkheid en vrijpostigheid.

Zo hebben zij hun kinderen en nakomelingen in een staat van slavernij gebracht. Hun kinderen en kleinkinderen moeten nu de financiële schade herstellen die zij hebben aangericht, en zijn nu op zoek naar de orde die zij massaal hebben afgeschaft (zoals de filosoof Peter Sloterdijk ooit in een interview met NRC vaststelde). Het zou hun tijd wel duren, hebben de babyboomers gedacht.

Nu gaan ze massaal met pensioen, worden ze een jaar of zeventig oud, en nu worden ze bang voor dat laatste ongemak: ziekten, aftakeling en de dood. En daarom hebben Hedy d’Ancona, Frits Bolkestein, Jan Terlouw, Mies Bouwman en Paul van Vliet als aansprekende representanten van deze avantgardistische generatie van verwende doorbrengers, voorlopers van de eigenlijke babyboomers, een pleidooi de wereld ingestuurd om alle 70-plussers het mensenrecht toe te kennen om zelf te bepalen wanneer hun leven ten einde is en er dan ook een einde aan te maken.

Zo horen we nog één keer van ze, om in het aangezicht van een grijnzende dood nog één keer de teugels van het leven in eigen hand te nemen. De libertaire paarse geest dient zich opnieuw aan, en heeft nog steeds niets geleerd van de grootste anti-babyboomer, de babyboomer Pim Fortuyn, die duidelijk heeft gemaakt dat vergaande individualisering en het verheffen van een persoonlijke ethiek tot publieke norm tot een verweesde samenleving leidt.

Toch goed dat er een vagevuur is.

2.2.10

Studentenacties

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over de studenten die protesteren tegen mogelijke bezuinigingen op Onderwijs. Hun basisbeurs wordt wellicht omgezet in een leenstelsel. Lijkt me een goed plan.


Studenten demonstreren, in Nijmegen, Amsterdam en Utrecht, tegen de voorgenomen bezuinigingen op het hoger onderwijs. Ze hebben er gebouwen en zalen bezet om uiting te geven aan hun protest.

Aanleiding is het plan van minister Plasterk van Onderwijs om de basisbeurs om te zetten in een sociaal leenstelsel. Is hun protest terecht?

Plasterks plan is onderdeel van de discussie die het kabinet de komende maanden in een wurggreep zal houden: de noodzaak om maar liefst 20 procent op de rijksbegroting te moeten bezuinigen om de gevolgen van de kredietcrisis op te vangen. Het gaat om het astronomische bedrag van (minimaal) 35 miljard euro. En het is duidelijk dat de discussie over de te maken keuzes een uiterste beroep op de spankracht van dit kabinet zal doen. Terwijl de PvdA ertoe neigt de hoogte van het bedrag een beetje af te zwakken, wil Balkenende het liefst veel meer bezuinigen dan die 35 miljard (zo zei hij in een interview in het kerstnummer van Elsevier.) Hij wil ook, zo zei hij in hetzelfde interview, de verzorgingsstaat hervormen, bijvoorbeeld door de duur van de WW-uitkering te beperken – een maatregel die de ChristenUnie niet snel zal meemaken. Van een verhoging van de inkomstenbelasting wil Balkenende daarentegen niets weten, en dat terwijl de PvdA openlijk speculeert over de mogelijkheid om het toptarief naar 60 procent te verhogen.

Deze discussie beperkt zich niet alleen tot de Haagse coalitie, maar vindt nu al zijn neerslag, om begrijpelijke redenen, in alle lagen van de bevolking. ‘Gewone mensen’ willen weten wat de bezuinigingen heel concreet voor hen gaan betekenen, temeer omdat de geruchten toenemen die zeggen dat we nog maar de eerste golf van de crisis over ons heen hebben gehad en dat er nog veel meer slecht nieuws op komst is. De Nederlandse gemeenten gaan een bijzondere periode tegemoet. De effecten van de economische recessie zullen hun weerslag vinden in de gemeentelijke begrotingen. De verminderde inkomsten vanuit het Rijk vragen om keuzes die de nieuwe colleges na de verkiezingen in maart 2010 moeten gaan maken. Een speciale lustrumeditie van het Gemeente Debat op 28 april a.s. gaat over deze problematiek.

Zoals ‘gewone mensen’ en gemeenten zich afvragen wat de consequenties van de voorgenomen bezuinigingen voor hun portemonnee en begroting zullen zijn, zo doen studenten dat ook. Minister Plasterk heeft al laten weten dat hij hun rumoer positief begroet.

Elk ministerie moet de komende maanden duidelijk maken waar het 20 procent op zijn uitgaven wil korten. Er is geen enkele reden om het Onderwijs daarvan (bij voorbaat) af te sluiten. En als er dan moet worden bezuinigd is het goed om dat niet te doen op het onderwijs al zodanig (dat is vaak al slecht en massaal genoeg), maar op de geldvretende studiefinanciering. Het is om meerdere redenen helemaal geen slecht idee om studenten geen geld te schenken (in het huidige systeem van de prestatiebeurs wordt de basisbeurs omgezet in een gift wanneer de student binnen tien [!] jaar afstudeert). Een studie is een investering in hun eigen toekomst. Het argument dat het niet goed is om jonge mensen met een schuld aan hun maatschappelijke loopbaan te laten beginnen wordt meer dan gecompenseerd door alles wat ze als kwalificaties hebben meegekregen als gevolg van hun studie.

Bovendien verdienen jonge mensen die hun studie hebben afgerond gemiddeld 32 procent meer dan een jongere zonder hogere opleiding. Een studieschuld van 12.000 euro (de basisbeurs bedraagt 250 euro per maand, dus 3000 euro per jaar, dus 12.000 euro in vier jaar), stelt dit percentage met 1 procent naar beneden bij tot 31 procent. Besef van het voorrecht dat je als student geniet, gecombineerd met de voordelen die je er achteraf van geniet, zou eigenlijk een felle blos op de wangen van de protesterende studenten moeten doen verschijnen.

18.1.10

Wilders-proces: de geest uit de fles

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over het proces tegen Geert Wilders dat morgen begint.

