In het Nederlands Dagblad stond afgelopen vrijdag mijn column over een leesregel bij onze Grondwet. Onze christelijke cultuur biedt de context die een juiste interpretatie van onze rechten en vrijheden mogelijk maakt.
Eigenlijk is Nederland wel af. Grootse toekomstvisioenen om sociale kwesties te lijf te gaan, het aanwijzen van een stip op de horizon waar wij als volk heen moeten reizen, het is eigenlijk niet meer nodig. We hebben onze bestemming bereikt, we staan bovenop die stip op de horizon, we hebben met onze politieke en sociale orde ons hoogtepunt bereikt.
Dat betoogde Govert Buijs een week geleden op deze plaats. Het populisme waarmee we het zo te stellen hebben, is misschien wel niet veel anders dan een afkickverschijnsel – het late en laatste verdriet om een groot verlies, het verlies van een richtinggevend verhaal waaraan we verslaafd zijn geraakt.
Het betoog van Buijs, hoogleraar filosofie aan de VU, is op z’n minst origineel. Met de regelmaat van de klok verschijnen er immers boeken waarin een nieuw verhaal wordt bepleit in antwoord op het populisme van Geert Wilders c.s. Dat populisme appelleert klaarblijkelijk aan een diep menselijke behoefte. We hebben niet alleen een maag maar ook een hart. Ons hart kan niet leven bij de bloedeloze abstracties die de politieke elite tot nog toe tegen Wilders in stelling heeft gebracht – verhalen over mensenrechten, gelijkheid, onze Grondwet. Volgens al die boeken hebben we behoefte aan een verhaal van vlees en bloed, over onze geschiedenis, over wie we zijn, onze identiteit, onze cultuur.
En in die kakofonie van stemmen, pleidooien en oproepen komt Buijs melden dat het Grote Verhaal een oud verhaal is dat we inmiddels gerealiseerd hebben. Onze wereld is de best denkbare: politiek, sociaal, economisch. Er zijn geen zaken meer waarvoor we een nieuw Groot Verhaal zouden moeten verzinnen. Het is gelukt en geslaagd, dat grote project van de moderniteit. Nuchter mens, vriend Buijs, misschien is hij ook wel een Rotterdammer, net als die hoogleraar die hij instemmend citeerde.
Dwars en origineel is Buijs zeker. Maar heeft hij ook gelijk? Hebben we inderdaad geen behoefte meer aan een verhaal?
Buijs heeft natuurlijk gelijk wanneer hij zegt dat het ons in het rijke Westen gelukt is om de grote vijanden van de mensheid – honger en gebrek, ziekte en armoede – er grotendeels onder te krijgen. Economische groei heeft ongekende welvaart gebracht. Al te grote verschillen in rijkdom worden genivelleerd. Niemand is bij zijn geboorte bevoorrecht. Iedereen krijgt kansen. En we zijn vrij en democratisch. Politieke tirannie is verdreven.
Het staat allemaal als in graniet in onze Grondwet gebeiteld: vrijheid, gelijkheid, solidariteit. Maar is dat genoeg? Hebben we genoeg aan een boekje, onze Constitutie, waarin onze rechten en plichten staan opgesomd, of hebben we ook een leesregel nodig, aanwijzingen die ons in staat stellen dat boekje goed te lezen? En vormen al die aanwijzingen samen misschien een Groot Verhaal over de culturele context waarbinnen dat boekje is geschreven, en helpt dat Grote (onderliggende) Verhaal ons om al onze verworvenheden juist te interpreteren?
Ik denk het laatste. Laat ik twee voorbeelden geven van wat ik bedoel.
Onze Grondwet geeft een opsomming van onze vrijheden, bijvoorbeeld de vrijheid onze mening te uiten. Anders dan menig opinievormer ons heeft willen doen geloven, is die vrijheid niet absoluut en onbeperkt. Er zijn wettelijk normen die onze vrijheid begrenzen. We mogen niet beledigen, geen haat zaaien. Vrijheid is niet het recht om zo maar alles te zeggen wat we maar willen. Vrijheid behoort door fatsoen te worden ingetoomd.
Onze Grondwet vraagt ook van ons dat we niet discrimineren en tolerant zijn. Tolerantie bestaat in het besef dat we anderen niet mogen of kunnen dwingen – ook al hebben we daartoe de macht – om tegen hun geweten in te gaan. Waar dat besef verdwijnt kunnen mensen gaan denken, bijvoorbeeld, dat ze ambtenaren mogen dwingen homohuwelijken te sluiten.
