27.8.09

Politieke onafhankelijkheid

De SP’er Ronald van Raak heeft deze zomer een wetsvoorstel ingediend dat een einde moet gaan maken aan ‘de riante sociale voorzieningen’ die politici zichzelf toebedelen. Een Kamerlid dat zijn baan verliest, kan bijvoorbeeld zes jaar lang aanspraak maken op een wachtgeldregeling, zonder dat hij hoeft te solliciteren. Volgens Van Raak is dat ‘zakkenvullerij’, ja ‘je reinste zelfverrijking’. Voor politici moet hetzelfde gelden als voor de mensen die zij vertegenwoordigen, zegt Van Raak. ‘Zo bijzonder zijn politici niet.’

Het hele idee is links populisme op zijn allervenijnigst en zijn allerslechtst, slechts bedoeld om de politiek als zodanig bij de burgerij in diskrediet te brengen. En het getuigt vooral van een schrijnend gebrek aan historische kennis, wat opmerkelijk mag heten bij Van Raak, die een gepromoveerd historicus is (zij het aan de universiteit van Amsterdam).

Die wachtgeldregeling is ingesteld omdat een politicus, als het goed is, wel bijzonder is, en dat voor hem daarom niet altijd en overal hetzelfde moet gelden als voor andere burgers. Die financiële regelingen behoren daartoe.

Idealiter immers, is een volksvertegenwoordiger financieel onafhankelijk. Alleen wanneer hij financieel onafhankelijk is, is hij niet van zijn ambt afhankelijk voor zijn bestaan. Die financiële onafhankelijkheid biedt hem ook de mogelijkheid om in andere opzichten zijn onafhankelijkheid te bewaren. Hij hoeft niet op het commando van zijn politieke bazen ja of nee te knikken om zijn baantje te bewaren en daarmee het brood op de plank veilig te stellen.

Het voorstel van Van Raak roept herinneringen op aan een eerder debat in de Tweede kamer over de onkostenvergoeding van parlementariërs. Een zekere Boudewijn Nierstrasz, directeur van een stoomvaartmaatschappij en Kamerlid namens de Bond van Vrije Liberalen, keerde zich in 1916 tegen een voorstel om die vergoeding te verhogen omdat hij bang was voor ‘beroepspolitici’: afgevaardigden voor wie hun mandaat een middel van bestaan is. Omdat ze voor hun inkomen van de politiek afhankelijk zijn, zijn ze ten diepste onbetrouwbaar. Ze waaien met alle winden mee zolang ze maar herkozen worden.

Een van de laatste politici die in Nederland aan het aloude onafhankelijkheidsideaal beantwoordde was de VVD’er Frits Bolkestein. Voordat Bolkestein de politiek en het landsbestuur in ging werkte hij zeventien jaar op hoge posities bij Shell - vanuit het klassieke ideaal dat je eerst je sporen elders moet verdienen, en financieel een positie als "gentleman" moet hebben, voordat je je met het landsbestuur moet
inlaten.

Het tegenovergestelde van dit ideaal is het besluit van de SP om een adolescent naar de Eerste Kamer af te vaardigen - vanuit een behoefte een middelvinger naar de Nederlandse politiek op te steken die vergelijkbaar is met het voorstel van Van Raak.

Momenteel is er in Duitsland een politicus in opkomst, de CSU’er Karl-Theodor zu Guttenberg, die in dit opzicht (en in enkele andere) met Bolkestein vergelijkbaar is. Hij is sinds kort minister van Economische Zaken in het kabinet van Angela Merkel en geniet een ongekende populariteit – alhoewel hij op economisch terrein hoogst impopulaire dingen zegt. Maar de mensen prijzen zijn uitgesproken profiel en zelfstandigheid. Hij is namelijk niet bang om zijn mening te geven, ook als die mening dwars tegen die van Angela Merkel of de heersende consensus in gaat.

Guttenberg vertegenwoordigt, met andere woorden, het type politicus dat zo goed als uitgestorven is maar waarnaar de sympathie van de bevolking als vanzelf uitgaat.
Guttenberg is het type politicus dat ruimte opeist voor onafhankelijkheid en creativiteit en niet willoos mee doet aan een politieke cultuur waarin regeerakkoorden en achterkamertjesoverleg centraal staan. Ook in Nederland hebben we politici gehad (Wiegel, Joekes, Kaland) die zich niet thuis voelden in een monistische cultuur en zich niet naar de macht voegden. Die zelfstandigheid wekt bewondering.

Niet iedereen wordt met een gouden lepel in de mond geboren, zoals Guttenberg, en niet iedereen beschikt over het meervoudige talent van Bolkestein. Om ervoor te zorgen dat álle politici enigszins vrij ten opzichte van hun politieke werkgever kwamen te staan, is er die wachtgeldregeling, zodat zij het na een conflict met de politieke top nog even kunnen uitzingen.