Met een regiezitting opent de rechtbank in Amsterdam woensdag het proces tegen Geert Wilders. Het verhaal van Wilders polariseert en verscheurt de samenleving, en levert daarmee dus alles behalve een verheffende bijdrage aan het debat in Nederland, maar bestrijding van dat PVV-verhaal is een politieke opdracht en geen juridische. Het proces tegen Wilders is onterecht, contraproductief en ontzettend dom. Het is misschien nu al bestuurlijk en juridisch de grootste blunder van het jaar.

Het Openbaar Ministerie begreep dit anderhalf jaar geleden nog, en seponeerde de aangebrachte zaak tegen Wilders omdat zijn ‘kwetsende’ uitlatingen in een politieke context waren (en worden) gedaan. Het Amsterdamse Gerechtshof stelde echter op grond van artikel 137 van het Wetboek van Strafrecht vast dat vervolging van Wilders wel degelijk geboden is omdat zijn uitlatingen discriminerend van aard zouden zijn, een hele groep zouden beledigen en ‘haatzaaiend’ zouden zijn. (De Leidse jurist Hans Nieuwenhuis heeft overigens opgemerkt dat ‘haat zaaien’ geen juridische categorie is; de wet spreekt van ‘aanzetten tot haat’, wat iets anders is.)

Ik vind het proces tegen Wilders een onzalige gedachte omdat de verontwaardiging waaruit het voortkomt zo selectief is. Op de wijze waarop Wilders nu moslims onder vuur neemt, zijn christenen hier in Nederland decennia zo niet eeuwen lang onder vuur genomen. Als we vinden dat moslims meer bescherming nodig hebben dan andere religieuze groepen, waarom staat dat dan niet in een wet? Waarom bepalen de lange tenen van de beledigde wat we in Nederland onder beledigend verstaan? Of is hier eenvoudig weg sprake van angst, een angst die we voor andere geloven niet hoeven te hebben omdat die niet zo assertief en potentieel gewelddadig zijn?

Het selectieve zit ‘m ook hierin dat Wilders’ vergelijkingen van de islam met fascisme en van de Koran met Hitlers Mein Kampf op snerende verontwaardiging stuiten, terwijl het iedereen in Nederland vrij staat om Wilders en (vooral) zijn PVV-aanhang uit te maken voor fascist, rechts-extremist, racist en NSB’er.

Het proces toont bovenal de armoede van de Nederlandse politiek aan. Wilders voert een oorlog met de islam. Hij gelooft niet dat er een vorm van islam bestaat die inpasbaar is in de moderne, democratische samenleving die Nederland is. Wat dan rest is wegpesten. En dan wordt de zogenaamde ‘joods-christelijke traditie’ er met de haren bijgesleept als excuus voor dat wegpesten.

Dat verhaal verdient bestrijding, maar dan wel door politici en intellectuelen met een alternatief verhaal. (Een hoopvol begin maken CDA-politici Schinkelshoek en Sterk vandaag in het Nederlands Dagblad.) De juridisering van een politiek conflict, al dan niet onder politieke aansturing (wat Wilders’ advocaat Bram Moskowicz zaterdag in de Telegraaf suggereerde), staat gelijk aan het uitwijken naar de middelen van de inquisitie. Wilders is het voorwerp van een ostracisme, een schervengericht, waar de falende politiek alle belang bij heeft.

Kom, politici, met een alternatief inhoudelijk verhaal, in plaats van met hautaine terechtwijzingen en beschuldigingen!

Het proces tegen Wilders is bovenal loeistom. Wilders zal er in alle gevallen electoraal garen bij spinnen. Hij kan tot twee jaar cel en een boete van 18.500 euro worden veroordeeld. Als dat gebeurt zal hij als een martelaar van het vrije woord met een zeteltje of vijf in de peilingen stijgen. Als hij wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke straf, zal hij het gerechtsgebouw verlaten en de uitspraak doen die de voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke zal moeten omzetten. Als hij wordt vrijgesproken, loopt hij als een held naar buiten, en ook dat door de kiezer worden beloond.

Wilders en zijn advocaat hebben bovendien aangekondigd dat zij een serie getuigen zullen oproepen, van radicale imams tot deskundigen en ex-moslims, om het gelijk van Wilders’ oordeel over de islam te bewijzen. Dat worden nog gezellige verhoren. De geest komt onwelriekend uit de fles, en het zal zo goed als onmogelijk blijken die geest weer in de fles terug te krijgen. En het hof zal die getuigenverhoren moeten toestaan om in ieder geval de schijn van een politiek proces te vermijden.

Als Wilders veroordeeld wordt, zal hij, maak ik me sterk, variëren op een uitspraak van Pim Fortuyn. Die zei dat ze hem dood konden schieten, maar dat het probleem dat hij aankaartte zou blijven bestaan. Wilders zal zeggen dat ze hem kunnen veroordelen en op die manier monddood zullen proberen te maken, maar dat het onbehagen voort blijft smeulen. En dan heeft hij nog gelijk ook.

12.1.10

Balkenende in problemen na explosief Irak-rapport



De heer Willibrord Davids, voorzitter van de commissie die onderzoek heeft gedaan naar de vraag hoe en waarom Nederland in 2002 en 2003 steun aan de oorlog in Irak heeft gegeven, heeft vanmorgen in Den Haag zijn rapport gepresenteerd. De conclusies van het rapport zijn scherp.

Zoals bekend besloot Nederland (anders dan Europese bondgenoten als Frankrijk en Duitsland) in het voorjaar van 2003 dat het de Amerikaanse inval in Irak zou steunen, niet militair maar wel politiek. De reden daarvan was dat de Nederlandse regering op dat moment demissionair was, CDA-leider Balkenende voerde (later mislukte) coalitieonderhandelingen met PvdA-leider Wouter Bos, en terwijl Balkenende de oorlog in Irak wilde steunen, wilde Bos dat niet. Vandaar dat compromis: wel politieke steun, geen militaire steun.

Nu blijkt dat de Amerikanen Nederland al in november 2002 een verzoek hebben gedaan om mee te helpen om de inval militair voor te bereiden. De Tweede Kamer is daarover ‘onvolledig geïnformeerd’, aldus de commissie-Davids. Of de verstrekking van die informatie ‘té onvolledig’ is geweest, moet nu door de Tweede Kamer worden beoordeeld. Van werkelijke militaire betrokkenheid van Nederland tijdens de beginfase van de oorlog is de commissie overigens niets gebleken.

