27.7.11
Wilders, de PVV, de apocalyps en Breivik
Na de aanslagen in Oslo is er een discussie op gang gekomen over de mogelijke relatie tussen het gedachtegoed van de dader, Anders Breivik, en de ideeën en voorstellingen die de afgelopen jaren zijn verbreid door partijen en bewegingen die zich tegen immigratie, de islam en socialistisch links hebben gekeerd, waaronder de PVV van Geert Wilders.
In 2002, na de dood van Pim Fortuyn, is er pittig gediscussieerd over de vraag of het toenmalige politieke klimaat (inclusief de 'demonisering' van Fortuyn) een sfeer had doen ontstaan waarin de moord op Fortuyn had kunnen plaatsvinden. Geert Wilders zelf heeft in november 2009 betoogd dat uitlatingen van politici als Eberhard van der Laan (PvdA) en Alexander Pechtold (D66), 'politieke handlangers' van Mohammed Bouyeri, een 'klimaat van haat en geweld tegen mij en de PVV' deden ontstaan, dat tot gewelddadigheden kon leiden. De vraag of de ideeënwereld van politici, in dit geval van Wilders/de PVV, een bijdrage heeft geleverd aan de kortsluiting in de hersens van Breivik mag dus worden gesteld.
Naar mijn mening kan het zo zijn dat het apocalyptische visioen dat Wilders stelselmatig heeft geschilderd, en de gedachte dat het probleem met de moslimimmigranten zo groot was dat een politieke oplossing niet meer tot de mogelijkheden behoorde, de gedachte doet ontstaan dat een oplossing met on-politieke middelen moet worden gerealiseerd - in ieder geval in het hoofd van een Noorse romanticus die denkt dat hij als kruisridder de rest van Europa met een grootse heldendaad moet waarschuwen. Het gedachtegoed van de PVV is dus indirect, intellectueel medeverantwoordelijk voor mogelijke ontsporingen, zoals bij Breivik.
Gisteren heb ik mijn column voor Binnenlands Bestuur aan deze kwestie gewijd en daarna mocht ik deze analyse links en rechts op radio en tv komen verkondigen. Hier is het gesprek dat het NOS Journaal met mij opnam, hier mijn bijdrage aan Nieuwsuur.
En zo kan-ie wel weer. Nu gewoon weer aan het werk.
18.7.11
Doop en Grondwet
In Ecclesia, het blad van de Vrienden van Kohlbrugge, heb ik een nogal uitvoerig artikel geschreven over de Grondwet en het christelijk geloof, en over de vraag wat de 'ontdoping' van Nederland kan (gaan) betekenen voor de omgang met klassieke rechten en vrijheden. In het Reformatorisch Dagblad van vandaag staat een samenvatting van het artikel; hieronder volgt de volledige tekst.
(Maar als ik u raden mag, neemt u ook een abonnement op Ecclesia!)
In dit artikel wil ik proberen iets te zeggen over het gegeven dat een land dat voorheen als christelijk en gedoopt gold, nu een land is geworden dat zich wil ‘ontdopen’ en een tiranniek bestel wil introduceren waarin klassieke rechten en vrijheden worden ingeperkt en afgeschaft.
Ik beschrijf eerst enkele recente voorbeelden die duidelijk maken dat een nieuwe ideologie – het dogma van de gelijkheid – tot een nieuw despotisme leidt.
In het tweede gedeelte laat ik Groen van Prinsterer, C. S. Lewis, de mediëvist Richard Southern en Romano Guardini ons te hulp schieten om te duiden wat er precies aan de hand is.
In het derde gedeelte, tot slot, probeer ik de keuze te schetsen waar ons land, en eigenlijk de gehele westerse cultuur, voor geplaatst is: de keuze voor een herbevestiging van de doop van onze cultuur door het christelijke geloof, de keuze voor christelijke vrijheid en tolerantie, of de keuze voor ‘ontdoping’, voor afrekening en ontwijding, en daarmee voor de slavernij van de ongebondenheid en de tirannie van een seculiere meerderheid.
I
Het zal vrijwel niemand zijn ontgaan dat de Tweede Kamer onlangs een ingrijpende beslissing heeft genomen. Met een grote meerderheid van stemmen (116 tegen 30) namen onze volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel aan dat was bedacht en ingediend door de Partij voor de Dieren. De nieuwe wet verbiedt de rituele slacht van dieren, een praktijk die in Nederland al eeuwen onder de Joden bekend is en ook in islamitische kring wordt beoefend. De gedachte achter de rituele slacht is dat het bloed de ziel van het dier is en dat de mens dat niet mag consumeren. Deze geloofsopvatting heeft altijd respect en erkenning gevonden. De wet voor de praktijk van het slachten, die voorschrijft dat dieren verdoofd moeten worden geslacht, bevatte een uitzonderingsbepaling voor de rituele slacht, die verbiedt dat de dieren voor de slacht worden verdoofd.
Daaraan is nu dus een einde gekomen. Een oude praktijk die door de Grondwet werd beschermd (in het artikel over de godsdienstvrijheid) is nu verboden. De gedachte daarachter was dat het welzijn van dieren (die bij de rituele slacht meer zouden lijden dan wanneer zij voor de slacht eerst worden verdoofd) uiteindelijk toch zwaarder moet wegen. Omwille van een nieuw geloofsartikel, de rechten en het welzijn van het dier, is een klassiek grondrecht dus ingeperkt. Met name voor de Joodse minderheid is deze beslissing schokkend en vervreemdend. Zij zien zich nu gedwongen vegetariër te worden of hun vlees vanuit het buitenland te betrekken.
Maar voor iedere Nederlander heeft deze beslissing iets schokkends, als het goed is. Het was al schokkend om te zien dat mevrouw Thieme, de leider van de Partij voor de Dieren, bij de verdediging van haar wetsvoorstel werd bijgestaan door de heer Bart Labuschagne, een docent van de Leidse universiteit die tot voor kort heel aardige stukken schreef over de publieke rol van religie en voor de SGP nog een studie schreef over het belang van het sacrale domein waar ‘hedonisten’ en ‘secularisten’ vanaf moesten blijven. Het gedachtegoed waarop het wetsvoorstel van Thieme berust – de idee dat dieren niet essentieel van mensen verschillen, dat zij ook dragers van rechten zijn, en dat dit in de politiek veel meer erkenning moet vinden – is in Nederland verbreid door een directe collega van Labuschagne, Paul Cliteur. Cliteur heeft ook voorgesteld om de vrijheid van godsdienst af te schaffen omdat dit Grondwetsartikel toch niets aan de vrijheid van meningsuiting zou toevoegen. Gelukkig heeft dit voorstel geen navolging gevonden. Aan het voorbeeld van de rituele slacht kunnen we zien dat het geloof nogal iets meer is dan het hebben van een mening, maar een overtuiging is die het denken en het leven geheel doortrekt.
Maar al is het dat de vrijheid van godsdienst niet uit onze Grondwet is geschrapt, zij is nu wel beperkt. Als het welzijn van dieren in het geding is, kan die vrijheid worden opgeschort of begrensd. Er zijn uit het recente verleden meer voorbeelden aan te voeren waaruit blijkt dat traditionele vrijheden in Nederland een onrustig bezit zijn geworden. In de naam van de emancipatie en de strijd tegen discriminatie is de strijd aangebonden tegen verenigingen en scholen. Een politieke partij die vrouwen al ruim 90 jaar niet op de eigen lijsten wil kandideren, een kerk die al 2000 jaar het sacrament weigert aan mensen die zich niet in ‘de staat der genade’ bevinden en dat vorig jaar zomer ook nog deed (de ‘hostierel’), en scholen voor bijzonder onderwijs die al 100 jaar hun eigen ‘onderwijzers’ mogen aanstellen, hebben te horen gekregen dat de staat weliswaar geen religie aanhangt maar wel waarden heeft (bedoeld wordt: de waarde van het niet discrimineren). Christelijke scholen, de SGP en de Rooms-Katholieke Kerk moeten zich wel aan de waarden van de huidige seculiere meerderheiden houden, ook al staat in de Grondwet dat zij dat niet hoeven te doen. Ambtenaren die zich in hun geweten niet vrij voelen om homohuwelijken te sluiten, worden door de gemeente Amsterdam voor de keuze gesteld: die opvatting opgeven of een andere baan zoeken. (Het is overigens onbegrijpelijk dat de kerken geen enkele vorm van protest tegen deze ontwikkeling aantekenen. Dat protest en het voortdragen van een traditie willen zij blijkbaar overlaten aan enkelingen, leken – net zoals de traditie in de negentiende eeuw is doorgegeven vanuit de smalle gemeente van eenvoudige maar getrouwe gelovigen.)
Een modern ideaal – het ideaal van de gelijkheid, tussen mens en dier, man en vrouw, homo en hetero – ontpopt zich nu als een aanslag op oude vrijheden die bescherming boden aan minderheden en als zodanig nooit ter discussie hebben gestaan. Concreet betekent dit dat één Grondwetsartikel, het eerste artikel dat alle vormen van discriminatie verbiedt, is gaan heersen over klassieke grondrechten als de vrijheid van meningsuiting, geloof, vereniging en onderwijs. Als die klassieke grondrechten in strijd komen met dat eerste artikel dat elke vorm van discriminatie, dan moeten die rechten wijken of beperkt worden. En we moeten vrezen dat zich de komende jaren nog tal van nieuwe voorbeelden zullen gaan aandienen, niet alleen op het terrein van de dierenrechten (als we nu vanwege het korte lijden van een dier aan het einde van zijn leven een grondrecht willen beperken, waarom zouden we dan geen maatregelen tegen de jacht of de bio-industrie nemen?) maar ook op het terrein van de godsdienstvrijheid. Vanuit de kringen van de VVD heeft zich al een publicist aangediend die schreef dat na het verbod op de rituele slacht een verbod op de besnijdenis aan de orde moet komen. En als we de besnijdenis verbieden, waarom daarna dan ook niet de doop? Is het niet in strijd met de rechten van het kind om het kort na zijn geboorte een identiteit op te dringen? In Engeland is de verontwaardiging daarover nu al zo groot dat er een beweging is ontstaan die zich inzet voor de ‘ontdoping’ van de natie.
II
Wie tot zich door laat dringen hoezeer het denken in Europa op hol is geslagen, denkt als vanzelf aan een auteur die in de kring van Vrienden van Kohlbrugge een goede bekende is: Groen van Prinsterer.

De vrees van deze christelijk-conservatieve politiek filosoof bestond heel concreet in een gevoel van diepe onrust bij de gedachte aan een toekomstig Europa waarin centrale, vanouds christelijke waarden eerst lege begrippen zouden worden die daarna een ideologische inhoud zouden krijgen. Groen had tegen een Grondwet als zodanig geen bezwaren. Een Grondwet zou volgens Groen de uitkomst van een historische ontwikkeling moeten vastleggen. De auteur moet opschrijven wat geworden is, en niet schrijven vanuit de gedachte dat alles moet worden zoals hij het opschrijft. Dat wil zeggen: de Grondwet mag geen instrument in de handen van activistische politici worden om de staat opnieuw te stichten, ‘een vorm, een kleed waarin men de natie verwringt’. Wanneer een abstract, ideologisch beginsel een blauwdruk wordt om de samenleving opnieuw in te richten en een breuk met het verleden te voltrekken, dan is voor Groen wel duidelijk wat er dan zal gebeuren. ‘Een staatsrecht dat zich boven de geschiedenis verheft, begint met de vertreding van alle rechten’. De geschiedenis (Er is geschied) en de natuur zijn voor Groen belangrijke leidraden in de politiek. Als de politiek wordt afgeschaft, verdwijnt ook de natuur (de natuur in de betekenis van een voorgegeven, morele orde, de schepping). Waar het natuurrecht verdwijnt, blijft niets anders over dan de natuurdrift, aldus Groen (Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd [tweede druk; Amsterdam, 1858], pp. 67, 74-75).
De ontwikkeling die Groen vreesde en op tal van plaatsen heeft voorspeld en beschreven, zien we belichaamd in de geest van onze tijd. We bevinden ons in een proces van ontdoping, van ontwijding en afrekening. Behalve Groen zijn er nog andere schrijvers die ons kunnen helpen om onze tijd te peilen. Ik noem C. S. Lewis en Romano Guardini.

In een van zijn brieven schrijft Lewis dat hij zich wel eens een beetje ergert aan predikanten die protesteren tegen de tijdgeest van secularisatie en daaraan toevoegen dat Europa terugkeert tot het heidendom. Wie dat zegt, aldus Lewis, heeft er eigenlijk nog nooit veel van begrepen. Was het maar waar dat Europa terugkeerde tot het heidendom van Socrates, Plato en Cicero. Het tegendeel is het geval. De Europese cultuur is met de natuur begonnen, met de beschaving van de klassieke oudheid, met het natuurrecht, de ontdekking dat er een orde is die de mens leert wie hij is en hoe hij zich moet gedragen. Paulus heeft het daarover in zijn brief aan de Romeinen. De heidenen die de wet niet hebben, doen van nature wat de wet zegt (2:14). Toen kwam het christendom. Het christelijk geloof heeft de natuur gewijd en verheven, vervolmaakt. Het geloof is een gave en een regeneratieve kracht die niet alleen individuele mensen bekeert en in een nieuw leven doet wandelen, maar ook een hele cultuur een nieuwe wijding kan schenken. Christelijke tijden (tempora christiana) noemde Augustinus de periode na Hemelvaart, nu Christus aan de rechterhand van God regeert en Zijn Koninkrijk vestigt en uitbreidt.
De Britse mediëvist Richard Southern heeft prachtig beschreven hoe de kerk in de Middeleeuwen de grote en beschavende institutie van het Westen was, het blijvende fundament van onze cultuur. De mens, aldus Southern, is een redelijk schepsel, en die redelijkheid bestaat vooral in zijn capaciteit God te leren kennen en eren. De dienst aan God is de enige vaste basis waarop de menselijke cultuur kan worden gebouwd, zei Southern in een preek in Oxford, de stad die als het ware de belichaming vormt van de juistheid van Southerns stelling.In de christelijke Middeleeuwen zijn de denkbeelden en instituties geschapen die de cultuur van Europa hebben geschapen en tot het einde van de achttiende eeuw hebben beheerst.

Een heidense cultuur was gekerstend. Die gekerstende cultuur – een cultuur beschaafd en gewijd door het christelijk geloof – is nu ontkerstend, geseculariseerd geraakt. Betekent dit dat we nu weer tot de cultuur van de heidenen terugkeren? Nee, zegt Lewis. Een cultuur die van het christelijk geloof scheidt, wordt niet heidens, net zo min als een vrouw die van haar man scheidt weer maagd wordt. In een ontkerstende cultuur keert niet het natuurlijke terug, maar het onnatuurlijk en tegennatuurlijke treedt daar aan. Een nieuwe mensensoort breekt zich baan, mensen zonder hart, zonder natuur, ontworteld, leeg, het gemakkelijke slachtoffer van elke ideologie en van elk geloof dat niet christelijk is. Wie het doopwater van zijn voorhoofd afveegt, schudt meer van zich af dan een als een last ervaren traditie; hij verliest zijn humaniteit. (C. S. Lewis heeft deze ontwikkeling vooral beschreven in het boekje De afschaffing van de mens uit 1943, een boekje – tussen haakjes – dat altijd op het bureau van dr. W. Aalders lag).
Romano Guardini heeft deze huiveringwekkende ontwikkeling ook zeer scherp aangevoeld. In zijn boekje over De gestalte der toekomst (1962) schrijft hij over de liefde die uit de ‘algemene houding van de wereld zal verdwijnen’. De ‘omgevende christelijke cultuur en de bevestigende traditie’ zullen aan kracht verliezen. Van christenen zal veel moed en vertrouwen worden gevraagd, want ‘de eenzaamheid van het geloof zal verschrikkelijk zijn’.

