22.3.11

Misverstanden in het debat over 'de scheiding van kerk en staat

Maandagmiddag was ik te gast in het programma Schepper&Co aan tafel om samen met Sophie in 't Veld (D66) en Ruard Ganzevoort (GroenLinks, maar ook de trotse nakomeling van Wessel Gansfort) te debatteren over vrijheid van godsdienst, secularisme en de scheiding van kerk en staat. Dat is leuk,deelname aan zo'n uitzending, maar om je opvattingen precies duidelijk te maken kun je toch beter een stukje schrijven. Dat heb ik vandaag gedaan in de vorm van mijn wekelijkse column voor Binnenlands Bestuur. De tekst staat ook hieronder.



Het zijn grote woorden, de discussie erover keert met grote regelmaat terug en cirkelt rond de relatie tussen overheid en geloof. Het gaat dan bijvoorbeeld over de vrijheid van een politieke vereniging om vrouwen te weren uit politieke functies, om de vrijheid van een islamitische leraar of ambtenaar om een vrouw geen hand te geven, om de vrijheid van christelijke scholen om geen homoseksuele leraren aan te nemen of de vrijheid van een kerk om homoseksuele kerkgangers de hostie te onthouden. Of het gaat over het dragen van religieuze symbolen in de publieke ruimte: om hoofddoekjes achter een balie van het gemeentehuis of zelfs – alsof er nooit een Rosa Parks is geweest – in een Noordhollandse bus. VVD-kamerlid Jeanine Hennis zei vorige week in een interview met De Pers dat ambtenaren in publieksfuncties geen religieuze symbolen mogen dragen en bepleitte een ‘meer beschouwend debat’ over dit en aanverwante onderwerpen. Dat ‘fundamentele’ debat gaat er komen, in de Tweede Kamer. En dan zal het dus gaan over de vrijheid van godsdienst (artikel 6 van onze Grondwet) en over de scheiding van kerk en staat, die niet in onze Grondwet wordt genoemd maar toch als een belangrijk grondprincipe van onze rechtsstaat geldt.
Over deze zaken bestaan veel onduidelijkheid en misverstanden.

• Velen denken dat de overheid neutraal moet zijn en dat dit betekent dat de overheid seculier, godsdienstloos, moet zijn. Geloof is best, maar achter de voordeur, niet in de publieke ruimte. Dit standpunt is een vergissing. Het seculiere standpunt is niet neutraal, maar even goed een levensbeschouwelijke keuze. Neutraal wil zeggen onpartijdig, en dat betekent dat alle levensbeschouwingen in principe dezelfde ruimte krijgen om er te zijn en zich te uiten.

• Velen denken dat de scheiding van kerk en staat betekent dat gelovigen geen politieke standpunten mogen uitdragen die op hun geloof gebaseerd zijn. Zo zouden gelovigen zich niet tegen abortus of euthanasie mogen uitspreken omdat zij dan andere mensen iets zouden willen verbieden en opleggen op grond van hun geloof. Wie zich vóór abortus en euthanasie uitspreekt, creëert net zo goed een maatschappelijke werkelijkheid die gebaseerd is op levensbeschouwelijke keuzes.

• De scheiding van kerk en staat betekent heel eenvoudig dat de kerk niet mag regeren en de overheid geen geloof mag dicteren. Een democratische rechtsstaat verhoudt zich niet met een theocratie en niet met een overheid die in het leven van de kerk ingrijpt. De kerk mag de overheid niet dwingen om alle andere geloven ‘te weren en uit te roeien’, en de staat mag burgers niet dwingen een bepaald geloof aan te hangen. De laatste vervolging van gelovigen in Nederland had plaats in de jaren dertig van de negentiende eeuw, toen een Oranjevorst (Willem I) en een liberale minister van Justitie (Van Maanen) via inkwartiering, boetes en celstraffen christenen vervolgden die de Nederlands Hervormde Kerk verlieten en een eigen nieuw kerkgenootschap stichtten.

• Wanneer de staat geen geloofsovertuiging mag opleggen, mag zij verenigingen en kerkgenootschappen ook niet onder het juk van een levensbeschouwelijk principe laten doorgaan. Nu is dat vooral het gelijkheidsprincipe, zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet, dat zich zowel tegen de SGP als tegen de Rooms-Katholieke Kerk dreigt te keren (als de sociaal-liberalen van D66, GroenLinks en VVD hun zin krijgen). De Grondwet zelf geeft aan dat de vrijheid van godsdienst en vereniging wordt begrensd door de wet (de artikelen worden immers besloten met de formulering: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’). Artikel 1 regeert niet over de klassieke grondrechten, zoals regering en Tweede Kamer in twee grote debatten hebben uitgesproken. Er is geen rangorde in de grondrechten.

• Een ‘meer beschouwend debat’ over staat en geloof is nauwelijks mogelijk omdat er de nodige irritatie aan de behoefte aan dat debat ten grondslag ligt. In de jaren negentig leken we af te stevenen op een religieloze publieke ruimte: de secularisatie ging onverminderd door en het CDA was uit het centrum van de macht gemanoeuvreerd. Maar het CDA bleek toch nog levensvatbaar en een nieuw geloof, de islam, bleek zich assertief te manifesteren. De discussie zoals die nu wordt gevoerd is eigenlijk volledig te danken aan de aanwezigheid van de islam. Over religieuze symbolen achter gemeentebalies is nooit enige ophef gemaakt, omdat dat ook niet nodig was. Een kruisje of keppeltje riepen geen wantrouwen op, een hoofddoekje (blijkbaar) wel. Het verzet tegen het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP komt voort uit de zorg dat een (veel grotere) islamitische partij vergelijkbare standpunten zal gaan huldigen. Het verzet tegen de rituele slacht komt voort uit verontwaardiging over de slachtpraktijk onder moslims. Maar als je op basis van een relativistische levensovertuiging in gelijkheid gelooft – en dus alle geloven even erg vindt of allemaal even mooi – dan heb je het niet over de islam maar over religie in het algemeen.

• Dat ‘meer beschouwende debat’ zou volgens de sociaal-liberalen moeten uitmonden in het schrappen van de vrijheid van godsdienst. Dat is erg vreemd. Een klassiek grondrecht is geen toevallige, welwillende concessie van de overheid aan burgers, die op een gegeven moment net zo goed weer kan worden ingetrokken, maar is van de burgers en beschermt hen tegen de willekeur van de staat of tegen een toevallige meerderheid van seculiere, liberale, blanke burgers die zich nu nadrukkelijk roeren en in feite even tiranniek een levensbeschouwing willen opleggen als de eerste de beste theocraat.

• Dat voorstel om artikel 6 van de Grondwet te schrappen noopt bovendien tot enig wantrouwen. De voorstanders zeggen dat gelovigen al vrijheid van meningsuiting en vereniging hebben en dat de vrijheid van godsdienst om die reden overbodig is. Maar als deze artikelen materieel samenvallen, waarom dan die moeite gedaan om artikel 6 te schrappen? Blijkbaar is er iets anders aan de orde. Wanneer je artikel 6 schrapt kun je het geloof gaan zien als ook maar een mening. Nu gaat het om iets kwetsbaars, om wat mensen ten diepste drijft, en daar kun je als overheid niet zo maar in snijden.

• En tot slot (al zou er natuurlijk nog veel meer te zeggen zijn): zo’n ‘meer beschouwend debat’ is zeer welkom, maar laat het alsjeblieft niet door politici worden gevoerd. Die willen – als zo’n debat al niet direct verzandt in genant gekissebis over hoofddoekjes - immers altijd een wet maken, en dus iets gebieden of verbieden. Het onderwerp kerk, staat, geloofsvrijheid is te belangrijk om aan politici over te laten.

