30.12.10

Alain Finkielkraut over literatuur

Mijn aller-, allerlaatste boekenstukje in HP/De Tijd (het was me een genoegen) gaat over het (misschien wel) beste non-fictieboek van 2010: het boek van de Franse filosoof Alain Finkielkraut over het intelligente hart.







Wij lezen om onszelf te vergroten. Onze eigen ervaring is immers maar zeer beperkt. Door te lezen delen we in de ervaringen en observaties van anderen, de schrijvers, en corrigeren daarmee onze kleingeestigheid en ons provincialisme.

De Franse filosoof Alain Finkielkraut (1949), hoogleraar in Parijs, weet dit en heeft dit jaar een boek gepubliceerd over negen romans die ons kunnen helpen ons een weg te banen door het moderne leven. Zij kunnen ons ‘de genade van een intelligent hart’ schenken, zodat we ‘niet alleen de wetten maar ook de jurisprudentie van het leven’ leren kennen.

Finkielkraut bespreekt bijvoorbeeld Sebastian Haffners autobiografie (Het verhaal van een Duitser) en waarschuwt ons tegen meegaandheid bij de opkomst van grote bewegingen. De opkomst van het nazisme is toe te schrijven aan het aanpassingsvermogen van een karakterloze natie, betoogt Haffner, en het is goed dat Finkielkraut ons daar weer eens aan herinnert.

Maar behartigenswaardig zijn vooral zijn opmerkingen over The Diary of a Man of Fifty (1879) van Henry James. Een man van vijftig keert na een lange militaire carrière terug naar Florence waar hij vroeger een Italiaanse gravin heeft liefgehad. Uit wantrouwen jegens haar oneerlijke intriges (zo denkt hij) heeft hij haar echter afgewezen. Hij ontmoet een Engelsman die dertig jaar jonger is dan hij en verliefd is op de dochter van deze vrouw. Hij wil hem van zijn ervaring laten profiteren en waarschuwt hem voor de behaagzieke jonge vrouw. Maar deze jonge man trouwt toch met haar – en wordt gelukkig. ‘Hij leert het eenvoudige en zeldzame geluk van gedeelde liefde kennen.’

Normaal gesproken gaat het in romans om mensen die hun illusies verliezen, ontnuchterd raken en aldus volwassen worden. De novelle van James leert ons dat het leven soms ook veel rijker is en dat wij soms te achterdochtig zijn. De werkelijkheid kan sterker zijn dan onze desillusies. Een mooie les bij het begin van een nieuw jaar.


(n.a.v. Alain Finkielkraut, Een intelligent hart, uitgeverij Contact)

28.12.10

Rechts gaat winnen, maar CDA krijgt het moeilijk

De eerstvolgende verkiezingen, de Statenverkiezingen van 2 maart 2011, gaan over slechts één vraag: of wij voor of tegen het huidige kabinet zijn. Voorstanders stemmen op CDA, VVD of PVV, tegenstanders op een van de oppositiepartijen.


Ik ben bang voor progressief Nederland dat de Statenverkiezingen een flinke overwinning voor rechts zullen opleveren. Een eerste signaal daarvoor is het geringe enthousiasme dat de oproep van Job Cohen heeft losgemaakt. Cohen heeft alle progressieve partijen en organisaties gemaand om op zondag 16 januari naar Amsterdam te komen voor een demonstratie tegen het huidige rechtse, ‘cynische en uitsluitende’ kabinet. Maar Ouderenbond ANBO wil als neutrale organisatie niets met het exclusief-linkse protest te maken hebben. Zelfs de FNV weet nog niet zeker of ze meedoet. De ChristenUnie komt zeker niet – niet alleen omdat de manifestatie op zondag is maar ook omdat André Rouvoet ‘christelijk-sociale doelstellingen’ wil realiseren en dat wil doen door samenwerking ‘met alle partijen, coalitie of oppositie’. D66 wil niet een van de mede-organisatoren van de manifestatie zijn. Pechtold stuurt een vertegenwoordiger en die komt alleen maar luisteren ‘naar de nieuwe koers van de PvdA’.

Het zal die waarnemer waarschijnlijk niet meevallen om aan Pechtold door te geven wat die nieuwe koers is ‘van het andere Nederland dan het Nederland waar wij op afstevenen’ (Cohen). De onderlinge verschillen tussen de deelnemers zijn immers te groot om van één links-progressief blok te kunnen spreken. Dat ‘blok’ valt sowieso al uiteen in een oud-links (economisch ‘conservatief’) blok en een sociaal-liberaal (‘progressief’) blok. Eén boodschap zal dan ook niet klinken vanaf de Brakke Grond in Amsterdam, waar de manifestatie moet gaan plaatshebben.

De organisatie van brede maatschappelijke oppositie tegen dit kabinet is dus bij voorbaat mislukt. En al zou ze zijn gelukt, de vraag is nog maar of die oppositie erg succesvol zou zijn geweest. Het incident in de Eerste Kamer rond de verhoging van de btw op theaterkaartjes heeft duidelijk gemaakt hoe hecht de huidige regeringscoalitie momenteel is. Dat incident is door de meeste politici en media verkeerd gelezen, als een overwinning namelijk van de Eerste Kamer als zelfstandig orgaan van volksvertegenwoordiging tegenover dit kabinet. Maar dat het kabinet bereid was de maatregel een half jaar uit te stellen, bewijst vooral dat CDA, VVD en PVV bereid waren de zaak tegenover elkaar niet op de spits te drijven en in politieke volwassenheid tevreden te zijn met een compromis. Bovendien zal Rutte direct na het kerstreces (half januari) de plannen van al zijn ministers presenteren. Die plannen zullen de burger financieel geen pijn doen en op brede instemming kunnen rekenen. In die sfeer kan het niet anders of dit kabinet krijgt op 2 maart een nieuw mandaat in de vorm van een overtuigend vertrouwensvotum. En vervolgens, zo vermoed ik, gaan we een politiek saaie periode tegemoet die ons zal doen gapen als onder de meest paarse jaren. Maar gelukkig het land welks politiek saai is.