III
Onze Grondwet is in de handen van ideologisch geplaagde politici een activistisch instrument geworden om een nieuwe ideologie van gelijkheid en non-discriminatie in te voeren. Zij voltrekken een bewuste breuk met het verleden, met een cultuur, een geloof, en daarmee ook met een vroegere interpretatie van de klassieke grondrechten die de kern van onze Grondwet vormen. Grondrechten moeten wijken of worden beperkt omdat andere waarden zijn gaan domineren.
Wat was die vroegere, oorspronkelijke uitleg van die waarden die in de Grondwet zijn neergeslagen, eigenlijk precies? Om die vast te stellen, moeten we weten hoe de waarden in onze Grondwet eigenlijk zijn ontstaan en vastgelegd. Op 14 september 1940 (oorlog en bezetting waren dus een lange zomer oud) heeft de rechtsgeleerde Paul Scholten een toespraak gehouden over de grondslagen van de Nederlandse geschiedenis. En hij verdedigde toen de stelling dat de christelijke vrijheid ons land tot een eenheid en gemeenschap heeft gesmeed. Ons land is uit een vrijheidsstrijd ontstaan. Maar die vrijheid werd begrensd door de waarden van het christelijk geloof, en die vrijheid heeft zich geuit in het vastleggen van de klassieke vrijheden. En Scholten benadrukte (NB: in september 1940) dat de conservatieve strijd voor geestelijke vrijheid weer aan de orde van de dag was. Waar die strijd niet werd gevoerd, ontstond tirannie.
We zijn geneigd te denken dat die vrijheden en onze Grondwet verworvenheden zijn van de Verlichting en de Franse Revolutie. Maar niets is minder waar. De juistheid van Paul Scholtens opvattingen over de christelijke grondslagen van onze cultuur, wordt nergens duidelijker dan op dit punt. Klassieke rechten en vrijheden zoals wij die nu kennen, hebben een lange ontstaansgeschiedenis gehad en zijn nauwelijks denkbaar zonder de strijd om christelijke vrijheid. In de tekst van de Unie van Utrecht (1579) is bijvoorbeeld voor het eerst het principe van de vrijheid van godsdienst vastgelegd. Elke burger was ‘vry in syn religie’, en de overheid mocht niemand om zijn geloof ‘achterhaelen ofte onderzoecken’(artikel XIII).
Een andere ‘fundamentele wet’ van Nederland was het beroemde Plakkaat van Verlatinge uit 1581. Ook daarin staat al zeer helder, met verwijzingen naar de natuurwet en het christelijk geloof, dat de overheid een goede herder moet zijn, en dat die herder er is voor de schapen. De schapen zijn er niet voor de herder. Dat stelt duidelijke grenzen aan de macht van de overheid, en creëert een domein dat de overheid niet mag betreden, het domein van de rechten en vrijheden van burgers.
Deze context van een christelijke cultuur waarin de waarden zijn ontstaan die onze Grondwet belichaamt, wordt in de tekst van de Grondwet nog altijd weerspiegeld. Onze Grondwet geeft een opsomming van onze vrijheden, bijvoorbeeld de vrijheid onze mening te uiten. Anders dan menig opinievormer ons heeft willen doen geloven, is die vrijheid niet absoluut en onbeperkt. Letterlijk staat er in onze Grondwet dat niemand ‘voorafgaand verlof’ nodig heeft om zijn ‘gedachten te openbaren’, maar er staat achter dat iedereen wel zijn eigen ‘verantwoordelijkheid volgens de wet’ heeft. Die beperkende bijzin staat ook in de grondwetsartikelen over de vrijheid van godsdienst, van vereniging en van vergadering. Er zijn dus wettelijk normen die onze vrijheid begrenzen. We mogen bijvoorbeeld niet beledigen, geen haat zaaien. Vrijheid is niet het recht om zo maar alles te zeggen wat we maar willen. Vrijheid behoort door fatsoen te worden ingetoomd.
Onze Grondwet vraagt ook van ons dat we niet discrimineren en tolerant zijn. Tolerantie bestaat in het besef dat we anderen niet mogen of kunnen dwingen – ook al hebben we daartoe de macht – om tegen hun geweten in te gaan. Waar dat besef verdwijnt kunnen mensen gaan denken, bijvoorbeeld, dat ze ambtenaren mogen dwingen homohuwelijken te sluiten.
Die Grondwet van ons is oorspronkelijk dus verankerd in christelijke opvattingen over vrijheid en tolerantie. Die christelijke cultuur is de legger van onze rechtsstaat. Waar de borging van onze vrijheden in dit cultuurchristelijke verhaal verdwijnt of verzwakt, gebeuren er gekke dingen. Dan gaan mensen denken dat ze alles mogen zeggen, of dat zij andere mensen mogen en kunnen dwingen om tegen hun diepste overtuigingen in te gaan.
Onze cultuur staat dus op een tweesprong. We kunnen kiezen voor een herbevestiging van de doop van onze cultuur door het christelijke geloof. Dan kiezen we voor vrijheid in gebondenheid, voor tolerantie, voor ruimte, licht en leven. Of we kiezen voor ontdoping, voor afrekening en ontwijding, en daarmee voor de slavernij van de ongebondenheid en de tirannie van een seculiere meerderheid.
De historicus wiens oeuvre ook als het ware gedoopt en geheiligd is door zijn zelden zeer nadrukkelijk beleden geloof, A. Th. van Deursen, sprak in 1994 in de Leidse Pieterskerk een Huizingalezing uit waarin hij Isaäc da Costa en Johan Huizinga met elkaar vergeleek. Hij had het over hun analyse van hun tijd, en concludeerde ‘met Huizinga’ dat de patiënt, onze cultuur, er eigenlijk slechter voor stond dan ooit. De patiënt heeft echter zelf voor zijn ziekte gekozen, en het enige medicijn dat hem kan genezen weigert hij.
Zal dat nu nog steeds het geval zijn? Als dat zo zou zijn, hoeft dat ons ook weer niet te verbazen. Johannes Calvijn heeft ons een politiek testament nagelaten, een preek uit 1562 over II Samuël 5:4, over David wiens rijk nog maar zeer gedeeltelijk gevestigd was. Een gedeelte uit deze (‘lutherse’) preek wil ik hier tot slot citeren, omdat de eenzaamheid van het geloof er duidelijk in naar voren komt, en de gedachte dat een door het christelijk geloof gestempelde cultuur een wonder is waar wij niet van uit kunnen gaan en niet op kunnen rekenen, een tijdelijke vluchtheuvel, een herberg, een oase in deze turbulente en chaotische wereld, een wonder zoals dat in de Gedenkklank van Valerius en in het Wilhelmus wordt bezongen (Aalders, Theocratie of ideologie, p. 296) :
‘Wij weten dat God regeert, maar omdat onze Here Jezus Christus in Hem verborgen is en Zijn volkomen heerschappij in deze wereld verborgen is, heeft zij geen glans en wordt zij maar weinig geacht, ja zelfs door de meerderheid verworpen. Daarom moeten wij het niet voor iets zeldzaams houden, dat onze Here Jezus Christus, alhoewel Hij door God, Zijn Vader, tot Koning is aangesteld, nu nog niet die autoriteit onder de mensen heeft die Hem toekomt. Daarbij komt nog dat ons nu nog geen zeker, beslissend tijdstip (van de volkomen openbaring van Zijn heerschappij) is gegeven. We zien namelijk dat de heerschappij van onze Here Jezus Christus begrensd is, daar slechts een handjevol mensen Hem heeft aangenomen en daar er tegenover iedere stad die het Evangelie heeft ontvangen, grote landen staan waarin afgodendienst heerst. Wanneer wij nu zien dat de heerschappij van Jezus Christus zo klein en naar de maatstaf van de wereld veracht is, zo laat ons de blik richten op het voorbeeld dat ons hier gegeven is (in de heerschappij van David) en laat ons op het einde wachten, dat God kent, want voor ons is het verborgen. Ik zeg, laten wij wachten in geduld, totdat Zijn Koninkrijk in volkomenheid zal zijn opgericht, en God hen verzamelt die verstrooid zijn, herstelt wat vernietigd is en op orde brengt wat in verwarring is. Dit is de ellende dat wij altijd maar vooruit willen, dat wij een heerschappij in deze wereld willen zien bloeien en slechts vreugde en zachtheid willen. Ondertussen echter overwegen wij niet waarom God het soms niet toestaat dat de heerschappij van Christus meer openbaar komt – dat is, opdat wij niet zouden slapen, waartoe wij maar al te zeer geneigd zijn. God wil dus dat de heerschappij van Jezus Christus in het midden van Zijn vijanden zal zijn. Laten wij ondertussen niet ophouden, zoveel het aan ons ligt, God te bidden dat Hij voortgang make en Zijn Koninkrijk uitbreide, en dat een ieder zich met al zijn kracht daarop richte. En laten wij zelf ons door Hem zo laten regeren dat Hij altijd in ons verheerlijkt wordt, zowel in het leven als ook in de dood.’
(Maar als ik u raden mag, neemt u ook een abonnement op Ecclesia!)
In dit artikel wil ik proberen iets te zeggen over het gegeven dat een land dat voorheen als christelijk en gedoopt gold, nu een land is geworden dat zich wil ‘ontdopen’ en een tiranniek bestel wil introduceren waarin klassieke rechten en vrijheden worden ingeperkt en afgeschaft.
Ik beschrijf eerst enkele recente voorbeelden die duidelijk maken dat een nieuwe ideologie – het dogma van de gelijkheid – tot een nieuw despotisme leidt.
In het tweede gedeelte laat ik Groen van Prinsterer, C. S. Lewis, de mediëvist Richard Southern en Romano Guardini ons te hulp schieten om te duiden wat er precies aan de hand is.
In het derde gedeelte, tot slot, probeer ik de keuze te schetsen waar ons land, en eigenlijk de gehele westerse cultuur, voor geplaatst is: de keuze voor een herbevestiging van de doop van onze cultuur door het christelijke geloof, de keuze voor christelijke vrijheid en tolerantie, of de keuze voor ‘ontdoping’, voor afrekening en ontwijding, en daarmee voor de slavernij van de ongebondenheid en de tirannie van een seculiere meerderheid.
I
Het zal vrijwel niemand zijn ontgaan dat de Tweede Kamer onlangs een ingrijpende beslissing heeft genomen. Met een grote meerderheid van stemmen (116 tegen 30) namen onze volksvertegenwoordigers een wetsvoorstel aan dat was bedacht en ingediend door de Partij voor de Dieren. De nieuwe wet verbiedt de rituele slacht van dieren, een praktijk die in Nederland al eeuwen onder de Joden bekend is en ook in islamitische kring wordt beoefend. De gedachte achter de rituele slacht is dat het bloed de ziel van het dier is en dat de mens dat niet mag consumeren. Deze geloofsopvatting heeft altijd respect en erkenning gevonden. De wet voor de praktijk van het slachten, die voorschrijft dat dieren verdoofd moeten worden geslacht, bevatte een uitzonderingsbepaling voor de rituele slacht, die verbiedt dat de dieren voor de slacht worden verdoofd.
Daaraan is nu dus een einde gekomen. Een oude praktijk die door de Grondwet werd beschermd (in het artikel over de godsdienstvrijheid) is nu verboden. De gedachte daarachter was dat het welzijn van dieren (die bij de rituele slacht meer zouden lijden dan wanneer zij voor de slacht eerst worden verdoofd) uiteindelijk toch zwaarder moet wegen. Omwille van een nieuw geloofsartikel, de rechten en het welzijn van het dier, is een klassiek grondrecht dus ingeperkt. Met name voor de Joodse minderheid is deze beslissing schokkend en vervreemdend. Zij zien zich nu gedwongen vegetariër te worden of hun vlees vanuit het buitenland te betrekken.
Maar voor iedere Nederlander heeft deze beslissing iets schokkends, als het goed is. Het was al schokkend om te zien dat mevrouw Thieme, de leider van de Partij voor de Dieren, bij de verdediging van haar wetsvoorstel werd bijgestaan door de heer Bart Labuschagne, een docent van de Leidse universiteit die tot voor kort heel aardige stukken schreef over de publieke rol van religie en voor de SGP nog een studie schreef over het belang van het sacrale domein waar ‘hedonisten’ en ‘secularisten’ vanaf moesten blijven. Het gedachtegoed waarop het wetsvoorstel van Thieme berust – de idee dat dieren niet essentieel van mensen verschillen, dat zij ook dragers van rechten zijn, en dat dit in de politiek veel meer erkenning moet vinden – is in Nederland verbreid door een directe collega van Labuschagne, Paul Cliteur. Cliteur heeft ook voorgesteld om de vrijheid van godsdienst af te schaffen omdat dit Grondwetsartikel toch niets aan de vrijheid van meningsuiting zou toevoegen. Gelukkig heeft dit voorstel geen navolging gevonden. Aan het voorbeeld van de rituele slacht kunnen we zien dat het geloof nogal iets meer is dan het hebben van een mening, maar een overtuiging is die het denken en het leven geheel doortrekt.
Maar al is het dat de vrijheid van godsdienst niet uit onze Grondwet is geschrapt, zij is nu wel beperkt. Als het welzijn van dieren in het geding is, kan die vrijheid worden opgeschort of begrensd. Er zijn uit het recente verleden meer voorbeelden aan te voeren waaruit blijkt dat traditionele vrijheden in Nederland een onrustig bezit zijn geworden. In de naam van de emancipatie en de strijd tegen discriminatie is de strijd aangebonden tegen verenigingen en scholen. Een politieke partij die vrouwen al ruim 90 jaar niet op de eigen lijsten wil kandideren, een kerk die al 2000 jaar het sacrament weigert aan mensen die zich niet in ‘de staat der genade’ bevinden en dat vorig jaar zomer ook nog deed (de ‘hostierel’), en scholen voor bijzonder onderwijs die al 100 jaar hun eigen ‘onderwijzers’ mogen aanstellen, hebben te horen gekregen dat de staat weliswaar geen religie aanhangt maar wel waarden heeft (bedoeld wordt: de waarde van het niet discrimineren). Christelijke scholen, de SGP en de Rooms-Katholieke Kerk moeten zich wel aan de waarden van de huidige seculiere meerderheiden houden, ook al staat in de Grondwet dat zij dat niet hoeven te doen. Ambtenaren die zich in hun geweten niet vrij voelen om homohuwelijken te sluiten, worden door de gemeente Amsterdam voor de keuze gesteld: die opvatting opgeven of een andere baan zoeken. (Het is overigens onbegrijpelijk dat de kerken geen enkele vorm van protest tegen deze ontwikkeling aantekenen. Dat protest en het voortdragen van een traditie willen zij blijkbaar overlaten aan enkelingen, leken – net zoals de traditie in de negentiende eeuw is doorgegeven vanuit de smalle gemeente van eenvoudige maar getrouwe gelovigen.)
Een modern ideaal – het ideaal van de gelijkheid, tussen mens en dier, man en vrouw, homo en hetero – ontpopt zich nu als een aanslag op oude vrijheden die bescherming boden aan minderheden en als zodanig nooit ter discussie hebben gestaan. Concreet betekent dit dat één Grondwetsartikel, het eerste artikel dat alle vormen van discriminatie verbiedt, is gaan heersen over klassieke grondrechten als de vrijheid van meningsuiting, geloof, vereniging en onderwijs. Als die klassieke grondrechten in strijd komen met dat eerste artikel dat elke vorm van discriminatie, dan moeten die rechten wijken of beperkt worden. En we moeten vrezen dat zich de komende jaren nog tal van nieuwe voorbeelden zullen gaan aandienen, niet alleen op het terrein van de dierenrechten (als we nu vanwege het korte lijden van een dier aan het einde van zijn leven een grondrecht willen beperken, waarom zouden we dan geen maatregelen tegen de jacht of de bio-industrie nemen?) maar ook op het terrein van de godsdienstvrijheid. Vanuit de kringen van de VVD heeft zich al een publicist aangediend die schreef dat na het verbod op de rituele slacht een verbod op de besnijdenis aan de orde moet komen. En als we de besnijdenis verbieden, waarom daarna dan ook niet de doop? Is het niet in strijd met de rechten van het kind om het kort na zijn geboorte een identiteit op te dringen? In Engeland is de verontwaardiging daarover nu al zo groot dat er een beweging is ontstaan die zich inzet voor de ‘ontdoping’ van de natie.
II
Wie tot zich door laat dringen hoezeer het denken in Europa op hol is geslagen, denkt als vanzelf aan een auteur die in de kring van Vrienden van Kohlbrugge een goede bekende is: Groen van Prinsterer.

De vrees van deze christelijk-conservatieve politiek filosoof bestond heel concreet in een gevoel van diepe onrust bij de gedachte aan een toekomstig Europa waarin centrale, vanouds christelijke waarden eerst lege begrippen zouden worden die daarna een ideologische inhoud zouden krijgen. Groen had tegen een Grondwet als zodanig geen bezwaren. Een Grondwet zou volgens Groen de uitkomst van een historische ontwikkeling moeten vastleggen. De auteur moet opschrijven wat geworden is, en niet schrijven vanuit de gedachte dat alles moet worden zoals hij het opschrijft. Dat wil zeggen: de Grondwet mag geen instrument in de handen van activistische politici worden om de staat opnieuw te stichten, ‘een vorm, een kleed waarin men de natie verwringt’. Wanneer een abstract, ideologisch beginsel een blauwdruk wordt om de samenleving opnieuw in te richten en een breuk met het verleden te voltrekken, dan is voor Groen wel duidelijk wat er dan zal gebeuren. ‘Een staatsrecht dat zich boven de geschiedenis verheft, begint met de vertreding van alle rechten’. De geschiedenis (Er is geschied) en de natuur zijn voor Groen belangrijke leidraden in de politiek. Als de politiek wordt afgeschaft, verdwijnt ook de natuur (de natuur in de betekenis van een voorgegeven, morele orde, de schepping). Waar het natuurrecht verdwijnt, blijft niets anders over dan de natuurdrift, aldus Groen (Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd [tweede druk; Amsterdam, 1858], pp. 67, 74-75).
De ontwikkeling die Groen vreesde en op tal van plaatsen heeft voorspeld en beschreven, zien we belichaamd in de geest van onze tijd. We bevinden ons in een proces van ontdoping, van ontwijding en afrekening. Behalve Groen zijn er nog andere schrijvers die ons kunnen helpen om onze tijd te peilen. Ik noem C. S. Lewis en Romano Guardini.

In een van zijn brieven schrijft Lewis dat hij zich wel eens een beetje ergert aan predikanten die protesteren tegen de tijdgeest van secularisatie en daaraan toevoegen dat Europa terugkeert tot het heidendom. Wie dat zegt, aldus Lewis, heeft er eigenlijk nog nooit veel van begrepen. Was het maar waar dat Europa terugkeerde tot het heidendom van Socrates, Plato en Cicero. Het tegendeel is het geval. De Europese cultuur is met de natuur begonnen, met de beschaving van de klassieke oudheid, met het natuurrecht, de ontdekking dat er een orde is die de mens leert wie hij is en hoe hij zich moet gedragen. Paulus heeft het daarover in zijn brief aan de Romeinen. De heidenen die de wet niet hebben, doen van nature wat de wet zegt (2:14). Toen kwam het christendom. Het christelijk geloof heeft de natuur gewijd en verheven, vervolmaakt. Het geloof is een gave en een regeneratieve kracht die niet alleen individuele mensen bekeert en in een nieuw leven doet wandelen, maar ook een hele cultuur een nieuwe wijding kan schenken. Christelijke tijden (tempora christiana) noemde Augustinus de periode na Hemelvaart, nu Christus aan de rechterhand van God regeert en Zijn Koninkrijk vestigt en uitbreidt.
De Britse mediëvist Richard Southern heeft prachtig beschreven hoe de kerk in de Middeleeuwen de grote en beschavende institutie van het Westen was, het blijvende fundament van onze cultuur. De mens, aldus Southern, is een redelijk schepsel, en die redelijkheid bestaat vooral in zijn capaciteit God te leren kennen en eren. De dienst aan God is de enige vaste basis waarop de menselijke cultuur kan worden gebouwd, zei Southern in een preek in Oxford, de stad die als het ware de belichaming vormt van de juistheid van Southerns stelling.In de christelijke Middeleeuwen zijn de denkbeelden en instituties geschapen die de cultuur van Europa hebben geschapen en tot het einde van de achttiende eeuw hebben beheerst.

Een heidense cultuur was gekerstend. Die gekerstende cultuur – een cultuur beschaafd en gewijd door het christelijk geloof – is nu ontkerstend, geseculariseerd geraakt. Betekent dit dat we nu weer tot de cultuur van de heidenen terugkeren? Nee, zegt Lewis. Een cultuur die van het christelijk geloof scheidt, wordt niet heidens, net zo min als een vrouw die van haar man scheidt weer maagd wordt. In een ontkerstende cultuur keert niet het natuurlijke terug, maar het onnatuurlijk en tegennatuurlijke treedt daar aan. Een nieuwe mensensoort breekt zich baan, mensen zonder hart, zonder natuur, ontworteld, leeg, het gemakkelijke slachtoffer van elke ideologie en van elk geloof dat niet christelijk is. Wie het doopwater van zijn voorhoofd afveegt, schudt meer van zich af dan een als een last ervaren traditie; hij verliest zijn humaniteit. (C. S. Lewis heeft deze ontwikkeling vooral beschreven in het boekje De afschaffing van de mens uit 1943, een boekje – tussen haakjes – dat altijd op het bureau van dr. W. Aalders lag).
Romano Guardini heeft deze huiveringwekkende ontwikkeling ook zeer scherp aangevoeld. In zijn boekje over De gestalte der toekomst (1962) schrijft hij over de liefde die uit de ‘algemene houding van de wereld zal verdwijnen’. De ‘omgevende christelijke cultuur en de bevestigende traditie’ zullen aan kracht verliezen. Van christenen zal veel moed en vertrouwen worden gevraagd, want ‘de eenzaamheid van het geloof zal verschrikkelijk zijn’.