Wanneer je lid bent van een partij met stalinistische en volstrekt monistische kaders begrijp je dat natuurlijk allemaal niet – maar het initiatief is als populistische breuk met een waardevol verleden een bewijs van schuldige onwetendheid.

19.8.09

Politiek, media en Wilders

Als iedereen deze week en de komende weken weer aan het werk of naar school gaat, en iets meer rechtop loopt, iets soepeler vanuit de heupen, de kin iets meer omhoog, dan komt dat omdat tal van rampen die ons plechtig waren beloofd, op het laatste moment niet door blijken te gaan.

Ik heb de afgelopen weken een aantal emails ontvangen waarin mij werd gevraagd nu alvast wat stukken aan te leveren voor het najaar. Dan zou immers een derde tot de helft van de personeelsleden thuis ziek in bed liggen met de Mexicaanse griep, en bij zo’n onderbezetting zou het goed zijn alvast wat stukken op de plank te hebben. Maar nu blijkt die Mexicaanse griep helemaal niet de beloofde pandemie te brengen en een gewoon griepje te zijn.

Het zou sowieso erg rustig zijn geworden in de Nederlandse kantoren en fabrieken. Niet alleen zou een groot percentage van werknemers en scholieren onder de wol van het ziekbed verdwijnen, een ander derde deel zou achter de geraniums terecht komen. De internationale financiële crisis zou de werkloosheid tot ongekende hoogten opdrijven. Maar ook dat gaat niet meer door. In Frankrijk en Duitsland groeit de economie al weer, en in ons eigen land is de vrije val van de economie tot staan gekomen (overigens op een zeer negatief groeicijfer). Dus met die crisis schijnen we het ergste ook al weer achter de rug te hebben.

Een derde ramp die Nederland in de ogen van velen bedreigde was het fenomeen Geert Wilders en zijn PVV. Zijn eclatante successen bij de Europese verkiezingen zou hij bij de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar wel eens kunnen herhalen. In 92 gemeenten was hij als de grootste uit de bus gekomen. Maar zie, Wilders heeft aangekondigd dat hij alleen in Den Haag en Almere mee zal doen en dat hij zich verder op de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de Tweede kamer in maart en mei 2011 zal concentreren. Want hij wil de landelijke macht. Een lokale greep naar de macht is vooralsnog afgewend.

In de reacties op Wilders’ besluit streden sarcasme en opluchting om de voorrang. Volgens meisje Halsema laat Wilders zijn kiezers in de kou staan, volgens Pechtold liet hij weer eens zien dat zijn PVV geen democratische partij is. Marco Pastors in Rotterdam had uiteraard een goede dag en zei dat ook.

Het besluit van Wilders is wellicht niet fraai. Een politieke partij zou idealiter immers overal en altijd haar kiezers moeten kunnen vertegenwoordigen. Dat Wilders - na al die jaren - nog steeds geen geschikte kandidaten kan vinden en om die reden in de meeste gemeenten van deelname afziet, verbaast ook enigszins. In de eerste plaats omdat de politiek het domein van het opportunisme is, en de roverhoofdman die veel buit te verdelen heeft altijd veel volgelingen zal trekken. Bovendien had Wilders, zo konden we hier en daar lezen, zijn aanhang aanmerkelijk verbreed. Ook de hoger opgeleiden zouden hem inmiddels steunen in zijn strijd voor de vrijheid van meningsuiting. Maar dat betekent blijkbaar nog niet dat ze ook openlijk de PVV willen steunen. Het afbraakrisico en de gevraagde offers, qua reputatie en sociaal-economisch, zijn blijkbaar nog steeds te groot. En dan blijven de bozen en de verongelijkten over en daar ga je de oorlog niet mee winnen.

Wilders is terecht bevreesd voor een fatale combinatie van slechte vertegenwoordigers en media die iedere tegel zullen omdraaien om zijn partij te ontmaskeren. In het voorjaar van 2002, toen Kok-II was gevallen en Fortuyn in opkomst, gaf Wim Kok zijn laatste wekelijkse persconferentie. Na afloop daarvan waren er speeches en cadeautjes van het journaille voor de vertrekkende premier. Bij de naborrel stonden wat journalisten bij elkaar om de landelijke situatie te bespreken. Hun conclusie luidde dat ‘het volk’ nu nog wat ‘onrustig’ was, en daarom was enige terughoudendheid vooralsnog gepast, maar na het zomerreces … dan zouden ‘we’ ‘ze’ gaan maken. Wij journalisten zouden, met andere woorden, de jacht op de LPF openen.

De LPF heeft het de journalistiek erg gemakkelijk gemaakt. In oktober 2002, 87 dagen na zijn aantreden, viel het eerste kabinet-Balkenende. Er is in Nederland sprake van een merkwaardige verbroedering van journalistiek en politiek rond de vleespotten van de macht. En dat weet Wilders natuurlijk ook.

