31.10.12

Elsevier-column over 'paarse' Rutte uit juli 2010



Enkele jaren geleden, in 2005, hebben (aspirant-)politici enkele zondagen in het geheim bij elkaar gezeten in een bijeenkomst die zij zelf het Veere beraad noemden. Jort Kelder, de oud-hoofdredacteur van Quote, was erbij, evenals oud-PvdA-politicus Rob Oudkerk, wiens carrière toen net gebroken was door onthullingen over zijn prostitutiebezoek. Ook Mark Rutte deed mee, de VVD-aanvoerder die nu met Job Cohen, Alexander Pechtold en Femke Halsema een Paars-plus kabinet wil formeren.

We weten nu pas van dit Veere beraad omdat Rob Oudkerk het vorige week in een interview met het weekblad HP/De Tijd heeft onthuld.P/HP H   De heren kwamen bijeen omdat ze graag een ‘progressieve volkspartij’ wilden oprichten. Rutte – ‘mijn lieve Mark’ zoals Oudkerk hem noemt - wilde uiteindelijk niet mee doen, omdat hij de plannen voor een progressieve volkspartij binnen de VVD wilde realiseren. Nu Rutte de verkiezingen heeft gewonnen, zit hij op de positie waar hij in 2005 van droomde, en daar maakt Oudkerk ‘een diepe buiging’ voor.

Vanuit een journalistiek oogpunt is zo’n interview met Oudkerk natuurlijk erg interessant. Maar het is ook schokkend, inhoudelijk. Rutte heeft zich in de laatste verkiezingscampagne nadrukkelijk geprofileerd als een rechts politicus. Hij sprak strenge taal over immigratie en integratie. Kansarme mensen kwamen wat hem betreft het land niet meer binnen. Net zo kritisch waren zijn uitspraken over ontwikkelingssamenwerking, en vooral, over de noodzaak om te bezuinigen. Bezuinigingen waren eigenlijk alleen bij de VVD in goede handen. Zeker niet bij de PVV, de partij van Geert Wilders die op sociaal-economisch terrein eigenlijk heel erg links was geworden. En al helemaal niet bij de PvdA, de partij die een verkiezingsprogramma schreef dat volgens Rutte eigenlijk ‘de langste zelfmoordbrief uit de geschiedenis’ was.

Met dat rechtse programma heeft Rutte de verkiezingen gewonnen. Rutte zei daarna dat hij het liefst een kabinet over rechts wilde gaan leiden, met de PVV en het CDA dus. Tot inhoudelijke onderhandelingen is het echter niet gekomen. CDA-leider Verhagen zei dat VVD en PVV het eerst over belangrijke rechtsstatelijke kwesties eens moesten zijn voordat hij wilde aanschuiven. Rutte heeft toen niet verder aangedrongen. Tijdens het Kamerdebat over de verkiezingsuitslag nodigde hij Wilders publiekelijk tot zeven maal toe uit om alsnog de gesprekken te openen. Maar Wilders was natuurlijk niet zo dom dat hij daarop in ging. Hij bleef zitten en heeft sindsdien gezwegen. Wilders heeft namelijk nog maar één doel, en dat zijn de volgende verkiezingen. Al denken Rutte en Verhagen en alle anderen dat ze het spel slim hebben gespeeld en dat de schuld voor het mislukken van een rechtse coalitie bij Wilders ligt. Niet in de optiek van (potentiële) PVV-stemmers.

De kansen van Wilders om de volgende verkiezingen te winnen nemen alleen maar toe nu Rutte de grote zwenking heeft gemaakt en is overgestapt naar het kamp van Paars-plus. ‘Laten we wel wezen: als Paars-plus er komt, hebben we over anderhalf jaar een premier met een blonde kuif’, zegt ook Oudkerk in genoemd interview.

Maar is er eigenlijk wel sprake van een grote zwenking bij Rutte of volgt hij in de keuze voor paars gewoon zijn hart, dat partijpolitiek nogal lichtzinnig is?

De onthullingen van Oudkerk roepen herinneringen op aan eerdere uitspraken van Rutte. Toen Rutte zich in maart 2006 als de nieuwe (kandidaat-)lijsttrekker presenteerde, nam hij nadrukkelijk afstand van het traditionele beeld van de VVD als de partij voor Wassenaarse dames met parelkettingen. De VVD moest ook de partij van de Marokkaanse buurtvaders worden. Hij bepleitte nog in 2004 een fusie met D66, en vond nog in 2000 dat de VVD onder (nota bene) Joris Voorhoeve te rechts en te populistisch was. Rutte is in 2007 een week gasthoofdredacteur van het (ter ziele gegane) weekblad Opinio geweest. Nadat de onderwerpen voor het nummer waren vastgesteld, vroeg een redacteur zo langs zijn neus weg of Rutte niet iets kwijt wilde over immigratie en integratie. Dat was helemaal niet nodig, zei Rutte, want met personen als Bolkestein en Rita Verdonk wist de kiezer wel wat hij wat dat betreft aan de VVD had. De opmerking van de redacteur dat die kiezer hem op dit onderwerp wellicht vooral met Hans Dijkstal associeerde, werd lachend weggewuifd.

Zijn campagneteam heeft Rutte begin dit jaar waarschijnlijk uitgelegd dat hij toch iets moest doen met dat onderwerp. Nu Rutte weer wat vrijer is, blijken zijn rechtse uitspraken een uit het hoofd geleerd lesje te zijn geweest. Een lesje waarmee de kiezer die een fatsoenlijk rechts beleid wilde, in de val van sociaal-liberale stagnatie is getuind.
 
[Oorspronkelijk verschenen in Elsevier, week 28, 2010]

26.10.12

De Volkskrant over het Christelijk Conservatief Beraad


Conservatief Beraad: aarzel toch niet over die 'C' van CDA

VAN ONZE VERSLAGGEVER RON MEERHOF − 26/10/12, 00:00

DEN HAAG - Of de duvel ermee speelt: belegt het Christelijk Conservatief Beraad (CCB) een van haar zeldzame bijeenkomsten, congresseert op dezelfde dag enkele tientallen kilometers verderop het CDA! Jammer, heel jammer, zegt CCB-voorzitter Eddy Bilder. 'Wij zouden juist nu, júíst voor het CDA iets kunnen betekenen.'

Het CDA gaat het zaterdag in Rotterdam hebben over de zoveelste verkiezingsnederlaag, hoe dat komt en wat eraan te doen is. Maar de echte antwoorden zullen te beluisteren zijn in de voormalige synagoge in Gouda, verwachten Bilder en zijn geestesgenoten. Eerst en vooral: Hou eens op met dat geaarzel over die 'C' van CDA. Die staat voor christelijk en voor niks anders.

Het CDA moet daar weer voor uit durven komen, betoogt bijvoorbeeld Bart-Jan Spruyt, mede-oprichter en bestuurslid van het CCB. 'Het CDA moet zich opnieuw oriënteren op de christelijke wortels en op het conservatisme. Straal uit dat de eigen natie boven Europa gaat en dat de eigen identiteit verkieslijk is boven een multiculturele samenleving. Dat soort dingen. Langs zo'n weg kan het CDA weer de fatsoenlijk rechtse, conservatieve volkspartij van weleer worden.'

Journalist, publicist en dwarsdenkend intellectueel Spruyt is al jaren een luis in de pels van rechts en confessioneel Nederland. Tien jaar terug richtte hij de Edmund Burke Stichting op, met als doel het gedachtengoed van die aartsvader van het conservatisme te verspreiden. De ambitie om dat ideaal ook politiek te verwezenlijken leidde tot een flirt met Geert Wilders die al snel in desillusie eindigde.

De presentatie van een boek van zijn hand over de Veluwse dominee Doornenbal, Wie eenmaal heeft liefgehad, leidde in 2009 tot het CCB. 'Er kwamen zomaar 300 mensen opdagen!', zegt Spruyt. 'De sfeer was zo goed dat we besloten dat we vaker bij elkaar wilden komen.' Politieke ambities heeft het beraad niet, zegt Spruyt. Maar invloed uitoefenen middels goede ideeën is bepaald niet verboden. Daar zou het CDA zijn voordeel mee moeten doen, vindt Spruyt.

'Zoals de naam al zegt: we beraden ons', zegt Bilder. 'In huiskamers en één tot tweemaal jaarlijks op een congres. Een kerk vol mensen, tussen de honderd en de tweehonderd, die discussiëren over de rol van christenen in de samenleving en wat het betekent conservatief te zijn. Moeten we ons terugtrekken in de eigen kring, zoals de gereformeerde gezindte vaak geneigd is te doen, en dan onze waarden in relatieve afzondering voorleven in de hoop dat dit navolging vindt? Of moeten we ons actief mengen in de samenleving om die actief van de waarde van ons gedachtengoed te overtuigen? Dat soort vragen.'

Sprekers zijn zaterdag onder anderen dominee Huib Klink, tweelingbroer van de voormalige CDA-minister Ab Klink, CU-Kamerlid Gert-Jan Segers en CDA-Kamerlid Sander de Rouwe. 'Maar die laatste heeft zojuist moeten afzeggen', zegt Bilder spijtig. 'Hij moet écht aanwezig zijn op zijn eigen congres. Er is niks aan te doen. Er zit geen kwaaiigheid achter. Het CDA was nu eenmaal erg laat met het vaststellen van een datum.'

