13.7.10

Ondertussen bij het CDA

Hoe eerlijk, hoe meedogenloos eerlijk, kun je zijn na geleden verlies? Het CDA werd bij de laatst gehouden Kamerverkiezingen zo goed als gehalveerd en staat in de Haagse politiek nu voorlopig buiten spel. In zo’n situatie is het niet voldoende om je af te vragen wat er allemaal mis is gegaan, maar moet je ook nadenken over de vraag hoe je in een nieuwe context met nieuwe ideeën en een nieuw coherent verhaal moet komen. Een van de weinigen die er blijk van geeft dat te begrijpen is oud-CDA-Kamerlid Jan Schinkelshoek (1953).

Schinkelshoek heeft een mooie carrière gehad: na zijn start als journalist werd hij voorlichter van het CDA en van het ministerie van Justitie, hoofdredacteur van de Haagsche Courant en directeur communicatie bij de Rabobank. Hij was in 1986 en 1989 de man achter Ruud Lubbers en hij bedacht Jochem de Bruin. En toen leek hij zijn loopbaan te besluiten in het hoge ambt van volksvertegenwoordiger. Maar bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen stond hij op nummer 27, en een verlenging van zijn eerste termijn zat er dus niet in. Daarbij sprak hij de bevindelijke woorden: ‘Je weet dat er een beroepsrisico is als je de politiek in gaat. Maar tussen weten en ervaren gaapt echt een kloof.’



Volgens Schinkelshoek – die de afgelopen tijd grote interviews aan Elsevier en NRC Handelsblad gaf – verkeert het CDA in een diepe depressie. Het is een kwestie van uithuilen en opnieuw beginnen. De persoon van lijsttrekker Jan Peter Balkenende is volgens Schinkelshoek op zijn hoogst een van de redenen van het zware verlies. Met een andere lijsttrekker zou de christen-democratie ook hebben verloren. Het CDA had als traditionele middenpartij geen antwoord op het gepolariseerde politieke klimaat, met links tegenover rechts, Cohen tegenover Rutte. Dat was vroeger anders geweest. Van Agt en Lubbers slaagden er in de jaren zeventig en tachtig in om tegenover Den Uyl en Wiegel en tegenover Nijpels en Kok succesvolle posities te veroveren. Erger nog is dat het CDA geen antwoord heeft gevonden op de ‘fundamentele uitdaging’ van de PVV.

Schinkelshoek is als het ware geschapen voor kritische zelfreflectie. Hij zat in de Kamercommissie die zich bezig hield met ‘parlementaire zelfreflectie’ en hij was lid van de commissie-De Wit, die de kredietcrisis onderzocht. In laatstgenoemde commissie viel het hem op hoe gemakkelijk de hoofdrolspelers hun eigen verantwoordelijkheid wegcijferden en hoe moeilijk het voor hen was eigen fouten toe te geven.

Mede daarom, denk ik, zegt Schinkelshoek ronduit dat er binnen het CDA sprake is van een ‘ideeëncrisis’. Het oude verhaal van fatsoen en eigen verantwoordelijkheid, waarmee het CDA na het verlies van 1994 in 2002 weer terug kwam, is uitgewerkt. En die ideeën – eigen, nieuwe ideeën – zijn belangrijker dan ooit omdat de oude, vanzelfsprekende loyaliteit, als overblijfsel van de verzuiling, iedere verkiezing verder verdampt.

Daarom stelt Schinkelshoek dat het CDA meer moet doen dan alleen maar onderzoeken wat er fout is gegaan en wat tijdens de verkiezingscampagne beter had gekund. ‘Wat nodig is, is de christendemocratie heruitvinden.’

Zijn er nog meer CDA’ers die dat van plan zijn en bereid zijn met meedogenloze eerlijkheid in de spiegel te kijken?
Het CDA heeft een commissie ingesteld die onderzoek gaat doen naar ‘de huidige situatie van het CDA’. Deze commissie bestaat uit ‘zestien personen die uit alle partijgeledingen en regio’s afkomstig zijn’. Tot de ‘aandachtspunten’ van de commissie behoren ook relevante vragen over ‘houdbare en werkbare concepten’ en over de betekenis van de ‘C’ van het CDA. Maar wie een commissie benoemt van zestien personen plus een reflectiegroep met leden uit alle provincies, wekt de indruk dat hij bij voorbaat niet geïnteresseerd is in een glashelder en bruikbaar antwoord op de goede vragen. En bovendien: de naam van Jan Schinkelshoek staat nergens bij.

12.7.10

Buitenspel

Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over voetbal, politiek en de buitenspelpositie van Mark Rutte:

Sport en politiek hebben zoals bekend veel met elkaar te maken. Olympische Spelen zijn in het verleden om politiek-ideologische redenen geboycot. Politici maken graag goede sier met de sportieve successen van hun landgenoten. Premier Balkenende had zich afgelopen zondagavond wat graag laten vereeuwigen met een Nederlands elftal waarvan aanvoerder Giovanni van Bronckhorst de wereldbeker in zijn handen hield. Dat succes had dan ook een beetje op hem afgestraald.

