19.3.08

Harry de Winter (II)

Na mijn interview met Harry de Winter, gisteravond bij Het Gesprek (zie hieronder), heb ik hem vandaag een mail gestuurd met artikelen die bewijzen dat leraren op Amsterdamse scholen de Holocaust verzwijgen omdat Marokkaanse leerlingen dat niet zo leuk vinden.
In het recente rapport van het ECRI (diezelfde lui die zo klaagden dat wij zo islamofoob geworden zijn), vond ik nog de volgende passage:

Onderwijs en bewustwording

36. In haar tweede rapport adviseerde ECRI de Nederlandse autoriteiten om het gebruik van reeds bestaand lesmateriaal tegen racisme en stereotypen in de onderwijspraktijk te waarborgen. Als voorbeeld van de hiertoe genomen initiatieven hebben de Nederlandse autoriteiten gewezen op buitenschoolse onderwijsprojecten en docentencursussen die beogen scholieren les te geven over de Tweede Wereldoorlog en het belang ervan voor de hedendaagse samenleving. Hierin komen thema’s aan de orde als de waarde van vrijheid, mensenrechten, wederzijds respect, democratie en burgerschap. Doel van deze initiatieven is een bewustwording over maatschappelijke processen en de rol die mensen daarin spelen, en tevens om leerlingen bekend te maken met de vergeten geschiedenis van groepen zoals de Roma en de Sinti. Deze initiatieven weerspiegelen de steeds grotere tijdsspanne die leerlingen van de Tweede
Wereldoorlog scheidt, waardoor algemene maatregelen voor de bewustwording van jongere generaties noodzakelijk zijn. Ook sluiten zij aan bij meldingen over
een steeds vijandiger opstelling van moslimleerlingen ten opzichte van lessen
over de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog, ten gevolge waarvan sommige scholen deze thema’s volledig uit de lesstof hebben verwijderd.


Hieronder de tekst van de korte email aan Harry de Winter (de bewijsstukken heb ik gepost):

Beste Harry,

Ik hoop dat je met enig gepast plezier op de uitzending van gisteravond terugkijkt; het was stevig, maar fair en sportief, naar mijn idee.

Jij zei niet te geloven dat leraren op Amsterdamse scholen de Holocaust verzwijgen omdat Marokkaanse jongetjes dat geen leuk onderwerp vinden. Ik heb e.e.a. aan bewijsmateriaal vergaard en leg dat hierbij aan je voor.

Nu je een tweede advertentie gaat plaatsen, heb ik wel een suggestie voor de tekst. Wat dacht je van:

‘Zolang de Holocaust op Nederlandse scholen uit angst voor reacties van moslimjongeren wordt verzwegen, zullen er altijd politici als Geert Wilders blijven, en nodig zijn.’



Hartelijke groet,

Bart Jan

Harry de Winter

Samen met Yoeri Albrecht heb ik gisteravond voor Het Gesprek Harry de Winter geïnterviewd - de man die maandag over de volle breedte van de voorpagina van de Volkskrant een advertentie plaatste waarin hij betoogde dat als Wilders hezelfde over de Joden en het Oude Testament zou zeggen als wat hij nu zegt over de moslims en de Koran, hij dan allang voor antisemitisme veroordeeld zou zijn. Een merkwaardige vermenging van religiekritiek en racisme dus. Een pittig gesprek, waarin De Winter ook zei dat hij nóg een advertentie gaat plaatsen wanneer ik kan bewijzen dat leraren op zwarte scholen in Amsterdam niet meer over de Holocaust durven te spreken omdat Marokkaanse jongens dan boos worden. Dat bewijs ga ik hem vandaag mailen. Bekijk het gesprek hier.

11.3.08

William F. Buckley in memoriam

William F. Buckley was niet alleen de journalist die met zijn National Review de grondslag van de Amerikaanse conservatieve beweging heeft gelegd, maar ook een man die van het goede leven hield – een levensgenieter die de spreuk van Walter Bagehot belichaamde: conservatism is enjoyment. Dat merkte Ross Douthat, die als stagiair werd uitgenodigd een dag met Buckley te gaan zeilen. Van zijn relaas van die tocht heb ik vorige week een Nederlandse vertaling in Opinio gepubliceerd, voorafgegaan door navolgende biografische schets van Buckley

William F. Buckley, Jr. (1925-2008)
In zijn huis in Stamford, in de staat Connecticut, is vorige week op 82-jarige leeftijd William F. (Bill) Buckley overleden. Bill Buckley was een van de belangrijkste vertegenwoordigers van een groep van academici, schrijvers en commentatoren die het Amerikaanse conservatisme van een intellectuele grondslag voorzagen. Hij gold dan ook als de intellectuele vader van het moderne Amerikaanse conservatisme. ‘De gesel van het liberalisme’ noemde Arthur M. Schlesinger hem – tot Buckley’s intense genoegen.
Er waren de beroemde vier boeken: The Road to Serfdom door de vrijemarkteconoom Friedrich Hayek (1944), Ideas Have Consequences door Richard Weaver (1948), Conservatism Revisited: The Revolt against Revolt (1949) van de historicus Peter Viereck, en The Conservative Mind door Russell Kirk (1953). Maar toen stichtte Buckley in 1955 een eigen tijdschrift, National Review, en hij wist daarmee een fusie tot stand te brengen tussen het traditionele conservatisme, de klassiek-liberale beweging (economische libertariërs) en anticommunisten. Daarmee legde hij binnen de Republikeinse Partij de basis voor een politieke beweging die in 1964 met Barry Goldwater nog mislukte, maar in 1981 met Ronald Reagan aan de macht kwam en in de afgelopen veertig jaar zeven van de tien presidentsverkiezingen heeft gewonnen.
Bij Reagan’s aantreden zei Buckley dat hij tevreden was met de rol van ‘buikspreker’ en dat hij elke officiële positie zou weigeren. Waarop Reagan grapte: “Wat jammer nou, ik wilde je net tot ambassadeur in Afghanistan benoemen” (toen door de Russen bezet). Zijn gebrek aan politieke ambitie was al in 1965 gebleken, toen Buckley meedeed aan de verkiezingen voor burgemeester van New York. Op de vraag wat hij zou doen als hij zou winnen, antwoordde hij: “Een hertelling aanvragen.” Hij kreeg 13 procent van de stemmen.
Buckley was de zoon van een gefortuneerde oliehandelaar uit New York, werd opgevoed door een Spaans sprekende gouvernante en opgeleid op privéscholen in Frankrijk en Engeland. Hij werd al in 1951 een nationaal bekende figuur. Hij publiceerde toen God and Man at Yale, een fundamentele kritiek op zijn universiteit, die hij ervan beschuldigde een atheïstische en collectivistische geest aan de studenten op te dringen. Hij zou daarna nog ruim vijftig andere boeken schrijven, over geschiedenis en politiek, maar ook over schrijven en spreken, over muziek en zeilen, en een serie spionageromans (Buckley zelf werkte kortstondig voor de CIA). Zijn column ‘On the Right’ verscheen jarenlang tweemaal per week in een groot aantal regionale kranten.
Buckley was een praktiserende katholiek, met een voorkeur voor de Latijnse mis. Hij speelde klavecimbel, had een vliegbrevet, en zeilde zowel de Atlantische als de Stille Oceaan over. Drieëndertig jaar lang, van 1966 tot 1999, presenteerde hij zijn eigen talkshow (Firing Line), en raakte geliefd als representant van een erudiet en humoristisch, zelfkritisch en vrijgevochten soort conservatisme.
Buckley had er aardigheid in de zelfbenoemde elite niet al te serieus te nemen. “Ik word liever geregeerd door de eerste tweeduizend namen uit het telefoonboek van Boston dan door de tweeduizend faculteitsleden van Harvard,” zei hij eens. Ondanks al zijn boeken, columns, en tientallen spreekbeurten per jaar, zei Buckley ooit: “Het is mij altijd weer gelukt de zaal teleur te stellen die mij naar een heldere en bondige verklaring van het conservatisme vroeg.” Maar hij schreef ook: “We moeten dat wat liberalisme heet omlaaghalen. Het is machtig maar decadent. En we moeten dat wat conservatisme heet, zien te redden. Het is zwak maar levensvatbaar.”