 

31.1.12

Studiedag over 'Gezin en beschaving'

De Edmund Burke Stichting organiseert op zaterdag 11 februari a.s. een bijeenkomst over het thema Family and Civilization, naar het bekende boek van de Harvard socioloog Carle Zimmerman (dat is uitgegeven door onze vrienden van ISI). De bijeenkomst staat open voor studenten, promovendi en young professionals. Aanmelden door toezending van brief en CV aan info@burkestichting.nl

30.1.12

Ds. L. Kievit in Putten (1945)

De razzia die het Veluwse dorp Putten in oktober 1944 zo heeft geschonden en ontredderd, is een van de meest tragische gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Het verzet pleegde in de nacht van zaterdag 30 september op zondag 1 oktober 1944 een aanslag op een passerende auto met Duitse militairen. Eén Duitse officier kwam daarbij om het leven. De Duitsers namen diezelfde nacht nog wraak door Putten te omsingelen en daarna meedogenloze vergeldingsmaatregelen te treffen. Ruim honderd woningen werden in brand gestoken, zes mannen en een jonge vrouw doodgeschoten, en 660 mannen werden vanuit de hervormde Oude Kerk afgevoerd naar het concentratiekamp Neuengamme, waarvandaan zij naar verschillende andere kampen werden getransporteerd.

Na de oorlog, die voor Putten op 18 april 1945 eindigde, keerden slechts 48 mannen naar Putten terug, van wie er vijf kort daarna alsnog overleden. Het dorp rouwde om 552 doden, en telde 308 weduwen en 667 weeskinderen. Hoe hun mannen en vaders aan hun einde waren gekomen, wisten de nabestaanden vaak niet eens. ‘Er is zoveel geleden in Putten, dat achterbleef na de oorlog als een dorp van weduwen’, schreef ds. J. T. Doornenbal. ‘Als een akker is Putten geploegd geworden’ (Overpeinzingen van een pelgrim, 3e dr., 1995, p. 276).







Putten was een hervormd dorp. Tachtig procent van de bevolking behoorde tot de Nederlandse Hervormde Kerk, de Christelijk-Historische Unie was de grootste partij. In oktober 1944 was de hervormde gemeente vacant. Ds. C. B. Holland (1878-1948) had zich in 1930 aan de gemeente verbonden, en was in mei 1944 (tegen zijn zin) met emeritaat gegaan. Hij bleef hulpprediker maar kreeg lange tijd geen opvolger. Holland stond op 10 mei 1945, Hemelvaartsdag, voor de zware opgave om een eerste dodenlijst met 187 namen in een halfduistere dorpskerk voor te lezen aan een wanhopige schare die sinds 1 oktober 1944 niets meer over het lot van de weggevoerden had vernomen. In de dagen daarna bezocht hij vele families en gezinnen, tot het hem fysiek te zwaar werd en hij in de herfst van 1945 zijn hulppredikerschap om gezondheidsredenen moest neerleggen.

Putten had inmiddels een nieuwe herder en leraar gekregen in de persoon van ds. Leendert Kievit (1918-1990), die in augustus 1945 door zijn vader, ds. Izaäk Kievit, aan de gemeente was verbonden. Kievit jr. kwam van Schoonrewoerd. Enkele jaren na het overlijden van ds. Holland verscheen er een bundel preken van hem in druk, met een voorwoord van ds. L. Kievit. Hij prees zijn voorganger daarin als een man wiens uitspraken ‘even kras als raak’ waren geweest, ‘zonder iemand te sparen en recht op de man af. Zijn woorden hadden het gewicht der waarheid en nooit zwichtte hij voor menselijke weerstand’. Ds. Holland had voor het Woord gebeefd en uit dat Woord geleefd (Licht en leiding, 1950).

L. Kievit (1918-1990) zal voor vele lezers van Ecclesia geen onbekende zijn. Bij zijn overlijden hebben dr. W. Aalders en dr. M. Verduin hem in deze kolommen met sympathie en waardering herdacht. Verduin haalde vooral de levendige, reformatorische prediking van Kievit naar voren, waarbij de ‘trouw van God in de geslachten’ centraal stond en de hoorders ‘zonder omhaal van woorden oog in oog werden gezet met Christus’. Kievit was een belezen theoloog met een uitzonderlijk taalgevoel, en tegelijk een ‘man met een diepe pastorale bewogenheid’. Aalders tekende hem als een ‘fijnzinnig en artistiek mens’, ook als ‘de man uit Baarn’, de gentleman uit het oude villadorp, ‘de uitwonende, weggetrokken uit de idylle van zijn jeugd, uit zijns vaders huis, uit zijn land en maagschap.’

Zijn vader Izaäk Kievit (1887-1954) was sinds 1923 tot aan zijn emeritaat in 1952 predikant in Baarn en was een grote in het kerkelijke Israël. Hij had eigenlijk, als professor Hugo Visscher zijn zin had gekregen, moeten promoveren op de relatie tussen de filosoof René Descartes (1596-1650) en de gereformeerde theologie, en als hij dat had gedaan had Kievit sr. zijn grote gaven van hoofd en hart ongetwijfeld op een leerstoel kwijt gekund. Maar hij werd predikant. Wel heeft hij in Baarn jarenlang een contio geleid, waarbij hij theologische lezingen verzorgde voor een groep jonge predikanten die daar voor de rest van hun leven door gevormd zijn. Die kring was ontstaan doordat Kievit jr. en zijn jeugdvriend P. C. (Piet) Kuiper, de later zo beroemd geworden psychiater, als Utrechtse studenten vrienden mee naar huis namen om met Kievit sr. over tal van onderwerpen van gedachten te wisselen. Als gymnasiasten hadden Kievit jr. en Kuiper al onder leiding van Kievit sr. het werk van de filosoof Immanuël Kant gelezen, en als student in de geneeskunde (psychiatrie) heeft Kuiper meer dan eens bijdragen aan de bijeenkomsten geleverd over onderwerpen op het raakvlak van psychologie en theologie.

Tot de bezoekers van de maandelijkse Baarnse contio’s behoorde ook de bekende, reeds genoemde ds. J. T. Doornenbal (1909-1975). Hij beschouwde zich als een geestelijke zoon van ds. I. Kievit en was levenslang bevriend met ds. L. Kievit, die hij vooral bewonderde om zijn manier van preken. Nadat hij de preek had gehoord waarmee Kievit jr. ds. C. Balke in 1956 als zendingspredikant bevestigde, schreef Doornenbal: ‘zoals hij ’t kan, kan niemand het, zo fris en levendig en tegelijk zo zuiver. Mijn oude, dorre hart wordt altijd verkwikt onder zijn woord en verwarmd door het vuur van zijn geest. Hij weet de dingen zo treffend te zeggen en zo helemaal op zijn eigen manier: “Vader Balke heeft vier zoons, en hij moet er minstens één afstaan. God heeft maar één Zoon en Hij gaf Hem …”’ (Pastorale pennevruchten, 1994, pp. 38-39).





Maar goed, dit is allemaal gezegd en geschreven over de man ds. Kievit, die na zijn periode in Putten (1945-1952) nog predikant is geweest in Woerden, opnieuw Putten, Leiden en Gouda. Toen hij zich in augustus 1945 aan de gemeente van Putten verbond, was Kievit een jonge man, 27 jaar oud, en stond hij voor de taak een getraumatiseerde gemeente en gemeenschap te troosten en te leiden door de verkondiging van het Woord van God. Hoe kun je in die situatie het heil en de troost van het Evangelie uitdragen, zonder de genade door clichés en dooddoeners goedkoop te maken? Jaren later erkende Kievit in een interview met het opinieweekblad De Tijd (6 januari 1978) dat hij het er erg moeilijk mee had gehad. ‘Ik moet eerlijk zeggen: ik had er natuurlijk geen woorden voor. Het is onmogelijk in die omstandigheden aan te komen met: het zal wel ergens goed voor zijn, je zult het wel verdiend hebben, of: na regen komt zonneschijn. Het worden allemaal banaliteiten.’ Velen vonden in Putten steun in hun geloof in God, zoals ook de weggevoerde Puttenaren die hadden gevonden. ‘Eén overlevende zei: Je had in het kamp maar één keus: je moest je vasthouden aan God of aan het prikkeldraad’. Maar er waren ook Puttenaren die met hun vuist op tafel sloegen en met de kerk braken. Kievits eigen dienstmeisje verliet de kamer wanneer Kievit uit de Bijbel begon voor te lezen. ‘Ze had een broer verloren en zei: “dat kan ik niet meer horen dominee”.’ Voor Kievit zelf was het ‘een worsteling’ geweest. Dat betrof niet alleen de herdenkingsdiensten die hij in oktober 1945 moest leiden, zo kort na zijn bevestiging in Putten, maar ook de jaren daarna, toen hij iedere avond om zeven uur via eenzelfde route door het dorp liep om de vaderloze kinderen naar binnen en naar bed te jagen.