III
Onze Grondwet is in de handen van ideologisch geplaagde politici een activistisch instrument geworden om een nieuwe ideologie van gelijkheid en non-discriminatie in te voeren. Zij voltrekken een bewuste breuk met het verleden, met een cultuur, een geloof, en daarmee ook met een vroegere interpretatie van de klassieke grondrechten die de kern van onze Grondwet vormen. Grondrechten moeten wijken of worden beperkt omdat andere waarden zijn gaan domineren.
Wat was die vroegere, oorspronkelijke uitleg van die waarden die in de Grondwet zijn neergeslagen, eigenlijk precies? Om die vast te stellen, moeten we weten hoe de waarden in onze Grondwet eigenlijk zijn ontstaan en vastgelegd. Op 14 september 1940 (oorlog en bezetting waren dus een lange zomer oud) heeft de rechtsgeleerde Paul Scholten een toespraak gehouden over de grondslagen van de Nederlandse geschiedenis. En hij verdedigde toen de stelling dat de christelijke vrijheid ons land tot een eenheid en gemeenschap heeft gesmeed. Ons land is uit een vrijheidsstrijd ontstaan. Maar die vrijheid werd begrensd door de waarden van het christelijk geloof, en die vrijheid heeft zich geuit in het vastleggen van de klassieke vrijheden. En Scholten benadrukte (NB: in september 1940) dat de conservatieve strijd voor geestelijke vrijheid weer aan de orde van de dag was. Waar die strijd niet werd gevoerd, ontstond tirannie.
We zijn geneigd te denken dat die vrijheden en onze Grondwet verworvenheden zijn van de Verlichting en de Franse Revolutie. Maar niets is minder waar. De juistheid van Paul Scholtens opvattingen over de christelijke grondslagen van onze cultuur, wordt nergens duidelijker dan op dit punt. Klassieke rechten en vrijheden zoals wij die nu kennen, hebben een lange ontstaansgeschiedenis gehad en zijn nauwelijks denkbaar zonder de strijd om christelijke vrijheid. In de tekst van de Unie van Utrecht (1579) is bijvoorbeeld voor het eerst het principe van de vrijheid van godsdienst vastgelegd. Elke burger was ‘vry in syn religie’, en de overheid mocht niemand om zijn geloof ‘achterhaelen ofte onderzoecken’(artikel XIII).
Een andere ‘fundamentele wet’ van Nederland was het beroemde Plakkaat van Verlatinge uit 1581. Ook daarin staat al zeer helder, met verwijzingen naar de natuurwet en het christelijk geloof, dat de overheid een goede herder moet zijn, en dat die herder er is voor de schapen. De schapen zijn er niet voor de herder. Dat stelt duidelijke grenzen aan de macht van de overheid, en creëert een domein dat de overheid niet mag betreden, het domein van de rechten en vrijheden van burgers.
Deze context van een christelijke cultuur waarin de waarden zijn ontstaan die onze Grondwet belichaamt, wordt in de tekst van de Grondwet nog altijd weerspiegeld. Onze Grondwet geeft een opsomming van onze vrijheden, bijvoorbeeld de vrijheid onze mening te uiten. Anders dan menig opinievormer ons heeft willen doen geloven, is die vrijheid niet absoluut en onbeperkt. Letterlijk staat er in onze Grondwet dat niemand ‘voorafgaand verlof’ nodig heeft om zijn ‘gedachten te openbaren’, maar er staat achter dat iedereen wel zijn eigen ‘verantwoordelijkheid volgens de wet’ heeft. Die beperkende bijzin staat ook in de grondwetsartikelen over de vrijheid van godsdienst, van vereniging en van vergadering. Er zijn dus wettelijk normen die onze vrijheid begrenzen. We mogen bijvoorbeeld niet beledigen, geen haat zaaien. Vrijheid is niet het recht om zo maar alles te zeggen wat we maar willen. Vrijheid behoort door fatsoen te worden ingetoomd.
Onze Grondwet vraagt ook van ons dat we niet discrimineren en tolerant zijn. Tolerantie bestaat in het besef dat we anderen niet mogen of kunnen dwingen – ook al hebben we daartoe de macht – om tegen hun geweten in te gaan. Waar dat besef verdwijnt kunnen mensen gaan denken, bijvoorbeeld, dat ze ambtenaren mogen dwingen homohuwelijken te sluiten.
Die Grondwet van ons is oorspronkelijk dus verankerd in christelijke opvattingen over vrijheid en tolerantie. Die christelijke cultuur is de legger van onze rechtsstaat. Waar de borging van onze vrijheden in dit cultuurchristelijke verhaal verdwijnt of verzwakt, gebeuren er gekke dingen. Dan gaan mensen denken dat ze alles mogen zeggen, of dat zij andere mensen mogen en kunnen dwingen om tegen hun diepste overtuigingen in te gaan.
Onze cultuur staat dus op een tweesprong. We kunnen kiezen voor een herbevestiging van de doop van onze cultuur door het christelijke geloof. Dan kiezen we voor vrijheid in gebondenheid, voor tolerantie, voor ruimte, licht en leven. Of we kiezen voor ontdoping, voor afrekening en ontwijding, en daarmee voor de slavernij van de ongebondenheid en de tirannie van een seculiere meerderheid.
De historicus wiens oeuvre ook als het ware gedoopt en geheiligd is door zijn zelden zeer nadrukkelijk beleden geloof, A. Th. van Deursen, sprak in 1994 in de Leidse Pieterskerk een Huizingalezing uit waarin hij Isaäc da Costa en Johan Huizinga met elkaar vergeleek. Hij had het over hun analyse van hun tijd, en concludeerde ‘met Huizinga’ dat de patiënt, onze cultuur, er eigenlijk slechter voor stond dan ooit. De patiënt heeft echter zelf voor zijn ziekte gekozen, en het enige medicijn dat hem kan genezen weigert hij.
Zal dat nu nog steeds het geval zijn? Als dat zo zou zijn, hoeft dat ons ook weer niet te verbazen. Johannes Calvijn heeft ons een politiek testament nagelaten, een preek uit 1562 over II Samuël 5:4, over David wiens rijk nog maar zeer gedeeltelijk gevestigd was. Een gedeelte uit deze (‘lutherse’) preek wil ik hier tot slot citeren, omdat de eenzaamheid van het geloof er duidelijk in naar voren komt, en de gedachte dat een door het christelijk geloof gestempelde cultuur een wonder is waar wij niet van uit kunnen gaan en niet op kunnen rekenen, een tijdelijke vluchtheuvel, een herberg, een oase in deze turbulente en chaotische wereld, een wonder zoals dat in de Gedenkklank van Valerius en in het Wilhelmus wordt bezongen (Aalders, Theocratie of ideologie, p. 296) :
‘Wij weten dat God regeert, maar omdat onze Here Jezus Christus in Hem verborgen is en Zijn volkomen heerschappij in deze wereld verborgen is, heeft zij geen glans en wordt zij maar weinig geacht, ja zelfs door de meerderheid verworpen. Daarom moeten wij het niet voor iets zeldzaams houden, dat onze Here Jezus Christus, alhoewel Hij door God, Zijn Vader, tot Koning is aangesteld, nu nog niet die autoriteit onder de mensen heeft die Hem toekomt. Daarbij komt nog dat ons nu nog geen zeker, beslissend tijdstip (van de volkomen openbaring van Zijn heerschappij) is gegeven. We zien namelijk dat de heerschappij van onze Here Jezus Christus begrensd is, daar slechts een handjevol mensen Hem heeft aangenomen en daar er tegenover iedere stad die het Evangelie heeft ontvangen, grote landen staan waarin afgodendienst heerst. Wanneer wij nu zien dat de heerschappij van Jezus Christus zo klein en naar de maatstaf van de wereld veracht is, zo laat ons de blik richten op het voorbeeld dat ons hier gegeven is (in de heerschappij van David) en laat ons op het einde wachten, dat God kent, want voor ons is het verborgen. Ik zeg, laten wij wachten in geduld, totdat Zijn Koninkrijk in volkomenheid zal zijn opgericht, en God hen verzamelt die verstrooid zijn, herstelt wat vernietigd is en op orde brengt wat in verwarring is. Dit is de ellende dat wij altijd maar vooruit willen, dat wij een heerschappij in deze wereld willen zien bloeien en slechts vreugde en zachtheid willen. Ondertussen echter overwegen wij niet waarom God het soms niet toestaat dat de heerschappij van Christus meer openbaar komt – dat is, opdat wij niet zouden slapen, waartoe wij maar al te zeer geneigd zijn. God wil dus dat de heerschappij van Jezus Christus in het midden van Zijn vijanden zal zijn. Laten wij ondertussen niet ophouden, zoveel het aan ons ligt, God te bidden dat Hij voortgang make en Zijn Koninkrijk uitbreide, en dat een ieder zich met al zijn kracht daarop richte. En laten wij zelf ons door Hem zo laten regeren dat Hij altijd in ons verheerlijkt wordt, zowel in het leven als ook in de dood.’
11.7.11
Harige kleden en sandalen
In het Nederlands Dagblad stond afgelopen vrijdag onderstaande column, over het al te radicale, 'authentieke', evangelicale etc. dat veel hedendaagse christenen tot mijn treurnis uitdragen. De slotzin van de oorspronkelijke column luidde: 'Het christendom zal burgerlijk zijn of het zal niet-zijn'. Ik dacht daarbij o.a. aan dat boekje van F. de Lange over Dietrich Bonhoeffer (Een burger op zijn best), maar ben blijkbaar de enige met deze associatie en omdat het woord 'burgerlijk', verrassend genoeg, verder vooral ergernis en misverstanden blijkt op te roepen, heb ik die laatste zin maar geschrapt.
Is radicaliteit een christelijke deugd?
Heel veel christenen – steeds meer christenen, is mijn indruk – beantwoorden die vraag bevestigend. Onlangs was ik te gast op een avond van de Utrechtse CSFR waar enthousiaste studenten zich bogen over de vraag of de vrijheid die een christelijke minderheid in Nederland nog altijd geniet, nu het meest wordt bedreigd door de islam of door een ‘paarse’, seculiere meerderheid die zich steeds nadrukkelijker doet gelden. Mijn antwoord op die vraag luidde dat voor beiden wat te zeggen valt, maar dat wij zelf de grootste bedreiging van die vrijheid vormen omdat we al te vaak niet de weerbaarheid aan de dag leggen die in deze tijd nodig is. Maar mijn coreferent, een uitstekend formulerende ouderejaars student, vond de vraagstelling op zich al verdacht.
Zat achter het thema van de avond niet een wereldsgezinde vrees, de angst van christenen die zich behaaglijk in deze wereld hebben genesteld en nu bang zijn dat ze door allerlei maatschappelijke ontwikkelingen hun macht en status gaan verliezen? Was die vrees niet bedenkelijk wanneer we ons met z’n allen eens realiseerden dat christenen geheel anders zijn, niet van deze wereld, discipelen die in deze wereld verdrukkingen en vervolgingen zullen lijden?
Deze vraag stellen was hem dus ook beantwoorden. Ja, zei de student, het was eigenlijk maar goed dat we onze voorrechten verloren en het ‘gewone, christelijke leven’ zouden hervinden.
Het is een manier van denken die steeds meer om zich heen grijpt, als ik het goed zie. Het is een houding waarin evangelischen, ‘barthianen’ en bevindelijk-gereformeerden verrassend eensgeestes blijken. In het Reformatorisch Dagblad stond onlangs een column waarin werd betoogd dat de bevindelijk gereformeerden voor zichzelf een kathedraal hebben gebouwd, een huis vol hulpmiddelen om in deze boze wereld staande te blijven. De auteur voorzag een spoedige ineenstorting van dit reeds brandende kaartenhuis, en meende dat deze verdrijving uit ‘onze bevoorrechte positie’ wel eens een louterende ervaring zou kunnen zijn om God opnieuw te vinden.
Het klinkt allemaal best christelijk natuurlijk. In de Bijbel zijn het niet de machtigen en wijzen die het Evangelie omarmen maar de mensen die in deze wereld vooral verachting ontmoeten en als pelgrims hun weg gaan. En dat willen radicale christenen zijn: pelgrims, radicaal anders, navolgers, brengers van een boodschap die haaks op deze wereld staat, dragers van harige kleden en sandalen, woonwagenbewoners.
Ik heb grote moeite met deze houding en manier van denken. Omdat ze getuigt van ondankbaarheid en egocentrisme, als ik zo vrij mag zijn.
Ik ben, om te beginnen, niet van de Tertulliaanse traditie, van christenen die zich schamper afvragen wat Jeruzalem met Athene van doen heeft. Radicaal is dit ‘denken’ zeker, maar het leidt tot een absurdistisch fideïsme. Het geloof wordt een geïsoleerd eilandje in het leven. Wat de consequenties van dit geloof zijn voor het leven en bijvoorbeeld de wetenschap wordt steeds moeilijker te beantwoorden. Wanneer het geloof dit radicale karakter krijgt, wordt het hele leven een eilandje. De auteur van de column in het RD zit in de Raad van Bestuur van die krant en werkt voor de SGP. Radicale christenen publiceren om de zoveel jaar een boek waarin ze betogen dat ze zich niet in de eigen kring en zuil op mogen sluiten maar met hun boodschap de wereld in moeten. Maar ze komen de deur niet uit.
Wie in de radicaliteit van zijn geloof alle tradities en structuren die het christelijk geloof heeft geschapen, wil weggooien, vergeet dat alle christelijke privileges een integraal onderdeel vormen van een vrije samenleving. De invloed van het christelijk geloof heeft een samenleving geschapen van tolerantie, vrijheid en sociale bewogenheid, die het waard is om beschermd te worden. Wie uit verlangen naar vervolgingen een paarse machtsgreep zou begroeten, vergeet ten eerste dat uitstel de essentie van het christelijke leven is, en ten tweede dat een paarse samenleving zo tiranniek en onaangenaam zal zijn dat we die geen van onze naasten gunnen. Deze samenleving is het waard bewaard en verdedigd te worden omdat zij vrij is en tolerant en de ruimte biedt voor de verbreiding van Gods Koninkrijk.
De boel de boel laten omdat we zo lekker willen pelgrimeren, lijkt mij onverantwoordelijk. We hebben geen radicaal christendom nodig, maar een historisch en traditioneel denkend, ‘hervormd’ christendom.
Is radicaliteit een christelijke deugd?
Heel veel christenen – steeds meer christenen, is mijn indruk – beantwoorden die vraag bevestigend. Onlangs was ik te gast op een avond van de Utrechtse CSFR waar enthousiaste studenten zich bogen over de vraag of de vrijheid die een christelijke minderheid in Nederland nog altijd geniet, nu het meest wordt bedreigd door de islam of door een ‘paarse’, seculiere meerderheid die zich steeds nadrukkelijker doet gelden. Mijn antwoord op die vraag luidde dat voor beiden wat te zeggen valt, maar dat wij zelf de grootste bedreiging van die vrijheid vormen omdat we al te vaak niet de weerbaarheid aan de dag leggen die in deze tijd nodig is. Maar mijn coreferent, een uitstekend formulerende ouderejaars student, vond de vraagstelling op zich al verdacht.
Zat achter het thema van de avond niet een wereldsgezinde vrees, de angst van christenen die zich behaaglijk in deze wereld hebben genesteld en nu bang zijn dat ze door allerlei maatschappelijke ontwikkelingen hun macht en status gaan verliezen? Was die vrees niet bedenkelijk wanneer we ons met z’n allen eens realiseerden dat christenen geheel anders zijn, niet van deze wereld, discipelen die in deze wereld verdrukkingen en vervolgingen zullen lijden?
Deze vraag stellen was hem dus ook beantwoorden. Ja, zei de student, het was eigenlijk maar goed dat we onze voorrechten verloren en het ‘gewone, christelijke leven’ zouden hervinden.
Het is een manier van denken die steeds meer om zich heen grijpt, als ik het goed zie. Het is een houding waarin evangelischen, ‘barthianen’ en bevindelijk-gereformeerden verrassend eensgeestes blijken. In het Reformatorisch Dagblad stond onlangs een column waarin werd betoogd dat de bevindelijk gereformeerden voor zichzelf een kathedraal hebben gebouwd, een huis vol hulpmiddelen om in deze boze wereld staande te blijven. De auteur voorzag een spoedige ineenstorting van dit reeds brandende kaartenhuis, en meende dat deze verdrijving uit ‘onze bevoorrechte positie’ wel eens een louterende ervaring zou kunnen zijn om God opnieuw te vinden.
Het klinkt allemaal best christelijk natuurlijk. In de Bijbel zijn het niet de machtigen en wijzen die het Evangelie omarmen maar de mensen die in deze wereld vooral verachting ontmoeten en als pelgrims hun weg gaan. En dat willen radicale christenen zijn: pelgrims, radicaal anders, navolgers, brengers van een boodschap die haaks op deze wereld staat, dragers van harige kleden en sandalen, woonwagenbewoners.
Ik heb grote moeite met deze houding en manier van denken. Omdat ze getuigt van ondankbaarheid en egocentrisme, als ik zo vrij mag zijn.
Ik ben, om te beginnen, niet van de Tertulliaanse traditie, van christenen die zich schamper afvragen wat Jeruzalem met Athene van doen heeft. Radicaal is dit ‘denken’ zeker, maar het leidt tot een absurdistisch fideïsme. Het geloof wordt een geïsoleerd eilandje in het leven. Wat de consequenties van dit geloof zijn voor het leven en bijvoorbeeld de wetenschap wordt steeds moeilijker te beantwoorden. Wanneer het geloof dit radicale karakter krijgt, wordt het hele leven een eilandje. De auteur van de column in het RD zit in de Raad van Bestuur van die krant en werkt voor de SGP. Radicale christenen publiceren om de zoveel jaar een boek waarin ze betogen dat ze zich niet in de eigen kring en zuil op mogen sluiten maar met hun boodschap de wereld in moeten. Maar ze komen de deur niet uit.
Wie in de radicaliteit van zijn geloof alle tradities en structuren die het christelijk geloof heeft geschapen, wil weggooien, vergeet dat alle christelijke privileges een integraal onderdeel vormen van een vrije samenleving. De invloed van het christelijk geloof heeft een samenleving geschapen van tolerantie, vrijheid en sociale bewogenheid, die het waard is om beschermd te worden. Wie uit verlangen naar vervolgingen een paarse machtsgreep zou begroeten, vergeet ten eerste dat uitstel de essentie van het christelijke leven is, en ten tweede dat een paarse samenleving zo tiranniek en onaangenaam zal zijn dat we die geen van onze naasten gunnen. Deze samenleving is het waard bewaard en verdedigd te worden omdat zij vrij is en tolerant en de ruimte biedt voor de verbreiding van Gods Koninkrijk.
De boel de boel laten omdat we zo lekker willen pelgrimeren, lijkt mij onverantwoordelijk. We hebben geen radicaal christendom nodig, maar een historisch en traditioneel denkend, ‘hervormd’ christendom.
14.6.11
Christelijke leesregel bij Constitutie
In het Nederlands Dagblad stond afgelopen vrijdag mijn column over een leesregel bij onze Grondwet. Onze christelijke cultuur biedt de context die een juiste interpretatie van onze rechten en vrijheden mogelijk maakt.
Eigenlijk is Nederland wel af. Grootse toekomstvisioenen om sociale kwesties te lijf te gaan, het aanwijzen van een stip op de horizon waar wij als volk heen moeten reizen, het is eigenlijk niet meer nodig. We hebben onze bestemming bereikt, we staan bovenop die stip op de horizon, we hebben met onze politieke en sociale orde ons hoogtepunt bereikt.
Dat betoogde Govert Buijs een week geleden op deze plaats. Het populisme waarmee we het zo te stellen hebben, is misschien wel niet veel anders dan een afkickverschijnsel – het late en laatste verdriet om een groot verlies, het verlies van een richtinggevend verhaal waaraan we verslaafd zijn geraakt.
Het betoog van Buijs, hoogleraar filosofie aan de VU, is op z’n minst origineel. Met de regelmaat van de klok verschijnen er immers boeken waarin een nieuw verhaal wordt bepleit in antwoord op het populisme van Geert Wilders c.s. Dat populisme appelleert klaarblijkelijk aan een diep menselijke behoefte. We hebben niet alleen een maag maar ook een hart. Ons hart kan niet leven bij de bloedeloze abstracties die de politieke elite tot nog toe tegen Wilders in stelling heeft gebracht – verhalen over mensenrechten, gelijkheid, onze Grondwet. Volgens al die boeken hebben we behoefte aan een verhaal van vlees en bloed, over onze geschiedenis, over wie we zijn, onze identiteit, onze cultuur.
En in die kakofonie van stemmen, pleidooien en oproepen komt Buijs melden dat het Grote Verhaal een oud verhaal is dat we inmiddels gerealiseerd hebben. Onze wereld is de best denkbare: politiek, sociaal, economisch. Er zijn geen zaken meer waarvoor we een nieuw Groot Verhaal zouden moeten verzinnen. Het is gelukt en geslaagd, dat grote project van de moderniteit. Nuchter mens, vriend Buijs, misschien is hij ook wel een Rotterdammer, net als die hoogleraar die hij instemmend citeerde.
Dwars en origineel is Buijs zeker. Maar heeft hij ook gelijk? Hebben we inderdaad geen behoefte meer aan een verhaal?
Buijs heeft natuurlijk gelijk wanneer hij zegt dat het ons in het rijke Westen gelukt is om de grote vijanden van de mensheid – honger en gebrek, ziekte en armoede – er grotendeels onder te krijgen. Economische groei heeft ongekende welvaart gebracht. Al te grote verschillen in rijkdom worden genivelleerd. Niemand is bij zijn geboorte bevoorrecht. Iedereen krijgt kansen. En we zijn vrij en democratisch. Politieke tirannie is verdreven.
Het staat allemaal als in graniet in onze Grondwet gebeiteld: vrijheid, gelijkheid, solidariteit. Maar is dat genoeg? Hebben we genoeg aan een boekje, onze Constitutie, waarin onze rechten en plichten staan opgesomd, of hebben we ook een leesregel nodig, aanwijzingen die ons in staat stellen dat boekje goed te lezen? En vormen al die aanwijzingen samen misschien een Groot Verhaal over de culturele context waarbinnen dat boekje is geschreven, en helpt dat Grote (onderliggende) Verhaal ons om al onze verworvenheden juist te interpreteren?
Ik denk het laatste. Laat ik twee voorbeelden geven van wat ik bedoel.
Onze Grondwet geeft een opsomming van onze vrijheden, bijvoorbeeld de vrijheid onze mening te uiten. Anders dan menig opinievormer ons heeft willen doen geloven, is die vrijheid niet absoluut en onbeperkt. Er zijn wettelijk normen die onze vrijheid begrenzen. We mogen niet beledigen, geen haat zaaien. Vrijheid is niet het recht om zo maar alles te zeggen wat we maar willen. Vrijheid behoort door fatsoen te worden ingetoomd.
Onze Grondwet vraagt ook van ons dat we niet discrimineren en tolerant zijn. Tolerantie bestaat in het besef dat we anderen niet mogen of kunnen dwingen – ook al hebben we daartoe de macht – om tegen hun geweten in te gaan. Waar dat besef verdwijnt kunnen mensen gaan denken, bijvoorbeeld, dat ze ambtenaren mogen dwingen homohuwelijken te sluiten.
Die Grondwet van ons is oorspronkelijk dus verankerd in christelijke opvattingen over vrijheid en tolerantie. Die christelijke cultuur is de legger van onze rechtsstaat. Waar de borging van onze vrijheden in dit cultuurchristelijke Verhaal verdwijnt of verzwakt, gebeuren er gekke dingen. Dan gaan mensen denken dat ze alles mogen zeggen, of dat zij andere mensen mogen en kunnen dwingen om tegen hun diepste overtuigingen in te gaan.
Dit Grote (onderliggende) Verhaal biedt dus het kader om het Grote (gerealiseerde) verhaal in goede banen te leiden en voor tirannieke ontsporingen te behoeden. De formulering van dit Grote (onderliggende) Verhaal blijft om die reden nodiger dan ooit.
Eigenlijk is Nederland wel af. Grootse toekomstvisioenen om sociale kwesties te lijf te gaan, het aanwijzen van een stip op de horizon waar wij als volk heen moeten reizen, het is eigenlijk niet meer nodig. We hebben onze bestemming bereikt, we staan bovenop die stip op de horizon, we hebben met onze politieke en sociale orde ons hoogtepunt bereikt.
Dat betoogde Govert Buijs een week geleden op deze plaats. Het populisme waarmee we het zo te stellen hebben, is misschien wel niet veel anders dan een afkickverschijnsel – het late en laatste verdriet om een groot verlies, het verlies van een richtinggevend verhaal waaraan we verslaafd zijn geraakt.
Het betoog van Buijs, hoogleraar filosofie aan de VU, is op z’n minst origineel. Met de regelmaat van de klok verschijnen er immers boeken waarin een nieuw verhaal wordt bepleit in antwoord op het populisme van Geert Wilders c.s. Dat populisme appelleert klaarblijkelijk aan een diep menselijke behoefte. We hebben niet alleen een maag maar ook een hart. Ons hart kan niet leven bij de bloedeloze abstracties die de politieke elite tot nog toe tegen Wilders in stelling heeft gebracht – verhalen over mensenrechten, gelijkheid, onze Grondwet. Volgens al die boeken hebben we behoefte aan een verhaal van vlees en bloed, over onze geschiedenis, over wie we zijn, onze identiteit, onze cultuur.
En in die kakofonie van stemmen, pleidooien en oproepen komt Buijs melden dat het Grote Verhaal een oud verhaal is dat we inmiddels gerealiseerd hebben. Onze wereld is de best denkbare: politiek, sociaal, economisch. Er zijn geen zaken meer waarvoor we een nieuw Groot Verhaal zouden moeten verzinnen. Het is gelukt en geslaagd, dat grote project van de moderniteit. Nuchter mens, vriend Buijs, misschien is hij ook wel een Rotterdammer, net als die hoogleraar die hij instemmend citeerde.
Dwars en origineel is Buijs zeker. Maar heeft hij ook gelijk? Hebben we inderdaad geen behoefte meer aan een verhaal?
Buijs heeft natuurlijk gelijk wanneer hij zegt dat het ons in het rijke Westen gelukt is om de grote vijanden van de mensheid – honger en gebrek, ziekte en armoede – er grotendeels onder te krijgen. Economische groei heeft ongekende welvaart gebracht. Al te grote verschillen in rijkdom worden genivelleerd. Niemand is bij zijn geboorte bevoorrecht. Iedereen krijgt kansen. En we zijn vrij en democratisch. Politieke tirannie is verdreven.
Het staat allemaal als in graniet in onze Grondwet gebeiteld: vrijheid, gelijkheid, solidariteit. Maar is dat genoeg? Hebben we genoeg aan een boekje, onze Constitutie, waarin onze rechten en plichten staan opgesomd, of hebben we ook een leesregel nodig, aanwijzingen die ons in staat stellen dat boekje goed te lezen? En vormen al die aanwijzingen samen misschien een Groot Verhaal over de culturele context waarbinnen dat boekje is geschreven, en helpt dat Grote (onderliggende) Verhaal ons om al onze verworvenheden juist te interpreteren?
Ik denk het laatste. Laat ik twee voorbeelden geven van wat ik bedoel.
Onze Grondwet geeft een opsomming van onze vrijheden, bijvoorbeeld de vrijheid onze mening te uiten. Anders dan menig opinievormer ons heeft willen doen geloven, is die vrijheid niet absoluut en onbeperkt. Er zijn wettelijk normen die onze vrijheid begrenzen. We mogen niet beledigen, geen haat zaaien. Vrijheid is niet het recht om zo maar alles te zeggen wat we maar willen. Vrijheid behoort door fatsoen te worden ingetoomd.
Onze Grondwet vraagt ook van ons dat we niet discrimineren en tolerant zijn. Tolerantie bestaat in het besef dat we anderen niet mogen of kunnen dwingen – ook al hebben we daartoe de macht – om tegen hun geweten in te gaan. Waar dat besef verdwijnt kunnen mensen gaan denken, bijvoorbeeld, dat ze ambtenaren mogen dwingen homohuwelijken te sluiten.
Die Grondwet van ons is oorspronkelijk dus verankerd in christelijke opvattingen over vrijheid en tolerantie. Die christelijke cultuur is de legger van onze rechtsstaat. Waar de borging van onze vrijheden in dit cultuurchristelijke Verhaal verdwijnt of verzwakt, gebeuren er gekke dingen. Dan gaan mensen denken dat ze alles mogen zeggen, of dat zij andere mensen mogen en kunnen dwingen om tegen hun diepste overtuigingen in te gaan.
Dit Grote (onderliggende) Verhaal biedt dus het kader om het Grote (gerealiseerde) verhaal in goede banen te leiden en voor tirannieke ontsporingen te behoeden. De formulering van dit Grote (onderliggende) Verhaal blijft om die reden nodiger dan ooit.
31.5.11
De nieuwe hoffelijkheid van links
Wethouder Andrée van Es van Amsterdam hield onlangs een pleidooi voor hoffelijkheid in de strijd tegen het falen van haar oude ideaal, de multiculturele samenleving.