Wat zijn de politieke gevolgen van sportief falen? Toen het Nederlands elftal in 1974de WK-finale van West-Duitsland had verloren, werden Johan Cruijff en de zijnen feestelijk onthaald op het gazon van het Catshuis, waar de toenmalige premier Joop den Uyl het gezelschap in een jolige polonaise voorging. Maar het verlies van 7 juli 1974 heeft een hele generatie opgescheept met chagrijn en wraakzucht. Want wij waren de besten (zoals de titel van het boek van Auke Kok over 1974 ook luidt). In de finale hadden we binnen een paar minuten op een 1-0 voorsprong gestaan. En zo hoorde het ook. Het krijt had door de vernietigende uithaal van Neeskens uiterst vertrouwd van de penaltystip gespat. Daarna besloten de totaalvoetballers van toen om wraak te nemen op alle gestolen fietsen in de oorlog door de Duitsers niet alleen te verslaan maar ook te vernederen. Dat ging dus mis. We verloren met 2-1. Ik zat met mijn vader te kijken, en ben na afloop van de wedstrijd een bal tegen een muurtje gaan schoppen. De sfeer en geladen stilte op straat, die zondagavond, is nadien alleen herhaald op 6 mei 2002, de dag van de moord op Pim Fortuyn.

Die jongens van 1974 hebben voor mij altijd symbool gestaan – hoe goed ze ook konden voetballen – voor een generatie van vrijgevochten en langharige profs die links als zij ongetwijfeld waren of in ieder geval oogden, heel goed voor hun eigen belangen wisten op te komen en uitblonken in een combinatie van lichtzinnigheid en politieke correctheid.

Pas het Nederlandse elftal van Bert van Marwijk leek af te rekenen met die misplaatste arrogantie die sinds 1974 altijd rond het Nederlands elftal heeft gehangen. Dit elftal was een team, met zes verdedigers die stofzuigend en schoffelend deden waarvoor ze betaald werden. Het werd niet door grote ego’s uiteengereten, speelde niet mooi maar wel efficiënt, stierf zwoegend niet in lichtvoetige schoonheid en stond terecht in de finale. Het verdriet van 1974 en 1978 zou eindelijk worden goed gemaakt. De redding kwam van rechts.

En toen was daar, twee minuten voor het einde van de tweede verlenging, de uithaal van Andres Iniesta. Hij degradeerde de stabiele en volwassen zwoegers van Johannesburg tot dezelfde status als de hippies van München en Buenos Aires. Zolang je dacht dat Iniesta buitenspel had gestaan, kon je nog politieke parallellen trekken. Dan was Mark Rutte die Iniesta, omdat hij de rechtse winst bij de verkiezingen had verkwanseld tot pogingen om een paars kabinet te formeren. Daarmee stond Rutte immers fors buitenspel. Tjeenk Willink was dan scheidsrechter Howard Webb, die Rutte in buitenspelpositie zijn gang had laten gaan. En Maxime Verhagen was Arjan Robben, die een kans voor open doel op een rechtse coalitie had verkwanseld.



Maar Iniesta stond geen buitenspel. Het was een goudeerlijk doelpunt. Zelfs de troost van die parallel wordt ons dus niet gelaten. Rutte gaat vanuit zijn buitenspelpositie gewoon door met de onderhandelingen over zijn hippiekabinet, en wij moeten dat de komende weken aan gaan zitten kijken terwijl we de kater van Johannesburg nog niet eens weg hebben kunnen drinken.

8.7.10

Politici aan hun jasje trekken

In de HP/De Tijd van deze week staat de recensie die ik heb geschreven van het boek van Elsevier-journalist Eric Vrijsen over de wereld van de Haagse politiek en media.


De periode waarin een nieuwe regering wordt geformeerd, zoals we die nu meemaken, is een aantrekkelijk Byzantijns intermezzo in het Nederlandse politieke proces. We schorten de democratie als het ware even op. De Majesteit speelt ineens een nadrukkelijke rol. Van kamers die altijd open staan, gaan de deuren nu dicht. Achter zware gordijnen wordt omzichtig gefluisterd. De directe en stoere taal van de verkiezingscampagnes maakt plaats voor wolken van woordenkraam waar alleen de echte ingewijden conclusies aan weten te verbinden. Politici voeren een ingewikkelde baltsdans op, waarin zij even gemakkelijk van partner als van muziek wisselen. En straks staat er toch ineens een club mensen met de koningin op het bordes van paleis Noordeinde. Dan hebben we toch weer een regering. Voor zolang het duurt. En dan begint het spel gewoon weer opnieuw.




Het is hard werken voor de beroepsgroep dankzij welke we iets weten van wat zich daar in de zomermaanden allemaal afspeelt in de verborgenheid van het Haagse Binnenhof. Met hun bloknoot in de hand posteren de politieke journalisten zich elke dag weer bij de ingang van de Eerste Kamer. Om een ‘quootje te scoren’, de verwachtingen vooraf en de ervaringen achteraf uit de mond van de (in)formateur en de betrokken hoofdrolspelers op te tekenen, en daaruit conclusies te trekken over welk kabinet van welke samenstelling we wel eens zouden kunnen krijgen.

Journalisten van radio en tv gaan voor de snelle quote en de mooie beelden van bekende politici die tussen de dagjestoeristen door naar hun formatieafspraak wandelen. Die quotes staan de volgende dag ook in de dagkranten, en in de betere kranten staan als het even kan meer afstandelijke en intelligente analyses van de gebeurtenissen. De afstand tot de gekte van de dag is bij de weekbladen natuurlijk nog groter. Die leveren op maandag of op dinsdag hun kopij bij de drukker in en moeten dus aan het begin van de week een idee hebben van wat de lezer het volgende weekend wil lezen. De betere weekbladjournalist slaagt er in deze situatie in om de actualiteit een plaats te geven in de trends van de langere termijn en het nieuws zo van een verhelderende duiding te voorzien voor zijn lezers.

