7.9.13

De hoge prijs van dubbelzinnigheid

 
Stel, u zet maandag de radio aan, stemt af op een publieke nieuwszender, en u hoort een sonore mannenstem u de vraag stellen of u gelukkig bent. Nee, hij bedoelt niet of u wel vaart, hij wil weten of u echt gelukkig bent. En vervolgens zou hij u voorhouden dat er een blij vooruitzicht is dat Gods volk streelt, dankzij de verlossing op Golgotha. Als u, nieuwsgierig geworden, een week later weer op de toespraken van deze man afstemt, vraagt hij u of u gisteren wel naar de kerk bent geweest. En of u, als u bij wijze van spreken helemaal voorin gezeten hebt, niet alleen een hoorder maar ook een dader van het Woord bent.

 

Anno 2013 is zoiets niet meer goed voorstelbaar. Ik citeerde uit de radiotoespraken die ds. Jac. Van Dijk (1913-1984) in de jaren zestig voor de NCRV verzorgde. Zou je hieruit kunnen concluderen dat er bij de NCRV een halve eeuw geleden meer ruimte was voor orthodoxie dan nu bij de EO? Aan de andere kant was er bij de orthodoxie, zeker zoals uitgedragen door ds. Van Dijk, ook meer ruimte. Het is omgekeerd immers nauwelijks voorstelbaar dat een bevindelijk-gereformeerde dominee nu nog zoveel boeken en films ter sprake zou brengen als Van Dijk destijds.

 

Maar Van Dijk was ‘een bijzondere en aparte man’, zei ds. W. Chr. Hovius in 2007 in een interview met het blad Oude Paden (datzelfde blad publiceerde eerder dit jaar een uitgebreide levensschets van Van Dijk, en de auteur daarvan, ds. M. van Kooten uit Elspeet, werkt aan een heuse biografie, wat mij iets lijkt om naar uit te kijken). Van Dijk was een begaafd predikant. Aanvankelijk was hij vrijzinnig. In de oorlog kwam hij wonderlijk vrij, toen hij op het punt stond naar Dachau te worden afgevoerd. Hij las daarna een preek van Smytegelt, en toen ging het, naar eigen zeggen, ‘sneller dan de bliksem’. Erg veel meer heeft hij over zijn bekering nooit kunnen vertellen. Hij werd een orthodox-bevindelijk predikant (voor een proeve beluistere men op internet de preek over Jesaja 55:6), die bij velen zeer geliefd was. Hij genoot groot vertrouwen. Als hij op de preekstoel Jules de Corte citeerde (‘Waar blijft de tijd?’), wist zijn gemeente zeker dat Jules de Corte een degelijke oude schrijver was.
 


 

Hij werd in 1946 in het hoofdbestuur van de SGP gevraagd, en in 1948 en 1952 stond hij zelfs vierde op de lijst voor de Kamerverkiezingen. Maar de band met de SGP was geen gelukkige. Hij bedankte al in 1946 voor zijn stoel in het hoofdbestuur, trad een jaar later toch weer toe, maar werd in 1952 uiteindelijk geroyeerd als lid (wat de SGP bij de Statenverkiezingen in Gelderland in 1954 en later duizenden stemmen kostte). Daarop schreef hij de brochure Staatkundig Gereformeerd? Wat hij daarin schrijft, is in het licht van de actualiteit voor organisaties als de SGP nog steeds interessant.

 

Het vreemde van het geval was dat Van Dijk een echte SGP’er was, die ook na zijn royement veelal op deze partij is blijven stemmen. Aanvankelijk was het vertrouwen groot in hem. Het was niemand minder dan ds. P. Zandt die hem vroeg om tot het hoofdbestuur toe te treden. Hij deed het, uit achting voor Zandt en uit protest tegen de Doorbraak. Dat hij hetzelfde jaar nog bedankte, was het gevolg van de dubieuze rol die uitgeverij De Banier in de Tweede Wereldoorlog had gespeeld – een rol die ‘staatkundig geraffineerd’ werd toegedekt.

 

Het was uit ‘liefde en vriendschap’ tot ds. G. H. Kersten dat hij toch weer toetrad en zelfs het circuit van de tijdredes inrolde. Maar hij ging zich steeds meer ergeren aan de kloof tussen theorie en praktijk. Officieel was de SGP tegen sociale wetgeving, maar duizenden SGP’ers profiteerden ervan. Officieel was de SGP tegen vrouwenkiesrecht, maar duizenden vrouwen stemden SGP. Ds. Zandt was het met het officiële standpunt niet eens, zei dat ook in vertrouwelijke gesprekken, maar alles bleef zoals het was. En zo ging het ook met vaccinatie en assurantie: officieel tegen, maar in de praktijk stilzwijgend geaccepteerd. Kon dat niet, zo vroeg Van Dijk zich af, wat ruiterlijker?

 

Uit protest tegen de ‘waardeloosheid van het systeem van de doofpot’ schreef hij een vertrouwelijke circulaire aan enige vrienden. Hij werd daarop als SGP-lid geroyeerd. Ter verdediging verscheen de brochure, die ds. Van Dijk op een achternamiddag, in drieëneenhalf uur, schreef. Ook daarom werd hij bekritiseerd. Maar voor het hoofdbestuur en in De Banier kreeg hij de kans niet zijn standpunt toe te lichten. En het voorbeeld van zijn royement maakt op onovertroffen wijze duidelijk hoe groot de prijs is die op dubbelzinnigheid staat - op alle pogingen, met andere woorden, om het verschil tussen theorie en praktijk vromelijk te maskeren in plaats van ruiterlijk te bespreken.

 

Tussen ds. Zandt en ds. Van Dijk persoonlijk is het overigens weer tijdig goed gekomen.



[Verschenen in Reformatorisch Dagblad van zaterdag 7 september 2013.]

12.7.13

Mazelen en de biblebelt

 

Het zal niemand zijn ontgaan: de mazelen heersen, een beetje in het antroposofische wereldje, maar vooral in bevindelijk-gereformeerde kringen in bepaalde regio’s op de zogeheten Bible Belt. Dat heeft de nodige discussie opgeroepen: hoe verantwoord is het om deze groep van refo-ouders te laten begaan, en hoe consequent zijn zij eigenlijk zelf als ze in de auto wel een gordel omdoen of een airbag hebben? Dat is toch ook een preventieve maatregel, die net zo goed in strijd met het beleden geloof in de voorzienigheid van God is?

Ik heb het idee dat in alle discussies van de afgelopen weken een belangrijk punt wordt gemist. Refo’s (een vreselijk woord, maar ik gebruik het even voor de duidelijkheid) presenteren hun standpunt als gehoorzaamheid aan het gebod van God zoals dat in de Bijbel tot hen komt. De anderen nemen dat op hun woord aan, en beginnen discussies over de aard en implicaties van dat geloof. Maar ik denk dat er iets anders aan de hand is.

Refo’s kleden zich ook anders. Waarom? Omdat God heeft gezegd, zeggen zij, dat vrouwen zich niet mogen kleden als mannen (Deuteronomium 22:5). Zou het waar zijn? Zou het niet eerder zo zijn dat de omringende cultuur op een gegeven moment is veranderd (bevallige dames die pantalons gingen dragen en een sigaretje opstaken), dat die verandering is geïnterpreteerd als iets van een opstand tegen een heilige en dierbare orde, en dat het verzet tegen die opstand tot een bepaald gedrag heeft geïnspireerd, dat daarna Bijbels gerechtvaardigd is?

Neem een ander voorbeeld, dat deze redenering alleen maar sterker maakt. In refo-kringen treft men zelden mannen met snorren en baarden aan (hier en daar is het zelfs censurabel). Waarom niet? Er is toch weinig verbeeldingskracht voor nodig om ons de profeten en apostelen met behaarde aangezichten voor te stellen, en menig oudvader blijkt hen daarin te hebben nagevolgd. Toch volgen de refo’s deze voorbeelden niet. Waarom niet? Dat heeft ongetwijfeld te maken met de jaren zestig, toen een opstandige jeugd het scheermes van pa liet voor wat het was en de natuur op wang en bovenlip zijn gang liet gaan. Die begroeiing werd geassocieerd met de geest der revolutie en daarom afgewezen, zelfs bij ontstentenis van een Bijbeltekst waarmee deze keuze kon worden gerechtvaardigd. (Wat dus bewijst dat het verzet tegen bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen een sterkere motivatie voor bepaalde keuzes is dan een duidelijke Bijbeltekst.)

Zo is het ook, denk ik, met het verzet tegen vaccinaties. Wie de geschiedenis van dat verzet bestudeert (laten we zeggen vanaf Abraham Capadose in de negentiende eeuw), zal zien dat er naast het medische argument – inentingen waren toen nog gevaarlijk – één argument steeds weer in stelling is gebracht: de overmoed van de moderne mens, die met zijn kennis en wetenschap de natuur denkt te kunnen beheersen en God niet meer nodig heeft. Dat lijkt mij nog altijd de diepe, religieuze inspiratie van het huidige verzet. Voor de duidelijkheid wordt er dan een casuïstisch argument bijgehaald in de vorm van een Bijbeltekst, bijvoorbeeld wanneer Christus zegt dat alleen zieke mensen een medicijnmeester nodig hebben maar zij die gezond zijn niet.

Vandaar ook dat al die argumenten van airbags en autogordels (zoals geventileerd door premier Rutte en oud-minister Borst) geen enkele indruk maken. Zij gaan immers aan de kern voorbij. Het gevoel van afhankelijkheid – of beter: de erkenning van het gebod dat wij ons in alles van God afhankelijk moeten weten – leidt tot de keuze om kinderen niet te vaccineren. Alle kinderachtige discussies over verwrongen casuïstiek, die in alle orthodoxe kringen het gevolg is van het schuren van pre-moderne waarden met het moderne leven, vloeien hieruit voort.