Het grote probleem voor deze coalitie is echter dat de winst op 2 maart naar VVD en PVV zal gaan en niet naar het CDA. Het CDA is al de enige van de drie partnerpartijen die het in de peilingen niet goed doet. Het CDA is bovendien de partij waarvan de achterban het meest ambivalent tegenover dit kabinet staat. VVD’ers en PVV’ers zijn zeer ingenomen met Rutte-I, voor CDA’ers geldt dit maar zeer gedeeltelijk. Het CDA is over het algemeen al zo verdeeld dat een strakke regie van bovenaf altijd nodig is om de boel partijpolitiek bij elkaar te houden. Dat is de belangrijkste conclusie die kan worden getrokken uit het eerste interview dat Jan Peter Balkenende na zijn vertrek uit de Haagse politiek heeft gegeven en dat deze week is verschenen in Christen Democratische Verkenningen, het blad van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Die verdeeldheid is door de deelname van het CDA aan een kabinet dat door de PVV wordt gedoogd alleen nog maar toegenomen, zoals iedereen heeft kunnen zien bij het CDA-partijcongres in oktober.

Zoals alle partijen oude rotten inzetten voor de Eerste Kamer verkiezingen (Van Boxtel voor D66, Hermans voor de VVD, Marleen Barth voor de PvdA) zo heeft ook het CDA een ervaren man bovenaan de lijst gezet: Elco Brinkman. Het komt mij voor dat deze politicus, in 1994 door Lubbers aan de kant gemanoeuvreerd, een rechtsig imago heeft. In de interviews die hij tot nog toe heeft gegeven (in de Telegraaf en in In Contact, het blaadje van de jongerenorganisatie van de SGP) benadrukt hij vooral de fouten die zijn politieke generatie heeft gemaakt in de softe opstelling in de discussie over de multiculturele samenleving en omarmt hij de correcties die Wilders op dit beleid (of beter: gebrek aan beleid) heeft aangebracht.

Ik neem iemand niet gauw kwalijk dat hij misschien wat rechtsig is. Maar het CDA heeft het al moeilijk en gaat het nog moeilijker krijgen wanneer de Statenverkiezingen uitlopen op een vertrouwensvotum over het beleid van het huidige kabinet. Om minimaal alle CDA’ers aan boord te houden, moet de partij een elegante spagaat uitvoeren waarvoor Brinkman misschien niet de meest aangewezen man is.

27.12.10

In debat met Paul Cliteur

De Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur draagt de stelling uit dat alle monotheïstische godsdiensten even erg zijn omdat ze alle (drie) religieus geweld, opgedragen door een onberekenbare godheid, zouden sanctioneren. Ik ken Paul Cliteur al jaren en we gaan plezierig met elkaar om, maar deze stelling vind ik onzinnig. Paul Cliteur weet dat van mij, maar heeft mij desondanks (of juist daarom) gevraagd om op 24 september j.l. een woordje te spreken (samen met columniste Elma Drayer) bij de presentatie van zijn boek in de boekwinkel van onze vriend Huib Schreurs aan de Weteringschans in Amsterdam.
In het stukje dat ik voor het Kerstnummer van Elsevier heb geschreven, ben ik nog eens op het onderwerp teruggekomen. De tekst daarvan volgt hieronder. Daaronder staat de tekst van een artikel dat ik drie jaar geleden in Opinio schreef en dat over de verschillende manieren gaat waarop christenen de Bijbel en moslims de Koran lezen.
Ik geloof dat Paul Cliteur op zijn website op mijn bijdragen zal ingaan. Dat zou mooi zijn, dan kunnen we de discussie voortzetten.








(foto's van de boekpresentatie op 24 september bij Schreurs en De Groot in Amsterdam)


Artikel in Kerstnummer Elsevier

In het Bijbelboek Numeri (hoofdstuk 25) staat het verhaal van Pinehas, de kleinzoon van Aäron, de broer van Mozes. Als het volk Israël zich aan hoererij met de dochters van de Moabieten te buiten gaat, neemt Pinehas een spies en steekt hij een Israëlitische man en een Moabitische vrouw door hun buik. Daarmee maakte hij, zo lezen we in de Bijbel, ‘een einde aan de plaag over de kinderen Israëls’. En de God van Israël betuigt zijn goedkeuring over deze handeling van Pinehas.

In zijn boek over Het monotheïstisch dilemma haalt de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur deze geschiedenis aan om duidelijk te maken dat religieus terrorisme niet alleen door de islam wordt geïnspireerd maar door het monotheïsme als zodanig. Een ander voorbeeld dat Cliteur aanhaalt is dat van Abraham, die zich bereid toont om zijn zoon Izaäk te offeren. Als meer recente voorbeelden van religieus terrorisme behandelt Cliteur drie andere voorbeelden: Abudulmutallab die vlucht 253 van Northwest Airlines van Amsterdam naar Detroit wilde opblazen, Jogal Amir die de Israëlische premier Jitzak Rabin vermoordde, en Scott Roeder die de abortusarts George Tiller doodde. Zij beriepen zich op God en morele heteronomie, verwerpen de morele eisen van deze wereld ten gunste van een wereld aan gene zijde, verzetten zich tegen de vrijheid van geweten en aanvaarden het martelaarschap.

Voor Cliteur zijn deze geschiedenissen overtuigende voorbeelden voor zijn pleidooi om kerk en staat strikt te scheiden. De staat moet strikt laïcistisch zijn. Geloof is best maar dient achter de voordeur te worden gepraktiseerd.

Laten we om te beginnen vaststellen dat de redenering van Cliteur zo gek nog niet is. Ons land is multicultureel geworden. Niet één geloof kan nog publiekelijk een bevoorrechte positie innemen. Alle geloven dienen strikt gelijkwaardig te worden behandeld, temeer omdat hun monotheïstische achtergrond een inspiratiebron van geweld kan zijn.

Toch maakt Cliteur een vergissing. Natuurlijk heeft hij gelijk wanneer hij de verhalen van Pinehas en Abraham aanhaalt om duidelijk te maken dat ook het geloof zoals dat in het Oude Testament wordt verwoord, gewelddadige kanten kan hebben. Maar het gaat er niet om hoe die verhalen op zich in de Bijbel staan maar hoe die verhalen worden gelezen en geïnterpreteerd. En dan is er wel degelijk een groot verschil tussen christendom en islam.

