30.5.07
Opinio
Voor abonnees op Opinio: hier een handig overzicht van al mijn artikelen die tot op heden in dat nieuwe weekblad zijn verschenen.
24.5.07
Na 100 dagen in Tilburg
Als een klasje giechelende brugpiepers hebben de leden van Balkenende’s vierde kabinet maandag verslag gedaan van hun tour van honderd dagen door Nederland. Die tour was ‘leuk en gezellig’ geweest, zei Balkenende bij Knevel & Van den Brink, in een ontluisterende uitzending die dit keer helemaal geen side-chicks (Freek de Jonge) nodig had om het toch al bedenkelijke niveau nog verder omlaag te halen.
De dames en heren spraken opgetogen over hun ontmoetingen met ‘gewone burgers’ (alsof zij zelf, bij hun aantreden in de politiek, ophouden burger te zijn), maar aan het einde van de avond bleek de oogst aan goede ideeën gering. Extra belasting voor mensen die meer dan gemiddeld energie verbruiken, meer jeugdhonken, scherpe maatregelen tegen drankmisbruik onder jongeren: dat is het zo ongeveer. Christelijk-sociaal blijkt een vervelende mengeling van lastenverzwaring en betutteling.
De bewindslieden hadden het einde van hun slopende tour kunnen vieren met een gezamenlijk uitstapje naar het voetbalstadion van Willem II in Tilburg, waar Jong Oranje het dinsdag tegen Jong Marokko moest opnemen. Daar hadden ze kunnen zien dat een rondrit door Nederland een politicus ook kan confronteren met zaken die allerminst ‘leuk en gezellig’ zijn. Dat er een harde werkelijkheid bestaat waaraan zij tot nog toe voorbij hebben gekeken.
Die harde werkelijkheid wordt bepaald door haat en geweld. Marokkaanse jongens renden enkele keren het veld op om heel duidelijk te maken waar hun sympathie lag, en na afloop van de wedstrijd gingen zij zich te buiten aan vernielingen en molestaties. De bus met Nederlandse spelers moest onder politiebegeleiding het stadion verlaten.
Dat er uiteindelijk politie was, was een klein wonder, want die had de wedstrijd van tevoren ingeschat als een wedstrijd met normale risico’s, en ze had het werk overgelaten aan stewards, die de boel natuurlijk niet onder controle konden krijgen. Maar de politie was blijkbaar erg bang voor beelden van agenten mattend met Marokkaantjes.
De reacties op dit ‘incident’ zijn minstens zo onthullend. De KNVB besloot de komende vijf jaar geen vriendschappelijke wedstrijden meer tegen Marokko te spelen. Dat is een vorm van capitulatie. De broodnuchtere trainer van Jong Oranje, Foppe de Haan, had het beter door: “Als we dat doen, dan accepteren we wat er vandaag allemaal is gebeurd. En dat moeten we nooit van ons leven accepteren!”
En terwijl de meeste politici zwegen, kreeg Geert Wilders alle ruimte voor een reactie die voorspelbaar over the top was: een stadionverbod voor alle Marokkaanse jongeren voor de komende vijf jaar.
Een falende politie, afwezige politici bij evenementen die duidelijk maken waar de belangrijkste problemen liggen, capitulatie, afwezige ouders en een vergoeding van de aangerichte schade met belastinggeld – dat is de rekening die we na dinsdag moeten opmaken.
Dat zal waarschijnlijk pas veranderen wanneer we in Nederland gaan beseffen dat die Marokkaantjes niet zozeer vóór Marokko waren als wel tégen Nederland. En dat je die mentaliteit niet verandert met heilstatelijke dromen over prachtwijken.
*) Ook verschenen in Opinio.
De dames en heren spraken opgetogen over hun ontmoetingen met ‘gewone burgers’ (alsof zij zelf, bij hun aantreden in de politiek, ophouden burger te zijn), maar aan het einde van de avond bleek de oogst aan goede ideeën gering. Extra belasting voor mensen die meer dan gemiddeld energie verbruiken, meer jeugdhonken, scherpe maatregelen tegen drankmisbruik onder jongeren: dat is het zo ongeveer. Christelijk-sociaal blijkt een vervelende mengeling van lastenverzwaring en betutteling.
De bewindslieden hadden het einde van hun slopende tour kunnen vieren met een gezamenlijk uitstapje naar het voetbalstadion van Willem II in Tilburg, waar Jong Oranje het dinsdag tegen Jong Marokko moest opnemen. Daar hadden ze kunnen zien dat een rondrit door Nederland een politicus ook kan confronteren met zaken die allerminst ‘leuk en gezellig’ zijn. Dat er een harde werkelijkheid bestaat waaraan zij tot nog toe voorbij hebben gekeken.
Die harde werkelijkheid wordt bepaald door haat en geweld. Marokkaanse jongens renden enkele keren het veld op om heel duidelijk te maken waar hun sympathie lag, en na afloop van de wedstrijd gingen zij zich te buiten aan vernielingen en molestaties. De bus met Nederlandse spelers moest onder politiebegeleiding het stadion verlaten.
Dat er uiteindelijk politie was, was een klein wonder, want die had de wedstrijd van tevoren ingeschat als een wedstrijd met normale risico’s, en ze had het werk overgelaten aan stewards, die de boel natuurlijk niet onder controle konden krijgen. Maar de politie was blijkbaar erg bang voor beelden van agenten mattend met Marokkaantjes.
De reacties op dit ‘incident’ zijn minstens zo onthullend. De KNVB besloot de komende vijf jaar geen vriendschappelijke wedstrijden meer tegen Marokko te spelen. Dat is een vorm van capitulatie. De broodnuchtere trainer van Jong Oranje, Foppe de Haan, had het beter door: “Als we dat doen, dan accepteren we wat er vandaag allemaal is gebeurd. En dat moeten we nooit van ons leven accepteren!”
En terwijl de meeste politici zwegen, kreeg Geert Wilders alle ruimte voor een reactie die voorspelbaar over the top was: een stadionverbod voor alle Marokkaanse jongeren voor de komende vijf jaar.
Een falende politie, afwezige politici bij evenementen die duidelijk maken waar de belangrijkste problemen liggen, capitulatie, afwezige ouders en een vergoeding van de aangerichte schade met belastinggeld – dat is de rekening die we na dinsdag moeten opmaken.
Dat zal waarschijnlijk pas veranderen wanneer we in Nederland gaan beseffen dat die Marokkaantjes niet zozeer vóór Marokko waren als wel tégen Nederland. En dat je die mentaliteit niet verandert met heilstatelijke dromen over prachtwijken.
*) Ook verschenen in Opinio.
19.4.07
Nobele hottentotten
Recensie van Siegfried Huigen, Verkenningen van Zuid-Afrika. Achttiende-eeuwse reizigers aan de Kaap, Walburg Pers € 24,95.
Europese beschrijvingen van vreemde culturen waren bedenkelijke constructies om het koloniale streven naar macht en geld te rechtvaardigen, betoogde Edward Said tot vermoeiens toe. Het wordt tijd dat de universiteiten zijn boek uit hun curriculum verwijderen.
De verovering door Europese landen van grote delen van het Midden-Oosten en Afrika, en de uitbuiting van die werelddelen, is mogelijk gemaakt door het werk van geleerden die Afrikaanse en islamitische landen hadden bestudeerd en tot de conclusie waren gekomen dat daar maar minderwaardige mensen leefden. Het was daarom de taak van de blanke soort om er de beschaving te gaan verspreiden.
Dat althans is een mening die aan de universiteiten floreert en ook tot de klasse van de leraren, onderwijzers en journalisten is doorgedrongen. Zij zien het dan ook als hun taak diep gevoelens van schuld over ons koloniale en imperialistische verleden te verspreiden. Gevoegd bij het onbehagen over onze houding in de Tweede Wereldoorlog, leidt dat tot een schaamte en een mentaliteit die aan de oorsprong ligt van de inmiddels wijdverbreide opvatting dat het onze beschaving niet past zich om welke reden dan ook op de borst te kloppen omdat die hooguit anders en niet beter was dan welke andere ook.
De man die verantwoordelijk moet worden gehouden voor de verbreiding van dit simpele maar ook zo gemakkelijk toepasbare beeld is de Palestijns-Amerikaanse schrijver Edward Said (1935-2003). Hij publiceerde in 1978 een boek (Oriëntalisme) dat over de geschiedenis van de westerse houding tegenover het Oosten gaat, en het vak oriëntalistiek beschouwt als een machtige Europese, ideologische schepping waarin kennis in dienst stond van macht. Door de oosterse cultuur en gewoonten en de islam neer te zetten als de Ander, als exotisch, decadent, lui en wellustig, hebben westerse geleerden, schrijvers, filosofen en koloniale bestuurders het westen de legitimatie geboden om die landen te veroveren en uit te buiten – en de basis te leggen voor het vermaledijde Zionistische project.
Dat boek van Said is al decennia lang verplichte kost geweest voor studenten in tal van studierichtingen. Zij hebben dus geleerd dat hoogtepunten van de westerse beschaving altijd bezoedeld zijn geweest met racisme en imperialisme. Het Westen – de beschaving van democratie, economische groei en wetenschappelijke en technologische ontwikkeling – moest het Oosten redden, vond het zelf, van de tirannieke regimes, het terrorisme en het religieus fanatisme die er heersten – en misbruikten die misplaatste gevoelens van superioriteit om zijn invloed te doen gelden, macht te vestigen en olie te verkrijgen.
De dominantie van het door Said gepropageerde beeld van de houding van het Westen ten opzichte van andere culturen, lijkt echter op zijn retour. De Engelse schrijver en historicus Robert Irwin, bijvoorbeeld, heeft vorig jaar een anti-Said geschreven, een dik en onderhoudend boek over de oriëntalisten vanaf de zestiende eeuw tot heden (For Lust of Knowing: The Orientalists and Their Enemies). Volgens Irwin werden zij niet door politieke of ideologische interesses gedreven maar door een gedeelde obsessie: nieuwsgierigheid en het zuivere verlangen naar kennis.
Het boek van Irwin is een manmoedige poging de geest van Said te verdrijven. Hij noemt het boek van Said, hoe ongebruikelijk zo’n hard oordeel ook mag zijn in een beleefd academisch debat, het product van kwaadwillende charlatanerie waarin eerlijke fouten moeilijk van een moedwillige verkeerde voorstelling van zaken te onderscheiden zijn. ‘Met deze aanval op Saids belangrijkste boek zal ik naar ik vrees enkele vrienden van mij vervreemden en zal ik ook oude vijanden heel erg boos maken; en ik doe dat met alle plezier’.
Siegfried Huigen (1959) – hoogleraar Nederlandse en koloniale letterkunde aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika – noemt Irwin niet in zijn nieuwe boek Verkenningen van Zuid-Afrika: Achttiende-eeuwse reizigers aan de Kaap, dat deze week verschijnt. Maar zijn studie naar de beschrijvingen die reizigers in zuidelijk Afrika hebben nagelaten, zou je kunnen zien als een nuchtere en feitelijke onderbouwing van het gelijk van Irwin en het ongelijk van Said.
Zuidelijk Afrika speelde een belangrijke rol in de Europese beeldvorming van Afrika. In West-Afrika, waar Europeanen een reeks van forten hadden gebouwd om van daaruit slaven naar de Nieuwe Wereld te vervoeren, waagden zij zich niet in het zo goed als ondoordringbare binnenland. Alleen vanuit de Kaap – een gebied dat na de stichting van de ‘volksplanting’ door de VOC in 1652, in de achttiende eeuw tot een gebied zo groot als Spanje was uitgegroeid - konden Europese reizigers en wetenschappers per ossenwagen diep het binnenland in reizen. Dat hebben zij dan ook gedaan, en van hun reizen hebben zij verslagen, vaak met illustraties, nagelaten waarin zij ook de cultuur en het uiterlijk van de inheemse bevolking hebben beschreven.
Huigen heeft die reisverslagen gelezen en komt tot verrassende conclusies.
De beschrijvingen van het leven in de Kaapkolonie – van de Tafelberg en giraffen tot inheemse vrouwen – is in de eerste plaats vaak bijzonder sympathiek. Terwijl reizigers in de zestiende en zeventiende eeuw de inheemse Hottentotten (tegenwoordig aangeduid als Khoikoi) als stinkende en merkwaardig pratende wezens hadden neergezet, waren achttiende-eeuwse reizigers veel positiever. Typerend is de beschrijving die de Duitse wetenschapper Peter Kolb (1675-1726) in 1719 van ‘de huidige toestand van de Kaap de Goede Hoop’ gaf. Hij vertrouwde alleen datgene aan het papier toe dat hij met eigen ogen had gezien, en legde zich vooral toe op de Hottentotten die hij als ‘nobele wilden’ beschreef. Hij prijst hun deugden, en zag hen als voorbeeldige mensen.
Het aardige is dat dit boek van Kolb, dat in de belangrijkste Europese talen werd vertaald, door niemand minder dan de Verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau werd gebruikt om zijn visie op de gelukkige natuurtoestand van de mens te onderbouwen.
Een achttiende-eeuwse legerofficier van de VOC, Robert Jacob Gordon, schreef zelfs dat de Europese waarnemer zich vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief niet door de schijnbare vreemdheid van niet-westerse mensen moet laten bedriegen. ‘Het frappeert iemand dewelke onder verschillende wilden reist, deselve mensch te vinden, al schijnt het in den eerste opslag anders’.