Dat betekent dus ook, dat al die keuzes (voor rokjes en geschoren aangezichten, en tegen vaccinatie) vooral om bepaalde religieuze waarden draaien. De waarde van de onderscheidenheid van man en vrouw, de keuze tegen de geest van 1968, de keuze tegen de waan van de beheersbaarheid. Dat zijn natuurlijk volstrekt legitieme keuzes. Het probleem begint alleen op het moment dat uit die waarden normen worden afgeleid die vervolgens sacrosanct worden verklaard.

Het komt mij voor dat we dan de wereld van de christelijke vrijheid verlaten waarin de ruimte bestaat om elkaar te verdragen in het maken van afwijkende normatieve keuzes. En waarin broeken, baarden en snorren en een prik niet direct mogen worden uitgelegd als een knieval voor de geest die men wil bestrijden en tegen de waarden die men hoog wil houden.

23.2.13

'Een zekere fataliteit'


J. L. Heldring in gesprek met André Spoor over hun eeuw

Een jaar geleden zette J. L. Heldring (1917) een punt achter zijn carrière als columnist bij NRC Handelsblad, de krant waarvan hij tussen 1968 en 1972 hoofdredacteur was. Ruim vijftig jaar lang had hij met ijzeren regelmaat – aanvankelijk zelfs drie en twee maal per week – zijn bijdragen geleverd, vanuit een invalshoek die hij zelf (in een tijd dat daarvoor nog moed nodig was) ‘conservatief’ noemde. Eind vorig jaar verscheen de laatste selectie van zijn columns bij zijn vaste uitgever Van Oorschot in druk. In het voorwoord op Dezer dagen schreef hij met deze bundel afscheid te nemen van de publiciteit. Maar nu ligt er toch weer een boek met Heldrings naam op de titelpagina. Het boek biedt een verslag van de vier uitgebreide gesprekken die hij in de zomer van 2012 voerde met zijn oud-collega van de NRC en vriend André Spoor (1931-2012). De gesprekken zijn opgetekend door historicus John Alexander Jansen. Zij gaan over de Koude Oorlog, de Dekolonisatie en Europa, over de eeuw dus van de gesprekspartners.
 



Hoe is dit boek tot stand gekomen? In het najaar van 2011 lag Heldring in een verpleeghuis te herstellen van een operatie. André Spoor kwam hem daar wel eens opzoeken en nam op een keer wat te lezen mee, het boek Unser Jahrhundert, een verslag van gesprekken die oud-bondskanselier Helmut Schmidt en de Duits-Amerikaanse historicus Fritz Stern met elkaar hadden gevoerd over de jaren die zij – de een als politicus en bewindsman, de ander als waarnemer – hadden meegemaakt. Heldring genoot van het boek, en toen Spoor later bij hem thuis kwam en suggereerde om in Nederland een soortgelijk boek uit te geven, ditmaal met hen beiden als gespreksgenoten, ontstond Onze eeuw: J. L. Heldring en André Spoor in gesprek. Het boek had eigenlijk het verslag van vijf gesprekken moeten bevatten, maar dat heeft het plotselinge overlijden van Spoor op 18 september vorig jaar verhinderd. De bijdrage van Spoor aan het gesprek zijn door historicus Hermann von der Dunk gecorrigeerd en aangevuld. Heldring haast zich overigens in zijn ‘Woord vooraf’ om de lezer te behoeden voor de gedachte dat hij en Spoor zich menen te kunnen meten aan Schmidt en Stern. ‘Wij waren slechts waarnemers geweest, hadden aan de zijlijn gestaan, terwijl Schmidt in elk geval beslissingen had genomen en verantwoordelijkheid gedragen, als staatsman bovendien van een land dat meer gewicht in de wereldschaal legt dan Nederland. Sterns kennis van de historische achtergronden waartegen het drama van onze eeuw zich afgespeeld had – een kennis overigens die ook bij Schmidt allerminst ontbrak – pretendeerden wij niet te evenaren.’

Het boekje (142 bladzijden), dat een dezer dagen zal verschijnen, biedt aangename lectuur. Twee oude, erudiete heren, die als journalist getuige zijn geweest van de naoorlogse geschiedenis, praten er met oordeel en kennis van zaken aangenaam op los, en de lezer voelt zich bevoorrecht mee te mogen luisteren.

Maar valt er een rode draad te ontwaren in die toch vreselijke eeuw – een eeuw van oorlog en koude oorlog, van dekolonisatie en Europese integratie, van chaos en desintegratie en van pogingen daarin orde en eenheid aan te brengen?

In het laatste gesprek doet Heldring daartoe een interessante poging. Hij spreekt van ‘een zekere fataliteit’ die in de thema’s dekolonisatie, Koude Oorlog en Europa te ontwaren is. Wat bedoelt Heldring met die fataliteit? Hij spreekt over de in 1947 afgekondigde Trumandoctrine, waarmee Amerika zichzelf verplichtte om alle democratieën waar ook ter wereld te hulp te schieten wanneer zij van binnenuit of van buitenaf door het communisme werden bedreigd. Daarmee zette Amerika een nieuwe stap in zijn geschiedenis, want tot op dat moment waren de Amerikanen ‘helemaal niet gewend om buitenlandse politiek te bedrijven, ze waren juist lange tijd neutraal geweest’. In die nieuwe universele ideologie ontwaart Heldring ‘schijnheiligheid’. Een verheven ideologie (‘to make the world safe for democracy’) moest verhullen dat het hier natuurlijk gewoon om machtspolitiek ging. Daarmee bestijgt Heldring een stokpaardje dat wij uit zijn columns kennen, de gedachte dat het in de politiek, zeker in de buitenlandse, om macht gaat en dat we niet net moeten doen alsof dat niet zo is: ‘Of het nu christelijke of andere idealen zijn die de mensen koesteren, de wereld is anders en voldoet daar niet aan.’ Als voorbeeld noemt hij ook George Bush jr., die een gewenste Realpolitik inwisselde voor de neoconservatieve droom van democratische maakbaarheid.

Wat is dus die fataliteit? Macht gedreven door een ideologie. Die combinatie is gevaarlijk, fataal zelfs. In Nederland leidde het tot de gedachte dat we een moreel verheven gidsland waren en zagen we na de oorlog niet in dat de dekolonisatie een onvermijdelijk proces was – met een militair avontuur als gevolg (170.000 Nederlandse soldaten zijn naar Indonesië gestuurd) dat ‘historisch gezien krankjorum’ was.

Eenzelfde fataliteit ziet Heldring in Europa. Na de Tweede Wereldoorlog zijn overal in Europa verzorgingsstaten ontstaan, die de mensen meer dan voorheen aan de nationale staat als ‘de bron van alle voordelen’ binden. Dat belang stuit nu op de drang naar politieke integratie en de bezuinigingen die nodig zijn om elkaar aan de befaamde drieprocentsnorm te houden. Fataliteit schuilt ook in het concept van democratie zelf. Iedere democratie kan zichzelf ondermijnen doordat ze de mogelijkheid geeft om ook antidemocratische of revolutionair-democratische beginselen te incorporeren. Ook het populisme is een kind, zij het een bastaardkind, van de democratie. Vooral de combinatie van een economische crisis die alle vooruitzichten wegneemt, en een politieke (die, anders dan zich in de zomer van 2012 liet aanzien, bij de laatste verkiezingen nog lijkt te zijn afgewend) kan fatale gevolgen hebben.

Maar ja, hufterdom is een essentieel onderdeel van de Nederlandse cultuur. We vinden onze mening belangrijk en achten het een deugd om alles recht voor zijn raap te zeggen – tot bevreemding van het buitenland. ‘We zijn allemaal hufters!’, roept Heldring uit, en Spoor spreekt hem niet tegen. Tot slot valt het woord ‘zondigheid’, oftewel ‘het menselijk tekort’. De mens deugt niet, en daarom is alles wat hij bedenkt op z’n minst gebrekkig – zeker als hij daar, wat bij ideologieën nu eenmaal het geval is, geen rekening mee houdt.

En zo eindigt de samenspraak tussen beide heren in mineur. De vreselijkste misdaden zijn – over fataliteit gesproken – begaan door landen die allemaal mensenrechtenverdragen hebben ondertekend. ‘Wat dat betreft eindigen we ons gesprek met een pessimistische noot’, aldus Heldring. ‘De socialisten zongen vroeger dat de mens goed was, maar daar geloven ze nu ook niet meer in. Waarschijnlijk kennen ze ook van de Internationale de woorden niet eens meer’.

Wie voor zulke conclusies niet terugschrikt, zal zich verheugen in dit erudiete commentaar op de vorige eeuw, dat zich laat lezen als een noodzakelijke les in goor realisme.
 
 
 
 
N.a.v.: Onze eeuw. J. L. Heldring en André Spoor in gesprek (Amsterdam: uitgeverij Van Oorschot, 2013) 

18.2.13

Roken en geloven

In het boek Een gereformeerde jongen (uitgeverij Prometheus), een bundel artikelen over historicus A. Th. van Deursen, publiceerde ik onderstaand artikel. Het gaat over Van Deursen als columnist, en gaat o.a. in op zijn uitspraken over roken en dreigende rookverboden.



 
Behalve vele opiniërende bijdragen in kranten, tijdschriften en boeken publiceerde Van Deursen ook vaste columns. Tussen juli 1996 en december 2002 schreef hij een maandelijkse column in zijn Nederlands Dagblad. Van oktober 2009 tot en met januari 2011 vulde hij een kolom in De Waarheidsvriend (orgaan van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk in Nederland), en van januari 2010 tot mei 2011 deed hij dat in het Reformatorisch Dagblad.