11.8.09

Dirty mind*

Een oud gezegde luidt dat de duivel in het detail zit. Dat wil zo ongeveer zeggen dat dingen ogenschijnlijk hetzelfde kunnen zijn, maar bij nadere beschouwing toch heel verschillend. En dat dat detail dat je aanvankelijk niet eens ziet, een beslissend verschil blijkt te zijn.

Aan dat oude gezegde moest ik terug denken toen ik onlangs deelnam aan een zomerschool voor studenten. Een van de sessies was gewijd aan een veel bediscussieerd onderwerp: waarden en normen en de sociale cohesie in de Nederlandse samenleving. De inleider poneerde om te beginnen dat gelijke waarden tot verschillende normen kunnen leiden. Hij citeerde de Griekse historicus Herodotos, die verhaalt dat de Grieken hun doden verbrandden en dat de Kallatiërs hun doden opaten. Ze deden dat beide uit eerbied voor hun ouders. Een gedeelde waarde (liefde voor je voorgeslacht) kan tot geheel verschillende gedragsnormen leiden: de een verbrandt zijn ouders uit liefde, de ander eet ze uit liefde op.

Volgens de inleider viel daar een wijze les uit te leren. Als wij het in Nederland eens zouden kunnen worden over waarden en deugden – en uit onderzoek van de universiteit van Groningen blijkt dat we heel veel waarden en deugden delen – zouden we elkaar een beetje moeten tolereren op het terrein van de normen die we daaruit afleiden.

Kuisheid is een deugd. Moslims leiden daaruit af dat meisjes en vrouwen een hoofddoek moeten dragen. Daar zouden we verder niet zo moeilijk over moeten doen.
Het klonk niet onaannemelijk – al lijkt de aanwezigheid van mensen die hun voorouders uit liefde en respect gaan zitten oppeuzelen, mij geen klein probleem. En bij nader inzien, bij bestudering van de details die zich in het grote verhaal van dit voorstel verschuilen, is het misschien toch niet helemaal zo’n goed idee om niet te moeilijk te doen over normen.

Waarden kunnen ook slechts ogenschijnlijk overeenkomen. Stel: we vinden kuisheid en ingetogenheid een deugd. Kunnen we dan ook volhouden dat we daarom niet alleen niet moeilijk moeten doen over hoofddoekjes maar ook niet over gescheiden inburgeringscursussen en gescheiden loketten, en over de weigering van mannen en vrouwen om elkaar de hand te schudden en de weigering van zwangere moslima's om bij een mannelijke gynacoloog langs te gaan? Dat zijn immers ook normen die uit die deugd worden afgeleid, door veel moslims althans.

Mijn antwoord is ontkennend, omdat we wel kunnen zeggen dat we het eens zijn over kuisheid, maar daar iets geheel anders onder verstaan. Juist bij dit onderwerp schuilt er een heel venijnig duiveltje in dit detail.

Bij al die toestanden waarbij wij ons al te vaak neerleggen – mannen en vrouwen mogen niet in één en dezelfde ruimte verkeren, elkaar geen hand geven, en vrouwen moeten hun vrouwelijke vormen bedekken – gaat het om de bescherming van de vrouw tegen de beestachtige seksualiteit van de man. Als mannen met vrouwen in één ruimte verkeren en hun vormen ontwaren, komt er iets los waardoor ze niet te houden zijn. En dat is dan de schuld van de vrouw. Een hoofddoek is er om de vrouw te beschermen tegen de mannelijke libido. Een vrouw geeft een man geen hand omdat huidcontact diezelfde libido tot ongekende hoogten opzweept.

We realiseren ons veel te weinig dat dit denken een grote terugval is ten opzichte van de situatie waar we vandaan komen. Ik heb in het verleden – tot voor een jaar of vijf – telkens wanneer ik een vrouw een hand gaf, dat altijd de normaalste zaak van de wereld gevonden – zo normaal dat je het je niet eens bewust was en er zeker geen gedachten bij had. Nu heeft die handeling op veel plaatsen iets beladens gekregen. In die omstandigheden ben ik mij bewust dat ik een vrouw een hand geef, of dat niet mag, en ik mag dat dan niet omdat ik een man ben en dus per definitie oversekst en behept met een dirty mind, en dus op het moment dat ik de huid van haar hand voel (vroeger ook nooit bij nagedacht) niet meer te houden.

En dat wil ik niet. Ik heb vroeger geleerd hoe je je eigen seksualiteit moest beheersen. Ik heb nooit geleerd dat ik vrouwen tot vreemd gedrag moest dwingen om zichzelf tegen mijn seksualiteit te beschermen.

* eerder verschenen in Binnenlands Bestuur

7.7.09

Waterpistooltjes

Geruisloos heeft het CDA in de week voor het begin van het zomerreces afscheid genomen van zijn woordvoerster voor immigratie- en integratiezaken in de Tweede Kamer. Madeleine van Toorenburg is vervangen door Mirjam Sterk.