Nog saillanter, en mogelijk zelfs explosiever, is de conclusie van de commissie dat een ‘adequaat’ volkenrechtelijk mandaat voor de militaire inval heeft ontbroken. Inderdaad, Sadam Hussein lapte alle resoluties van de Verenigde Naties aan zijn laars (ook de cruciale resolutie-1441 over het toelaten van wapeninspecteurs), maar dat op zich was geen voldoende rechtvaardiging voor de inval en de oorlog.
Erger nog, denk ik, is de conclusie dat het uiteindelijk politieke argumenten zijn geweest die de regering hebben doen besluiten om de inval in Irak te steunen. Het aan de kant schuiven van het regime van Sadam Hussein was een dominant motief, na de verschrikkelijke gebeurtenissen van 11 september 2001. Hussein had massavernietigingswapens en dus moest er een einde komen aan dit gevaar in het Midden-Oosten.

Die politiek doelstellingen waren zo belangrijk dat niemand goed heeft nagedacht over het voltooien van de missie. Die missie is een echec geworden, zei Davids, en zó mislukt dat Irak ook nu nog de onveiligste plek op aarde is.

En nu blijkt ook dat de informatie van de eigen, Nederlandse inlichtingendiensten ‘genuanceerd’ is geweest. ‘Genuanceerd’ betekent in dit geval: ‘gebrekkig’, gebrekkiger, terughoudender, onvollediger, minder alarmistisch dan de informatie van de buitenlandse (Amerikaanse en Engelse )inlichtingendiensten, die het voorstelden alsof Hussein in staat was met zijn wapens grote schade in het Midden-Oosten aan te richten, of zelfs binnen 45 minuten lange-afstandsraketten af te vuren. 'Alleen die informatie van de inlichtingendiensten die paste in het reeds ingenomen politieke standpunt, werd overgenomen en met de Tweede Kamer gedeeld.'

Het was dus allemaal niet waar. Ik heb het destijds allemaal geloofd, toen ik Blair hoorde spreken in het Engelse Lagerhuis en Powell in een vergadering van de Verenigde Naties.

We zijn, om redenen die nu nog niet geheel helder zijn, de oorlog in Irak ingerommeld, ingejokt. (Het was overigens niet om de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, Jaap de Hoop Scheffer, aan zijn hoge functie bij de NAVO te helpen, zo heeft Davids vastgesteld.)

Davids gaat volgende week naar de Tweede Kamer om daar verder te praten met de commissie Buitenlandse Zaken. Daarna komt er ongetwijfeld een uitgebreid parlementair debat, en volgt er, denk ik, de instelling van een parlementaire enquête.

Davids benadrukte vanmorgen dat zijn commissie geen politiek oordeel velt, al velde hij wel een scherp oordeel over de politiek. Dat politieke oordeel is aan de Tweede Kamer, en het kan niet anders of dat oordeel zal hard zijn. Voor Balkenende en het CDA is dit rapport alles behalve een vrolijke opstap naar de gemeenteraadsverkiezingen van maart a.s.

Davids stuurde zijn mede-commissieleden in mei 2009 vanuit Venetië (waar hij met vakantie was) een ansichtkaart met de afbeelding van een schilderij van Titiaan. Op dat schilderij is afgebeeld hoe David de reus Goliath doodt (zie hierboven). Davids voelt zichzelf achteraf, zo zei hij, als David. Wie die Goliath was wilde hij niet zeggen.

5.1.10

Onderwijs

Ik heb het, geloof ik, hier nog nooit onthuld, maar ik werk twee dagen per week op een school voor voortgezet onderwijs in Rotterdam. Ik ben dat gaan doen nadat ik in het voorjaar van 2009 was uitgenodigd om voor een VWO-5 klas een lezing te geven over burgerschap. Dat was toen erg leuk, veel leuker dan het onderzoeksbaantje dat ik had, en toen er kort daarop een vacature kwam op mijn eigen oude school voor een leraar geschiedenis en maatschappijleer heb ik gesolliciteerd en ben ik nog aangenomen ook.

Ik geef les sinds het begin van dit schooljaar, en dat is me tot nog toe uitstekend bevallen. Maar nu ik zelf in de wereld van het onderwijs ben beland, maak ik me nog meer zorgen over het onderwijs dan ik voorheen al deed.

Er is heel lang veel te doen geweest over het onderwijs. Dat heeft destijds geresulteerd in de instelling van een parlementaire onderzoekscommissie, geleid door de PvdA’er Jeroen Dijsselbloem, die nu al weer bijna twee jaar geleden een vernietigend rapport over de onderwijsvernieuwingen publiceerde. Het ‘nieuwe leren’ was eigenlijk helemaal niet zo’n goed idee, en is op een onverantwoorde manier ingevoerd. Ik heb zo maar het idee dat er sindsdien eigenlijk heel weinig is veranderd. Het systeem heeft zich weer gesloten, hoorde ik Ad Verbrugge (een van de initiatiefnemers van de vereniging Beter Onderwijs Nederland) onlangs zeggen. Het belangrijkste nieuws werd een verhoging van de lerarensalarissen met 3 procent – waarvan de scholen de helft overigens zelf moesten betalen.

De problemen in het onderwijs zijn en blijven ontstellend groot. De Volkskrant heeft onlangs een ‘panel van wijzen’ aangesteld die een onderwijsagenda met zes hoofdthema’s hebben opgesteld. Er is op de scholen teveel organisatorische rompslomp. Ouders en scholen staan te ver van elkaar af. De arbeidsvoorwaarden voor docenten zijn niet om over naar huis te schrijven. Er is te weinig maatwerk in het onderwijs, zodat er in de lessen geen recht kan worden gedaan aan de diversiteit van de leerlingen. De talenten van de leerlingen worden onvoldoende ontwikkeld. Docenten moeten meer kennis verwerven, meer kunde en meer vaardigheden.
Het is nogal wat. En dan zijn ze het belangrijkste nog vergeten: de inhoud, het curriculum van het onderwijs. Als we weer willen begrijpen dat onderwijs meer is dan het aanleren van vaardigheden, meer dan een opleiding waarmee je later iets nuttigs kunt gaan doen, als we weer willen begrijpen dat onderwijs er in eerste instantie is om mensen iets te leren en ze daarmee te vormen, dan moeten we het daar toch over hebben.
Als leraartje moet je ondertussen maar afwachten wat alle discussies over vernieuwingen en herzieningen gaan opleveren. Je leeft bij het adagium van Winston Churchill, die zijn politieke filosofie eens samenvatte met de letters K.M.T: Keep Muddling Through. Je moddert gewoon door omdat onderwijs er niet is voor leraren, ministers of Kamerleden, maar voor leerlingen. In het misschien wel beste boekje dat ooit over het onderwijs is geschreven, door Augustinus (354 – 430), staat al dat je onderwijs alleen met plezier en voldoening kunt blijven geven wanneer je van je vak houdt en van je leerlingen. Om hen gaat het immers. De belangrijkste eigenschap waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar 'krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde'. Alleen dat verdrijft uiteindelijk 'de duistenis van afkeer en verveling' die het onderwijs meer dan wat ook bedreigt.