Afgezien van een kortstondige, tweemaandelijkse reeks in het Nederlands Dagblad in 1990, is Van Deursen zijn regelmatige journalistieke werk dus begonnen na zijn pensionering in juni 1996. Zijn naam en reputatie waren toen natuurlijk al lang gevestigd. Het boek waarmee hij naar een groter publiek doorbrak, het boek over het dorp Graft in de zeventiende eeuw (Een dorp in de polder), dateert van 1994. Blijkbaar heeft Van Deursen zich pas op zijn 65e op vaste voet beschikbaar willen stellen voor deze journalistieke schrijverij, of is hij er niet eerder voor gevraagd. Het was in ieder geval verstandig het niet eerder te doen. Een nadrukkelijk christelijk profiel helpt immers niet bij het vestigen van die reputatie.

Van Deursen heeft het geregeld schrijven van die stukjes vijftien jaar vol gehouden. Hij schreef zijn columns voor uitgesproken christelijke bladen. En hij had geluk: ‘paars’ (het eerste kabinet-Kok, gesteund door PvdA, VVD en D66) was intussen twee jaar op weg, dus er viel altijd wel iets te mopperen.

Een van de eerste columns die Van Deursen in het Nederlands Dagblad schreef (op 28 september 1996), is eigenlijk al direct exemplarisch voor de stukken die hij zou gaan schrijven. Het artikel gaat over ‘De doelgroep van Margarethe’. Die Margarethe is een zekere Margarethe Schreinemakers, over wie Van Deursen tijdens zijn zomervakantie in de Stuttgarter Zeitung had gelezen. Zij maakte een wekelijks televisieprogramma waarin zij allerlei boodschappen aanprees voor kijkers tussen de 14 en 49 jaar. Van Deursen schreef dat er haast nog nooit een krantenstuk was geweest dat hem zo had opgemonterd als het bericht over Margarethe. Hieruit bleek immers dat het verstand dan toch met de jaren kwam en dat mensen zich vanaf hun vijftigste niet meer door de suggestieve aanprijzingen van Margarethe lieten verleiden. Vervolgens past Van Deursen dit inzicht toe op de politiek, waar propaganda een ander woord voor reclame is. Ook daar zijn de ouderen niet meer te verleiden, in dit geval tot een andere stem dan de stem die ze altijd hebben uitgebracht. Ze behoren dus niet meer tot de doelgroep van de politieke partijen. Of ze zijn al lid en stemmen toch al op je, die oudere kiezers, of ze doen dat niet en zullen dat ook nooit doen. Een partij hoeft zich dus ook weinig aan hen gelegen te laten liggen. Het beleid is afgestemd op de doelgroep van Margarethe, en de bevolkers van de Tweede Kamer waren in 1994 in meerderheid (96 van de 150 afgevaardigden) jonger dan 50 jaar. De ouderen zijn dus ondervertegenwoordigd in de Kamer, maar het zijn wel de AOW’ers en de gepensioneerden die in tijden van bezuinigingen telkens de rekening gepresenteerd krijgen. Vandaar dat er ten tijde van het eerste paarse kabinet ineens ouderenpartijen in de Kamer waren opgedoken.

Als de naam van Van Deursen niet boven zijn columns had gestaan, hadden we ze gemakkelijk als van zijn hand herkend. Elke column begint met een paar feitelijke vaststellingen of een anekdote, trekt daaruit een eerste conclusie, dan volgt een beargumenteerd betoog, scherp en helder in die inmiddels befaamde, laconieke, broodnuchtere zinnetjes, en dan volgt een grotere conclusie. Die gaat in dit geval over een genegeerde onrechtvaardigheid: een grote groep van mensen (50-plussers) die niets fouts hebben gedaan (ze zijn zichzelf gebleven maar wel ouder geworden) en die niet meer interessant zijn voor de (politieke) markt, en daarom stilzwijgend worden gediscrimineerd, een rekening gepresenteerd krijgen. Zo’n onrechtvaardigheid is eigenlijk het grote thema, de rode draad in Van Deursens columns gebleven.

Zoals er 50-plussers zijn, zo zijn er ook de rokers. Van Deursen was lange tijd een van hen. Terwijl de rokers rustig en tevreden bleven roken, was een groot deel van de samenleving dat opsteken van sigaret of sigaar(tje) inmiddels als een slechte gewoonte gaan beoordelen en was de jacht op de roker geopend. Niet omdat roken schadelijk voor de gezondheid was, want er waren zoveel andere schadelijke gewoonten waar geen haan naar kraaide. Ook niet omdat rokers het anderen lastig maken, want daarin vormen zij bepaald geen uitzondering. Ook niet omdat die arme rokers door die gewetenloze tabaksindustrie worden verleid. Dergelijke acties worden immers niet ondernomen tegen minstens zo gewetenloze producenten van ander riskant en gevaarlijk genot. De werkelijke reden is dat een rookverbod het vijgenblad van ons moreel bankroet is. Nederlanders zien tal van dingen die eigenlijk niet goed zijn maar willen tegelijkertijd niet de schijn van onverdraagzaamheid op zich laden. De overheid mag niet betuttelend optreden. Gelukkig is er dan nog wel het roken als een kwaad dat wel bestreden mag worden. De meeste niet-rokers zijn bovendien ex-rokers, bekeerlingen die wraak nemen op hun eigen verleden. Iedere maatregel tegen het roken stelt de bekeerling in staat de behaalde overwinning op zijn vroegere fouten opnieuw te beleven. Bij een bushalte moet je, aldus Van Deursen, met je rug naar de reclameborden gaan staan, de radio moet je regelmatig uitdraaien omdat een verslaggever of politicus alweer een vloek laat horen, en een willekeurig televisieavondje levert een overdaad aan ‘lasterlijke spot en goedkope prikkeling’ op. Maar ja, ga daar nu eens wat van zeggen. Maar als iemand in zo’n tv-uitzending een sigaret opsteekt dan trekt de niet-rokersvereniging direct aan de bel. En met groot zelfvertrouwen in de publieke steun voor haar zaak want een klacht van die vereniging leidt als vanzelf tot nieuwe wettelijke maatregelen. Wie daarentegen de overheid om maatregelen tegen die reclameborden, vloeken of gewelddadige tv-programma’s vraagt, weet bij voorbaat zeker dat hij nul op het rekest zal krijgen (Nederlands Dagblad, 22 februari 1997).

Maar meer nog dan op de trouwe 50-plusser en de tevreden roker was de jacht geopend op de christenmens, vooral van gereformeerde en reformatorische signatuur. In een veranderende, seculariserende en ontzuilende samenleving waren zij zichzelf gebleven. Ze waren trouw naar de kerk blijven gaan en in een voorgegeven morele orde blijven geloven in plaats van in het axioma dat de mening van een toevallige meerderheid per definitie – tot op den duur het tegendeel blijkt - ook de ware mening is. Ondanks al hun verdiensten in verleden en heden mochten zij zich bij een groeiende meerderheid niet meer in een grote populariteit verheugen. Hun positie werd zelfs bedreigd, hun publieke leven - beschermd door rechten en vrijheden - waren zij zelfs niet langer zeker.

Nederland was een land van een verschuivende moraal geworden. Enquêtes speelden daarbij een belangrijke rol. Zij zijn een middel om grenzen te verleggen. Wanneer je de bevolking stelselmatig ongepaste vragen stelt en deze vragen regelmatig herhaalt – zoals de vraag: wilt u in geval van dementie euthanasie of niet? – dan komt vroeg of laat het moment dat een standpunt dat weinigen aanvankelijk durven in te nemen, natuurlijk en vanzelfsprekend wordt. Eerst wordt de schaamte overwonnen omdat steeds meer mensen ineens die gedurfde mening blijken te hebben, en als de schaamte overwonnen is, heeft de zonde vrij spel (Nederlands Dagblad 28 februari 1998).

In die omgeving kwam de godsdienstvrijheid steeds meer onder druk te staan. Dat was het directe gevolg van een staatsgeloof dat, zoals Groen van Prinsterer in de negentiende eeuw al had voorspeld, zich kon vestigen binnen de kaders van de godsdienstloze staat die de liberalen in de negentiende eeuw wilden. De vrijheid die zij zelf namen, wilden zij niet aan anderen toestaan. Het paarse kabinet was bezig zijn geloofsartikelen in bindende maatregelen aan iedereen op te leggen. Zodra die maatregelen waren opgelegd en het staatsgeloof zichzelf dus in een positie had gemanoeuvreerd waarin het een voorkeursbehandeling kreeg, bepaalde het staatsgeloof dat mensen de juistheid van die maatregelen ook niet meer mochten betwisten. Ze hadden hun recht van spreken verloren. In een samenleving waarin gelijkheid het grote ideaal is, mag een christen-politicus als Leen van Dijke niet meer zeggen dat hij het betreurt dat homoseksualiteit in zijn christelijke achterban voor een grotere zonde doorgaat dan diefstal. Want hij beoordeelde homoseksualiteit daarmee als een zonde, in overeenstemming met een bepaalde uitleg van de Bijbel, en dat mocht niet meer, zo bepaalde de heer Van Zaltbommel van de Haagse rechtbank. ‘Reclamespotters, televisieprogramma’s, musicals, krantencolumns, studentenbladen en radio-uitzendingen’ hebben het christelijk geloof bespot, maar in geen enkel proces wegens smaad en belediging is ooit een veroordeling uitgesproken. Het is dus duidelijk: christenen mogen beledigd worden en het voeren van een proces heeft geen enkel nut. Maar anders dan christenen vormen homoseksuelen wel een groep in de samenleving die rechtsbescherming voor zichzelf kan opeisen. Waarom? Omdat, aldus rechter Van Zaltbommel, Van Dijke rekening had moeten houden met gevoelens en denkbeelden in de samenleving. De samenleving kan het niet schelen wanneer christenen worden gekwetst, en daarom mogen christenen beledigd worden. Maar diezelfde samenleving bruist op van woede wanneer homoseksuelen worden beledigd, en daarom moest Van Dijke hangen. ‘Wat het Nederlandse volk niet wil horen, wordt afgestraft. Is de belediging echter geadresseerd aan een groep die zich niet in de volksgunst mag verheugen, dan komt de samenleving niet in beweging, en de rechtbank evenmin […]. Uitslagen van NIPO-enquêtes kunnen beslissen over recht en onrecht’ (Nederlands Dagblad, 31 oktober 1998).