12.3.11

Wilders en Majesteit

Het Filosofisch Elftal van Trouw (over De koningin en de populist) borduurt vandaag voort op mijn column voor Binnenlands Bestuur van deze week over de opmerkelijk vrijmoedige kritiek van Geert Wilders op Majesteit. Waarom distantieert Wilders zich zo scherp van uitspraken van koningin Beatrix en andere leden van het koninklijk huis, en hoe komt het dat hij zich die houding kan permitteren (anders dan Pim Fortuyn tien jaar geleden)?
De tekst van de column staat ook hieronder.




Premier Rutte moest zich van de week in de Tweede Kamer verantwoorden over het besluit om Majesteit toch te laten aanzitten aan een privédiner in Oman, en daarmee over zijn relatie tot het koningshuis. Maar politiek veel interessanter en spannender is de relatie tot de koningin van PVV-leider Geert Wilders. Die zoekt openlijk de confrontatie met de koningin in een strijd om de volksgunst.


Het heeft Majesteit dan toch behaagd te dineren met Qaboos bin Said al-Said, de sultan van Oman. Dat leek niet voor de hand te liggen, die aanzit, omdat Oman, net als vele andere landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, het toneel van onrust en opstand is, en een bezoek aan Oman gemakkelijk als steun aan het bewind van de sultan kan worden uitgelegd. Inderdaad was de komst van koningin Beatrix voorpaginanieuws in de Engelstalige kranten van Oman. ‘Queen Beatrix in Muscat today’, meldde de Muscat Daily over de volle breedte van de voorpagina in een toepasselijke oranje steunkleur.

De Kamer riep premier Rutte op het matje omdat hij de koningin toestemming heeft gegeven voor het privédiner. Een meerderheid van de Kamer had vorige week immers duidelijk gemaakt dat het verstandig zou zijn wanneer het staatsbezoek aan Oman – dat aanvankelijk de bedoeling was – voorlopig niet doorging. Twee dagen later meldde het kabinet per brief aan de Kamer dat de koningin toch op korte termijn naar Oman ging, niet voor een staatsbezoek maar voor een privé-etentje. Om daarover alsnog iets te kunnen zeggen, wilde de Kamer dat Rutte zich beschikbaar stelde voor een debatje.

Zo’n debatje gaat natuurlijk over meer dan alleen dat bezoek en de rol van handelsbelangen die bij de besluitvorming een rol heeft gespeeld. Het gaat ook over de relatie van deze nieuwe en jonge premier tot het koningshuis. Dat is interessant genoeg. Maar eigenlijk nog veel interessanter, en in ieder geval spannender, is de relatie tot het koningshuis van PVV-leider Geert Wilders.





Toen het besluit dat Majesteit alsnog naar Oman zou afreizen, bekend was geworden, twitterde Wilders: ‘Honderden mensen demonstreerden vandaag [zondag – bjs] in Oman tegen regime van abjecte Sultan. Dat de Koningin met die dictator gaat dineren is erg dom!’

Zo’n reactie is op z’n minst vrijmoedig te noemen. En het was deze keer niet voor het eerst dat Wilders zijn kritiek op het koningshuis zonder enig voorbehoud spuide. Haar Kersttoespraken, vol met oproepen tot tolerantie en respect en andere zaken die niet bovenaan in de Wilderiaanse deugdencatalogus staan, hebben al eerder zijn toorn opgeroepen. Een oproep tot vrede en tot het tegengaan van grofheid in woord en daad hekelt hij steevast als een persoonlijke aanval op zijn politiek en retoriek. Hij is de ‘multiculti-onzin’ van het staatshoofd ‘spuugzat’.

Dat Wilders aan die afkeer uiting geeft, is opmerkelijk, zeker voor een 'populist', die weet waar de liefdes en loyaliteiten van het volk liggen, en dus ook weet dat hij met zijn handen van het koningshuis moet afblijven. Pim Fortuyn presenteerde zich bij zijn entree in de Nederlandse politiek als een rasechte republikein, die Majesteit hooguit een ceremoniële rol in ons bestel wilde toekennen. Op tournee in Limburg merkte hij echter dat dat standpunt hem niet zou gaan helpen, en zei hij haastig dat hij deze mening wel zou opgeven als het volk dat wilde. Dat wilde het volk (toen nog) en Fortuyn deed het.

Wilders neemt inmiddels hetzelfde standpunt in: de koningin mag niet langer onderdeel van de regering zijn en moet zich beperken tot een ceremoniële rol. ‘Als een haas’ moet zij de regering verlaten, en 20 procent van haar begroting moet zij inleveren. Hoe kan dat, deze verandering?

Het is Wilders gelukt de koningin en haar gevolg neer te zetten als een integraal onderdeel van de elite, zo niet van de linkse kerk. Bij Juliana had dat niet gekund, want zij presenteerde zich als de koningin van het gewone volk, die je met mevrouw mocht aanspreken. Wilhelmina was afstandelijker, maar gaf er blijk van dat zij zich diep verbonden voelde met het volk. Beatrix heeft zich aangediend als een majesteit die haar jubileum soms ook zonder het volk en alleen met de leden van haar eigen kaste wilde vieren. Zij is pro-Europees. Zij is voor de multiculturele samenleving, en liet Máxima zeggen dat dé Nederlander eigenlijk niet bestaat. Door haar vorig jaar zomer tijdens de kabinetsformatie aanvankelijk te passeren en samen met Rutte en Verhagen de formatiebesprekingen voort te zetten, suggereerde Wilders dat een rechts kabinet er alleen haars ondanks kon komen.

Wilders zoekt dus bewust de confrontatie met de koningin en de monarchie. Daaruit blijkt dat hij zich sterk genoeg voelt om de strijd om de volksgunst met haar aan te durven. Met het genaken van het jaar 2013, als Nederland twee eeuwen onafhankelijk is en de koningin wel eens zou kunnen overwegen af te treden, is dat gegeven spannender en belangrijker dan het debatje van vandaag in de Tweede Kamer.

17.2.11

Die Hans Laroes toch

Afgelopen dinsdag publiceerde ik – zoals elke week – op de website van Binnenlands Bestuur een column onder de titel ‘Blijvende correctheid’. Ik ging daar in op het feit dat de media zich nog geregeld schuldig maken aan verhullende politieke correctheid, en voerde daarvoor drie voorbeelden aan: de manier waarop er op radio en TV door de Bertus Hendriksen dezer wereld over de Moslimbroederschap wordt gesproken, de manier waarop er is bericht over die rare dialoogwandeling door Amsterdam-West en een uitspraak van politicologe en 'Egyptedeskundige' Monique Samuel. Er zijn altijd voorbeelden te over natuurlijk. Ik had het ook nog kunnen hebben over de manier waarop de NOS berichtte over de aanhoudende immigratie, die niet, zoals Rob Trip in het Journaal zei, zo maar uit de lidstaten van de Europese Unie komt, maar vooral uit enkele specifieke lidstaten zoals Polen, Bulgarije en Roemenië (wat hoofddemograaf Jan Latten ’s middags nog wel op de radio had mogen vertellen). Ook dat is verhullend en als zodanig een bron van nieuw onbegrip en onbehagen.


Maar met mevrouw Samuel is er iets aan de hand. Zij is half-Nederlands, half-Egyptisch en is de afgelopen weken verschillende keren op de televisie geweest om uit te leggen wat er allemaal in Egypte gebeurde. In een interview met het Nederlands Dagblad (helaas niet volledig on line) zei ze dat ze bij de NOS wel mocht praten over moslims en christenen die samen bidden maar niet over de islamitische aanslagen op twee koptisch kerken. Waarom mocht dat niet? ‘De NOS is bang voor islamofoob te worden uitgemaakt’, zei ze in het ND van afgelopen zaterdag.