Dat is nieuw, een links politicus die waarden, normen, deugden en fatsoen bepleit in een politiek debat. Wie dat vroeger deed viel onder de banvloek van de fatsoensrakkerij. Royaal heb ik wethouder Van Es daarom welkom geheten in het conservatieve kamp, dat immers altijd al pleidooien voor een cultureel fundament onder de samenleving voerde. Het artikel stond vorige week op de website van Binnenlands Bestuur en in de Volkskrant.
Het stuk riep nogal wat reacties op van mensen die zich kwaad maakten over de inhoud. Daarom heb ik vandaag een repliek geschreven die op de website van Binnenlands Bestuur en op de opinie-website van de Volskkrant is verschenen. Beide artikelen staan hieronder.
Welkom, wethouder Van Es, in het conservatieve kamp!
Ik tel mijn zegeningen: als zelfs iemand van GroenLinks komt vertellen dat we de deugd van de hoffelijkheid moeten herstellen, dan blijkt de werkelijkheid zich zelfs in het erg linkse kamp onweerstaanbaar op te dringen. Maar wat moet het voor de linkse mens vervelend zijn om het grote historische ongelijk steeds weer te moeten toegeven.
Vorige week was ze ineens zeer nadrukkelijk aanwezig in het nieuws: Andrée van Es, in Amsterdam wethouder namens GroenLinks. Ze gaf interviews aan Trouw en de Volkskrant en verscheen bij Knevel & Van de Brink. Ze mocht komen uitleggen dat de Nederlandse samenleving wat hoffelijker moet worden.
Van Es (1953) was in de jaren tachtig Kamerlid voor de Pacifistisch-Socialistische Partij (opgegaan in GroenLinks). Daarna verdween ze in de wereld van de VPRO en de Balie en speelde ze een rol bij de inburgering van Máxima. Ze was directeur-generaal op het ministerie van Binnenlandse Zaken en keerde weer terug in de politiek. Sinds vorig jaar is ze wethouder in Amsterdam, de stad van 183 nationaliteiten, en gaat ze in die functie over zaken als participatie en integratie.
Naar de Amsterdamse gemeenteraad heeft ze een brief geschreven over het onderwerp ‘Burgerschap en Diversiteit’. Ondertitel: ‘Geen burgerschap zonder hoffelijkheid’. In de traditie van Amsterdam en van de radicale chique waartoe Van Es zich in 1973 bekeerde (bij de dood van de socialistische Chileense president Allende) gaat het in zulke brieven veelal over ‘beleidsvoornemens’. Maar nu gaat het over wat de stad van de burgers verwacht, hoe ze met elkaar moeten omgaan, hoe ze minder ruw en onwelwillend met elkaar moeten omgaan.
Van Es onderbouwt haar betoog met een beroep op de politiek filosoof John Rawls: ‘Hoe kunnen vrije en gelijke burgers die van inzicht verschillen over godsdienstige, filosofische en levensbeschouwelijke zaken vreedzaam met elkaar samenleven? Burgerschap, met alle verschillen van mening, ook fundamenteel, die daarbij horen, kan volgens Rawls niet zonder civility: hoffelijkheid.’
En het gaat niet alleen om hoffelijkheid: onwilligen moeten aan het werk op verbeurte van hun uitkering, het moet afgelopen zijn met de overlast door jongeren, pardon: Marokkaanse jongeren, de overheid is er niet langer om alle problemen op te lossen maar moet de zelfredzaamheid van burgers hooguit faciliteren, en alle problemen zijn begonnen met de multiculturele samenleving.
Je wrijft even in je ogen: als het allemaal niet rechts is, dan is het in ieder geval ook erg conservatief. Volgens Van Es zelf is ze vooral ‘eerlijker’ geworden.
Inderdaad, Van Es en de haren zijn altijd oneerlijk geweest. Dat wil zeggen: ze hebben gelogen. Problemen mochten niet worden benoemd. De multiculturele samenleving was een hoog ideaal en wie zich ertegen verzette of over de schaduwzijden durfde beginnen, was een racist, een nationalist, rancuneus, erg blank met een dikke onderbuik. De politiek ontfermde zich over de zwakken. Wie van zelfredzaamheid repte, was rechts, had geen idealen maar slechts belangen, en behoorde tot de verderfelijke mensensoort die meende dat armoede en achterstand vooral eigen schuld was.
Van Es is van het linkse geloof gevallen dat ijverde voor bevrijding, emancipatie en individualisme en daarmee een beslissende bijdrage heeft geleverd aan de vergruizing van het culturele fundament dat een samenleving moet dragen. Ieder voor zich en de staat voor ons allen, was de leuze van deze dames en heren. En filosofen als Rawls, de held van de pluralistische samenleving en het verzet tegen ‘de oneerlijke verdeling van aanleg en talenten’, waren hun helden.
Nu moeten burgers weer voor zichzelf zorgen en wat vriendelijker worden in de omgang met elkaar. Want het multiculturele ideaal dat de generatie van Van Es met zoveel morele hooghartigheid heeft uitgedragen, is stuk gelopen op de harde werkelijkheid. De chaos laat zich niet meer vanuit het gemeentehuis beteugelen, zo heeft Van Es moeten vaststellen, twintig jaar na Bolkestein, tien jaar na Paul Scheffer en Pim Fortuyn. Ex-communist word je na de val van de Muur.
Beter (te) laat dan nooit natuurlijk. Ik tel mijn zegeningen.
Hartelijk welkom, mevrouw Van Es, in het conservatieve kamp. Met de grote Amerikaanse neoconservatief Irving Kristol bent u een ‘liberal who has been mugged by reality’, en daarmee feliciteer ik u. Ik bewonder uw moed. Want ik kan me goed voorstellen dat u deze stap met enige tegenzin zet. U en de uwen – ik denk niet alleen aan Paul Scheffer maar ook aan NRC-columnist Bas Heijne met zijn recente essay Moeten wij van elkaar houden? - belichaamden de weldenkendheid en moeten steeds meer hun grote historische ongelijk komen opbiechten nu de werkelijkheid zich onaangenaam opdringt. U en de uwen gaan daarmee in feite net zo pragmatisch en opportunistisch met het eigen gedachtegoed om als de gemiddelde politieke partij, en het moet pijnlijk zijn dat bij u zelf vast te stellen. U erkent dat historische ongelijk natuurlijk niet, maar stelt vast dat anderen u uw gedachtegoed en de consequenties daarvan wel eens met recht en reden kwalijk kunnen gaan nemen. Een concessie aan die werkelijkheid, zoals u die maakt, zou je daarom bijna kunnen zien als een smoes, om te laten zien dat u en de uwen op hun schreden zijn teruggekeerd en het allemaal zelf hebben bedacht, over die hoffelijkheid en zo.

U hebt in uw jeugd in de Haagse Vogelwijk ongetwijfeld het gymnasium bezocht en Horatius gelezen. Waarschijnlijk ook het gedicht over die hooivork, weet u nog wel, waarmee je dacht alles overboord te kunnen gooien, en over die menselijke natuur en de werkelijkheid die toch altijd weer blijven terugkeren en hun rechten opeisen.

Nogmaals: links en de moraal
Wethouder Andrée van Es kreeg onlangs alle gelegenheid om links en rechts uit te venten hoe zij haar portefeuille participatie en integratie in Amsterdam gaat invullen: door een pleidooi voor hoffelijkheid. Op deze plaats wijdde ik daar vorige week een stukje aan. Ik stelde daar dat die keuze van Van Es – een politiek pleidooi voor deugdzaamheid - nieuw was voor een progressief politicus. Linkse politici hebben zich in het recente verleden immers onderscheiden met pleidooien voor maximale vrijheid en tegen elke vorm van ‘betutteling’. Als daar problemen uit ontstonden, moest de overheid die oplossen. Van Es heeft dus ineens een politieke draai van 180 graden gemaakt. Maar goed, zo schreef ik, hoe ongeloofwaardig zo’n tournure ook is, beter laat dan nooit, zo’n pleidooi, en met een royaal gebaar heette ik wethouder Van Es van harte welkom in het conservatieve kamp.
Dat is niet overal even zeer gewaardeerd, zoals al snel bleek uit de vele boze reacties op deze website, op die van de Volkskrant en De Pers en enkele blogs.
Die kritiek was niet altijd even intelligent. Het verwijt dat mij vooral is gemaakt was het verwijt van de hovaardij. Ik zou betoogd hebben dat rechtse mensen hoffelijk zijn en linkse mensen niet. Ik zou het rechtse alleenrecht op hoffelijkheid hebben afgekondigd.
En dat is niet zo. In de eerste plaats had ik het niet over ‘rechts’ maar over ‘conservatief’. Ik geef toe dat het enige politieke scholing vraagt om het onderscheid te kunnen maken. Maar als rechts voor een kleine overheid staat die zich tot haar kerntaken beperkt, dan voegt de conservatief daaraan toe dat een samenleving voor alles een cultureel fundament nodig heeft van burgers die goed zijn opgevoed en goed onderwijs hebben ontvangen. We moeten immers wel weten hoe we met onze vrijheid behoren om te gaan.
In de tweede plaats zou ik niet graag beweren dat linkse mensen als individuen onhoffelijk zijn en rechtse mensen altijd hoffelijk. (Zo ben ik ook niet opgevoed. Toen ik in de kinderstoel al onvervalst rechts zat te kraaien, hief mijn moeder haar vinger en citeerde haar devies: ‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle’). Daar gaat het natuurlijk ook helemaal niet om. Het gaat erom of pleidooien voor hoffelijkheid (waarden en normen, deugden, een cultureel fundament, of hoe je het ook wilt noemen) een plaats mogen hebben in politieke discussies over de ravages die het vrijzinnig-progressieve ideaal van het multiculturalisme in de Nederlandse samenleving heeft aangericht. Conservatieven – en sommige rechts-liberale politici, zoals Frits Bolkestein – doen dat al tijden lang, Andrée van Es doet dat nu voor het eerst. Ik heb mijn linkse critici uitgedaagd mij voorbeelden te geven van progressieve pleidooien voor hoffelijkheid in het kader van een discussie over de multiculturele samenleving. Een antwoord zijn zij mij allen schuldig gebleven.

Daar komt nog iets bij. Het voorbeeld van Van Es staat natuurlijk niet op zichzelf. Links heeft er een handje van om na verloop van tijd de rechtse (conservatieve) pleidooien te herhalen. En als het dan door iemand uit de linkse hoek wordt gezegd, dan mag het ineens. Dan wordt ook net gedaan alsof die persoon het voor het eerst heeft gezegd. En worden er rare draaien aan dat linkse plagiaat van rechts gegeven.
Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Paul Scheffer. Frits Bolkestein stak al tien jaar zijn betogen tegen de schaduwkanten van de multiculturele samenleving af maar vond zelden enig onthaal. Volgens Jacques Wallage van de PvdA viste hij in het troebele water van het autochtone ressentiment. Toen Paul Scheffer echter tien jaar geleden paginagroot in NRC zijn beroemde stuk tegen het multiculturalisme publiceerde, werd aan dat krantenartikel een heus Kamerdebat gewijd en mocht hij sindsdien door het leven als de kampioen van wakker geworden links. Natuurlijk hebben de bijdragen van Scheffer grote verdiensten, maar hij heeft weinig gezegd wat al niet eerder was gezegd.