Eric Vrijsen (1957) is zo’n journalist. Hij beoefent het ambacht al bijna dertig jaar, de laatste twintig jaar als politiek verslaggever bij Elsevier. Hij begon zijn loopbaan in 1981 bij het Eindhovens Dagblad en mocht als leerling-redacteur direct verslag doen van de pogingen van CDA, PvdA en D66 om een kabinet Van Agt-Den Uyl-Terlouw te smeden. Ook Vrijsen ging bij de ingang van de Eerste Kamer staan om ‘bruikbare quotes’ te verzamelen. Hij wist een plekje te bemachtigen in het groepje journalisten dat zich verdrong rondom Joop den Uyl toen die het pand verliet. Maar toen kwam ook Ruud Lubbers naar buiten en bestormden de journalisten hem. Een van hen trok Lubbers zelfs aan zijn jasje om hem te dwingen stil te blijven staan en zijn vragen te beantwoorden. ‘Wilt u niet aan mijn jasje trekken!’, riep Lubbers enigszins geïrriteerd uit. Vrijsen stond erbij, zag het aan en verwonderde zich.

Vrijsen is zich altijd blijven verwonderen over dat wonderlijke Haagse huwelijk tussen politiek en pers. Hij spreekt over hun ‘onderlinge verhouding die van wezenlijke betekenis voor het systeem is, terwijl er naar buiten toe weinig ruchtbaarheid aan wordt gegeven. Den Haag staat bol van de stilzwijgende afspraken tussen politici en de pers. Tussen beide categorieën bestaan allerlei vanzelfsprekendheden’.

Die blijvende verwondering heeft tot de blijvende distantie geleid die Vrijsen in staat heeft gesteld om niet alleen de relatie tussen pers en politiek helder te analyseren, maar ook de politieke ontwikkelingen in Den Haag helder te blijven bekijken door een bril die niet was beslagen door bewondering of irritatie. Daarom is Vrijsen ook in staat voorbij de hektiek van de dag te kijken: dit voorjaar nog werd Rutte afgeschreven, heette de terugval van Balkenende slechts tijdelijk en zou de strijd om de grootste tussen Pechtold en Wilders gaan.

In het boek dat Vrijsen na twintig jaar Elsevier heeft samengesteld staan dertien essays over dertig jaar Haagse politiek, van die eerste zomer in 1981tot de opkomst van Balkenende, Verdonk en Wilders. Wie de Haagse politiek wil begrijpen, maar vooral: wie wil doorgronden wat zich nu precies voltrekt in dat gewoel bij de ingang van de Eerste Kamer, doet er goed aan deze zomer het boek van Vrijsen te lezen.

N.a.v.: Eric Vrijsen, Wilt u niet aan mijn jasje trekken! (uitgeverij Balans), € 17,95

15.6.10

Eerst over rechts

Op de website van Binnenlands Bestuur staat mijn nieuwe column, over de grote mond van klein-links en de kansen op een rechtse coalitie:

Oké, ze hebben ook wat zeteltjes gewonnen. D66 maakte het gigantische verlies uit 2006 een beetje goed en staat nu op 10 zetels, net als GroenLinks, dat van 7 zetels komt. Misschien is het ze een beetje in de bol geslagen. Alexander Pechtold (D66) leek immers op een grootse overwinning af te stevenen, totdat hij zich niet meer tegen Wilders kon afzetten omdat het debat tussen Cohen en Rutte liep. En toen bleek ineens dat D66 nog altijd voor niets staat. En Femke Halsema (GL) werd nog voor de verkiezingscampagne goed en wel begonnen was, al uitgeroepen tot de eerste première van Nederland. En nu staan ze buitenspel maar waarschuwen ze toch met een grote mond tegen een coalitie met de PVV. Pechtold en Halsema, twee politici die zich graag presenteren als de hoeders van de democratie en de rechtsstaat: waar bemoeien ze zich eigenlijk mee nu de VVD de grootste is geworden en de PVV de grootste winnaar van de verkiezingen is? Waarom zeggen ze niet gewoon dat een deel van de kiezers eigenlijk helemaal niet tot de Nederlandse bevolking behoort en daarom eigenlijk niet hadden mogen stemmen? En waarom geloven ze (dixit Hans Jansen) wel in de integratie van moslims in de Nederlandse samenleving maar moeten PVV’ers bij voorbaat worden uitgesloten?

Het is niet meer dan normaal en een plicht van fatsoen om deze week eerst eens goed te studeren op de mogelijkheid van een coalitie over rechts. Dat heeft VVD-informateur Uri Rosenthal geadviseerd gekregen en dat gaat hij vanaf vandaag ook doen. Natuurlijk zijn er grote hobbels te nemen. De PVV van Geert Wilders heeft standpunten die voor alle andere partijen moeilijk te verteren zijn, nieuwe geboden en verboden (bijvoorbeeld op de Koran), registratie op etnische afkomst etc. etc. Maar Wilders heeft zich onverwacht getransformeerd van een uiterst rechtlijnig in een uiterst wendbaar politicus, die een breekpunt (de verhoging van de AOW-leeftijd) weer net zo gemakkelijk inleverde – met het argument overigens dat hij dat zou doen om erger, een regering met de PvdA, te voorkomen. En het zou best eens kunnen dat zijn achterban dat heel goed begrijpt.