Deze uitspraak nu, die ik in mijn column citeerde, heeft de toorn gewekt van de heer Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS Journaal. Er zou helemaal niets van kloppen, van die uitspraak van mevrouw Samuel over dat islamofobe karakter van de NOS. Mevrouw Samuel beweert inmiddels dat ze het zo niet heeft gezegd (maar dat er ‘natuurlijk wel iets achter die uitspraak schuilt’) en schijnt inmiddels haar excuses aan Laroes te hebben aangeboden. Dat doe je alleen wanneer je spijt hebt van je uitspraak, niet wanneer je het niet hebt gezegd en verkeerd geciteerd bent door het ND. Het interview in het ND was van tevoren ook door mevrouw Samuel gezien en gelezen en geapprobeerd. Mevrouw Samuel heeft inmiddels op twitter gezegd dat ze de NOS graag te vriend wil houden.


De spijt van mevrouw Samuel is de heer Laroes echter niet genoeg. Nu zij haar uitspraak wel heeft gedaan maar daar spijt van heeft gekregen vindt hij (schreef hij in verschillende tweets) dat mijn column op ‘flinterdun’ bewijs is gebaseerd en eist hij op hoge toon dat ik dat openlijk moet erkennen.


Dat valt allemaal nogal mee, denk ik. Het enige probleem is dat mijn betoogje gebaseerd was op drie voorbeelden waarvan er één is ingetrokken. De twee andere staan in ieder geval nog overeind, en zoals gezegd zou ik het aantal voorbeelden gemakkelijk kunnen vermeerderen.
Maar: is dat voorbeeld van mevrouw Samuel wel terecht ingetrokken? Is het wel terecht dat zij haar excuses heeft aangeboden, omdat de NOS wel degelijk aandacht aan het islamitische geweld tegen koptische christenen heeft geschonken? Dat is hooguit voor een deel het geval.
In zijn blog verwijst Laroes naar twee uitzendingen die duidelijk zouden moeten maken dat de NOS de nodige aandacht heeft besteed aan het lot van de Kopten in Egypte. Die uitzendingen hebben echter betrekking op de aanslag van 1 januari in Alexandrië en op tekenen van verzoening tussen moslims en christenen naar aanleiding van dat incident, vastgelegd door Nicole Lefever in de uitzending van 11 januari. Dat is dus ver voor de historische datum van 25 januari toen de revolutie uitbrak. Waar Samuel het op dat moment over wilde hebben waren natuurlijk de zware aanslagen van begin februari in de zuidelijke provincie Minya, waarbij minstens elf Kopten om het leven kwamen. Daar hebben we de NOS inderdaad niet over gehoord. Als we alleen de NOS hadden gehad, hadden we gedacht dat er ergens rond de jaarwisseling een incident was geweest maar dat die aanslag moslims en christenen juist dichter bij elkaar had gebracht. Gelukkig zijn er ook andere media en weten we beter, al heeft Laroes ondertussen mevrouw Samuel zo zwaar geïntimideerd dat hij haar haar excuses heeft laten aanbieden voor iets waarvoor zij haar excuses helemaal niet hoefde aan te bieden.

Zelf ben ik maar zo vrij dat niet te doen.

14.2.11

Leer en leven: Datheen en Chopin

Het is natuurlijk goed wanneer je je realiseert dat het leven meer is dan het voedsel en de kleding. Dat het geestelijke uiteindelijk het materiële overstijgt. Maar je kunt ook al te idealistisch in dit leven staan, en geloven dat mensen hun gedrag en levensstijl laten bepalen door hun overtuigingen. Dat het leven een afgeleide is van de leer. Dat een verandering in opvattingen tot andere standpunten en keuzes leidt, en niet, andersom, dat een verandering in het leven tot een bijstelling van opvattingen leidt. Dat discussies en debatten dus zin hebben omdat je mensen ergens van kunt overtuigen en zij deze verandering zullen omzetten in andere positiekeuzes. Het zou leuk zijn als het waar was, maar het blijkt hopeloos naïef en te goedgelovig gedacht.

Met enige regelmaat sta ik in zaaltjes te spreken voor mij sympathieke gezelschappen die zich aan het bezinnen zijn. Niet zo maar op iets, maar op de kern van hun politieke boodschap. De omstandigheden zijn veranderd, en hoe moet je je boodschap dan brengen, dat is de vraag waarover het in zulk soort sessies altijd weer gaat. Hoe leg je uit dat je voor gewetensvrijheid bent maar tegen geloofsvrijheid? Of toch wel voor geloofsvrijheid maar dan wel tegen geloofsgelijkheid? Als dat onderscheid strikt juridisch niet te rechtvaardigen valt, hoe kun je dat dan doen met behulp van gewoonterechtelijke en cultuurrechtelijke argumenten? En als je op dit punt andere keuzes maakt, hoe leg je dat dan uit aan een achterban die heel eenvoudig denkt dat er maar één norm is, het Woord van God, en dat er daarom geen ruimte is voor geloofsvrijheid en alle geloof anders dan het calvinistische moet worden geweerd en uitgeroeid?

Je kunt daar een dagdeel over praten, maar je voelt al snel aan dat alle opmerkingen iets vrijblijvends hebben. Dat er wordt gediscussieerd lijkt wel een doel op zich, alsof iemand daar opdracht toe heeft gegeven, om welke reden dan ook. Het blijkt niet de bedoeling uit de discussie conclusies te trekken. Met de bijeenkomst hebben ze weer aan hun verplichting voldaan, jegens wie dan ook, en kunnen ze weer een tijdje vooruit. Aan het einde van zo’n bijeenkomst zijn er ook altijd deelnemers die benadrukken dat er geen enkele urgentie is. Het speelt eigenlijk niet zo in Den Haag, en ach, als je hier al uit zou komen met elkaar, dan is er morgen weer iets anders. Misschien is het zo dat als je goed en eerlijk nadenkt, dat je dan je standpunten moet herzien en een andere positie moet innemen. Maar wat een gedoe zal dat geven! Het kan wel waar zijn, maar wat komt het ons slecht uit.

Inderdaad, het verhaal van de plas en alles dat bleef zoals het was.

Ondertussen ontwikkelt het leven zich verder. Er voltrekken zich grote sociale en culturele veranderingen, terwijl de leer hetzelfde blijft. De zonen en dochteren van de gezelschappen die ik in zaaltjes tref, hebben zich verenigd in een vitale jongerenbeweging die dit alles uitmuntend illustreert. Op hun jaarlijkse toogdag stond er geen harmonium op het podium maar een vleugel, en speelden een pianist en een trompettist geen Datheen maar Chopin. Dankzij de emancipatie kunnen ze dat inmiddels. Een prijs werd uitgereikt aan een politiek activiste die zich vooral inzet voor de verbreiding van laïcisme en atheïsme. En de lijsttrekker met vrouw en kinderen werd met ballonnen en vreugdegeschal in een Amerikaans zonnetje gezet. Een van hun voorlieden schreef dat deze jongeren het hellend vlak van de synodaal-gereformeerden niet zullen afglijden omdat bij hen, anders dan bij die gereformeerden vroeger, de leer niet verandert. Alles blijft zoals het was.

Maar dat is natuurlijk niet zo. Vroeg of laat breekt het moment aan waarop de leer en het leven, dat zich onafhankelijk van die leer verder heeft ontwikkeld, zo ver uit elkaar zijn gegroeid dat de leer aan het leven moet worden aangepast. Niet dat ze dat dan zullen erkennen. Nee, die nieuwe leer is niet nieuw, maar is de leer zoals zij eigenlijk altijd was bedoeld, met wat andere accenten, hetzelfde in een veranderde context. De kern is hetzelfde gebleven. Maar dat staat dan natuurlijk nog maar te bezien.

Overtuigingen staan dus in dienst van iets anders: om een groepsgevoel in stand te houden, grenzen te trekken waarachter de groep zich kan terugtrekken en overleven. Het heeft wel wat, die cohesie, al gaat het niet zoals het hoort. De leer houdt blijkbaar geen stand tegen het leven, is de conclusie die je uiteindelijk trekt, sadder and wiser. Wereldwijzer, en een illusie armer.