Van Toorenburg debuteerde in een geruchtmakend debat: het debat in september 2007 waarin Geert Wilders onze toenmalige minister van Wijken en nog zo wat, mevrouw Ella Vogelaar, uitlegde waarom zij wat hem betreft ‘knettergek’ geworden was. In haar maidenspeech liet Van Toorenburg zien, met ongeëvenaarde helderheid, waarom de zwakte van het CDA in het islamdebat bijna net zo verontrustend is als de zwakte van de PvdA.

Op de zondag na het debat zei minister Hirsch Ballin in het programma Buitenhof dat de media alleen over de toon en de stijl van het debat hadden bericht en dat zij zo weinig hadden gezegd over de inhoud ervan. Zelf had hij zo aardig gesproken, herinnerde hij zich, maar hij had vooral genoten van de ‘uitstekende en realistische bijdrage’ van mevrouw Van Toorenburg.

Waarin had die ten onrechte onopgemerkt gebleven bijdrage bestaan van het Kamerlid dat tot dan locatiemanager van de jeugdinrichting De Leij was geweest?

Het was geen betoog geweest dat uitblonk in helderheid. Ze wierp onder andere de vraag op wie nu toch onze vijand is. Die vraag werd niet beantwoord. Wel kregen we het een en ander te horen over niet bij name genoemde ‘religieuze groeperingen’ die veel goed maatschappelijk werk doen, over onze ‘kernwaarden’ die er ook toe doen ‘als het erop aankomt’. En ze had het erover dat ‘we’ in reactie op uitwassen zelf ‘de totale sfeer niet moeten verpesten’. Want dan ‘krijgen we het schip nooit door de branding’. En als we alle moslimjongeren in de hoek drijven, dan gaan ‘kwaadwillenden’ juist in die hoek ‘een lekker warm bad plaatsen: een jacuzzi’.

We hebben sindsdien niets meer van mevrouw Toorenburg gehoord. Haar leuterpraatjes hebben ervoor gezorgd dat haar politieke scheepje nu in de branding van de partijpolitieke profileringsdrang is gezonken. Mirjam Sterk mag het nu gaan proberen. De zin over dat schip en die branding en die waarschuwing over die jacuzzi hebben Wilders en zijn PVV niet tegengehouden. Mirjam Sterk heeft theologie gestudeerd en je hoort haar wel eens op de radio, en misschien dat zij iets beters weet te verzinnen. Maar ik weet niet zeker of ze bij de PVV al zenuwachtig zijn geworden.

Bij de PVV is het zelfvertrouwen sowieso groter dan ooit. Wilders was immers de grote winnaar bij de Europese verkiezingen, en zijn electoraat blijft zich maar verbreden. Ook bijna 10 procent van de ambtenaren stemt nu op Wilders, zoals een enquête van re.Public onlangs duidelijk maakte.

Zijn winst bij de Europese verkiezingen heeft de andere politici nu dan toch echt wakker geschud. Het CDA vervangt de woordvoerster integratiezaken, en de ene na de andere minister opent de aanval op Wilders. Na Van der Laan (de opvolger van Vogelaar), Donner (Sociale Zaken) en Van Middelkoop (Defensie) was het vorige week de beurt aan mevrouw Ter Horst, onze minister van Binnenlandse Zaken. Zij hoopt op een ‘opstand van de intellectuele elite’. De elite moet het slecht geïnformeerde volk gaan uitleggen dat het helemaal geen reden heeft om als groot verwend kind altijd maar zo te klagen.

Wilders is niet onder de indruk, zo blijkt uit een interview met de Volkskrant (4 juli 2009). ‘Ik moet op zijn tijd een kogelwerend vest dragen, maar voor de waterpistooltjes van al die ministers heb ik dat in elk geval niet nodig. Het is puur paniek. Tot 4 juni kon men zeggen: het zijn maar peilingen. Tot die avond kwam. Toen was het echt’.

En waarom zou hij ook onder de indruk komen, zolang de ministers van dit kabinet zich uitsluitend identificeren met ‘weldenkende en wellevende mensen’ die het volk gaan uitleggen dat Wilders onzin verkoopt.

De voorpagina van Trouw was vorige week hilarisch. Een foto van barbecueënde politici, met het bericht dat ze van mening zijn dat ze het antwoord op Wilders hebben gevonden. Ze geven hem lik op stuk!
Daags daarna bleek dat Wilders nu in twee nationale peilingen op kop staat: niet alleen in de peiling van Maurice de Hond maar ook in die van Synovate, met ruim dertig zetels.

4.7.09

Radio

Ik was een uur lang op radio 5, bij de Humanistische Omroep, geïnterviewd door Amanda Kluveld. Wie dat zou willen beluisteren, kan dat hier doen.