Die Grondwet van ons is oorspronkelijk dus verankerd in christelijke opvattingen over vrijheid en tolerantie. Die christelijke cultuur is de legger van onze rechtsstaat. Waar de borging van onze vrijheden in dit cultuurchristelijke Verhaal verdwijnt of verzwakt, gebeuren er gekke dingen. Dan gaan mensen denken dat ze alles mogen zeggen, of dat zij andere mensen mogen en kunnen dwingen om tegen hun diepste overtuigingen in te gaan.
Dit Grote (onderliggende) Verhaal biedt dus het kader om het Grote (gerealiseerde) verhaal in goede banen te leiden en voor tirannieke ontsporingen te behoeden. De formulering van dit Grote (onderliggende) Verhaal blijft om die reden nodiger dan ooit.
14.6.11
31.5.11
De nieuwe hoffelijkheid van links
Wethouder Andrée van Es van Amsterdam hield onlangs een pleidooi voor hoffelijkheid in de strijd tegen het falen van haar oude ideaal, de multiculturele samenleving.

Dat is nieuw, een links politicus die waarden, normen, deugden en fatsoen bepleit in een politiek debat. Wie dat vroeger deed viel onder de banvloek van de fatsoensrakkerij. Royaal heb ik wethouder Van Es daarom welkom geheten in het conservatieve kamp, dat immers altijd al pleidooien voor een cultureel fundament onder de samenleving voerde. Het artikel stond vorige week op de website van Binnenlands Bestuur en in de Volkskrant.
Het stuk riep nogal wat reacties op van mensen die zich kwaad maakten over de inhoud. Daarom heb ik vandaag een repliek geschreven die op de website van Binnenlands Bestuur en op de opinie-website van de Volskkrant is verschenen. Beide artikelen staan hieronder.
Welkom, wethouder Van Es, in het conservatieve kamp!
Ik tel mijn zegeningen: als zelfs iemand van GroenLinks komt vertellen dat we de deugd van de hoffelijkheid moeten herstellen, dan blijkt de werkelijkheid zich zelfs in het erg linkse kamp onweerstaanbaar op te dringen. Maar wat moet het voor de linkse mens vervelend zijn om het grote historische ongelijk steeds weer te moeten toegeven.
Vorige week was ze ineens zeer nadrukkelijk aanwezig in het nieuws: Andrée van Es, in Amsterdam wethouder namens GroenLinks. Ze gaf interviews aan Trouw en de Volkskrant en verscheen bij Knevel & Van de Brink. Ze mocht komen uitleggen dat de Nederlandse samenleving wat hoffelijker moet worden.
Van Es (1953) was in de jaren tachtig Kamerlid voor de Pacifistisch-Socialistische Partij (opgegaan in GroenLinks). Daarna verdween ze in de wereld van de VPRO en de Balie en speelde ze een rol bij de inburgering van Máxima. Ze was directeur-generaal op het ministerie van Binnenlandse Zaken en keerde weer terug in de politiek. Sinds vorig jaar is ze wethouder in Amsterdam, de stad van 183 nationaliteiten, en gaat ze in die functie over zaken als participatie en integratie.
Naar de Amsterdamse gemeenteraad heeft ze een brief geschreven over het onderwerp ‘Burgerschap en Diversiteit’. Ondertitel: ‘Geen burgerschap zonder hoffelijkheid’. In de traditie van Amsterdam en van de radicale chique waartoe Van Es zich in 1973 bekeerde (bij de dood van de socialistische Chileense president Allende) gaat het in zulke brieven veelal over ‘beleidsvoornemens’. Maar nu gaat het over wat de stad van de burgers verwacht, hoe ze met elkaar moeten omgaan, hoe ze minder ruw en onwelwillend met elkaar moeten omgaan.
Van Es onderbouwt haar betoog met een beroep op de politiek filosoof John Rawls: ‘Hoe kunnen vrije en gelijke burgers die van inzicht verschillen over godsdienstige, filosofische en levensbeschouwelijke zaken vreedzaam met elkaar samenleven? Burgerschap, met alle verschillen van mening, ook fundamenteel, die daarbij horen, kan volgens Rawls niet zonder civility: hoffelijkheid.’
En het gaat niet alleen om hoffelijkheid: onwilligen moeten aan het werk op verbeurte van hun uitkering, het moet afgelopen zijn met de overlast door jongeren, pardon: Marokkaanse jongeren, de overheid is er niet langer om alle problemen op te lossen maar moet de zelfredzaamheid van burgers hooguit faciliteren, en alle problemen zijn begonnen met de multiculturele samenleving.