Zeilen met de godfather
De kans om William F. Buckley jr. te ontmoeten, de grote man, de godfather van rechts Amerika, de urbane en boosaardige prins van de conservatieven, was een extra voordeeltje voor wie stage liep bij National Review. Hij was niet langer officieel als redacteur aan het blad verbonden want eind jaren tachtig was hij teruggetreden, maar zijn invloed duurde voort. Het blad herdrukte zijn columns in elk nummer, en hij schreef ook nog een eigen rubriek. Zo af en toe leverde hij een langer artikel aan het blad, en hij had ook nog een eigen kantoor en een assistent in het gebouw aan Lexington Avenue in New York, ergens halverwege de lokalen van de redactie en die van de zakelijke leiding. Overal waren planken met zijn boeken, een stoet van vertrouwde titels die getuigden van de vijftig jaar durende tocht van Rechts van de puinhopen naar de macht.
De huidige redacteuren, zijn uitverkoren erfgenamen, dineerden iedere tweede maandag van de maand met hem, en op mijn eerste dag werd ik getrakteerd op een uitnodiging om mee te eten, samen met mijn mede-stagiair, Jaime Sneider, een conservatief van Columbia-universiteit. Ik had Jaime pas net ontmoet, maar hij en ik bezegelden die avond onze vriendschap, terwijl we ons vergaapten aan Buckley’s fantastische onderkomen aan New York’s Upper East Side – de butler met zijn doordringende blik; de koks en de meisjes die in het Spaans met elkaar fluisterden; de eettafel met glazen met sigaretten bij ieder bord; de luxe zitkamer met zijn weelderige tapijten en gelakte tafels. We gaapten ook naar Buckley, die op ons afkwam om ons te begroeten, met zijn heldere en nieuwsgierige ogen, zijn speelse opmerkingen, en een lichaam dat door de ouderdom wat slap was geworden maar nog altijd door een sluimerende energie bij elkaar werd gehouden, als een soort opgerolde potentie. Zijn vrouw Pat was bij hem, met haar slanke, dominerende gestalte, en een Britse tongval als die van haar man. Buckley was zeer charmant, en ging meesterlijk met zijn eigen beroemdheid om, die hij tegelijkertijd erkende en wegduwde, ons ontwapenend met zijn vrolijkheid en zijn beroemde glimlach.
Die avond, die in een waas van wijn en heerlijke vleesgerechten en ontspannen conversatie voorbijging, zou onze enige glimp van nabij van Buckley zijn – dat namen we toen tenminste aan. Gedurende de anderhalve maand die volgde was er niets dat die indruk wegnam. Maar toen, midden juli, werd ik gebeld. De stem aan de andere kant was die van Buckley’s persoonlijke assistent.
“Bill wil jou en Jaime graag uitnodigen om vrijdag met hem te gaan zeilen,” zei ze. “Kun je dan? Prachtig. Je wordt om zes uur in Stamford opgepikt. Bij het treinstation, ja. Prima. Nog een prettige dag.”

En dus namen Jaime en ik de trein langs de kust van Connecticut naar Stamford, waar Buckley ons inderdaad ophaalde. We reden naar de haven waar de bootjongen – Ben, een student van Yale – en Buckley’s schip Patito op ons wachtten. Het was voor het eerst dat ik op zo’n grote zeilboot voer, en tot dusver is het de enige waarop ik ben gevraagd het roer vast te houden – een experiment dat zich voordeed zodra we met de motor de haven uitgevaren waren en de zwerm van jachten, zeilboten en motorboten van Stamford achter ons hadden gelaten. Buckley en de bootjongen hadden de zeilen in orde gemaakt, waarbij de jongeman behendig over de boot rondsprong en de oudere man orders riep, touwen vastknoopte en stuurde. Iets later ging Ben onderdeks en kwam hij weer naar boven met champagne en crackers met zalm, die door de kok thuis waren klaargemaakt. En Ben mixte martini’s, wat zijn werkelijke expertise was.
We dronken ze op terwijl de zon daalde, en op een gegeven moment raakten Jaime en ik in een eindeloze discussie verzeild – over religie of politiek, wat weet ik niet meer, maar we deden ons best om intellectueel en ernstig te klinken en indruk te maken op onze gastheer met de breedte en diepte van onze nog zo jonge geesten. Buckley scheen ons aandachtig te volgen, met zijn hoofd een beetje schuin terwijl wij heen en weer praatten, totdat hij eindelijk opstond van zijn positie aan het stuurrad, zijn martini pakte en zijn keel schraapte.
“Jullie voeren een fascinerende discussie,” zei hij, “maar zou ik hier misschien iets van mijn wijsheid mogen inbrengen?”
“Natuurlijk,” zeiden we snel, ons verheugend op een bon mot, misschien zelfs een verbluffende diepzinnigheid. “Alstublieft.”
“Wel, heren” – zijn plotselinge grijns leek zijn wangen op te slokken – “het komt mij voor dat jullie nu misschien die truien moeten aantrekken. De zon gaat onder, weet je, en als je het op het water koud krijgt, krijg je het niet snel meer warm.”