30.6.09

Het andere Iran*

De verkiezingen in Iran hebben tot een merkwaardige revolutie geleid, waarbij de keuze tussen de twee hoofdrolspelers, Ahmadinejad en Mousavi, lood om oud ijzer leek. Beide heren leken politieke bewegingen te representeren die de Islamitische Republiek van Khomeini als zodanig, en de tirannie van het religieuze regime, niet ter discussie stelden. Maar achter de grote uitdager van het zittende regime bleek zich ineens een volksprotest te groeperen, zichtbaar geworden in het gezicht van de 27-jarige Neda Agha Soltan. En daarbij ging het wel om vrijheid, om rechten en om democratie. Sinds vorige week zijn er overal initiatieven, ook in Nederland, om deze nieuwe Iraanse revolutie op allerlei manieren te helpen.

Wie het nieuws over de ontwikkelingen in Teheran en andere Iraanse steden probeerde te volgen, kwam erachter hoe weinig hij eigenlijk van dit land wist – een land dat niet Arabisch maar wel islamitisch is, met een rijke Perzische geschiedenis en cultuur, een land dat ooit werd geregeerd door een sjah die door een verbannen ayatollah werd verdreven, een land dat een islamitische dictatuur werd met een kernwapenprogramma dat een regelrechte bedreiging voor de vrede in het Midden-Oosten en daarmee voor de gehele wereld werd. Een land dat neoconservatieven wilden bombarderen, maar waarop president Obama aanvankelijk zelfs geen verbaal bommetje wilde doen neerdalen.

In zo’n situatie van onkunde en van ongemak over het gebrek aan kennis, is het lezen van de levensgeschiedenis van een persoon die in het land opgroeide en er het nieuwe en andere Iran kwam te vertegenwoordigen dat we op de straten van Teheran hebben zien demonstreren, waarschijnlijk het beste wat je kunt doen. Zo’n boek is beschikbaar in de autobiografie van Azar Nafisi.

Azar Nafisi (1951) werkt tegenwoordig aan de Johns Hopkins University in Washington. Ze doceerde literatuur aan de universiteit van Teheran. Over die jaren, waarin het regime haar verbood de westerse literatuur nog langer te behandelen, schreef ze het boek dat ook in Nederland tot een bescheiden bestseller uitgroeide: Lolita lezen in Teheran (uitgeverij Arena), over het geheime leesclubje dat ze samen met zeven studentes vormde om die westerse boeken toch te blijven lezen. Toen ze ook nog weigerde een hoofddoek te dragen, werd Nafisi definitief van de universiteit verwijderd. In 1997 verhuisde ze naar de Verenigde Staten.

In haar nieuwe boek vertelt zij over haar bevoorrechte jeugd in Iran, in een chique villawijk in Teheran, waar haar charmante vader Ahmad tijdens het bewind van de sjah burgemeester is en haar moeder Nezhat parlementariër. Het gaat over de revolutie van 1979, en over de ‘intieme dictatuur’ die haar dominante moeder met wreedheden en vriendelijkheden in het gezin weet te vestigen. Haar moeder overleed in 2003, haar vader twee jaar later, maar Nafisi mocht hun begrafenis niet bijwonen. In dit boek eert zij haar getroebleerde familie.

Nafisi beschrijft het leven in een dictatuur: een wereld van liegen en je verstoppen, van omzichtig manoeuvreren en van ontsnappen via de kracht van de verbeelding. ‘Ik dank de Islamitische Republiek Iran: door ons te beroven van het plezier van de verbeelding, van de liefde en van de cultuur dreef zij ons daar regelrecht heen. Geen macht of lomp geweld kreeg die geest terug in de fles.’
Door dit boek leren we de geest begrepen die nu in een nieuwe revolutie door de straten van Teheran danst.

Azar Nafisi, Alles wat ik verzwegen heb
(De Bezige Bij, € 19,90)

*Deze week verschenen in HP/De Tijd.

29.6.09

Doorbreek de stilte

In de Volkskrant van zaterdag stond een mede door mij ondertekend manifest waarin wordt opgeroepen de stilte rond de volksrevolutie in Iran te doorbreken.
Voor de tekst van dit manifest in het Engels en het Farsi, zie hier en hier en hier (link naar een Iraanse verzetswebsite).



'Uiteindelijk zullen we ons niet de woorden van onze vijanden herinneren, maar de stilte van onze vrienden.’

Met deze legendarische woorden gaf Martin Luther King weer wat velen in Iran op dit moment moeten voelen. In de straten van Iran riskeren honderdduizenden mensen hun leven voor de vrijheid. In het vrije Westen blijft het akelig stil.

Op 12 juni 2009 werden er in Iran verkiezingen gehouden. Terwijl het in Iran normaal gesproken dagen duurt om de miljoenen papieren stembiljetten te tellen, was er nu binnen twee uur al een winnaar bekend: de huidige president Ahmadinejad. Dit ontketende een storm van protest.

Onder grote druk van de demonstranten stemde de Raad van Hoeders, het machtigste religieuze orgaan van het land, er in toe de meer dan zeshonderd klachten binnen vijf dagen te onderzoeken. Gisteren verklaarde de Raad van Hoeders dat er geen fraude had plaatsgevonden en dat deze verkiezing ‘de schoonste’ is in de geschiedenis van Iran.