21.12.09

Balkenende V

Dit zijn de stiefdagen van het jaar. In de week voor Kerst begint voor veel mensen de laatste vakantie van het jaar. Deze lome dagen, tot het begin van de eerste week van januari, horen eigenlijk nergens bij: het oude jaar is voorbij, en het nieuwe jaar is nog niet begonnen. In deze open plek in de tijd kijk je terug en vooruit. En als je vooruit kijkt, slaat de schrik je om het hart. Want 2010 wordt ongetwijfeld een politiek zeer bewogen jaar.

Wanneer 2010 begonnen is, zullen de campagnes voor de gemeenteraadsverkiezingen op 3 maart op gang komen. Die campagnes zullen worden overschaduwd door twee gebeurtenissen. De commissie-Davids, die onderzoek doet naar de politieke besluitvorming rond onze steun aan de oorlog in Irak, presenteert op 12 januari haar bevindingen. Zijn er zaken geheim gehouden en verzwegen? Als het antwoord positief uitvalt, kan dat vergaande politieke gevolgen hebben.

Het proces tegen Geert Wilders, dat op 20 januari begint, is de tweede gebeurtenis. De gevolgen van dat proces zijn nogal onvoorspelbaar: het kan Wilders de status van een martelaar en held van het vrije woord bezorgen, het kan er ook voor zorgen dat de PVV verder leegloopt. En wanneer de discussies over deze kwesties hoog oplopen, en alle partijen druk bezig zijn om zich politiek scherp te profileren vanwege de gemeenteraadsverkiezingen, beginnen ook de besprekingen die moeten resulteren in voorstellen om 20 procent (€ 35 miljard) op de Rijksbegroting te bezuinigen. Het is zo goed als ondenkbaar dat er in een tijd van profileringsdrang eensluidende adviezen naar buiten zullen komen.

Volkskrant-columniste Nausicaa Marbe, die het woord ‘stiefdagen’ heeft gemunt, noemde deze dagen een tijd van ‘verveling en afwachten’, en vooral van ‘doordrinken’. Ze schreef dat in de Trouw van 29 december 2001, maar acht jaar later en met de vooruitzichten voor het politieke jaar 2010 zijn haar sombere woorden meer dan ooit van toepassing.

Maar er gloort hoop. Premier Balkenende heeft een groot interview gegeven in het kerstnummer van het weekblad Elsevier, en zijn uitspraken stemmen zeer vrolijk.

Frank en vrij distantieert Balkenende zich van zijn huidige coalitiepartners. Open en eerlijk wees hij links af en koos hij voor rechts. Ik zou bijna zeggen, hoopvol en zonder ironie: zo kennen we de echte Balkenende weer!

Balkenende kondigt namelijk aan dat hij in een volgende kabinetsperiode verder wil gaan met zijn politiek van saneringen en hervormingen van de verzorgingsstaat. Tegelijkertijd betoont hij zich een categorisch tegenstander van belastingverhogingen. En hij wil grootscheeps op de staatsuitgaven bezuinigen. ‘We zullen de komende jaren misschien wel 50 miljard euro moeten bezuinigen om de overheidstekorten terug te dringen. Op langere termijn moeten we nóg meer besparen om overschotten te creëren en de staatsschuld af te betalen. Ik zet een rem op lastenverhogingen, want die vertragen de economie en zijn dus contraproductief. We moeten het zoeken in lagere staatsuitgaven.’

Balkenende laat er dus geen enkele twijfel over bestaan dat hij terug is bij de realistische hervormingsagenda van zijn eerste, centrumrechtse kabinetten. ‘Elke denkbare coalitie moet deze richting inslaan’, voegt hij daaraan toe.

Tijdens deze stiefdagen werd ik ineens toch een beetje vrolijk bij het vooruitzicht van het einde (het spoedige einde?) van deze onmachtige en amechtig voortschuifelende centrumlinkse coalitie, en het perspectief op een kabinet rondom CDA en VVD, met een realistische koers inzake de financieel-economische koers van het land. Het zou je bijna optimistisch stemmen over onze politieke toekomst in 2010. Als we op deze stiefdagen al doordrinken, dan maakt de beneveling van de whisky plaats voor sprankelende champagne.

8.12.09

Ontslagen bij Trouw en de Volkskrant

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over het nieuws over de Persgroep, die tientallen redacteuren gaat ontslaan bij de landelijke ochtendbladen Trouw en de Volkskrant:


Iedere morgen ploffen er vier ochtendkranten op mijn deurmat: de Volkskrant, Trouw, de Telegraaf en het Nederlands Dagblad. Als ik ze uit heb, hoor ik de brievenbus opnieuw klepperen, en vallen de avondbladen op de mat.

Ik ben dol op kranten. Ik houd van de geur, van het knisperende papier, en ik kijk graag hoe ze hun nieuws selecteren en het brengen.

De gestage teloorgang van de kranten zie ik dan ook met lede ogen aan. Door de opkomst van het web en de gratis informatie via websites, door de opkomst van blogs en bloggers, hebben kranten voor veel mensen veel van hun relevantie verloren. Het aantal advertenties, naast de abonnementsgelden de belangrijkste bron van inkomsten, liep gestaag terug, een ontwikkeling die door de kreditecrisis alleen nog maar in een stroomversnelling is geraakt.