We gingen voor anker in Oyster Bay, in een smalle inham waar nog enkele andere zeilboten lagen te dobberen, terwijl de zon achter de beschermende landarm verdween en de bomen langs de kust de baai met schaduw bedekten. De kok had steaks klaargemaakt, die Ben op de een of andere manier voor ons warm maakte, en daarna kwamen een salade en gebakken aardappels, en daarna taart. Het had voor een diner in een viersterrenrestaurant kunnen doorgaan, dacht ik toen, alhoewel mijn ervaring in dat soort etablissementen beperkt was en mijn waardering van de maaltijd waarschijnlijk ook was beïnvloed door de grote bar aan boord.
Buckley dronk het meest, maar als het invloed op hem had, dan is mij dat ontgaan, terwijl Jaime en ik zo dronken werden dat ik mij onze conversatie nog maar nauwelijks kan herinneren.
Toen het dessert was afgeruimd en Ben vertrokken was om te gaan schoonmaken, verhief Buckley zich uit zijn stoel en keek starend op ons neer. “Ik ga na het eten altijd zwemmen,” zei hij. “Jullie zijn natuurlijk hartelijk welkom wanneer jullie ook willen zwemmen.”
Nu hij het zei, leek een zwempartijtje precies wat we eigenlijk moesten doen. (Ik stel me zo voor dat praktisch alles op dat moment van de avond precies was wat we eigenlijk moesten gaan doen.) Maar toen dacht ik er wat beter over na en slaakte een diepe en spijtige zucht.
“Ik zou graag gaan zwemmen, meneer,” zei ik. “Héél graag zelfs. Maar helaas, ik heb geen zwembroek bij me.”
Het kostte me zo lang om deze conclusie te bereiken dat Buckley al bezig was het trapje op te gaan, en hij keek me nu met nauwelijks verholen plezier aan. “Nou, ik ook niet. Maar het is al erg donker buiten. En we zijn hier alleen maar met mannen, toch?”
Toen hij weg was, zaten Jaime en ik even te zwijgen, terwijl het eten zich in onze magen nestelde en de wijn ons naar de ogen steeg.
“Je gaat toch niet echt zwemmen, hè?” vroeg hij me.
“Jij niet dan?” vroeg ik.
“Nou ja.”
“Wat nou ja?”
“Ik ben gewoon niet zo’n zwemliefhebber.”
“Kom op, Jaime,” zei ik plechtig. “dat ben ik ook niet, eerlijk gezegd. Maar weet je, er breekt een moment in het leven van een man aan waarop hij de kans krijgt tegen zijn kleinkinderen te zeggen: Ik heb nog in adamskostuum gezwommen met William F. Buckley jr. En dit, Jaime, dít is die kans.”
Dat maakte een einde aan onze discussie. We sloegen de laatste restjes wijn achterover en gingen naar boven, waar Buckley net vanaf de boeg in het water sprong, een flits neerstortend wit vlees in de duisternis. Jaime en ik kleedden ons snel uit, gaven een schreeuw en sprongen hem achterna het water in. Tijdens mijn sprong zag ik dat Buckley alweer de ladder op klom, en naar zijn handdoek greep – en toen, terwijl het koude water mij met een schok ontnuchterde, herinnerde ik mij hoe slecht ik eigenlijk kon zwemmen.
“Ik verzuip, Douthat,” riep iemand vlakbij toen ik boven water kwam, zout water uitspugend en rondspartelend. De stem leek vaag op die van Jaime, maar ik had zo mijn eigen problemen.
“Zwem naar het trapje,” kon ik nog roepen, terwijl ik kwallen wegduwde en als een hond voortspartelde, me afvragend hoe vaak haaien Oyster Bay aandeden. “Naar het trapje, Jaime!”

De volgende morgen lichtten we het anker en draaiden naar het noorden, naar Stamford en naar huis. Het was een prachtige dag, het water glinsterde, en we speelden Ghost, een woordspelletje – dat Buckley natuurlijk won, met wat foetelen aan het eind.
Thuisgekomen nam Buckley ons mee naar het koetshuis bij zijn zomerhuis om ons daar zijn studeerkamer te laten zien, een grote ruimte vol met eindeloze boekenplanken. Op sommige planken stonden alleen maar boeken van Buckley – de politieke boeken, de boeken over zeilen, de Blackford Oak spionageboeken. “Pak maar van mijn boeken wat je hebben wilt,” zei hij, en dus graaiden we allebei een handvol boeken bij elkaar, en hij signeerde ze, en reed ons door het schitterende licht van die zaterdag terug naar het station van Stamford, waar we hem bedankten (misschien wat te overdreven, maar hij bleef heel aardig) en op de trein terug naar New York stapten.
“Vertel me eens, is dit allemaal echt gebeurd?” vroeg ik toen we neerploften op onze stoelen en de trein zich in beweging zette.
“Ik kan nog steeds niet geloven dat je ons dwong om te gaan zwemmen,” zei Jaime, en toen voerde een giechelbui ons weg, net als de trein, naar het westen, naar de stad, Buckley en zijn vrouw Pat, Ben de bootjongen en Stamford achter ons latend.

Het neoconservatisme van Jacques de Kadt

In het laatste nummer van Opinio heb ik een interview gepubliceerd met de Amsterdamse historicus Ronald Havenaar, kenner van het werk van Jacques de Kadt.
Ronald Havenaar is bijzonder hoogleraar Transatlantische betrekkingen en docent Nieuwste Geschiedenis aan de universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde in 1990 op een intellectuele biografie van Jacques de Kadt (De tocht naar het onbekende). Daarna publiceerde hij: Van Koude Oorlog naar nieuwe chaos (1993) en Muizenhol: Nederland volgens Willem Frederik Hermans (2003). Zijn inaugurele oratie behandelt Twee soorten conservatisme (2006).

Jacques de Kadt is in 1988 overleden, Uw intellectuele biografie van hem verscheen in 1990. Hebt u hem nog persoonlijk gekend?
Ik heb Jacques de Kadt één keer ontmoet, toen hij nog op zichzelf in Heemstede woonde, een jaar nadat zijn vrouw Esther Stern was overleden. Maar tijdens dat gesprek reproduceerde hij eigenlijk alleen maar citaten uit zijn eigen werk. Hij begon aan de dementie te lijden die hem kort daarna in een verzorgingstehuis Narmada in Santpoort bracht. Ik heb wel veel contact gehad met drie vrienden van De Kadt: Josine Meyer, die hem al kende vanaf zijn tijd bij de Bond van Kommunistische Strijd- en Propagandaclubs, in de jaren twintig, en een mooi essay aan hem heeft gewijd in haar bundel Oude vrienden en een veranderende wereld; Floris Cohen, de wetenschapshistoricus en broer van de burgemeester en die De Kadt zeer bewonderde; en Geert Van Oorschot, De Kadts uitgever.
Mijn belangstelling voor De Kadt is gewekt toen ik in Amsterdam politicologie studeerde. Daar domineerde het links radicalisme, en daar had ik al snel genoeg van. De terreur in de collegezalen deed mij aan de methodes van de SA denken, eerlijk gezegd. Ik heb De Kadt ontdekt toen ik midden jaren zeventig bij De Slegte grote bakken zag staan met zijn boeken. Het eerste deel van zijn mémoires, Uit mijn communistentijd, deed 10 cent, zijn laatste werk, Politiek der gematigden, ging voor 5 cent. De Kadt was in die tijd al door de PvdA uitgekotst en men kon zijn boeken aan de straatstenen niet kwijt. Maar ik vond bij hem terug wat ik over het nieuw-linkse denken dacht. In de jaren tachtig heb ik hem gekozen als onderwerp van mijn dissertatie.

Je zou verwachten dat iemand als Karel van het Reve een essay over De Kadt zou hebben geschreven, maar ik heb niets kunnen vinden.
Ja, dat klopt en het is inderdaad vreemd. Want Karel van het Reve was zeker een geestverwant. Evenals De Kadt was hij een anti-communist met een communistisch verleden en hij deelde eenzelfde gevoel voor humor. Nadat mijn proefschrift uit was gekomen zat ik met Van het Reve en Igor Cornelisse in een radioprogramma van Max Pam, en Van het Reve benadrukte toen wel, gek genoeg, dat hij De Kadt zeer interessant vond maar zijn toon wat té. Dat zei iedereen. Ik voelde mij juist aangetrokken tot die Multatuliaanse toon van De Kadt, dat eigenzinnige, geestige en tegendraadse. Dat leidde er wel toe dat de politiek hem niet serieus nam, ook de PvdA niet, zeker niet vanaf de jaren waarin Nieuw Links zijn invloed liet gelden. Maar anders dan Floris Cohen en Geert van Oorschot is hij geen lid geworden van DS’70. Dat vond hij politieke amateurs.