Het verschil begint al in het Nieuwe Testament, waar Jezus, wiens geboorte wij dezer dagen herdenken, zelf zegt dat bepaalde (gewelddadige) passages uit het Oude Testament anders moeten worden uitgelegd. Het principe ‘oog om oog, tand om tand’, bijvoorbeeld, is achterhaald, evenals het principe dat een vrouw die op overspel wordt betrapt moet worden gestenigd.

Een tweede revolutie voltrok zich ten tijde van de overgang van de Middeleeuwen naar de vroeg-moderne tijd. Geïnspireerd door de Italiaanse humanist Lorenzo Valla begint Erasmus aan een grote opdracht: met behulp van diverse manuscripten wil hij de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament zo nauwkeurig mogelijk vaststellen. Hij wil dit omdat de juiste interpretatie van die tekst alleen kan worden vastgesteld door die in zijn oorspronkelijke context te lezen. Het lezen van die tekst in haar oorspronkelijke context schept afstand, en dus ruimte om die tekst met historische distantie te interpreteren.

In het christendom is dus een renaissance mogelijk. Met een beroep op de oorspronkelijke betekenis van de heilige teksten kunnen latere afwijkingen worden gecorrigeerd.

In de islam is dat onmogelijk. In de eerste plaats al omdat de Koran het ongeschapen en eeuwige woord van Allah is. Een historische context doet er niet toe. Een historisch-kritische uitgave van de Koran bestaat niet eens. Alles wat in de Koran staat wordt dan ook, anders dan voorschriften uit de Bijbel, strikt letterlijk genomen.

Vandaar dat een Scott Roeder een uitzondering is, en vandaar dat het de KRO niet lukte een film te maken die net zo erg was over het christemndom als de film Fitna van Geert Wilders over de islam.


Bijbel, Koran, tekstkritiek
(en Wilders’ film)


Vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw is in West-Europa een belangrijk principe van kracht geworden: het hermeneutische principe dat klassieke teksten, profane én religieuze, een ontstaansgeschiedenis hebben; dat zij in vele manuscripten zijn overgeleverd; dat een vergelijking van deze verschillende tekstgetuigen tot de vaststelling van een tekst moet leiden die het origineel (de ‘autograaf’) zo dicht mogelijk benadert; dat de uitleg van die teksten zijn uitgangspunt heeft in de historische context waarbinnen zij zijn ontstaan.

De Italiaanse humanist Lorenzo Valla (1407 – 1457) was een van de belangrijkste grondleggers van dit principe, dat in de praktijk revolutionaire consequenties had. Met behulp daarvan toonde Valla bijvoorbeeld aan dat de zogenaamde Donatie van Constantijn (waarmee deze keizer het gehele West-Romeinse Rijk aan de rooms-katholieke kerk zou hebben geschonken) geen tekst uit de vierde maar uit de achtste eeuw was, en dus een latere vervalsing. Met die vondst werd een dreun uitgedeeld aan de wereldlijke machtsaanspraken van de kerk.

Valla legde zich ook toe op het verzamelen van Griekse handschriften van het Nieuwe Testament, om de oorspronkelijke tekst van dit tweede deel van de Bijbel zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. Maar het was Erasmus (1466 – 1536) die niet alleen naar Griekse manuscripten speurde, maar de Griekse tekst van het Nieuwe Testament ook uitgaf (in 1516 voor het eerst; er zouden nog vier edities volgen), samen met een nieuwe Latijnse vertaling van de tekst. Hij deed dat om de bestaande vertaling van de Bijbel, de Vulgaat, te corrigeren. Als gevolg van dit project werd ineens duidelijk dat bepaalde kerkelijke dogma’s die op de tekst van de Vulgaat gebaseerd waren, in de gezuiverde tekst geen grondslag meer vonden.

Binnen de westerse traditie van de christelijke kerk is het dus al ruim vijf eeuwen mogelijk, en gebruik geworden, om de tekst van de Bijbel als een document met een ontstaansgeschiedenis te beschouwen, de vraag naar de zuivere lezing ervan te stellen en de tekst met historische distantie te interpreteren. Binnen de islam is dit niet mogelijk. De Koran is door Allah aan Mohammed gedicteerd, en discussie over de wording ervan is daarmee uitgesloten – en daarmee ook de mogelijkheid om de boodschap van de Koran met historische distantie en reserve te lezen. Een islamitische pendant van ‘Nestle-Aland’ (zoals de kritische uitgave van het Nieuwe Testament naar de namen van de bezorgers in de wandelgangen wordt aangeduid) bestaat dan ook niet en is niet mogelijk. Het nieuws van vorige week over de vondst van verloren gewaande fotografische opnamen van Koranmanuscripten, en over het verzet tegen de openbaarmaking daarvan, toont dit helder aan. Spengler, columnist van de Asia Times, schrijft in bijgaand artikel over dit belangrijke onderwerp. Duidelijk wordt niet dat de tekst van de Koran zelf in de eerste plaats een probleem is (wat de tendens van de film van Geert Wilders lijkt te gaan worden), maar de manier waarop de tekst wordt gelezen. De eigenlijke vraag aan de islam is dus niet om delen uit de Koran te scheuren of om hun heilige boek te verbranden, maar of een historisch-kritische lezing van de Koran binnen deze geloofstraditie tot de mogelijkheden behoort. Daarvoor bestaan vooralsnog geen bewijzen.

[Opinio, jaargang 2, nummer 4, 25 – 31 januari 2008, p. 12]

10.12.10

Paul Scholten: Om de christelijke vrijheid




Paul Scholten (1875 – 1946) gold in zijn dagen als ‘een van de grootste, ja misschien wel de grootste der juristen van het Koninkrijk der Nederlanden’. Het kon dan ook niet uitblijven of de universiteit waaraan hij studeerde en negendertig jaar lang doceerde, de universiteit van Amsterdam, vernoemde een instituut naar hem. Over hun motieven hebben de bevolkers van dat instituut geen onduidelijkheid willen laten bestaan. In een publicatie over ‘de actualiteit van Paul Scholten’ schreven zij: ‘Alle auteurs zijn het erover eens dat Scholtens gedachtegoed ontdaan zou moeten worden van de al te christelijke kantjes. In onttakelde vorm wordt Scholten weer actueel’.