Trouw en de Volkskrant werden dit jaar overgenomen door de Persgroep, de uitgeverij van de Belg Christian van Thillo. Men zegt dat hij een man is met een hart voor kranten, en ik heb geen argumenten die het tegendeel bewijzen. Maar om zijn kranten in leven te houden, moet hij flink saneren. In de personeelsbestanden van de Volkskrant en Trouw, zo is gisteren bekend geworden, wordt flink gesneden: twintig procent van de medewerkers wordt op korte termijn (vóór 1 april 2010) ontslagen. Er verdwijnen niet alleen banen bij de afdelingen marketing en ict, maar ook bij de redacties. In totaal moeten bij de Volkskrant en Trouw vijftig journalisten ander werk gaan zoeken.

Dat is diep triest. Zulke aantallen hakken er in. Ik vraag me af of kranten nog wel volwaardige, journalistiek verantwoorde producten kunnen blijven leveren. Soms merk je nu al, denk ik soms, dat lang niet meer alle artikelen op de nieuwspagina’s door journalisten worden geschreven, maar door stagiaires aan de hand van de berichten van persbureaus in elkaar worden gefrommeld, en dat er daarna ook geen geld meer blijkt te zijn voor een volwaardig bezette eindredactie. Met als gevolg dat er soms gekke dingen doorheen glippen.

Democratie kan alleen bestaan bij een vakkundige pers. Democratie veronderstelt immers de aanwezigheid van burgers die adequaat geïnformeerd zijn, zich op grond van die informatie een duidelijk oordeel over een vraagstuk hebben kunnen vormen en vervolgens een weloverwogen stem kunnen uitbrengen.

De pers moet niet alleen van hoge kwaliteit zijn, maar ook divers. Burgers kunnen een zaak immers niet van alle kanten bekijken wanneer de belichting steeds vanuit dezelfde hoek op elk onderwerp valt. Wat dat betreft hebben we in Nederland nog een lange weg te gaan.

Er ploffen dagelijks vele kranten op mijn deurmat, maar echt onderling verschillen doen ze niet. Uiteindelijk zijn ze allemaal zo’n beetje links van het midden, zoals zo heel veel andere dingen in Nederland. Een fatsoenlijk rechts-conservatief medium hebben we niet. Misschien dat het komt met Wakker Nederland van Fons van Westerloo.
Die eenzijdigheid in de vaderlandse pers relativeert het nieuws van vandaag weer een beetje: er wordt gensneden in meer van hetzelfde. Wat blijft is en blijft in veel opzichten onderling inwisselbaar.

30.11.09

Amanda, minaretten, en een nieuw verbond

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur:


Heeft u wel eens van Amanda Kluveld gehoord? Zij is historica, werkt aan de universiteit van Maastricht, doet vrijdags mee aan een radioprogramma (OBA-live) en schrijft iedere week een opiniestukje op de website van de Volkskrant. Altijd leesbaar en niet zelden behartigenswaardig.

Deze week heeft zij zichzelf overtroffen met een artikel getiteld: ‘Christendom, zo gek nog niet’. Dat doet denken aan de Nederlandse vertaling van een recent boek van de Amerikaanse schrijver Dinesh D’Souza: Het christendom is zo gek nog niet (uitgeverij Nieuw-Amsterdam). Maar terwijl D’Souza niet alleen de gelovigen maar ook de sceptici sceptisch tegemoet treedt en duidelijk maakt dat het christendom niet door de wetenschap voor joker is gezet, heeft Amanda Kluveld het vooral over de culturele relevantie van het christendom.

Die relevantie is volgens haar erg groot. Ze vindt zelfs dat we het christendom een aparte, bevoorrechte positie moeten geven ‘die recht doet aan het belang van het christendom voor onze cultuur’. In een zelfbewust christendom ziet Kluveld, die haar eigen positie vermoedelijk als ‘agnostisch cultuurchristelijk’ zal definiëren, een bondgenoot tegen ‘de toenemende invloed van de islam op het denken van onze bestuurders en in het straatbeeld’. Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar ik denk dat ook Amanda Kluveld, net als ik, voor een minarettenverbod zou hebben gestemd.

Natuurlijk heeft ze geen goed woord over voor christenen die in deze tijden van scherpe debatten, tegen de islam aanschurken: mensen als bisschop Muskens en CU-senator Schuurman die een pact met de islam willen sluiten en in dat kader bereid zijn alle verschillen tussen islam en christendom te verdoezelen.

Amanda Kluveld wil die verschillen juist veel duidelijker benadrukken. Ze verzet zich – en u merkt wellicht al, lezer, dat ik steeds enthousiaster haar betoog weergeef – tegen de neiging om alle geloven op één hoop te gooien. Als er kritiek op de islam wordt geuit, zeggen de relativisten dat wij zelf ook orthodox volk in ons midden hebben (gehad) – alsof het probleem met bepaalde aspecten van de islam en met het islamitisch onderwijs met die dooddoener als bij toverslag zou zijn verdwenen!

Het betoog van Amanda Kluveld is vooral een poging, als ik haar goed begrijp, om ‘ongelovige Nederlanders’ te doen inzien dat zij schatplichtig zijn aan het christendom en dus hun ruzietjes en spotternijen met het christelijk geloof eens moeten opgeven. Als christenen dan eens ophouden om voor een verbond met de islam te kiezen en zich achter de democratische rechtsstaat opstellen, kan er nog iets moois voortkomen uit een nieuw verbond dat een breuk met de Nederlandse geschiedenis zou betekenen maar in deze tijden nodiger is dan ooit.

Agnostici als Amanda Kluveld die strijdbaar willen zijn voor het behoud van een vrij land. Christenen als Bas van der Vlies, die de film Fitna een ‘prikkelende inzet tot het debat’ noemde en daarover gekapitteld werd door Wouter Bos. Die vroeg hem wat hij van een film had gevonden die op dezelfde manier over het christendom en de bijbel zou zijn gegaan? Waarop van der Vlies antwoordde dat hij met die vraag niets kon beginnen. ‘Om de eenvoudige reden dat zo’n film niet te maken is’.

Bij zo’n verbond sluit ik me graag aan.