De Kadt bepleitte een nieuw ‘cultuursocialisme’. Wat bedoelde hij daarmee?
De Kadt schreef veel over dit onderwerp in de jaren dertig, veelal in tamelijk vage termen, maar waar het op neer kwam was de gedachte dat culturele ontplooiing het doel van een samenleving is en dat zoveel mogelijk mensen daaraan deel moesten kunnen nemen. Alle arbeiders moesten intellectuelen worden, dat was het ideaal. Een samenleving van beschaafde en gematigde mensen die geïnteresseerd waren in zaken van hoog kwalitatief niveau – dat was het doel.
De Kadt poneerde dit ideaal als antwoord op het fascisme. Hij begreep als een van de weinigen dat het fascisme niet alleen maar iets nihilistisch was, maar ook idealistisch. Het bekritiseerde het materialisme van zowel liberalisme als socialisme, de bewegingen van de ‘maagmens’, zoals De Kadt dat noemde. Hij typeerde het fascisme als ‘het tot haat verwrongen gelaat van de behoeften van deze tijd’. Die behoefte aan idealen was legitiem, maar werd binnen het fascisme uitgewerkt tot theorieën over natie en ras. De afkeer en het ressentiment die eraan ten grondslag lagen, moesten in goede banen worden geleid door het ideaal een nadere richting en inhoud te geven, die van het cultuursocialisme.
Bij dat ideaal kende De Kadt ook een belangrijke rol toe aan de elite. Die diende als een soort culturele voorhoede het kwaliteitsbesef te stimuleren. Je moet daarbij denken aan wat nu in het onderwijs gebeurt: de hernieuwde nadruk op kwaliteit, op goed lezen, rekenen en schrijven. De Kadt bedoelde ook het belang van bestuurlijke kwaliteit. Maar kom daar nu maar eens om. Bij dit kabinet-Balkenende gaat toch werkelijk alles mis: van de schoolboeken tot de prachtwijken.

Wat is de relatie tussen deze vorm van socialisme en de oude rode droom?
De oude, socialistische rode droom streefde naar de beteugeling van het kapitalisme, naar de beheersing van de gehele samenleving en naar totale gelijkheid als voorwaarde voor zelfbeschikking en volledige vrijheid. Dat vereiste een overheid die de samenleving kon sturen en tot in detail kon reguleren. Die hoge verwachtingen van de politiek heeft De Kadt voor de oorlog misschien ook nog wel gehad, maar het moderne aan hem was dat hij nadien is gaan inzien dat de mogelijkheden van de politiek beperkt zijn. Zij kan wel voorwaarden scheppen, maar niets opleggen. Daarom stond hij ook kritisch tegenover de PvdA in de jaren zeventig. Onderwijsminister Van Kemenade kwam bijvoorbeeld met een politiek die er uiteindelijk op gericht was burgers op te voeden tot solidariteit en andere socialistische waarden.
Hoe was De Kadts relatie met Den Uyl?
Nogal ambivalent. Den Uyl heeft De Kadt overigens wel geprezen, in een interview met Socialisme & Democratie, maar dat verscheen in mei 1988, kort na De Kadts overlijden en dat zal de woordkeuze van Den Uyl op z’n minst voor een deel hebben bepaald. Den Uyl bewonderde De Kadt wel oprecht vanwege diens aandacht voor de band tussen cultuur en politiek.
Maar De Kadt had, anders dan Den Uyl, in de jaren vijftig zijn geloof in grootse overheidsplannen al verloren. Hij verweet Den Uyl ‘planisme’, zoals hij het noemde, of ook wel ‘planetistisch dirigisme’. Daarmee bedoelde De Kadt een politiek die de maatschappij op de schop wilde nemen via het onderwijs, nivellering en de spreiding van macht door bijvoorbeeld de instelling van ondernemingsraden. En eveneens anders dan Den Uyl, had De Kadt er een scherp oog voor dat het socialisme niet gebaseerd kon zijn op het negatief ideaal van solidariteit als een vorm van jaloezie en ressentiment. De onderkant moet zich optrekken aan de bovenkant, en niet de bovenkant naar beneden trekken. Maar dat laatste is natuurlijk precies wat er is gebeurd, zeker in het onderwijs.
De Kadt stond veel dichter bij buitenlandse denkers als Raymond Aron en Daniel Bell. Zij geloofden ook al lang niet meer in maatschappelijke blauwdrukken, verkondigden het einde van de ideologieën en bepleitten een pragmatisch reformisme. Net als Aron was De Kadt als man van de Koude Oorlog een geharnast anti-communist. Aron en De Kadt deelden bovendien een grote belangstelling voor het belang van de morele veerkracht van een cultuur. Aron heeft de geest van 1968 het opium van de intellectuelen genoemd – zoals De Kadt het had over ‘de rebellie der pubers’ die alleen maar zou uitmonden in een ‘alles kan en mag’-mentaliteit. De Kadt bepleitte zelfbeheersing en gematigdheid. Aron schreef ook een boek over het decadente Europa, waarin hij er al de vinger bij legde dat er in Europa te weinig kinderen werden geboren en dat Europa niet meer bereid was zichzelf te verdedigen.

Die verdediging van het Westen werd De Kadts grote thema na de Tweede Wereldoorlog. Wat bedoelde hij met het Westen?
Dat was bij De Kadt geen geografische aanduiding, maar een typering van de open samenlevingen onder leiding van de Verenigde Staten, waar het kritische denken en de vooruitgang domineerde. De Kadt was absoluut overtuigd van de superioriteit van de westerse beschaving, zozeer zelfs dat hij sprak van de noodzaak van een mondiaal imperialisme, dat wil zeggen: het verbreiden en opleggen van onze orde met militaire middelen. Hij was eveneens een voorstander van preventieve oorlogen. Hij noemde dat de methode-Israël, in een boek dat hij kort schreef na de grote militaire overwinning van Israël tijdens de zesdaagse oorlog van 1967. Als je een vijand hebt, dan ga je erop af, en ga je niet zitten afwachten.
De Amerikaanse inval in Irak zou De Kadt dus hebben begrepen en goedgekeurd, al zou hij daarna stevig gescholden hebben op de stuntelige uitvoering van de bezetting.

De Kadt heeft nog wel meer heel erge dingen gezegd: hij vergeleek het fascisme met de islam, net als Churchill dat deed, en introduceerde de term ‘islamofascisme’.
Die uitspraken pasten in zijn ideeën over een superieure westerse beschaving. De islam had zijns inziens nog een lange weg te gaan om die superioriteit deelachtig te worden. Zo zat dat volgens De Kadt. Nee, hij was geen cultuurrelativist.