Bovendien moest hij natuurlijk pastorale bezoeken afleggen aan vrouwen die hun man en/of hun zoons hadden verloren. Zijn ‘verschrikkelijkste ervaring’, de ontmoeting die de diepste indruk op hem maakte, was een huisbezoek dat hij samen met een ouderling aflegde. (Kievit heeft niet alleen in De Tijd van dit voorval verhaald, maar ook in een herdenkingstoespraak die hij op 2 oktober 1984 in Putten heeft gehouden en die in De Waarheidsvriend van 11 oktober 1984 is gepubliceerd). De naam van die ouderling was Dirk Schuitemaker en hij had zijn twee zoons verloren, Cornelis van 20 jaar oud en Gerrit van 22 jaar oud. Bij de onthulling van het standbeeld van de vrouw van Putten op 1 oktober 1949 was deze Schuitemaker voorgesteld aan koningin Juliana, die hem had gevraagd hoe hij door zoveel leed had kunnen doorkomen. Schuitemaker had geantwoord dat hij dat nooit had gekund wanneer hij niet had geweten dat God de Heere Zijn toevlucht en troost was geweest. Om daar in liefde tegenover de getroffen koningin de vraag aan toe te voegen of zij daar nu zelf ook iets van mocht kennen.







Met deze man ging Kievit op huisbezoek. In sommige straten moesten ze hun bezoeken huis aan huis afleggen. Ze kwamen ook bij een vrouw die haar man kort voor de oorlog had verloren, van wie één zoon ver weg was gegaan en van wie nog één zoon bij haar thuis woonde. Tijdens het bezoek sloeg zij plotseling het vloerkleed weg, liet een luik zien, en zei: ‘Hieronder zat mijn zoon verscholen. Ik heb hem er haast aan z’n haren moeten uittrekken. Ik heb hem gezegd: je moet je melden en doe het nu maar, want de Duitsers hebben gezegd dat ze het hele dorp platbranden en dan verbrand je hier levend. Hij is gegaan en ik heb hem nooit meer teruggezien. Het huis is niet afgebrand. Kunnen jullie zoiets begrijpen?’, riep ze. ‘Ik hoor haar nog schreeuwen’, zei Kievit dertig jaar later in het interview met De Tijd.
Ds. Kievit probeerde wat te zeggen maar de vrouw zei tegen hem: ‘Och man, je bent nog zo jong en je hebt niks meegemaakt.’ Schuitemaker had tot dan gezwegen, maar nu boog hij zich wat voorover en zei voor het eerst wat. ‘Vrouw, heb ik ook niks meegemaakt?’ ‘Ja Dirk’, zei ze, ‘jij bent ook een jongen kwijt.’ ‘Ja twee’, zei hij toen. ‘En hoeveel had je er?’ ‘Twee.’ ‘O Dirk’, zei ze, ‘dat is haast nog erger. Twee jongens en twee kwiet, kun je dat begriepen?’ Toen zei Schuitemaker: ‘God had één Jongen en Hij wilde Hem kwijt voor jou en voor mij, voor jouw en mijn kinderen. Kun je dat begrijpen?’

Schuitemaker kon dat zeggen, omdat hij zelf immers zijn twee zonen had verloren. Als Kievit het had gezegd, ‘had dat niets betekend’, zei hij zelf. Bovendien had hij zelf ‘aan zoiets natuurlijk ook veel steun’. ‘Ik ben dat antwoord nooit vergeten, want Schuitemaker richtte zomaar het kruis op in het midden van het gesprek, in het midden van de nood en in het midden van de zorg. En dat alleen het kruis van de Heere Jezus Christus troost en rust kan bieden. En die vrouw, die nog nooit had kunnen huilen, een jaar later nog niet, barstte in snikken uit en zei: “Daar heb ik niet aan gedacht”.’ Zoals uit het hierboven gegeven citaat van ds. Doornenbal bleek, gebruikte Kievit het beeld van een vader die zijn zoon moest afstaan zelf ook in de bevestigingsdienst van ds. C. Balke als zendingspredikant. ‘De Heere had er Zijn Zoon voor over. En Hij had er maar één. Vader Balke heeft er vijf. Hij heeft er één voor over, gelukkig, om de zaligheid Gods bekend te maken onder de heidenen. Maar God had er, in geheel eenige zin, Zijn eigen lieve Zoon voor over. En u weet wel wat dat gekost heeft. Daar kunnen wij ons geen voorstelling van maken’ (Gods weg met de heidenen, pp. 259-260; Doornenbal had zich dus één zoon verrekend).

Voor het interview met De Tijd uit januari 1978 was een concrete aanleiding. De VARA had kort daarvoor een TV-documentaire over de gebeurtenissen van oktober 1944 uitgezonden (Putten op de Veluwe, het spoor terug naar de tragedie van 1944). Die documentaire was niet geheel onverdienstelijk, maar had een bedenkelijke leidraad: dat zoveel Puttenaren in de kampen om het leven waren gekomen, kwam door hun kerk en geloof. De gepredikte lijdzaamheid was een voedingsbodem van berusting en fatalisme geweest en had daarmee aan hun ondergang bijgedragen. Puttenaren geloofden dat alles was voorbeschikt, dat alles ging zoals het moest gaan en dat het daarom geen enkele zin had je tegen je lot te verzetten.

De Puttenaren waren nogal ontstemd over de documentaire. Niet alleen omdat oude wonden werden opengereten, maar vooral vanwege de verkeerde voorstelling van zaken, die, dachten ze, vanuit een anti-kerkelijk vooroordeel moest zijn gegeven. Kievit riep tegenover deze beeldvorming in herinnering dat Putten zich in de oorlog alles behalve passief had opgesteld. Putten had vele onderduikers geherbergd, er waren hier wapendroppings vanuit Engeland geweest en Putten had meegewerkt aan vluchtlijnen voor Engelse vliegers. En van het ‘stomme lot’ had hij nooit gesproken. ‘Wanneer je ervan uitgaat dat het van God komt, kun je er tenminste nog iets mee doen, meer dan met dat stomme lot. Tot God kun je bidden, je kunt met Hem praten, je kunt Hem zoeken. Er blijft natuurlijk iets raadselachtigs in, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Een ander kun je niet aanpraten dat zoiets van God komt maar het is natuurlijk wel een Bijbels gegeven. God slaat en God straft en dan worden veel mensen boos.’

Hoezeer de houding van Kievit verschilde van het beeld dat in de documentaire werd geschetst, blijkt vooral uit de preken die hij in 1945 in Putten heeft gehouden, met name uit zijn intredepreek over Jesaja 61:2c (26 augustus 1945) en de twee preken over Job 5 die hij een jaar na de deportatie heeft uitgesproken (2 oktober 1945). In deze preken is geen spoor van valse lijdelijkheid. Het Evangelie is er niet om ‘alle noden en zorgen op de bodem van een weemoedig hart te laten liggen’. En de preken zijn al evenmin een filosofische poging om een theodicee (rechtvaardiging van het Godsbestuur) in elkaar te knutselen. ‘In het boek Job gaat het niet om de oplossing van een raadsel, doch om de onthulling van het Heilige.’ De preken zijn pastoraal en ontdekkend tegelijkertijd, en doen precies wat Schuitemaker deed in het gesprek met die weduwe: zij richten het kruis op in het midden van alle vragen, nood en zorg, en wijzen de weg naar de troost en rust in de Heere Jezus Christus.

In de intredepreek stelde Kievit de vraag aan de orde waarom God hem naar het geteisterde, in leed en rouw gedompelde Putten had gezonden. ‘Wat trekt mij aan in u, wat beweegt de Heere tot u?’ Het was, met het woord uit Jesaja, om de treurigen te troosten. Maar helaas is onze troost vaak niet meer dan ‘een doek van ijdele woorden’ die over de put van de smart wordt gespreid, terwijl die smart daaronder nog even zwart blijft gapen. Onze troost is onmachtig, ‘een spiegelgevecht met de smart. Meer niet.’ Troosten kan daarom niet anders zijn dan de Knecht des Heeren, de Messias, die in deze wereld gezonden is om de treurigen te troosten, aan de gemeente voor te stellen.

In de eerste preek over Job (hoofdstuk 5, vers 8-9) benadrukt Kievit dat God het was die Putten heeft bezocht. ‘Hij schreed door uw midden, onaantastbaar in majesteit, schrikkelijk in gerichten, omfloerst door donkerheid.’ Het komt erop aan onder dat ‘hoge bezoek’ te buigen, en dan niet alleen ‘onder God maar ook bij God’ te komen. ‘Wat gij opkropt, dat knauwt u voortdurend. Het geeft zulk een opluchting als ge er eens over praat. Welnu, praat er eens met de Heere over, zo raad ik u. Beter adres is er immers niet.’ De God van het Woord is niet de afgod van de stugge stilte waartegenover slechts stomme gelatenheid past.

In de tweede preek over Job (hoofdstuk 5, vers 17-18) gaat het over het geluk van de mens die door God wordt bestraft. Want God doet smart en Hij verbindt, Hij doorwondt en Zijn handen helen. Niets is zo erg als wanneer God niet meer spreekt en Zijn hand aftrekt. Daar hebben we het wel naar gemaakt. Maar nu straft Hij nog om te behouden. God is geen zachte heelmeester, aldus Kievit. ‘Hij doet smart aan, Hij doorwondt. Ja, dat wordt niet verdoezeld, het is smartelijk. Wij worden niet slechts lichtelijk gekwetst, maar vreselijk doorkerfd, letterlijk verbrijzeld. Bloedig gaapt de wonde, uiteengereten is het hart, niets minder. De Almachtige is niet zachtzinnig, de smart vlijmt door de ziel. Hij hanteert het mes meesterlijk, zonder aarzeling. Een ruw handwerk, dat opereren? Ach nee, iedere hardvochtigheid is Hem vreemd. De Almachtige is Israëls Heelmeester. Het móet. Zijn hand beeft niet, maar Zijn hart trilt van ontferming. Hij, Hij doet smart aan en doorwondt, Hij de Heelmeester. Dat maakt het draaglijk, dat geeft kracht, dat geeft verwachting. Zijn kastijding is nooit ten dode, doch ten leven. Zij is nooit onverdiend of overbodig, zij is nooit zonder einde en zonder doel. Wie Hij onder handen neemt, zal Hij behandelen, en daarin willen wij Hem loven.’