Hetzelfde geldt min of meer voor het recente essay van NRC-columnist Bas Heijne (Moeten wij van elkaar houden?). Links laboreert aan een vreemd affect, een nervositeit bijna, en dat is het verzet tegen elke poging iets te formuleren van een verhaal (identiteit) dat alle andere verhalen (identiteiten) overstijgt. Dat riekt al snel naar rechts-nationalistische dwingelandij, is bij voorbaat heel ‘eng’, en het volgende godwinnetje is dan nooit ver weg. Nu heeft Bas Heijne ingezien dat het beroep op abstracties als Grondwet en rechtstaat door de (zelf benoemde) politieke, bestuurlijke en intellectuele elite niet helpt, en dat we daarom in het debat over de multiculturele samenleving toch een verhaal (identiteit) moeten formuleren. Ook deze vooruitgang op links boek ik graag als winst, en ik accepteer deze positie graag als nieuw uitgangspunt voor een debat dat ons misschien eindelijk ergens kan brengen, maar merkwaardig blijft het: dat het verhaal nu wel mag omdat het in de NRC staat.
Het pleidooi dat links van rechts overschrijft, wordt in zulke gevallen niet alleen als nieuw en origineel gepresenteerd maar ook in een uitgesproken links discours ingebed en daarmee misbruikt. Politici als Van Es doen nu bijvoorbeeld net alsof zij het publieke pleidooi voor hoffelijkheid hebben ontdekt in hun verzet tegen de retoriek van Geert Wilders (kijk de uitzending van Knevel & Van den Brink waarin Van Es optrad, er maar op na). In zijn achterban zouden zich immers de primitieven bevinden, ‘rancuneuze types zonder moraal, zonder principes’ (Anil Ramdas).
Maar pleidooien voor hoffelijkheid, beste linksmens, zijn niet bedoeld om ons af te zetten tegen één specifiek groep. Onfatsoen laat zich niet indelen naar politieke achtergrond. Pleidooien voor hoffelijkheid en fatsoen zijn een algemeen appel op de samenleving om het culturele fundament onder onze rechtstaat, civil society en economie te onderhouden.
Links jat dus rechtse pleidooien als trucje voor eigen partijpolitiek gewin. Links is daarmee ongeloofwaardig, opportunistisch en vals.
Is dat reden tot somberte? Welnee. Links biedt altijd alle reden tot vrolijkheid. Want over vijf jaar staat in de Volkskrant wat deze week in de Elsevier staat. En over vijf jaar is zelfs de meest linkse lezer van dit stukje het met de inhoud ervan eens.

Dat is nieuw, een links politicus die waarden, normen, deugden en fatsoen bepleit in een politiek debat. Wie dat vroeger deed viel onder de banvloek van de fatsoensrakkerij. Royaal heb ik wethouder Van Es daarom welkom geheten in het conservatieve kamp, dat immers altijd al pleidooien voor een cultureel fundament onder de samenleving voerde. Het artikel stond vorige week op de website van Binnenlands Bestuur en in de Volkskrant.
Het stuk riep nogal wat reacties op van mensen die zich kwaad maakten over de inhoud. Daarom heb ik vandaag een repliek geschreven die op de website van Binnenlands Bestuur en op de opinie-website van de Volskkrant is verschenen. Beide artikelen staan hieronder.
Welkom, wethouder Van Es, in het conservatieve kamp!
Ik tel mijn zegeningen: als zelfs iemand van GroenLinks komt vertellen dat we de deugd van de hoffelijkheid moeten herstellen, dan blijkt de werkelijkheid zich zelfs in het erg linkse kamp onweerstaanbaar op te dringen. Maar wat moet het voor de linkse mens vervelend zijn om het grote historische ongelijk steeds weer te moeten toegeven.
Vorige week was ze ineens zeer nadrukkelijk aanwezig in het nieuws: Andrée van Es, in Amsterdam wethouder namens GroenLinks. Ze gaf interviews aan Trouw en de Volkskrant en verscheen bij Knevel & Van de Brink. Ze mocht komen uitleggen dat de Nederlandse samenleving wat hoffelijker moet worden.
Van Es (1953) was in de jaren tachtig Kamerlid voor de Pacifistisch-Socialistische Partij (opgegaan in GroenLinks). Daarna verdween ze in de wereld van de VPRO en de Balie en speelde ze een rol bij de inburgering van Máxima. Ze was directeur-generaal op het ministerie van Binnenlandse Zaken en keerde weer terug in de politiek. Sinds vorig jaar is ze wethouder in Amsterdam, de stad van 183 nationaliteiten, en gaat ze in die functie over zaken als participatie en integratie.
Naar de Amsterdamse gemeenteraad heeft ze een brief geschreven over het onderwerp ‘Burgerschap en Diversiteit’. Ondertitel: ‘Geen burgerschap zonder hoffelijkheid’. In de traditie van Amsterdam en van de radicale chique waartoe Van Es zich in 1973 bekeerde (bij de dood van de socialistische Chileense president Allende) gaat het in zulke brieven veelal over ‘beleidsvoornemens’. Maar nu gaat het over wat de stad van de burgers verwacht, hoe ze met elkaar moeten omgaan, hoe ze minder ruw en onwelwillend met elkaar moeten omgaan.
Van Es onderbouwt haar betoog met een beroep op de politiek filosoof John Rawls: ‘Hoe kunnen vrije en gelijke burgers die van inzicht verschillen over godsdienstige, filosofische en levensbeschouwelijke zaken vreedzaam met elkaar samenleven? Burgerschap, met alle verschillen van mening, ook fundamenteel, die daarbij horen, kan volgens Rawls niet zonder civility: hoffelijkheid.’
En het gaat niet alleen om hoffelijkheid: onwilligen moeten aan het werk op verbeurte van hun uitkering, het moet afgelopen zijn met de overlast door jongeren, pardon: Marokkaanse jongeren, de overheid is er niet langer om alle problemen op te lossen maar moet de zelfredzaamheid van burgers hooguit faciliteren, en alle problemen zijn begonnen met de multiculturele samenleving.
Je wrijft even in je ogen: als het allemaal niet rechts is, dan is het in ieder geval ook erg conservatief. Volgens Van Es zelf is ze vooral ‘eerlijker’ geworden.
Inderdaad, Van Es en de haren zijn altijd oneerlijk geweest. Dat wil zeggen: ze hebben gelogen. Problemen mochten niet worden benoemd. De multiculturele samenleving was een hoog ideaal en wie zich ertegen verzette of over de schaduwzijden durfde beginnen, was een racist, een nationalist, rancuneus, erg blank met een dikke onderbuik. De politiek ontfermde zich over de zwakken. Wie van zelfredzaamheid repte, was rechts, had geen idealen maar slechts belangen, en behoorde tot de verderfelijke mensensoort die meende dat armoede en achterstand vooral eigen schuld was.
Van Es is van het linkse geloof gevallen dat ijverde voor bevrijding, emancipatie en individualisme en daarmee een beslissende bijdrage heeft geleverd aan de vergruizing van het culturele fundament dat een samenleving moet dragen. Ieder voor zich en de staat voor ons allen, was de leuze van deze dames en heren. En filosofen als Rawls, de held van de pluralistische samenleving en het verzet tegen ‘de oneerlijke verdeling van aanleg en talenten’, waren hun helden.
Nu moeten burgers weer voor zichzelf zorgen en wat vriendelijker worden in de omgang met elkaar. Want het multiculturele ideaal dat de generatie van Van Es met zoveel morele hooghartigheid heeft uitgedragen, is stuk gelopen op de harde werkelijkheid. De chaos laat zich niet meer vanuit het gemeentehuis beteugelen, zo heeft Van Es moeten vaststellen, twintig jaar na Bolkestein, tien jaar na Paul Scheffer en Pim Fortuyn. Ex-communist word je na de val van de Muur.
Beter (te) laat dan nooit natuurlijk. Ik tel mijn zegeningen.
Hartelijk welkom, mevrouw Van Es, in het conservatieve kamp. Met de grote Amerikaanse neoconservatief Irving Kristol bent u een ‘liberal who has been mugged by reality’, en daarmee feliciteer ik u. Ik bewonder uw moed. Want ik kan me goed voorstellen dat u deze stap met enige tegenzin zet. U en de uwen – ik denk niet alleen aan Paul Scheffer maar ook aan NRC-columnist Bas Heijne met zijn recente essay Moeten wij van elkaar houden? - belichaamden de weldenkendheid en moeten steeds meer hun grote historische ongelijk komen opbiechten nu de werkelijkheid zich onaangenaam opdringt. U en de uwen gaan daarmee in feite net zo pragmatisch en opportunistisch met het eigen gedachtegoed om als de gemiddelde politieke partij, en het moet pijnlijk zijn dat bij u zelf vast te stellen. U erkent dat historische ongelijk natuurlijk niet, maar stelt vast dat anderen u uw gedachtegoed en de consequenties daarvan wel eens met recht en reden kwalijk kunnen gaan nemen. Een concessie aan die werkelijkheid, zoals u die maakt, zou je daarom bijna kunnen zien als een smoes, om te laten zien dat u en de uwen op hun schreden zijn teruggekeerd en het allemaal zelf hebben bedacht, over die hoffelijkheid en zo.

U hebt in uw jeugd in de Haagse Vogelwijk ongetwijfeld het gymnasium bezocht en Horatius gelezen. Waarschijnlijk ook het gedicht over die hooivork, weet u nog wel, waarmee je dacht alles overboord te kunnen gooien, en over die menselijke natuur en de werkelijkheid die toch altijd weer blijven terugkeren en hun rechten opeisen.

Nogmaals: links en de moraal
Wethouder Andrée van Es kreeg onlangs alle gelegenheid om links en rechts uit te venten hoe zij haar portefeuille participatie en integratie in Amsterdam gaat invullen: door een pleidooi voor hoffelijkheid. Op deze plaats wijdde ik daar vorige week een stukje aan. Ik stelde daar dat die keuze van Van Es – een politiek pleidooi voor deugdzaamheid - nieuw was voor een progressief politicus. Linkse politici hebben zich in het recente verleden immers onderscheiden met pleidooien voor maximale vrijheid en tegen elke vorm van ‘betutteling’. Als daar problemen uit ontstonden, moest de overheid die oplossen. Van Es heeft dus ineens een politieke draai van 180 graden gemaakt. Maar goed, zo schreef ik, hoe ongeloofwaardig zo’n tournure ook is, beter laat dan nooit, zo’n pleidooi, en met een royaal gebaar heette ik wethouder Van Es van harte welkom in het conservatieve kamp.
Dat is niet overal even zeer gewaardeerd, zoals al snel bleek uit de vele boze reacties op deze website, op die van de Volkskrant en De Pers en enkele blogs.
Die kritiek was niet altijd even intelligent. Het verwijt dat mij vooral is gemaakt was het verwijt van de hovaardij. Ik zou betoogd hebben dat rechtse mensen hoffelijk zijn en linkse mensen niet. Ik zou het rechtse alleenrecht op hoffelijkheid hebben afgekondigd.
En dat is niet zo. In de eerste plaats had ik het niet over ‘rechts’ maar over ‘conservatief’. Ik geef toe dat het enige politieke scholing vraagt om het onderscheid te kunnen maken. Maar als rechts voor een kleine overheid staat die zich tot haar kerntaken beperkt, dan voegt de conservatief daaraan toe dat een samenleving voor alles een cultureel fundament nodig heeft van burgers die goed zijn opgevoed en goed onderwijs hebben ontvangen. We moeten immers wel weten hoe we met onze vrijheid behoren om te gaan.
In de tweede plaats zou ik niet graag beweren dat linkse mensen als individuen onhoffelijk zijn en rechtse mensen altijd hoffelijk. (Zo ben ik ook niet opgevoed. Toen ik in de kinderstoel al onvervalst rechts zat te kraaien, hief mijn moeder haar vinger en citeerde haar devies: ‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle’). Daar gaat het natuurlijk ook helemaal niet om. Het gaat erom of pleidooien voor hoffelijkheid (waarden en normen, deugden, een cultureel fundament, of hoe je het ook wilt noemen) een plaats mogen hebben in politieke discussies over de ravages die het vrijzinnig-progressieve ideaal van het multiculturalisme in de Nederlandse samenleving heeft aangericht. Conservatieven – en sommige rechts-liberale politici, zoals Frits Bolkestein – doen dat al tijden lang, Andrée van Es doet dat nu voor het eerst. Ik heb mijn linkse critici uitgedaagd mij voorbeelden te geven van progressieve pleidooien voor hoffelijkheid in het kader van een discussie over de multiculturele samenleving. Een antwoord zijn zij mij allen schuldig gebleven.

Daar komt nog iets bij. Het voorbeeld van Van Es staat natuurlijk niet op zichzelf. Links heeft er een handje van om na verloop van tijd de rechtse (conservatieve) pleidooien te herhalen. En als het dan door iemand uit de linkse hoek wordt gezegd, dan mag het ineens. Dan wordt ook net gedaan alsof die persoon het voor het eerst heeft gezegd. En worden er rare draaien aan dat linkse plagiaat van rechts gegeven.
Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Paul Scheffer. Frits Bolkestein stak al tien jaar zijn betogen tegen de schaduwkanten van de multiculturele samenleving af maar vond zelden enig onthaal. Volgens Jacques Wallage van de PvdA viste hij in het troebele water van het autochtone ressentiment. Toen Paul Scheffer echter tien jaar geleden paginagroot in NRC zijn beroemde stuk tegen het multiculturalisme publiceerde, werd aan dat krantenartikel een heus Kamerdebat gewijd en mocht hij sindsdien door het leven als de kampioen van wakker geworden links. Natuurlijk hebben de bijdragen van Scheffer grote verdiensten, maar hij heeft weinig gezegd wat al niet eerder was gezegd.