De Kadt was een neoconservatief, zo moet onze gefluisterde conclusie eigenlijk luiden.
De Kadt was een neoconservatief, ja. Hij was een man met een links verleden die zich ontwikkelde tot een communistenvreter. Hij bestreed de geest van 1968, en was kritisch over de uitwassen van de verzorgingsstaat, die zowel sociaal-economisch als moreel zeer ongewenste gevolgen had, hoe onbedoeld die ook waren, en die ook allerlei organisaties in het leven riep die vooral hun eigen belangen behartigen. En hij geloofde in de westerse superioriteit en de noodzaak onze orde te verspreiden, desnoods preventief. En hij steunde Israël onvoorwaardelijk.
Dat zijn inderdaad de thema’s waardoor een bepaalde groep binnen het Amerikaanse conservatisme, de neoconservatieven, zich hebben onderscheiden. Maar dat droeg ook weer bij aan De Kadts isolement, dat niet alleen werd veroorzaakt door zijn scherpe toon die mensen zo onaangenaam vonden. Wat hij inhoudelijk voorstond, die neoconservatieve agenda, is in geheel West-Europa nooit van de grond gekomen.

In de oude Letter&Geest heeft Paul Frentrop eens geschreven dat de PvdA net zoveel moeite heeft met De Kadt als de rooms-katholieke kerk met Galileo Galileï.
Ik begrijp wel wat hij bedoelt. Zoals Galileï het kosmologische fundament onder de middeleeuwse levensbeschouwing vandaan haalde, zo trok De Kadt het fundament onder het socialisme vandaan, het gelijkheidsideaal. De Kadts cultuursocialisme had dus wel raakvlakken met de rode droom, maar ondermijnde dit ideaal ook door een van de fundamenten ervan weg te vegen.

Is De Kadt nog actueel, zou de PvdA weer iets met hem kunnen?
Met Abraham Kuyper is De Kadt in Nederland de enige politieke denker van betekenis geweest. Een hernieuwde oriëntatie voltrekt zich nu al hier en daar binnen de PvdA, waarschijnlijk zonder dat men het zelf weet. Maar dat rapport van Dijsselbloem over de onderwijsvernieuwingen bepleit een ommezwaai naar kwaliteit en daarmee een einde aan lange decennia waarin de bovenkant alleen maar omlaag getrokken is. En iemand als Lodewijk Asscher is natuurlijk ook zeer verfrissend. Hij is een kwalitatief goede bestuurder en zijn kritiek op allerlei organisaties binnen de verzorgingstaat doet erg aan De Kadt denken.


De Kadt
Jacques de Kadt (1897-1988) groeide op in een liberaal-joodse omgeving. Hij was communist, tot 1935, en sloot zich aan bij de SDAP. In 1939 verscheen zijn hoofdwerk, Het fascisme en de nieuwe vrijheid. In mei 1940 vluchtte De Kadt naar Indië. Hij overleefde de internering tijdens de Japanse bezetting en keerde in 1946 naar Nederland terug. In 1948 werd De Kadt lid van de Tweede Kamer voor de PvdA, waar hij optrad als buitenlandspecialist en fervent anti-communist. In de tweede helft van de jaren zestig keerde hij zich tegen Nieuw Links, dat de PvdA steeds meer in zijn greep kreeg. In 1970 bedankte hij voor het lidmaatschap van de PvdA. In De politiek der gematigden (1972) viel hij de jeugdrevolte van de jaren zestig aan en waarschuwde hij tegen de ontspanningspolitiek tegenover het communisme. Een bloemlezing uit het werk van De Kadt verscheen in 1991 onder de titel De deftigheid in het gedrang.

4.3.08

FNV-voorzitter Jongerius over een niksig kabinet

Yoeri Albrecht spraken voor Het Gesprek met FNV-voorzitter Agnes Jongerius over het
'niksige' kabinet-Balkenende. Bekijk het interview hier.

In gesprek met Hans Jansen

Opinio-hoofdredacteur Jaffe Vink en ik spraken voor Het Gesprek met arabist dr. Hans Jansen over Islam in Nederland en aanverwante onderwerpen. Bekijk het interview hier.

Is een historisch-kritische lezing van de Koran mogelijk?

In de Volkskrant van vandaag (4 maart 2008) staat het volgende opinieartikel:

De aankondiging van Geert Wilders dat hij een filmpje gaat maken om aan te tonen dat de Koran een fascistoïde boek is – een omkering van de gedachtegang van Winston Churchill, die Hitler’s Mein Kampf ‘de nieuwe Koran van geloof en oorlog’ noemde: ‘bombastisch, breedsprakig, vormloos, maar duidelijk in zijn boodschap’ – heeft de nodige commotie veroorzaakt. Landen die zich niet direct door een onvoorwaardelijke koestering van de vrijheid van meningsuiting onderscheiden, dreigen al met een boycot, aanvallen (op onze militairen in Afghanistan) of andere represailles, en laten demonstranten nu al excuses eisen.

De Pakistaanse Telecommunicatie Autoriteit heeft de internetproviders in het land inmiddels laten weten dat de toegang tot de videosite YouTube tot nader order wordt geblokkeerd omdat er anti-islamitische filmpjes op staan, zoals de trailer van de aangekondigde Koranfilm van Wilders.

De dames en heren die ons kabinet bevolken, vrezen een nationale en internationale ‘crisis’, en hebben Wilders vorige week nog eens ontboden om hem op de mogelijke gevolgen van zijn film te wijzen en hebben hem gevraagd het project af te blazen. Je zou in een situatie als deze liever te maken hebben met een kabinet dat zegt: ‘Luister, de heer Wilders maakt een film, en maakt daarbij gebruik van zijn grondwettelijke rechten op de vrijheid van meningsuiting en religiekritiek. Als de speculaties over de teneur van zijn film juist zijn, zou het kunnen zijn dat wij ons van de inhoud distantiëren. Maar bij een dergelijk verschil van mening voeren wij hier in dit land een debat, desnoods tot de strafrechter aan toe. Zo gaan wij hier met elkaar om, en laten we dus niet merken dat iemand een vinger naar hem uitsteekt. We accepteren geen dreigementen, intimidaties, of geweld. Een dergelijke aantasting van onze rechtsstaat zullen we zonder genade moeten afstraffen.’

Maar we kunnen de ontwikkelingen rondom Wilders’ Koranfilm ook positief en optimistisch interpreteren, dialectisch zo u wilt, Paul Schefferiaans dus. Aan een periode van onverschilligheid waarin de autochtone bevolking en migranten vooral langs elkaar heen leefden – en ‘wij’ allochtonen een parallelle samenleving toestonden omdat een verzorgingsstaat en multiculturalisme nu eenmaal voedsterheren van tribalisme zijn – komt nu een einde. Zij gaat over in een periode van confrontatie, waarin we hard en scherp met elkaar in debat gaan. En die botsing leidt dan wel weer tot een nieuwe consensus, waarin de ongemakken uit heden en verleden zullen zijn overwonnen.

Voor het bereiken van die nieuwe consensus is veel afhankelijk van de kwaliteit van de reacties. Wilders’ film heeft al twee tegenfilmpjes opgeroepen: een multiculturele (te zien op internet), waarin Wilders als een extreme fascist wordt neergezet, en een project van GroenLinks-kamerlid Tofik Dibi. Vooralsnog is er dus niet al te veel reden tot optimisme.

En toen wilde ook de KRO zich ermee gaan bemoeien, zo berichtte deze krant vorige week. De katholieke omroep had plannen voor een ‘Bijbelfilm als reactie op de Koranfilm van Geert Wilders’, waarin een ‘koppeling’ te zien zou zijn van ‘gewelddadige en intolerante bijbelteksten aan actuele gebeurtenissen, net als de film van de PVV-leider doet met de Koran’.