Niet zozeer Geert Wilders is het probleem (hij wil uiteindelijk een gewoon leven, erbij horen en meedoen) maar zijn mede-PVV’ers. Hero Brinkman wil de partij tegen de wens van Wilders in democratiseren en aan een eigen jeugdbeweging helpen. Wilders zelf is daar nogal bunzig van, omdat hij daarmee de greep op de zijnen zal verliezen. En is het nu werkelijk zo dat zijn nieuwe Kamerleden ons met een erg ministeriabele blik hebben aangekeken?
De VVD zal ongetwijfeld bang zijn de vingers aan de PVV te branden. Wie zich tot nog toe met de PVV heeft ingelaten, Agnes Jongerius van de FNV bijvoorbeeld, is daar besmeurd en bezoedeld uitgekomen.

Net zo groot als het probleem-PVV is voor Rutte het probleem-CDA. Het CDA heeft een ongekend pak slaag van de kiezer gekregen, is zijn politiek leider kwijtgeraakt, en is als Kamerfractie gehalveerd. De animo om weer te gaan regeren is daar natuurlijk niet groot, en de behoefte aan bescheidenheid des te groter. Als het CDA er toch weer in stapt, zal die beslissing voortvloeien uit een ongekend verantwoordelijkheidsgevoel. Zeker als we ons realiseren dat het CDA vooral rechtse kiezers in het katholieke zuiden is kwijtgeraakt en die niet gemakkelijk zal terugwinnen als kleine, meest linkse partner in een rechtse coalitie. Anderzijds dreigt een ander (links) deel van de achterban met een breuk met het CDA als de partij zich met de PVV inlaat. De optie om oppositie te gaan voeren tegen een paars kabinet en daarmee politiek profiel te herwinnen is natuurlijk veel aantrekkelijker.
Vandaar waarschijnlijk dat Maxime Verhagen de boot voorlopig afhoudt, in de eerste onderhandelingsronde niet wil meedoen en eerst eens afwacht of VVD en PVV er met elkaar uit kunnen komen.

Hoe moeilijk het ook is, en nog zal blijken te zijn, de kiezer heeft gesproken, rechts heeft fors gewonnen en het is nu een democratische plicht om de optie over rechts met VVD, PVV en CDA als eerste te onderzoeken. Daarom zegt Rutte vooralsnog dat zo’n coalitie niet onmogelijk is en zegt Wilders dat die coalitie ‘iets fantastisch’ kan worden – ook al mogen ze dat van de klein-linkse Pechtold en Halsema eigenlijk helemaal niet zeggen.

19.5.10

Zindelijk vrijzinnige predikheren en hun conservatismekritiek

In het dagblad Trouw van vanmorgen (bijlage de Verdieping) stond een nieuwe aflevering van het theologisch elftal. De opgestelde theologen, de vrijzinnige predikanten Matthias Smalbrugge en Erik Borgman, mochten hun menig geven over het onlangs opgerichte Christelijk Conservatief Beraad. Normaal gaan de twee deelnemers met elkaar in debat, maar nu niet. Beide heren waren het eens en wel zeer eens in hun kritiek op de verbinding van christelijk geloof en conservatisme zoals die in het Christelijk Conservatief Beraad (CCB) wordt gelegd. Trouw wilde geen ruimte bieden aan een tegenreactie mijnerzijds op hun opiniepagina of in hun zaterdagse bijlage Letter&Geest.

Je mag het christendom niet gebruiken voor een politiek doel, zeggen Smalbrugge en Borgman (ervan uitgaande, blijkbaar, dat het CCB een politiek doel nastreeft). En het christendom is helemaal niet conservatief, want het geloof wil de samenleving niet houden zoals die is maar die hervormen en ‘stabiliteit en orde’ zijn daarbij niet van belang (waarbij beide heren blijkbaar denken dat de leden van het CCB dom genoeg zijn om te laboreren aan een volstrekt achterhaalde definitie van ‘conservatisme’, die zij zelf wel hanteren). Het is al helemaal een schande dat het CCB het over de Tien Geboden zou willen hebben, en zou menen dat het volk iets van het christendom moet leren. Want er zijn helemaal geen absolute normen en algemene waarheden, weten we dankzij het postmodernisme. Christelijke conservatieven lopen dus ‘volstrekt achter’ en beide heren gebruiken driekwart pagina om uit te leggen dat zo’n CCB ook helemaal niet interessant is. Dat heb je ervan als je put uit het gedachtegoed van de negentiende-eeuwse bourgeoisie. Laten ze, zegt Smalbrugge tot slot, Onfray en Sloterdijk gaan lezen zodat ze hun tijd beter gaan begrijpen.

Oké, laten we dat doen. Ik zou het dan willen hebben over een interview dat Peter Sloterdijk in 2003 aan NRC Handelsblad heeft gegeven. De journalist stelde hem bij die gelegenheid de enigszins verontruste vraag wat hij toch vond van die opleving van het conservatisme onder intellectuelen. Sloterdijk antwoordde dat hij zelf, geboren in 1947, met een al te grote mate aan ordening is opgegroeid en daarom behept is met ‘anti-autoritaire nervositeit’. Maar de jongeren van nu zijn ‘in de chaos groot geworden, hebben überhaupt geen orde leren kennen en hebben daarom heimwee naar de orde. Ik deel hun gevoeligheid ten aanzien van de vraag hoe orde mogelijk is, en hoe men tegenover een decadente vrijheid die louter nog als verwaarlozing beleefd wordt, als vormloosheid, als onverantwoordelijkheid en onverschilligheid, hoe men tegenover deze degeneratie van de vrijheid de cultuur kan stellen, als een symbolische ordening’.