Je wrijft even in je ogen: als het allemaal niet rechts is, dan is het in ieder geval ook erg conservatief. Volgens Van Es zelf is ze vooral ‘eerlijker’ geworden.
Inderdaad, Van Es en de haren zijn altijd oneerlijk geweest. Dat wil zeggen: ze hebben gelogen. Problemen mochten niet worden benoemd. De multiculturele samenleving was een hoog ideaal en wie zich ertegen verzette of over de schaduwzijden durfde beginnen, was een racist, een nationalist, rancuneus, erg blank met een dikke onderbuik. De politiek ontfermde zich over de zwakken. Wie van zelfredzaamheid repte, was rechts, had geen idealen maar slechts belangen, en behoorde tot de verderfelijke mensensoort die meende dat armoede en achterstand vooral eigen schuld was.
Van Es is van het linkse geloof gevallen dat ijverde voor bevrijding, emancipatie en individualisme en daarmee een beslissende bijdrage heeft geleverd aan de vergruizing van het culturele fundament dat een samenleving moet dragen. Ieder voor zich en de staat voor ons allen, was de leuze van deze dames en heren. En filosofen als Rawls, de held van de pluralistische samenleving en het verzet tegen ‘de oneerlijke verdeling van aanleg en talenten’, waren hun helden.
Nu moeten burgers weer voor zichzelf zorgen en wat vriendelijker worden in de omgang met elkaar. Want het multiculturele ideaal dat de generatie van Van Es met zoveel morele hooghartigheid heeft uitgedragen, is stuk gelopen op de harde werkelijkheid. De chaos laat zich niet meer vanuit het gemeentehuis beteugelen, zo heeft Van Es moeten vaststellen, twintig jaar na Bolkestein, tien jaar na Paul Scheffer en Pim Fortuyn. Ex-communist word je na de val van de Muur.
Beter (te) laat dan nooit natuurlijk. Ik tel mijn zegeningen.
Hartelijk welkom, mevrouw Van Es, in het conservatieve kamp. Met de grote Amerikaanse neoconservatief Irving Kristol bent u een ‘liberal who has been mugged by reality’, en daarmee feliciteer ik u. Ik bewonder uw moed. Want ik kan me goed voorstellen dat u deze stap met enige tegenzin zet. U en de uwen – ik denk niet alleen aan Paul Scheffer maar ook aan NRC-columnist Bas Heijne met zijn recente essay Moeten wij van elkaar houden? - belichaamden de weldenkendheid en moeten steeds meer hun grote historische ongelijk komen opbiechten nu de werkelijkheid zich onaangenaam opdringt. U en de uwen gaan daarmee in feite net zo pragmatisch en opportunistisch met het eigen gedachtegoed om als de gemiddelde politieke partij, en het moet pijnlijk zijn dat bij u zelf vast te stellen. U erkent dat historische ongelijk natuurlijk niet, maar stelt vast dat anderen u uw gedachtegoed en de consequenties daarvan wel eens met recht en reden kwalijk kunnen gaan nemen. Een concessie aan die werkelijkheid, zoals u die maakt, zou je daarom bijna kunnen zien als een smoes, om te laten zien dat u en de uwen op hun schreden zijn teruggekeerd en het allemaal zelf hebben bedacht, over die hoffelijkheid en zo.

U hebt in uw jeugd in de Haagse Vogelwijk ongetwijfeld het gymnasium bezocht en Horatius gelezen. Waarschijnlijk ook het gedicht over die hooivork, weet u nog wel, waarmee je dacht alles overboord te kunnen gooien, en over die menselijke natuur en de werkelijkheid die toch altijd weer blijven terugkeren en hun rechten opeisen.

Nogmaals: links en de moraal
Wethouder Andrée van Es kreeg onlangs alle gelegenheid om links en rechts uit te venten hoe zij haar portefeuille participatie en integratie in Amsterdam gaat invullen: door een pleidooi voor hoffelijkheid. Op deze plaats wijdde ik daar vorige week een stukje aan. Ik stelde daar dat die keuze van Van Es – een politiek pleidooi voor deugdzaamheid - nieuw was voor een progressief politicus. Linkse politici hebben zich in het recente verleden immers onderscheiden met pleidooien voor maximale vrijheid en tegen elke vorm van ‘betutteling’. Als daar problemen uit ontstonden, moest de overheid die oplossen. Van Es heeft dus ineens een politieke draai van 180 graden gemaakt. Maar goed, zo schreef ik, hoe ongeloofwaardig zo’n tournure ook is, beter laat dan nooit, zo’n pleidooi, en met een royaal gebaar heette ik wethouder Van Es van harte welkom in het conservatieve kamp.