Deze enkele citaten laten duidelijk genoeg zien op welk een geestelijke en pastorale wijze ds. Kievit in die moeilijke periode gezouten woorden van heil en troost vanuit het Evangelie aan de rouwende Puttenaren heeft mogen spreken. Blijkbaar heeft deze prediking ook een helende uitwerking gehad, kracht geschonken aan de Puttenaren om door te gaan en hun leven te herpakken, hun identiteit te hervinden en te behouden. Enkele jaren later maakte een groep van Puttenaren een reis naar de plaats in Duitsland waar veel afgevoerde mannen om het leven waren gekomen. ‘Toen wij in 1950’, vertelde Kievit in De Tijd, ‘voor het eerst een reis naar het kamp in Duitsland maakten en in Ladelund een gezamenlijke kerkdienst hielden met de Luthers-Evangelische kerk, die veel had gedaan voor het begraven van de slachtoffers en voor de registratie van de namen, zeiden sommige Puttenaren tegen me: u moet niet het Onze Vader bidden, want vergeven kan ik niet. Maar ze groeiden er toch naar toe en toen kon het wel. Zeer velen vonden juist in die tijd veel steun in hun geloof in God. De meesten zijn ook behoorlijk door al dat leed heen gekomen, ook al door de grote saamhorigheid en burenhulp over en weer.’


Ieder jaar worden de gebeurtenissen uit oktober 1944 in Putten herdacht. De thema’s uit de preken die Kievit zijn bovendien tijdloos – het lijden en het mysterie van Gods beproevingen en kastijdingen. Er is dus altijd goede reden om hierop terug te zien. Maar er is nu een extra reden, en die is gelegen in de publicatie van een theologische scriptie over de preken van ds. Kievit uit 1945. Deze sciptie, geschreven door de heer M. G. M. Mudde, biedt niet alleen een nieuwe editie van de drie belangrijke preken van ds. Kievit (over Jesaja 61 en Job 5) maar ook een analyse van de inhoud en een toelichting van de historische omstandigheden. Het boekje, dat van harte kan worden aanbevolen, heeft inmiddels al zoveel aftrek gevonden dat een tweede druk in voorbereiding is, dit keer met een bijdrage van prof. dr. W. Balke, die een goede vriend van zowel Kievit sr. als Kievit jr. is geweest. Wie het boekje wil bestellen kan zich in verbinding stellen met de auteur via dit emailadres: mudde-kievit@solcon.nl.

N.a.v. M. G. M. Mudde, Een goede raad en een grote troost. Onderzoek naar de preken van ds. L. Kievit na de Puttense razzia (1945-1952).


Dit artikel is eerder verschenen in het blad Ecclesia.

23.1.12

Om de ziel van het kind

Voorspellingen zijn altijd moeilijk, vooral vooraf. Wie had vroeg in 2002 kunnen denken dat ons land tien jaar lang in de ban zou raken van een ‘nieuwe politiek’ van rechtse populisten, die aanvankelijk werden weggelachen maar nu dan toch een blijvende positie in het Nederlandse parlement bemachtigd lijken te hebben? Ik kan me nog herinneren dat ik politieke journalisten tien jaar geleden in perscentrum Nieuwspoort weddenschappen zag afsluiten over de vraag wie de nieuwe premier zou worden: Dijkstal (VVD) of Melkert (PvdA). Korte tijd later waren ze definitief weg.

De komende jaren zullen ongetwijfeld vooral in het teken van de economische crisis staan. Maar daarnaast is er een thema waarvan ik denk – als ik mij eens aan een voorspelling mag wagen – dat het in de komende tijd een belangrijke rol gaat spelen in de maatschappelijke en politieke discussies in Nederland. En dat is het kind.





Een eerste teken was de prille discussie, vorig jaar voorjaar en zomer, over de rituele slacht en de besnijdenis. Eerst verscheen er een wat wild opiniestuk in de Volkskrant, geschreven door een voormalig fractiemedewerker van de VVD. De teneur van dat artikel was dat we nu eindelijk het barbaarse ritueel van de onverdoofde slacht hadden afgeschaft (dachten we toen nog) en dat we dan nu maar gelijk moesten doorpakken en de barbarij van de jongensbesnijdenis moesten verbieden.

Opmerkelijk genoeg kreeg dat stuk een vervolg in een opinieartikel van het artsengenootschap KNMG in Trouw, waarin eveneens de afschaffing van de jongensbesnijdenis werd bepleit. Het opmerkelijkst was de argumentatie. Het verbod moet er niet alleen komen omdat besnijdenis een vreselijke fysieke verminking is, maar ook omdat die in strijd is met de rechten van het kind (zoals vastgelegd in het kinderrechtenverdrag van de VN). Wie heeft het recht, welke vader of moeder, welke kerk heeft het recht om een kind vanaf de geboorte een identiteit op te leggen die dat kind levenslang met zich meedraagt en waarvoor het zelf niet heeft gekozen? (Uit een recent artikel in de Jerusalem Post wordt duidelijk dat leden van de Knesseth zich zorgen maken over de dreigende verboden op de rituele slacht en de besnijdenis in Europa).

De kwestie wat volwassenen met kinderen kunnen uitvreten en ze kunnen aandoen, heeft natuurlijk een gruwelijke urgentie gekregen door de weerzinwekkende smeerpijperij in sommige delen van de Rooms-Katholieke Kerk. Hoe kwetsbaar zijn kinderen! Waar zijn zij eigenlijk nog veilig?

In een vraaggesprek met Antoine Bodar, eind vorige maand uitgezonden, vertelde tv-presentator Paul Witteman waarom hij afscheid van zijn roomse jeugd heeft genomen. Op een gegeven moment maakte Witteman zich boos over dingen die in de naam van God in de dagelijkse praktijk gebeuren. Bodar dacht toen dat hij het over het seksueel misbruik had. Maar nee, zei Witteman, ‘ik bedoel dat kinderen vanaf hun zesde jaar worden volgestampt met ideeën, met de catechismus. We weten allemaal hoe dat later doorwerkt. Juist op die jonge leeftijd word je volgestampt met ideeën over God. Met plaatjes van een mooie man met lange haren of een heel lieve Maria die als moeder is afgebeeld. In mijn ogen krijg je dan een heel verwrongen beeld van hoe het leven, hoe de onderlinge menselijke verhoudingen in elkaar zitten. Daar heb ik later last van gehad. Ik vind dat je moet oppassen met kinderen, ze moeten zich in vrijheid kunnen ontwikkelen.’

Vergis ik mij of is dit een manier van denken, denken vanuit het recht van het kind op de keuze voor een eigen identiteit, die de komende jaren steeds meer zal worden ingebracht tegen de vrijheid van de religieuze opvoeding? Komt er een conflict om de ziel van het kind?

In een liberale opvoeding kies je zelf en kies je voor jezelf. Je hoeft nergens dankbaar voor te zijn en je nergens voor te schamen. In een christelijke opvoeding gaat het om de ziel van het kind dat tot het kwade geneigd is en dus moet leren dat er wel heel veel is om dankbaar voor te zijn en ook heel veel om je voor te schamen. De opvoeding is er om de ziel in te wijden in de liefde tot God, karakter en geweten te vormen, gematigdheid, wijsheid, zelfbeheersing bij te brengen.

In de christelijke traditie is hier prachtig over geschreven, door fijnzinnige geesten als F. W. Foerster en W. Aalders bijvoorbeeld. Maar hoe overtuigend is dat verhaal in een situatie waarin liberalen zich sterk maken voor de rechten van het kind tegenover een kerk die kinderzielen heeft verwoest?

(Deze column stond vrijdag 13 januari j.l. in het Nederlands Dagblad)

27.12.11

Kerstfeest met het CDA in Rotterdam

Vorige week bezocht ik een Kerstbijeenkomst van het CDA in Rotterdam. Hierbij het verslag dat ik schreef voor de website van Binnenlands Bestuur:



Het ontbrak er nog maar aan dat er sneeuw lag, maar verder was de idylle bijna compleet: een haventje met grachtenpanden die in de donkere avond heel gedistingeerd pittoresk stonden te wezen, en een oude, monumentale kerk waarvandaan de Pilgrim Fathers in 1620 naar Amerika vluchtten. Deze avond is de Pelgrimvaderskerk in Delfshaven gehuurd door het CDA Rotterdam voor een kerstviering.

Een oud-klasgenoot had er mij op geattendeerd. Na vele jaren hadden we samen geluncht en dierbare herinneringen opgehaald, en op de terugweg realiseerde ik mij dat ik dan toch echt met een heuse ARP’er had zitten eten. Afkomstig uit de Alblasserwaard van Aantjes, houdt hij in een mooi pak met manchetknopen als advocaat kantoor in het Groothandelsgebouw aan het Stationsplein, en spuwt hij zijn soep bijna uit wanneer de naam van Maxime Verhagen valt.