Een jongere generatie is dus niet zozeer geïnteresseerd in vrijzinnige predikheren die hen komen vertellen dat de moraal en de algemene waarheden failliet zijn. Ze hebben hun leven lang niets anders gehoord. Maar ze willen vorm, verantwoordelijkheid en traditie, cultuur, een fundament onder hun leven. En dat is nu precies wat de oprichters en leden van het CCB, anders dan hun vrijzinnige critici, hebben begrepen. Dus wie heeft de geest van de tijd nu beter verstaan?

Daarbij putten wij niet uit het gedachtegoed van de negentiende-eeuwse bourgeoisie, maar uit klassieke bronnen die waarschuwen voor het gevaar dat een democratie bedreigt wanneer het culturele fundament erodeert. Dan doemt het gevaar op van anarchie of van de tirannie van een Sterke Man. Om dat te voorkomen moeten mensen bepaalde tradities in ere houden, ook religieuze; moeten zij weten dat vrijheid niet het opeisen van maximale ruimte is om de dingen te doen en te zeggen die je lekker vindt, maar het recht is om te doen wat je behoort te doen; moeten zij weten dat gelijkheid voor de wet goed is maar dat gelijkheid ook kan doorslaan in de vervaging van grenzen tussen ouders en kinderen, leraren en leerlingen, mensen en dieren.
Het Beraad wil helemaal niet aan politiek doen. Het begeeft zich niet op het domein van belangen en macht om die belangen te behartigen. De leden zijn geen ouderlingen die met stenen tafelen smijten. Ze willen herinneren aan een bepaald gedachtegoed over het belang van een cultureel fundament en aan het belang van de christelijke traditie om dat fundament in stand te houden. (Lees bijvoorbeeld, zo mag ik de heren raden, de rede van Paul Scholten over de christelijke vrijheid als grondslag van de Nederlandse staat).

Kijk eens aan, je leest wat in Plato, Polybius en Cicero, en je begrijpt je tijd beter en weet een adequater antwoord te alfabetiseren (dixit Sloterdijk) dan twee zindelijke predikheren die vrijzinnig pijprokend over hun Onfray gebogen zitten.

18.5.10

Vuilnisbakkenjournalistiek

Er is enige consternatie ontstaan over het verschijnen van een nieuw blad dat zichzelf nadrukkelijk presenteert als een politieke roddelglossy. Het heet Binnenhof en is een gezamenlijke publicatie van Weekend en het weekblad HP/De Tijd, beide uitgaven van Audax Publishing in Amsterdam. Mijn nieuwe column op de website van Binnenlands Bestuur gaat over de hypocrisie van de protesterende politici.

Op de cover staat Femke Halsema, een filtersigaret in de mond. Het blad biedt foto’s van het privéleven van politici, inclusief hun kinderen, en artikelen over hun geheime relaties (‘Jack de Vries was niet de enige’), over hun hypotheken, hun declaraties, hun eet- en drinkgewoonten en graaigedrag, en over de inhoud van hun vuilnisbakken.



D66-leider Alexander Pechtold zag foto’s van de inhoud van zijn vuilnisbak in het blad staan en klom in de pen om protest aan te tekenen tegen deze ‘vuilnisbakkenjournalistiek’, dit nieuwe hoofdstuk in de zoektocht naar nieuws, primeurs en entertainment. Hij wil niet dat de overheid of de rechterlijke macht grenzen aan de journalistieke vrijheid stellen, maar hoopt dat de journalistiek enige zelfbeheersing herwint en (met het interview met Ruben in De Telgraaf nog vers in het geheugen) zelf met een code komt waarin ieders privacy wordt gerespecteerd.

Ik kan me goed voorstellen dat politici geschrokken zijn van de inhoud van Binnenhof. Oude Haagse codes worden immers doorbroken. Iedereen in en rond Nieuwspoort weet wie het op de Haagse matras met wie doet, maar niemand schreef daar ooit over. Zoals ook nooit werd geschreven over wat er in Nieuwspoort en omgeving werd gezegd en gedaan. In die codes waren al enige scheuren en barsten ontstaan. Zo werd bekend dat Hero Brinkmans drankprobleem in de nachtelijke uren tot problemen kan leiden, en de affaire van Jack de Vries met zijn adjudante was vorige week een week lang nieuws, net zo lang tot De Vries vanwege deze ‘publicitaire druk’ aftrad.
Ik ben bang dat de publicatie van Binnenhof ertoe zal leiden dat nog minder mensen met goede kwaliteiten voor een loopbaan in de politiek zullen kiezen. Het risico van afbraak is immers groter dan ooit.

Maar tegelijk heeft het protest van politici tegen deze nieuwe trend iets hypocriets.
Worden politici in Binnenhof niet geconfronteerd met het eindpunt van een ontwikkeling waarin ze zelf zijn meegegaan? Politici moesten immers gewoon zijn, net als alle andere gewone mensen, zo zijn ze zelf gaan vinden. Als je aan die druk toegeeft, in tv-spelletjes gaat zitten, heel persoonlijke interviews geeft en jezelf eindeloos verlaagt om ‘de kloof met de kiezer’ te versmallen of op te heffen – ja, dan vraag je er ook om.

Bovendien hebben politici de vervelende gewoonte ontwikkeld om kiezers van alles en nog wat te beloven. Ze wekken zelf de indruk dat zij (de staat, de overheid) er zijn om alle problemen van burgers op te lossen (in plaats van toe te geven dat zij in negen van de tien gevallen onderdeel of bron van het probleem zijn). Daarmee wordt de burger gedegradeerd tot cliënt en consument. En als je dan geen waar voor hun geld kunt bieden, dan worden de consumenten ontevreden, en moet je niet vreemd opkijken wanneer kiezers je na verloop van tijd met afkeer en minachting tegemoet treden.