Bij het einde van paars en het aantreden van de eerste kabinetten-Balkenende, raakte Van Deursen niet veel hoopvoller gestemd. Voor Pim Fortuyn en de LPF koesterde hij op z’n best wantrouwen en op z’n slechtst onverholen afkeer. Ook VVD’ers zijn volgens Van Deursen niet te vertrouwen. Ze hebben christelijk onderwijs geaccepteerd omdat ze wel moesten, als een noodzakelijk kwaad. Maar sinds de christelijke partijen in 1967 hun meerderheid in het parlement hebben verloren, hebben de liberalen voortdurend pogingen gedaan aan de uitkomsten van de Pacificatie van 1917 te morrelen. Want de vrijheid van onderwijs is niet heilig, zei bijvoorbeeld minister Zalm in 2002. Het heeft geen zin de hoop op het CDA te vestigen, schreef Van Deursen in zijn laatste column in het Nederlands Dagblad. ‘Die partij geeft er geen blijk van, dat zij de rechten van het bijzonder onderwijs onvoorwaardelijk zal eerbiedigen. Zij wil regeren, en dat betekent voor haar, dat concessies gedaan kunnen worden op elk gebied. Zo heeft Van Agt ons een abortuswet geschonken, en Lubbers een Algemene wet gelijke behandeling. […] Toen ik ruim zes jaar geleden deze maandelijkse bijdragen begon, was Nederland nog betoverd door de paarse droom. Paars is nu weg, maar het CDA heeft niet aan geestelijke kracht gewonnen. Van een CDA-kabinet verwacht ik dan ook geen wezenlijke verbetering. Het zal er voor alle Veluwebewoners niet gemakkelijker op worden’ (Nederlands Dagblad, 28 december 2002).

Zo’n nieuwe constellatie kun je als feit vaststellen, ze kan je ook met enige bitterheid vervullen. De hoon is dan niet ver weg. Hoon over het paarse, nieuw-heidense of vrijzinnige onbenul, over een samenleving die een diagnose en een medicijn krijgt aangereikt, maar dat medicijn niet meer lust en die je tot slot daarom alleen nog maar prettige kerstdagen kunt toewensen (slot van Van Deursens Huizingalezing uit 1994).

‘Bestaan er domme Kamerleden?’, vroeg Van Deursen zich in het RD af. ‘Ik weet wel een antwoord op die vraag, maar ik houd dat liever voor me, want ik wil niet beschuldigd worden van haatzaaien. Dus zal ik ook niet zeggen dat Boris van der Ham (D66) en Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) domme mensen zijn. Maar ik vind wel dat ze eigenaardige vragen hebben gesteld aan minister Hirsch Ballin’ (11 september 2010).

Als historicus zag Van Deursen het als zijn taak om het liefdegebod dat voor alle christenen geldt, toe te passen op de mensen uit het verleden en hen dus zo eerlijk mogelijk te behandelen, hen recht te doen, of ze nu Veluwebewoners waren of niet. Om die reden heb ik Van Deursen kort na zijn overlijden getypeerd als de historicus van het liefdegebod (Reformatorisch Dagblad, 22 november 2011). Maar volgens George Harinck gold die liefde van Van Deursen toch in de eerste plaats de ‘huisgenoten des geloofs’, de gereformeerden dus, en anders niets. De uitgestoken hand aan het slot van de Huizingalezing leek meer bedoeld om de afstand tussen hem en zijn hoorders te benadrukken dan om die afstand te overbruggen. ‘De dragers van de cultuur van zijn eigen tijd bejegende hij minder liefdevol’, aldus Harinck (Nederlands Dagblad, 3 december 2011). Zo riep de contemporaine cultuur bij Van Deursen associaties op met een ‘publiek toilet tegen sluitingstijd’.

Harinck heeft natuurlijk een beetje gelijk, voor de helft zelfs. Als historicus en vakman heeft Van Deursen geprobeerd aan personen uit het verleden recht te doen, ze te begrijpen en ze weer te geven zoals ze zichzelf begrepen. Aan dat liefdegebod mat hij ook het werk van anderen af, en dat is denk ik ook de reden waarom hij het boek van Jeroen Koch over Abraham Kuyper (2006) zo onbarmhartig fileerde. Kochs boek, een ‘libertijns pamflet’, was mislukt omdat de auteur niet werkelijk tot zijn onderwerp was doorgedrongen en erop uit was geweest anderen expres te kwetsen. Zo’n boek konden we gevoeglijk ongelezen laten.

Maar een columnist of opinievormer is er niet om zijn tegenstanders omzichtig en genuanceerd - liefdevol - tegemoet te treden. Een columnist met een taakopvatting als Van Deursen, een christelijk columnist in paarse en populistische tijden, is partij in een geschil. Hij ziet hoe een samenleving verandert, de machtsverhoudingen verschuiven, en traditionele rechten en vrijheden voor de minderheid waartoe hij behoort, met behulp van sofistische argumentaties worden bedreigd. Die nieuwe, seculier-liberale cultuur eist volgens Van Deursen niet alleen passieve onderwerping maar ook, het voorbeeld van de gewetensbezwaarde ambtenaar maakt dat duidelijk, actieve medewerking van iedereen. Het recht beschermt de zwakke niet langer tegen de sterke. En dat is nu precies het kenmerk van een totalitair regime (‘Iets over de tweede helft van de twintigste eeuw’, Nexus 24 [1999] 125-140). Het wezenlijke kwaad van zo’n regime is de vernietiging van de geestelijke vrijheid. Want voor deze nieuwe cultuur is het christendom niet alleen iets wat er niet meer toe doet (zoals de groep van 50-plussers) of een kansloos alternatief, maar ook de vijand die moet worden overwonnen, zoals de ex-rokers wraak op hun eigen verleden hebben genomen met de vreugdevolle uitstoting van hardnekkige door-rokers uit het publieke domein.

Die constatering kan een enkele vileine formulering in de pen geven. Maar rancuneus is Van Deursen niet geworden. Wie veel te mopperen heeft, zal vroeg of laat de neiging tot een zekere verongelijktheid in zichzelf vaststellen. Er is dan zelfrelativering en humor nodig om die verleiding te weerstaan. Gelukkig bezat Van Deursen beide deugden in hoge mate.

 


 

6.11.12

Rémi Brague



Goed nieuws over de Franse filosoof Rémi Brague. Ik hoorde vanmorgen dat er een Nederlandse vertaling gaat verschijnen van zijn meesterlijke essay over de Europese (Romeinse) cultuur. Brague publiceerde zijn boek in 1992 in het Frans (Europe, la voie romaine). Een Engelse vertaling  kwam tien jaar later uit (Eccentric Culture: A Theory of Western Civilization). Ook in andere talen is het boek inmiddels vertaald, maar in het Nederlands nog niet. Over een jaar komt die vertaling er alsnog. Emeritus hoogleraar Koos de Valk tekent voor de vertaling, die bij uitgeverij Klement zal verschijnen. Het boek wordt, D.v.e.f., gepresenteerd op het afscheidscolloquium van de Tilburgse hoogleraar Donald A. A. Loose, die op vrijdag 22 november 2013 met emeritaat gaat. Bij die gelegenheid komt ook Brague zelf naar Nederland voor een lezing.






Waarom ik dit boek van Brague zo waardeer, heb ik vorige week duidelijk gemaakt in mijn rubriek in Elsevier. Hieronder de tekst van dat stukje.


Een vingerhoed vol


Het is ongelijk verdeeld in de wereld, ook wat betreft de aandacht die filosofen krijgen en verdienen. Een filosoof die in Nederland veel bekender zou moeten zijn dan hij is, is de Parijse denker Rémi Brague (65). In zijn eigen land is hij, als voormalig hoogleraar aan de Sorbonne, wel geëerd. Zo kreeg hij de Grote Prijs voor de Filosofie van de Académie Française en maakt hij daar inmiddels deel uit van de prestigieuze Académie des sciences morales et politiques. De paus heeft hem vorige week de Ratzingerprijs voor Theologie toegekend.

Maar in Nederland zijn z’n optredens tot nog toe beperkt gebleven tot een enkele bijdrage aan een bijeenkomst van het Nexus Instituut en een groot interview in Opinio zaliger. Geen van zijn vele boeken is ooit in het Nederlands vertaald. Waarom verdient hij beter?

Ik heb Brague enkele keren ontmoet. Een kleine, beweeglijke man, met een te grote bril, zonder een zweem van iets dat naar het modieuze neigde. Hij trof mij vooral door zijn gevoel voor humor en voortdurende betuigingen van nederigheid. En die betuigingen waren nog niet gespeeld ook. Brague weet zoveel, dat hij – vergeeft u mij het cliché, maar in het geval van Brague is daar geen sprake van – vooral ook heeft leren inzien wat hij allemaal nog niet weet.

Zijn boeken op het terrein van de filosofie van de Oudheid en Middeleeuwen getuigen van een duizelingwekkende belezenheid in de primaire bronnen. Brague studeerde eerst klassieke talen en filosofie, en daarna ook nog (na zijn dertigste) Arabisch. Hij kreeg beide disciplines voldoende onder de knie om aan de Sorbonne zowel Griekse en Romeinse als Arabische filosofie te doceren. Maar het liefst had hij de naam willen dragen van zijn Amerikaanse uitgever Bruce Fingerhut. Een vingerhoed, daar kan niet veel in. Zo meende Brague zelf maar een klein beetje kennis en wijsheid in zich opgenomen te hebben.