Dat is een vreemde motivatie om een man te eren die belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk was, veel denkkracht heeft gewijd aan de vraag hoe zijn vak en zijn christelijk geloof zich tot elkaar verhielden, en zijn afscheidscollege in 1945 als volgt besloot: ‘Een college is niet de plaats voor een geloofsbelijdenis. Ik heb mij er altijd van onthouden, al heb ik mijn overtuiging niet verdoezeld. Ik zal ook nu geen confessie uitspreken. Gij weet, dat ik een man ben van positief-christelijke, reformatorische overtuiging. Gij begrijpt, hoop ik, dat ik krachtens die overtuiging alleen dan een toekomst voor het Nederlandse volk verwacht, indien het zich voor Gods Woord buigt. Velen van u denken anders. Ik dring hun geen overtuiging op, slechts dit vraag ik van allen: Dient het volk door het aan zijn recht te helpen. Zoekt daarin de vrede. En houdt niet op te dorsten naar de gerechtigheid.’

Volgens Scholten was ons land niet beter gediend dan met het christelijk geloof. Dat had onder andere te maken met het feit dat ons land en onze cultuur waren gevormd door de oorlog om de christelijke vrijheid. Die strijd om de ‘liberteyt van religie en conscientie’ heeft ons volk tot een gemeenschap gemaakt. Een sterke vrijheidsdrang heeft ons in opstand gebracht tegen de Spaanse tirannie in de zestiende eeuw, en moest ons in de Tweede Wereldoorlog inspireren tot een conservatieve strijd voor het behoud van vrijheden. Die vrijheidsdrang kon niet ontaarden in ongebondenheid en wetteloosheid zolang zij werd begrensd door de waarden en normen van het christelijk geloof. Waar de beperkingen die het geloof aan de vrijheid stelt, zouden wegvallen, zou een heilloos dilemma opdoemen: vrijheid zou dan verlopen in anarchie of, van de weeromstuit, in tirannie. Scholten, een CHU’er, meende dat ook het leven van de staat onder Gods gebod valt, ‘onder de Wet – met een hoofdletter – in theologische zin’.

Dit geloof had Scholten overigens niet van huis uit meegekregen. Hij groeide op in een vrijzinnig milieu, en kwam slechts langzamerhand, door veel studie en geregelde kerkgang, tot het geloof. Dat gebeurde in 1913, toen hij 38 jaar oud was. Hij raakte bevriend met christelijke denkers als Ph. Kohnstamm en O. Noordmans, en leidde tijdens de oorlogsjaren – toen hij naar zijn vakantiewoning in Hulshorst verbannen was – in hotel De Valk in Nunspeet de vergaderingen van de commissie die een nieuwe kerkorde voor de Hervormde Kerk opstelde.

Na 1913 kwam Scholten voor de vraag te staan hoe hij zijn geloof in zijn vak kon integreren. Wie zich in het werk van Scholten verdiept, kan zich alleen maar verbazen over elke poging om zijn publicaties te ‘onttakelen’. Scholten is nog altijd een gerenommeerd jurist en heeft die reputatie te danken aan het zogeheten Algemeen deel, het eerste deel van een serie boeken over het Nederlands burgerlijk recht. In dat boek verzet hij zich tegen de gedachte dat een rechter niet meer is dan de mond van de wet. Een rechter zou, in deze gedachtegang, alleen maar een feit aan een regel hebben te onderschikken en vervolgens een conclusie te trekken. Volgens Scholten was de werkelijkheid daar echter te ingewikkeld en te gebroken voor. Een rechter moet ook andere factoren wegen en ten slotte een beslissing nemen. Die beslissing neemt hij uiteindelijk op grond van zijn geweten, en dat geweten is in laatste instantie gebonden aan God: ‘een hogere macht die, als Persoon in schepping en geschiedenis geopenbaard, individu én gemeenschap met zijn onvoorwaardelijke vorderingen tegemoet treedt’.

Gelukkig is er sinds kort weer belangstelling voor de echte Paul Scholten, inclusief zijn christelijk geloof. De juridische faculteit van de universiteit van Leiden vormt het hart van deze Scholten-revival. Universitair docent Timo Slootweg heeft een bloemlezing van Scholtens belangrijkste artikelen en essays gepubliceerd. Deze bundel bevat onder meer de beschouwingen die Scholten heeft gewijd aan de filosofische en theologische grondslagen van zijn opvattingen over recht en rechtsvinding. Deze bundel met artikelen van Scholten zelf is gevolgd door een boek met vijftien hoogwaardige studies over het werk van Scholten. Deze studies bestrijken een breed terrein en verschillen ook qua toon en waardering zeer van elkaar. Paul Cliteur bijvoorbeeld, propagandist van een strikt seculiere orde, schrijft niets meer met Scholten te kunnen. Oriëntatie op Scholten is niet meer dan een vorm van ‘nostalgie’ omdat we nu in een tijd leven ‘met problemen waarvan Scholten geen weet had en waarvoor hij dus ook geen oplossing kan bieden’. Andreas Kinneging typeert Scholten als een denker in de traditie van het natuurrecht. Timo Slootweg daarentegen plaatst Scholten in de traditie van het christelijk existentialisme (Kierkegaard) en benadrukt het verschil tussen de platoonse liefde tot de idee en de christelijke liefde tot een Persoon.

Het zijn twee rijke bundels geworden, deze studies van en over Paul Scholten, en zij maken het begrijpelijk dat dr. W. Aalders ooit Scholten typeerde als ‘een waarlijk protestants gelovige, een geesteskind van Edmund Burke en Groen van Prinsterer, uit de herontdekking van wiens werk een nieuw Reveil geboren kan worden’.