Hetzelfde geldt min of meer voor het recente essay van NRC-columnist Bas Heijne (Moeten wij van elkaar houden?). Links laboreert aan een vreemd affect, een nervositeit bijna, en dat is het verzet tegen elke poging iets te formuleren van een verhaal (identiteit) dat alle andere verhalen (identiteiten) overstijgt. Dat riekt al snel naar rechts-nationalistische dwingelandij, is bij voorbaat heel ‘eng’, en het volgende godwinnetje is dan nooit ver weg. Nu heeft Bas Heijne ingezien dat het beroep op abstracties als Grondwet en rechtstaat door de (zelf benoemde) politieke, bestuurlijke en intellectuele elite niet helpt, en dat we daarom in het debat over de multiculturele samenleving toch een verhaal (identiteit) moeten formuleren. Ook deze vooruitgang op links boek ik graag als winst, en ik accepteer deze positie graag als nieuw uitgangspunt voor een debat dat ons misschien eindelijk ergens kan brengen, maar merkwaardig blijft het: dat het verhaal nu wel mag omdat het in de NRC staat.
Het pleidooi dat links van rechts overschrijft, wordt in zulke gevallen niet alleen als nieuw en origineel gepresenteerd maar ook in een uitgesproken links discours ingebed en daarmee misbruikt. Politici als Van Es doen nu bijvoorbeeld net alsof zij het publieke pleidooi voor hoffelijkheid hebben ontdekt in hun verzet tegen de retoriek van Geert Wilders (kijk de uitzending van Knevel & Van den Brink waarin Van Es optrad, er maar op na). In zijn achterban zouden zich immers de primitieven bevinden, ‘rancuneuze types zonder moraal, zonder principes’ (Anil Ramdas).
Maar pleidooien voor hoffelijkheid, beste linksmens, zijn niet bedoeld om ons af te zetten tegen één specifiek groep. Onfatsoen laat zich niet indelen naar politieke achtergrond. Pleidooien voor hoffelijkheid en fatsoen zijn een algemeen appel op de samenleving om het culturele fundament onder onze rechtstaat, civil society en economie te onderhouden.
Links jat dus rechtse pleidooien als trucje voor eigen partijpolitiek gewin. Links is daarmee ongeloofwaardig, opportunistisch en vals.
Is dat reden tot somberte? Welnee. Links biedt altijd alle reden tot vrolijkheid. Want over vijf jaar staat in de Volkskrant wat deze week in de Elsevier staat. En over vijf jaar is zelfs de meest linkse lezer van dit stukje het met de inhoud ervan eens.
22.3.11
Misverstanden in het debat over 'de scheiding van kerk en staat
Maandagmiddag was ik te gast in het programma Schepper&Co aan tafel om samen met Sophie in 't Veld (D66) en Ruard Ganzevoort (GroenLinks, maar ook de trotse nakomeling van Wessel Gansfort) te debatteren over vrijheid van godsdienst, secularisme en de scheiding van kerk en staat. Dat is leuk,deelname aan zo'n uitzending, maar om je opvattingen precies duidelijk te maken kun je toch beter een stukje schrijven. Dat heb ik vandaag gedaan in de vorm van mijn wekelijkse column voor Binnenlands Bestuur. De tekst staat ook hieronder.
Het zijn grote woorden, de discussie erover keert met grote regelmaat terug en cirkelt rond de relatie tussen overheid en geloof. Het gaat dan bijvoorbeeld over de vrijheid van een politieke vereniging om vrouwen te weren uit politieke functies, om de vrijheid van een islamitische leraar of ambtenaar om een vrouw geen hand te geven, om de vrijheid van christelijke scholen om geen homoseksuele leraren aan te nemen of de vrijheid van een kerk om homoseksuele kerkgangers de hostie te onthouden. Of het gaat over het dragen van religieuze symbolen in de publieke ruimte: om hoofddoekjes achter een balie van het gemeentehuis of zelfs – alsof er nooit een Rosa Parks is geweest – in een Noordhollandse bus. VVD-kamerlid Jeanine Hennis zei vorige week in een interview met De Pers dat ambtenaren in publieksfuncties geen religieuze symbolen mogen dragen en bepleitte een ‘meer beschouwend debat’ over dit en aanverwante onderwerpen. Dat ‘fundamentele’ debat gaat er komen, in de Tweede Kamer. En dan zal het dus gaan over de vrijheid van godsdienst (artikel 6 van onze Grondwet) en over de scheiding van kerk en staat, die niet in onze Grondwet wordt genoemd maar toch als een belangrijk grondprincipe van onze rechtsstaat geldt.
Over deze zaken bestaan veel onduidelijkheid en misverstanden.
• Velen denken dat de overheid neutraal moet zijn en dat dit betekent dat de overheid seculier, godsdienstloos, moet zijn. Geloof is best, maar achter de voordeur, niet in de publieke ruimte. Dit standpunt is een vergissing. Het seculiere standpunt is niet neutraal, maar even goed een levensbeschouwelijke keuze. Neutraal wil zeggen onpartijdig, en dat betekent dat alle levensbeschouwingen in principe dezelfde ruimte krijgen om er te zijn en zich te uiten.
• Velen denken dat de scheiding van kerk en staat betekent dat gelovigen geen politieke standpunten mogen uitdragen die op hun geloof gebaseerd zijn. Zo zouden gelovigen zich niet tegen abortus of euthanasie mogen uitspreken omdat zij dan andere mensen iets zouden willen verbieden en opleggen op grond van hun geloof. Wie zich vóór abortus en euthanasie uitspreekt, creëert net zo goed een maatschappelijke werkelijkheid die gebaseerd is op levensbeschouwelijke keuzes.
• De scheiding van kerk en staat betekent heel eenvoudig dat de kerk niet mag regeren en de overheid geen geloof mag dicteren. Een democratische rechtsstaat verhoudt zich niet met een theocratie en niet met een overheid die in het leven van de kerk ingrijpt. De kerk mag de overheid niet dwingen om alle andere geloven ‘te weren en uit te roeien’, en de staat mag burgers niet dwingen een bepaald geloof aan te hangen. De laatste vervolging van gelovigen in Nederland had plaats in de jaren dertig van de negentiende eeuw, toen een Oranjevorst (Willem I) en een liberale minister van Justitie (Van Maanen) via inkwartiering, boetes en celstraffen christenen vervolgden die de Nederlands Hervormde Kerk verlieten en een eigen nieuw kerkgenootschap stichtten.
• Wanneer de staat geen geloofsovertuiging mag opleggen, mag zij verenigingen en kerkgenootschappen ook niet onder het juk van een levensbeschouwelijk principe laten doorgaan. Nu is dat vooral het gelijkheidsprincipe, zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet, dat zich zowel tegen de SGP als tegen de Rooms-Katholieke Kerk dreigt te keren (als de sociaal-liberalen van D66, GroenLinks en VVD hun zin krijgen). De Grondwet zelf geeft aan dat de vrijheid van godsdienst en vereniging wordt begrensd door de wet (de artikelen worden immers besloten met de formulering: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’). Artikel 1 regeert niet over de klassieke grondrechten, zoals regering en Tweede Kamer in twee grote debatten hebben uitgesproken. Er is geen rangorde in de grondrechten.
• Een ‘meer beschouwend debat’ over staat en geloof is nauwelijks mogelijk omdat er de nodige irritatie aan de behoefte aan dat debat ten grondslag ligt. In de jaren negentig leken we af te stevenen op een religieloze publieke ruimte: de secularisatie ging onverminderd door en het CDA was uit het centrum van de macht gemanoeuvreerd. Maar het CDA bleek toch nog levensvatbaar en een nieuw geloof, de islam, bleek zich assertief te manifesteren. De discussie zoals die nu wordt gevoerd is eigenlijk volledig te danken aan de aanwezigheid van de islam. Over religieuze symbolen achter gemeentebalies is nooit enige ophef gemaakt, omdat dat ook niet nodig was. Een kruisje of keppeltje riepen geen wantrouwen op, een hoofddoekje (blijkbaar) wel. Het verzet tegen het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP komt voort uit de zorg dat een (veel grotere) islamitische partij vergelijkbare standpunten zal gaan huldigen. Het verzet tegen de rituele slacht komt voort uit verontwaardiging over de slachtpraktijk onder moslims. Maar als je op basis van een relativistische levensovertuiging in gelijkheid gelooft – en dus alle geloven even erg vindt of allemaal even mooi – dan heb je het niet over de islam maar over religie in het algemeen.
• Dat ‘meer beschouwende debat’ zou volgens de sociaal-liberalen moeten uitmonden in het schrappen van de vrijheid van godsdienst. Dat is erg vreemd. Een klassiek grondrecht is geen toevallige, welwillende concessie van de overheid aan burgers, die op een gegeven moment net zo goed weer kan worden ingetrokken, maar is van de burgers en beschermt hen tegen de willekeur van de staat of tegen een toevallige meerderheid van seculiere, liberale, blanke burgers die zich nu nadrukkelijk roeren en in feite even tiranniek een levensbeschouwing willen opleggen als de eerste de beste theocraat.
• Dat voorstel om artikel 6 van de Grondwet te schrappen noopt bovendien tot enig wantrouwen. De voorstanders zeggen dat gelovigen al vrijheid van meningsuiting en vereniging hebben en dat de vrijheid van godsdienst om die reden overbodig is. Maar als deze artikelen materieel samenvallen, waarom dan die moeite gedaan om artikel 6 te schrappen? Blijkbaar is er iets anders aan de orde. Wanneer je artikel 6 schrapt kun je het geloof gaan zien als ook maar een mening. Nu gaat het om iets kwetsbaars, om wat mensen ten diepste drijft, en daar kun je als overheid niet zo maar in snijden.
• En tot slot (al zou er natuurlijk nog veel meer te zeggen zijn): zo’n ‘meer beschouwend debat’ is zeer welkom, maar laat het alsjeblieft niet door politici worden gevoerd. Die willen – als zo’n debat al niet direct verzandt in genant gekissebis over hoofddoekjes - immers altijd een wet maken, en dus iets gebieden of verbieden. Het onderwerp kerk, staat, geloofsvrijheid is te belangrijk om aan politici over te laten.
Het zijn grote woorden, de discussie erover keert met grote regelmaat terug en cirkelt rond de relatie tussen overheid en geloof. Het gaat dan bijvoorbeeld over de vrijheid van een politieke vereniging om vrouwen te weren uit politieke functies, om de vrijheid van een islamitische leraar of ambtenaar om een vrouw geen hand te geven, om de vrijheid van christelijke scholen om geen homoseksuele leraren aan te nemen of de vrijheid van een kerk om homoseksuele kerkgangers de hostie te onthouden. Of het gaat over het dragen van religieuze symbolen in de publieke ruimte: om hoofddoekjes achter een balie van het gemeentehuis of zelfs – alsof er nooit een Rosa Parks is geweest – in een Noordhollandse bus. VVD-kamerlid Jeanine Hennis zei vorige week in een interview met De Pers dat ambtenaren in publieksfuncties geen religieuze symbolen mogen dragen en bepleitte een ‘meer beschouwend debat’ over dit en aanverwante onderwerpen. Dat ‘fundamentele’ debat gaat er komen, in de Tweede Kamer. En dan zal het dus gaan over de vrijheid van godsdienst (artikel 6 van onze Grondwet) en over de scheiding van kerk en staat, die niet in onze Grondwet wordt genoemd maar toch als een belangrijk grondprincipe van onze rechtsstaat geldt.
Over deze zaken bestaan veel onduidelijkheid en misverstanden.
• Velen denken dat de overheid neutraal moet zijn en dat dit betekent dat de overheid seculier, godsdienstloos, moet zijn. Geloof is best, maar achter de voordeur, niet in de publieke ruimte. Dit standpunt is een vergissing. Het seculiere standpunt is niet neutraal, maar even goed een levensbeschouwelijke keuze. Neutraal wil zeggen onpartijdig, en dat betekent dat alle levensbeschouwingen in principe dezelfde ruimte krijgen om er te zijn en zich te uiten.
• Velen denken dat de scheiding van kerk en staat betekent dat gelovigen geen politieke standpunten mogen uitdragen die op hun geloof gebaseerd zijn. Zo zouden gelovigen zich niet tegen abortus of euthanasie mogen uitspreken omdat zij dan andere mensen iets zouden willen verbieden en opleggen op grond van hun geloof. Wie zich vóór abortus en euthanasie uitspreekt, creëert net zo goed een maatschappelijke werkelijkheid die gebaseerd is op levensbeschouwelijke keuzes.
• De scheiding van kerk en staat betekent heel eenvoudig dat de kerk niet mag regeren en de overheid geen geloof mag dicteren. Een democratische rechtsstaat verhoudt zich niet met een theocratie en niet met een overheid die in het leven van de kerk ingrijpt. De kerk mag de overheid niet dwingen om alle andere geloven ‘te weren en uit te roeien’, en de staat mag burgers niet dwingen een bepaald geloof aan te hangen. De laatste vervolging van gelovigen in Nederland had plaats in de jaren dertig van de negentiende eeuw, toen een Oranjevorst (Willem I) en een liberale minister van Justitie (Van Maanen) via inkwartiering, boetes en celstraffen christenen vervolgden die de Nederlands Hervormde Kerk verlieten en een eigen nieuw kerkgenootschap stichtten.
• Wanneer de staat geen geloofsovertuiging mag opleggen, mag zij verenigingen en kerkgenootschappen ook niet onder het juk van een levensbeschouwelijk principe laten doorgaan. Nu is dat vooral het gelijkheidsprincipe, zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet, dat zich zowel tegen de SGP als tegen de Rooms-Katholieke Kerk dreigt te keren (als de sociaal-liberalen van D66, GroenLinks en VVD hun zin krijgen). De Grondwet zelf geeft aan dat de vrijheid van godsdienst en vereniging wordt begrensd door de wet (de artikelen worden immers besloten met de formulering: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’). Artikel 1 regeert niet over de klassieke grondrechten, zoals regering en Tweede Kamer in twee grote debatten hebben uitgesproken. Er is geen rangorde in de grondrechten.
• Een ‘meer beschouwend debat’ over staat en geloof is nauwelijks mogelijk omdat er de nodige irritatie aan de behoefte aan dat debat ten grondslag ligt. In de jaren negentig leken we af te stevenen op een religieloze publieke ruimte: de secularisatie ging onverminderd door en het CDA was uit het centrum van de macht gemanoeuvreerd. Maar het CDA bleek toch nog levensvatbaar en een nieuw geloof, de islam, bleek zich assertief te manifesteren. De discussie zoals die nu wordt gevoerd is eigenlijk volledig te danken aan de aanwezigheid van de islam. Over religieuze symbolen achter gemeentebalies is nooit enige ophef gemaakt, omdat dat ook niet nodig was. Een kruisje of keppeltje riepen geen wantrouwen op, een hoofddoekje (blijkbaar) wel. Het verzet tegen het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP komt voort uit de zorg dat een (veel grotere) islamitische partij vergelijkbare standpunten zal gaan huldigen. Het verzet tegen de rituele slacht komt voort uit verontwaardiging over de slachtpraktijk onder moslims. Maar als je op basis van een relativistische levensovertuiging in gelijkheid gelooft – en dus alle geloven even erg vindt of allemaal even mooi – dan heb je het niet over de islam maar over religie in het algemeen.
• Dat ‘meer beschouwende debat’ zou volgens de sociaal-liberalen moeten uitmonden in het schrappen van de vrijheid van godsdienst. Dat is erg vreemd. Een klassiek grondrecht is geen toevallige, welwillende concessie van de overheid aan burgers, die op een gegeven moment net zo goed weer kan worden ingetrokken, maar is van de burgers en beschermt hen tegen de willekeur van de staat of tegen een toevallige meerderheid van seculiere, liberale, blanke burgers die zich nu nadrukkelijk roeren en in feite even tiranniek een levensbeschouwing willen opleggen als de eerste de beste theocraat.
• Dat voorstel om artikel 6 van de Grondwet te schrappen noopt bovendien tot enig wantrouwen. De voorstanders zeggen dat gelovigen al vrijheid van meningsuiting en vereniging hebben en dat de vrijheid van godsdienst om die reden overbodig is. Maar als deze artikelen materieel samenvallen, waarom dan die moeite gedaan om artikel 6 te schrappen? Blijkbaar is er iets anders aan de orde. Wanneer je artikel 6 schrapt kun je het geloof gaan zien als ook maar een mening. Nu gaat het om iets kwetsbaars, om wat mensen ten diepste drijft, en daar kun je als overheid niet zo maar in snijden.
• En tot slot (al zou er natuurlijk nog veel meer te zeggen zijn): zo’n ‘meer beschouwend debat’ is zeer welkom, maar laat het alsjeblieft niet door politici worden gevoerd. Die willen – als zo’n debat al niet direct verzandt in genant gekissebis over hoofddoekjes - immers altijd een wet maken, en dus iets gebieden of verbieden. Het onderwerp kerk, staat, geloofsvrijheid is te belangrijk om aan politici over te laten.
12.3.11
Wilders en Majesteit
Het Filosofisch Elftal van Trouw (over De koningin en de populist) borduurt vandaag voort op mijn column voor Binnenlands Bestuur van deze week over de opmerkelijk vrijmoedige kritiek van Geert Wilders op Majesteit. Waarom distantieert Wilders zich zo scherp van uitspraken van koningin Beatrix en andere leden van het koninklijk huis, en hoe komt het dat hij zich die houding kan permitteren (anders dan Pim Fortuyn tien jaar geleden)?
De tekst van de column staat ook hieronder.
Premier Rutte moest zich van de week in de Tweede Kamer verantwoorden over het besluit om Majesteit toch te laten aanzitten aan een privédiner in Oman, en daarmee over zijn relatie tot het koningshuis. Maar politiek veel interessanter en spannender is de relatie tot de koningin van PVV-leider Geert Wilders. Die zoekt openlijk de confrontatie met de koningin in een strijd om de volksgunst.
Het heeft Majesteit dan toch behaagd te dineren met Qaboos bin Said al-Said, de sultan van Oman. Dat leek niet voor de hand te liggen, die aanzit, omdat Oman, net als vele andere landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, het toneel van onrust en opstand is, en een bezoek aan Oman gemakkelijk als steun aan het bewind van de sultan kan worden uitgelegd. Inderdaad was de komst van koningin Beatrix voorpaginanieuws in de Engelstalige kranten van Oman. ‘Queen Beatrix in Muscat today’, meldde de Muscat Daily over de volle breedte van de voorpagina in een toepasselijke oranje steunkleur.
De Kamer riep premier Rutte op het matje omdat hij de koningin toestemming heeft gegeven voor het privédiner. Een meerderheid van de Kamer had vorige week immers duidelijk gemaakt dat het verstandig zou zijn wanneer het staatsbezoek aan Oman – dat aanvankelijk de bedoeling was – voorlopig niet doorging. Twee dagen later meldde het kabinet per brief aan de Kamer dat de koningin toch op korte termijn naar Oman ging, niet voor een staatsbezoek maar voor een privé-etentje. Om daarover alsnog iets te kunnen zeggen, wilde de Kamer dat Rutte zich beschikbaar stelde voor een debatje.
Zo’n debatje gaat natuurlijk over meer dan alleen dat bezoek en de rol van handelsbelangen die bij de besluitvorming een rol heeft gespeeld. Het gaat ook over de relatie van deze nieuwe en jonge premier tot het koningshuis. Dat is interessant genoeg. Maar eigenlijk nog veel interessanter, en in ieder geval spannender, is de relatie tot het koningshuis van PVV-leider Geert Wilders.

Toen het besluit dat Majesteit alsnog naar Oman zou afreizen, bekend was geworden, twitterde Wilders: ‘Honderden mensen demonstreerden vandaag [zondag – bjs] in Oman tegen regime van abjecte Sultan. Dat de Koningin met die dictator gaat dineren is erg dom!’
Zo’n reactie is op z’n minst vrijmoedig te noemen. En het was deze keer niet voor het eerst dat Wilders zijn kritiek op het koningshuis zonder enig voorbehoud spuide. Haar Kersttoespraken, vol met oproepen tot tolerantie en respect en andere zaken die niet bovenaan in de Wilderiaanse deugdencatalogus staan, hebben al eerder zijn toorn opgeroepen. Een oproep tot vrede en tot het tegengaan van grofheid in woord en daad hekelt hij steevast als een persoonlijke aanval op zijn politiek en retoriek. Hij is de ‘multiculti-onzin’ van het staatshoofd ‘spuugzat’.
Dat Wilders aan die afkeer uiting geeft, is opmerkelijk, zeker voor een 'populist', die weet waar de liefdes en loyaliteiten van het volk liggen, en dus ook weet dat hij met zijn handen van het koningshuis moet afblijven. Pim Fortuyn presenteerde zich bij zijn entree in de Nederlandse politiek als een rasechte republikein, die Majesteit hooguit een ceremoniële rol in ons bestel wilde toekennen. Op tournee in Limburg merkte hij echter dat dat standpunt hem niet zou gaan helpen, en zei hij haastig dat hij deze mening wel zou opgeven als het volk dat wilde. Dat wilde het volk (toen nog) en Fortuyn deed het.
Wilders neemt inmiddels hetzelfde standpunt in: de koningin mag niet langer onderdeel van de regering zijn en moet zich beperken tot een ceremoniële rol. ‘Als een haas’ moet zij de regering verlaten, en 20 procent van haar begroting moet zij inleveren. Hoe kan dat, deze verandering?
Het is Wilders gelukt de koningin en haar gevolg neer te zetten als een integraal onderdeel van de elite, zo niet van de linkse kerk. Bij Juliana had dat niet gekund, want zij presenteerde zich als de koningin van het gewone volk, die je met mevrouw mocht aanspreken. Wilhelmina was afstandelijker, maar gaf er blijk van dat zij zich diep verbonden voelde met het volk. Beatrix heeft zich aangediend als een majesteit die haar jubileum soms ook zonder het volk en alleen met de leden van haar eigen kaste wilde vieren. Zij is pro-Europees. Zij is voor de multiculturele samenleving, en liet Máxima zeggen dat dé Nederlander eigenlijk niet bestaat. Door haar vorig jaar zomer tijdens de kabinetsformatie aanvankelijk te passeren en samen met Rutte en Verhagen de formatiebesprekingen voort te zetten, suggereerde Wilders dat een rechts kabinet er alleen haars ondanks kon komen.
Wilders zoekt dus bewust de confrontatie met de koningin en de monarchie. Daaruit blijkt dat hij zich sterk genoeg voelt om de strijd om de volksgunst met haar aan te durven. Met het genaken van het jaar 2013, als Nederland twee eeuwen onafhankelijk is en de koningin wel eens zou kunnen overwegen af te treden, is dat gegeven spannender en belangrijker dan het debatje van vandaag in de Tweede Kamer.
De tekst van de column staat ook hieronder.
Premier Rutte moest zich van de week in de Tweede Kamer verantwoorden over het besluit om Majesteit toch te laten aanzitten aan een privédiner in Oman, en daarmee over zijn relatie tot het koningshuis. Maar politiek veel interessanter en spannender is de relatie tot de koningin van PVV-leider Geert Wilders. Die zoekt openlijk de confrontatie met de koningin in een strijd om de volksgunst.
Het heeft Majesteit dan toch behaagd te dineren met Qaboos bin Said al-Said, de sultan van Oman. Dat leek niet voor de hand te liggen, die aanzit, omdat Oman, net als vele andere landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, het toneel van onrust en opstand is, en een bezoek aan Oman gemakkelijk als steun aan het bewind van de sultan kan worden uitgelegd. Inderdaad was de komst van koningin Beatrix voorpaginanieuws in de Engelstalige kranten van Oman. ‘Queen Beatrix in Muscat today’, meldde de Muscat Daily over de volle breedte van de voorpagina in een toepasselijke oranje steunkleur.
De Kamer riep premier Rutte op het matje omdat hij de koningin toestemming heeft gegeven voor het privédiner. Een meerderheid van de Kamer had vorige week immers duidelijk gemaakt dat het verstandig zou zijn wanneer het staatsbezoek aan Oman – dat aanvankelijk de bedoeling was – voorlopig niet doorging. Twee dagen later meldde het kabinet per brief aan de Kamer dat de koningin toch op korte termijn naar Oman ging, niet voor een staatsbezoek maar voor een privé-etentje. Om daarover alsnog iets te kunnen zeggen, wilde de Kamer dat Rutte zich beschikbaar stelde voor een debatje.
Zo’n debatje gaat natuurlijk over meer dan alleen dat bezoek en de rol van handelsbelangen die bij de besluitvorming een rol heeft gespeeld. Het gaat ook over de relatie van deze nieuwe en jonge premier tot het koningshuis. Dat is interessant genoeg. Maar eigenlijk nog veel interessanter, en in ieder geval spannender, is de relatie tot het koningshuis van PVV-leider Geert Wilders.