Ondertussen wordt het voor de demonstranten in Iran steeds moeilijker hun vreedzame stem te laten horen. Het regime van Khamenei en Ahmadinejad is er in geslaagd de lijnen van communicatie af te sluiten. En diegenen die nog wel via internet en telefoon kunnen communiceren doen dat met direct gevaar voor eigen leven.

Voor miljoenen euro’s hebben westerse bedrijven zonder scrupules technologie verkocht aan een moorddadig regime. Met behulp van deze westerse technologie heeft dat regime bewerkstelligd dat het organiseren van verzet en het doorspelen van informatie aan de media in het Westen en aan de mensen in Iran zelf levensgevaarlijk is geworden. De prijs voor deze principeloze houding van westerse bedrijven tegenover een tiranniek regime wordt door vreedzame demonstranten betaald. Met hun leven.

Het is noodzakelijk dat wij stelling nemen. Tegen de onderdrukking van vreedzame demonstranten. Tegen de wurggreep van de Iraanse censuur. Tegen het laffe excuus van politieke neutraliteit. Tegen de medeplichtigheid van de stilte. Voor de verdediging van democratische waarden. Dat kan door de technologie, die het Iraanse regime gebruikt om haar burgers te onderdrukken, in te zetten om de censuur te omzeilen en in ons land anonieme proxy’s op te zetten.

Op dit moment draaien er in heel Nederland computersystemen onder hun capaciteit. Deze overtollige capaciteit kan worden ingezet om de Iraanse demonstranten in staat te stellen om anoniem deel te nemen aan een vrij verkeer van informatie: informatie doorgeven aan elkaar en aan de rest van de wereld.

In deze tijden bestaat er niet zoiets als politieke neutraliteit. Stilte is medeplichtigheid. Hoe durven wij de honderdduizenden te herdenken die hun strijd voor onze vrijheid met hun leven hebben bekocht, als wij niet eens bereid zijn in alle vrijheid anderen te helpen?

Wij roepen daarom alle bedrijven, instanties en universiteiten in Nederland op hun servers beschikbaar te stellen aan de demonstranten in Iran. Wij roepen elke universiteit, elke instantie en elk bedrijf op om op te staan voor de democratische waarden waar velen dankzij onze technologie nu met hun leven voor moeten betalen.


De Initiatiefnemers:

Mr. D.A.J. Suurland, promovendus van het Instituut Metajuridica te Leiden (woordvoerder)

Damon Golriz, docent, Haagse Hoge School

Dr. Amanda Kluveld, historicus, Universiteit van Amsterdam

Marina Lacroix, docent politicologie, Universiteit van Amsterdam

Arthur Wolff, student aan de TU Delft

Comité van Aanbeveling:

Hans van Baalen (delegatieleider Nederlandse liberalen, Europees Parlement)
Prof. Tom Barkhuysen (hoogleraar Staats- en Bestuursrecht, Leiden)
Prof. Henri Beunders (hoogleraar Geschiedenis van Maatschappij, Media en Cultuur, Erasmus Universiteit Rotterdam)
Frits Bolkestein (VVD)
Harry van Bommel (namens SP-fractie)
Prof. Paul Cliteur (hoogleraar Encyclopedie van de Rechtswetenschap, Leiden)
Martijn van Dam (PvdA)
Prof. Afshin Ellian (hoogleraar Sociale cohesie, Burgerschap en Multiculturaliteit, Leiden)
Anita Fähmel (Leefbaar Rotterdam)
Prof. Meindert Fennema (hoogleraar Politieke theorie en Etnische verhoudingen, Universiteit van Amsterdam)
Farhad Golyardi (hoofdredacteur Eutopia)
Femke Halsema (namens GroenLinks-fractie)
Theodor Holman (publicist)
Prof. Rikki Holtmaat (hoogleraar internationaal non-discriminatie recht, Leiden)
Farah Karimi (directeur Oxfam Novib)
Prof. Andreas Kinneging (hoogleraar Rechtsfilosofie, Leiden)
Henk Krol (Gay Krant)
Dr. Tanja van der Meer (Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Maastricht)
Dick Pels (publicist en voorzitter denktank Waterland)
Em. Prof. Bernard van Praag (universiteitshoogleraar Toegepaste Economie, Universiteit van Amsterdam)
Jan Pronk (PvdA)
Sandra Reemer (zangeres)
Mark Rutte (namens VVD- fractie)
Stephan Sanders (publicist)
Prof. Paul Scheffer (Wibaut Leerstoel, Universiteit van Amsterdam)
Xandra Schutte (Groene Amsterdammer)
Bart-Jan Spruyt (publicist)
Em. Prof. Abram de Swaan (universiteitshoogleraar Sociale wetenschap, Universiteit van Amsterdam)
Mr. Richard Verkijk (juridisch onderzoeker/advocaat, Universiteit Maastricht)
Prof. Frank van Vree (hoogleraar Journalistiek en Cultuur, Universiteit van Amsterdam)
Geert Wilders (namens PVV-fractie)
Amsterdamse Studenten Debatvereniging Bonaparte
Nijmeegse Studenten Debatvereniging Trivium
PerspectieF/ChristenUnie-jongeren

25.6.09

De ChristenUnie en de islam

De ChristenUnie organiseert dezer dagen een reeks debatten over Nederland en de islam. Ik deed mee aan de bijeenkomst in Rotterdam, afgelopen maandag. Voor verslagen, zie hier en hier en hier.