Binnenhof is dus een symptoom van een politieke cultuur in verval, en biedt natuurlijk geen enkele bijdrage aan een oplossing van dat probleem. En dat hebben politici aan zichzelf te danken.

17.5.10

Christelijk Conservatief Beraad

In een hartelijke sfeer van enthousiasme en verwachting hebben we afgelopen zaterdag met ruim 200 mensen op de Vanenburg in Putten de eerste bijeenkomst van ons Christelijk Conservatief Beraad belegd. Sprekers waren Hans Hillen en Eddy Bilder, Cor Verkade en Marlies van der Staaij, Henk Dijkgraaf en Amanda Kluveld. Zelf sprak ik over het belang van een cultureel fundament onder de samenleving. Een verkorte versie van een deel van de tekst staat vandaag op de opiniepagina van het Nederlands Dagblad, en volgt ook hieronder:


Het is nauwelijks nog voor te stellen, maar er is een tijd geweest waarin Jan Peter Balkenende nog geen premier van Nederland was. Hij was toen eerst Kamerlid en later fractievoorzitter van het CDA. In die tijd was Balkenende uiteraard nog veel toegankelijker dan nu en kon je uitvoerige gesprekken met hem hebben op zijn mooie kamer in het voormalige ministerie van Justitie. Die gesprekken gingen toen over één belangrijk thema: de agenda van hervormingen, bezuinigingen en belastingverlagingen, de visie op de overheid, het belang taken bij de overheid weg te halen en de vraag of de samenleving die taken weer zelf op zich kon nemen. Over dat laatste was Balkenende, destijds in ieder geval, opvallend optimistisch: als de samenleving zelf weer bepaalde taken moest verrichten – de buren helpen, behoeftigen verzorgen, sparen voor de rollator van oma – zou dat ook gebeuren. Als vanzelf. Balkenende was ervan overtuigd dat die kracht niet opnieuw moest worden aangekweekt maar dat die nog steeds in de samenleving aanwezig was.





Het thema van de gesprekken met Balkenende uit 2001-2002 is nu opnieuw actueel, actueler dan ooit, en is het onderwerp van deze eerste bijeenkomst van het Christelijk Conservatief Beraad. De financieel-economische crisis die steeds wilder om zich heen grijpt, dwingt tot radicale bezuinigingen. De keuzes die daarbij worden gemaakt, moeten het resultaat zijn van een heldere visie op de taken van de overheid. Wat moet de overheid doen en wat vooral niet, en op welke taken kunnen we op grond van deze analyse bezuinigen? En als de overheid bepaalde taken niet meer kan uitvoeren, alleen al om financiële redenen, mogen we dan aannemen dat de burgers zelf die taken weer ter hand zullen nemen? Of, met andere woorden: is in Nederland aan de morele voorwaarden voldaan om onze samenleving, onze democratische rechtsstaat en vrije-markteconomie, goed te laten functioneren?

Dat is een vraag die niet vaak wordt gesteld. In de klassieke oudheid stelden politieke filosofen (zoals Plato, Aristoteles, Polybius, Cicero) zich de vraag naar die morele voorwaarden wel zeer nadrukkelijk. Zij waren er namelijk van overtuigd dat een democratie kon ontaarden in chaos en ongebondenheid. Dat gebeurt wanneer mensen geen innerlijk respect meer hebben voor de wetten van het land, wanneer het gelijkheidsdenken doorslaat zodat vaders hun kinderen en leraren hun leerlingen als hun gelijken gaan behandelen, en wanneer vrijheid niet meer wordt gedefinieerd als het recht is om te doen wat men behoort te doen maar als het recht om altijd en overal te doen en te zeggen waar je zin in hebt. Het gebeurt wanneer mensen tradities niet meer in ere houden, hun ouders niet meer eren en de goden niet meer vereren – dan slaat vrijheid om in chaos en ongebondenheid en wordt de roep luid om een sterke man die de orde komt herstellen.

Vele mensen zien in dat we momenteel precies in deze impasse verkeren: het valse alternatief tussen de chaos van de ongebondenheid en de tirannie van het populistische leiderschap, tussen de onmacht van de traditionele politiek en de valse illusies van de nieuwe politiek. Het christelijk conservatisme biedt het alternatief dat ons uit deze impasse kan bevrijden.

Er zijn vandaag ruim 200 mensen naar Putten gekomen omdat het hier vandaag gegaan is over het culturele fundament dat een samenleving nodig heeft, een fundament van waarden en deugden dat in oude instituties wordt aangekweekt. Daarom ging het hier vandaag over familie en gezin, over onderwijs en over de rol van de kerken. Ook over de rol van de kerken, want een cultureel fundament dat op zijn beurt niet wordt geschraagd door het christelijk geloof en/of de erkenning van het belang van de christelijke traditie voor het welzijn van ons land, is uiteindelijk geen lang leven beschoren.

Ons Beraad wil vrij en onverveerd de inhoud van dit christelijk conservatisme verder uitdiepen en uitventen. We streven naar de formulering van ideeën en naar de invloed van deze ideeën op en binnen bestaande organisaties. Die ideeën zijn er dus niet om defensief de belangen van één bepaalde groep te dienen, maar zijn er tot heil des volks, om het zo eens uit te drukken, in bewuste aansluiting aan de traditie van het Reveil. Het Beraad hoopt dat christelijk-conservatieve ideeën in Nederland aan invloed zullen winnen, en streeft niet naar politieke macht om belangen te behartigen.