Met die sympathie voor de inheemse bevolking ging veelal een scherpe kritiek op de kolonisten en het Nederlandse koloniale bestuur gepaard. Die waren lui, dom, volgevreten en wreed.
Reizende wetenschappers uit Europa laboreerden dus niet aan de euvels waarvan Said hen betichte: dat zij een negatief beeld van de inheemse bevolking schetsten in dienst van het koloniale regime. Zij sympathiseerden zeker niet met de kolonisten en beschreven de Hottentotten en anderen niet als onderdeel van een gevaarlijk dierenrijk. Het wordt dus hoog tijd dat universiteiten Said uit hun curriculum gaan verwijderen en hem vervangen door boeken als die van Irwin en Huigen. De postkoloniale theorie van Said en zijn navolgers wilde immers slechts aantonen dat de westerse ‘representatie’ van de Ander autistisch was. Een nuchtere beschrijving van de feiten maakt duidelijk dat juist die theorie in autisme gevangen zit, en de dienstmaagd is geworden van een riskante politieke correctheid.
*) Eerder verschenen in HP/De Tijd.
Europese beschrijvingen van vreemde culturen waren bedenkelijke constructies om het koloniale streven naar macht en geld te rechtvaardigen, betoogde Edward Said tot vermoeiens toe. Het wordt tijd dat de universiteiten zijn boek uit hun curriculum verwijderen.
De verovering door Europese landen van grote delen van het Midden-Oosten en Afrika, en de uitbuiting van die werelddelen, is mogelijk gemaakt door het werk van geleerden die Afrikaanse en islamitische landen hadden bestudeerd en tot de conclusie waren gekomen dat daar maar minderwaardige mensen leefden. Het was daarom de taak van de blanke soort om er de beschaving te gaan verspreiden.
Dat althans is een mening die aan de universiteiten floreert en ook tot de klasse van de leraren, onderwijzers en journalisten is doorgedrongen. Zij zien het dan ook als hun taak diep gevoelens van schuld over ons koloniale en imperialistische verleden te verspreiden. Gevoegd bij het onbehagen over onze houding in de Tweede Wereldoorlog, leidt dat tot een schaamte en een mentaliteit die aan de oorsprong ligt van de inmiddels wijdverbreide opvatting dat het onze beschaving niet past zich om welke reden dan ook op de borst te kloppen omdat die hooguit anders en niet beter was dan welke andere ook.
De man die verantwoordelijk moet worden gehouden voor de verbreiding van dit simpele maar ook zo gemakkelijk toepasbare beeld is de Palestijns-Amerikaanse schrijver Edward Said (1935-2003). Hij publiceerde in 1978 een boek (Oriëntalisme) dat over de geschiedenis van de westerse houding tegenover het Oosten gaat, en het vak oriëntalistiek beschouwt als een machtige Europese, ideologische schepping waarin kennis in dienst stond van macht. Door de oosterse cultuur en gewoonten en de islam neer te zetten als de Ander, als exotisch, decadent, lui en wellustig, hebben westerse geleerden, schrijvers, filosofen en koloniale bestuurders het westen de legitimatie geboden om die landen te veroveren en uit te buiten – en de basis te leggen voor het vermaledijde Zionistische project.
Dat boek van Said is al decennia lang verplichte kost geweest voor studenten in tal van studierichtingen. Zij hebben dus geleerd dat hoogtepunten van de westerse beschaving altijd bezoedeld zijn geweest met racisme en imperialisme. Het Westen – de beschaving van democratie, economische groei en wetenschappelijke en technologische ontwikkeling – moest het Oosten redden, vond het zelf, van de tirannieke regimes, het terrorisme en het religieus fanatisme die er heersten – en misbruikten die misplaatste gevoelens van superioriteit om zijn invloed te doen gelden, macht te vestigen en olie te verkrijgen.
De dominantie van het door Said gepropageerde beeld van de houding van het Westen ten opzichte van andere culturen, lijkt echter op zijn retour. De Engelse schrijver en historicus Robert Irwin, bijvoorbeeld, heeft vorig jaar een anti-Said geschreven, een dik en onderhoudend boek over de oriëntalisten vanaf de zestiende eeuw tot heden (For Lust of Knowing: The Orientalists and Their Enemies). Volgens Irwin werden zij niet door politieke of ideologische interesses gedreven maar door een gedeelde obsessie: nieuwsgierigheid en het zuivere verlangen naar kennis.
Het boek van Irwin is een manmoedige poging de geest van Said te verdrijven. Hij noemt het boek van Said, hoe ongebruikelijk zo’n hard oordeel ook mag zijn in een beleefd academisch debat, het product van kwaadwillende charlatanerie waarin eerlijke fouten moeilijk van een moedwillige verkeerde voorstelling van zaken te onderscheiden zijn. ‘Met deze aanval op Saids belangrijkste boek zal ik naar ik vrees enkele vrienden van mij vervreemden en zal ik ook oude vijanden heel erg boos maken; en ik doe dat met alle plezier’.
Siegfried Huigen (1959) – hoogleraar Nederlandse en koloniale letterkunde aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika – noemt Irwin niet in zijn nieuwe boek Verkenningen van Zuid-Afrika: Achttiende-eeuwse reizigers aan de Kaap, dat deze week verschijnt. Maar zijn studie naar de beschrijvingen die reizigers in zuidelijk Afrika hebben nagelaten, zou je kunnen zien als een nuchtere en feitelijke onderbouwing van het gelijk van Irwin en het ongelijk van Said.
Zuidelijk Afrika speelde een belangrijke rol in de Europese beeldvorming van Afrika. In West-Afrika, waar Europeanen een reeks van forten hadden gebouwd om van daaruit slaven naar de Nieuwe Wereld te vervoeren, waagden zij zich niet in het zo goed als ondoordringbare binnenland. Alleen vanuit de Kaap – een gebied dat na de stichting van de ‘volksplanting’ door de VOC in 1652, in de achttiende eeuw tot een gebied zo groot als Spanje was uitgegroeid - konden Europese reizigers en wetenschappers per ossenwagen diep het binnenland in reizen. Dat hebben zij dan ook gedaan, en van hun reizen hebben zij verslagen, vaak met illustraties, nagelaten waarin zij ook de cultuur en het uiterlijk van de inheemse bevolking hebben beschreven.
Huigen heeft die reisverslagen gelezen en komt tot verrassende conclusies.
De beschrijvingen van het leven in de Kaapkolonie – van de Tafelberg en giraffen tot inheemse vrouwen – is in de eerste plaats vaak bijzonder sympathiek. Terwijl reizigers in de zestiende en zeventiende eeuw de inheemse Hottentotten (tegenwoordig aangeduid als Khoikoi) als stinkende en merkwaardig pratende wezens hadden neergezet, waren achttiende-eeuwse reizigers veel positiever. Typerend is de beschrijving die de Duitse wetenschapper Peter Kolb (1675-1726) in 1719 van ‘de huidige toestand van de Kaap de Goede Hoop’ gaf. Hij vertrouwde alleen datgene aan het papier toe dat hij met eigen ogen had gezien, en legde zich vooral toe op de Hottentotten die hij als ‘nobele wilden’ beschreef. Hij prijst hun deugden, en zag hen als voorbeeldige mensen.
Het aardige is dat dit boek van Kolb, dat in de belangrijkste Europese talen werd vertaald, door niemand minder dan de Verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau werd gebruikt om zijn visie op de gelukkige natuurtoestand van de mens te onderbouwen.
Een achttiende-eeuwse legerofficier van de VOC, Robert Jacob Gordon, schreef zelfs dat de Europese waarnemer zich vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief niet door de schijnbare vreemdheid van niet-westerse mensen moet laten bedriegen. ‘Het frappeert iemand dewelke onder verschillende wilden reist, deselve mensch te vinden, al schijnt het in den eerste opslag anders’.
Met die sympathie voor de inheemse bevolking ging veelal een scherpe kritiek op de kolonisten en het Nederlandse koloniale bestuur gepaard. Die waren lui, dom, volgevreten en wreed.
Reizende wetenschappers uit Europa laboreerden dus niet aan de euvels waarvan Said hen betichte: dat zij een negatief beeld van de inheemse bevolking schetsten in dienst van het koloniale regime. Zij sympathiseerden zeker niet met de kolonisten en beschreven de Hottentotten en anderen niet als onderdeel van een gevaarlijk dierenrijk. Het wordt dus hoog tijd dat universiteiten Said uit hun curriculum gaan verwijderen en hem vervangen door boeken als die van Irwin en Huigen. De postkoloniale theorie van Said en zijn navolgers wilde immers slechts aantonen dat de westerse ‘representatie’ van de Ander autistisch was. Een nuchtere beschrijving van de feiten maakt duidelijk dat juist die theorie in autisme gevangen zit, en de dienstmaagd is geworden van een riskante politieke correctheid.
*) Eerder verschenen in HP/De Tijd.
13.4.07
Als we niets doen sterft onze cultuur
Europa reproduceert zichzelf niet meer, pleegt daarmee zelfmoord en zal geïslamiseerd worden, schreef de Canadese publicist Mark Steyn in een nogal alarmerend artikel dat Opinio op 16 maart publiceerde. Maar op welke veronderstellingen en aannames was zijn klaroenstoot gebaseerd? Kloppen de demografische feiten waar Steyn van uitging? Welke ontwikkelingen doen zich nu precies voor? Wat zijn daarvan de oorzaken en gevolgen? En kunnen we nog iets doen om een Europese zelfmoord, als daar al sprake van is, te voorkomen?
In een interview afgenomen door Diederik Boomsma en mij en verschenen in het nieuwste nummer van Opinio met Franz-Xaver Kaufmann, gaat deze internationaal vermaard demograaf en socioloog uitgebreid in op deze vragen.
In een interview afgenomen door Diederik Boomsma en mij en verschenen in het nieuwste nummer van Opinio met Franz-Xaver Kaufmann, gaat deze internationaal vermaard demograaf en socioloog uitgebreid in op deze vragen.
De burgertrut, de minister, en de prinsjes
Drukte op de Amsterdamse Keizersgracht, vorige week woensdag: een lange rij mensen schuifelde langzaam naar de ingang van de Rode Hoed, waar Fleur Jurgens – journaliste, filosofe, en zelfbenoemde ‘burgertrut’ – haar boek over de problemen met onze Marokkaanse prinsjes presenteerde. Lang niet alle gegadigden konden die avond een stoel in het debatcentrum bemachtigen, zoals de organisatie eerder al 3000 andere gegadigden had moeten teleurstellen.
Ik zat er wel, en terwijl Fleur Jurgens haar stellingen over de politiek-correcte hiaten in de analyse van het ‘Marokkanendrama’ (de titel van haar lezenswaardige boek) dapper verdedigde tegen een pluk professionals uit hulpverlenersland die haar – zoals te verwachten viel – van stigmatisering en andere erge dingen beschuldigde, zat ik na te denken over de vraag waarom er zoveel belangstelling was voor deze avond. Een deftig avondje over ‘het islamdebat’ zou inmiddels niet meer dan een halfvol zaaltje hebben getrokken. Dat debat is inmiddels aardig in kaart gebracht de afgelopen jaren, en waar de mensen nu nog voor warm te krijgen zijn, zo blijkt, dat is de dagelijkse overlast en de intimidaties. De glimlach van Geert Wilders zweefde boven deze avond.
Ik begreep dat daar ineens omdat ik terugdacht aan een gesprek dat ik onlangs had met een keurige meneer (leraar op een christelijke middelbare school, stemt CDA of CU, denk ik) die mij duidelijk aangeslagen vertelde dat zijn zoon van achttien een Lonsdale-trui was gaan dragen. Hij had zijn best gedaan zijn zoon daar vanaf te krijgen, maar had het antwoord schuldig moeten blijven toen zijn zoon hem een paar eenvoudige vragen had gesteld. Of hij vroeger nog gewoon door de winkelstraat kon lopen zonder dat hij het gevaar liep zijn Nike’s uit te moeten trekken. Of hij, toen hij nog op de middelbare school zat, met zijn vrienden en vriendinnen gewoon naar het zwembad had gekund. Of hij op koopavond de binnenstad in kon. En wat hij ervan vond dat hij, die zoon, nadat hij in een cafetaria een Marokkaan had neergeslagen die zijn patat uit zijn bakje was gaan zitten eten, een nacht had moeten zitten terwijl die Marokkaan en zijn vriendjes gewoon weer naar buiten konden lopen, omdat de eigenaar van de cafetaria tegenover de politie niet had durven vertellen wat er werkelijk was gebeurd.
Onze nieuwe minister voor ‘Wonen, Wijken en Integratie’, de ex-communiste Ella Vogelaar (PvdA), bracht onlangs een werkbezoek aan de Utrechtse wijk Kanaleneiland, en een groep Marokkaanse jongens hadden haar daar heel erg boos aangekeken. Was ze erg van geschrokken, onze mevrouw Vogelaar. ‘Geen lieverdjes’, die jongens, zei ze zaterdag in een interview met de Volkskrant. Maar gut, wat wil je? Die Marokkaanse jongens hebben ‘giga schulden’, maar de mensen van de ‘schuldhulpsanering’ hebben wachtlijsten van ‘an-der-half jaar!’, en dus staan de incassobureaus gewoon aan de deur, en ja, dan tik je als Marokkaans prinsje dus gewoon maar weer een autoruitje in.