19.10.09

Dirk en Geert

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over het faillisement van Dirk Scheringa's DSB Bank en de vermoedelijke politiek-electorale gevolgen daarvan:

De ochtendkranten melden dat Wouter Bos (minister van Financiën, PvdA) geweigerd heeft om Dirk Scheringa en zijn DSB Bank de helpende hand te reiken. Nadat het Amerikaanse Lone Star Funds dit weekeinde definitief afzag van een overname van de bank, smeekte Dirk om 100 miljoen euro belastinggeld om een doorstart van zijn bank mogelijk te maken. Bos weigerde dat geld te verstrekken. Eerder hield hij andere banken met tientallen miljarden overeind. Deze 100 miljoen konden er niet meer vanaf. Hulp zou ‘zinloos’ zijn, zo heeft Bos’ ministerie laten weten.

Ik kan niet goed beoordelen of dat waar is. Ik vraag me wel af wat de politieke (electorale) gevolgen van dit alles zullen zijn.

Het beeld van het afgelopen weekeinde is toch dat een gewone jongen uit het volk, een buitenstaander die het nochtans heeft gemaakt, dag en nacht gezwoegd heeft om zijn bedrijf overeind te houden en voor zijn klanten te redden wat er te redden viel. Het kan niet anders of dat heeft overal veel respect afgedwongen. Hoe groot is dan het respect voor een minister die in de finale fase, al dan niet terecht, de hulp geweigerd heeft die Dirk had kunnen redden?

We hebben in Nederland nog zo’n volksjongen die het als buitenstaander toch heeft gemaakt, en die dit weekeinde ook hard heeft gewerkt. Geert Wilders liep afgelopen zaterdag met zijn gevolg in de Rotterdamse binnenstad te folderen tegen het ‘asociale kabinetsbesluit’ om de AOW-leeftijd naar 67 jaar te verhogen.

Wilders breekt in bij de PvdA. Alle mensen in de oude wijken van de grote en middelgrote steden die op hem stemmen, stemden vroeger op de PvdA. De vrouw die hem zaterdag omhelsde, zoende en in plat Rotterdams zei: ‘Schat, ik hou van je’, ziet in Wilders de man die haar problemen begrijpt. De problemen met immigratie en integratie, de overname van oude wijken door allochtonen, de vervreemding en het onbehagen die hiervan het gevolg waren, heeft de PvdA laten lopen.

In sociaal-economisch opzicht wordt Wilders roder en roder. Hij wil de voorzieningen van de welvaartsstaat handhaven. Hij is (inmiddels) voor handhaving van het minimumloon, voor handhaving van het ontslagrecht, en voor het niet verlagen van uitkeringen. De immigratie heeft bovendien tot een groter beroep op de uitkeringen geleid, en daarmee tot een verslechtering in hoogte en duur van die uitkeringen. Ook om die reden lopen PvdA’ers nu naar Wilders over. In de peilingen is de PVV inmiddels twee keer zo groot als de PvdA.

Het politieke genie achter Wilders, zijn fractiegenoot en tekstschrijver Martin Bosma, zei zaterdag dat hij blij was dat Bos heeft gezegd dat hij het AOW-besluit strijdvaardig gaat verdedigen. ‘Zo graaft de PvdA haar eigen graf. Ik wens Bos veel succes’.

Ook met het weigeren van steun aan DSB is Bos misschien wel zijn eigen politieke grafdelver geworden. De mensen die van de val van Dirk de financiële consequenties gaan voelen, op wie gaan die stemmen? Ik denk op de PVV. Ik denk niet dat deze partij iets voor deze financieel gedupeerden kan doen, maar ik denk dat de meesten van hen dat in hun woede wel denken.

12.10.09

De sokken van Dirk Scheringa

Op de website van Binnenlands Bestuur is vandaag mijn nieuw column verschenen: over de val van Dirk Scheringa, over de val van andere instituties, en de impasse waarin de gehele samenleving terecht dreigt te komen. Lees de column hier.

28.9.09

Nieuwe column bij Binnenlands Bestuur

Tot deze week schreef ik om de week een column voor de papieren versie van Binnenlands Bestuur. Dat gaat veranderen: vanaf volgende week schrijf ik iedere week een column voor de website van Binnenlands Bestuur. Hieronder de tekst van de laatste papieren column.

Fluisterende gebouwen

Weinig mensen zullen willen volhouden dat de Algemene Beschouwingen een verheffende aanblik hebben geboden. We hoeven het dan nog niet eens over het voorstel van Wilders te hebben om een hoofddoekbelasting in te voeren, aangeduid als ‘kopvoddentax’, een woord dat al enige jaren circuleert in de rechts-extremistische kring van het Stormfront. Alexander Pechtold vroeg vervolgens of Wilders het soms over een ‘koptax’ had, een verwijzing naar ‘kopgeld’, het geld dat foute Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog kregen als ze een Jood aangaven.

Ze waren weer terug van weggeweest, onze volksvertegenwoordigers, en zo kenden we ze weer.

Minstens zo pijnlijk was de confrontatie tussen kabinet en oppositie. Balkenende zei zelf dat hij niet in vorm was, wat de geschiedenis in zal gaan als het eufemisme van het jaar, bood de Kamer, bij ontstentenis van een alomvattend verhaal, alle kans om hem op alle details te pakken, en de oppositie maakte daar dankbaar en op een zo grof mogelijke wijze gebruik van. Het debat over Troonrede en Miljoenennota was een beschamend steekspel tussen de arrogante leegheid van de macht en de schuimbekkende woede van de rest.

Iedereen heeft het idee dat we met onze omgangsvormen en debattechnieken op een bedenkelijk niveau zijn beland. En hoe is die neerwaartse spiraal te keren? ‘Wie eenmaal grof is, zal steeds grover worden’, zei de Engelse schrijver Anthony Powell, auteur van het delicate epos A Dance to the Music of Time. Het is net als met taal. We denken vaak dat mensen die niet zo goed nadenken zich ook slordig uitdrukken. Dat is natuurlijk zo, maar het omgekeerde is minstens net zo waar: als het taalgebruik vervluchtigt in wolken van woordenkraam, heeft dat ook een desastreuze uitwerking op het denken. Daarom zijn al die boekjes over het Bargoens van het Binnenhof zo deprimerend: wanneer we ze doorbladeren, realiseren we ons ook dat de denkkracht om deze wartaal te doorbreken, met het gebruik van die wartaal alleen maar verder afneemt.