N.a.v.:
Paul Scholten,
Dorsten naar gerechtigheid,
redactie Timo Slootweg
(uitgeverij Kluwer, Deventer, 2010; geb., 448 blz., € 60,00; ISBN 978-90-13-07260-0)

Recht, beslissing en geweten: beschouwingen naar aanleiding van Paul Scholten,
Redactie Afshin Ellian, Timo Slootweg en Carel Smith
(uitgeverij Kluwer, Deventer, 2010; geb., 328 blz., € 45,00; ISBN 978-90-13-08355-2)

19.10.10

Eén natie, twee culturen

Vandaag realiseerde ik me ineens dat ik me voor het eerst in mijn leven enigszins thuis voel bij een nieuw kabinet.
Tot nog toe konden die kabinetten me eigenlijk niet zo veel schelen. Paars vond ik verschrikkelijk, al genoot ik altijd van de optredens van Frits Bolkestein. De politieke discussies sinds Fortuyn hebben mij ongemeen geboeid, vooral door de combinatie met cultuur en religie, maar de kabinetten-Balkenende (het tweede misschien enigszins uitgezonderd) hebben mij altijd lauw gelaten (op z’n best) of geërgerd (meestal). Een regering van CDA en PvdA is wat mij betreft een van de ergste dingen die een land kan overkomen.

Het kwam door een fotootje op de voorpagina van de NRC van afgelopen zaterdag. Mark Rutte staat achter zijn bureau in het Torentje en pakt zijn tas in, aan het einde van zijn eerste werkdag. Dat jongensachtige en wat onhandige, dat Engelse in zijn stijl en voorkomen, dat neemt me in voor de man. In deze tijden van blijvende onzekerheden vind ik dat hij een prima team van ervaren en ambachtelijke politici heeft samengesteld. Voor het eerst, denk ik, heb ik het gevoel dat een regering ook een beetje mijn regering is.

Een goede vriend vertelde mij eens dat hij zich bij het aannemen van een nieuw personeelslid maar één vraag stelde: of hij met die man of vrouw een weekje vakantie zou uithouden. Bij dit kabinet heb ik het idee dat me dat zou lukken. Met Cohen en Mariëtte Hamer zou bij het ontbijt al uitgepraat zijn en de rest van de dag zou ik proberen hen te ontlopen, en zij mij.

Tegelijkertijd kan ik mij goed voorstellen dat heel veel Nederlanders precies het tegenovergestelde gevoel hebben. Ik begrijp dat omdat ik de aanblik en het aanhoren van linkse politici vaak bijna als een persoonlijke belediging ervaar. Dat is niets persoonlijks. Het gaat erom dat je mensen dingen hoort zeggen die zo werkelijkheidsvreemd en dom zijn, dat je je hart vasthoudt voor dit mooie land. Als ik Femke Halsema hoor praten over haar voornemen om de vrijheid van godsdienst te lijf te gaan met een radicaal gelijkheidsideaal en emancipatiedwang, dan vervullen die uitspraken mij met aversie, inclusief het toontje waarop die uitspraken worden gedaan. Ik heb vandaag instemmend gegromd bij het lezen van een opiniestuk van Diederik Boomsma in de Volkskrant: een goed geschreven stuk tegen een elite die bewust antiburgerlijke kunst voor de happy few is gaan maken maar daar wel subsidie voor wilde hebben en daarvoor nu de rekening gepresenteerd krijgt. Dat gegrom kwam ongetwijfeld voort uit afkeer van die elite. Het is net zo iets, stel ik mij voor, wat een linksmens overkomt wanneer hij Bolkestein over de vrije markt hoort, Wilders over immigratie of beelden ziet van de Amerikaanse Tea Party-beweging. Dat geeft allemaal niets, zolang het maar niet echt persoonlijk wordt. Wilders en Halsema zie je vaak samen lachen. Dat lijkt me een goed teken. Over Nederland moet je je pas echt zorgen gaan maken wanneer de politieke animositeit zou omslaan in een persoonlijke.

De Amerikaanse historica Gertrude Himmelfarb heeft een jaar of tien geleden een interessant boek over dit verschijnsel geschreven. Dat boek heet One Nation, Two Cultures en gaat over de Amerikaanse samenleving in de nasleep van de culturele revolutie. Die revolutie heeft de ene Amerikaanse natie in twee culturen verdeeld: een conservatieve en een progressief-liberale. In Amerika is deze tegenstelling duidelijk zichtbaar omdat die zich politiek heeft vertaald in een Republikeinse en een Democratische Partij. Bij ons in Nederland is dat niet het geval. Hooguit wordt het verschil zichtbaar in de tegenstelling tussen links en rechts. Waarbij rechts staat voor een kleine overheid, zelfredzaamheid en cultureel-morele waarden, en links staat voor de noodlottige combinatie van vrijheidsdrang en een alomtegenwoordige staat.





Het boek van Himmelfarb ontvouwt een conservatief programma om de civil society te revitaliseren als buffer tussen een excessief individualisme aan de ene kant en een onderdrukkende staat aan de andere kant. Ze schrijft over een hervorming van instituties als familie en gezin, over de politiek en over het christendom als een ‘seedbed of virtue’.

Ik weet dat Rutte veel goede boeken leest (las), maar ik ben bang dat hij dit boek van Himmelfarb niet kent, of als hij het kent, dan heeft hij de inhoud niet gebruikt als blauwdruk voor zijn regeringsbeleid. Daarvoor is hij natuurlijk ook veel te gematigd. Hij belichaamt eigenlijk het type mens dat in Amerika zou worden omschreven als een rechtse Democraat of een linkse Republikein. Misschien dat ik dat even zag in dat fotootje op de voorpagina van de NRC. En toen dacht dat hij daarmee misschien wel over de kwaliteiten beschikt om in een land van twee culturen die ene natie te belichamen.


12.10.10

Premier Rutte

Dat Mark Rutte aanstaande donderdag met zijn team van getrouwen naast koningin Beatrix op het bordes van paleis Huis ten Bosch zal staan, is het beste bewijs voor de stelling dat in de politiek alles mogelijk en niets onmogelijk is.

Wie zou in 2006 zijn geld op Rutte hebben gezet? In mei van dat jaar won hij weliswaar van Rita Verdonk de strijd om het politieke leiderschap van de VVD (met 51,5 tegen 46 procent van de stemmen), maar bij de Kamerverkiezingen van november 2006 verloor de VVD zes zetels en bleek de nummer twee op de lijst, Rita Verdonk, bijna 70.000 stemmen meer te hebben behaald dan hij. Pas een jaar nadien zou Rutte de muiterij van Verdonk pareren door haar uit de fractie te zetten. Verdonk leek toen met haar Trots op Nederland meer kans op een vooraanstaande positie in de Nederlandse politiek te maken dan Rutte met zijn VVD.