31.1.11

'Laatste Achterberg' in Langbroek begraven

In Langbroek, een dorp onder Doorn, heb ik maandagmiddag de begrafenis bijgewoond van een man die ik, helaas, nooit heb ontmoet. Zijn naam was Hendrik (Henk) Achterberg, de jongste broer van de dichter Gerrit Achterberg. Hij werd bijna 94 jaar oud en was de laatste nog levende uit het gezin van negen kinderen dat woonde in een boerderij waarvan Gerrit Achterberg schreef dat de godsdienst er zwaar tegen de hanebalken hing. Die boerderij heet Klein Jagerstein en staat aan de Langbroekerdijk, misschien een kilometer verwijderd van de Hervormde dorpskerk waar de Achterbergen kerkten en waar de rouwdienst deze middag plaats heeft. Op het kerkhof achter de kerk is hij begraven, net als zijn ouders, twee van zijn kinderen en zoveel familieleden meer, al generaties lang.





Langbroek en de Achterbergen zijn nauw aan elkaar verbonden, al eeuwen. Maar de herinnering aan Gerrit Achterberg ligt er tot op de dag van vandaag gevoelig. Gerrit schoot in december 1937, hij was toen 32 jaar oud, zijn Utrechtse hospita dood. Dat weten ze in Langbroek en ze praten er niet graag over. Henk heeft het nooit willen doen. Toen in 1985 in Langbroek een straat naar Gerrit Achterberg werd vernoemd, deed zich bij de onthulling, in het bijzijn van Gerrits weduwe en de nodige hoogwaardigheidsbekleders, een pijnlijk incident voor. Iemand fietste voorbij en schreeuwde: ‘Die moordenaar!’ Nog steeds zwijgt men maar liever over de dichter, die tien jaar na de moord het gedicht ‘Bekering’ publiceerde:

Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,
tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,
wat er ook in ons leven is gebeurd.

Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.

En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.


Aan de Langbroekerdijk, bij de stenen brug, slechts een paar huizen verwijderd van Klein Jagerstein, staat ook boerderij Snellestein, waar Francien van Donselaar woonde, het meisje met wie Henk elke dag opliep naar school, met wie hij later verkering kreeg en vele jaren gelukkig getrouwd is geweest (zij overleed op 1 januari 2004). Als zij naar school liepen, de Langbroekerdijk uit, kwamen zij langs Sandenburg, het grote witte sprookjeskasteel van de familie Van Lynden van Sandenburg, waar Henks vader, ook Hendrik geheten, als koetsier was begonnen. Achter de Oranjerie was Gerrit geboren, in 1905. Daarna was vader Hendrik gaan boeren op Klein Jagerstein. Daar was Henk ter wereld gekomen, en daar had de hooiberg gestaan waar Gerrit, zestien jaar oud, uit gevallen was. Henk, toen vijf jaar oud, was de enige ooggetuige van de smak geweest. ‘Gerrit klapte naar beneden op de stenen. Ik zie hem daar nu nog liggen en ik hoor hem nog kreunen en kermen van de pijn. Het was vreselijk. Die val wordt gerelateerd aan zijn latere levensloop. Zijn hersenen zouden door die val een dreun gekregen hebben waardoor ze niet meer normaal konden functioneren’, vertelde hij eens.

De school waar Hendrik en zijn Francien dagelijks naar toe liepen, en die dankzij de inspanningen van vader Hendrik een christelijke school was geworden, stond aan dezelfde brink als de kerk. De school is nu het Hervormd Centrum, en daar is de familie deze maandagmiddag bijeengekomen voor het begin van de rouwdienst. Een groot gezelschap: Henk en Francien kregen veertien kinderen, en tot in het vijfde geslacht zijn er nakomelingen. ‘Wij leven zoals God het wil’, zei Francien toen een kraamzuster na het tiende kind over geboortebeperking was begonnen.

De kerk is oud. Hoge ramen in witte muren. Aan weerszijden staan de hoge banken met de wapens van de vele adellijke families uit de streek. In de muur direct achter de preekstoel bevinden zich twee deuren direct naast elkaar, waar zondags de ouderlingen en diakenen door naar binnen komen. Nu rijden vier dochters van de overledene de baar door de ingang onder de toren naar binnen. Een van hen spreekt een ‘in memoriam’ uit, een ander leest een gedicht voor van de negentiende-eeuwse predikant J. J. van Oosterzee, verzen over de brief op dorrend blad die de dood hem heeft geschreven, maar die eindigen met de regel: ‘En – Dood! Waar blijft uw zegepraal?’

Ook Wim van Amerongen voert het woord. Hij schreef het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg, een persoonlijk verslag van zijn zoektocht naar sporen van de dichter in zijn geboortestreek. Henk Achterberg was een van zijn belangrijkste informanten geweest. Via het boek van Van Amerongen heb ik Henk Achterberg leren kennen en sympathie voor hem opgevat. Hij oogde gul en welgemoed op de foto’s in Van Amerongens boek. Hij had gevoel en liefde voor taal, wat in de familie veel voorkwam, had hij Van Amerongen ‘bijna vergoelijkend’ verteld. Hij had zijn vrouw zeer lief gehad. Op zijn zestiende schreef hij een gedicht over dat hij tot aan zijn overlijden als een hommage aan haar boven zijn bed had hangen. ‘O goede moeder, sterke boerenvrouw / stil als een zonnestraal / verglijdt uw leven./ Gij hoort geen uren slaan./ Uw naam is trouw / en alles wat gij doet, is geven.’/ Hij heeft veel betekend voor allen die hem hebben gekend, zoveel wordt tijdens deze dienst wel duidelijk. Een pater familias, een oprecht christenmens, die een grote lege plaats zal achterlaten in het leven van deze uitgebreide familie.



(Henk Achterberg, midden, met links Wim van Amerongen, auteur van het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg)


‘En aldaar zal geen nacht zijn’. Deze woorden uit het laatste hoofdstuk van de Bijbel stonden op de rouwkaart en daarover gaat de preek van de jonge dominee Barth. Genade, had Henk Achterberg tegen de dominee gezegd, kun je het beste omschrijven als ‘gratie met behoud van recht’. God is genadig, niet door aan de zonden voorbij te zien maar door ze te straffen in het lijden en de dood van Zijn Zoon. Over het leven is immers een nacht gevallen, de schaduw van de zonde die zich uitstrekt tot de dood. Maar God zal deze nacht verdrijven. Zoals Jezus’ eerste komst de gratie heeft gebracht, zo zal Zijn tweede komst het licht van de eeuwige dag brengen. Wij leven tussen die twee komsten in, en nu is het van tweeën één, hebben wij of de nacht van de zonde lief of het licht van God. Henk was een kind van Gods gratie en licht geweest.

Het is koud en grijs, deze maandagmiddag, de in het vooruitzicht gestelde zon, die hier van rijke symbolische betekenis zou zijn geweest, blijft verborgen. Op de dodenakker denk ik aan ds. J. T. (Ko) Doornenbal (1909 – 1975), de vriend van Gerrit Achterberg. Hij groeide op in het naburige Doorn en kerkte in zijn jeugd geregeld hier in de Hervormde Kerk van Langbroek (soms ook wel in het oud-gereformeerde kerkje dat verderop langs de provinciale weg staat, wat verworpen een meter of tien van de straatkant af). Ko was ook een boerenzoon, en dichterlijk aangelegd. De Achterbergen en de Doornenballen zijn zelfs verwant. Op de begraafplaats zie ik de grafsteen van Rijk Achterberg en zijn vrouw Marrigje Doornenbal. Marrigje was een zuster van de vader van ds. Doornenbal, Rijk was een neef van de vader van Gerrit en Henk. Doornenbal was bij de begrafenis van Gerrit en sprak het Onze Vader uit in huis en aan het graf, en hij was bij de begrafenis van de oude Hendrik, die samen met zijn vrouw Pietje ook hier op de Langbroekse dodenakker begraven ligt. Ook deze Hendrik werd 93 jaar oud. 'De winterwind woei koud over het kerkhof met de vele zerken en grafstenen van de oude adellijke en boerengeslachten die hier begraven liggen', schreef Doornenbal in 1968. 'Gerrit Achterberg heeft, vooral in zijn latere jaren, de band die hem met zijn vader verbond steeds nauwer gevoeld, en al vaker vond hij de weg naar de ouderlijke woning Klein Jagersteyn aan de Langbroeker Wetering. Het is nu voorbij, zoals zo veel. Huiverende kou over het kerkhof en de grafzerken. "Afgeschreven op een steen".' Zelf ligt Doornenbal een kilometer of wat verderop begraven, in Doorn, naast zijn ouders. Henk wordt ter aarde besteld in hetzelfde graf als zijn vrouw Francien, naast de twee kinderen die hen ontvielen.