Toen ik naar de Algemene Beschouwingen zat te kijken, moest ik ook denken aan een beroemde speech van Winston Churchill. De zaal waarin de Tweede Kamer haar debatten houdt, vind ik een van de meest afzichtelijke architectonische wangedrochten ooit – qua lelijkheid alleen te vergelijken met de verbouwde Oude Zaal van de Tweede Kamer. Ik ben nooit in Zimbabwe of Zambia geweest, maar ik weet zeker dat ze daar ook in van die historieloze afzichtelijkheden bijeenkomen.

Ook Kamerleden klagen zo af en toe over de vergaderzaal, die vorige week zo schreeuwend lelijk in onze huiskamers binnendrong. De zaal bevordert een spannend debat niet, maar werkt dat juist tegen. Je kunt elkaar niet aankijken, niet ruiken, niet aanraken. ‘Ik houd ontzettend van de wildenbeestenlucht die hier in dit gebouw hangt’, zei Hans van Mierlo ooit na een debat in de (nu) Oude Zaal. Ik heb nog nooit iemand in ernst horen beweren dat die geur ook in de nieuwe zaal te ruiken is.

Toen de Duitsers bij hun bombardementen van Londen in mei 1941 ook het Engelse parlementsgebouw hadden geraakt en vernietigd, bepleitte Churchill de instelling van een comité dat de Kamer moest herbouwen, ‘met zulke veranderingen die wenselijk zijn zonder de essentiële karaktertrekken van het gebouw ongedaan te maken’. Een goede zaal, zei Churchill, is niet al te groot en moet bij bijzondere gelegenheden zo volgepakt zijn dat er vals vanzelf een gevoel van urgentie ontstaat.

Het postmoderne warhoofd Pi de Bruijn, de architect die begin jaren negentig het nieuwe Tweede-Kamercomplex ontwierp, heeft gedacht: ‘Laat ik dat nu eens precies andersom doen. Laat ik allerlei veranderingen doorvoeren die helemaal niet gewenst zijn en ervoor zorgen dat alle essentiële karakteristieken van het oude gebouw zullen verdwijnen, en wel zo dat ieder spoor van historische continuïteit voorgoed zal zijn uitgewist’. Hij is daar wonderwel in geslaagd.

In zijn speech uit oktober 1943 zei Churchill echter ook dat wij onze gebouwen scheppen en dat die gebouwen daarna ons scheppen (‘We shape our buildings, and afterwards our buildings shape us’). Tijdens de Algemene Beschouwingen moest ik, zoals gezegd, aan die woorden denken. Het stijl - en vormverlies in het debat wordt op geen enkele manier gecorrigeerd door de stijl en vorm van de omgeving. Zelfs onze gebouwen fluisteren onraad.

9.9.09

Een beetje vreemd

Zo. We weten nu dat het kabinet sinds zijn aantreden twee jaar geleden voor ruim een half miljoen euro heeft gedeclareerd, van gehuurde jacquets tot stoelmassages en opfriscursussen Frans. Maar hoe hoog de rekening is geweest van de kosten verbonden aan de immigratie van niet-westerse allochtonen mogen we niet weten.

Volgens een onderzoek van het weekblad Elsevier – gebaseerd op bronnen waarnaar premier Balkenende zelf in juni nog verwees - heeft die immigratie de Nederlandse schatkist ruim 200 miljard euro gekost. PvdA-minister Eberhard van der Laan verklaarde eind vorige week dat de weigering van het kabinet om de vragen van PVV-kamerlid Sietse Fritsma hierover te beantwoorden een ‘politieke keuze’ is. Van der Laan had eerder overigens wel beloofd dat het kabinet alle vragen netjes zou beantwoorden. Dat was in een tijd, vlak voor het zomerreces, waarin hij zelf ook nog vond dat de immigratie van laagopgeleide mensen de ‘spankracht’ van Nederland te boven ging.

Maar dat is niet de enige reden waarom de weigering van het kabinet een beetje vreemd is. Balkenende verklaarde vijf jaar geleden dat de bijdrage van immigranten aan de Nederlandse samenleving ‘groot’ is en dat die bijdrage wordt ‘gewaardeerd’. Minister Donner zei een paar weken geleden nog in de Tweede Kamer: ‘Ik ben inderdaad van mening dat Nederland steeds heeft welgevaren bij immigratie, onverminderd de problemen die er zijn’.

Als je als kabinet overtuigd bent van de zegeningen van de immigratie, dan moet je niet voor je verantwoordelijkheid wegduiken wanneer de Kamer wil weten hoe het eigenlijk precies zit.

En waarom is die weigering een ‘politieke keuze’? Het kabinet is niet geïnteresseerd in wat een individu kost, ‘een Fries, iemand met blauwe ogen of een gehandicapte’, zei Van der Laan. ‘Wij kijken’, voegde hij daaraan toe, ‘naar de effecten van beleid, maar leggen onze inwoners niet langs de lat van wat ze in euro’s betekenen.’

Dit is een domme en onhandige manier om te zeggen dat je een kwalijk geurtje opsnuift rond die vragen van Wilders en Fritsma. Ik snuif dat geurtje ook op. Sinds Wilders voor de Deense televisie begon over de deportatie van miljoenen, zo niet tientallen miljoenen moslims die wel eens aan de mogelijkheid van een sharia zouden kunnen gaan denken, ben ik bang dat mijn voorspelling uit januari 2007 – dat Wilders laboreert aan een paniekerige vorm van conservatisme die gemakkelijk in fascisme kan overgaan – nu al is uitgekomen. Ook de vragen van Wilders en Fritsma over de immigratiekosten hebben slechts de kwalijke bedoeling om de al aanwezige afkeer en weerzin bij een groot deel van de Nederlandse bevolking van dit kabinet en allochtonen in het algemeen alleen maar te doen toenemen. De PVV exploiteert ressentiment.

Maar als minister heb je daar niets mee te maken. Dan heb je alleen met die vragen op zich te maken en ben je een vent en geef je antwoord. Ieder Kamerlid, ieder lid van de oppositie heeft daar te allen tijde recht op.