Vragen de Volkskrant-journalisten of die uitdrukking ‘geen lieverdjes’ niet ‘erg eufemistisch’ is, en of mevrouw werkelijk van mening is dat die ingeslagen autoruiten aan de gebrekkige medewerking van de schuldhulpverlening moeten worden toegeschreven. (Ik zou héél voorzichtig worden als ik van de PvdA was en van Volkskrant-journalisten dit soort tegenwerpingen kreeg.)
Mevrouw ontkent dan natuurlijk weer een beetje, maar je hoeft haar niets te vertellen over ‘het mechanisme’ en ‘het proces’ waardoor de dingen met onze Marokkanen lopen zoals ze lopen.
Het boek van Fleur Jurgens is hard en overtuigend. En ze vervalt niet in zwarte wanhoop, omdat ze gelooft in de eigen verantwoordelijkheid van mensen. En daarop moeten ook de Marokkaanse prinsjes worden aangesproken. Dat vindt ook Ahmed Marcouch, de ‘burgemeester’ van Slotervaart/Overtoomse Veld, die ook in de Rode Hoed zat, en Jurgens’ analyse deelde, en evenals zij gelooft in een harde oplossing door de prinsjes en hun ouders voor hun daden verantwoordelijk te stellen.
Maar onze minister rept slechts verontschuldigend van mechanismen en processen. De mens kan maar weinig realiteit verdragen, dichtte T. S. Eliot al. Zoals mevrouw Vogelaar als communiste de ‘schaduwkant’ van het Sovjet-communisme ontkende, zo onderhoudt zij ook nu nog een problematische verhouding tot de werkelijkheid. Ik ben bang dat zelfs het boek van Fleur Jurgens daar bij deze mevrouw geen verandering in zal kunnen brengen.
*) Eerder verschenen in Binnenlands Bestuur.
Ik zat er wel, en terwijl Fleur Jurgens haar stellingen over de politiek-correcte hiaten in de analyse van het ‘Marokkanendrama’ (de titel van haar lezenswaardige boek) dapper verdedigde tegen een pluk professionals uit hulpverlenersland die haar – zoals te verwachten viel – van stigmatisering en andere erge dingen beschuldigde, zat ik na te denken over de vraag waarom er zoveel belangstelling was voor deze avond. Een deftig avondje over ‘het islamdebat’ zou inmiddels niet meer dan een halfvol zaaltje hebben getrokken. Dat debat is inmiddels aardig in kaart gebracht de afgelopen jaren, en waar de mensen nu nog voor warm te krijgen zijn, zo blijkt, dat is de dagelijkse overlast en de intimidaties. De glimlach van Geert Wilders zweefde boven deze avond.
Ik begreep dat daar ineens omdat ik terugdacht aan een gesprek dat ik onlangs had met een keurige meneer (leraar op een christelijke middelbare school, stemt CDA of CU, denk ik) die mij duidelijk aangeslagen vertelde dat zijn zoon van achttien een Lonsdale-trui was gaan dragen. Hij had zijn best gedaan zijn zoon daar vanaf te krijgen, maar had het antwoord schuldig moeten blijven toen zijn zoon hem een paar eenvoudige vragen had gesteld. Of hij vroeger nog gewoon door de winkelstraat kon lopen zonder dat hij het gevaar liep zijn Nike’s uit te moeten trekken. Of hij, toen hij nog op de middelbare school zat, met zijn vrienden en vriendinnen gewoon naar het zwembad had gekund. Of hij op koopavond de binnenstad in kon. En wat hij ervan vond dat hij, die zoon, nadat hij in een cafetaria een Marokkaan had neergeslagen die zijn patat uit zijn bakje was gaan zitten eten, een nacht had moeten zitten terwijl die Marokkaan en zijn vriendjes gewoon weer naar buiten konden lopen, omdat de eigenaar van de cafetaria tegenover de politie niet had durven vertellen wat er werkelijk was gebeurd.
Onze nieuwe minister voor ‘Wonen, Wijken en Integratie’, de ex-communiste Ella Vogelaar (PvdA), bracht onlangs een werkbezoek aan de Utrechtse wijk Kanaleneiland, en een groep Marokkaanse jongens hadden haar daar heel erg boos aangekeken. Was ze erg van geschrokken, onze mevrouw Vogelaar. ‘Geen lieverdjes’, die jongens, zei ze zaterdag in een interview met de Volkskrant. Maar gut, wat wil je? Die Marokkaanse jongens hebben ‘giga schulden’, maar de mensen van de ‘schuldhulpsanering’ hebben wachtlijsten van ‘an-der-half jaar!’, en dus staan de incassobureaus gewoon aan de deur, en ja, dan tik je als Marokkaans prinsje dus gewoon maar weer een autoruitje in.
Vragen de Volkskrant-journalisten of die uitdrukking ‘geen lieverdjes’ niet ‘erg eufemistisch’ is, en of mevrouw werkelijk van mening is dat die ingeslagen autoruiten aan de gebrekkige medewerking van de schuldhulpverlening moeten worden toegeschreven. (Ik zou héél voorzichtig worden als ik van de PvdA was en van Volkskrant-journalisten dit soort tegenwerpingen kreeg.)
Mevrouw ontkent dan natuurlijk weer een beetje, maar je hoeft haar niets te vertellen over ‘het mechanisme’ en ‘het proces’ waardoor de dingen met onze Marokkanen lopen zoals ze lopen.
Het boek van Fleur Jurgens is hard en overtuigend. En ze vervalt niet in zwarte wanhoop, omdat ze gelooft in de eigen verantwoordelijkheid van mensen. En daarop moeten ook de Marokkaanse prinsjes worden aangesproken. Dat vindt ook Ahmed Marcouch, de ‘burgemeester’ van Slotervaart/Overtoomse Veld, die ook in de Rode Hoed zat, en Jurgens’ analyse deelde, en evenals zij gelooft in een harde oplossing door de prinsjes en hun ouders voor hun daden verantwoordelijk te stellen.
Maar onze minister rept slechts verontschuldigend van mechanismen en processen. De mens kan maar weinig realiteit verdragen, dichtte T. S. Eliot al. Zoals mevrouw Vogelaar als communiste de ‘schaduwkant’ van het Sovjet-communisme ontkende, zo onderhoudt zij ook nu nog een problematische verhouding tot de werkelijkheid. Ik ben bang dat zelfs het boek van Fleur Jurgens daar bij deze mevrouw geen verandering in zal kunnen brengen.
*) Eerder verschenen in Binnenlands Bestuur.
2.4.07
Schuilen in het volle licht
Recensie*) van: Christiaan Snouck Hurgronje, Mekka in the Latter Part of the 19th Century Brill. € 69,00/Mekka in de tweede helft van de negentiende eeuw, Atlas. € 39,90
In Leiden is een internationaal vermaarde uitgeverij gevestigd die sinds 1683 bestaat en een grote reputatie heeft gevestigd met geleerde publicaties over met name de klassieke oudheid en de islam. Van dit huis, E. J, Brill, is het standaardwerk The Encyclopedia of Islam een van de paradepaardjes. ‘Het Oostersch Antiquarium’ was de naam van het antiquariaat dat lang aan deze uitgeverij verbonden is geweest. Uitgeverij Brill, vanouds nauw gelieerd aan de universiteit, is het symbool van de traditie van kennis op het terrein van de klassieke en semitische talen en culturen zoals die eeuwenlang in Nederland heeft bestaan.
In een nieuwe reeks herdrukken van klassieke studies over de islam is bij Brill een heruitgave verschenen van het beroemde boek over de heilige stad Mekka van de fameuze oriëntalist Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936). Om precies te zijn: Snouck publiceerde in 1888-1889 een driedelig werk, in het Duits, waarvan het eerste deel de geschiedenis van Mekka beschreef, het tweede de situatie in Mekka zoals Snouck die eind negentiende eeuw aantrof, en het derde deel een keur aan contemporaine foto’s bood. De herdruk van Brill betreft de Engelse vertaling van het tweede deel die in 1931 verscheen en een kleine keuze uit de foto’s bevat. Tegelijkertijd is bij uitgeverij Atlas nu voor het eerst een Nederlandse vertaling verschenen van dat tweede deel, met alle foto’s van het oorspronkelijke derde deel en een lange inleiding van Snouck-kenner Jan Just Witkam. Het is een chique, gebonden uitgave geworden, ruim 600 pagina’s dik.
Snouck staat dezer dagen, 150 jaar na zijn geboorte, in de belangstelling. Behalve deze twee uitgaven van zijn boek over Mekka, zijn er ook twee tentoonstellingen, allebei in Leiden, waarbij die in de universiteitsbibliotheek over zijn leven gaat en die in het Rijksmuseum voor Volkenkunde de 156 voorwerpen laat zien die Snouck uit Mekka meenam.
Een (hernieuwde) kennismaking met Snouck via deze boeken en tentoonstellingen is een groot plezier. Hij was een kleurrijke figuur, zoon van een ondeugende dominee, student theologie die zijn studie inwisselde voor die van de semitische talen en al op 23-jarige leeftijd met de hoogste lof op de hadj (de bedevaart naar Mekka) promoveerde. Als een van de eersten kwam hij op het idee om de islam niet alleen vanuit boeken en oude handschriften te bestuderen, maar het dagelijks leven en de godsdienstige rituelen van moslims ter plaatse te gaan bekijken. Om dat leven beter te leren kennen reisde hij in 1884 naar Saoedi-Arabië, bekeerde er zich tot de islam, bewees dit door zich te laten besnijden, en was niet te beroerd om bij het betreden van de voor niet-gelovigen verboden stad zijn van de voorhuid ontdane lid te laten inspecteren. Hij nam de naam ‘Abd al-Ghaffār (dienaar van de vergevende God) aan, huwde een Ethiopische slavin, keek in Mekka goed om zich heen, maakte er als eerste Europeaan foto’s, en legde wat hij daar zag en hoorde vast in dat boek over Mekka. ‘Schuilend in het volle licht’, zoals hij zelf zei, kon hij ‘voortdurend zien zonder gezien te worden’.
Zijn grondige kennis van de islam en zijn perfecte beheersing van het Arabisch zorgde ervoor dat Snouck bij terugkeer in Nederland benoemd werd tot adviseur van de Nederlandse regering bij de pacificatie door Van Heutsz van Atjeh in Nederlands-Indië. Nadat hij die opdracht had vervuld trad hij (in 1906) aan als hoogleraar in Leiden.
Ondanks zijn bekering en nieuwe naam spreidde Snouck niet de eerbied ten toon die Allah, zo stel ik mij voor, gewoon is van de aan hem onderworpenen te eisen. In zijn proefschrift had hij al heel provocerend vastgesteld dat de rituelen van de pelgrims in Mekka een voortzetting waren van heidense, pre-islamitische gebruiken die Mohammed om puur opportunistische redenen in zijn nieuwe geloof/krijgsleer had geïncorporeerd. In Mekka beschreef hij religie als een sociaal fenomeen, en liet hij er geen onduidelijkheid over bestaan dat religie ten diepste, wat hem betreft, niet meer was dan handel – in geld, invloed en macht. Woekeraars, bedelaars en hoeren bepalen het straatbeeld van Mekka in Snoucks boek.
Tegelijkertijd was hij zich diep bewust van de gevaarlijke aspecten van het islamitisch geloof zodra dat politieke aspiraties kreeg. Zijn reis naar Mekka en zijn verblijf daar waren niet alleen bedoeld om een bijdrage aan de islamwetenschap te leveren. De financiële ondersteuning van zijn missie door de Nederlandse overheid had een politiek doel: Snouck moest uitvinden in hoeverre de politieke boodschap van de islam, en haar wereldwijde aspiraties, weerklank vond onder de djāwa, de kolonie in Mekka van pelgrims afkomstig uit delen van Nederlands-Indië. Door de kennis die hij hieromtrent opdeed, was hij in staat de opstand op Atjeh te zien als islamitisch geïnspireerd verzet en adviseerde hij daarom tot hardhandig militair ingrijpen, om de vrede daarna via een uitgekiende welvaartspolitiek te handhaven.
Zijn kennis van de islam heeft Snouck zijn opdrachtgevers niet alleen via talloze beleidsadviezen ten goede laten komen, maar ook via vier lezingen over Nederland en de islâm die hij in 1911 voor de ‘Nederlandsch-Indische bestuursacademie’ heeft gehouden. Daarin geeft hij het Nederlandse bestuur de raad om zich nooit te mengen in discussies over de islamitische dogmatiek of aan de uitoefening van islamitische rituelen restricties op te leggen. Maar wees altijd op je hoede voor de ideeën die in islamitische kringen circuleren, zo hield hij zijn gehoor voor, en bied de islam geen enkele gelegenheid haar ideeën naar het seculiere domein te verbreiden. Bestrijd de politieke islam, en zorg via het onderwijs voor een verwestersing van het denken, zodat de islam van binnenuit verandert.