‘De laatste Achterberg’, zo noemt Van Amerongen hem in de kerk. Wie zich in de levensloop van Henk verdiept, in zijn gaven van hoofd en hart, vraagt zich bijna als vanzelf af of deze man niet – net als Doornenbal – een leven vertegenwoordigde dat verdwijnt. Een eenvoudig, christelijk leven naar hervormde snit, dat zonder veel tierelantijnen leeft uit gratie en licht en dat vooral gééft. Dominee Barth spreekt over de erfenis van Henk Achterberg. Die moeten we wel ontvangen en niet verkwanselen maar bewaren en ook weer doorgeven. Tot de tweede komst. Misschien nog wel tot in het vijfde geslacht.







PS: De door Doornenbal geciteerde woorden 'Afgeschreven op een steen' zijn ontleend aan het gedicht 'Deïsme' van Gerrit Achterberg (VG 922): 'De mens is voor een tijd een plaats van God./ Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen,/ dan wordt hij afgeschreven op een steen.'

30.12.10

Alain Finkielkraut over literatuur

Mijn aller-, allerlaatste boekenstukje in HP/De Tijd (het was me een genoegen) gaat over het (misschien wel) beste non-fictieboek van 2010: het boek van de Franse filosoof Alain Finkielkraut over het intelligente hart.







Wij lezen om onszelf te vergroten. Onze eigen ervaring is immers maar zeer beperkt. Door te lezen delen we in de ervaringen en observaties van anderen, de schrijvers, en corrigeren daarmee onze kleingeestigheid en ons provincialisme.

De Franse filosoof Alain Finkielkraut (1949), hoogleraar in Parijs, weet dit en heeft dit jaar een boek gepubliceerd over negen romans die ons kunnen helpen ons een weg te banen door het moderne leven. Zij kunnen ons ‘de genade van een intelligent hart’ schenken, zodat we ‘niet alleen de wetten maar ook de jurisprudentie van het leven’ leren kennen.

Finkielkraut bespreekt bijvoorbeeld Sebastian Haffners autobiografie (Het verhaal van een Duitser) en waarschuwt ons tegen meegaandheid bij de opkomst van grote bewegingen. De opkomst van het nazisme is toe te schrijven aan het aanpassingsvermogen van een karakterloze natie, betoogt Haffner, en het is goed dat Finkielkraut ons daar weer eens aan herinnert.

Maar behartigenswaardig zijn vooral zijn opmerkingen over The Diary of a Man of Fifty (1879) van Henry James. Een man van vijftig keert na een lange militaire carrière terug naar Florence waar hij vroeger een Italiaanse gravin heeft liefgehad. Uit wantrouwen jegens haar oneerlijke intriges (zo denkt hij) heeft hij haar echter afgewezen. Hij ontmoet een Engelsman die dertig jaar jonger is dan hij en verliefd is op de dochter van deze vrouw. Hij wil hem van zijn ervaring laten profiteren en waarschuwt hem voor de behaagzieke jonge vrouw. Maar deze jonge man trouwt toch met haar – en wordt gelukkig. ‘Hij leert het eenvoudige en zeldzame geluk van gedeelde liefde kennen.’

Normaal gesproken gaat het in romans om mensen die hun illusies verliezen, ontnuchterd raken en aldus volwassen worden. De novelle van James leert ons dat het leven soms ook veel rijker is en dat wij soms te achterdochtig zijn. De werkelijkheid kan sterker zijn dan onze desillusies. Een mooie les bij het begin van een nieuw jaar.


(n.a.v. Alain Finkielkraut, Een intelligent hart, uitgeverij Contact)

28.12.10

Rechts gaat winnen, maar CDA krijgt het moeilijk

De eerstvolgende verkiezingen, de Statenverkiezingen van 2 maart 2011, gaan over slechts één vraag: of wij voor of tegen het huidige kabinet zijn. Voorstanders stemmen op CDA, VVD of PVV, tegenstanders op een van de oppositiepartijen.


Ik ben bang voor progressief Nederland dat de Statenverkiezingen een flinke overwinning voor rechts zullen opleveren. Een eerste signaal daarvoor is het geringe enthousiasme dat de oproep van Job Cohen heeft losgemaakt. Cohen heeft alle progressieve partijen en organisaties gemaand om op zondag 16 januari naar Amsterdam te komen voor een demonstratie tegen het huidige rechtse, ‘cynische en uitsluitende’ kabinet. Maar Ouderenbond ANBO wil als neutrale organisatie niets met het exclusief-linkse protest te maken hebben. Zelfs de FNV weet nog niet zeker of ze meedoet. De ChristenUnie komt zeker niet – niet alleen omdat de manifestatie op zondag is maar ook omdat André Rouvoet ‘christelijk-sociale doelstellingen’ wil realiseren en dat wil doen door samenwerking ‘met alle partijen, coalitie of oppositie’. D66 wil niet een van de mede-organisatoren van de manifestatie zijn. Pechtold stuurt een vertegenwoordiger en die komt alleen maar luisteren ‘naar de nieuwe koers van de PvdA’.

Het zal die waarnemer waarschijnlijk niet meevallen om aan Pechtold door te geven wat die nieuwe koers is ‘van het andere Nederland dan het Nederland waar wij op afstevenen’ (Cohen). De onderlinge verschillen tussen de deelnemers zijn immers te groot om van één links-progressief blok te kunnen spreken. Dat ‘blok’ valt sowieso al uiteen in een oud-links (economisch ‘conservatief’) blok en een sociaal-liberaal (‘progressief’) blok. Eén boodschap zal dan ook niet klinken vanaf de Brakke Grond in Amsterdam, waar de manifestatie moet gaan plaatshebben.

De organisatie van brede maatschappelijke oppositie tegen dit kabinet is dus bij voorbaat mislukt. En al zou ze zijn gelukt, de vraag is nog maar of die oppositie erg succesvol zou zijn geweest. Het incident in de Eerste Kamer rond de verhoging van de btw op theaterkaartjes heeft duidelijk gemaakt hoe hecht de huidige regeringscoalitie momenteel is. Dat incident is door de meeste politici en media verkeerd gelezen, als een overwinning namelijk van de Eerste Kamer als zelfstandig orgaan van volksvertegenwoordiging tegenover dit kabinet. Maar dat het kabinet bereid was de maatregel een half jaar uit te stellen, bewijst vooral dat CDA, VVD en PVV bereid waren de zaak tegenover elkaar niet op de spits te drijven en in politieke volwassenheid tevreden te zijn met een compromis. Bovendien zal Rutte direct na het kerstreces (half januari) de plannen van al zijn ministers presenteren. Die plannen zullen de burger financieel geen pijn doen en op brede instemming kunnen rekenen. In die sfeer kan het niet anders of dit kabinet krijgt op 2 maart een nieuw mandaat in de vorm van een overtuigend vertrouwensvotum. En vervolgens, zo vermoed ik, gaan we een politiek saaie periode tegemoet die ons zal doen gapen als onder de meest paarse jaren. Maar gelukkig het land welks politiek saai is.