De auteur van de bijdrage op DDS schrijft dat ik maar beter niet meer naar dit soort avondjes toe moet gaan. 'Ik kreeg het idee dat ‘ie [ik dus] zo nu en dan bezig was met het kweken van een behoorlijke maagzweer. Je zag aan hem dat hij zich zat op te vreten wanneer (vooral) Koç en De Vries zich weer eens van hun meest naïeve kant lieten zien. Wanneer Spruyt de microfoon kreeg zei hij zeer zinnige dingen welke ook op veel bijval uit het publiek konden rekenen.'
Toch blijf ik maar naar dit soort avondjes gaan. Na afloop kwam de groep ex-moslims naar mij toe, en die zeiden mij dat ik die avond als enige het geluid van de ex-moslims en vervolgde christenen had vertolkt. En het lijkt mij van belang dat die stem gehoord blijft worden.

Over dit onderwerp heb ik ook een stukje geschreven in het CU-blaadje Handschrift:


Maakt de ChristenUnie het verschil?

André Rouvoet heeft de draai gemaakt. Samenwerking met de PVV van Geert Wilders noemde hij aanvankelijk ‘ondenkbaar’ – zoals ook de SP, de PvdA, (een deel van) het CDA en GroenLinks en D66 een coalitie met Wilders bij voorbaat uitsloten. ‘Gelet op het programma en het profiel, gevoegd bij de toon en manier van optreden van de PVV, lijkt me een coalitie waarvan ChristenUnie en PVV deel uitmaken eerlijk gezegd ondenkbaar’, aldus Rouvoet vorige maand in een interview met het FD. Maar tijdens de jaarlijkse Vriendendag van de ChristenUnie, op zaterdag 6 juni in Den Haag, zei hij dat je ‘ze’ niet moet uitsluiten. Je moet bij coalitiebesprekingen altijd kijken naar wat er mogelijk is – al acht Rouvoet ook nu de kans klein dat zo’n bespreking ergens toe leidt.

Zo groot is de draai dus niet. Belangrijker dan deze nuancering was dan ook wat Rouvoet zei over de opgave ‘een beter alternatief [dan de voorstellen van Wilders] te bieden voor de problemen in ons land’. En daarbij had hij het over ‘ons eigen grote verhaal’.

Toen ik het verslag van de Vriendendag in het ND las, bleven mijn ogen bij deze woorden haken. Dat ‘eigen grote verhaal’ van de ChristenUnie, hebben we dat de afgelopen jaren eigenlijk wel gehoord?

Ik geloof zeker dat de ChristenUnie dat eigen verhaal heeft. Bij de ChristenUnie waren zowel de gewetens- als de geloofsvrijheid altijd in veilige handen. Maar in de staatsrechtelijke traditie die zij belichaamt, was ook altijd oog voor de grenzen van die vrijheid. Vrijheid mag geen excuus worden voor een politiek die er uiteindelijk op is gericht om anderen die vrijheid te ontnemen.

In het grote debat met Wilders heb ik dit verhaal niet gehoord. Alle nadruk is gevallen – net als bij het CDA – op de principiële gelijkwaardigheid en beschermwaardigheid van alle geloven. Van een kritische houding jegens het salafisme heb ik niets gemerkt – wel heb ik de stem van de ChristenUnie vaak gehoord in het koor van de politici die klaagden over de ‘toon’ van Wilders, en dat vooral deden omdat ze het liedje niet wilden horen.

Piet de Jong van het ND kan waarschijnlijk best onderwerpen (‘beleidsterreinen’) noemen waarop de ChristenUnie iets heeft bereikt, en dan kun je zeggen dat de ChristenUnie verschil heeft gemaakt. Maar bij de meest aangelegen kwestie van cultuur en integratie heb ik het geluid waarop ik had gehoopt, node gemist.

9.6.09

Over de PVV, Gerard Reve en de Europese Unie

Vanmorgen zat ik samen met Theodor Holman en een vervelende linkse dominee uit Rotterdam (Piet de Jong) in het radio1-programma Dit is de dag. Holman had het over zijn boek over Gerard Reve, de dominee en ik hadden het over de vraag waarom de PVV van Geert Wilders vorige week zo succesvol was bij de verkiezingen voor het Europees Parlement. De uitzending is hier te beluisteren.