Alhoewel we het met die summiere inhoudsbeschrijving moesten doen, wisten we toen eigenlijk al genoeg. Zoals Wilders wil laten zien – naar we aannemen – dat bepaalde Koranpassages tot gewelddadige ontsporingen leiden, zo wilde de KRO duidelijk maken dat we moslims met zulke passages niet zwart mogen maken. Wij, wij christenen, kunnen er ook wat van. Die Bijbel van ons herbergt ook heel wat anti-liberale passages, en die leiden ook nog altijd tot vervelende dingen.

Het grappige is dat de KRO slechts enkele dagen later al bekend maakte toch van zo’n tegenfilm af te zien. Na ‘uitvoerig overleg’ hadden ‘journalisten van divers redacties’ van de omroep daartoe besloten. De journalisten waren – ‘na uitgebreide research’, dat wel - tot het inzicht gekomen dat zij geen bijdrage aan de discussie over de methode van Geert Wilders konden leveren, omdat ‘koppeling van Bijbelcitaten aan actuele politieke gebeurtenissen en gewelddaden onvoldoende basis voor een gedegen journalistieke productie opleverde’. Aan het proza te zien hebben al die journalisten in Nijmegen bij Schillebeeckx gestudeerd. Waarschijnlijk bedoelen ze gewoon: het aantal vermoorde abortusartsen en andere gewelddadige acties valt toch een beetje tegen, en er is beroerd weinig filmmateriaal van bewaard gebleven.

De naïveteit die uit dit afgelaste plan spreekt, is onthutsend. In het voornemen openbaart zich een gevaarlijke denkrichting die met het schrappen van de plannen niet is herroepen en die we – na het cultuurrelativisme en het multiculturalisme - zullen moeten overwinnen: het godsdienstrelativisme. Deze vorm van relativisme, bestaande in de gedachte dat alle geloven nu eenmaal een vorm van religie zijn en als zodanig onderling inwisselbaar, waarbij het onmogelijk is om te zeggen of het ene geloof beter is dan het andere, vindt gretig aftrek: van christen-democraten die het voor alle religie plegen op te nemen, tot sociaal-democraten die ‘religie’ (welke dan ook) omhelzen als ‘middel tot integratie’, tot zogeheten Verlichtingsfundamentalisten die alle religie even erg vinden en om die reden naar de onzichtbare marges van de samenleving willen verbannen.

Deze gedachtegang is een vervelende vergissing, die ons verhindert om aan migranten duidelijk te maken hoe en wanneer hun geloof in de Nederlandse samenleving inpasbaar is. Juist rondom het grote thema van deze dagen, de status van de Koran, is dat gemakkelijk duidelijk te maken. Het gaat er niet zozeer om wát er in de Koran staat, maar hoe die wordt gelezen. En dan kan de islam nog heel wat van het christendom leren.

Vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw is in West-Europa namelijk een belangrijk principe van kracht geworden: het hermeneutische principe dat klassieke teksten, profane en religieuze, een ontstaansgeschiedenis hebben; dat zij in vele manuscripten zijn overgeleverd; dat een vergelijking van deze verschillende tekstgetuigen tot de vaststelling van een tekst moet leiden die het origineel (de ‘autograaf’) zo dicht mogelijk benadert; en dat de uitleg van die teksten zijn uitgangspunt heeft in de historische context waarbinnen zij zijn ontstaan.

De Italiaanse humanist Lorenzo Valla (1407 – 1457) was een van de belangrijkste grondleggers van dit principe, dat in de praktijk revolutionaire consequenties had. Met behulp daarvan toonde Valla bijvoorbeeld aan dat de zogenaamde Donatie van Constantijn (waarmee deze keizer het gehele West-Romeinse Rijk aan de rooms-katholieke kerk zou hebben geschonken) geen tekst uit de vierde maar uit de achtste eeuw was, en dus een latere vervalsing. Met die vondst werd een dreun uitgedeeld aan de wereldlijke machtsaanspraken van de kerk.

Valla legde zich ook toe op het verzamelen van Griekse handschriften van het Nieuwe Testament, om de oorspronkelijke tekst van dit tweede deel van de Bijbel zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. Maar het was Erasmus (1466–1536) die niet alleen naar Griekse manuscripten speurde, maar (met behulp van de vondsten van Valla) de Griekse tekst van het Nieuwe Testament ook uitgaf (in 1516 voor het eerst; er zouden nog vier edities volgen), samen met een nieuwe Latijnse vertaling van de tekst. Hij deed dat om de bestaande vertaling van de Bijbel, de Vulgaat, te corrigeren. Als gevolg van dit project werd voor velen ineens duidelijk dat bepaalde kerkelijke dogma’s die op de tekst van de Vulgaat gebaseerd waren, in de gezuiverde tekst geen grondslag meer vonden.

Binnen de westerse traditie van de christelijke kerk is het dus al ruim vijf eeuwen mogelijk, en gebruik geworden, om de tekst van de Bijbel als een document met een ontstaansgeschiedenis te beschouwen, de vraag naar de zuivere lezing ervan te stellen en de tekst met historische distantie te interpreteren.

Binnen de islam lijkt dit niet mogelijk. De Koran is door Allah aan Mohammed gedicteerd, en een discussie over de wording ervan is daarmee uitgesloten – en daarmee ook de mogelijkheid om de boodschap van de Koran met historische distantie en reserve te lezen. Een islamitische pendant van ‘Nestle-Aland’ (zoals de kritische uitgave van het Nieuwe Testament naar de namen van de bezorgers in de wandelgangen wordt aangeduid) bestaat dan ook niet en is niet mogelijk. Recente berichten over de vondst van verloren gewaande fotografische opnamen van Koranmanuscripten in een Beiers archief (verhaald door Andrew Higgins in de Wall Street Journal van 12 januari), en over het verzet tegen de openbaarmaking daarvan, tonen dit helder aan.
De eigenlijke vraag aan de islam is dus niet om delen uit de Koran te scheuren of om hun heilige boek te verbranden, maar of een historisch-kritische lezing van de Koran binnen deze geloofstraditie tot de mogelijkheden behoort. Daarvan bestaan vooralsnog immers geen bewijzen.

In een kerstmeditatie in deze krant heeft een zekere meneer Spengler, columnist van de Asia Times, betoogd dat paus Benedictus XVI de enige echte leider van het Westen is omdat hij begrijpt dat er een godsdienstoorlog gaande is tussen Allah en de joods-christelijke God, en dat de rooms-katholieke kerk met het glashelder benoemen van het verschil tussen beide religies het belangrijkste instituut op aarde is.

Sinds vorige week weten we dat we Spengler in die conclusie alleen kunnen bijvallen wanneer aan de voorwaarde van de excommunicatie van de KRO is voldaan.

29.2.08

Interview met Lodewijk Asscher

Yoeri Albrecht en ik spraken voor Het Gesprek met de charismatische jonge wethouder van Amsterdam Lodewijk Asscher. Bekijk het interview hier.

28.2.08

Al te interessante manoeuvres

‘We leven in interessante tijden’, zei Frits Bolkestein onlangs in een interview met de Volkskrant. ‘Misschien wel wat te interessant.’