Die mannelijke houding zou dit kabinet vooral sieren omdat de immigratie van (niet-westerse) allochtonen altijd met economische argumenten is verkocht. Dus altijd langs de lat van de euro’s is gelegd. Juist dezer dagen verscheen de Nederlandse vertaling van het boek van de befaamde Amerikaanse journalist Christopher Caldwell over Europa, immigratie en de islam (De Europese revolutie: hoe de islam ons voorgoed veranderde, uitgeverij Ambo). Hij betoogt dat de immigratie belangrijke sociale en culturele gevolgen heeft gehad – resulterend in de verwatering van traditionele waarden - en dat de economische voordelen slechts kort en marginaal zijn geweest. ‘De vraag naar de economische kosten van immigratie is volledig legitiem. De rechtvaardiging voor massa-immigratie is altijd in economische termen gegeven: gastarbeiders waren nodig voor de Europese industrie. Je kunt niet argumenteren dat immigratie nodig was en is op economische gronden, en dan niet kijken naar de economische effecten’.

Ook kiezers begrijpen dat. Geef dus de feiten en duik niet weg maar voer een debat over die feiten. Zolang je dat niet doet, wint de PVV altijd, of je de cijfers nu geeft of niet. Sinds de weigering van het kabinet om de boeken te openen en inzage over de kosten te verschaffen staat de PVV echt wel weer boven de dertig zetels in de peilingen.

27.8.09

Politieke onafhankelijkheid

De SP’er Ronald van Raak heeft deze zomer een wetsvoorstel ingediend dat een einde moet gaan maken aan ‘de riante sociale voorzieningen’ die politici zichzelf toebedelen. Een Kamerlid dat zijn baan verliest, kan bijvoorbeeld zes jaar lang aanspraak maken op een wachtgeldregeling, zonder dat hij hoeft te solliciteren. Volgens Van Raak is dat ‘zakkenvullerij’, ja ‘je reinste zelfverrijking’. Voor politici moet hetzelfde gelden als voor de mensen die zij vertegenwoordigen, zegt Van Raak. ‘Zo bijzonder zijn politici niet.’

Het hele idee is links populisme op zijn allervenijnigst en zijn allerslechtst, slechts bedoeld om de politiek als zodanig bij de burgerij in diskrediet te brengen. En het getuigt vooral van een schrijnend gebrek aan historische kennis, wat opmerkelijk mag heten bij Van Raak, die een gepromoveerd historicus is (zij het aan de universiteit van Amsterdam).

Die wachtgeldregeling is ingesteld omdat een politicus, als het goed is, wel bijzonder is, en dat voor hem daarom niet altijd en overal hetzelfde moet gelden als voor andere burgers. Die financiële regelingen behoren daartoe.

Idealiter immers, is een volksvertegenwoordiger financieel onafhankelijk. Alleen wanneer hij financieel onafhankelijk is, is hij niet van zijn ambt afhankelijk voor zijn bestaan. Die financiële onafhankelijkheid biedt hem ook de mogelijkheid om in andere opzichten zijn onafhankelijkheid te bewaren. Hij hoeft niet op het commando van zijn politieke bazen ja of nee te knikken om zijn baantje te bewaren en daarmee het brood op de plank veilig te stellen.

Het voorstel van Van Raak roept herinneringen op aan een eerder debat in de Tweede kamer over de onkostenvergoeding van parlementariërs. Een zekere Boudewijn Nierstrasz, directeur van een stoomvaartmaatschappij en Kamerlid namens de Bond van Vrije Liberalen, keerde zich in 1916 tegen een voorstel om die vergoeding te verhogen omdat hij bang was voor ‘beroepspolitici’: afgevaardigden voor wie hun mandaat een middel van bestaan is. Omdat ze voor hun inkomen van de politiek afhankelijk zijn, zijn ze ten diepste onbetrouwbaar. Ze waaien met alle winden mee zolang ze maar herkozen worden.

Een van de laatste politici die in Nederland aan het aloude onafhankelijkheidsideaal beantwoordde was de VVD’er Frits Bolkestein. Voordat Bolkestein de politiek en het landsbestuur in ging werkte hij zeventien jaar op hoge posities bij Shell - vanuit het klassieke ideaal dat je eerst je sporen elders moet verdienen, en financieel een positie als "gentleman" moet hebben, voordat je je met het landsbestuur moet
inlaten.

Het tegenovergestelde van dit ideaal is het besluit van de SP om een adolescent naar de Eerste Kamer af te vaardigen - vanuit een behoefte een middelvinger naar de Nederlandse politiek op te steken die vergelijkbaar is met het voorstel van Van Raak.

Momenteel is er in Duitsland een politicus in opkomst, de CSU’er Karl-Theodor zu Guttenberg, die in dit opzicht (en in enkele andere) met Bolkestein vergelijkbaar is. Hij is sinds kort minister van Economische Zaken in het kabinet van Angela Merkel en geniet een ongekende populariteit – alhoewel hij op economisch terrein hoogst impopulaire dingen zegt. Maar de mensen prijzen zijn uitgesproken profiel en zelfstandigheid. Hij is namelijk niet bang om zijn mening te geven, ook als die mening dwars tegen die van Angela Merkel of de heersende consensus in gaat.

Guttenberg vertegenwoordigt, met andere woorden, het type politicus dat zo goed als uitgestorven is maar waarnaar de sympathie van de bevolking als vanzelf uitgaat.
Guttenberg is het type politicus dat ruimte opeist voor onafhankelijkheid en creativiteit en niet willoos mee doet aan een politieke cultuur waarin regeerakkoorden en achterkamertjesoverleg centraal staan. Ook in Nederland hebben we politici gehad (Wiegel, Joekes, Kaland) die zich niet thuis voelden in een monistische cultuur en zich niet naar de macht voegden. Die zelfstandigheid wekt bewondering.

Niet iedereen wordt met een gouden lepel in de mond geboren, zoals Guttenberg, en niet iedereen beschikt over het meervoudige talent van Bolkestein. Om ervoor te zorgen dat álle politici enigszins vrij ten opzichte van hun politieke werkgever kwamen te staan, is er die wachtgeldregeling, zodat zij het na een conflict met de politieke top nog even kunnen uitzingen.

Wanneer je lid bent van een partij met stalinistische en volstrekt monistische kaders begrijp je dat natuurlijk allemaal niet – maar het initiatief is als populistische breuk met een waardevol verleden een bewijs van schuldige onwetendheid.