Deze raad is vandaag misschien wel actueler dan destijds. Maar de publicaties van Snouck, die alles al wist, en de lange traditie van academische kennis en geleerde uitgeverijen die hier in Nederland vanaf de zeventiende eeuw heeft bestaan en in het werk van Snouck als het ware een hoogtepunt bereikte, hebben niet kunnen voorkomen dat we ons op 11 september 2001 hebben laten verrassen door de radicale islam – ondanks de waarschuwingen van Khomeini (in een brief aan Gorbatsjov uit 1989) en ondanks de jihad-verklaring van Osama bin-Laden uit de tweede helft van de jaren negentig.
Dit plaatst ons voor het raadsel van de vergetelheid: blijkbaar is het zo dat een beschaving kennis van en ervaring met een vijand kan hebben, maar die kennis en ervaringen weer kan vergeten. Misschien komt dat, in dit geval, omdat het Westen het in de twintigste eeuw te stellen heeft gehad met twee andere totalitaire ideologieën – nazisme en communisme – die alle aandacht opeisten. En toen ook die laatste was verslagen, geloofden we in de jaren negentig dat het begin van een eeuwige vrede was aangebroken, en beschouwden we het benoemen van de radicale islam als nieuwe vijand als doorzichtige pogingen van veiligheidsdiensten en –organisaties om hun bestaan en budgetten in stand te houden.
En wat ook een rol moet hebben gespeeld, is de verandering van de aard van het vak dat Snouck beoefende. Dat is inmiddels, dankzij Edward Saïd, weggezet als een discipline die westerse expansie en annexatie moest rechtvaardigen, die zich in dienst had gesteld van politieke manipulatie en slechts een vrucht was van verbeelding en daarom naar het rijk van de cultuur en de literatuur moest worden verbannen. De Leidse universiteitshistoricus Willem Otterspeer schreef onlangs dat met de vertaling van Snoucks boek over Mekka de Nederlandse literatuur er een meesterwerk bij heeft (de Volkskrant van 16 maart 2007).
Maar zolang we Snouck uitsluitend zo blijven lezen, en geen aandacht schenken aan zijn politieke adviezen, zullen we ons ongetwijfeld blijven laten verassen door de vijand die hij al doorzag.
*) Ook gepubliceerd in HP/De Tijd.
In Leiden is een internationaal vermaarde uitgeverij gevestigd die sinds 1683 bestaat en een grote reputatie heeft gevestigd met geleerde publicaties over met name de klassieke oudheid en de islam. Van dit huis, E. J, Brill, is het standaardwerk The Encyclopedia of Islam een van de paradepaardjes. ‘Het Oostersch Antiquarium’ was de naam van het antiquariaat dat lang aan deze uitgeverij verbonden is geweest. Uitgeverij Brill, vanouds nauw gelieerd aan de universiteit, is het symbool van de traditie van kennis op het terrein van de klassieke en semitische talen en culturen zoals die eeuwenlang in Nederland heeft bestaan.
In een nieuwe reeks herdrukken van klassieke studies over de islam is bij Brill een heruitgave verschenen van het beroemde boek over de heilige stad Mekka van de fameuze oriëntalist Christiaan Snouck Hurgronje (1857-1936). Om precies te zijn: Snouck publiceerde in 1888-1889 een driedelig werk, in het Duits, waarvan het eerste deel de geschiedenis van Mekka beschreef, het tweede de situatie in Mekka zoals Snouck die eind negentiende eeuw aantrof, en het derde deel een keur aan contemporaine foto’s bood. De herdruk van Brill betreft de Engelse vertaling van het tweede deel die in 1931 verscheen en een kleine keuze uit de foto’s bevat. Tegelijkertijd is bij uitgeverij Atlas nu voor het eerst een Nederlandse vertaling verschenen van dat tweede deel, met alle foto’s van het oorspronkelijke derde deel en een lange inleiding van Snouck-kenner Jan Just Witkam. Het is een chique, gebonden uitgave geworden, ruim 600 pagina’s dik.
Snouck staat dezer dagen, 150 jaar na zijn geboorte, in de belangstelling. Behalve deze twee uitgaven van zijn boek over Mekka, zijn er ook twee tentoonstellingen, allebei in Leiden, waarbij die in de universiteitsbibliotheek over zijn leven gaat en die in het Rijksmuseum voor Volkenkunde de 156 voorwerpen laat zien die Snouck uit Mekka meenam.
Een (hernieuwde) kennismaking met Snouck via deze boeken en tentoonstellingen is een groot plezier. Hij was een kleurrijke figuur, zoon van een ondeugende dominee, student theologie die zijn studie inwisselde voor die van de semitische talen en al op 23-jarige leeftijd met de hoogste lof op de hadj (de bedevaart naar Mekka) promoveerde. Als een van de eersten kwam hij op het idee om de islam niet alleen vanuit boeken en oude handschriften te bestuderen, maar het dagelijks leven en de godsdienstige rituelen van moslims ter plaatse te gaan bekijken. Om dat leven beter te leren kennen reisde hij in 1884 naar Saoedi-Arabië, bekeerde er zich tot de islam, bewees dit door zich te laten besnijden, en was niet te beroerd om bij het betreden van de voor niet-gelovigen verboden stad zijn van de voorhuid ontdane lid te laten inspecteren. Hij nam de naam ‘Abd al-Ghaffār (dienaar van de vergevende God) aan, huwde een Ethiopische slavin, keek in Mekka goed om zich heen, maakte er als eerste Europeaan foto’s, en legde wat hij daar zag en hoorde vast in dat boek over Mekka. ‘Schuilend in het volle licht’, zoals hij zelf zei, kon hij ‘voortdurend zien zonder gezien te worden’.
Zijn grondige kennis van de islam en zijn perfecte beheersing van het Arabisch zorgde ervoor dat Snouck bij terugkeer in Nederland benoemd werd tot adviseur van de Nederlandse regering bij de pacificatie door Van Heutsz van Atjeh in Nederlands-Indië. Nadat hij die opdracht had vervuld trad hij (in 1906) aan als hoogleraar in Leiden.
Ondanks zijn bekering en nieuwe naam spreidde Snouck niet de eerbied ten toon die Allah, zo stel ik mij voor, gewoon is van de aan hem onderworpenen te eisen. In zijn proefschrift had hij al heel provocerend vastgesteld dat de rituelen van de pelgrims in Mekka een voortzetting waren van heidense, pre-islamitische gebruiken die Mohammed om puur opportunistische redenen in zijn nieuwe geloof/krijgsleer had geïncorporeerd. In Mekka beschreef hij religie als een sociaal fenomeen, en liet hij er geen onduidelijkheid over bestaan dat religie ten diepste, wat hem betreft, niet meer was dan handel – in geld, invloed en macht. Woekeraars, bedelaars en hoeren bepalen het straatbeeld van Mekka in Snoucks boek.
Tegelijkertijd was hij zich diep bewust van de gevaarlijke aspecten van het islamitisch geloof zodra dat politieke aspiraties kreeg. Zijn reis naar Mekka en zijn verblijf daar waren niet alleen bedoeld om een bijdrage aan de islamwetenschap te leveren. De financiële ondersteuning van zijn missie door de Nederlandse overheid had een politiek doel: Snouck moest uitvinden in hoeverre de politieke boodschap van de islam, en haar wereldwijde aspiraties, weerklank vond onder de djāwa, de kolonie in Mekka van pelgrims afkomstig uit delen van Nederlands-Indië. Door de kennis die hij hieromtrent opdeed, was hij in staat de opstand op Atjeh te zien als islamitisch geïnspireerd verzet en adviseerde hij daarom tot hardhandig militair ingrijpen, om de vrede daarna via een uitgekiende welvaartspolitiek te handhaven.
Zijn kennis van de islam heeft Snouck zijn opdrachtgevers niet alleen via talloze beleidsadviezen ten goede laten komen, maar ook via vier lezingen over Nederland en de islâm die hij in 1911 voor de ‘Nederlandsch-Indische bestuursacademie’ heeft gehouden. Daarin geeft hij het Nederlandse bestuur de raad om zich nooit te mengen in discussies over de islamitische dogmatiek of aan de uitoefening van islamitische rituelen restricties op te leggen. Maar wees altijd op je hoede voor de ideeën die in islamitische kringen circuleren, zo hield hij zijn gehoor voor, en bied de islam geen enkele gelegenheid haar ideeën naar het seculiere domein te verbreiden. Bestrijd de politieke islam, en zorg via het onderwijs voor een verwestersing van het denken, zodat de islam van binnenuit verandert.
Deze raad is vandaag misschien wel actueler dan destijds. Maar de publicaties van Snouck, die alles al wist, en de lange traditie van academische kennis en geleerde uitgeverijen die hier in Nederland vanaf de zeventiende eeuw heeft bestaan en in het werk van Snouck als het ware een hoogtepunt bereikte, hebben niet kunnen voorkomen dat we ons op 11 september 2001 hebben laten verrassen door de radicale islam – ondanks de waarschuwingen van Khomeini (in een brief aan Gorbatsjov uit 1989) en ondanks de jihad-verklaring van Osama bin-Laden uit de tweede helft van de jaren negentig.
Dit plaatst ons voor het raadsel van de vergetelheid: blijkbaar is het zo dat een beschaving kennis van en ervaring met een vijand kan hebben, maar die kennis en ervaringen weer kan vergeten. Misschien komt dat, in dit geval, omdat het Westen het in de twintigste eeuw te stellen heeft gehad met twee andere totalitaire ideologieën – nazisme en communisme – die alle aandacht opeisten. En toen ook die laatste was verslagen, geloofden we in de jaren negentig dat het begin van een eeuwige vrede was aangebroken, en beschouwden we het benoemen van de radicale islam als nieuwe vijand als doorzichtige pogingen van veiligheidsdiensten en –organisaties om hun bestaan en budgetten in stand te houden.
En wat ook een rol moet hebben gespeeld, is de verandering van de aard van het vak dat Snouck beoefende. Dat is inmiddels, dankzij Edward Saïd, weggezet als een discipline die westerse expansie en annexatie moest rechtvaardigen, die zich in dienst had gesteld van politieke manipulatie en slechts een vrucht was van verbeelding en daarom naar het rijk van de cultuur en de literatuur moest worden verbannen. De Leidse universiteitshistoricus Willem Otterspeer schreef onlangs dat met de vertaling van Snoucks boek over Mekka de Nederlandse literatuur er een meesterwerk bij heeft (de Volkskrant van 16 maart 2007).
Maar zolang we Snouck uitsluitend zo blijven lezen, en geen aandacht schenken aan zijn politieke adviezen, zullen we ons ongetwijfeld blijven laten verassen door de vijand die hij al doorzag.
*) Ook gepubliceerd in HP/De Tijd.
23.3.07
Voorbeeld van nationale deugden
Bespreking* van : De Admiraal. De wereld van Michiel Adriaenszoon de Ruyter
Auteur: A. Th. van Deursen, J. R. Bruijn en J. E. Korteweg; nationale herdenkingsuitgave
Uitgeverij: Van Wijnen, Franeker, 2007, ISBN 978 90 5194 282 8
Pagina’s: 184, Prijs: € 29,50.
Het geluk dat bestaat in dankbaarheid voor de zegen van God. Daar ging het in het leven van Michiel de Ruyter om. Kun je in het De Ruyterherdenkingsjaar dat deze week begint over de actuele betekenis van De Ruyter hebben en deze kern van zijn identiteit tussen haakjes zetten? Wat blijft er dan over?
Het is alweer meer dan tien jaar geleden dat prof. A. Th. van Deursen de kansel van de Leidse Pieterskerk beklom om de (zoals dat heet) prestigieuze Huizingalezing uit te spreken. Hij hield zijn gehoor de cultuurkritiek van Isaäc da Costa en Johan Huizinga voor en ook hun remedie tegen de kwalen van onze beschaving. Maar had dat nog zin? Had het Nederlandse volk nog behoefte aan een christelijke ethiek van absolute normen? Nee, stelde Van Deursen vast. Moraal is een zaak waarover in het moderne Nederland bij meerderheid van stemmen wordt beslist. De patiënt weigert dus het medicijn. Wat kan ik dan nog anders doen, zo besloot Van Deursen zijn lezing op 9 december 1994, dan u „gaarne en van harte een zalig kerstfeest” toe te wensen?
Herdenkingsboek
Sindsdien heeft Van Deursen, onze beste en best schrijvende historicus, nog prachtige boeken gepubliceerd: een biografie van Maurits, een geschiedenis van Nederland in de zeventiende eeuw en een gedenkboek over 125 jaar Vrije Universiteit. Maar zijn bijdragen aan publieke discussies werden minder, al laaide het oude vuur onlangs weer even op toen hij de ChristenUnie in het Nederlands Dagblad voorhield dat de partij goed moest bedenken dat ze niet vanwege haar christelijke karakter maar vanwege haar linkse sympathieën een plaatsje in het kabinet had gekregen. Van Deursen, inmiddels 75 jaar oud, verhuisde recent van het vrije en rijke Bloemendaal naar het orthodoxe dorp Katwijk. Zoiets begrijp je onmiddellijk.
En daar in Katwijk bereikte hem de uitnodiging om in de ’nationale herdenkingsuitgave’ voor Michiel de Ruyter de essays over het leven en de actuele betekenis van onze nationale held uit de zeventiende eeuw te schrijven. Het volk dat twaalf en een half jaar geleden het medicijn van de christelijke ethiek weigerde dat Van Deursen dat volk vrij en onvoorwaardelijk aanbood, is hem nu komen vragen om nog eens uit te leggen hoe de gereformeerde De Ruyter ook nu nog als een voorbeeld van nationale deugden kan functioneren.
