Schinkelshoek heeft een mooie carrière gehad: na zijn start als journalist werd hij voorlichter van het CDA en van het ministerie van Justitie, hoofdredacteur van de Haagsche Courant en directeur communicatie bij de Rabobank. Hij was in 1986 en 1989 de man achter Ruud Lubbers en hij bedacht Jochem de Bruin. En toen leek hij zijn loopbaan te besluiten in het hoge ambt van volksvertegenwoordiger. Maar bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen stond hij op nummer 27, en een verlenging van zijn eerste termijn zat er dus niet in. Daarbij sprak hij de bevindelijke woorden: ‘Je weet dat er een beroepsrisico is als je de politiek in gaat. Maar tussen weten en ervaren gaapt echt een kloof.’

Volgens Schinkelshoek – die de afgelopen tijd grote interviews aan Elsevier en NRC Handelsblad gaf – verkeert het CDA in een diepe depressie. Het is een kwestie van uithuilen en opnieuw beginnen. De persoon van lijsttrekker Jan Peter Balkenende is volgens Schinkelshoek op zijn hoogst een van de redenen van het zware verlies. Met een andere lijsttrekker zou de christen-democratie ook hebben verloren. Het CDA had als traditionele middenpartij geen antwoord op het gepolariseerde politieke klimaat, met links tegenover rechts, Cohen tegenover Rutte. Dat was vroeger anders geweest. Van Agt en Lubbers slaagden er in de jaren zeventig en tachtig in om tegenover Den Uyl en Wiegel en tegenover Nijpels en Kok succesvolle posities te veroveren. Erger nog is dat het CDA geen antwoord heeft gevonden op de ‘fundamentele uitdaging’ van de PVV.
Schinkelshoek is als het ware geschapen voor kritische zelfreflectie. Hij zat in de Kamercommissie die zich bezig hield met ‘parlementaire zelfreflectie’ en hij was lid van de commissie-De Wit, die de kredietcrisis onderzocht. In laatstgenoemde commissie viel het hem op hoe gemakkelijk de hoofdrolspelers hun eigen verantwoordelijkheid wegcijferden en hoe moeilijk het voor hen was eigen fouten toe te geven.
Mede daarom, denk ik, zegt Schinkelshoek ronduit dat er binnen het CDA sprake is van een ‘ideeëncrisis’. Het oude verhaal van fatsoen en eigen verantwoordelijkheid, waarmee het CDA na het verlies van 1994 in 2002 weer terug kwam, is uitgewerkt. En die ideeën – eigen, nieuwe ideeën – zijn belangrijker dan ooit omdat de oude, vanzelfsprekende loyaliteit, als overblijfsel van de verzuiling, iedere verkiezing verder verdampt.
Daarom stelt Schinkelshoek dat het CDA meer moet doen dan alleen maar onderzoeken wat er fout is gegaan en wat tijdens de verkiezingscampagne beter had gekund. ‘Wat nodig is, is de christendemocratie heruitvinden.’
Zijn er nog meer CDA’ers die dat van plan zijn en bereid zijn met meedogenloze eerlijkheid in de spiegel te kijken?
Het CDA heeft een commissie ingesteld die onderzoek gaat doen naar ‘de huidige situatie van het CDA’. Deze commissie bestaat uit ‘zestien personen die uit alle partijgeledingen en regio’s afkomstig zijn’. Tot de ‘aandachtspunten’ van de commissie behoren ook relevante vragen over ‘houdbare en werkbare concepten’ en over de betekenis van de ‘C’ van het CDA. Maar wie een commissie benoemt van zestien personen plus een reflectiegroep met leden uit alle provincies, wekt de indruk dat hij bij voorbaat niet geïnteresseerd is in een glashelder en bruikbaar antwoord op de goede vragen. En bovendien: de naam van Jan Schinkelshoek staat nergens bij.