Het grote probleem voor deze coalitie is echter dat de winst op 2 maart naar VVD en PVV zal gaan en niet naar het CDA. Het CDA is al de enige van de drie partnerpartijen die het in de peilingen niet goed doet. Het CDA is bovendien de partij waarvan de achterban het meest ambivalent tegenover dit kabinet staat. VVD’ers en PVV’ers zijn zeer ingenomen met Rutte-I, voor CDA’ers geldt dit maar zeer gedeeltelijk. Het CDA is over het algemeen al zo verdeeld dat een strakke regie van bovenaf altijd nodig is om de boel partijpolitiek bij elkaar te houden. Dat is de belangrijkste conclusie die kan worden getrokken uit het eerste interview dat Jan Peter Balkenende na zijn vertrek uit de Haagse politiek heeft gegeven en dat deze week is verschenen in Christen Democratische Verkenningen, het blad van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Die verdeeldheid is door de deelname van het CDA aan een kabinet dat door de PVV wordt gedoogd alleen nog maar toegenomen, zoals iedereen heeft kunnen zien bij het CDA-partijcongres in oktober.

Zoals alle partijen oude rotten inzetten voor de Eerste Kamer verkiezingen (Van Boxtel voor D66, Hermans voor de VVD, Marleen Barth voor de PvdA) zo heeft ook het CDA een ervaren man bovenaan de lijst gezet: Elco Brinkman. Het komt mij voor dat deze politicus, in 1994 door Lubbers aan de kant gemanoeuvreerd, een rechtsig imago heeft. In de interviews die hij tot nog toe heeft gegeven (in de Telegraaf en in In Contact, het blaadje van de jongerenorganisatie van de SGP) benadrukt hij vooral de fouten die zijn politieke generatie heeft gemaakt in de softe opstelling in de discussie over de multiculturele samenleving en omarmt hij de correcties die Wilders op dit beleid (of beter: gebrek aan beleid) heeft aangebracht.

Ik neem iemand niet gauw kwalijk dat hij misschien wat rechtsig is. Maar het CDA heeft het al moeilijk en gaat het nog moeilijker krijgen wanneer de Statenverkiezingen uitlopen op een vertrouwensvotum over het beleid van het huidige kabinet. Om minimaal alle CDA’ers aan boord te houden, moet de partij een elegante spagaat uitvoeren waarvoor Brinkman misschien niet de meest aangewezen man is.

27.12.10

In debat met Paul Cliteur

De Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur draagt de stelling uit dat alle monotheïstische godsdiensten even erg zijn omdat ze alle (drie) religieus geweld, opgedragen door een onberekenbare godheid, zouden sanctioneren. Ik ken Paul Cliteur al jaren en we gaan plezierig met elkaar om, maar deze stelling vind ik onzinnig. Paul Cliteur weet dat van mij, maar heeft mij desondanks (of juist daarom) gevraagd om op 24 september j.l. een woordje te spreken (samen met columniste Elma Drayer) bij de presentatie van zijn boek in de boekwinkel van onze vriend Huib Schreurs aan de Weteringschans in Amsterdam.
In het stukje dat ik voor het Kerstnummer van Elsevier heb geschreven, ben ik nog eens op het onderwerp teruggekomen. De tekst daarvan volgt hieronder. Daaronder staat de tekst van een artikel dat ik drie jaar geleden in Opinio schreef en dat over de verschillende manieren gaat waarop christenen de Bijbel en moslims de Koran lezen.
Ik geloof dat Paul Cliteur op zijn website op mijn bijdragen zal ingaan. Dat zou mooi zijn, dan kunnen we de discussie voortzetten.








(foto's van de boekpresentatie op 24 september bij Schreurs en De Groot in Amsterdam)


Artikel in Kerstnummer Elsevier

In het Bijbelboek Numeri (hoofdstuk 25) staat het verhaal van Pinehas, de kleinzoon van Aäron, de broer van Mozes. Als het volk Israël zich aan hoererij met de dochters van de Moabieten te buiten gaat, neemt Pinehas een spies en steekt hij een Israëlitische man en een Moabitische vrouw door hun buik. Daarmee maakte hij, zo lezen we in de Bijbel, ‘een einde aan de plaag over de kinderen Israëls’. En de God van Israël betuigt zijn goedkeuring over deze handeling van Pinehas.

In zijn boek over Het monotheïstisch dilemma haalt de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur deze geschiedenis aan om duidelijk te maken dat religieus terrorisme niet alleen door de islam wordt geïnspireerd maar door het monotheïsme als zodanig. Een ander voorbeeld dat Cliteur aanhaalt is dat van Abraham, die zich bereid toont om zijn zoon Izaäk te offeren. Als meer recente voorbeelden van religieus terrorisme behandelt Cliteur drie andere voorbeelden: Abudulmutallab die vlucht 253 van Northwest Airlines van Amsterdam naar Detroit wilde opblazen, Jogal Amir die de Israëlische premier Jitzak Rabin vermoordde, en Scott Roeder die de abortusarts George Tiller doodde. Zij beriepen zich op God en morele heteronomie, verwerpen de morele eisen van deze wereld ten gunste van een wereld aan gene zijde, verzetten zich tegen de vrijheid van geweten en aanvaarden het martelaarschap.

Voor Cliteur zijn deze geschiedenissen overtuigende voorbeelden voor zijn pleidooi om kerk en staat strikt te scheiden. De staat moet strikt laïcistisch zijn. Geloof is best maar dient achter de voordeur te worden gepraktiseerd.

Laten we om te beginnen vaststellen dat de redenering van Cliteur zo gek nog niet is. Ons land is multicultureel geworden. Niet één geloof kan nog publiekelijk een bevoorrechte positie innemen. Alle geloven dienen strikt gelijkwaardig te worden behandeld, temeer omdat hun monotheïstische achtergrond een inspiratiebron van geweld kan zijn.

Toch maakt Cliteur een vergissing. Natuurlijk heeft hij gelijk wanneer hij de verhalen van Pinehas en Abraham aanhaalt om duidelijk te maken dat ook het geloof zoals dat in het Oude Testament wordt verwoord, gewelddadige kanten kan hebben. Maar het gaat er niet om hoe die verhalen op zich in de Bijbel staan maar hoe die verhalen worden gelezen en geïnterpreteerd. En dan is er wel degelijk een groot verschil tussen christendom en islam.

Het verschil begint al in het Nieuwe Testament, waar Jezus, wiens geboorte wij dezer dagen herdenken, zelf zegt dat bepaalde (gewelddadige) passages uit het Oude Testament anders moeten worden uitgelegd. Het principe ‘oog om oog, tand om tand’, bijvoorbeeld, is achterhaald, evenals het principe dat een vrouw die op overspel wordt betrapt moet worden gestenigd.

Een tweede revolutie voltrok zich ten tijde van de overgang van de Middeleeuwen naar de vroeg-moderne tijd. Geïnspireerd door de Italiaanse humanist Lorenzo Valla begint Erasmus aan een grote opdracht: met behulp van diverse manuscripten wil hij de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament zo nauwkeurig mogelijk vaststellen. Hij wil dit omdat de juiste interpretatie van die tekst alleen kan worden vastgesteld door die in zijn oorspronkelijke context te lezen. Het lezen van die tekst in haar oorspronkelijke context schept afstand, en dus ruimte om die tekst met historische distantie te interpreteren.

In het christendom is dus een renaissance mogelijk. Met een beroep op de oorspronkelijke betekenis van de heilige teksten kunnen latere afwijkingen worden gecorrigeerd.

In de islam is dat onmogelijk. In de eerste plaats al omdat de Koran het ongeschapen en eeuwige woord van Allah is. Een historische context doet er niet toe. Een historisch-kritische uitgave van de Koran bestaat niet eens. Alles wat in de Koran staat wordt dan ook, anders dan voorschriften uit de Bijbel, strikt letterlijk genomen.

Vandaar dat een Scott Roeder een uitzondering is, en vandaar dat het de KRO niet lukte een film te maken die net zo erg was over het christemndom als de film Fitna van Geert Wilders over de islam.