Het geval wil dat ik in die voor Rutte niet gemakkelijke jaren een paar maanden nauw met hem en zijn staf heb samengewerkt. Ik werkte toen voor het helaas ter ziele gegane weekblad Opinio, het geesteskind op knisperend roze papier van Jaffe Vink. In het najaar van 2007 was Rutte gasthoofdredacteur van een nummer dat hij geheel naar eigen inzicht mocht vullen. Ik weet dus hoe vriendelijk en joviaal Rutte is, en welk een rol zijn moeder in zijn leven speelt. Midden in een vergadering stond hij ineens op. Een broer of zuster had gebeld met de mededeling dat hij/zij moeder die middag niet naar het ziekenhuis kon brengen voor een onderzoek. En daarom deed Mark dat wel even.

In het door hem samengestelde nummer wilde Rutte, de geschoolde en belezen historicus, een interview met de beroemde Jonathan Israël, de man van de dikke boeken over Spinoza en de Verlichting. En dus vloog ik naar Londen om de man te interviewen. Het gesprek verliep zonder meer alleraangenaamst, en na afloop serveerden Israël en zijn vrouw een copieuze lunch. Wie ook aanschoof was een dochter, die lange tijd in Nederland bleek te hebben gewoond. Aan tafel ging het al snel over de situatie in Nederland en over de ravages die het multiculturele ideaal had aangericht. Vooral de dochter wist daar als meisje uit de grote stad sterke staaltjes van te melden. Israël was geschokt. Hij had dat nog nooit gehoord. En ik realiseerde me dat ik aan tafel zat met een beroemd man die zich regelmatig uitliet in het veel geroemde maatschappelijk debat, een strenge vorm van laïcisme bepleitte, maar dus eigenlijk niet wist over welke samenleving hij het had.

Ik moet toegeven dat ik Israël en Rutte toentertijd beschouwde als van eenzelfde lap gescheurd. Bij het overleg over de inhoud van ‘zijn’ nummer waren tal van onderwerpen de revue gepasseerd: prachtige onderwerpen, variërend van een pleidooi voor groen rechts (door Jort Kelder) tot een pleidooi voor de zogeheten ‘creatieve klasse’ in de Amsterdamse grachtengordel. Aan het einde van dat gesprek suggereerden Jaffe Vink en ik voorzichtig of er misschien nog iets ontbrak. Iets met immigratie en integratie of zo. Maar dat zagen we helemaal verkeerd. De kiezers associeerden de VVD immers met namen als Frits Bolkestein en Rita Verdonk en wisten dus wel wat ze wat dit betreft aan de VVD hadden. Durfden we op zo’n moment te zeggen dat die kiezer hem misschien vooral met Hans Dijkstal associeerde en dat dat wat dit betreft misschien niet in zijn voordeel was? Wij durfden het, maar onze tegenwerping werd gezellig weggelachen.

Dat nummer van Opinio met Rutte als gasthoofdredacteur is overigens een prachtig en lezenswaardig nummer geworden.

Kun je nu zeggen dat Rutte het volk nadien versteld heeft doen staan met zijn betogen en beslissingen? Hij was wel de eerste die Wilders publiekelijk ontmaskerde als de politicus die eigenlijk een cordon sanitair om hem heen wilde, om zijn verantwoordelijkheid te ontlopen en zich te wentelen in zijn rol van slachtoffer van een pervers politiek systeem. Maar verder? Nee. Toch bleef hij begin dit jaar maar in de peilingen stijgen, vooral – opvallend genoeg – in een periode dat Rutte met vakantie en dus onzichtbaar was. In juni boekte hij een winst van negen zetels, en zijn VVD werd daarmee nipt de grootste partij van het land. Hij had een resultaat geboekt dat zelfs Wiegel en Bolkestein niet hadden behaald. Daarna, zo is mijn indruk, is hij vooral erg geduldig gebleven, en nu staat hij overmorgen naast de koningin op het bordes als de eerste liberale premier van Nederland in negentig jaar.
Er zijn tal van portretten van Rutte verschenen in de kranten en bladen en er is zelfs al een (aardig) boekje (Martijn van der Kooij en Dirk van Harten, Mark Rutte: alleen voor de politiek; uitgeverij Terra Lannoo). Al die publicaties vertellen hetzelfde verhaal over een aimabele jongeheer, een communicator, een people’s manager, een man ook (wat mij voor hem inneemt) die cultureel aarzelt: hij staat met één been in het oude Europa (hij leest Thomas Mann en kerkt zondags zo af en toe in de Scheveningse Badkapel, waar zijn grootvader ouderling was) maar is anderzijds gefascineerd door de creativiteit en onbegrensde kansen van de moderne tijd. Bovendien is hij de man die in 2008 een nieuwe beginselverklaring aan zijn partij presenteerde. Die verklaring biedt eenzelfde combinatie van liberaal optimisme en herinnering aan het oude Europa. We moeten ons leven met verve leven, schreef Rutte daar, én we moeten ons realiseren dat de joods-christelijke traditie een beschavingsfundament is dat een van de grondslagen van onze nationale identiteit vormt. Realiseert Rutte zich ook dat dat fundament zelfs een voorwaarde is voor dat met verve leven van ons leven, en dat je dat fundament dus moet koesteren, o.a. door de vrijheid van onderwijs te beschermen?

Ik kan het niet helpen: als ik Mark Rutte zie, omringd door zijn ervaren getrouwen en in herinnering roep dat deze culturele visie zijn werk schraagt, dan ontkom ik niet aan de zeer vrolijk stemmende gedachte dat Rutte ineens the right man at the right place kan blijken te zijn.

21.9.10

SGP helpt rechts aan 78 zetels

Het is vandaag Prinsjesdag, maar een merkwaardige. De koets rijdt uit, de Majesteit neemt plaats op haar troon en zal iets van een Troonrede voorlezen. Maar er zijn geen Algemene Politieke Beschouwingen, de minister-president vliegt vanmiddag al naar New York, en laat het aan zijn minister van Financiën, Jan-Kees de Jager, om volgende week met de Kamer te debatteren over de 3,2 miljard aan bezuinigingen die het demissionaire kabinet heeft ingeboekt.