Dat herdenkingsboek, dat vrijdag bij de start van de Michiel de Ruyterherdenkingen in Vlissingen wordt gepresenteerd, is dus een boek om op het puntje van je stoel te lezen. Het bevat een prachtige beeldbiografie, samengesteld door J. E. Korteweg, en een hoofdstuk over De Ruyters maritieme wereld door J. R. Bruijn. Maar wie het ter hand neemt, vraagt zich toch vooral af: hoe gaat Van Deursen dat doen? Hoe gaat hij de blijvende betekenis van een orthodoxe gelovige uit de zeventiende eeuw aan hedendaagse Nederlanders uitleggen?
Vroomheid
Van Deursen stelt de vraag aan de orde wat wij onze kinderen op school -gesteld dat het geschiedenisonderwijs daar überhaupt nog enige ruimte voor wil inroosteren- over Michiel de Ruyter moeten vertellen. De Ruyter heeft een plekje gekregen in de geschiedeniscanon die de commissie-Van Oostrom vorig jaar heeft gepresenteerd. Maar om de verkeerde reden, legt Van Deursen uit. Van Oostrom en de zijnen prijzen De Ruyter vanwege zijn heldendaad bij Chatham in 1667, toen hij volgens hen brutaal en onvervaard de Engelse vloot op eigen terrein een beslissende slag toebracht. „Precies voor dat glorieuze gebeuren komt de verdienste aan anderen toe”, aldus Van Deursen. De Ruyter verscheen door ziekte pas op het toneel toen de eigenlijke beslissingen al waren gevallen.
Wat moeten we onze kinderen dan wel vertellen? We kunnen zijn deugden prijzen, die vanaf de grote biografie door ds. Geraerdt Brandt uit 1687 met gepaste bewondering zijn geboekstaafd. Het gaat dan om zijn dapperheid, bescheidenheid en onvoorwaardelijke vaderlandsliefde. Maar de nadruk op die eigenschappen maakt De Ruyter weer te saai om nog een held te kunnen zijn. Vandaar dat zijn biografen vanaf het begin zijn arme komaf en kwajongensstreken hebben benadrukt (inclusief de blauwgeruite kiel en het grote wiel) om in de volksverbeelding toch nog een echte held van De Ruyter te kunnen maken.
Dan dient zich de deugd van zijn vroomheid aan. Van Deursen schildert die uitvoerig. Zijn vroomheid was De Ruyters „meest uitgesproken karaktertrek, zowel in het persoonlijke als in het openbare leven.” Als we De Ruyter in één woord moeten typeren, „dan is dat niet vaderlander of plichtenmens, en ook niet zeeheld of admiraal. Dat ene woord kan geen ander zijn dan: christen.” Als De Ruyter ’s winters aan wal was, las hij vooral in de Bijbel. Kort voor zijn dood in 1676 las hij driemaal achter elkaar het boek ”Vertroostingen der gelooviger ziele tegen de verschrickingen des doots” van Charles Drelincourt. Na de slag bij Kijkduin, misschien wel De Ruyters grootste wapenfeit, ging het gesprek aan tafel in de kajuit over de schitterende prestaties van de Nederlandse vloot. Maar de Ruyter sprak niet van succes, maar van zegen. „Mochten wij slechts het geluk hebben van recht dankbaar te zijn.”
Tolerantie
Maar juist dit geloof kan het Nederland van nu, in een cultuur met alle nadruk op rechten en een daaruit voortvloeiende plicht tot óndankbaarheid, niet meer aanspreken. Het geloof van De Ruyter zal in een land dat zojuist een canon heeft laten opstellen om het wij-gevoel en de sociale cohesie te bevorderen, „eerder vervreemdend dan verbindend werken. De moderne Nederlander kent godsdienst immers dikwijls alleen vanuit de verte, en dan doorgaans van de onaangename kant. Het kweekt op zijn gunstigst benepen en op zijn ongunstigst fanatieke mensen. Hij zal dan ook moeilijk begrijpen hoe geloof mensen positief zou kunnen inspireren. En in elk geval is dat voor hem dan iets uit het verleden: zo kan het nu vanzelfsprekend niet meer.” Tussen ons en De Ruyter ligt de scheidslijn van de verlichting, en het moderne Nederland heeft geen boodschap meer aan het geloof en de waarden uit de periode van voor 1800. En heeft er ook geen toegang meer toe.
Om De Ruyter toch nog voor het hedendaagse, multiculturele want relativistische vaderland te ’redden’, prijst Van Deursen tot slot zijn tolerantie aan. Als jongen raakte De Ruyter bevriend met een iets oudere, zwarte jongen, die vroeger slaaf was geweest maar was vrijgelaten en in Vlissingen was gedoopt en onder de naam Jan Compagnie door het leven ging. Toen ze elkaar vele jaren later weer ontmoetten, Jan was inmiddels onderkoning op een eiland voor de West-Afrikaanse kust, gingen ze gelijk weer als oude vrienden met elkaar om.
Verschil in ras heeft De Ruyter niet gestoord, verschil in godsdienst wel, vervolgt Van Deursen, maar ook met religieuze verschillen ging hij vreedzaam om. In zijn schippersjaren is De Ruyter veel in Marokko geweest, en dreef hij handel met Joodse en islamitische kooplieden. Het kwam niet tot vriendschappen, maar op het persoonlijke vlak is hij zijn islamitische handelspartners „met oprechtheid en openheid” tegemoet getreden. „Hun geloof kon hij niet respecteren, maar wel de mensen die dat geloof beleden.”
Metamorfose
Laten we het daar dan over hebben, schrijft Van Deursen: „mens tussen de mensen zijn”, ook al zijn die van een ander ras of een ander geloof. Dat Van Deursen uitgerekend die deugd aanbeveelt, kan wel eens te maken hebben met een gevoel dat hem als christen zo af en toe blijkt te bekruipen als je in de twee essays ook tussen de regel doorleest: de zorg om een mogelijke beperking van de vrijheid van godsdienst, en als gevolg daarvan te moeten leven in een land waarin religieuze groepen niet meer „kunnen leven naar hun eigen aard, en juist de hoedanigheden die zij bezitten geen algemene waardering genieten.”
Zo bezien, is Van Deursens pleidooi voor tolerantie maar al te begrijpelijk - al ondergaat De Ruyter hier een metamorfose van gereformeerde zeebonk tot toonbeeld van interculturele vriendschap en intercultureel respect. De Ruyter zelf zou toch vreemd hebben opgekeken, zo stel ik mij voor, wanneer hij zou hebben geweten dat zijn vaderland hem vier eeuwen na zijn geboorte vooral zou eren vanwege zijn vriendschap met een zwarte jongen en voor het feit dat hij niet alle moslims onmiddellijk de hersens insloeg.
Je moet er niet aan denken dat De Ruyter dit jaar op volstrekt anachronistische wijze misbruikt gaat worden als vroege pleitbezorger van de multiculturele samenleving. Je ziet dat de een of andere politicus gerust doen - maar dan hopelijk niet onder verwijzing naar dit essay van Deursen.
Anno 2007 kan ons mooie vaderland een christelijke held uit de zeventiende eeuw alleen nog maar herdenken door zijn geloof tussen haakjes te zetten en eigenwillig geïnterpreteerde secundaire karakteristieken in het volle daglicht te stellen. In de geest van Deursen zou je Nederland alleen nog maar „gaarne en van harte” een „zalig” paasfeest kunnen toewensen.
*) Verschenen in Reformatorisch Dagblad.
Auteur: A. Th. van Deursen, J. R. Bruijn en J. E. Korteweg; nationale herdenkingsuitgave
Uitgeverij: Van Wijnen, Franeker, 2007, ISBN 978 90 5194 282 8
Pagina’s: 184, Prijs: € 29,50.
Het geluk dat bestaat in dankbaarheid voor de zegen van God. Daar ging het in het leven van Michiel de Ruyter om. Kun je in het De Ruyterherdenkingsjaar dat deze week begint over de actuele betekenis van De Ruyter hebben en deze kern van zijn identiteit tussen haakjes zetten? Wat blijft er dan over?
Het is alweer meer dan tien jaar geleden dat prof. A. Th. van Deursen de kansel van de Leidse Pieterskerk beklom om de (zoals dat heet) prestigieuze Huizingalezing uit te spreken. Hij hield zijn gehoor de cultuurkritiek van Isaäc da Costa en Johan Huizinga voor en ook hun remedie tegen de kwalen van onze beschaving. Maar had dat nog zin? Had het Nederlandse volk nog behoefte aan een christelijke ethiek van absolute normen? Nee, stelde Van Deursen vast. Moraal is een zaak waarover in het moderne Nederland bij meerderheid van stemmen wordt beslist. De patiënt weigert dus het medicijn. Wat kan ik dan nog anders doen, zo besloot Van Deursen zijn lezing op 9 december 1994, dan u „gaarne en van harte een zalig kerstfeest” toe te wensen?
Herdenkingsboek
Sindsdien heeft Van Deursen, onze beste en best schrijvende historicus, nog prachtige boeken gepubliceerd: een biografie van Maurits, een geschiedenis van Nederland in de zeventiende eeuw en een gedenkboek over 125 jaar Vrije Universiteit. Maar zijn bijdragen aan publieke discussies werden minder, al laaide het oude vuur onlangs weer even op toen hij de ChristenUnie in het Nederlands Dagblad voorhield dat de partij goed moest bedenken dat ze niet vanwege haar christelijke karakter maar vanwege haar linkse sympathieën een plaatsje in het kabinet had gekregen. Van Deursen, inmiddels 75 jaar oud, verhuisde recent van het vrije en rijke Bloemendaal naar het orthodoxe dorp Katwijk. Zoiets begrijp je onmiddellijk.
En daar in Katwijk bereikte hem de uitnodiging om in de ’nationale herdenkingsuitgave’ voor Michiel de Ruyter de essays over het leven en de actuele betekenis van onze nationale held uit de zeventiende eeuw te schrijven. Het volk dat twaalf en een half jaar geleden het medicijn van de christelijke ethiek weigerde dat Van Deursen dat volk vrij en onvoorwaardelijk aanbood, is hem nu komen vragen om nog eens uit te leggen hoe de gereformeerde De Ruyter ook nu nog als een voorbeeld van nationale deugden kan functioneren.
Dat herdenkingsboek, dat vrijdag bij de start van de Michiel de Ruyterherdenkingen in Vlissingen wordt gepresenteerd, is dus een boek om op het puntje van je stoel te lezen. Het bevat een prachtige beeldbiografie, samengesteld door J. E. Korteweg, en een hoofdstuk over De Ruyters maritieme wereld door J. R. Bruijn. Maar wie het ter hand neemt, vraagt zich toch vooral af: hoe gaat Van Deursen dat doen? Hoe gaat hij de blijvende betekenis van een orthodoxe gelovige uit de zeventiende eeuw aan hedendaagse Nederlanders uitleggen?
Vroomheid
Van Deursen stelt de vraag aan de orde wat wij onze kinderen op school -gesteld dat het geschiedenisonderwijs daar überhaupt nog enige ruimte voor wil inroosteren- over Michiel de Ruyter moeten vertellen. De Ruyter heeft een plekje gekregen in de geschiedeniscanon die de commissie-Van Oostrom vorig jaar heeft gepresenteerd. Maar om de verkeerde reden, legt Van Deursen uit. Van Oostrom en de zijnen prijzen De Ruyter vanwege zijn heldendaad bij Chatham in 1667, toen hij volgens hen brutaal en onvervaard de Engelse vloot op eigen terrein een beslissende slag toebracht. „Precies voor dat glorieuze gebeuren komt de verdienste aan anderen toe”, aldus Van Deursen. De Ruyter verscheen door ziekte pas op het toneel toen de eigenlijke beslissingen al waren gevallen.
Wat moeten we onze kinderen dan wel vertellen? We kunnen zijn deugden prijzen, die vanaf de grote biografie door ds. Geraerdt Brandt uit 1687 met gepaste bewondering zijn geboekstaafd. Het gaat dan om zijn dapperheid, bescheidenheid en onvoorwaardelijke vaderlandsliefde. Maar de nadruk op die eigenschappen maakt De Ruyter weer te saai om nog een held te kunnen zijn. Vandaar dat zijn biografen vanaf het begin zijn arme komaf en kwajongensstreken hebben benadrukt (inclusief de blauwgeruite kiel en het grote wiel) om in de volksverbeelding toch nog een echte held van De Ruyter te kunnen maken.
Dan dient zich de deugd van zijn vroomheid aan. Van Deursen schildert die uitvoerig. Zijn vroomheid was De Ruyters „meest uitgesproken karaktertrek, zowel in het persoonlijke als in het openbare leven.” Als we De Ruyter in één woord moeten typeren, „dan is dat niet vaderlander of plichtenmens, en ook niet zeeheld of admiraal. Dat ene woord kan geen ander zijn dan: christen.” Als De Ruyter ’s winters aan wal was, las hij vooral in de Bijbel. Kort voor zijn dood in 1676 las hij driemaal achter elkaar het boek ”Vertroostingen der gelooviger ziele tegen de verschrickingen des doots” van Charles Drelincourt. Na de slag bij Kijkduin, misschien wel De Ruyters grootste wapenfeit, ging het gesprek aan tafel in de kajuit over de schitterende prestaties van de Nederlandse vloot. Maar de Ruyter sprak niet van succes, maar van zegen. „Mochten wij slechts het geluk hebben van recht dankbaar te zijn.”