Toen het besluit dat Majesteit alsnog naar Oman zou afreizen, bekend was geworden, twitterde Wilders: ‘Honderden mensen demonstreerden vandaag [zondag – bjs] in Oman tegen regime van abjecte Sultan. Dat de Koningin met die dictator gaat dineren is erg dom!’
Zo’n reactie is op z’n minst vrijmoedig te noemen. En het was deze keer niet voor het eerst dat Wilders zijn kritiek op het koningshuis zonder enig voorbehoud spuide. Haar Kersttoespraken, vol met oproepen tot tolerantie en respect en andere zaken die niet bovenaan in de Wilderiaanse deugdencatalogus staan, hebben al eerder zijn toorn opgeroepen. Een oproep tot vrede en tot het tegengaan van grofheid in woord en daad hekelt hij steevast als een persoonlijke aanval op zijn politiek en retoriek. Hij is de ‘multiculti-onzin’ van het staatshoofd ‘spuugzat’.
Dat Wilders aan die afkeer uiting geeft, is opmerkelijk, zeker voor een 'populist', die weet waar de liefdes en loyaliteiten van het volk liggen, en dus ook weet dat hij met zijn handen van het koningshuis moet afblijven. Pim Fortuyn presenteerde zich bij zijn entree in de Nederlandse politiek als een rasechte republikein, die Majesteit hooguit een ceremoniële rol in ons bestel wilde toekennen. Op tournee in Limburg merkte hij echter dat dat standpunt hem niet zou gaan helpen, en zei hij haastig dat hij deze mening wel zou opgeven als het volk dat wilde. Dat wilde het volk (toen nog) en Fortuyn deed het.
Wilders neemt inmiddels hetzelfde standpunt in: de koningin mag niet langer onderdeel van de regering zijn en moet zich beperken tot een ceremoniële rol. ‘Als een haas’ moet zij de regering verlaten, en 20 procent van haar begroting moet zij inleveren. Hoe kan dat, deze verandering?
Het is Wilders gelukt de koningin en haar gevolg neer te zetten als een integraal onderdeel van de elite, zo niet van de linkse kerk. Bij Juliana had dat niet gekund, want zij presenteerde zich als de koningin van het gewone volk, die je met mevrouw mocht aanspreken. Wilhelmina was afstandelijker, maar gaf er blijk van dat zij zich diep verbonden voelde met het volk. Beatrix heeft zich aangediend als een majesteit die haar jubileum soms ook zonder het volk en alleen met de leden van haar eigen kaste wilde vieren. Zij is pro-Europees. Zij is voor de multiculturele samenleving, en liet Máxima zeggen dat dé Nederlander eigenlijk niet bestaat. Door haar vorig jaar zomer tijdens de kabinetsformatie aanvankelijk te passeren en samen met Rutte en Verhagen de formatiebesprekingen voort te zetten, suggereerde Wilders dat een rechts kabinet er alleen haars ondanks kon komen.
Wilders zoekt dus bewust de confrontatie met de koningin en de monarchie. Daaruit blijkt dat hij zich sterk genoeg voelt om de strijd om de volksgunst met haar aan te durven. Met het genaken van het jaar 2013, als Nederland twee eeuwen onafhankelijk is en de koningin wel eens zou kunnen overwegen af te treden, is dat gegeven spannender en belangrijker dan het debatje van vandaag in de Tweede Kamer.
17.2.11
Die Hans Laroes toch
Afgelopen dinsdag publiceerde ik – zoals elke week – op de website van Binnenlands Bestuur een column onder de titel ‘Blijvende correctheid’. Ik ging daar in op het feit dat de media zich nog geregeld schuldig maken aan verhullende politieke correctheid, en voerde daarvoor drie voorbeelden aan: de manier waarop er op radio en TV door de Bertus Hendriksen dezer wereld over de Moslimbroederschap wordt gesproken, de manier waarop er is bericht over die rare dialoogwandeling door Amsterdam-West en een uitspraak van politicologe en 'Egyptedeskundige' Monique Samuel. Er zijn altijd voorbeelden te over natuurlijk. Ik had het ook nog kunnen hebben over de manier waarop de NOS berichtte over de aanhoudende immigratie, die niet, zoals Rob Trip in het Journaal zei, zo maar uit de lidstaten van de Europese Unie komt, maar vooral uit enkele specifieke lidstaten zoals Polen, Bulgarije en Roemenië (wat hoofddemograaf Jan Latten ’s middags nog wel op de radio had mogen vertellen). Ook dat is verhullend en als zodanig een bron van nieuw onbegrip en onbehagen.
Maar met mevrouw Samuel is er iets aan de hand. Zij is half-Nederlands, half-Egyptisch en is de afgelopen weken verschillende keren op de televisie geweest om uit te leggen wat er allemaal in Egypte gebeurde. In een interview met het Nederlands Dagblad (helaas niet volledig on line) zei ze dat ze bij de NOS wel mocht praten over moslims en christenen die samen bidden maar niet over de islamitische aanslagen op twee koptisch kerken. Waarom mocht dat niet? ‘De NOS is bang voor islamofoob te worden uitgemaakt’, zei ze in het ND van afgelopen zaterdag.
Deze uitspraak nu, die ik in mijn column citeerde, heeft de toorn gewekt van de heer Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS Journaal. Er zou helemaal niets van kloppen, van die uitspraak van mevrouw Samuel over dat islamofobe karakter van de NOS. Mevrouw Samuel beweert inmiddels dat ze het zo niet heeft gezegd (maar dat er ‘natuurlijk wel iets achter die uitspraak schuilt’) en schijnt inmiddels haar excuses aan Laroes te hebben aangeboden. Dat doe je alleen wanneer je spijt hebt van je uitspraak, niet wanneer je het niet hebt gezegd en verkeerd geciteerd bent door het ND. Het interview in het ND was van tevoren ook door mevrouw Samuel gezien en gelezen en geapprobeerd. Mevrouw Samuel heeft inmiddels op twitter gezegd dat ze de NOS graag te vriend wil houden.
De spijt van mevrouw Samuel is de heer Laroes echter niet genoeg. Nu zij haar uitspraak wel heeft gedaan maar daar spijt van heeft gekregen vindt hij (schreef hij in verschillende tweets) dat mijn column op ‘flinterdun’ bewijs is gebaseerd en eist hij op hoge toon dat ik dat openlijk moet erkennen.
Dat valt allemaal nogal mee, denk ik. Het enige probleem is dat mijn betoogje gebaseerd was op drie voorbeelden waarvan er één is ingetrokken. De twee andere staan in ieder geval nog overeind, en zoals gezegd zou ik het aantal voorbeelden gemakkelijk kunnen vermeerderen.
Maar: is dat voorbeeld van mevrouw Samuel wel terecht ingetrokken? Is het wel terecht dat zij haar excuses heeft aangeboden, omdat de NOS wel degelijk aandacht aan het islamitische geweld tegen koptische christenen heeft geschonken? Dat is hooguit voor een deel het geval.
In zijn blog verwijst Laroes naar twee uitzendingen die duidelijk zouden moeten maken dat de NOS de nodige aandacht heeft besteed aan het lot van de Kopten in Egypte. Die uitzendingen hebben echter betrekking op de aanslag van 1 januari in Alexandrië en op tekenen van verzoening tussen moslims en christenen naar aanleiding van dat incident, vastgelegd door Nicole Lefever in de uitzending van 11 januari. Dat is dus ver voor de historische datum van 25 januari toen de revolutie uitbrak. Waar Samuel het op dat moment over wilde hebben waren natuurlijk de zware aanslagen van begin februari in de zuidelijke provincie Minya, waarbij minstens elf Kopten om het leven kwamen. Daar hebben we de NOS inderdaad niet over gehoord. Als we alleen de NOS hadden gehad, hadden we gedacht dat er ergens rond de jaarwisseling een incident was geweest maar dat die aanslag moslims en christenen juist dichter bij elkaar had gebracht. Gelukkig zijn er ook andere media en weten we beter, al heeft Laroes ondertussen mevrouw Samuel zo zwaar geïntimideerd dat hij haar haar excuses heeft laten aanbieden voor iets waarvoor zij haar excuses helemaal niet hoefde aan te bieden.
Zelf ben ik maar zo vrij dat niet te doen.
Maar met mevrouw Samuel is er iets aan de hand. Zij is half-Nederlands, half-Egyptisch en is de afgelopen weken verschillende keren op de televisie geweest om uit te leggen wat er allemaal in Egypte gebeurde. In een interview met het Nederlands Dagblad (helaas niet volledig on line) zei ze dat ze bij de NOS wel mocht praten over moslims en christenen die samen bidden maar niet over de islamitische aanslagen op twee koptisch kerken. Waarom mocht dat niet? ‘De NOS is bang voor islamofoob te worden uitgemaakt’, zei ze in het ND van afgelopen zaterdag.
Deze uitspraak nu, die ik in mijn column citeerde, heeft de toorn gewekt van de heer Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS Journaal. Er zou helemaal niets van kloppen, van die uitspraak van mevrouw Samuel over dat islamofobe karakter van de NOS. Mevrouw Samuel beweert inmiddels dat ze het zo niet heeft gezegd (maar dat er ‘natuurlijk wel iets achter die uitspraak schuilt’) en schijnt inmiddels haar excuses aan Laroes te hebben aangeboden. Dat doe je alleen wanneer je spijt hebt van je uitspraak, niet wanneer je het niet hebt gezegd en verkeerd geciteerd bent door het ND. Het interview in het ND was van tevoren ook door mevrouw Samuel gezien en gelezen en geapprobeerd. Mevrouw Samuel heeft inmiddels op twitter gezegd dat ze de NOS graag te vriend wil houden.
De spijt van mevrouw Samuel is de heer Laroes echter niet genoeg. Nu zij haar uitspraak wel heeft gedaan maar daar spijt van heeft gekregen vindt hij (schreef hij in verschillende tweets) dat mijn column op ‘flinterdun’ bewijs is gebaseerd en eist hij op hoge toon dat ik dat openlijk moet erkennen.
Dat valt allemaal nogal mee, denk ik. Het enige probleem is dat mijn betoogje gebaseerd was op drie voorbeelden waarvan er één is ingetrokken. De twee andere staan in ieder geval nog overeind, en zoals gezegd zou ik het aantal voorbeelden gemakkelijk kunnen vermeerderen.
Maar: is dat voorbeeld van mevrouw Samuel wel terecht ingetrokken? Is het wel terecht dat zij haar excuses heeft aangeboden, omdat de NOS wel degelijk aandacht aan het islamitische geweld tegen koptische christenen heeft geschonken? Dat is hooguit voor een deel het geval.
In zijn blog verwijst Laroes naar twee uitzendingen die duidelijk zouden moeten maken dat de NOS de nodige aandacht heeft besteed aan het lot van de Kopten in Egypte. Die uitzendingen hebben echter betrekking op de aanslag van 1 januari in Alexandrië en op tekenen van verzoening tussen moslims en christenen naar aanleiding van dat incident, vastgelegd door Nicole Lefever in de uitzending van 11 januari. Dat is dus ver voor de historische datum van 25 januari toen de revolutie uitbrak. Waar Samuel het op dat moment over wilde hebben waren natuurlijk de zware aanslagen van begin februari in de zuidelijke provincie Minya, waarbij minstens elf Kopten om het leven kwamen. Daar hebben we de NOS inderdaad niet over gehoord. Als we alleen de NOS hadden gehad, hadden we gedacht dat er ergens rond de jaarwisseling een incident was geweest maar dat die aanslag moslims en christenen juist dichter bij elkaar had gebracht. Gelukkig zijn er ook andere media en weten we beter, al heeft Laroes ondertussen mevrouw Samuel zo zwaar geïntimideerd dat hij haar haar excuses heeft laten aanbieden voor iets waarvoor zij haar excuses helemaal niet hoefde aan te bieden.
Zelf ben ik maar zo vrij dat niet te doen.
14.2.11
Leer en leven: Datheen en Chopin
Het is natuurlijk goed wanneer je je realiseert dat het leven meer is dan het voedsel en de kleding. Dat het geestelijke uiteindelijk het materiële overstijgt. Maar je kunt ook al te idealistisch in dit leven staan, en geloven dat mensen hun gedrag en levensstijl laten bepalen door hun overtuigingen. Dat het leven een afgeleide is van de leer. Dat een verandering in opvattingen tot andere standpunten en keuzes leidt, en niet, andersom, dat een verandering in het leven tot een bijstelling van opvattingen leidt. Dat discussies en debatten dus zin hebben omdat je mensen ergens van kunt overtuigen en zij deze verandering zullen omzetten in andere positiekeuzes. Het zou leuk zijn als het waar was, maar het blijkt hopeloos naïef en te goedgelovig gedacht.
Met enige regelmaat sta ik in zaaltjes te spreken voor mij sympathieke gezelschappen die zich aan het bezinnen zijn. Niet zo maar op iets, maar op de kern van hun politieke boodschap. De omstandigheden zijn veranderd, en hoe moet je je boodschap dan brengen, dat is de vraag waarover het in zulk soort sessies altijd weer gaat. Hoe leg je uit dat je voor gewetensvrijheid bent maar tegen geloofsvrijheid? Of toch wel voor geloofsvrijheid maar dan wel tegen geloofsgelijkheid? Als dat onderscheid strikt juridisch niet te rechtvaardigen valt, hoe kun je dat dan doen met behulp van gewoonterechtelijke en cultuurrechtelijke argumenten? En als je op dit punt andere keuzes maakt, hoe leg je dat dan uit aan een achterban die heel eenvoudig denkt dat er maar één norm is, het Woord van God, en dat er daarom geen ruimte is voor geloofsvrijheid en alle geloof anders dan het calvinistische moet worden geweerd en uitgeroeid?
Je kunt daar een dagdeel over praten, maar je voelt al snel aan dat alle opmerkingen iets vrijblijvends hebben. Dat er wordt gediscussieerd lijkt wel een doel op zich, alsof iemand daar opdracht toe heeft gegeven, om welke reden dan ook. Het blijkt niet de bedoeling uit de discussie conclusies te trekken. Met de bijeenkomst hebben ze weer aan hun verplichting voldaan, jegens wie dan ook, en kunnen ze weer een tijdje vooruit. Aan het einde van zo’n bijeenkomst zijn er ook altijd deelnemers die benadrukken dat er geen enkele urgentie is. Het speelt eigenlijk niet zo in Den Haag, en ach, als je hier al uit zou komen met elkaar, dan is er morgen weer iets anders. Misschien is het zo dat als je goed en eerlijk nadenkt, dat je dan je standpunten moet herzien en een andere positie moet innemen. Maar wat een gedoe zal dat geven! Het kan wel waar zijn, maar wat komt het ons slecht uit.
Inderdaad, het verhaal van de plas en alles dat bleef zoals het was.
Ondertussen ontwikkelt het leven zich verder. Er voltrekken zich grote sociale en culturele veranderingen, terwijl de leer hetzelfde blijft. De zonen en dochteren van de gezelschappen die ik in zaaltjes tref, hebben zich verenigd in een vitale jongerenbeweging die dit alles uitmuntend illustreert. Op hun jaarlijkse toogdag stond er geen harmonium op het podium maar een vleugel, en speelden een pianist en een trompettist geen Datheen maar Chopin. Dankzij de emancipatie kunnen ze dat inmiddels. Een prijs werd uitgereikt aan een politiek activiste die zich vooral inzet voor de verbreiding van laïcisme en atheïsme. En de lijsttrekker met vrouw en kinderen werd met ballonnen en vreugdegeschal in een Amerikaans zonnetje gezet. Een van hun voorlieden schreef dat deze jongeren het hellend vlak van de synodaal-gereformeerden niet zullen afglijden omdat bij hen, anders dan bij die gereformeerden vroeger, de leer niet verandert. Alles blijft zoals het was.
Maar dat is natuurlijk niet zo. Vroeg of laat breekt het moment aan waarop de leer en het leven, dat zich onafhankelijk van die leer verder heeft ontwikkeld, zo ver uit elkaar zijn gegroeid dat de leer aan het leven moet worden aangepast. Niet dat ze dat dan zullen erkennen. Nee, die nieuwe leer is niet nieuw, maar is de leer zoals zij eigenlijk altijd was bedoeld, met wat andere accenten, hetzelfde in een veranderde context. De kern is hetzelfde gebleven. Maar dat staat dan natuurlijk nog maar te bezien.
Overtuigingen staan dus in dienst van iets anders: om een groepsgevoel in stand te houden, grenzen te trekken waarachter de groep zich kan terugtrekken en overleven. Het heeft wel wat, die cohesie, al gaat het niet zoals het hoort. De leer houdt blijkbaar geen stand tegen het leven, is de conclusie die je uiteindelijk trekt, sadder and wiser. Wereldwijzer, en een illusie armer.
Met enige regelmaat sta ik in zaaltjes te spreken voor mij sympathieke gezelschappen die zich aan het bezinnen zijn. Niet zo maar op iets, maar op de kern van hun politieke boodschap. De omstandigheden zijn veranderd, en hoe moet je je boodschap dan brengen, dat is de vraag waarover het in zulk soort sessies altijd weer gaat. Hoe leg je uit dat je voor gewetensvrijheid bent maar tegen geloofsvrijheid? Of toch wel voor geloofsvrijheid maar dan wel tegen geloofsgelijkheid? Als dat onderscheid strikt juridisch niet te rechtvaardigen valt, hoe kun je dat dan doen met behulp van gewoonterechtelijke en cultuurrechtelijke argumenten? En als je op dit punt andere keuzes maakt, hoe leg je dat dan uit aan een achterban die heel eenvoudig denkt dat er maar één norm is, het Woord van God, en dat er daarom geen ruimte is voor geloofsvrijheid en alle geloof anders dan het calvinistische moet worden geweerd en uitgeroeid?
Je kunt daar een dagdeel over praten, maar je voelt al snel aan dat alle opmerkingen iets vrijblijvends hebben. Dat er wordt gediscussieerd lijkt wel een doel op zich, alsof iemand daar opdracht toe heeft gegeven, om welke reden dan ook. Het blijkt niet de bedoeling uit de discussie conclusies te trekken. Met de bijeenkomst hebben ze weer aan hun verplichting voldaan, jegens wie dan ook, en kunnen ze weer een tijdje vooruit. Aan het einde van zo’n bijeenkomst zijn er ook altijd deelnemers die benadrukken dat er geen enkele urgentie is. Het speelt eigenlijk niet zo in Den Haag, en ach, als je hier al uit zou komen met elkaar, dan is er morgen weer iets anders. Misschien is het zo dat als je goed en eerlijk nadenkt, dat je dan je standpunten moet herzien en een andere positie moet innemen. Maar wat een gedoe zal dat geven! Het kan wel waar zijn, maar wat komt het ons slecht uit.
Inderdaad, het verhaal van de plas en alles dat bleef zoals het was.
Ondertussen ontwikkelt het leven zich verder. Er voltrekken zich grote sociale en culturele veranderingen, terwijl de leer hetzelfde blijft. De zonen en dochteren van de gezelschappen die ik in zaaltjes tref, hebben zich verenigd in een vitale jongerenbeweging die dit alles uitmuntend illustreert. Op hun jaarlijkse toogdag stond er geen harmonium op het podium maar een vleugel, en speelden een pianist en een trompettist geen Datheen maar Chopin. Dankzij de emancipatie kunnen ze dat inmiddels. Een prijs werd uitgereikt aan een politiek activiste die zich vooral inzet voor de verbreiding van laïcisme en atheïsme. En de lijsttrekker met vrouw en kinderen werd met ballonnen en vreugdegeschal in een Amerikaans zonnetje gezet. Een van hun voorlieden schreef dat deze jongeren het hellend vlak van de synodaal-gereformeerden niet zullen afglijden omdat bij hen, anders dan bij die gereformeerden vroeger, de leer niet verandert. Alles blijft zoals het was.
Maar dat is natuurlijk niet zo. Vroeg of laat breekt het moment aan waarop de leer en het leven, dat zich onafhankelijk van die leer verder heeft ontwikkeld, zo ver uit elkaar zijn gegroeid dat de leer aan het leven moet worden aangepast. Niet dat ze dat dan zullen erkennen. Nee, die nieuwe leer is niet nieuw, maar is de leer zoals zij eigenlijk altijd was bedoeld, met wat andere accenten, hetzelfde in een veranderde context. De kern is hetzelfde gebleven. Maar dat staat dan natuurlijk nog maar te bezien.
Overtuigingen staan dus in dienst van iets anders: om een groepsgevoel in stand te houden, grenzen te trekken waarachter de groep zich kan terugtrekken en overleven. Het heeft wel wat, die cohesie, al gaat het niet zoals het hoort. De leer houdt blijkbaar geen stand tegen het leven, is de conclusie die je uiteindelijk trekt, sadder and wiser. Wereldwijzer, en een illusie armer.
31.1.11
'Laatste Achterberg' in Langbroek begraven
In Langbroek, een dorp onder Doorn, heb ik maandagmiddag de begrafenis bijgewoond van een man die ik, helaas, nooit heb ontmoet. Zijn naam was Hendrik (Henk) Achterberg, de jongste broer van de dichter Gerrit Achterberg. Hij werd bijna 94 jaar oud en was de laatste nog levende uit het gezin van negen kinderen dat woonde in een boerderij waarvan Gerrit Achterberg schreef dat de godsdienst er zwaar tegen de hanebalken hing. Die boerderij heet Klein Jagerstein en staat aan de Langbroekerdijk, misschien een kilometer verwijderd van de Hervormde dorpskerk waar de Achterbergen kerkten en waar de rouwdienst deze middag plaats heeft. Op het kerkhof achter de kerk is hij begraven, net als zijn ouders, twee van zijn kinderen en zoveel familieleden meer, al generaties lang.