Zijn Rotterdamse CDA had de afgelopen jaren Iftarmaaltijden georganiseerd om de islamitische, vooral Turkse bewoners van de stad aan de partij te binden. Muzafter Cetin stond vijfde op de lijst maar is toch met voorkeurstemmen in de driemansfractie aan de Coolsingel gekozen. De sociaaldemocratische burgemeester Aboutaleb had de CDA’ers voor de vuist weg geattendeerd op de mogelijkheid om als christelijke partij niet alleen islamitische feesten te eren, maar bijvoorbeeld ook eens een Kerstbijeenkomst te beleggen. Ach ja, nu hij het had gezegd. De viering was vervolgens georganiseerd en ik was van harte welkom.

Het CDA in Rotterdam wil dus niet alleen openheid naar de (beoogde) islamitische achterban laten zien door Iftarmaaltijden te organiseren, maar ook de omgekeerde weg bewandelen: moslims uit Rotterdam uitnodigen om de traditie waaruit de christendemocratie is voortgekomen, de traditie van het christelijk geloof, te leren kennen.

De kerk was vol, dinsdagavond, en iedereen blij. Er was een kinderkoor dat vrolijke liedjes zong en een indrukwekkende gospelzangeres die een spetterende vertolking van Go tell it on the mountain ten beste gaf. De tekst werd al zingend enigszins aangepast: het was vooral de boodschap van het CDA die moest gaan schijnen, en wel ‘in your neighbourhood’.

Die boodschap van het CDA moet algemeen religieus begrepen worden. Het kerstverhaal staat niet alleen in de Bijbel maar ook in de Koran, speecht wethouder Hugo de Jonge. De kracht van dat verhaal schuilt in de boodschap van hoop en omzien naar elkaar, tegenover een helaas ook krachtig en aanstekelijk verhaal van cynisme en onverschilligheid dat zowel in Den Haag als aan de Coolsingel velen in zijn greep heeft. Maar met Obama moeten wij zeggen dat we are the ones we have been waiting for, om zo de boodschap van Kerst met elkaar waar te maken.

De vice-voorzitter van de partij, Leen La Rivière brengt hetzelfde verhaal. Kerst is het verhaal voor herders, dat wil zeggen voor maatschappelijk uitgestotenen. Het Kerstkind is geboren in een stal, als goddelijke handreiking aan de minder bedeelden die ook nu nog karig behuisd zijn. De drie wijzen vertegenwoordigen alle culturen op aarde. En als kind al moest Jezus met Zijn ouders naar Egypte vluchten, om ons daarmee te leren dat wij vluchtelingen moeten helpen. De boodschap is er dus één van vrede voor mensen die van goede wil zijn, en dat zijn wij toch, zo vraagt Leen de schare. En ze zijn het. Gospelzangeres Joany Muskiet hoeft de aanwezigen nauwelijks aan te moedigen om te gaan staan en haar klappend en heupwiegend te begeleiden.

Je kunt je niet goed voorstellen dat veel Rotterdamse CDA’ers een jaar geleden voor het gedoogakkoord met de PVV hebben gestemd.

De religieuze boodschap is bewust gekozen, vertelt fractievoorzitter Wubbo Tempel. Voorzitster Monique Vogelaar had het nog voorzichtig over de grondslag van christelijke waarden en normen en de zoektocht naar trefpunten met andere geloven en culturen. Maar Tempel benadrukt dat alle schroom deze avond afgegooid is en dat het CDA zich bewust wil profileren als een religieuze partij. Anders dan de broeders en zusters in Den Haag, waar wethouder Karsten Klein een gewetensbezwaarde ambtenaar heeft ontslagen. Het CDA Rotterdam heeft landelijke acties ten gunste van de rituele slacht ondersteund en vorige week nog het boek God in de stad aan burgemeester en wethouders en collega-raadsleden aangeboden. Want mensen vragen om identiteit, en het CDA wil die duidelijkheid op dit punt geven, zegt Tempel.

Het was een mooie, vreugdevolle avond, maar wie om zich heen keek zag vooral autochtone Rotterdammers en mensen afkomstig uit migrantenkerken. Onder de paar honderd aanwezigen waren er zeker niet meer dan vijf moslims.

Je zou er bijna cynisch van worden, als je dat durfde net na de speech van Hugo de Jonge. Een partij die door een PvdA-burgemeester van Marokkaansen huize aan haar wortels moet worden herinnerd strekt haar handen uit naar een geloofsgemeenschap die daar blijkbaar helemaal niet op zit te wachten.

Tempel stelt het zelf teleurgesteld vast. Het CDA wil een brug zijn, maar zij komen er niet overheen. De deceptie is begrijpelijk. Vooral omdat je je niet kunt voorstellen hoe het CDA zich in een alles behalve pittoresk Rotterdam als volkspartij kan handhaven zonder voor deze weg van algemene religiositeit te kiezen.

2.11.11

Derde bijeenkomst Christelijk Conservatief Beraad

Op zaterdag 19 november a.s. belegt het Christelijk Conservatief Beraad zijn derde bijeenkomst, in de voormalige synagoge in het centrum van Gouda, met Gerrit Holdijk als hoofdspreker en een sessie over onderwijs als vorming.






Hij is misschien wel de meest invloedrijke politicus van Nederland, mr. Gerrit Holdijk van de SGP. Zijn stem bepaalt immers of voorstellen van dit minderheidskabinet door de Eerste Kamer komen en uiteindelijk dus kracht van wet krijgen. Maar wie is hij eigenlijk, deze bedaarde, erudiete en eigenzinnige pijproker uit Uddel, die al enkele decennia op en rond het Binnenhof rondloopt zonder dat veel mensen hem hebben leren kennen? En hoe denkt hij precies, wat zijn zijn opvattingen en waardoor wordt hij geïnspireerd?





Het Christelijk Conservatief Beraad is er trots op dat Gerrit Holdijk op DV zaterdag 19 november a.s. de hoofdspreker op onze derde bijeenkomst wil zijn en zijn visie op politiek, recht en samenleving zal ontvouwen. Holdijk, die recent heeft gezegd dat hij zich het meest thuis voelt in de wereld van het christelijk conservatisme, zal spreken over het conservatisme, en daarbij vooral ingaan op de relatie tot het cultuurrecht.


Na de hoofdlezing van Holdijk is er een sessie over een onderwerp dat voor conservatieven van het grootste belang is. Conservatisme gaat over het culturele en morele fundament van de samenleving. Dat fundament bestaat uit waarden en deugden, die mensen door opvoeding en onderwijs worden bijgebracht. Onderwijs is dus niet zozeer het bijbrengen van kennis en vaardigheden, maar vorming. Maar wat bedoelen we nu precies wanneer we dat zeggen? Waarin bestaat die vorming, en hoe geef je daar gestalte aan in de onderwijspraktijk van alledag? Drie sprekers, mensen van de theorie en van de praktijk, zullen dit onderwerp behandelen: Ewald MacKay (Driestar), Henk Dijkgraaf (Universiteit Twente) en Richard Toes (Wartburg College).

We nodigen iedereen van harte uit deze gevarieerde bijeenkomst met ons mee te maken.

Wat? Derde bijeenkomst Christelijk Conservatief Beraad, met lezing van Gerrit Holdijk (SGP) en sessie over onderwijs als vorming
Wanneer? Zaterdag 19 november 2011, ’s morgens vanaf 10.00 uur tot ca. 15.00 uur
Waar? Gouda, Turfmarkt 23-25 (voormalige synagoge)
Aanmelden christelijkconservatief@gmail.com

24.10.11

Voetbal, vis en volle kerken

In het gemeentehuis van Katwijk is op 10 oktober j.l. het nieuwste boek van de historicus A. Th. van Deursen (1931) gepresenteerd. Dat boek behandelt de geschiedenis van Katwijk in de periode 1940-2005 en is getiteld: In Katwijk is alles anders: een christelijk dorp ontmoet de wereld, 1940-2005. Hieronder volgt de iets uitgebreide toespraak die B. J. Spruyt bij deze gelegenheid heeft gehouden. Deze toespraak is eerder gepubliceerd in het tweewekelijkse blad Ecclesia, het orgaan van de Vrienden van Kohlbrugge.






Professor Van Deursen is een internationaal gerenommeerd specialist op het gebied van de Nederlandse geschiedenis in de zestiende en zeventiende eeuw. Bij zijn naam denken we aan de Republiek en de Gereformeerde Kerk, aan bavianen, slijkgeuzen en stadhouders, aan het Binnenhof en aan Graft, aan de generaliteitskamer en de raad van State, aan mensen van klein vermogen en aan grote mannen als de Zwijger, Maurits en Michiel de Ruyter. Alhoewel zijn proefschrift over de Hugenoten in het Frankrijk van na de herroeping van het Edict van Nantes (1685) ging, heeft Van Deursen zich in zijn professionele leven aan maar één grote uitstap buiten het Nederland van de zestiende en zeventiende eeuw gewaagd: een geschiedenis van zijn Vrije Universiteit. En nu ligt er dit boek over de geschiedenis van Katwijk in de periode 1940-2005, vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog tot de vereniging met Rijnsburg en Valkenburg. Synodale acta en Algemeen Rijksarchief hebben in de noten plaats gemaakt voor het gemeentearchief en de Katwijkse Post.