Misschien wel wat te interessant is de voortdurende impasse die de bestuurlijke verhoudingen bedreigt als gevolg van de doorgaande verzwakking van het politieke centrum. De peilingen blijven een voortgaande trend aangeven, waarbij de partijen op de vleugels van het politieke spectrum (SP, Verdonk en Wilders) blijven groeien, terwijl het niet denkbeeldig is dat PvdA, CDA en VVD straks niet eens meer de zetels zullen halen die nodig zijn om gedrieën een kabinet van nationale eenheid te vormen.

Opmerkelijk genoeg heeft deze impasse zich nu vanuit de politiek naar het bestuurlijke overleg verplaatst. Agnes Jongerius, voorzitter van de vakcentrale FNV, heeft het 1-jarig bestaan van het kabinet deze week op geheel eigen wijze gevierd: met een interview waarin zij zich luidkeels over de huidige ministersploeg beklaagde. Die zou er meer voor de werkgevers dan voor de werknemers zijn, en had het bovendien bestaan om het voorjaarsoverleg te schrappen.

Jongerius werd vervolgens uitgemaakt voor een verongelijkte huilebalk, maar het is interessanter om de vraag aan de orde te stellen wat zich nu precies achter dit conflict aftekent. En dat is waarschijnlijk dit: het aantal SP’ers in de achterban van de FNV groeit gestaag, en dat leidt ertoe dat de standpunten van de vakcentrale harder en onbuigzamer worden. Dat heeft er al toe geleid – in een situatie waarin ook de PvdA de hete adem van de SP in zijn nek voelt en zich niet al te veel weldenkendheid meer kan permitteren – dat een onderwerp als de flexibilisering van het ontslagrecht niet eens op de agenda mag komen. De opkomst van het populisme is dus niet alleen explosief voor het politieke kartel in het centrum van de politieke macht, maar ook voor het corporatisme in het centrum van de bestuurlijke macht.

De SP blijft ondertussen goed nadenken en strategische zetten maken. De SP is zich goed bewust van het feit dat ze een achterban delen met Geert Wilders, de ‘kampioen van de kleine man’. Deze week publiceerde de SP dan ook de nota Wat Wilders Wil, een analyse van de 250 moties van de Partij voor de Vrijheid en van Wilders’ publicaties. Conclusie van de SP: Wilders biedt helemaal geen oplossingen voor de problemen van de gewone, verontruste burgers. Integendeel: hij behartigt de belangen van de rijken en de grote ondernemingen, en de PVV vindt het welzijn van dieren belangrijker dan dat van mensen – zeker als die niet van Nederlandse komaf zijn. Vervolgens bleek dat Wilders nog beter had nagedacht: hij zei dat de publicatie van de SP een paniekreactie was omdat ze bij de SP natuurlijk ook wel begrijpen dat hun steun voor het generaal pardon kiezers in de armen van de PVV drijft.

Terwijl de retoriek op deze vleugel gewoon doorgaat, heeft een derde partij zich uit deze discussie teruggetrokken: de VVD. Tot het inzicht gekomen dat zij de kiezers ‘op rechts’ niet meer op Wilders en Verdonk gaan heroveren, richten de liberalen hun pijlen op het CDA. Kamerlid Henk Kamp kwam met zijn CDA draaiboek, en fractievoorzitter Mark Rutte herhaalde de aantijging in een interview met het ANP: het CDA draait met alle winden mee, heeft als coalitiepartner van PvdA en ChristenUnie belangrijke standpunten van vandaag op morgen herzien, en heeft zich daarmee vooral ‘onbetrouwbaar’ getoond. Kort daarvoor, bij de viering van het zestigjarig bestaan van de VVD, had Rutte de CDA-kiezer al de hand gereikt door te benadrukken dat zijn VVD geen anti-religieuze partij is. Rutte wil in een nieuwe beginselprogramma zelfs opnieuw de gedachte laten opnemen dat het liberalisme gebaseerd is op de grondslagen van de christelijke cultuur.

Hans Wiegel heeft gezegd dat geen VVD-leider het ooit zo lastig heeft gehad als Rutte nu. Hij is immers de eerste VVD-aanvoerder die met concurrentie op de rechtervleugel te maken heeft gekregen. De VVD heeft zich lang van alles kunnen permitteren omdat de rechtse kiezer toch geen alternatief had. Dat is nu anders. En het nieuwe is nu dat de VVD de concurrentiestrijd met het CDA aan gaat, en zich dus op het politieke centrum richt, en de rechtervleugel ongedekt laat. Wilders en Marijnissen hebben nu de handen vrij om hun electorale strijd daar met elkaar uit te vechten.

Zo verschuiven de panelen in de Nederlandse politiek, en ontstaan er voortdurend nieuwe manoeuvres en nieuwe fronten. Dat is allemaal heel interessant, maar misschien ook wel wat te interessant. Waar het op uit loopt kan immers niemand zeggen.

* Als column verschenen in Binnenlands Bestuur

25.2.08

Bolkestein en Cohen: gedroomde premiers

Frits Bolkestein en Job Cohen gaan de komende weken met elkaar in discussie in de kolommen van Opinio. Lees hier de openingsbrief van Frits Bolkestein. Ter gelegenheid van deze briefwisseling schreef ik het onderstaande dubbelportret voor Opinio.

Alle pogingen om het politieke landschap in Nederland tot twee kampen te herkavelen, zijn tot nog toe mislukt. Als het zou lukken, zou het ons weinig moeite kosten ons Frits Bolkestein als de onbetwiste leider van het ene kamp voor te stellen en Job Cohen als die van het tegenovergestelde.

Zij zijn de gedroomde kandidaten van twee verschillende bevolkingsgroepen.
Rechts tegenover links, de VVD tegenover de PvdA, de behoudende liberaal tegenover de sociaal-democraat, gegevenheden als nationale identiteit en cultuur tegenover de idee van het multiculturalisme, het scherpe debat tegenover het drinken van kopjes thee, dualisme versus polderen, direct en onomfloerst tegenover omzichtig en diplomatiek, een gevoel van urgentie tegenover de gedachte dat alles goed komt wanneer we maar niet zo zouden polariseren: zo lopen de breuklijnen ongeveer, tenminste in de gedachte van die bevolkingsgroepen.

Frederik Bolkestein wordt in april 75 jaar, Marius Job Cohen is veertien jaar jonger.
Bolkestein glorieerde in de jaren negentig als partijleider van de VVD; in 1998 scoorde hij 38 kamerzetels, en hij had toen volgens velen een succesvolle greep naar het premierschap kunnen doen. Job Cohen werd in 2003 door PvdA-leider Wouter Bos gepresenteerd als kandidaat-premier van zijn partij, maar de PvdA won de verkiezingen niet en Cohen bleef burgemeester van Amsterdam. In een recent interview met De Pers kondigde Cohen echter aan dat hij niet opziet tegen een terugkeer in de landelijke politiek. Hij is de laatste tijd vaak op de buis, zelfs om een debat aan te gaan met PVV’er Hero Brinkman, die hem voor ‘de slechtste en meest naïeve burgemeester’ uitmaakte.