Bijbel, Koran, tekstkritiek
(en Wilders’ film)


Vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw is in West-Europa een belangrijk principe van kracht geworden: het hermeneutische principe dat klassieke teksten, profane én religieuze, een ontstaansgeschiedenis hebben; dat zij in vele manuscripten zijn overgeleverd; dat een vergelijking van deze verschillende tekstgetuigen tot de vaststelling van een tekst moet leiden die het origineel (de ‘autograaf’) zo dicht mogelijk benadert; dat de uitleg van die teksten zijn uitgangspunt heeft in de historische context waarbinnen zij zijn ontstaan.

De Italiaanse humanist Lorenzo Valla (1407 – 1457) was een van de belangrijkste grondleggers van dit principe, dat in de praktijk revolutionaire consequenties had. Met behulp daarvan toonde Valla bijvoorbeeld aan dat de zogenaamde Donatie van Constantijn (waarmee deze keizer het gehele West-Romeinse Rijk aan de rooms-katholieke kerk zou hebben geschonken) geen tekst uit de vierde maar uit de achtste eeuw was, en dus een latere vervalsing. Met die vondst werd een dreun uitgedeeld aan de wereldlijke machtsaanspraken van de kerk.

Valla legde zich ook toe op het verzamelen van Griekse handschriften van het Nieuwe Testament, om de oorspronkelijke tekst van dit tweede deel van de Bijbel zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. Maar het was Erasmus (1466 – 1536) die niet alleen naar Griekse manuscripten speurde, maar de Griekse tekst van het Nieuwe Testament ook uitgaf (in 1516 voor het eerst; er zouden nog vier edities volgen), samen met een nieuwe Latijnse vertaling van de tekst. Hij deed dat om de bestaande vertaling van de Bijbel, de Vulgaat, te corrigeren. Als gevolg van dit project werd ineens duidelijk dat bepaalde kerkelijke dogma’s die op de tekst van de Vulgaat gebaseerd waren, in de gezuiverde tekst geen grondslag meer vonden.

Binnen de westerse traditie van de christelijke kerk is het dus al ruim vijf eeuwen mogelijk, en gebruik geworden, om de tekst van de Bijbel als een document met een ontstaansgeschiedenis te beschouwen, de vraag naar de zuivere lezing ervan te stellen en de tekst met historische distantie te interpreteren. Binnen de islam is dit niet mogelijk. De Koran is door Allah aan Mohammed gedicteerd, en discussie over de wording ervan is daarmee uitgesloten – en daarmee ook de mogelijkheid om de boodschap van de Koran met historische distantie en reserve te lezen. Een islamitische pendant van ‘Nestle-Aland’ (zoals de kritische uitgave van het Nieuwe Testament naar de namen van de bezorgers in de wandelgangen wordt aangeduid) bestaat dan ook niet en is niet mogelijk. Het nieuws van vorige week over de vondst van verloren gewaande fotografische opnamen van Koranmanuscripten, en over het verzet tegen de openbaarmaking daarvan, toont dit helder aan. Spengler, columnist van de Asia Times, schrijft in bijgaand artikel over dit belangrijke onderwerp. Duidelijk wordt niet dat de tekst van de Koran zelf in de eerste plaats een probleem is (wat de tendens van de film van Geert Wilders lijkt te gaan worden), maar de manier waarop de tekst wordt gelezen. De eigenlijke vraag aan de islam is dus niet om delen uit de Koran te scheuren of om hun heilige boek te verbranden, maar of een historisch-kritische lezing van de Koran binnen deze geloofstraditie tot de mogelijkheden behoort. Daarvoor bestaan vooralsnog geen bewijzen.

[Opinio, jaargang 2, nummer 4, 25 – 31 januari 2008, p. 12]

10.12.10

Paul Scholten: Om de christelijke vrijheid




Paul Scholten (1875 – 1946) gold in zijn dagen als ‘een van de grootste, ja misschien wel de grootste der juristen van het Koninkrijk der Nederlanden’. Het kon dan ook niet uitblijven of de universiteit waaraan hij studeerde en negendertig jaar lang doceerde, de universiteit van Amsterdam, vernoemde een instituut naar hem. Over hun motieven hebben de bevolkers van dat instituut geen onduidelijkheid willen laten bestaan. In een publicatie over ‘de actualiteit van Paul Scholten’ schreven zij: ‘Alle auteurs zijn het erover eens dat Scholtens gedachtegoed ontdaan zou moeten worden van de al te christelijke kantjes. In onttakelde vorm wordt Scholten weer actueel’.

Dat is een vreemde motivatie om een man te eren die belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk was, veel denkkracht heeft gewijd aan de vraag hoe zijn vak en zijn christelijk geloof zich tot elkaar verhielden, en zijn afscheidscollege in 1945 als volgt besloot: ‘Een college is niet de plaats voor een geloofsbelijdenis. Ik heb mij er altijd van onthouden, al heb ik mijn overtuiging niet verdoezeld. Ik zal ook nu geen confessie uitspreken. Gij weet, dat ik een man ben van positief-christelijke, reformatorische overtuiging. Gij begrijpt, hoop ik, dat ik krachtens die overtuiging alleen dan een toekomst voor het Nederlandse volk verwacht, indien het zich voor Gods Woord buigt. Velen van u denken anders. Ik dring hun geen overtuiging op, slechts dit vraag ik van allen: Dient het volk door het aan zijn recht te helpen. Zoekt daarin de vrede. En houdt niet op te dorsten naar de gerechtigheid.’

Volgens Scholten was ons land niet beter gediend dan met het christelijk geloof. Dat had onder andere te maken met het feit dat ons land en onze cultuur waren gevormd door de oorlog om de christelijke vrijheid. Die strijd om de ‘liberteyt van religie en conscientie’ heeft ons volk tot een gemeenschap gemaakt. Een sterke vrijheidsdrang heeft ons in opstand gebracht tegen de Spaanse tirannie in de zestiende eeuw, en moest ons in de Tweede Wereldoorlog inspireren tot een conservatieve strijd voor het behoud van vrijheden. Die vrijheidsdrang kon niet ontaarden in ongebondenheid en wetteloosheid zolang zij werd begrensd door de waarden en normen van het christelijk geloof. Waar de beperkingen die het geloof aan de vrijheid stelt, zouden wegvallen, zou een heilloos dilemma opdoemen: vrijheid zou dan verlopen in anarchie of, van de weeromstuit, in tirannie. Scholten, een CHU’er, meende dat ook het leven van de staat onder Gods gebod valt, ‘onder de Wet – met een hoofdletter – in theologische zin’.

Dit geloof had Scholten overigens niet van huis uit meegekregen. Hij groeide op in een vrijzinnig milieu, en kwam slechts langzamerhand, door veel studie en geregelde kerkgang, tot het geloof. Dat gebeurde in 1913, toen hij 38 jaar oud was. Hij raakte bevriend met christelijke denkers als Ph. Kohnstamm en O. Noordmans, en leidde tijdens de oorlogsjaren – toen hij naar zijn vakantiewoning in Hulshorst verbannen was – in hotel De Valk in Nunspeet de vergaderingen van de commissie die een nieuwe kerkorde voor de Hervormde Kerk opstelde.

Na 1913 kwam Scholten voor de vraag te staan hoe hij zijn geloof in zijn vak kon integreren. Wie zich in het werk van Scholten verdiept, kan zich alleen maar verbazen over elke poging om zijn publicaties te ‘onttakelen’. Scholten is nog altijd een gerenommeerd jurist en heeft die reputatie te danken aan het zogeheten Algemeen deel, het eerste deel van een serie boeken over het Nederlands burgerlijk recht. In dat boek verzet hij zich tegen de gedachte dat een rechter niet meer is dan de mond van de wet. Een rechter zou, in deze gedachtegang, alleen maar een feit aan een regel hebben te onderschikken en vervolgens een conclusie te trekken. Volgens Scholten was de werkelijkheid daar echter te ingewikkeld en te gebroken voor. Een rechter moet ook andere factoren wegen en ten slotte een beslissing nemen. Die beslissing neemt hij uiteindelijk op grond van zijn geweten, en dat geweten is in laatste instantie gebonden aan God: ‘een hogere macht die, als Persoon in schepping en geschiedenis geopenbaard, individu én gemeenschap met zijn onvoorwaardelijke vorderingen tegemoet treedt’.