We mogen dankbaar zijn dat dit boek er is. Het boek is in een aantal opzichten vintage Van Deursen, een Van Deursen op zijn best. Dat betreft in de eerste plaats de methode, het vakmatige en ambachtelijke: het verzamelen van een hoop losse gegevens, het aanbrengen daarna van structuur en samenhang, met als resultaat een beeld dat voorheen niet bestond.

Dat betreft ook de stijl, die dunne, bijna laconieke, korte zinnen die op de bladspiegel liggen te knisperen. Misschien geeft die stijl in dit boek wel meer dan in eerdere boeken uiting aan een onbekommerde vrolijkheid. Dat heeft ongetwijfeld met het onderwerp te maken. Van Deursen heeft eens gezegd dat hij best in het zeventiende-eeuwse Graft had willen wonen. In Katwijk is hij in 2006 komen wonen, en dat is hem ongetwijfeld goed bevallen. Dit dorp moet voor Van Deursen immers een ideale samenleving zijn, met toeristen die op regenachtige dagen bij de VVV kwamen vragen waar ze een sjoelbak konden lenen, en een zwembad dat zondags maar een paar uur open is om de kerken niet lastig te vallen.

Misschien dat die vereenzelviging ook de reden is waarom Van Deursen zich in dit boek meer persoonlijke ontboezemingen laat ontvallen dan voorheen. Als je in het buitenland een kerkdienst bezoekt, profiteer je daarvan het meest door mee te zingen, adviseert Van Deursen. We weten nu ook dat hij in de jaren zestig in Voorschoten woonde en dat daar in de kelder onder de gereformeerde kerk een danslokaal werd ingericht, en de manier waarop hij daarover schrijft doet ons niet vermoeden dat die vernieuwing zijn instemming had. Als hij over het cabaret in de grote zaal van Tripodia schrijft, voegt hij daaraan toe dat het hem moeite kost een rolverdeling weer te geven die hij niet anders dan als godslasterlijk kan beoordelen. Dat het Katwijkse dialect dreigt uit te sterven, vindt hij jammer. Hij verhaalt hoe hij met vijf Katwijkse mannen koffie drinkt en hoe zij hun interpretatie van het nieuws in de woorden van een christelijk lied gieten. En hij schrijft dat hij in dit raadhuis eens de woorden opving dat een huwelijk de afsluiting van acht jaar verkering was, en dat die bijna ontroerende woorden hem altijd zijn bijgebleven.

Dit boek is ook een Van Deursen op zijn best omdat het wordt doorgloeid door de liefde: liefde tot een geloof en een cultuur, en liefde tot mensen die onze nabije of verre, nog levende of al gestorven naasten zijn en aan wie dus recht moet worden gedaan. Het oeuvre van Van Deursen is het oeuvre van het liefdegebod. Aan dat gebod mat hij ook het werk van anderen af. Toen de Utrechtse germanist Jeroen Koch in 2006 een biografie over Abraham Kuyper publiceerde, schreef Van Deursen een vernietigende recensie van dat boek, dat hij typeerde als ‘een libertijns pamflet’. Het boek was mislukt omdat de auteur niet werkelijk tot zijn onderwerp was doorgedrongen en erop uit was geweest anderen expres te kwetsen. Zo’n boek kunnen we gevoeglijk ongelezen laten.

Valt er dan niets te zeuren over dit boek van Van Deursen? Jazeker, in het notenapparaat worden twee afkortingen gebruikt die niet in de lijst van afkortingen worden verklaard. Maar daar staat weer tegenover dat een foto van Maribel aan de Boulevard als het ware ter compensatie twee keer is afgedrukt.








Katwijk, dat is het dorp van voetbal, vis en volle kerken, zoals de plaatselijke arts J. H. ten Hove eens opmerkte. Vis, dat is hard werken en economische groei, de ontwikkeling van Katwijk van een wandeldorp tot een fietsdorp en tot een dorp met auto’s en snelle wegen. Die volle kerken waren vooral hervormde kerken en stonden garant voor een lange politieke dominantie van de CHU. De hervormden vielen uiteen in confessionelen en Gereformeerde Bonders en die maakten ruzie met elkaar, zozeer zelfs dat zij zich wel eens hebben afgevraagd of zij na afloop van een vergadering nog wel samen een dankgebed konden uitspreken. Die toestand heeft bestaan tot de komst in 1960 van ds. W. L. Tukker, die misschien wel de bisschop van de Hervormde kerk zou zijn geweest als die kerk een episcopale structuur had gehad. Nadat hij voor het eerst een vergadering van de kerkenraad had bijgewoond, kon hij al danken voor ‘de prettige sfeer en goede harmonie’. De komst van Tukker leidde ook tot groei van de SGP, die nog werd versterkt door het ontstaan van het CDA waarin de CHU minder goed zichtbaar werd. Aan de confessionele meerderheid deed dit natuurlijk geen afbreuk, en uit Van Deursens verhaal wordt vooral duidelijk hoe het CDA als verantwoordelijke middenpartij tussen SGP en VVV door gelaveerd heeft om alle vernieuwingen en ontwikkelingen in goede banen te leiden.

Vis en geloof, dat zijn zaken die we in een boek van Van Deursen verwachten. Maar hier verzeilen we ook, en dat is toch nieuw, in de sfeer van de jongensboeken van J. B. Schuil over Katjangs en A.F.C.’ers, wanneer Van Deursen drie pagina’s lang uitweidt over de ongekende prestaties van een zekere, nog heel jonge ‘Dicky Kuyt’ van de E1 van Quick Boys, die hun wedstrijden eind jaren tachtig ineens met een doelpunt of tien verschil begon te winnen. Kuijt verliet Katwijk voor grote profclubs en het Nederlands Elftal maar kwam terug om zijn huwelijk met Gertrude van Vuuren door ds. P. J. Stam te laten bevestigen.

Echt Van Deursen is tot slot de centrale vraag die hij in zijn boek aan de orde stelt. Hij beschrijft hoe een christelijk dorp de wereld ontmoet heeft, en vraagt zich af hoe christelijk Katwijk zal blijven nu het oude isolement doorbroken is, de secularisatie binnenkruipt, en vooral: nu die omringende wereld zich steeds nadrukkelijker met het leven in Katwijk zal bemoeien. Dat is onder de kabinetten Kok al begonnen, toen ook Katwijk een naaktstrand en bordeel moest toestaan. ‘Het werd Katwijk niet vergund een christelijke enclave te vormen op het grondgebied van een heidense natie’, stelt Van Deursen vast.

Katwijk heeft altijd een christelijke meerderheid gehad die met zijn minderheden zo goed mogelijk heeft willen omgaan – zoals ook Van Deursen zelf in zijn boek beide partijen aan bod heeft willen laten komen. Een rechtstaat is er immers om het zwakke tegen het sterke te beschermen. Nu de geestelijke vrijheid in Nederland steeds meer in het geding is, dat wil zeggen: nu een traditionele, door christelijke waarden gedragen tolerantie steeds meer moet inschikken voor de opgelegde uniformiteit van een seculiere gelijkheidsideologie, nu zullen de kerken, scholen en verenigingen in Katwijk steeds meer met Den Haag te maken krijgen. Er is op het Katwijkse gemeentehuis altijd één ambtenaar beschikbaar om een homohuwelijk te sluiten, en daarmee voldoet Katwijk aan de wet. Maar het is natuurlijk de vraag of dat voor een nieuwe paarse meerderheid genoeg zal zijn.

Van Deursen besluit zijn boek optimistisch: in Katwijk is niet meer alles anders, maar veel is toch anders gebleven. En zolang de Katwijkse gelovigen elke zondag op meer dan twintig plaatsen samenkomen, zal er zeker iets en misschien wel heel veel van het oude bewaard worden. Het boek van Van Deursen is dus de grote anti-Geert Mak. Geert Mak publiceerde in 1996 het boek Hoe God verdween uit Jorwerd, een boek over de modernisering van een dorp en de teloorgang van het christelijk geloof. Ik denk dat Van Deursen de titel van diens boek over Jorwerd waaruit God verdwenen zou zijn, al blasfemisch zal vinden. God verdwijnt niet, het is hooguit zo dat mensen Zijn aanwezigheid niet meer of steeds minder erkennen. In Katwijk gebeurt dat niet. Van Deursen heeft een boek geschreven over Hoe God in Katwijk aanwezig blijft.
Daar is veel geestverwantschap voor nodig. Van Deursen kent die gave in grote mate, al is hij van huis uit niet hervormd (al kerkt hij tegenwoordig wel hervormd) maar gereformeerd. Dat milieu was leergierig en ambitieus. De moeder van Van Deursen kwam uit een afgescheiden milieu in Friesland en bezocht alleen de lagere school. Maar toen de achtjarige Van Deursen haar eens vroeg of er nog keizers in de wereld waren, gaf ze onmiddellijk als antwoord: ‘Je hebt de keizer van Japan, de keizer van China is afgezet maar regeert nog over Mantsjoekwo, en de koning van Engeland voert de titel van keizer van India’. Hij vond dat toen vanzelfsprekend, maar later vervulde het hem met respect.

Nu is Van Deursen geen acht maar tachtig en ernstig ziek. Wat er dan nog valt te zeggen is door Van Deursen zelf gezegd in het interview uit 2006 waarin hij ook over zijn moeder vertelde. Gevraagd naar zijn geloof antwoordde hij: ‘Een kleine twee jaar geleden merkte ik dat ik er met mijn gezondheid niet zo goed aan toe was. Dan denk je: Ik ben op jaren gekomen, en moet nu het einde onder ogen zien, maar kan ik dat wel? Toen dacht ik aan Paulus’ brief aan de Filippensen: Ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dat is verreweg het beste. Dat kon ik hem nazeggen, en dat zeg ik nog, als het er echt op aankomt.’