Langbroek en de Achterbergen zijn nauw aan elkaar verbonden, al eeuwen. Maar de herinnering aan Gerrit Achterberg ligt er tot op de dag van vandaag gevoelig. Gerrit schoot in december 1937, hij was toen 32 jaar oud, zijn Utrechtse hospita dood. Dat weten ze in Langbroek en ze praten er niet graag over. Henk heeft het nooit willen doen. Toen in 1985 in Langbroek een straat naar Gerrit Achterberg werd vernoemd, deed zich bij de onthulling, in het bijzijn van Gerrits weduwe en de nodige hoogwaardigheidsbekleders, een pijnlijk incident voor. Iemand fietste voorbij en schreeuwde: ‘Die moordenaar!’ Nog steeds zwijgt men maar liever over de dichter, die tien jaar na de moord het gedicht ‘Bekering’ publiceerde:
Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,
tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,
wat er ook in ons leven is gebeurd.
Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.
En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.
Aan de Langbroekerdijk, bij de stenen brug, slechts een paar huizen verwijderd van Klein Jagerstein, staat ook boerderij Snellestein, waar Francien van Donselaar woonde, het meisje met wie Henk elke dag opliep naar school, met wie hij later verkering kreeg en vele jaren gelukkig getrouwd is geweest (zij overleed op 1 januari 2004). Als zij naar school liepen, de Langbroekerdijk uit, kwamen zij langs Sandenburg, het grote witte sprookjeskasteel van de familie Van Lynden van Sandenburg, waar Henks vader, ook Hendrik geheten, als koetsier was begonnen. Achter de Oranjerie was Gerrit geboren, in 1905. Daarna was vader Hendrik gaan boeren op Klein Jagerstein. Daar was Henk ter wereld gekomen, en daar had de hooiberg gestaan waar Gerrit, zestien jaar oud, uit gevallen was. Henk, toen vijf jaar oud, was de enige ooggetuige van de smak geweest. ‘Gerrit klapte naar beneden op de stenen. Ik zie hem daar nu nog liggen en ik hoor hem nog kreunen en kermen van de pijn. Het was vreselijk. Die val wordt gerelateerd aan zijn latere levensloop. Zijn hersenen zouden door die val een dreun gekregen hebben waardoor ze niet meer normaal konden functioneren’, vertelde hij eens.
De school waar Hendrik en zijn Francien dagelijks naar toe liepen, en die dankzij de inspanningen van vader Hendrik een christelijke school was geworden, stond aan dezelfde brink als de kerk. De school is nu het Hervormd Centrum, en daar is de familie deze maandagmiddag bijeengekomen voor het begin van de rouwdienst. Een groot gezelschap: Henk en Francien kregen veertien kinderen, en tot in het vijfde geslacht zijn er nakomelingen. ‘Wij leven zoals God het wil’, zei Francien toen een kraamzuster na het tiende kind over geboortebeperking was begonnen.
De kerk is oud. Hoge ramen in witte muren. Aan weerszijden staan de hoge banken met de wapens van de vele adellijke families uit de streek. In de muur direct achter de preekstoel bevinden zich twee deuren direct naast elkaar, waar zondags de ouderlingen en diakenen door naar binnen komen. Nu rijden vier dochters van de overledene de baar door de ingang onder de toren naar binnen. Een van hen spreekt een ‘in memoriam’ uit, een ander leest een gedicht voor van de negentiende-eeuwse predikant J. J. van Oosterzee, verzen over de brief op dorrend blad die de dood hem heeft geschreven, maar die eindigen met de regel: ‘En – Dood! Waar blijft uw zegepraal?’
Ook Wim van Amerongen voert het woord. Hij schreef het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg, een persoonlijk verslag van zijn zoektocht naar sporen van de dichter in zijn geboortestreek. Henk Achterberg was een van zijn belangrijkste informanten geweest. Via het boek van Van Amerongen heb ik Henk Achterberg leren kennen en sympathie voor hem opgevat. Hij oogde gul en welgemoed op de foto’s in Van Amerongens boek. Hij had gevoel en liefde voor taal, wat in de familie veel voorkwam, had hij Van Amerongen ‘bijna vergoelijkend’ verteld. Hij had zijn vrouw zeer lief gehad. Op zijn zestiende schreef hij een gedicht over dat hij tot aan zijn overlijden als een hommage aan haar boven zijn bed had hangen. ‘O goede moeder, sterke boerenvrouw / stil als een zonnestraal / verglijdt uw leven./ Gij hoort geen uren slaan./ Uw naam is trouw / en alles wat gij doet, is geven.’/ Hij heeft veel betekend voor allen die hem hebben gekend, zoveel wordt tijdens deze dienst wel duidelijk. Een pater familias, een oprecht christenmens, die een grote lege plaats zal achterlaten in het leven van deze uitgebreide familie.

(Henk Achterberg, midden, met links Wim van Amerongen, auteur van het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg)
‘En aldaar zal geen nacht zijn’. Deze woorden uit het laatste hoofdstuk van de Bijbel stonden op de rouwkaart en daarover gaat de preek van de jonge dominee Barth. Genade, had Henk Achterberg tegen de dominee gezegd, kun je het beste omschrijven als ‘gratie met behoud van recht’. God is genadig, niet door aan de zonden voorbij te zien maar door ze te straffen in het lijden en de dood van Zijn Zoon. Over het leven is immers een nacht gevallen, de schaduw van de zonde die zich uitstrekt tot de dood. Maar God zal deze nacht verdrijven. Zoals Jezus’ eerste komst de gratie heeft gebracht, zo zal Zijn tweede komst het licht van de eeuwige dag brengen. Wij leven tussen die twee komsten in, en nu is het van tweeën één, hebben wij of de nacht van de zonde lief of het licht van God. Henk was een kind van Gods gratie en licht geweest.
Het is koud en grijs, deze maandagmiddag, de in het vooruitzicht gestelde zon, die hier van rijke symbolische betekenis zou zijn geweest, blijft verborgen. Op de dodenakker denk ik aan ds. J. T. (Ko) Doornenbal (1909 – 1975), de vriend van Gerrit Achterberg. Hij groeide op in het naburige Doorn en kerkte in zijn jeugd geregeld hier in de Hervormde Kerk van Langbroek (soms ook wel in het oud-gereformeerde kerkje dat verderop langs de provinciale weg staat, wat verworpen een meter of tien van de straatkant af). Ko was ook een boerenzoon, en dichterlijk aangelegd. De Achterbergen en de Doornenballen zijn zelfs verwant. Op de begraafplaats zie ik de grafsteen van Rijk Achterberg en zijn vrouw Marrigje Doornenbal. Marrigje was een zuster van de vader van ds. Doornenbal, Rijk was een neef van de vader van Gerrit en Henk. Doornenbal was bij de begrafenis van Gerrit en sprak het Onze Vader uit in huis en aan het graf, en hij was bij de begrafenis van de oude Hendrik, die samen met zijn vrouw Pietje ook hier op de Langbroekse dodenakker begraven ligt. Ook deze Hendrik werd 93 jaar oud. 'De winterwind woei koud over het kerkhof met de vele zerken en grafstenen van de oude adellijke en boerengeslachten die hier begraven liggen', schreef Doornenbal in 1968. 'Gerrit Achterberg heeft, vooral in zijn latere jaren, de band die hem met zijn vader verbond steeds nauwer gevoeld, en al vaker vond hij de weg naar de ouderlijke woning Klein Jagersteyn aan de Langbroeker Wetering. Het is nu voorbij, zoals zo veel. Huiverende kou over het kerkhof en de grafzerken. "Afgeschreven op een steen".' Zelf ligt Doornenbal een kilometer of wat verderop begraven, in Doorn, naast zijn ouders. Henk wordt ter aarde besteld in hetzelfde graf als zijn vrouw Francien, naast de twee kinderen die hen ontvielen.
‘De laatste Achterberg’, zo noemt Van Amerongen hem in de kerk. Wie zich in de levensloop van Henk verdiept, in zijn gaven van hoofd en hart, vraagt zich bijna als vanzelf af of deze man niet – net als Doornenbal – een leven vertegenwoordigde dat verdwijnt. Een eenvoudig, christelijk leven naar hervormde snit, dat zonder veel tierelantijnen leeft uit gratie en licht en dat vooral gééft. Dominee Barth spreekt over de erfenis van Henk Achterberg. Die moeten we wel ontvangen en niet verkwanselen maar bewaren en ook weer doorgeven. Tot de tweede komst. Misschien nog wel tot in het vijfde geslacht.

PS: De door Doornenbal geciteerde woorden 'Afgeschreven op een steen' zijn ontleend aan het gedicht 'Deïsme' van Gerrit Achterberg (VG 922): 'De mens is voor een tijd een plaats van God./ Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen,/ dan wordt hij afgeschreven op een steen.'

Langbroek en de Achterbergen zijn nauw aan elkaar verbonden, al eeuwen. Maar de herinnering aan Gerrit Achterberg ligt er tot op de dag van vandaag gevoelig. Gerrit schoot in december 1937, hij was toen 32 jaar oud, zijn Utrechtse hospita dood. Dat weten ze in Langbroek en ze praten er niet graag over. Henk heeft het nooit willen doen. Toen in 1985 in Langbroek een straat naar Gerrit Achterberg werd vernoemd, deed zich bij de onthulling, in het bijzijn van Gerrits weduwe en de nodige hoogwaardigheidsbekleders, een pijnlijk incident voor. Iemand fietste voorbij en schreeuwde: ‘Die moordenaar!’ Nog steeds zwijgt men maar liever over de dichter, die tien jaar na de moord het gedicht ‘Bekering’ publiceerde:
Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,
tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,
wat er ook in ons leven is gebeurd.
Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.
En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.
Aan de Langbroekerdijk, bij de stenen brug, slechts een paar huizen verwijderd van Klein Jagerstein, staat ook boerderij Snellestein, waar Francien van Donselaar woonde, het meisje met wie Henk elke dag opliep naar school, met wie hij later verkering kreeg en vele jaren gelukkig getrouwd is geweest (zij overleed op 1 januari 2004). Als zij naar school liepen, de Langbroekerdijk uit, kwamen zij langs Sandenburg, het grote witte sprookjeskasteel van de familie Van Lynden van Sandenburg, waar Henks vader, ook Hendrik geheten, als koetsier was begonnen. Achter de Oranjerie was Gerrit geboren, in 1905. Daarna was vader Hendrik gaan boeren op Klein Jagerstein. Daar was Henk ter wereld gekomen, en daar had de hooiberg gestaan waar Gerrit, zestien jaar oud, uit gevallen was. Henk, toen vijf jaar oud, was de enige ooggetuige van de smak geweest. ‘Gerrit klapte naar beneden op de stenen. Ik zie hem daar nu nog liggen en ik hoor hem nog kreunen en kermen van de pijn. Het was vreselijk. Die val wordt gerelateerd aan zijn latere levensloop. Zijn hersenen zouden door die val een dreun gekregen hebben waardoor ze niet meer normaal konden functioneren’, vertelde hij eens.
De school waar Hendrik en zijn Francien dagelijks naar toe liepen, en die dankzij de inspanningen van vader Hendrik een christelijke school was geworden, stond aan dezelfde brink als de kerk. De school is nu het Hervormd Centrum, en daar is de familie deze maandagmiddag bijeengekomen voor het begin van de rouwdienst. Een groot gezelschap: Henk en Francien kregen veertien kinderen, en tot in het vijfde geslacht zijn er nakomelingen. ‘Wij leven zoals God het wil’, zei Francien toen een kraamzuster na het tiende kind over geboortebeperking was begonnen.
De kerk is oud. Hoge ramen in witte muren. Aan weerszijden staan de hoge banken met de wapens van de vele adellijke families uit de streek. In de muur direct achter de preekstoel bevinden zich twee deuren direct naast elkaar, waar zondags de ouderlingen en diakenen door naar binnen komen. Nu rijden vier dochters van de overledene de baar door de ingang onder de toren naar binnen. Een van hen spreekt een ‘in memoriam’ uit, een ander leest een gedicht voor van de negentiende-eeuwse predikant J. J. van Oosterzee, verzen over de brief op dorrend blad die de dood hem heeft geschreven, maar die eindigen met de regel: ‘En – Dood! Waar blijft uw zegepraal?’
Ook Wim van Amerongen voert het woord. Hij schreef het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg, een persoonlijk verslag van zijn zoektocht naar sporen van de dichter in zijn geboortestreek. Henk Achterberg was een van zijn belangrijkste informanten geweest. Via het boek van Van Amerongen heb ik Henk Achterberg leren kennen en sympathie voor hem opgevat. Hij oogde gul en welgemoed op de foto’s in Van Amerongens boek. Hij had gevoel en liefde voor taal, wat in de familie veel voorkwam, had hij Van Amerongen ‘bijna vergoelijkend’ verteld. Hij had zijn vrouw zeer lief gehad. Op zijn zestiende schreef hij een gedicht over dat hij tot aan zijn overlijden als een hommage aan haar boven zijn bed had hangen. ‘O goede moeder, sterke boerenvrouw / stil als een zonnestraal / verglijdt uw leven./ Gij hoort geen uren slaan./ Uw naam is trouw / en alles wat gij doet, is geven.’/ Hij heeft veel betekend voor allen die hem hebben gekend, zoveel wordt tijdens deze dienst wel duidelijk. Een pater familias, een oprecht christenmens, die een grote lege plaats zal achterlaten in het leven van deze uitgebreide familie.

(Henk Achterberg, midden, met links Wim van Amerongen, auteur van het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg)
‘En aldaar zal geen nacht zijn’. Deze woorden uit het laatste hoofdstuk van de Bijbel stonden op de rouwkaart en daarover gaat de preek van de jonge dominee Barth. Genade, had Henk Achterberg tegen de dominee gezegd, kun je het beste omschrijven als ‘gratie met behoud van recht’. God is genadig, niet door aan de zonden voorbij te zien maar door ze te straffen in het lijden en de dood van Zijn Zoon. Over het leven is immers een nacht gevallen, de schaduw van de zonde die zich uitstrekt tot de dood. Maar God zal deze nacht verdrijven. Zoals Jezus’ eerste komst de gratie heeft gebracht, zo zal Zijn tweede komst het licht van de eeuwige dag brengen. Wij leven tussen die twee komsten in, en nu is het van tweeën één, hebben wij of de nacht van de zonde lief of het licht van God. Henk was een kind van Gods gratie en licht geweest.
Het is koud en grijs, deze maandagmiddag, de in het vooruitzicht gestelde zon, die hier van rijke symbolische betekenis zou zijn geweest, blijft verborgen. Op de dodenakker denk ik aan ds. J. T. (Ko) Doornenbal (1909 – 1975), de vriend van Gerrit Achterberg. Hij groeide op in het naburige Doorn en kerkte in zijn jeugd geregeld hier in de Hervormde Kerk van Langbroek (soms ook wel in het oud-gereformeerde kerkje dat verderop langs de provinciale weg staat, wat verworpen een meter of tien van de straatkant af). Ko was ook een boerenzoon, en dichterlijk aangelegd. De Achterbergen en de Doornenballen zijn zelfs verwant. Op de begraafplaats zie ik de grafsteen van Rijk Achterberg en zijn vrouw Marrigje Doornenbal. Marrigje was een zuster van de vader van ds. Doornenbal, Rijk was een neef van de vader van Gerrit en Henk. Doornenbal was bij de begrafenis van Gerrit en sprak het Onze Vader uit in huis en aan het graf, en hij was bij de begrafenis van de oude Hendrik, die samen met zijn vrouw Pietje ook hier op de Langbroekse dodenakker begraven ligt. Ook deze Hendrik werd 93 jaar oud. 'De winterwind woei koud over het kerkhof met de vele zerken en grafstenen van de oude adellijke en boerengeslachten die hier begraven liggen', schreef Doornenbal in 1968. 'Gerrit Achterberg heeft, vooral in zijn latere jaren, de band die hem met zijn vader verbond steeds nauwer gevoeld, en al vaker vond hij de weg naar de ouderlijke woning Klein Jagersteyn aan de Langbroeker Wetering. Het is nu voorbij, zoals zo veel. Huiverende kou over het kerkhof en de grafzerken. "Afgeschreven op een steen".' Zelf ligt Doornenbal een kilometer of wat verderop begraven, in Doorn, naast zijn ouders. Henk wordt ter aarde besteld in hetzelfde graf als zijn vrouw Francien, naast de twee kinderen die hen ontvielen.
‘De laatste Achterberg’, zo noemt Van Amerongen hem in de kerk. Wie zich in de levensloop van Henk verdiept, in zijn gaven van hoofd en hart, vraagt zich bijna als vanzelf af of deze man niet – net als Doornenbal – een leven vertegenwoordigde dat verdwijnt. Een eenvoudig, christelijk leven naar hervormde snit, dat zonder veel tierelantijnen leeft uit gratie en licht en dat vooral gééft. Dominee Barth spreekt over de erfenis van Henk Achterberg. Die moeten we wel ontvangen en niet verkwanselen maar bewaren en ook weer doorgeven. Tot de tweede komst. Misschien nog wel tot in het vijfde geslacht.

PS: De door Doornenbal geciteerde woorden 'Afgeschreven op een steen' zijn ontleend aan het gedicht 'Deïsme' van Gerrit Achterberg (VG 922): 'De mens is voor een tijd een plaats van God./ Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen,/ dan wordt hij afgeschreven op een steen.'
Subscribe to:
Posts (Atom)