3.6.09

Mooi feestje

Nog één keer, en dan houd ik erover op: het was een mooi feestje, gisteravond in de Rooksalon van de Tweede Kamer, voor Menno de Bruyne. Een verslag is hier te bekijken en hier.

Op de foto hieronder feliciteer ik Menno en geef hem een cadeautje dat mij wel gepast leek: een publicatie van professor F. C. Gerretson over Groen van Prinsterer (al is de kans groot dat Menno deze publicatie al had, maar dan toch niet in deze vorm: het is een overdruk van een uitvoerig artikel uit 1915 met aantekeningen van de grote Gerretson zelf.)



En in de HP/De Tijd van deze week staat het stukje dat ik heb geschreven over het boekje dat Menno gisteren aangeboden heeft gekregen - met 25 artikelen van hem zelf en 25 'felicitaties en herinneringen' van mensen (politici en journalisten) met wie Menno de afgelopen vijfentwintig jaar te maken heeft gehad:


Ongeschreven codes

Op het Binnenhof is hij een beroemdheid, maar daarbuiten zullen slechts weinig mensen hem kennen. Menno de Bruyne (Goes, 1957) werkt als voorlichter voor de fractie van de SGP – voor een partij dus die niet overal even serieus wordt genomen en daardoor zelfs haar subsidies dreigt te verliezen. Menno herdenkt deze week dat hij zijn partij al 25 jaar trouw heeft gediend in zijn functie als ‘de mond van’, in dit geval van fractievoorzitter Bas van der Vlies, die met zijn meer dan 10.000 (!) dienstdagen de huidige nestor van de Tweede Kamer is. Dat is, tussen haakjes, het aardige van SGP’ers: ze zijn zonder bijbedoelingen naar Den Haag gekomen. Omdat ze toch nooit in de regering zullen komen, blijven ze waarvoor ze zijn gekomen en zien ze hun baan niet als een eerste opstapje naar iets veel hogers en beters. Vandaar die vooroorlogse staaltjes van anciënniteit in hun fractie.

Tegelijk is Menno meer, veel meer dan alleen maar de terecht onzichtbare voorlichter van een tweemansfractie. Hij is een wat a-typische SGP’er – hij gaat zijn weg door het leven met gepaste zwier en wilde haren en een outfit die het ook in een Oxfords college goed zou doen. En hij is een algemeen erkend expert op het gebied van het koninklijk huis, ons staatsrecht en de parlementaire geschiedenis. Dat maakt hem tot een wandelende encyclopedie van de Nederlandse politieke geschiedenis, en daarmee voor journalisten van alle soort en kleur een veel geraadpleegde bron van kennis. Toen Hans Wiegel, bijvoorbeeld, in 1999 het tweede kabinet-Kok in de Eerste Kamer liet struikelen, was één telefoontje naar Menno genoeg om precies te weten wanneer en hoe het eerder was gebeurd dat een kabinet in de Senaat ten val kwam.

Ter gelegenheid van zijn jubileum hebben collega’s een vriendenboekje samengesteld. Dat boekje valt in twee delen uiteen. Er staan 25 kortere stukken in met herinneringen en felicitaties van mensen met wie Menno de afgelopen decennia te maken heeft gehad. Van een (zeer geslaagd!) gedicht van onze minister van Defensie, Eimert van Middelkoop, tot waarderende woorden van journalisten en meditatieve bijdragen van partijgenoten.

Het andere deel bestaat uit artikelen van Menno de Bruyne zelf: beschouwingen over ons politieke bestel, over de rol van het huis van Oranje, en over de parlementaire geschiedenis. Wat is nu eigenlijk de status van een vice-premier, wat de rol van de koningin bij een kabinetsformatie of bij het tekenen van een wet, wanneer en waarom vergaderen Eerste en Tweede Kamer gezamenlijk, wat zijn de records van Balkenende? En wat zei toenmalig minister Hoogervorst toen Van der Vlies zich in de wc had opgesloten?

Al dit soort vragen worden met een zeldzame combinatie van deskundigheid en lichtvoetigheid beantwoord, en maken dit deel van de publicatie tot een juweeltje. Tegelijk is er iets dat boven de inhoud van de bijdragen uitstijgt en dat is de stijl waarvan zij getuigen. Menno de Bruyne belichaamt de codes en zeden van een wereld die vervlogen is. Politiek journalist Marcel ten Hooven schrijft, m.i. volkomen terecht, dat wat de Tweede Kamer momenteel uit balans brengt – in haar korte geheugen, de inflatie van al te grote woorden en permanente haast – bij Menno, bij zijn trouw aan ongeschreven codes en de lichte toets van zijn zelfrelativering, weer in balans komt. Daarmee is dit boekje verplichte kost voor alle Binnenhofbewoners en Binnenhofwatchers.

N.a.v. Menno de Bruyne, Open vensters (uitgeverij De Banier, € 9,95)