Want conservatisme is een cultureel-pedagogisch programma. We gaan het dus hebben over vaders en moeders, onderwijzers, leraren en dominees, beschaving en kennis en de vorming van karakters en gewetens. Al het andere is immers secundair. Inclusief de wereld van verkiezingsprogramma’s, wetsvoorstellen, centra voor jeugd en gezin en ander taai ongerief. We streven niet naar een politieke partij en zijn ook geen partij in interne partijpolitieke discussies. We streven immers niet naar macht om belangen te behartigen, maar naar de invloed en doorwerking van ideeën. Wat er daarna gebeurt zien we dan wel weer.

25.4.10

Interview met Hebe Kohlbrugge

In de eerste dagen van mei zijn we gewoon de bezetting en bevrijding te herdenken. Op het Wartburg College in Rotterdam (locatie Guido de Bres, Smeetslandseweg 125) is er a.s. woensdagavond 28 april (vanaf 19:30 uur) een bevrijdingsavond met een bijzondere gast: dr. Hebe Kohlbrugge, 96 jaar oud, die in de jaren dertig in Duitsland betrokken was bij het verzet van de Belijdende Kerk en in Nederland in de oorlogsjaren het spionagenetwerk van 'de Zwitserse weg' opzette. Ze overleefde Ravensbrück, en was ten tijde van de Koude Oorlog actief in het verzet tegen het communisme in Oost-Europa.
Hebe Kohlbrugge zal haar levensverhaal vertellen in een lang interview dat ik haar zal afnemen. Het zal daarbij ook gaan over de vraag hoe wij anno nu de strijd voor vrijheid moeten voeren.

Iedereen is van harte welkom. De toegang is gratis. Wel even aanmelden: infoguido@wartburg.nl.



19.4.10

Land van regenten

Nederland regentenland: het zal altijd wel zo blijven, maar juist daarom is de oppositie zo belangrijk, van cross-benchers, intellectuelen, columnisten, populisten en ander onguur volk.


‘We moeten weer leren de overheid te zien als een organisch onderdeel van de samenleving.’

Ik las deze zin, of een vergelijkbare zin, een week of wat geleden, ergens, ik weet helaas niet meer waar. Maar de zin heeft me veel te denken gegeven. Ik heb om te beginnen geconcludeerd dat het eigenlijk wel heel mooi zou zijn als je ertoe in staat zou zijn: de overheid te zien als een organisch onderdeel van de samenleving. Wat ze daar in Den Haag dan doen, dat doen ze dan namens ons, of beter nog: dat doen wij zelf. Belasting is dan een in vrijheid afgesproken, vrijwillige bijdrage aan het orgaan samenleving om de zwakke, behoeftige en nooddruftige onderdelen van het orgaan in leven te houden en te stimuleren. En politici zouden dan de mensen zijn die voor ons de dingen doen waarvan we allemaal vinden dat ze gedaan moeten worden.

Maar zo ligt het niet. Helaas. Het is niet alleen zo dat linkse mensen rechtse politici bekritiseren en rechtse mensen linkse politici, nee: mensen bekritiseren de politiek. Dat doet maar, daar in Den Haag. Ze hebben zich opgesloten in hun eigen wereldje, die vierkante kilometer van het Binnenhof, en houden zich bezig met hun eigen dingetjes, maar niet met de zaken waar de mensen op hun verjaardagen en aan de toog over praten. De overheid, de politiek in het algemeen, is geen organisch onderdeel van de samenleving, maar een vreemd vijandig gezwel dat je zo snel mogelijk moet isoleren en in haar macht beperken om verdere groei ervan te voorkomen.

Zo althans ervaren veel mensen het. Hoon is je deel wanneer je hun voorzichtig voorstelt om de politiek toch te zien als een essentieel bestanddeel van een orgaan waarvan zij zelf ook deel uitmaken.

Iedereen weet dit. We noemen het al jaren de ‘kloof’ tussen burger en politiek. Volgens sommigen is de afstand te groot, de kloof te diep (de ‘populisten’), volgens anderen (Maarten van Rossem en het CDA) kan die kloof niet diep en de afstand niet groot genoeg zijn.

Nederland wordt bestuurd door regenten. Dat is al heel lang zo, en ook D66 en ook de Fortuyn-revolte hebben daar geen einde aan kunnen maken. Ons land is een land van kleine gebaren, van schikken en plooien, van compromissen en consensus. Je kunt wel een visie hebben, maar je hebt die nog niet gegeven of ze vragen je heel concreet wat je praktische oplossingen zijn. Vergezichten en debatten, ontroering en vervoering leiden maar tot de tweedracht die je in een laag land onder de zeespiegel niet kunt gebruiken. Daar moet je op collegiale wijze wilde lopen kanaliseren en dijken graven.

De verzuiling van Nederland bracht de hechte institutionalisering van het regentendom. De zuilen zijn gevallen maar het dak van het regentendom is gewoon in de lucht blijven hangen. We knielen wel voor het beeld van de democratie en spuwen driewerf in de richting van alles en iedereen die iets van kritiek op ons politieke bestel durft te hebben. Maar met democratie heeft dit alles natuurlijk niets te maken. Democratie is vooral een woord dat we gebruiken om onze oligarchische systeem te camoufleren en te rechtvaardigen. Ons land is te groot om met z’n allen op dinsdagmiddag naar het Binnenhof te gaan. Daarom spreken we van representatie, maar we worden gerepresenteerd door mensen die we niet kennen. We laten het zo, en mensen die dit willen veranderen door de introductie van directere vormen van democratie zien we met volmaakte onverschilligheid zich stuklopen op de muren van het regentenkasteel.