Het ritueel van Prinsjesdag is dit jaar nauwelijks van belang. Alles draait om dat andere grote ritueel: het Byzantijnse proces van de kabinetsformatie, met drie deelnemers die dichtbij een akkoord zouden zijn en deze dag vooral lijken te beschouwen als een aangename onderbreking van de spannende onderhandelingen.

Deze formatie zou wel eens de geschiedenis in kunnen gaan als een waterscheiding. Het is eigenlijk ongekend wat we deze zomer allemaal hebben gezien. Met een nieuwe partij die de Nederlandse politiek ineens is gaan domineren, met een voorheen ongekende verruwing van de spelregels rondom de bewaking van het hele proces, met nieuw staatsrecht en een protesterende generatie van old boys die hoofdschuddend zo niet tandenknarsend toekijken bij zoveel revolutionair geweld.

Het is opmerkelijk dat er in de kolkende zee van deze vernieuwingsdrift ineens ook een rol blijkt te zijn weggelegd voor de meest traditionele, meest gouvernementele, meest Oranjegezinde en meest gezagsgetrouwe partij van het Binnenhof: de SGP. Al in een vroeg stadium zei de nieuwe partijleider van de SGP, Kees van der Staaij, dat zijn partij een rechtse coalitie best zou willen gedogen. In de befaamde brief van Ab Klink over zijn keuze om met de onderhandelingen te stoppen, stond een mysterieus zinnetje over een ‘erg smalle parlementaire meerderheid in de Tweede Kamer’ die op 76dan wel op ‘wellicht 78 zetels’ zou berusten. Dat is algemeen opgevat als een verwijzing naar de mogelijke steun van de tweekoppige SGP-fractie.

Nu is de SGP een partij die per definitie gedoogt. De Kamerleden van de oudste partij van het land zijn cross-benchers: zij maken geen deel uit van de coalitie maar rekenen zich ook niet bij voorbaat tot de oppositie. Ze geven over ieder wetsvoorstel een inhoudelijk oordeel. Eigenlijk kun je dus nu al voorspellen hoe de SGP stemt, omdat dat stemgedrag over het algemeen niet van omgevingsfactoren afhankelijk is.

Maar je moet ze ook weer niet al te boos maken, onze SGP’ers. De vorige partijleider, good old Bas van der Vlies, sloot zo rond de eeuwwisseling eens uit zijn slof toen hij geconfronteerd werd met een reeks wetsvoorstellen van paars II die hij niet anders kon zien dan als een welbewuste afrekening met christelijke elementen in onze wetgeving. Hij beloofde toen een oppositionele koers, en de SGP steunde destijds dan ook een motie van wantrouwen tegen minister Borst van Volksgezondheid.

Na de vroege belofte van Kees van der Staaij is er voortdurend discussie geweest over de vraag of er iets van een akkoord is tussen VVD, PVV en CDA enerzijds en de SGP anderzijds. Binnen de SGP heeft zich een generatiewisseling voltrokken: er is een nieuwe leider aangetreden en een nieuwe nummer twee (Elbert Dijkgraaf, hooggeleerd in de economie) die minder vies van het Haagse machtsspel lijken dan hun voorgangers. Natuurlijk beweren zij bij hoog en bij laag dat er geen akkoord is, en dat ze altijd bereid zijn om met wie dan ook een verhelderend gesprek aan te gaan, dus waarom niet met Rutte, maar het lijkt erop dat de SGP voor het eerst in haar 90-jarig bestaan zich echt met de politieke macht inlaat. En waarom ook niet? Het gaat hier om steun aan een kabinet dat inhoudelijk dicht bij de SGP staat, en als anderen je willen belonen (al is het maar om het risico van twee mogelijke CDA-dissidenten in te perken) voor jouw besluit om qua inhoud de komende vier jaar gewoon jezelf te blijven – en dus niet voor een oppositionele rol te kiezen - waarom zou je je dat niet laten aanleunen en een krappe parlementaire meerderheid aan een net wat riantere positie helpen?

Natuurlijk is de associatie van de SGP niet zonder gevaar voor de partij. Wilders maakt immers deel uit van die coalitie, en die wordt ervan verdacht dat hij met zijn onderscheid tussen de joods-christelijke en de islamitische traditie één bepaald geloof, dat van de moslims, een tweederangs status wil toekennen. Van de SGP kun je veel zeggen, maar niet dat de partij op het punt van de geloofsvrijheid altijd erg helder is geweest. Het zou goed zijn wanneer de partij zich daarvoor onomwonden zou uitspreken en zo op dit punt alle misverstand uit te sluiten.

Vooral omdat er volgens mij toch meer aan de hand is dan een stilzwijgend gentleman’s agreement tussen Rutte en Van der Staaij. In de achterban van de SGP wordt het Reformatorisch Dagblad gelezen, een nette krant die elke avond keurig het nieuws van gisteren brengt en zich niet onderscheidt door de geregelde publicatie van spraakmakende scoops. Maar deze week hadden ze er ineens twee.
In de krant van afgelopen vrijdag stond plotseling dat de onderhandelaars van CDA, VVD en PVV ook over de invoering van een vlaktaks praten. ‘Goed ingevoerde bronnen’ hadden dat tegenover de krant bevestigd. Ik heb het nog nergens anders gelezen. En in de krant van gisteren stond onverwachts dat VVD, CDA en PVV hebben besloten om in hun regeer- en gedoogakkoord geen verruiming van het aantal koopzondagen op te nemen. ‘Ingewijden’ hadden dat tegen de krant gezegd. En er stond bij dat dat besluit was genomen om de SGP niet te ‘bruuskeren’.

Wijst dat er niet op dat het gedogen van een rechts kabinet door de SGP tamelijk ver gaat en dat alle aardige lekken naar het Reformatorisch Dagblad bedoeld zijn om de SGP-achterban alvast met dat feit te verzoenen, zo niet er enigszins enthousiast voor te maken?

29.7.10

Kunstgebit



Het bovenplaatje van het kunstgebit van Winston Churchill is vanmiddag in Engeland geveild. Deze tanden hebben, zoals bekend, een belangrijke bijdrage geleverd aan de redding van het vrije Westen. Op radio 1 heb ik daar vanmiddag iets over verteld in het AVRO-programma De Praktijk.
Gelukkig maar, die radiostilte rondom de kabinetsformatie, anders zou er vast geen tijd zijn geweest om zoiets belangrijks als de tanden van Churchill te bespreken.