Gelukkig is er sinds kort weer belangstelling voor de echte Paul Scholten, inclusief zijn christelijk geloof. De juridische faculteit van de universiteit van Leiden vormt het hart van deze Scholten-revival. Universitair docent Timo Slootweg heeft een bloemlezing van Scholtens belangrijkste artikelen en essays gepubliceerd. Deze bundel bevat onder meer de beschouwingen die Scholten heeft gewijd aan de filosofische en theologische grondslagen van zijn opvattingen over recht en rechtsvinding. Deze bundel met artikelen van Scholten zelf is gevolgd door een boek met vijftien hoogwaardige studies over het werk van Scholten. Deze studies bestrijken een breed terrein en verschillen ook qua toon en waardering zeer van elkaar. Paul Cliteur bijvoorbeeld, propagandist van een strikt seculiere orde, schrijft niets meer met Scholten te kunnen. Oriëntatie op Scholten is niet meer dan een vorm van ‘nostalgie’ omdat we nu in een tijd leven ‘met problemen waarvan Scholten geen weet had en waarvoor hij dus ook geen oplossing kan bieden’. Andreas Kinneging typeert Scholten als een denker in de traditie van het natuurrecht. Timo Slootweg daarentegen plaatst Scholten in de traditie van het christelijk existentialisme (Kierkegaard) en benadrukt het verschil tussen de platoonse liefde tot de idee en de christelijke liefde tot een Persoon.

Het zijn twee rijke bundels geworden, deze studies van en over Paul Scholten, en zij maken het begrijpelijk dat dr. W. Aalders ooit Scholten typeerde als ‘een waarlijk protestants gelovige, een geesteskind van Edmund Burke en Groen van Prinsterer, uit de herontdekking van wiens werk een nieuw Reveil geboren kan worden’.

N.a.v.:
Paul Scholten,
Dorsten naar gerechtigheid,
redactie Timo Slootweg
(uitgeverij Kluwer, Deventer, 2010; geb., 448 blz., € 60,00; ISBN 978-90-13-07260-0)

Recht, beslissing en geweten: beschouwingen naar aanleiding van Paul Scholten,
Redactie Afshin Ellian, Timo Slootweg en Carel Smith
(uitgeverij Kluwer, Deventer, 2010; geb., 328 blz., € 45,00; ISBN 978-90-13-08355-2)

19.10.10

Eén natie, twee culturen

Vandaag realiseerde ik me ineens dat ik me voor het eerst in mijn leven enigszins thuis voel bij een nieuw kabinet.
Tot nog toe konden die kabinetten me eigenlijk niet zo veel schelen. Paars vond ik verschrikkelijk, al genoot ik altijd van de optredens van Frits Bolkestein. De politieke discussies sinds Fortuyn hebben mij ongemeen geboeid, vooral door de combinatie met cultuur en religie, maar de kabinetten-Balkenende (het tweede misschien enigszins uitgezonderd) hebben mij altijd lauw gelaten (op z’n best) of geërgerd (meestal). Een regering van CDA en PvdA is wat mij betreft een van de ergste dingen die een land kan overkomen.

Het kwam door een fotootje op de voorpagina van de NRC van afgelopen zaterdag. Mark Rutte staat achter zijn bureau in het Torentje en pakt zijn tas in, aan het einde van zijn eerste werkdag. Dat jongensachtige en wat onhandige, dat Engelse in zijn stijl en voorkomen, dat neemt me in voor de man. In deze tijden van blijvende onzekerheden vind ik dat hij een prima team van ervaren en ambachtelijke politici heeft samengesteld. Voor het eerst, denk ik, heb ik het gevoel dat een regering ook een beetje mijn regering is.

Een goede vriend vertelde mij eens dat hij zich bij het aannemen van een nieuw personeelslid maar één vraag stelde: of hij met die man of vrouw een weekje vakantie zou uithouden. Bij dit kabinet heb ik het idee dat me dat zou lukken. Met Cohen en Mariëtte Hamer zou bij het ontbijt al uitgepraat zijn en de rest van de dag zou ik proberen hen te ontlopen, en zij mij.

Tegelijkertijd kan ik mij goed voorstellen dat heel veel Nederlanders precies het tegenovergestelde gevoel hebben. Ik begrijp dat omdat ik de aanblik en het aanhoren van linkse politici vaak bijna als een persoonlijke belediging ervaar. Dat is niets persoonlijks. Het gaat erom dat je mensen dingen hoort zeggen die zo werkelijkheidsvreemd en dom zijn, dat je je hart vasthoudt voor dit mooie land. Als ik Femke Halsema hoor praten over haar voornemen om de vrijheid van godsdienst te lijf te gaan met een radicaal gelijkheidsideaal en emancipatiedwang, dan vervullen die uitspraken mij met aversie, inclusief het toontje waarop die uitspraken worden gedaan. Ik heb vandaag instemmend gegromd bij het lezen van een opiniestuk van Diederik Boomsma in de Volkskrant: een goed geschreven stuk tegen een elite die bewust antiburgerlijke kunst voor de happy few is gaan maken maar daar wel subsidie voor wilde hebben en daarvoor nu de rekening gepresenteerd krijgt. Dat gegrom kwam ongetwijfeld voort uit afkeer van die elite. Het is net zo iets, stel ik mij voor, wat een linksmens overkomt wanneer hij Bolkestein over de vrije markt hoort, Wilders over immigratie of beelden ziet van de Amerikaanse Tea Party-beweging. Dat geeft allemaal niets, zolang het maar niet echt persoonlijk wordt. Wilders en Halsema zie je vaak samen lachen. Dat lijkt me een goed teken. Over Nederland moet je je pas echt zorgen gaan maken wanneer de politieke animositeit zou omslaan in een persoonlijke.

De Amerikaanse historica Gertrude Himmelfarb heeft een jaar of tien geleden een interessant boek over dit verschijnsel geschreven. Dat boek heet One Nation, Two Cultures en gaat over de Amerikaanse samenleving in de nasleep van de culturele revolutie. Die revolutie heeft de ene Amerikaanse natie in twee culturen verdeeld: een conservatieve en een progressief-liberale. In Amerika is deze tegenstelling duidelijk zichtbaar omdat die zich politiek heeft vertaald in een Republikeinse en een Democratische Partij. Bij ons in Nederland is dat niet het geval. Hooguit wordt het verschil zichtbaar in de tegenstelling tussen links en rechts. Waarbij rechts staat voor een kleine overheid, zelfredzaamheid en cultureel-morele waarden, en links staat voor de noodlottige combinatie van vrijheidsdrang en een alomtegenwoordige staat.





Het boek van Himmelfarb ontvouwt een conservatief programma om de civil society te revitaliseren als buffer tussen een excessief individualisme aan de ene kant en een onderdrukkende staat aan de andere kant. Ze schrijft over een hervorming van instituties als familie en gezin, over de politiek en over het christendom als een ‘seedbed of virtue’.

Ik weet dat Rutte veel goede boeken leest (las), maar ik ben bang dat hij dit boek van Himmelfarb niet kent, of als hij het kent, dan heeft hij de inhoud niet gebruikt als blauwdruk voor zijn regeringsbeleid. Daarvoor is hij natuurlijk ook veel te gematigd. Hij belichaamt eigenlijk het type mens dat in Amerika zou worden omschreven als een rechtse Democraat of een linkse Republikein. Misschien dat ik dat even zag in dat fotootje op de voorpagina van de NRC. En toen dacht dat hij daarmee misschien wel over de kwaliteiten beschikt om in een land van twee culturen die ene natie te belichamen.