Oligarchie is een van de belangrijkste en hardnekkigste tradities in de Nederlandse politiek, zo heeft de historicus Henk te Velde onlangs uiteengezet in een verhelderend en behartigenswaardig boek (Van regentenmentaliteit tot populisme). Alleen als je je erin schikt, kun je in de Nederlandse politiek meedoen en effectief zijn. Maar we moeten ook hen zaligspreken die zich niet schikken, de oppositionelen, de cross-benchers, de intellectuelen, columnisten en populisten. Ze maken de regenten zo af en toe een beetje zenuwachtig, zoals na afloop van het EU-referendum in juni 2005. Ze houden de elite scherp door haar voortdurend uit te dagen. Ze dwingen haar zo zich weer wat meer te voegen in het organisme van de samenleving.

15.4.10

Joseph Luns: bonhomie en bons mots

Mijn recensie in de HP/De Tijd van deze week gaat over de Luns-biografie van Albert Kersten.



Joseph Luns (1911 – 2002) is een van de bekendste en misschien ook wel beruchtste Nederlandse politici geweest. Hij begon zijn carrière als diplomaat, werd voor de KVP minister van Buitenlandse Zaken, bleef dat liefst negentien jaar lang (1952 – 1971), en werd daarna secretaris-generaal van de NAVO, van 1971 tot 1984. Luns was bovendien een verschijning: lang, een tikkeltje ijdel en deftig, maar toch vooral ook een man van de bonhomie en de bons mots. Hij zat eigenlijk nooit om een passend woord vergeleken, en was misschien wel de eerste Nederlandse politicus die van de camera hield en als het ware voor de verrekijk was geschapen.



Over een type als Luns verschenen tijdens zijn leven natuurlijk al boeken. Zo was er een boekje met de titel Gelooft u mij, het was een genoegen, en een boekje met ‘vrijmoedige herinneringen’ verteld aan journalist Michel van der Plas (Ik herinner mij). Het waren boekjes boordevol anekdotes en hilarische verhalen, moppenboeken bijna, waarin Luns zich bedoeld en onbedoeld als een conservatieve paljas afficheerde. CHU-senator Gerretson heeft wel eens gezegd dat hij zijn levenstaak zag in het ‘levensecht uitbeelden van de aartsreactionaire bullebak’. Luns had het ook gezegd kunnen hebben.

En dan is er nu de biografie van Luns door Albert Kersten. Kersten was hoogleraar diplomatieke geschiedenis aan de universiteit van Leiden en schreef ooit een mooie dissertatie over het ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens de Tweede Wereldoorlog (1981). Zijn boek over Luns is ruim 700 pagina’s dik, stevig gedocumenteerd en in vrijwel alle opzichten het tegendeel van de eerdere boekjes. Kersten is nauwelijks in de mens Luns geïnteresseerd. Zijn boek is meer een geschiedenis van de Nederlandse diplomatie en buitenlandse politiek na de Tweede Wereldoorlog dan een biografie in eigenlijke zin. Over de vrouw van Luns en zijn kinderen komen we bijvoorbeeld nauwelijks iets te weten. En voor de mooie verhalen moeten we die vroegere boekjes blijven lezen. De mooiste anekdote staat niet in het boek van Kersten maar werd verteld door oud-premier Piet de Jong tijdens de presentatie van het boek in Nieuwspoort. De Jong vertelde dat hij en Luns samen over het Plein in Den Haag liepen, en dat Luns hem vertelde dat hij die nacht opnieuw zijn ‘speciale droom’ had gehad. In die droom liepen De Jong en Luns ook over het Plein en werd De Jong door een vrachtauto overreden. Liggend op straat riep De Jong zijn minister van Buitenlandse Zaken nog toe: ‘Neem het over, Joseph! Neem het over!’ (‘Joseph’ natuurlijk op zijn Frans uitgesproken.) Luns droomde ervan premier te worden, elke keer weer in elk kabinet waarvan hij deel uitmaakte.

Het is eigenlijk wel begrijpelijk dat Kersten een heel ander boek heeft willen schrijven. Zijn boek gaat over de grote en memorabele momenten in de carrière van Luns, zoals de politieke strijd over de onafhankelijkheid van Nieuw-Guinea, zijn botsingen met de Franse president De Gaulle over de inrichting van Europa, zijn verzet tegen de geest van de jaren zestig (al bezocht Luns met een van zijn kinderen een concert van de Rolling Stones), zijn verzet tegen de te ‘lage’ huwelijken van de meisjes van Oranje, en zijn pleidooien voor minder idealisme en meer machtspolitiek realisme in het buitenlands beleid.

Kersten laat niet alleen zien dat achter de rijzige gestalte van de cabareteske Luns een onzeker persoon schuil ging, die de druk van zijn werk nauwelijks aan kon en aan flauwtes en depressies leed. Maar Luns is bovendien een persoon geweest die altijd ondergewaardeerd is. Hij was een vakman, met humor maar ook hard, die de Nederlandse verhoudingen in feite was ontgroeid en zijn levensavond doorbracht in zijn dubbele appartement in Brussel. Voor die man heeft Kersten een gepast monument opgericht.

(n.a.v. Albert Kersten, Luns: een politieke biografie; uitgeverij Boom € 39,90)