Tolerantie
Maar juist dit geloof kan het Nederland van nu, in een cultuur met alle nadruk op rechten en een daaruit voortvloeiende plicht tot óndankbaarheid, niet meer aanspreken. Het geloof van De Ruyter zal in een land dat zojuist een canon heeft laten opstellen om het wij-gevoel en de sociale cohesie te bevorderen, „eerder vervreemdend dan verbindend werken. De moderne Nederlander kent godsdienst immers dikwijls alleen vanuit de verte, en dan doorgaans van de onaangename kant. Het kweekt op zijn gunstigst benepen en op zijn ongunstigst fanatieke mensen. Hij zal dan ook moeilijk begrijpen hoe geloof mensen positief zou kunnen inspireren. En in elk geval is dat voor hem dan iets uit het verleden: zo kan het nu vanzelfsprekend niet meer.” Tussen ons en De Ruyter ligt de scheidslijn van de verlichting, en het moderne Nederland heeft geen boodschap meer aan het geloof en de waarden uit de periode van voor 1800. En heeft er ook geen toegang meer toe.
Om De Ruyter toch nog voor het hedendaagse, multiculturele want relativistische vaderland te ’redden’, prijst Van Deursen tot slot zijn tolerantie aan. Als jongen raakte De Ruyter bevriend met een iets oudere, zwarte jongen, die vroeger slaaf was geweest maar was vrijgelaten en in Vlissingen was gedoopt en onder de naam Jan Compagnie door het leven ging. Toen ze elkaar vele jaren later weer ontmoetten, Jan was inmiddels onderkoning op een eiland voor de West-Afrikaanse kust, gingen ze gelijk weer als oude vrienden met elkaar om.
Verschil in ras heeft De Ruyter niet gestoord, verschil in godsdienst wel, vervolgt Van Deursen, maar ook met religieuze verschillen ging hij vreedzaam om. In zijn schippersjaren is De Ruyter veel in Marokko geweest, en dreef hij handel met Joodse en islamitische kooplieden. Het kwam niet tot vriendschappen, maar op het persoonlijke vlak is hij zijn islamitische handelspartners „met oprechtheid en openheid” tegemoet getreden. „Hun geloof kon hij niet respecteren, maar wel de mensen die dat geloof beleden.”
Metamorfose
Laten we het daar dan over hebben, schrijft Van Deursen: „mens tussen de mensen zijn”, ook al zijn die van een ander ras of een ander geloof. Dat Van Deursen uitgerekend die deugd aanbeveelt, kan wel eens te maken hebben met een gevoel dat hem als christen zo af en toe blijkt te bekruipen als je in de twee essays ook tussen de regel doorleest: de zorg om een mogelijke beperking van de vrijheid van godsdienst, en als gevolg daarvan te moeten leven in een land waarin religieuze groepen niet meer „kunnen leven naar hun eigen aard, en juist de hoedanigheden die zij bezitten geen algemene waardering genieten.”
Zo bezien, is Van Deursens pleidooi voor tolerantie maar al te begrijpelijk - al ondergaat De Ruyter hier een metamorfose van gereformeerde zeebonk tot toonbeeld van interculturele vriendschap en intercultureel respect. De Ruyter zelf zou toch vreemd hebben opgekeken, zo stel ik mij voor, wanneer hij zou hebben geweten dat zijn vaderland hem vier eeuwen na zijn geboorte vooral zou eren vanwege zijn vriendschap met een zwarte jongen en voor het feit dat hij niet alle moslims onmiddellijk de hersens insloeg.
Je moet er niet aan denken dat De Ruyter dit jaar op volstrekt anachronistische wijze misbruikt gaat worden als vroege pleitbezorger van de multiculturele samenleving. Je ziet dat de een of andere politicus gerust doen - maar dan hopelijk niet onder verwijzing naar dit essay van Deursen.
Anno 2007 kan ons mooie vaderland een christelijke held uit de zeventiende eeuw alleen nog maar herdenken door zijn geloof tussen haakjes te zetten en eigenwillig geïnterpreteerde secundaire karakteristieken in het volle daglicht te stellen. In de geest van Deursen zou je Nederland alleen nog maar „gaarne en van harte” een „zalig” paasfeest kunnen toewensen.
*) Verschenen in Reformatorisch Dagblad.
15.3.07
Door de mand gevallen
Ja, dat viel dus even vies tegen. Het nieuwe kabinet dacht na een lange formatie prettig en geruisloos van start te kunnen gaan, met een mooi debat in de Tweede Kamer over de regeringsverklaring en wittebroodsweken van maar liefst honderd dagen waarin de ministers eerst eens met ‘de samenleving’ in dialoog konden gaan treden. Om dan na de zomer een eerste begroting met grootse plannen te kunnen presenteren.
Mis gerekend, het liep allemaal heel anders door die kwajongen uit Heerlen die gelijk maar twee moties van wantrouwen, tegen de staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak, indiende, en zijn kruistocht tegen dubbele loyaliteiten voortzette in een debat waarin hij PvdA-kamerlid Arib tot een ondubbelzinnige keuze voor Nederland (lees: Marokko) wilde dwingen.
Zo domineerde Geert Wilders de afgelopen weken het nieuws, en liet niet alleen hij zich van zijn slechtste kant zien, maar was vooral ook de reactie van de rest op het beest uit onze voormalige Generaliteitslanden ontluisterend. In zijn confrontatie met de islam wordt het denken van Wilders beheerst door de angst dat de demografische ontwikkelingen tot een islamisering van Europa zullen leiden. Dat doemscenario valt niet te keren door pogingen moslims in de Nederlandse samenleving te integreren, denkt Wilders, want het Westen en de islam zijn onverenigbaar. Vandaar dat Wilders dezer dagen ongegeneerd terugvalt op een scenario dat alleen maar kan uitmonden in de evacuatie en remigratie van moslims. Hij belijdt de superioriteit van de westerse beschaving, maar heeft het geloof in de kracht en vitaliteit en het assimilerend vermogen van die beschaving blijkbaar definitief verloren.
En helemaal gek is Wilders natuurlijk niet, ook al kies je niet voor zijn optie. Want de integratie van moslims in een niet-islamitische samenleving is, zoals de arabist Hans Jansen onlangs schreef, in de geschiedenis nog nooit eerder vertoond.
Minstens zo erg was de paniek van de rest, die zich geen houding wist te geven in een confrontatie die tamelijk eenvoudig begon met een legitiem debat over de kwestie van de dubbele nationaliteiten. Sommigen bewogen met Wilders mee, anderen wisten niet veel beters te doen dan hem tot in zijn stijl en woordgebruik te imiteren.
Zo is iedereen door de mand gevallen, en dringt de vraag zich op wat hiervan nu precies de oorzaak is. Ik denk dat we de vinger moeten leggen bij het feit dat onze politici simpelweg niet geëquipeerd zijn om (wat je zou kunnen noemen) de globalisering van politieke vraagstukken te behappen. De belangrijkste kwesties die zich nu aandienen, zijn afgeleiden van stormachtige ontwikkelingen van mondiale proporties: het klimaat, de vergrijzing en verkleuring van de samenleving, en de grote kwestie van het onderwijs.
De huidige generatie politici (en hun ambtenaren natuurlijk) heeft ervoor gestudeerd en is volledig geconditioneerd om met elkaar in een zaaltje te gaan zitten en daar te onderhandelen over vraagstukken waarbij de standpunten hooguit een paar procentpunten uit elkaar liggen. Een nieuw akkoordje afsluiten over de WAO, daar zijn ze met elkaar goed in. Maar nu de globalisering ook de politieke kwesties heeft aangeraakt, zitten de dames en heren met de handen in het haar, en weten ze dat waarschijnlijk niet eens van zichzelf.
De juistheid van deze stelling blijkt uit de manier waarop dit kabinet spreekt over ‘gemeenschapszin’ en over ‘wij’. Dat is helemaal geen inhoudelijk concept, maar een instrument, een manier van werken: overleggen met dat vermaledijde ‘middenveld’. Daar staat het ‘wij’ van Wilders tegenover: ‘wij’ dat zijn bij hem de Nederlanders, verenigd in hun afkeer van een cultuur waar ze vooral last van hebben en eigenlijk een beetje bang voor zijn. Je kunt, en moet, Wilders’ definitie van ‘wij’ afwijzen, maar dan met je er wel een inhoudelijke visie tegenover stellen. En dat kunnen ze niet, dat kabinet en die 141 andere kamerleden, en al hun medewerkers en ambtenaren.
Wilders’ paniekconservatisme stuit alleen maar op een verambtelijkte manier van denken dat de eigen gedachten uitsluitend procedureel kan ordenen. Geen wonder dat Wilders maar blijft stijgen in de peilingen.
Wat je in deze situatie graag zou zien is een politicus die opstaat en de Nederlandse bevolking kan uitleggen hoe het zit en een perspectief kan schetsen. Iemand die het theater van de politiek betreedt en met een groots maar gematigd gebaar degenen die met wilde en opruiende gebaren onrust willen stoken, de pas afsnijdt. Zo’n man moet snel aantreden, maar zijn naam kunnen we nog niet noemen.
*) Deze column is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
Mis gerekend, het liep allemaal heel anders door die kwajongen uit Heerlen die gelijk maar twee moties van wantrouwen, tegen de staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak, indiende, en zijn kruistocht tegen dubbele loyaliteiten voortzette in een debat waarin hij PvdA-kamerlid Arib tot een ondubbelzinnige keuze voor Nederland (lees: Marokko) wilde dwingen.
Zo domineerde Geert Wilders de afgelopen weken het nieuws, en liet niet alleen hij zich van zijn slechtste kant zien, maar was vooral ook de reactie van de rest op het beest uit onze voormalige Generaliteitslanden ontluisterend. In zijn confrontatie met de islam wordt het denken van Wilders beheerst door de angst dat de demografische ontwikkelingen tot een islamisering van Europa zullen leiden. Dat doemscenario valt niet te keren door pogingen moslims in de Nederlandse samenleving te integreren, denkt Wilders, want het Westen en de islam zijn onverenigbaar. Vandaar dat Wilders dezer dagen ongegeneerd terugvalt op een scenario dat alleen maar kan uitmonden in de evacuatie en remigratie van moslims. Hij belijdt de superioriteit van de westerse beschaving, maar heeft het geloof in de kracht en vitaliteit en het assimilerend vermogen van die beschaving blijkbaar definitief verloren.
En helemaal gek is Wilders natuurlijk niet, ook al kies je niet voor zijn optie. Want de integratie van moslims in een niet-islamitische samenleving is, zoals de arabist Hans Jansen onlangs schreef, in de geschiedenis nog nooit eerder vertoond.
Minstens zo erg was de paniek van de rest, die zich geen houding wist te geven in een confrontatie die tamelijk eenvoudig begon met een legitiem debat over de kwestie van de dubbele nationaliteiten. Sommigen bewogen met Wilders mee, anderen wisten niet veel beters te doen dan hem tot in zijn stijl en woordgebruik te imiteren.
Zo is iedereen door de mand gevallen, en dringt de vraag zich op wat hiervan nu precies de oorzaak is. Ik denk dat we de vinger moeten leggen bij het feit dat onze politici simpelweg niet geëquipeerd zijn om (wat je zou kunnen noemen) de globalisering van politieke vraagstukken te behappen. De belangrijkste kwesties die zich nu aandienen, zijn afgeleiden van stormachtige ontwikkelingen van mondiale proporties: het klimaat, de vergrijzing en verkleuring van de samenleving, en de grote kwestie van het onderwijs.
De huidige generatie politici (en hun ambtenaren natuurlijk) heeft ervoor gestudeerd en is volledig geconditioneerd om met elkaar in een zaaltje te gaan zitten en daar te onderhandelen over vraagstukken waarbij de standpunten hooguit een paar procentpunten uit elkaar liggen. Een nieuw akkoordje afsluiten over de WAO, daar zijn ze met elkaar goed in. Maar nu de globalisering ook de politieke kwesties heeft aangeraakt, zitten de dames en heren met de handen in het haar, en weten ze dat waarschijnlijk niet eens van zichzelf.
De juistheid van deze stelling blijkt uit de manier waarop dit kabinet spreekt over ‘gemeenschapszin’ en over ‘wij’. Dat is helemaal geen inhoudelijk concept, maar een instrument, een manier van werken: overleggen met dat vermaledijde ‘middenveld’. Daar staat het ‘wij’ van Wilders tegenover: ‘wij’ dat zijn bij hem de Nederlanders, verenigd in hun afkeer van een cultuur waar ze vooral last van hebben en eigenlijk een beetje bang voor zijn. Je kunt, en moet, Wilders’ definitie van ‘wij’ afwijzen, maar dan met je er wel een inhoudelijke visie tegenover stellen. En dat kunnen ze niet, dat kabinet en die 141 andere kamerleden, en al hun medewerkers en ambtenaren.
Wilders’ paniekconservatisme stuit alleen maar op een verambtelijkte manier van denken dat de eigen gedachten uitsluitend procedureel kan ordenen. Geen wonder dat Wilders maar blijft stijgen in de peilingen.