Rechts gegrinnik

Mijn column op de website van Binnenlands Bestuur van deze week gaat over de formatie van een rechtse coalitie:


Op het moment dat ik dit schrijf weet de vaderlandse pers nog altijd niet waar Mark Rutte, Geert Wilders en Maxime Verhagen met elkaar zitten te praten, alhoewel Frits Wester van RTL zijn 50.000 volgelingen op Twitter gevraagd heeft of ze misschien iets hebben gezien. Maar al weten we niet waar, we weten wel dat ze met elkaar zitten te praten, dat wil zeggen: ‘informele gesprekken’ voeren, want onderhandelingen mogen de gesprekken van de achterban van het CDA nog niet heten.



Maar stel nu eens dat er deze week iets gebeurt. Dat er iets klikt tussen Mark, Geert en Maxime, en dat ze hun gesprekken gaan voortzetten in onderhandelingen? En dat dat tot een rechtse coalitie leidt, met de PVV in de regering dan wel in de rol van gedoogsteunverlener? Een meerderheid van 63 procent van de Nederlandse bevolking zou dat een goed idee vinden, zo’n coalitie van CDA en VVD die met steun van de PVV kan gaan regeren. Maar er zullen, denk ik, zeker twee personen in Nederland zijn die de haren uit hun hoofd zullen trekken: koningin Beatrix en Ruud Lubbers, de twee personen die uitgerekend hebben bevorderd dat de drie rechtse partijen deze gesprekken gaan voeren.

De koningin en Lubbers zijn er de afgelopen jaren immers niet in geslaagd hun afkeer van de PVV en vooral van de PVV-stemmer te verbergen. De koningin deed dat in haar kersttoespraak, waarin zij haar zorgen uitsprak over een klimaat van intolerantie waarbij een groep mensen als geheel over één kam werd geschoren. De koningin voelt zich veel beter thuis in een wereld waarin de Europese integratie wordt toegejuicht (ze schreef een voorwoord in een boekje met ten paleize voorgedragen lezingen waarin dit ideaal wordt uitgedragen), waarin het belang van Ontwikkelingssamenwerking wordt benadrukt (wijlen haar echtgenoot was de bij haar inwonende belichaming van dit ideaal) en waarin de zegeningen van het multiculturalisme met kosmopolitische grandeur worden uitgevent (prinses Máxima mocht bijvoorbeeld vertellen dat ze tot de conclusie was gekomen dat de Nederlander helemaal niet bestaat).

Ruud Lubbers is in dit alles eensgeestes met de vrouw met wie hij begin jaren tachtig de eerste schreden op het pad van het openbaar bestuur zette. Lubbers is een vooraanstaand lid van het progressieve netwerk van de World Connectors, zet zich in voor een gastvrij onthaal van asielzoekers in Nederland en heeft zich expliciet uitgesproken tegen de PVV. Hij deed dat bijvoorbeeld vorig jaar in een uitzending van Buitenhof, en dit voorjaar nog speelde hij een belangrijke rol achter de schermen van de verkiezingscampagne van het CDA, waarbij hij zijn partij wilde dwingen de PVV uit te sluiten (en omdat het CDA bang was dat Lubbers dat standpunt ook publiekelijk zou gaan uiten, zijn ze maar gaan zeggen, vreemd en onverwacht, dat ze graag een ‘hervormingskabinet’ met GroenLinks en D66 wilden). In 2007 publiceerde Lubbers het boekje De vrees voorbij, waarin hij zich net zo tegen de PVV’er uitsprak als de Majesteit dat in haar kersttoespraak zou doen.

Mijn linkse vrienden vertellen mij dezer dagen dat de gesprekken van deze week, wat hun betreft, hopelijk vooral een truc zijn, een truc waarmee de oude Haagse politiek zich met redenen omkleed van de PVV kan ontdoen, zonder dat Wilders nog zijn armen ten hemel kan heffen en kan uitroepen dat hij wordt buitengesloten door een cordon sanitair van de anderen.

Ik denk dat mijn linkse vrienden wel eens gelijk kunnen hebben, en dat het voorstel van Lubbers aan Rutte, Wilders en Verhagen inderdaad bedoeld is als een geënsceneerde truc. De opzichtige nadruk waarmee Lubbers vorige week zei dat hij en de koningin het zo belangrijk vonden dat alle politieke leiders in dezelfde mate aan het woord zouden komen want ze zijn ons alle even lief, is meestal een camouflage van het tegendeel.

Als ik dan tegen mijn linkse vrienden zeg dat je met zo’n truc de problematiek van het onbehagen en de politieke vertaling daarvan niet oplost, maken zij sussende gebaren. Daarover hoeven we ons helemaal niet druk te maken, die PVV als partij van proleten implodeert immers vanzelf, als we maar even geduld hebben.
Dat is nu precies de reden, denk ik, waarom rechts succes ook tot veel gegrinnik en tot leedvermaak zal leiden – al weet ik ook dat dat niet de meest edele emoties zijn.

23.7.10

Lubbers, Wilders en het CDA



Oud-premier Ruud Lubbers is door de koningin tot informateur benoemd. Gisteren was ik zowel bij het radio1-programma Stand.nl als in het tv-programma Nova te gast om daar over te praten.


Inmiddels heeft Lubbers met verschillende fractievoorzitters gesproken, en heeft hij geadviseerd dat VVD, CDA en PVV met elkaar om de tafel moeten. Helaas is CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen nog steeds niet bereid om te onderhandelen over een rechtse coalitie. Hij verwijt vooral de PvdA dat die niet bereid is om over een middenkabinet te onderhandelen.
Over de inzet die het CDA zou moeten tonen schreef topadvocaat Jan Louis Burggraaf gisteren een mooi stuk op de opiniepagina van NRC Handelsblad.
Het woord is nu aan de CDA-fractie die morgen (zaterdag) bijeenkomt om te bepalen of Maxime Verhagen op voorstel van Lubbers informeel mag gaan praten (dat is immers heel wat anders dan 'onderhandelen') met Rutte en Wilders.