Zijn bekendste, en voor een breed publiek belangrijkste boek is een studie over de essentie van de Europese cultuur. In het Frans heet dat boek Europe, la voie romaine (Europa, de Romeinse weg), in het Engels is het vertaald als Eccentric Culture – ‘excentriek’ in de letterlijke zin van buiten het centrum liggend. Het boek is al in meer dan tien talen vertaald, maar nog niet in het Nederlands.

De essentie van de Europese cultuur ligt buiten of aan de marge van het continent. Twee steden hebben Europa geschapen: Jeruzalem en Athene. In de hoofdstad van het oude Europa, Rome, bestond het besef dat er een norm buiten haar was waartoe iedereen zich moest verheffen. Er was een cultuur waarin Europeanen moesten assimileren, het geloof en de cultuur van de Joden en Grieken. En er was een barbarij die iedereen moest bedwingen – de eigen barbarij. De Europese cultuur is een cultuur die zichzelf door de eigen bronnen voortdurend laat corrigeren. Alle renaissances in de Europese geschiedenis zijn er het bewijs van. De Renaissance van de vijftiende en zestiende eeuw was, bijvoorbeeld, een geslaagde poging om het verval in kerk en samenleving te corrigeren door de Bijbel en de klassieken te herontdekken.

In dit opzicht verschilt de Europese, christelijke cultuur wezenlijk van de islamitische, Bragues tweede terrein van onderzoek. De Islam assimileert niet maar eigent zich iets toe, sluit het andere in zichzelf in zonder het nog langer als iets vreemds te erkennen. Gebruikte bronnen worden vernietigd, en worden niet gecultiveerd als een soort ‘tegenover’ dat moslims tot renaissances dwingt, tot een correctie van het eigen denken en geloven aan andere, ‘vreemde’ bronnen.

Daarom zal de Islam in het moderne Europa altijd een lastig verschijnsel blijven. Moslims geloven dat hun religie de beste van de wereld is, het geloof dat alle andere geloven overbodig heeft gemaakt en dat daarom dient te domineren. Maar de werkelijkheid in het Midden-Oosten bewijst eerder het tegendeel. Woede en rancune zijn het gevolg, zoals de geweldsuitbarstingen naar aanleiding van een recent anti-islamfilmpje op internet duidelijk maakten. Filosofie en een scheiding van kerk en staat laat zich binnen de islam niet denken. Als de Koran het onveranderlijk Woord van God is, dient de werkelijkheid zich aan dat boek aan te passen. Niet andersom.

Bij Brague berust dat oordeel op kennis en niet op een vooroordeel ingegeven door angst voor het andere en vreemde.

 

31.10.12

Elsevier-column over 'paarse' Rutte uit juli 2010



Enkele jaren geleden, in 2005, hebben (aspirant-)politici enkele zondagen in het geheim bij elkaar gezeten in een bijeenkomst die zij zelf het Veere beraad noemden. Jort Kelder, de oud-hoofdredacteur van Quote, was erbij, evenals oud-PvdA-politicus Rob Oudkerk, wiens carrière toen net gebroken was door onthullingen over zijn prostitutiebezoek. Ook Mark Rutte deed mee, de VVD-aanvoerder die nu met Job Cohen, Alexander Pechtold en Femke Halsema een Paars-plus kabinet wil formeren.

We weten nu pas van dit Veere beraad omdat Rob Oudkerk het vorige week in een interview met het weekblad HP/De Tijd heeft onthuld.P/HP H   De heren kwamen bijeen omdat ze graag een ‘progressieve volkspartij’ wilden oprichten. Rutte – ‘mijn lieve Mark’ zoals Oudkerk hem noemt - wilde uiteindelijk niet mee doen, omdat hij de plannen voor een progressieve volkspartij binnen de VVD wilde realiseren. Nu Rutte de verkiezingen heeft gewonnen, zit hij op de positie waar hij in 2005 van droomde, en daar maakt Oudkerk ‘een diepe buiging’ voor.

Vanuit een journalistiek oogpunt is zo’n interview met Oudkerk natuurlijk erg interessant. Maar het is ook schokkend, inhoudelijk. Rutte heeft zich in de laatste verkiezingscampagne nadrukkelijk geprofileerd als een rechts politicus. Hij sprak strenge taal over immigratie en integratie. Kansarme mensen kwamen wat hem betreft het land niet meer binnen. Net zo kritisch waren zijn uitspraken over ontwikkelingssamenwerking, en vooral, over de noodzaak om te bezuinigen. Bezuinigingen waren eigenlijk alleen bij de VVD in goede handen. Zeker niet bij de PVV, de partij van Geert Wilders die op sociaal-economisch terrein eigenlijk heel erg links was geworden. En al helemaal niet bij de PvdA, de partij die een verkiezingsprogramma schreef dat volgens Rutte eigenlijk ‘de langste zelfmoordbrief uit de geschiedenis’ was.

Met dat rechtse programma heeft Rutte de verkiezingen gewonnen. Rutte zei daarna dat hij het liefst een kabinet over rechts wilde gaan leiden, met de PVV en het CDA dus. Tot inhoudelijke onderhandelingen is het echter niet gekomen. CDA-leider Verhagen zei dat VVD en PVV het eerst over belangrijke rechtsstatelijke kwesties eens moesten zijn voordat hij wilde aanschuiven. Rutte heeft toen niet verder aangedrongen. Tijdens het Kamerdebat over de verkiezingsuitslag nodigde hij Wilders publiekelijk tot zeven maal toe uit om alsnog de gesprekken te openen. Maar Wilders was natuurlijk niet zo dom dat hij daarop in ging. Hij bleef zitten en heeft sindsdien gezwegen. Wilders heeft namelijk nog maar één doel, en dat zijn de volgende verkiezingen. Al denken Rutte en Verhagen en alle anderen dat ze het spel slim hebben gespeeld en dat de schuld voor het mislukken van een rechtse coalitie bij Wilders ligt. Niet in de optiek van (potentiële) PVV-stemmers.

De kansen van Wilders om de volgende verkiezingen te winnen nemen alleen maar toe nu Rutte de grote zwenking heeft gemaakt en is overgestapt naar het kamp van Paars-plus. ‘Laten we wel wezen: als Paars-plus er komt, hebben we over anderhalf jaar een premier met een blonde kuif’, zegt ook Oudkerk in genoemd interview.

Maar is er eigenlijk wel sprake van een grote zwenking bij Rutte of volgt hij in de keuze voor paars gewoon zijn hart, dat partijpolitiek nogal lichtzinnig is?

De onthullingen van Oudkerk roepen herinneringen op aan eerdere uitspraken van Rutte. Toen Rutte zich in maart 2006 als de nieuwe (kandidaat-)lijsttrekker presenteerde, nam hij nadrukkelijk afstand van het traditionele beeld van de VVD als de partij voor Wassenaarse dames met parelkettingen. De VVD moest ook de partij van de Marokkaanse buurtvaders worden. Hij bepleitte nog in 2004 een fusie met D66, en vond nog in 2000 dat de VVD onder (nota bene) Joris Voorhoeve te rechts en te populistisch was. Rutte is in 2007 een week gasthoofdredacteur van het (ter ziele gegane) weekblad Opinio geweest. Nadat de onderwerpen voor het nummer waren vastgesteld, vroeg een redacteur zo langs zijn neus weg of Rutte niet iets kwijt wilde over immigratie en integratie. Dat was helemaal niet nodig, zei Rutte, want met personen als Bolkestein en Rita Verdonk wist de kiezer wel wat hij wat dat betreft aan de VVD had. De opmerking van de redacteur dat die kiezer hem op dit onderwerp wellicht vooral met Hans Dijkstal associeerde, werd lachend weggewuifd.

Zijn campagneteam heeft Rutte begin dit jaar waarschijnlijk uitgelegd dat hij toch iets moest doen met dat onderwerp. Nu Rutte weer wat vrijer is, blijken zijn rechtse uitspraken een uit het hoofd geleerd lesje te zijn geweest. Een lesje waarmee de kiezer die een fatsoenlijk rechts beleid wilde, in de val van sociaal-liberale stagnatie is getuind.
 
[Oorspronkelijk verschenen in Elsevier, week 28, 2010]

26.10.12

De Volkskrant over het Christelijk Conservatief Beraad


Conservatief Beraad: aarzel toch niet over die 'C' van CDA

VAN ONZE VERSLAGGEVER RON MEERHOF − 26/10/12, 00:00

DEN HAAG - Of de duvel ermee speelt: belegt het Christelijk Conservatief Beraad (CCB) een van haar zeldzame bijeenkomsten, congresseert op dezelfde dag enkele tientallen kilometers verderop het CDA! Jammer, heel jammer, zegt CCB-voorzitter Eddy Bilder. 'Wij zouden juist nu, júíst voor het CDA iets kunnen betekenen.'

Het CDA gaat het zaterdag in Rotterdam hebben over de zoveelste verkiezingsnederlaag, hoe dat komt en wat eraan te doen is. Maar de echte antwoorden zullen te beluisteren zijn in de voormalige synagoge in Gouda, verwachten Bilder en zijn geestesgenoten. Eerst en vooral: Hou eens op met dat geaarzel over die 'C' van CDA. Die staat voor christelijk en voor niks anders.

Het CDA moet daar weer voor uit durven komen, betoogt bijvoorbeeld Bart-Jan Spruyt, mede-oprichter en bestuurslid van het CCB. 'Het CDA moet zich opnieuw oriënteren op de christelijke wortels en op het conservatisme. Straal uit dat de eigen natie boven Europa gaat en dat de eigen identiteit verkieslijk is boven een multiculturele samenleving. Dat soort dingen. Langs zo'n weg kan het CDA weer de fatsoenlijk rechtse, conservatieve volkspartij van weleer worden.'