Wat je in deze situatie graag zou zien is een politicus die opstaat en de Nederlandse bevolking kan uitleggen hoe het zit en een perspectief kan schetsen. Iemand die het theater van de politiek betreedt en met een groots maar gematigd gebaar degenen die met wilde en opruiende gebaren onrust willen stoken, de pas afsnijdt. Zo’n man moet snel aantreden, maar zijn naam kunnen we nog niet noemen.
*) Deze column is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.
3.3.07
Lieve jongen, die Geert Mak
Recensie van Geert Mak, De brug, Uitgave CPNB
Er zijn mensen tot wie de wetten van de werkelijkheid maar moeilijk doordringen. De amateur-historicus Geert Mak is zo ongeveer de belichaming van deze waarheid. Hij tekent de werkelijkheid op, staat toe dat die werkelijkheid hem om zijn naïviteit uitlacht, maar laat zich er niet door corrigeren. Dat is waarschijnlijk ook wel zo gemakkelijk.
Geert Mak heeft dit jaar het boekenweekgeschenk geschreven. Het heet De brug, en die brug is de Galatabrug in Istanboel, die twee delen van de stad, het op het Oosten gerichte Zuiden en het op het Westen gerichte Noorden, met elkaar verbindt. We zijn dus precies waar we wezen moeten. Het gaat hier om het conflict tussen Europa en de islam, om de pijnlijke onontkoombaarheid van de modernisering, de winnaars en de verliezers, en ons schuldgevoel over de verliezers.
Mak heeft vorig jaar een paar maanden mijmerend op die brug rondgezworven, en is er met verschillende mensen aan de praat geraakt: met een meisje dat loten verkoopt, een parapluhandelaar, een zolenverkoper, jongens die sigaretten aan de man brengen. Zij zijn mensen voor wie het leven op de brug een laatste kans is om te overleven. En ze dromen: van een terugkeer naar het dorp waar ze vandaan komen, of van migratie naar het rijke Europa.
Mak praat met de sigarettenjongens, die zich lijmsnuivend op de been houden. Vraagt hij, socioloog uit de Amsterdamse grachtengordel, of die schatjes ook veel last hebben van criminaliteit. Beginnen ze heel hard te lachen. ‘Nou nee. Die criminelen zijn we meestal zelf’.
Ain’t he sweet?
Komt onze goeiige krullenbol in een theetent om wat over de islam te kletsen. Vraagt hij de ober (zo’n man die een euro per dag verdient, of zo) of die zich wel aan het verplichte vasten houdt. Opnieuw wordt er hard gelachen. ‘Voor mij is het elke dag ramadan!’
Ain’t he sweet?
Onze chroniqueur van het dagelijkse leven op de brug raakt in gesprek met drie zusters. Twee van hen hebben geleden onder het juk van hun islamitische mannen, maar de jongste is een gelovige moslima, ‘dik onder de sluier’. Zij vertelt Mak dat die hoofddoek een uitdrukking van liefde is voor haar man. ‘Een uiting van respect.’
Nu had Mak, schrijf hij, net de Gallup World Poll onder ogen gehad, een uitgebreid internationaal onderzoek dat aan het licht had gebracht dat de man-vrouwverhouding voor de meeste moslima’s helemaal niet zo’n groot probleem was. Het gebrek aan eenheid tussen de moslimlanden, de corruptie en het gewelddadige extremisme waren veel erger, vinden moslimvrouwen in acht moslimlanden. En de sluier en boerka, ‘in het Westen alom beschouwd als symbolen van vrouwenonderdrukking’, daar hadden die vrouwen helemaal geen last van.
‘Opvallend’, meent Mak.
Zegt die oudste zuster, die van haar ploert van een man gescheiden is, dat die man gelukkig geen fundamentalist was geweest. ‘Anders hadden we onder een hoofddoek moeten lopen’. De jongste zus daarentegen verzekert Mak dat zij die hoofddoek ‘nooit als een beperking of een vorm van onderdrukking’ heeft gezien. Integendeel: ‘het is míjn vrijheid, míjn democratisch recht’.
Zo is dat natuurlijk ook, volgens de opvatting die Geert Mak en zijn geestverwanten in debatten in Nederland plegen te verkondigen.
Dan hoort Mak, in een volgend gesprek, van haar twee zusters hoe het werkelijk zit met die jongste. Was een prachtige meid geweest, blond, strakke jeans, lange benen, en vrijer dan wie ook. Trouwde op haar negentiende met een oudere rijke man. En ze zat gelijk klem. Vijf keer per dag bidden, binnen blijven, een terroriserende schoonmoeder die haar beveelt niet teveel seks te hebben want dat mat haar zoon zo af, en die zoon, haar man, wordt ook nog eens steeds gewelddadiger.
De twee oudste zusters leggen Mak uit dat hun jongste zusje zich met al die verhalen over haar geluk alleen maar op de been probeert te houden. ‘Dat is haar enige mogelijkheid, uit alle macht proberen gelukkig te zijn’. Als ze werk had, kon ze van hem scheiden, vertellen ze Mak. Maar ja die hoofddoek, dat maakt het natuurlijk zo goed als onmogelijk een baan te vinden.
Het zou mij niets verbazen wanneer Mak bij het eerst volgende debat toch weer gewoon de gemakkelijke waarheden van die Gallup Poll citeert om duidelijk te maken dat rechtse islamcritici alleen maar een probleem creëren dat in de alledaagse werkelijkheid van moslimvrouwen helemaal niet bestaat.
Zijn gesprekspartners op de brug zijn helemaal niet fundamentalistisch, vindt Mak. En die Önder dan, die van mening is dat Theo van Gogh terecht is omgebracht? ‘Jammer voor hem, maar hij verdiende te sterven. Hij beledigde de islam.’ Geen fundamentalist? ‘Misschien’, noteert Mak als uiterste concessie aan de werkelijkheid.
Mak is diep onder de indruk van de brugbewoners. Hun eer, dat is het laatste wat ze nog hebben. Mak registreert het gefascineerd. Maar dat dat eeuwige geouwehoer over eer en respect ook wel eens uit een vals zelfbewustzijn en zelfbedrog kan opkomen, komt niet in hem op. Misschien ook wel, maar hij laat die gedachte niet toe. Zoals hij alle andere signalen die hem vanuit de werkelijkheid van de brug bereiken, wel noteert maar ze vervolgens negeert om er geen conclusies uit te hoeven trekken.
Mak weet natuurlijk ook wel dat de brug een kloof is. Maar er zit iets in dat hoofd dat daar niet mee om kan gaan. Dat komt omdat zijn wereldbeeld maar één tegenstelling toelaat: of je bent multicultureel, en dan ben je goed, of je bent een nationalist, en dan ben je heel erg fout. Dat er meer is tussen hemel en aarde, dat je het multiculturalisme kunt afwijzen zonder een ‘nationalist’ te worden, is iets waar Mak simpelweg niet bij kan.
Als multiculturalist vindt hij natuurlijk dat wij – dat vermaledijde Westen – die kloof hebben geschapen. Mak registreert agressieve verongelijktheid, en ‘wij’ zijn schuldig want wij schenden de eer van het Oosten. Aan de roep om respect moeten we dan ook maar snel tegemoetkomen door Turkije lid van de Europese Unie te laten worden. Want Europa is een ‘verbeelde gemeenschap’ (merkt Mak op in een gesprek met Kees Fens, in een begeleidend boekje), en we moeten via Turkije een brug slaan naar het Midden-Oosten, en dat kan ook want binnen ‘enkele decennia’ zal Turkije fungeren als ‘een baken van modernisering in de Oosters-Islamitische wereld’.
Wie zich afvraagt of wereldvreemdheid en profetische gaven in het geval van Geert Mak misschien toch goed samen kunnen gaan, moet een paar andere opmerkingen van Mak in datzelfde gesprek met Fens eens tot zich laten doordringen. Vlakt u de heer Mak niet uit! Hij heeft vaak mogen ervaren dat wat hij thuis opschrijft later in de geschiedenis werkelijkheid wordt. Mak volgt de ontwikkelingen namelijk zo goed, dat hij bepaalde dingen ziet aankomen. Niet alleen de modernisering van Turkije, maar ook dat er in Nederland ‘iets niet goed zat’. Niet dat Mak ‘de moord op Fortuyn en de gevolgen daarvan’ zag aankomen, maar toch: Mak zit nu zijn lezingen uit de jaren negentig te bundelen ‘en ik zie dat ik bepaalde zaken die zich inmiddels hebben voorgedaan al heb aangevoeld’.
Wie in al zijn wereldvreemde ijdelheid zo’n gotspe laat noteren, in diens hoofd moet een onverdrijfbare mistwolk hangen. Maar ook dit boekje van de knuffelbeer van multicultureel Nederland zal overal juichend worden besproken. Terwijl iemand die met dergelijke snoeverijen en onthutsende naïviteit zichzelf naar de buitenste duisternis van de onwetendheid verbant, het eigenlijk niet meer verdient serieus te worden genomen.
*) Deze recensie is eerder verschenen in HP/De Tijd.
Er zijn mensen tot wie de wetten van de werkelijkheid maar moeilijk doordringen. De amateur-historicus Geert Mak is zo ongeveer de belichaming van deze waarheid. Hij tekent de werkelijkheid op, staat toe dat die werkelijkheid hem om zijn naïviteit uitlacht, maar laat zich er niet door corrigeren. Dat is waarschijnlijk ook wel zo gemakkelijk.
Geert Mak heeft dit jaar het boekenweekgeschenk geschreven. Het heet De brug, en die brug is de Galatabrug in Istanboel, die twee delen van de stad, het op het Oosten gerichte Zuiden en het op het Westen gerichte Noorden, met elkaar verbindt. We zijn dus precies waar we wezen moeten. Het gaat hier om het conflict tussen Europa en de islam, om de pijnlijke onontkoombaarheid van de modernisering, de winnaars en de verliezers, en ons schuldgevoel over de verliezers.
Mak heeft vorig jaar een paar maanden mijmerend op die brug rondgezworven, en is er met verschillende mensen aan de praat geraakt: met een meisje dat loten verkoopt, een parapluhandelaar, een zolenverkoper, jongens die sigaretten aan de man brengen. Zij zijn mensen voor wie het leven op de brug een laatste kans is om te overleven. En ze dromen: van een terugkeer naar het dorp waar ze vandaan komen, of van migratie naar het rijke Europa.
Mak praat met de sigarettenjongens, die zich lijmsnuivend op de been houden. Vraagt hij, socioloog uit de Amsterdamse grachtengordel, of die schatjes ook veel last hebben van criminaliteit. Beginnen ze heel hard te lachen. ‘Nou nee. Die criminelen zijn we meestal zelf’.
Ain’t he sweet?
Komt onze goeiige krullenbol in een theetent om wat over de islam te kletsen. Vraagt hij de ober (zo’n man die een euro per dag verdient, of zo) of die zich wel aan het verplichte vasten houdt. Opnieuw wordt er hard gelachen. ‘Voor mij is het elke dag ramadan!’
Ain’t he sweet?
Onze chroniqueur van het dagelijkse leven op de brug raakt in gesprek met drie zusters. Twee van hen hebben geleden onder het juk van hun islamitische mannen, maar de jongste is een gelovige moslima, ‘dik onder de sluier’. Zij vertelt Mak dat die hoofddoek een uitdrukking van liefde is voor haar man. ‘Een uiting van respect.’
Nu had Mak, schrijf hij, net de Gallup World Poll onder ogen gehad, een uitgebreid internationaal onderzoek dat aan het licht had gebracht dat de man-vrouwverhouding voor de meeste moslima’s helemaal niet zo’n groot probleem was. Het gebrek aan eenheid tussen de moslimlanden, de corruptie en het gewelddadige extremisme waren veel erger, vinden moslimvrouwen in acht moslimlanden. En de sluier en boerka, ‘in het Westen alom beschouwd als symbolen van vrouwenonderdrukking’, daar hadden die vrouwen helemaal geen last van.
‘Opvallend’, meent Mak.
Zegt die oudste zuster, die van haar ploert van een man gescheiden is, dat die man gelukkig geen fundamentalist was geweest. ‘Anders hadden we onder een hoofddoek moeten lopen’. De jongste zus daarentegen verzekert Mak dat zij die hoofddoek ‘nooit als een beperking of een vorm van onderdrukking’ heeft gezien. Integendeel: ‘het is míjn vrijheid, míjn democratisch recht’.
Zo is dat natuurlijk ook, volgens de opvatting die Geert Mak en zijn geestverwanten in debatten in Nederland plegen te verkondigen.
Dan hoort Mak, in een volgend gesprek, van haar twee zusters hoe het werkelijk zit met die jongste. Was een prachtige meid geweest, blond, strakke jeans, lange benen, en vrijer dan wie ook. Trouwde op haar negentiende met een oudere rijke man. En ze zat gelijk klem. Vijf keer per dag bidden, binnen blijven, een terroriserende schoonmoeder die haar beveelt niet teveel seks te hebben want dat mat haar zoon zo af, en die zoon, haar man, wordt ook nog eens steeds gewelddadiger.
De twee oudste zusters leggen Mak uit dat hun jongste zusje zich met al die verhalen over haar geluk alleen maar op de been probeert te houden. ‘Dat is haar enige mogelijkheid, uit alle macht proberen gelukkig te zijn’. Als ze werk had, kon ze van hem scheiden, vertellen ze Mak. Maar ja die hoofddoek, dat maakt het natuurlijk zo goed als onmogelijk een baan te vinden.