15.10.11

Het kleine belang van de eigen kleine kring

Onderstaande column stond gisteren in het Nederlands Dagblad, en is geschreven n.a.v. het 40-jarig bestaan van het Reformatorisch Dagblad.


Het Reformatorisch Dagblad bestaat 40 jaar. Dat is natuurlijk een felicitatie waard, zeker van mij, voor wie het RD altijd meer dan een krant is geweest. Halverwege de jaren zeventig bezorgde ik de krant, in Boskoop, zo’n veertig stuks waarvoor dagelijks meer dan 10 kilometer moest worden gefietst. Het was toen al een klein hoopje, zogezegd. Erg kerks was het hervormde gezin waarin ik ben opgegroeid toentertijd niet, maar het verhaal in de Kerstbijlage van 1975 maakte zo’n diepe indruk op ons dat we daarna zijn gaan kerken in het naburige Waddinxveen, bij ds. W. Verboom, die later heel beroemd zou worden. Dit is echt gebeurd. Er zijn zelfs onlangs foto’s teruggevonden van de Kerstavond met moeder en kinderen en grootouders rond de krantenbijlage.

Later heb ik bij het RD gewerkt, zeven jaar lang als politiek redacteur. Tussen die Kerst en mijn indiensttreding waren inmiddels 20 jaar verstreken. Halverwege die periode was het proefschrift van C. S. L. Janse verschenen, de toenmalige hoofdredacteur van de krant. Dat boek (Bewaar het pand) heeft mij altijd droevig gestemd. In de eerste plaats omdat het verschijnen alleen al van dat boek mij een keerpunt leek: een moment in een emancipatieproces dat iedereen eigenlijk met zorg moest vervullen (dankzij dr. W. Aalders kenden we immers het boekje In heilige roeping van ds. J. C. Sikkel over de kwalijke gevolgen van de emancipatie in gereformeerde kring), maar niemand daadwerkelijk enige zorgen baarde. Er was eerder sprake van een soort trots, omdat we nu ook met mes en vork konden eten en geen boeren en vissers meer waren maar ict’ers en accountants in mooie auto’s.

In de tweede plaats omdat het boek een sociologisch proefschrift was waardoor het geloof van een bepaalde gemeenschap in uiterlijke kenmerken werd vastgelegd. Je had een groep, die gedroeg zich op een bepaalde manier, en had bepaalde eigenschappen. Zolang ze die eigenschappen behielden en zich op een bepaalde manier zouden blijven gedragen zouden zij als groep kunnen blijven bestaan. Niet assimileren maar persisteren. Het RD heeft zich sindsdien opgeworpen als de waarschuwende hoedster die een groep mensen bij een bepaalde levensstijl en bij bepaalde waarden heeft willen behouden.

Deze manier van denken is nu, wat mij betreft, geculmineerd in de uitspraken die belangrijke vertegenwoordigers van het RD onlangs in deze krant (van 1 oktober 2011) hebben gedaan. De mensen in Apeldoorn zijn er niet gerust op. De binding met de reformatorische zuil – de wereld van RD, SGP en Gereformeerde Gemeenten, van familiebladen en Banierboeken, Wegwijsbeurzen en Kliksafe – wordt langzaam maar zeker minder. Wat doe je in zo’n geval? Je kiest voor de sociologische oplossing. Mensen, weten directeur Bart Visser en de huidige hoofdredacteur Wim Kranendonk, willen nu eenmaal graag ergens bij horen. En dus gaat de Erdee Media Groep dingen bieden waar mensen bij willen horen. Het gaat om de groep. Het voortbestaan van de groep is het doel. Maar waarom eigenlijk? Dat antwoord weten ze in Apeldoorn niet meer te geven.

Ik vind deze reformatorische strategie schokkend. De eerste fout die hier wordt gemaakt, is duidelijk. Binnen een zuil wordt het geloof niet het doel op zich maar een middel om een ander doel te realiseren. Het geloof wordt een functie in een sociologisch proces, een functie om iets anders in stand te houden, een maatschappelijke positie en de posities daarbinnen. Wanneer die positie desondanks verdwijnt, verliest ook het geloof zijn functie, en zal het kaartenhuis binnen korte tijd imploderen. Het geloof is alleen maar artificieel beschermd en nooit versterkt.





Bovendien is het – dat erken ik ook volmondig – weliswaar van het grootste belang om christelijke instituties te koesteren, te beschermen en te versterken, maar het doel moet daarbij in het oog worden gehouden. De reformatorische wereld is mij lief. Ik heb drie jaar reformatorisch onderwijs genoten en die hebben mij meer dan wat ook gevormd. Ik kerk er, ik geef er les, ik hoor er. Maar het doel van al die instituties – kerken, scholen, verenigingen – is het vormen van een bedding waarin een traditie wordt geërfd en doorgegeven en waarin het Koninkrijk Gods zich vormt en uitbreidt. Het gaat om een bedding waarin individuele gelovigen de diepte en breedte van de eigen traditie zo kunnen verinnerlijken dat zij voor elkaar en voor de samenleving levende en leesbare brieven van Christus zijn. Voor heel de kerk en heel het volk, niet alleen voor het kleine eigenbelang van de eigen groep.

12.9.11

Frits Bolkestein, intellectuelen en de politiek

Frits Bolkestein heeft vorige week zijn boek De intellectuele verleiding gepubliceerd en in de Amsterdamse Rode Hoed de derde H. J. Schoolezing uitgesproken. Behalve mijn column in Elsevier schreef ik twee stukken over Bolkestein in het Nederlands Dagblad. Hieronder volgen de tekst van de boekrecensie en van de column over Bolkesteins optimisme.





Bolkestein, de ideeën van een gentleman-politicus

Toegegeven, deze bespreking gaat over het boek van een schrijver-politicus die ik bewonder: Frits Bolkestein. Ik herinner me nog goed dat ik eind jaren tachtig als geschiedenisstudent een bezoek aan het Rijksarchief in Den Haag had gebracht, en op de terugweg naar het Station een ommetje maakte via het Plein. Het was een mooie avond en het was stil op dat Plein. Toen zag ik een heer, lang van gestalte, mooie regenjas, zonder tas, de handen vrij, het gebouw van de Tweede Kamer verlaten en haast soeverein het Plein oversteken, blijkbaar ook op weg naar het station. Ik had weinig benul van politiek, maar begreep dat dit dus die Bolkestein moest zijn en ik zag dat die man iets te vertellen moest hebben.

Enkele jaren later kreeg ik als politiek journalist alle gelegenheid Bolkestein (1933) beter te leren kennen. Onder het eerste paarse kabinet (1994-1998) vierde hij zijn grote politieke en electorale triomfen. Hij was zo slim geweest als politiek leider van de VVD (sinds 1990) niet tot dat kabinet toe te treden maar de liberale fractie in de Tweede Kamer aan te voeren. Zo hield hij zijn handen vrij om zichzelf en zijn partij inhoudelijk te profileren, in debatten in de Tweede Kamer en ook – en dat was het bijzondere – via artikelen en essays op de opiniepagina’s van de grote kranten. Bolkestein was in de jaren negentig de onbetwiste opinieleider in politiek Nederland.

Wat ik zag wandelen op dat Plein en bezig zag in en buiten de Kamer is een typisch specimen van een mensensoort waarvan we er in Nederland maar één hebben gehad: de gentleman-politicus. ‘Ik kom uit een calvinistische traditie. Mijn ouders hoorden bij wat de Duitsers het Bildungsbürgertum noemen: de gegoede bourgeoisie, die meer op culturele ontwikkeling dan op geld verdienen is gericht’, vertelde Bolkestein zijn biografen Max van Weezel en Leonard Ornstein. In dat milieu is eruditie vanzelfsprekend maar ook een kwaliteit die licht wordt gedragen. Een echte geleerde worden aan een universiteit behoort niet tot de idealen. Kennis schept beschaving en is, evenals financieel vermogen, een noodzakelijke voorwaarde voor een leven in de publieke dienst aan de gemeenschap en de politiek.

Bolkestein heeft met deze toerusting politiek bedreven zoals het moet: niet als ambtenaar of een overjarige student bedrijfskunde maar als debater (zoals na hem Ayaan Hirsi Ali). In de loop van zijn politieke leven heeft hij een reeks van boeken gepubliceerd. Daaruit blijkt dat hij altijd op zoek was naar contact met levenden en doden die hem iets konden leren over de maatschappelijke werkelijkheid. Hij interviewde mensen, las boeken, publiceerde, debatteerde. Deze week twintig jaar geleden zette hij als eerste de ergernis over de multiculturele samenleving op de agenda, in een lezing in het Zwitserse Luzern. Hij stuitte op onbegrip en kritiek, naar hij deze week nog in herinnering riep in de derde H. J. Schoolezing van Elsevier die hij in Amsterdam heeft uitgesproken. Hij was een halve racist die slechts onderbuikgevoelens bespeelde. Met zijn kritiek stond Bolkestein aan de wieg van het populisme, al is hij altijd kritisch geweest op Pim Fortuyn en Geert Wilders.