Journalist, publicist en dwarsdenkend intellectueel Spruyt is al jaren een luis in de pels van rechts en confessioneel Nederland. Tien jaar terug richtte hij de Edmund Burke Stichting op, met als doel het gedachtengoed van die aartsvader van het conservatisme te verspreiden. De ambitie om dat ideaal ook politiek te verwezenlijken leidde tot een flirt met Geert Wilders die al snel in desillusie eindigde.

De presentatie van een boek van zijn hand over de Veluwse dominee Doornenbal, Wie eenmaal heeft liefgehad, leidde in 2009 tot het CCB. 'Er kwamen zomaar 300 mensen opdagen!', zegt Spruyt. 'De sfeer was zo goed dat we besloten dat we vaker bij elkaar wilden komen.' Politieke ambities heeft het beraad niet, zegt Spruyt. Maar invloed uitoefenen middels goede ideeën is bepaald niet verboden. Daar zou het CDA zijn voordeel mee moeten doen, vindt Spruyt.

'Zoals de naam al zegt: we beraden ons', zegt Bilder. 'In huiskamers en één tot tweemaal jaarlijks op een congres. Een kerk vol mensen, tussen de honderd en de tweehonderd, die discussiëren over de rol van christenen in de samenleving en wat het betekent conservatief te zijn. Moeten we ons terugtrekken in de eigen kring, zoals de gereformeerde gezindte vaak geneigd is te doen, en dan onze waarden in relatieve afzondering voorleven in de hoop dat dit navolging vindt? Of moeten we ons actief mengen in de samenleving om die actief van de waarde van ons gedachtengoed te overtuigen? Dat soort vragen.'

Sprekers zijn zaterdag onder anderen dominee Huib Klink, tweelingbroer van de voormalige CDA-minister Ab Klink, CU-Kamerlid Gert-Jan Segers en CDA-Kamerlid Sander de Rouwe. 'Maar die laatste heeft zojuist moeten afzeggen', zegt Bilder spijtig. 'Hij moet écht aanwezig zijn op zijn eigen congres. Er is niks aan te doen. Er zit geen kwaaiigheid achter. Het CDA was nu eenmaal erg laat met het vaststellen van een datum.'

 

31.1.12

Studiedag over 'Gezin en beschaving'

De Edmund Burke Stichting organiseert op zaterdag 11 februari a.s. een bijeenkomst over het thema Family and Civilization, naar het bekende boek van de Harvard socioloog Carle Zimmerman (dat is uitgegeven door onze vrienden van ISI). De bijeenkomst staat open voor studenten, promovendi en young professionals. Aanmelden door toezending van brief en CV aan info@burkestichting.nl

30.1.12

Ds. L. Kievit in Putten (1945)

De razzia die het Veluwse dorp Putten in oktober 1944 zo heeft geschonden en ontredderd, is een van de meest tragische gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Het verzet pleegde in de nacht van zaterdag 30 september op zondag 1 oktober 1944 een aanslag op een passerende auto met Duitse militairen. Eén Duitse officier kwam daarbij om het leven. De Duitsers namen diezelfde nacht nog wraak door Putten te omsingelen en daarna meedogenloze vergeldingsmaatregelen te treffen. Ruim honderd woningen werden in brand gestoken, zes mannen en een jonge vrouw doodgeschoten, en 660 mannen werden vanuit de hervormde Oude Kerk afgevoerd naar het concentratiekamp Neuengamme, waarvandaan zij naar verschillende andere kampen werden getransporteerd.

Na de oorlog, die voor Putten op 18 april 1945 eindigde, keerden slechts 48 mannen naar Putten terug, van wie er vijf kort daarna alsnog overleden. Het dorp rouwde om 552 doden, en telde 308 weduwen en 667 weeskinderen. Hoe hun mannen en vaders aan hun einde waren gekomen, wisten de nabestaanden vaak niet eens. ‘Er is zoveel geleden in Putten, dat achterbleef na de oorlog als een dorp van weduwen’, schreef ds. J. T. Doornenbal. ‘Als een akker is Putten geploegd geworden’ (Overpeinzingen van een pelgrim, 3e dr., 1995, p. 276).







Putten was een hervormd dorp. Tachtig procent van de bevolking behoorde tot de Nederlandse Hervormde Kerk, de Christelijk-Historische Unie was de grootste partij. In oktober 1944 was de hervormde gemeente vacant. Ds. C. B. Holland (1878-1948) had zich in 1930 aan de gemeente verbonden, en was in mei 1944 (tegen zijn zin) met emeritaat gegaan. Hij bleef hulpprediker maar kreeg lange tijd geen opvolger. Holland stond op 10 mei 1945, Hemelvaartsdag, voor de zware opgave om een eerste dodenlijst met 187 namen in een halfduistere dorpskerk voor te lezen aan een wanhopige schare die sinds 1 oktober 1944 niets meer over het lot van de weggevoerden had vernomen. In de dagen daarna bezocht hij vele families en gezinnen, tot het hem fysiek te zwaar werd en hij in de herfst van 1945 zijn hulppredikerschap om gezondheidsredenen moest neerleggen.

Putten had inmiddels een nieuwe herder en leraar gekregen in de persoon van ds. Leendert Kievit (1918-1990), die in augustus 1945 door zijn vader, ds. Izaäk Kievit, aan de gemeente was verbonden. Kievit jr. kwam van Schoonrewoerd. Enkele jaren na het overlijden van ds. Holland verscheen er een bundel preken van hem in druk, met een voorwoord van ds. L. Kievit. Hij prees zijn voorganger daarin als een man wiens uitspraken ‘even kras als raak’ waren geweest, ‘zonder iemand te sparen en recht op de man af. Zijn woorden hadden het gewicht der waarheid en nooit zwichtte hij voor menselijke weerstand’. Ds. Holland had voor het Woord gebeefd en uit dat Woord geleefd (Licht en leiding, 1950).

L. Kievit (1918-1990) zal voor vele lezers van Ecclesia geen onbekende zijn. Bij zijn overlijden hebben dr. W. Aalders en dr. M. Verduin hem in deze kolommen met sympathie en waardering herdacht. Verduin haalde vooral de levendige, reformatorische prediking van Kievit naar voren, waarbij de ‘trouw van God in de geslachten’ centraal stond en de hoorders ‘zonder omhaal van woorden oog in oog werden gezet met Christus’. Kievit was een belezen theoloog met een uitzonderlijk taalgevoel, en tegelijk een ‘man met een diepe pastorale bewogenheid’. Aalders tekende hem als een ‘fijnzinnig en artistiek mens’, ook als ‘de man uit Baarn’, de gentleman uit het oude villadorp, ‘de uitwonende, weggetrokken uit de idylle van zijn jeugd, uit zijns vaders huis, uit zijn land en maagschap.’

Zijn vader Izaäk Kievit (1887-1954) was sinds 1923 tot aan zijn emeritaat in 1952 predikant in Baarn en was een grote in het kerkelijke Israël. Hij had eigenlijk, als professor Hugo Visscher zijn zin had gekregen, moeten promoveren op de relatie tussen de filosoof René Descartes (1596-1650) en de gereformeerde theologie, en als hij dat had gedaan had Kievit sr. zijn grote gaven van hoofd en hart ongetwijfeld op een leerstoel kwijt gekund. Maar hij werd predikant. Wel heeft hij in Baarn jarenlang een contio geleid, waarbij hij theologische lezingen verzorgde voor een groep jonge predikanten die daar voor de rest van hun leven door gevormd zijn. Die kring was ontstaan doordat Kievit jr. en zijn jeugdvriend P. C. (Piet) Kuiper, de later zo beroemd geworden psychiater, als Utrechtse studenten vrienden mee naar huis namen om met Kievit sr. over tal van onderwerpen van gedachten te wisselen. Als gymnasiasten hadden Kievit jr. en Kuiper al onder leiding van Kievit sr. het werk van de filosoof Immanuël Kant gelezen, en als student in de geneeskunde (psychiatrie) heeft Kuiper meer dan eens bijdragen aan de bijeenkomsten geleverd over onderwerpen op het raakvlak van psychologie en theologie.

Tot de bezoekers van de maandelijkse Baarnse contio’s behoorde ook de bekende, reeds genoemde ds. J. T. Doornenbal (1909-1975). Hij beschouwde zich als een geestelijke zoon van ds. I. Kievit en was levenslang bevriend met ds. L. Kievit, die hij vooral bewonderde om zijn manier van preken. Nadat hij de preek had gehoord waarmee Kievit jr. ds. C. Balke in 1956 als zendingspredikant bevestigde, schreef Doornenbal: ‘zoals hij ’t kan, kan niemand het, zo fris en levendig en tegelijk zo zuiver. Mijn oude, dorre hart wordt altijd verkwikt onder zijn woord en verwarmd door het vuur van zijn geest. Hij weet de dingen zo treffend te zeggen en zo helemaal op zijn eigen manier: “Vader Balke heeft vier zoons, en hij moet er minstens één afstaan. God heeft maar één Zoon en Hij gaf Hem …”’ (Pastorale pennevruchten, 1994, pp. 38-39).