Het zou mij niets verbazen wanneer Mak bij het eerst volgende debat toch weer gewoon de gemakkelijke waarheden van die Gallup Poll citeert om duidelijk te maken dat rechtse islamcritici alleen maar een probleem creëren dat in de alledaagse werkelijkheid van moslimvrouwen helemaal niet bestaat.
Zijn gesprekspartners op de brug zijn helemaal niet fundamentalistisch, vindt Mak. En die Önder dan, die van mening is dat Theo van Gogh terecht is omgebracht? ‘Jammer voor hem, maar hij verdiende te sterven. Hij beledigde de islam.’ Geen fundamentalist? ‘Misschien’, noteert Mak als uiterste concessie aan de werkelijkheid.
Mak is diep onder de indruk van de brugbewoners. Hun eer, dat is het laatste wat ze nog hebben. Mak registreert het gefascineerd. Maar dat dat eeuwige geouwehoer over eer en respect ook wel eens uit een vals zelfbewustzijn en zelfbedrog kan opkomen, komt niet in hem op. Misschien ook wel, maar hij laat die gedachte niet toe. Zoals hij alle andere signalen die hem vanuit de werkelijkheid van de brug bereiken, wel noteert maar ze vervolgens negeert om er geen conclusies uit te hoeven trekken.
Mak weet natuurlijk ook wel dat de brug een kloof is. Maar er zit iets in dat hoofd dat daar niet mee om kan gaan. Dat komt omdat zijn wereldbeeld maar één tegenstelling toelaat: of je bent multicultureel, en dan ben je goed, of je bent een nationalist, en dan ben je heel erg fout. Dat er meer is tussen hemel en aarde, dat je het multiculturalisme kunt afwijzen zonder een ‘nationalist’ te worden, is iets waar Mak simpelweg niet bij kan.
Als multiculturalist vindt hij natuurlijk dat wij – dat vermaledijde Westen – die kloof hebben geschapen. Mak registreert agressieve verongelijktheid, en ‘wij’ zijn schuldig want wij schenden de eer van het Oosten. Aan de roep om respect moeten we dan ook maar snel tegemoetkomen door Turkije lid van de Europese Unie te laten worden. Want Europa is een ‘verbeelde gemeenschap’ (merkt Mak op in een gesprek met Kees Fens, in een begeleidend boekje), en we moeten via Turkije een brug slaan naar het Midden-Oosten, en dat kan ook want binnen ‘enkele decennia’ zal Turkije fungeren als ‘een baken van modernisering in de Oosters-Islamitische wereld’.
Wie zich afvraagt of wereldvreemdheid en profetische gaven in het geval van Geert Mak misschien toch goed samen kunnen gaan, moet een paar andere opmerkingen van Mak in datzelfde gesprek met Fens eens tot zich laten doordringen. Vlakt u de heer Mak niet uit! Hij heeft vaak mogen ervaren dat wat hij thuis opschrijft later in de geschiedenis werkelijkheid wordt. Mak volgt de ontwikkelingen namelijk zo goed, dat hij bepaalde dingen ziet aankomen. Niet alleen de modernisering van Turkije, maar ook dat er in Nederland ‘iets niet goed zat’. Niet dat Mak ‘de moord op Fortuyn en de gevolgen daarvan’ zag aankomen, maar toch: Mak zit nu zijn lezingen uit de jaren negentig te bundelen ‘en ik zie dat ik bepaalde zaken die zich inmiddels hebben voorgedaan al heb aangevoeld’.
Wie in al zijn wereldvreemde ijdelheid zo’n gotspe laat noteren, in diens hoofd moet een onverdrijfbare mistwolk hangen. Maar ook dit boekje van de knuffelbeer van multicultureel Nederland zal overal juichend worden besproken. Terwijl iemand die met dergelijke snoeverijen en onthutsende naïviteit zichzelf naar de buitenste duisternis van de onwetendheid verbant, het eigenlijk niet meer verdient serieus te worden genomen.
*) Deze recensie is eerder verschenen in HP/De Tijd.
1.3.07
Op de achterbank bij Melkert
Die Gerdi Verbeet, dacht ik altijd, begrijpt nog steeds niet dat ze inmiddels voorzitter van de Tweede Kamer is en niet meer naast Ad Melkert op de achterbank van zijn dienstauto zit. Zoals we ons herinneren, kon Melkert op die voor hem zo desastreuze avond van de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2002, nog maar één persoon in zijn onmiddellijke nabijheid dulden: Verbeet.
Dat dat bekend is geworden en dat je daarna nog over straat durft, is al iets dat ik me helemaal niet kan voorstellen. Maar Verbeet had na mei 2002 een andere reden om zich uit de politiek terug te trekken. Haar diepe afkeer van Pim Fortuyn en de LPF, en de hele fortuynistische revolte in de politiek, vervulde haar met zo’n weerzin dat ze Den Haag voor een paar maanden verliet. Ze durfde het toe te geven, en durfde nog steeds over straat te gaan. Sterker nog: toen ze dacht dat die revolte over zijn hoogtepunt heen was, keerde ze gewoon weer terug in de Kamer, waar ze binnen een paar jaar haar huidige machtspositie van Tweede-Kamervoorzitter verwierf.
In die positie probeerde ze Geert Wilders de mond te snoeren (wat haar niet lukte) en hield ze twee weken geleden met nauwelijks verhulde woede een motie tegen van PVV-kamerlid Sietse Fritsma waarin een veto tegen de staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak werd uitgesproken. Vanwege hun dubbele nationaliteit. Met als gevolg dat Wilders nu een motie van wantrouwen tegen hen heeft ingediend in het gisteren gevoerde debat over de regeringsverklaring.
Die ingrepen van Verbeet getuigden van dat hooghartig regenteske dat de oude politiek placht te kenmerken. Een wereldvreemde ontkenning van de problemen zoals die door gewone mensen worden ervaren, de weigering die problemen te benoemen, het toestoppen van de oren als anderen dat wel doen, gepaard met machtswellustige, door partijpolitieke motieven ingegeven pogingen de mensen die dat wel deden de mond te snoeren. Allemaal heel Melkertiaans dus.
Maar het is niet zo, ben ik inmiddels achter, dat die Verbeet een verdoolde eenling is die nog altijd droomt van die achterbank in Melkerts dienstauto. De Haagse politiek wil ons allemaal op die achterbank hebben, en daarmee een roerige periode in de Nederlandse politiek definitief afsluiten. Restauratie heet dat: het systeem heeft zich weer gesloten, in zichzelf en het verstatelijkte ‘maatschappelijk middenveld’, en het enige waar de media naar uit blijken te zien is dat het op die achterbank tot woordenwisselingen en gedoe tussen christenen (Rouvoet) en heidenen (Plasterk) komt.
Je zag al die jongens en meisjes rondom de koningin op die trappen staan, en je dacht: OK, het is over. In de politiek althans. We zijn terug bij af, en alle taboes worden in ere hersteld. Ewout Jansen kan zijn carrière als cabaretier vergeten na de bedreigingen vanuit de Amsterdamse As-Soennahmoskee. Er is geen minister van Justitie die het Openbaar Ministerie aan zijn plicht herinnert om pogingen tot het aanzetten tot moord te vervolgen, en iedereen kijkt weer de andere kant op. En als een kamerlid de kwestie van de dubbele nationaliteiten aankaart – wat werkelijk een probleem is, getuige de uitspraken van bijvoorbeeld de Maastrichtse hoogleraar in het strafrecht Twan Tak (in Opinio van 23 februari) – wordt hem de mond gesnoerd. Oude taboes op ‘gevoelige’ kwesties zijn krachtiger dan ooit teruggekeerd.
Wat bij de kamerverkiezingen het belangrijkste onderwerp had moeten zijn (de aanhoudende migratie en het gebrek aan integratie als belangrijkste bedreigingen van de sociale cohesie in Nederland) is door de dames en heren politici vakkundig vermeden, en is nu in handen gelegd van twee dames: van de ex-communiste Ella Vogelaar en de Turks-Nederlandse Nebahat Albayrak. Met zulke bewindslieden heb je als land verder geen vijanden meer nodig.
De ‘rebelse meid’ Ella ‘een boerka moet kunnen’ Vogelaar (hoe beginselloos en opportunistisch moet je zijn om binnen één generatie door te schuiven van de harde kern van de CPN tot een commissariaat bij Unilever?) mag de oude wijken gaan opknappen, en als die sociaal-economische kwestie is opgelost, is het probleem van de integratie ook van de baan. En mevrouw Albayrak mag onze grenzen gaan bewaken tegen de komst van maagdelijke bruiden uit Anatolië.
Dit is geen restauratie maar regressie, gefaciliteerd door de late emancipatie van een clubje machtsgeile christenen.
*) Dit stuk is eerder verschenen in Binnenlands Bestuur.
Dat dat bekend is geworden en dat je daarna nog over straat durft, is al iets dat ik me helemaal niet kan voorstellen. Maar Verbeet had na mei 2002 een andere reden om zich uit de politiek terug te trekken. Haar diepe afkeer van Pim Fortuyn en de LPF, en de hele fortuynistische revolte in de politiek, vervulde haar met zo’n weerzin dat ze Den Haag voor een paar maanden verliet. Ze durfde het toe te geven, en durfde nog steeds over straat te gaan. Sterker nog: toen ze dacht dat die revolte over zijn hoogtepunt heen was, keerde ze gewoon weer terug in de Kamer, waar ze binnen een paar jaar haar huidige machtspositie van Tweede-Kamervoorzitter verwierf.
In die positie probeerde ze Geert Wilders de mond te snoeren (wat haar niet lukte) en hield ze twee weken geleden met nauwelijks verhulde woede een motie tegen van PVV-kamerlid Sietse Fritsma waarin een veto tegen de staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak werd uitgesproken. Vanwege hun dubbele nationaliteit. Met als gevolg dat Wilders nu een motie van wantrouwen tegen hen heeft ingediend in het gisteren gevoerde debat over de regeringsverklaring.
Die ingrepen van Verbeet getuigden van dat hooghartig regenteske dat de oude politiek placht te kenmerken. Een wereldvreemde ontkenning van de problemen zoals die door gewone mensen worden ervaren, de weigering die problemen te benoemen, het toestoppen van de oren als anderen dat wel doen, gepaard met machtswellustige, door partijpolitieke motieven ingegeven pogingen de mensen die dat wel deden de mond te snoeren. Allemaal heel Melkertiaans dus.
Maar het is niet zo, ben ik inmiddels achter, dat die Verbeet een verdoolde eenling is die nog altijd droomt van die achterbank in Melkerts dienstauto. De Haagse politiek wil ons allemaal op die achterbank hebben, en daarmee een roerige periode in de Nederlandse politiek definitief afsluiten. Restauratie heet dat: het systeem heeft zich weer gesloten, in zichzelf en het verstatelijkte ‘maatschappelijk middenveld’, en het enige waar de media naar uit blijken te zien is dat het op die achterbank tot woordenwisselingen en gedoe tussen christenen (Rouvoet) en heidenen (Plasterk) komt.
Je zag al die jongens en meisjes rondom de koningin op die trappen staan, en je dacht: OK, het is over. In de politiek althans. We zijn terug bij af, en alle taboes worden in ere hersteld. Ewout Jansen kan zijn carrière als cabaretier vergeten na de bedreigingen vanuit de Amsterdamse As-Soennahmoskee. Er is geen minister van Justitie die het Openbaar Ministerie aan zijn plicht herinnert om pogingen tot het aanzetten tot moord te vervolgen, en iedereen kijkt weer de andere kant op. En als een kamerlid de kwestie van de dubbele nationaliteiten aankaart – wat werkelijk een probleem is, getuige de uitspraken van bijvoorbeeld de Maastrichtse hoogleraar in het strafrecht Twan Tak (in Opinio van 23 februari) – wordt hem de mond gesnoerd. Oude taboes op ‘gevoelige’ kwesties zijn krachtiger dan ooit teruggekeerd.
Wat bij de kamerverkiezingen het belangrijkste onderwerp had moeten zijn (de aanhoudende migratie en het gebrek aan integratie als belangrijkste bedreigingen van de sociale cohesie in Nederland) is door de dames en heren politici vakkundig vermeden, en is nu in handen gelegd van twee dames: van de ex-communiste Ella Vogelaar en de Turks-Nederlandse Nebahat Albayrak. Met zulke bewindslieden heb je als land verder geen vijanden meer nodig.
De ‘rebelse meid’ Ella ‘een boerka moet kunnen’ Vogelaar (hoe beginselloos en opportunistisch moet je zijn om binnen één generatie door te schuiven van de harde kern van de CPN tot een commissariaat bij Unilever?) mag de oude wijken gaan opknappen, en als die sociaal-economische kwestie is opgelost, is het probleem van de integratie ook van de baan. En mevrouw Albayrak mag onze grenzen gaan bewaken tegen de komst van maagdelijke bruiden uit Anatolië.
Dit is geen restauratie maar regressie, gefaciliteerd door de late emancipatie van een clubje machtsgeile christenen.
*) Dit stuk is eerder verschenen in Binnenlands Bestuur.
Subscribe to:
Posts (Atom)