Die oriëntatie op ‘het beste dat gedacht en gezegd is’ heeft hem overigens niet weerhouden van fouten. Hij verliet in 1999 de Nederlandse politiek om in Brussel commissaris in de Europese Commissie te worden (en daarna is hij college gaan geven in Delft en Leiden). Hij liet de VVD toen achter in de handen van de sociaalliberaal Hans Dijkstal. Hij had toen al nagelaten de verkiezingen van 1998 uit te roepen tot een tweestrijd tussen hem en Wim Kok over de multiculturele samenleving (en vervolgens premier te worden). En hij bleef zitten toen de VVD hem niet wilde volgen in zijn herhaalde pleidooien voor een cultureel fundament van waarden en deugden dat zowel de democratische rechtsstaat als de vrije markt moest schragen. Bij de VVD hielden ze niet van dat ‘gemoraliseer’ en zijn voorstellen werden afgekapt. Bolkestein zweeg en noemde dat de grote fout die hij als VVD-leider heeft gemaakt.

De gentleman-politicus weet dat de politiek het sluitstuk is van culturele ontwikkelingen. Vandaar zijn interesse voor het maatschappelijk debat en een cultureel fundament. Ideeën hebben gevolgen, luidt de titel van een boek van de Amerikaanse conservatief Richard M. Weaver. Slechte ideeën net zo zeer als goede. En helaas is de politiek de eeuwen door vooral ook bestookt door intellectuelen met slechte ideeën.

Het was bekend dat Bolkestein (78 jaar oud inmiddels) een boek in de pen had waarin hij dit grote thema, dat hem al decennia fascineert, uitvoerig wilde toelichten: intellectuelen in de politiek. Dat boek ligt er sinds deze week. Het biedt een historisch overzicht, van Rousseau en Mandeville in de achttiende eeuw tot fascisme, communisme en de tegencultuur van 1968 in de vorige eeuw. En het behandelt de zeven belangrijkste politieke thema’s in het naoorlogse Europa, zoals Ontwikkelingssamenwerking, de EU, het kapitalisme en het multiculturalisme.

De centrale stelling van het boek is dat ideeën op zich natuurlijk het probleem niet zijn. Politiek zonder een ideologische basis is immers nauwelijks voorstelbaar. Het probleem schuilt in ‘de aard van de intellectueel en de soort ideeën waartoe zij zich doorgaans aangetrokken voelen’. Intellectuelen als handelaren in tweedehandsideeën plegen vooral in ‘abstracte ideeën met een algemene strekking’ geïnteresseerd te zijn. De werkelijkheid wil maar zelden aan deze blauwdrukken beantwoorden. Het toch doorvoeren van die ideeën, al dan niet met geweld, heeft in de geschiedenis veel lijden en schade veroorzaakt.

Bolkestein verdedigt de politiek als de zorg voor concrete zaken. Politiek bedrijven is boren in hard hout. Daarvoor moet je weten hoe de dingen in elkaar zitten en hoe de dingen in de wereld geregeld worden. Intellectuelen als koekoeksnestbewoners hebben daar zelden enig benul van. En Bolkestein wil, in de tweede plaats, ‘de centrale uitgangspunten van de moderniteit’ bevestigen. Die centrale uitgangspunten zijn gelegen in het rationalisme en de idee van een niet-relatieve grondslag van ons samenleven, van waarden die benoemd en verdedigd moeten worden. Deze verlichte erfenis moet tegen elke vorm van irrationalisme worden verdedigd, of die zich nu in de vorm van Romantiek, postmodernisme, vitalisme of religieus fundamentalisme aandient. In het kader van dat fundamentalisme bespreekt Bolkestein overigens ook de Reformatie, die hij ziet als een zuiverheidsbeweging die zich nogal eens toelegde op de ‘gewelddadige onderdrukking’ van ‘onzuiver’ gedrag.

Dit nieuwe boek lees je niet in de eerste plaats wanneer je belangstelling hebt voor de Europese intellectuele geschiedenis, en de kwalijke relatie tussen intellectuelen en politiek is door Mark Lilla (The Reckless Mind) helderder en wel zo beknopt beschreven. Het boek van Bolkestein is het fascinerende verslag van de speurtocht van een Nederlandse politicus die minimaal twee dingen heel goed heeft gezien en qua niveau en stijl in de Nederlandse verhoudingen een eenzame hoogte bereikte: dat cultuur aan politiek vooraf gaat en dat slechte ideeën een zeer schadelijke en zelfs mensonterende invloed op de politiek hebben. En dat politiek een ambacht is, door Churchill ooit getypeerd als ‘gewoon doormodderen’.

Frits Bolkestein, De intellectuele verleiding: gevaarlijke ideeën in de politiek
(uitgeverij Prometheus, Amsterdam; geb. met stofomslag, 344 blz.; € 25,00)
ISBN 978 90 351 3667 0





Niet zo optimistisch als Bolkestein


Niet de islam vormt een gevaar voor het Westen, maar het Westen vormt een gevaar voor de islam. Deze krasse stelling betrok oud-VVD-leider Frits Bolkestein deze week in een lezing georganiseerd door Elsevier.

Bolkestein sprak precies twintig jaar na zijn beroemde rede in het Zwitserse Luzern, waar hij als eerste aandacht vroeg voor de schaduwzijden van het multiculturele project. Die lezing veroorzaakte veel commotie, en er is sindsdien veel gezegd en veel gebeurd. Bolkestein is nu optimistischer dan hij destijds was. In het onderwijs doen allochtone kinderen het steeds beter, steeds meer niet-westerse immigranten spreken Nederlands, steeds minder immigranten halen een bruid uit het land van herkomst, steeds meer migranten kunnen tot de middenklasse worden gerekend. Kortom, de ‘strapatsen’ van Wilders over een dreigende tsunami worden door de feiten ontkracht.

Er is alle reden tot hoop: ‘het is het Westen met zijn ideeën over democratie, individualisme en pluralisme dat een gevaar inhoudt voor de islam’. Radicale moslims weten het en zijn wanhopig. De aanslagen van 11 september 2001, tien jaar geleden, waren geen teken van kracht maar van zwakte.

Het betoog van Bolkestein getuigt van een oer-liberaal optimisme. En hij kreeg bijval, uit onverdachte hoek zelfs. PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch twitterde: ‘Bolkestein heeft gelijk. Moslims kunnen de westerse samenleving niet weerstaan maar omarmen die want ze willen deel uitmaken van die beschaving’.

De observatie van Bolkestein is overigens niet geheel origineel. In zijn boek over democratie in Amerika betoogde Tocqueville al dat islam en democratie niet samengaan. Niet omdat de islam inherent anti-democratisch is en zich daarom nooit in een democratische samenleving zou voegen, maar omdat de verleiding van de democratie zo sterk is dat de islam geen stand zal houden.

Deze observaties zijn interessant en zo u wilt bemoedigend, maar is er reden het liberale optimisme van Bolkestein in zijn geheel over te nemen?

Ik denk dat er genoeg aspecten aan het islamitische geloof verbonden zijn die een bedreiging vormen voor onze pluriforme democratie. Het moge waar zijn dat moslims het sociaaleconomisch steeds beter doen, en dat is natuurlijk verheugend, maar het normen- en waardenpatroon van moslims wijkt op essentiële punten nog altijd grondig af van het westerse, christelijke, democratische. Wie dat dreigt te vergeten moet de column van Gert-Jan Segers (20 mei 2011) nog maar eens herlezen. Komt dat vanzelf goed als moslims maar emanciperen en welgestelder worden?

En dan is er nog iets, iets wat een beetje buiten het blikveld en de belangstelling van Bolkestein zal vallen, en wat ik in de discussie over deze zaken zelden of nooit ben tegengekomen. Ik bedoel het seculariserende effect van de aanwezigheid van de islam op christenen.

Ik bedoel niet de verleiding die er van de islam op sommige christenen uitgaat, zozeer dat zij zich tot de islam bekeren. Het komt voor, en dat is pijnlijk genoeg, maar het lijkt me geen trend. Ik bedoel het volgende: tot nog toe had je in Nederland ongelovigen en gelovigen. De ongelovigen, dat werden er steeds meer en de meesten hadden nog een grootmoeder die de Trouw vroeger had gelezen. De gelovigen, dat waren de christenen. Tussen hen liep het geschil, over geloof en ongeloof.
Nu er een miljoen moslims in Nederland zijn komen wonen is de tegenstelling vervaagd tot een duel tussen ongelovigen enerzijds en religie anderzijds. Religie, dat is het christendom en de islam. Volgens sommigen is het allebei niets, volgens anderen is het allebei prachtig. Christenen zitten niet meer in een uniek schuitje maar zitten samen met de islam in een schuitje van premodern denken, geloven en handelen. Islam en christendom zijn twee varianten van een vergelijkbare, anti-moderne mentaliteit, en dat uit zich vooral in de visie op het bekende rijtje: vrouwen, homo’s, seks en de politiek.

Er zijn zelfs christenen dom genoeg om de overeenkomsten te benadrukken en op te roepen tot een strategisch bondgenootschap. Dat is een strategische blunder die verhult dat het christendom essentieel anders is, met een Zoon van God die voor ons is gestorven, en dat alle overeenkomsten – met name op het gebied van de kuisheid – vooral schijn zijn en dat de duivel in het detail verstopt zit.

Die verschillen moeten christenen weer scherper benadrukken - als we tenminste willen voorkomen dat christen zichzelf wegrelativeren als niet meer dan een premoderne ongerijmdheid.