Maar goed, dit is allemaal gezegd en geschreven over de man ds. Kievit, die na zijn periode in Putten (1945-1952) nog predikant is geweest in Woerden, opnieuw Putten, Leiden en Gouda. Toen hij zich in augustus 1945 aan de gemeente van Putten verbond, was Kievit een jonge man, 27 jaar oud, en stond hij voor de taak een getraumatiseerde gemeente en gemeenschap te troosten en te leiden door de verkondiging van het Woord van God. Hoe kun je in die situatie het heil en de troost van het Evangelie uitdragen, zonder de genade door clichés en dooddoeners goedkoop te maken? Jaren later erkende Kievit in een interview met het opinieweekblad De Tijd (6 januari 1978) dat hij het er erg moeilijk mee had gehad. ‘Ik moet eerlijk zeggen: ik had er natuurlijk geen woorden voor. Het is onmogelijk in die omstandigheden aan te komen met: het zal wel ergens goed voor zijn, je zult het wel verdiend hebben, of: na regen komt zonneschijn. Het worden allemaal banaliteiten.’ Velen vonden in Putten steun in hun geloof in God, zoals ook de weggevoerde Puttenaren die hadden gevonden. ‘Eén overlevende zei: Je had in het kamp maar één keus: je moest je vasthouden aan God of aan het prikkeldraad’. Maar er waren ook Puttenaren die met hun vuist op tafel sloegen en met de kerk braken. Kievits eigen dienstmeisje verliet de kamer wanneer Kievit uit de Bijbel begon voor te lezen. ‘Ze had een broer verloren en zei: “dat kan ik niet meer horen dominee”.’ Voor Kievit zelf was het ‘een worsteling’ geweest. Dat betrof niet alleen de herdenkingsdiensten die hij in oktober 1945 moest leiden, zo kort na zijn bevestiging in Putten, maar ook de jaren daarna, toen hij iedere avond om zeven uur via eenzelfde route door het dorp liep om de vaderloze kinderen naar binnen en naar bed te jagen.

Bovendien moest hij natuurlijk pastorale bezoeken afleggen aan vrouwen die hun man en/of hun zoons hadden verloren. Zijn ‘verschrikkelijkste ervaring’, de ontmoeting die de diepste indruk op hem maakte, was een huisbezoek dat hij samen met een ouderling aflegde. (Kievit heeft niet alleen in De Tijd van dit voorval verhaald, maar ook in een herdenkingstoespraak die hij op 2 oktober 1984 in Putten heeft gehouden en die in De Waarheidsvriend van 11 oktober 1984 is gepubliceerd). De naam van die ouderling was Dirk Schuitemaker en hij had zijn twee zoons verloren, Cornelis van 20 jaar oud en Gerrit van 22 jaar oud. Bij de onthulling van het standbeeld van de vrouw van Putten op 1 oktober 1949 was deze Schuitemaker voorgesteld aan koningin Juliana, die hem had gevraagd hoe hij door zoveel leed had kunnen doorkomen. Schuitemaker had geantwoord dat hij dat nooit had gekund wanneer hij niet had geweten dat God de Heere Zijn toevlucht en troost was geweest. Om daar in liefde tegenover de getroffen koningin de vraag aan toe te voegen of zij daar nu zelf ook iets van mocht kennen.







Met deze man ging Kievit op huisbezoek. In sommige straten moesten ze hun bezoeken huis aan huis afleggen. Ze kwamen ook bij een vrouw die haar man kort voor de oorlog had verloren, van wie één zoon ver weg was gegaan en van wie nog één zoon bij haar thuis woonde. Tijdens het bezoek sloeg zij plotseling het vloerkleed weg, liet een luik zien, en zei: ‘Hieronder zat mijn zoon verscholen. Ik heb hem er haast aan z’n haren moeten uittrekken. Ik heb hem gezegd: je moet je melden en doe het nu maar, want de Duitsers hebben gezegd dat ze het hele dorp platbranden en dan verbrand je hier levend. Hij is gegaan en ik heb hem nooit meer teruggezien. Het huis is niet afgebrand. Kunnen jullie zoiets begrijpen?’, riep ze. ‘Ik hoor haar nog schreeuwen’, zei Kievit dertig jaar later in het interview met De Tijd.
Ds. Kievit probeerde wat te zeggen maar de vrouw zei tegen hem: ‘Och man, je bent nog zo jong en je hebt niks meegemaakt.’ Schuitemaker had tot dan gezwegen, maar nu boog hij zich wat voorover en zei voor het eerst wat. ‘Vrouw, heb ik ook niks meegemaakt?’ ‘Ja Dirk’, zei ze, ‘jij bent ook een jongen kwijt.’ ‘Ja twee’, zei hij toen. ‘En hoeveel had je er?’ ‘Twee.’ ‘O Dirk’, zei ze, ‘dat is haast nog erger. Twee jongens en twee kwiet, kun je dat begriepen?’ Toen zei Schuitemaker: ‘God had één Jongen en Hij wilde Hem kwijt voor jou en voor mij, voor jouw en mijn kinderen. Kun je dat begrijpen?’

Schuitemaker kon dat zeggen, omdat hij zelf immers zijn twee zonen had verloren. Als Kievit het had gezegd, ‘had dat niets betekend’, zei hij zelf. Bovendien had hij zelf ‘aan zoiets natuurlijk ook veel steun’. ‘Ik ben dat antwoord nooit vergeten, want Schuitemaker richtte zomaar het kruis op in het midden van het gesprek, in het midden van de nood en in het midden van de zorg. En dat alleen het kruis van de Heere Jezus Christus troost en rust kan bieden. En die vrouw, die nog nooit had kunnen huilen, een jaar later nog niet, barstte in snikken uit en zei: “Daar heb ik niet aan gedacht”.’ Zoals uit het hierboven gegeven citaat van ds. Doornenbal bleek, gebruikte Kievit het beeld van een vader die zijn zoon moest afstaan zelf ook in de bevestigingsdienst van ds. C. Balke als zendingspredikant. ‘De Heere had er Zijn Zoon voor over. En Hij had er maar één. Vader Balke heeft er vijf. Hij heeft er één voor over, gelukkig, om de zaligheid Gods bekend te maken onder de heidenen. Maar God had er, in geheel eenige zin, Zijn eigen lieve Zoon voor over. En u weet wel wat dat gekost heeft. Daar kunnen wij ons geen voorstelling van maken’ (Gods weg met de heidenen, pp. 259-260; Doornenbal had zich dus één zoon verrekend).

Voor het interview met De Tijd uit januari 1978 was een concrete aanleiding. De VARA had kort daarvoor een TV-documentaire over de gebeurtenissen van oktober 1944 uitgezonden (Putten op de Veluwe, het spoor terug naar de tragedie van 1944). Die documentaire was niet geheel onverdienstelijk, maar had een bedenkelijke leidraad: dat zoveel Puttenaren in de kampen om het leven waren gekomen, kwam door hun kerk en geloof. De gepredikte lijdzaamheid was een voedingsbodem van berusting en fatalisme geweest en had daarmee aan hun ondergang bijgedragen. Puttenaren geloofden dat alles was voorbeschikt, dat alles ging zoals het moest gaan en dat het daarom geen enkele zin had je tegen je lot te verzetten.

De Puttenaren waren nogal ontstemd over de documentaire. Niet alleen omdat oude wonden werden opengereten, maar vooral vanwege de verkeerde voorstelling van zaken, die, dachten ze, vanuit een anti-kerkelijk vooroordeel moest zijn gegeven. Kievit riep tegenover deze beeldvorming in herinnering dat Putten zich in de oorlog alles behalve passief had opgesteld. Putten had vele onderduikers geherbergd, er waren hier wapendroppings vanuit Engeland geweest en Putten had meegewerkt aan vluchtlijnen voor Engelse vliegers. En van het ‘stomme lot’ had hij nooit gesproken. ‘Wanneer je ervan uitgaat dat het van God komt, kun je er tenminste nog iets mee doen, meer dan met dat stomme lot. Tot God kun je bidden, je kunt met Hem praten, je kunt Hem zoeken. Er blijft natuurlijk iets raadselachtigs in, Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Een ander kun je niet aanpraten dat zoiets van God komt maar het is natuurlijk wel een Bijbels gegeven. God slaat en God straft en dan worden veel mensen boos.’

Hoezeer de houding van Kievit verschilde van het beeld dat in de documentaire werd geschetst, blijkt vooral uit de preken die hij in 1945 in Putten heeft gehouden, met name uit zijn intredepreek over Jesaja 61:2c (26 augustus 1945) en de twee preken over Job 5 die hij een jaar na de deportatie heeft uitgesproken (2 oktober 1945). In deze preken is geen spoor van valse lijdelijkheid. Het Evangelie is er niet om ‘alle noden en zorgen op de bodem van een weemoedig hart te laten liggen’. En de preken zijn al evenmin een filosofische poging om een theodicee (rechtvaardiging van het Godsbestuur) in elkaar te knutselen. ‘In het boek Job gaat het niet om de oplossing van een raadsel, doch om de onthulling van het Heilige.’ De preken zijn pastoraal en ontdekkend tegelijkertijd, en doen precies wat Schuitemaker deed in het gesprek met die weduwe: zij richten het kruis op in het midden van alle vragen, nood en zorg, en wijzen de weg naar de troost en rust in de Heere Jezus Christus.

In de intredepreek stelde Kievit de vraag aan de orde waarom God hem naar het geteisterde, in leed en rouw gedompelde Putten had gezonden. ‘Wat trekt mij aan in u, wat beweegt de Heere tot u?’ Het was, met het woord uit Jesaja, om de treurigen te troosten. Maar helaas is onze troost vaak niet meer dan ‘een doek van ijdele woorden’ die over de put van de smart wordt gespreid, terwijl die smart daaronder nog even zwart blijft gapen. Onze troost is onmachtig, ‘een spiegelgevecht met de smart. Meer niet.’ Troosten kan daarom niet anders zijn dan de Knecht des Heeren, de Messias, die in deze wereld gezonden is om de treurigen te troosten, aan de gemeente voor te stellen.