Bolkestein maakt dezer dagen vooral een onthechte indruk. Hij zegt blij te zijn dat hij weg is uit de politiek, en hij is tegenwoordig als hoogleraar Intellectuele Grondslagen van Politieke Ontwikkelingen aan de universiteiten van Leiden en Delft verbonden. Hij schreef, anders dan Cohen, al een tiental boeken, en hij wil er daar nog één aan toevoegen: over de kwalijke rol van romantische intellectuelen in de politiek. Bolkestein denkt daarbij ongetwijfeld aan Joop den Uyl, Cohens partijgenoot.

Er zijn ook overeenkomsten tussen beide antagonisten. Beiden zijn Amsterdammer. Als ze een kopje thee met elkaar zouden willen drinken, zou de afstand lopend te overbruggen zijn: Cohen woont in zijn ambtswoning aan de Herengracht, Bolkestein houdt kantoor aan de Amstel.

Beide heren zijn geen up-starts. Cohen is de tweede zoon van A.E. (Dolf) Cohen (1913), die als historicus in 1941 bij Johan Huizinga promoveerde en als hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis en als rector magnificus aan de Universiteit van Leiden was verbonden. In de Tweede Wereldoorlog was hij ondergedoken; de grootouders van vaderszijde van Job Cohen kwamen in de oorlog om in het concentratiekamp Bergen-Belsen.

De grootvader van Frits Bolkestein, Gerrit Bolkestein, was zoon van een melkhandelaar, maar zelf werd hij eerst onderwijzer, daarna inspecteur van het onderwijs, en vervolgens minister van Onderwijs in het kabinet-De Geer II en in de kabinetten-Gerbrandy. Tijdens de oorlog zat hij dus als minister in Londen. Bolkesteins vader was advocaat en president van het Amsterdamse Gerechtshof.

Bolkestein maakte na zijn studie in Amsterdam carrière bij Shell (van 1960 tot 1976) en verbleef al die jaren in het buitenland; pas daarna koos hij voor de politiek, uit onvrede met de politiek van Den Uyl.

Cohen koos na zijn promotie in 1981 voor de universiteit. Hij ging naar Maastricht, waar hij in 1983 hoogleraar aan de juridische faculteit werd. Vanaf 1991 was hij tevens rector magnificus.

Toen Cohen zijn entree in de politiek maakte, in 1998 (al was hij kortstondig staatssecretaris van Onderwijs, van 1993 tot 1994, en lid van de Eerste Kamer), was Bolkestein al een old hand aan het Binnenhof. Hij was staatssecretaris van Economische Zaken (1982–1986) en minister van Defensie (1988–1989)geweest, en hij had vanaf 1990 de VVD-fractie in de Tweede Kamer geleid. In het jaar dat Cohen staatssecretaris van Justitie in het tweede kabinet-Kok werd en een nieuwe Vreemdelingenwet door de Tweede Kamer loodste, verliet Bolkestein de Nederlandse politiek om in Brussel Europees Commissaris voor de Interne Markt te worden. Hij bleef dat tot 2004. In die periode verruilde Cohen Den Haag voor Amsterdam, waar hij in januari 2001 als burgemeester aantrad. Hij kreeg er onder andere te maken met de moord op Theo van Gogh (2 november 2004), de filmmaker die hem altijd fel had bekritiseerd. Cohen sprak op de herdenkingsbijeenkomst die op de avond van de moord op de Dam werd gehouden, maar tijdens de uitvaartdienst zat hij achter in de zaal.
Cohens adagium (‘de boel bij elkaar houden’) was lange tijd uit, maar het mag zich in het huidige kenterende politieke klimaat weer in een zekere populariteit verheugen. “Ik heb op dit punt geen ogenblik getwijfeld of ik gelijk had,” aldus Cohen in het eerder genoemde interview met De Pers. “Het is volgens mij de enig juiste weg, en ik kán ook niet anders. Na de moord op Van Gogh werd het guur, maar daarna hebben anderen schoorvoetend ook weer het gevoel gekregen dat er iets basaals, gemeenschappelijks nodig is om door te gaan. Ik ben tevreden dat veel mensen inzien dat dit de juiste richting is, maar niet omdat het nu zo heerlijk is dat ik gelijk krijg… nee, écht niet! Zo zit ik niet in elkaar.”

Zowel Bolkestein als Cohen heeft dus al een imposante carrière achter de rug, waarbij opvalt dat Cohen veel meer publieke erkenning ten deel is gevallen dan Bolkestein. Bolkestein is de man die in de jaren negentig de problematiek van immigratie en integratie op de politieke agenda zette – al was hij jarenlang een roepende in de woestijn. Cohens partijgenoot Jacques Wallage (destijds fractievoorzitter van de PvdA, tegenwoordig burgemeester van Groningen) verweet Bolkestein dat hij slechts onderbuikgevoelens bespeelde. In januari 2000 ging een andere PvdA’er, Paul Scheffer, met de eer strijken toen hij in het NRC Handelsblad het artikel ‘Het multiculturele drama’ publiceerde – waarin volgens velen weinig stond dat Bolkestein al niet eerder had gezegd.

Cohen glorieerde als de burgemeester die het eerste homohuwelijk en het huwelijk van kroonprins Willem-Alexander en prinses Máxima sloot (op 2 februari 2002 in de grote zaal van de Beurs van Berlage). In 2005 werd hij door het blad Binnenlands Bestuur tot de beste burgemeester van de afgelopen 25 jaar uitgeroepen, een jaar later werd hij gekozen tot de op één na beste burgemeester ter wereld, en werd hij door het tijdschrift Time ook uitgeroepen tot Held van Europa. Cohen geniet vooral waardering in kringen die zich inzetten voor ‘een open, democratische en tolerante samenleving’, zoals het werd geformuleerd in het rapport bij de Burgerschapsprijs die hij in november 2005 ontving.

Typerend voor het verschil tussen de directe Bolkestein en de omzichtige Cohen is een discussie uit april 2002. Voetbalfans scandeerden anti-Joodse liederen, en anti-Israëldemonstranten gingen zich aan hevig geweld te buiten. In het programma Buitenhof wees Bolkestein op het feit dat de meerderheid van de bevolking in de grote steden binnen enkele decennia allochtoon zal zijn en hij voorspelde dat incidenten tussen allochtone, islamitische jongeren en Nederlandse Joden vaker zullen gaan plaatsvinden. Volgens Cohen, die daags daarna in het NRC reageerde, waren de oorzaken van het toenemende antisemitisme vooral ‘buitengewoon complex’: “Bolkestein legt ongelooflijk snel een aantal causale verbanden die ik niet voor mijn rekening wil nemen.” Bolkesteins uitspraken zouden de kampen alleen nog maar verder uit elkaar drijven. “We moeten juist de kampen bij elkaar zien te houden. Daarvoor moeten we de contacten met die groep jongeren intensiveren. Met ze in gesprek gaan, in gesprek blijven en toch de grens duidelijk stellen.”

“Waarom is men toch zo beducht het kindje bij de naam te noemen?” vroeg Bolkestein zich af toen hij in 2003 samen met Cohen op een antisemitismebijeenkomst sprak en hij als enige de islamitische wortels van het nieuwe antisemitisme noemde.
Vanaf vandaag gaan beide heren in Opinio over deze en andere zaken in discussie.

*) Dit artikel verscheen eerder in Opinio.