In de eerste preek over Job (hoofdstuk 5, vers 8-9) benadrukt Kievit dat God het was die Putten heeft bezocht. ‘Hij schreed door uw midden, onaantastbaar in majesteit, schrikkelijk in gerichten, omfloerst door donkerheid.’ Het komt erop aan onder dat ‘hoge bezoek’ te buigen, en dan niet alleen ‘onder God maar ook bij God’ te komen. ‘Wat gij opkropt, dat knauwt u voortdurend. Het geeft zulk een opluchting als ge er eens over praat. Welnu, praat er eens met de Heere over, zo raad ik u. Beter adres is er immers niet.’ De God van het Woord is niet de afgod van de stugge stilte waartegenover slechts stomme gelatenheid past.

In de tweede preek over Job (hoofdstuk 5, vers 17-18) gaat het over het geluk van de mens die door God wordt bestraft. Want God doet smart en Hij verbindt, Hij doorwondt en Zijn handen helen. Niets is zo erg als wanneer God niet meer spreekt en Zijn hand aftrekt. Daar hebben we het wel naar gemaakt. Maar nu straft Hij nog om te behouden. God is geen zachte heelmeester, aldus Kievit. ‘Hij doet smart aan, Hij doorwondt. Ja, dat wordt niet verdoezeld, het is smartelijk. Wij worden niet slechts lichtelijk gekwetst, maar vreselijk doorkerfd, letterlijk verbrijzeld. Bloedig gaapt de wonde, uiteengereten is het hart, niets minder. De Almachtige is niet zachtzinnig, de smart vlijmt door de ziel. Hij hanteert het mes meesterlijk, zonder aarzeling. Een ruw handwerk, dat opereren? Ach nee, iedere hardvochtigheid is Hem vreemd. De Almachtige is Israëls Heelmeester. Het móet. Zijn hand beeft niet, maar Zijn hart trilt van ontferming. Hij, Hij doet smart aan en doorwondt, Hij de Heelmeester. Dat maakt het draaglijk, dat geeft kracht, dat geeft verwachting. Zijn kastijding is nooit ten dode, doch ten leven. Zij is nooit onverdiend of overbodig, zij is nooit zonder einde en zonder doel. Wie Hij onder handen neemt, zal Hij behandelen, en daarin willen wij Hem loven.’

Deze enkele citaten laten duidelijk genoeg zien op welk een geestelijke en pastorale wijze ds. Kievit in die moeilijke periode gezouten woorden van heil en troost vanuit het Evangelie aan de rouwende Puttenaren heeft mogen spreken. Blijkbaar heeft deze prediking ook een helende uitwerking gehad, kracht geschonken aan de Puttenaren om door te gaan en hun leven te herpakken, hun identiteit te hervinden en te behouden. Enkele jaren later maakte een groep van Puttenaren een reis naar de plaats in Duitsland waar veel afgevoerde mannen om het leven waren gekomen. ‘Toen wij in 1950’, vertelde Kievit in De Tijd, ‘voor het eerst een reis naar het kamp in Duitsland maakten en in Ladelund een gezamenlijke kerkdienst hielden met de Luthers-Evangelische kerk, die veel had gedaan voor het begraven van de slachtoffers en voor de registratie van de namen, zeiden sommige Puttenaren tegen me: u moet niet het Onze Vader bidden, want vergeven kan ik niet. Maar ze groeiden er toch naar toe en toen kon het wel. Zeer velen vonden juist in die tijd veel steun in hun geloof in God. De meesten zijn ook behoorlijk door al dat leed heen gekomen, ook al door de grote saamhorigheid en burenhulp over en weer.’


Ieder jaar worden de gebeurtenissen uit oktober 1944 in Putten herdacht. De thema’s uit de preken die Kievit zijn bovendien tijdloos – het lijden en het mysterie van Gods beproevingen en kastijdingen. Er is dus altijd goede reden om hierop terug te zien. Maar er is nu een extra reden, en die is gelegen in de publicatie van een theologische scriptie over de preken van ds. Kievit uit 1945. Deze sciptie, geschreven door de heer M. G. M. Mudde, biedt niet alleen een nieuwe editie van de drie belangrijke preken van ds. Kievit (over Jesaja 61 en Job 5) maar ook een analyse van de inhoud en een toelichting van de historische omstandigheden. Het boekje, dat van harte kan worden aanbevolen, heeft inmiddels al zoveel aftrek gevonden dat een tweede druk in voorbereiding is, dit keer met een bijdrage van prof. dr. W. Balke, die een goede vriend van zowel Kievit sr. als Kievit jr. is geweest. Wie het boekje wil bestellen kan zich in verbinding stellen met de auteur via dit emailadres: mudde-kievit@solcon.nl.

N.a.v. M. G. M. Mudde, Een goede raad en een grote troost. Onderzoek naar de preken van ds. L. Kievit na de Puttense razzia (1945-1952).


Dit artikel is eerder verschenen in het blad Ecclesia.

23.1.12

Om de ziel van het kind

Voorspellingen zijn altijd moeilijk, vooral vooraf. Wie had vroeg in 2002 kunnen denken dat ons land tien jaar lang in de ban zou raken van een ‘nieuwe politiek’ van rechtse populisten, die aanvankelijk werden weggelachen maar nu dan toch een blijvende positie in het Nederlandse parlement bemachtigd lijken te hebben? Ik kan me nog herinneren dat ik politieke journalisten tien jaar geleden in perscentrum Nieuwspoort weddenschappen zag afsluiten over de vraag wie de nieuwe premier zou worden: Dijkstal (VVD) of Melkert (PvdA). Korte tijd later waren ze definitief weg.

De komende jaren zullen ongetwijfeld vooral in het teken van de economische crisis staan. Maar daarnaast is er een thema waarvan ik denk – als ik mij eens aan een voorspelling mag wagen – dat het in de komende tijd een belangrijke rol gaat spelen in de maatschappelijke en politieke discussies in Nederland. En dat is het kind.





Een eerste teken was de prille discussie, vorig jaar voorjaar en zomer, over de rituele slacht en de besnijdenis. Eerst verscheen er een wat wild opiniestuk in de Volkskrant, geschreven door een voormalig fractiemedewerker van de VVD. De teneur van dat artikel was dat we nu eindelijk het barbaarse ritueel van de onverdoofde slacht hadden afgeschaft (dachten we toen nog) en dat we dan nu maar gelijk moesten doorpakken en de barbarij van de jongensbesnijdenis moesten verbieden.

Opmerkelijk genoeg kreeg dat stuk een vervolg in een opinieartikel van het artsengenootschap KNMG in Trouw, waarin eveneens de afschaffing van de jongensbesnijdenis werd bepleit. Het opmerkelijkst was de argumentatie. Het verbod moet er niet alleen komen omdat besnijdenis een vreselijke fysieke verminking is, maar ook omdat die in strijd is met de rechten van het kind (zoals vastgelegd in het kinderrechtenverdrag van de VN). Wie heeft het recht, welke vader of moeder, welke kerk heeft het recht om een kind vanaf de geboorte een identiteit op te leggen die dat kind levenslang met zich meedraagt en waarvoor het zelf niet heeft gekozen? (Uit een recent artikel in de Jerusalem Post wordt duidelijk dat leden van de Knesseth zich zorgen maken over de dreigende verboden op de rituele slacht en de besnijdenis in Europa).

De kwestie wat volwassenen met kinderen kunnen uitvreten en ze kunnen aandoen, heeft natuurlijk een gruwelijke urgentie gekregen door de weerzinwekkende smeerpijperij in sommige delen van de Rooms-Katholieke Kerk. Hoe kwetsbaar zijn kinderen! Waar zijn zij eigenlijk nog veilig?

In een vraaggesprek met Antoine Bodar, eind vorige maand uitgezonden, vertelde tv-presentator Paul Witteman waarom hij afscheid van zijn roomse jeugd heeft genomen. Op een gegeven moment maakte Witteman zich boos over dingen die in de naam van God in de dagelijkse praktijk gebeuren. Bodar dacht toen dat hij het over het seksueel misbruik had. Maar nee, zei Witteman, ‘ik bedoel dat kinderen vanaf hun zesde jaar worden volgestampt met ideeën, met de catechismus. We weten allemaal hoe dat later doorwerkt. Juist op die jonge leeftijd word je volgestampt met ideeën over God. Met plaatjes van een mooie man met lange haren of een heel lieve Maria die als moeder is afgebeeld. In mijn ogen krijg je dan een heel verwrongen beeld van hoe het leven, hoe de onderlinge menselijke verhoudingen in elkaar zitten. Daar heb ik later last van gehad. Ik vind dat je moet oppassen met kinderen, ze moeten zich in vrijheid kunnen ontwikkelen.’

Vergis ik mij of is dit een manier van denken, denken vanuit het recht van het kind op de keuze voor een eigen identiteit, die de komende jaren steeds meer zal worden ingebracht tegen de vrijheid van de religieuze opvoeding? Komt er een conflict om de ziel van het kind?

In een liberale opvoeding kies je zelf en kies je voor jezelf. Je hoeft nergens dankbaar voor te zijn en je nergens voor te schamen. In een christelijke opvoeding gaat het om de ziel van het kind dat tot het kwade geneigd is en dus moet leren dat er wel heel veel is om dankbaar voor te zijn en ook heel veel om je voor te schamen. De opvoeding is er om de ziel in te wijden in de liefde tot God, karakter en geweten te vormen, gematigdheid, wijsheid, zelfbeheersing bij te brengen.

In de christelijke traditie is hier prachtig over geschreven, door fijnzinnige geesten als F. W. Foerster en W. Aalders bijvoorbeeld. Maar hoe overtuigend is dat verhaal in een situatie waarin liberalen zich sterk maken voor de rechten van het kind tegenover een kerk die kinderzielen heeft verwoest?

(Deze column stond vrijdag 13 januari j.l. in het Nederlands Dagblad)