Dat is niet overal even zeer gewaardeerd, zoals al snel bleek uit de vele boze reacties op deze website, op die van de Volkskrant en De Pers en enkele blogs.
Die kritiek was niet altijd even intelligent. Het verwijt dat mij vooral is gemaakt was het verwijt van de hovaardij. Ik zou betoogd hebben dat rechtse mensen hoffelijk zijn en linkse mensen niet. Ik zou het rechtse alleenrecht op hoffelijkheid hebben afgekondigd.
En dat is niet zo. In de eerste plaats had ik het niet over ‘rechts’ maar over ‘conservatief’. Ik geef toe dat het enige politieke scholing vraagt om het onderscheid te kunnen maken. Maar als rechts voor een kleine overheid staat die zich tot haar kerntaken beperkt, dan voegt de conservatief daaraan toe dat een samenleving voor alles een cultureel fundament nodig heeft van burgers die goed zijn opgevoed en goed onderwijs hebben ontvangen. We moeten immers wel weten hoe we met onze vrijheid behoren om te gaan.
In de tweede plaats zou ik niet graag beweren dat linkse mensen als individuen onhoffelijk zijn en rechtse mensen altijd hoffelijk. (Zo ben ik ook niet opgevoed. Toen ik in de kinderstoel al onvervalst rechts zat te kraaien, hief mijn moeder haar vinger en citeerde haar devies: ‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle’). Daar gaat het natuurlijk ook helemaal niet om. Het gaat erom of pleidooien voor hoffelijkheid (waarden en normen, deugden, een cultureel fundament, of hoe je het ook wilt noemen) een plaats mogen hebben in politieke discussies over de ravages die het vrijzinnig-progressieve ideaal van het multiculturalisme in de Nederlandse samenleving heeft aangericht. Conservatieven – en sommige rechts-liberale politici, zoals Frits Bolkestein – doen dat al tijden lang, Andrée van Es doet dat nu voor het eerst. Ik heb mijn linkse critici uitgedaagd mij voorbeelden te geven van progressieve pleidooien voor hoffelijkheid in het kader van een discussie over de multiculturele samenleving. Een antwoord zijn zij mij allen schuldig gebleven.

Daar komt nog iets bij. Het voorbeeld van Van Es staat natuurlijk niet op zichzelf. Links heeft er een handje van om na verloop van tijd de rechtse (conservatieve) pleidooien te herhalen. En als het dan door iemand uit de linkse hoek wordt gezegd, dan mag het ineens. Dan wordt ook net gedaan alsof die persoon het voor het eerst heeft gezegd. En worden er rare draaien aan dat linkse plagiaat van rechts gegeven.
Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Paul Scheffer. Frits Bolkestein stak al tien jaar zijn betogen tegen de schaduwkanten van de multiculturele samenleving af maar vond zelden enig onthaal. Volgens Jacques Wallage van de PvdA viste hij in het troebele water van het autochtone ressentiment. Toen Paul Scheffer echter tien jaar geleden paginagroot in NRC zijn beroemde stuk tegen het multiculturalisme publiceerde, werd aan dat krantenartikel een heus Kamerdebat gewijd en mocht hij sindsdien door het leven als de kampioen van wakker geworden links. Natuurlijk hebben de bijdragen van Scheffer grote verdiensten, maar hij heeft weinig gezegd wat al niet eerder was gezegd.

Hetzelfde geldt min of meer voor het recente essay van NRC-columnist Bas Heijne (Moeten wij van elkaar houden?). Links laboreert aan een vreemd affect, een nervositeit bijna, en dat is het verzet tegen elke poging iets te formuleren van een verhaal (identiteit) dat alle andere verhalen (identiteiten) overstijgt. Dat riekt al snel naar rechts-nationalistische dwingelandij, is bij voorbaat heel ‘eng’, en het volgende godwinnetje is dan nooit ver weg. Nu heeft Bas Heijne ingezien dat het beroep op abstracties als Grondwet en rechtstaat door de (zelf benoemde) politieke, bestuurlijke en intellectuele elite niet helpt, en dat we daarom in het debat over de multiculturele samenleving toch een verhaal (identiteit) moeten formuleren. Ook deze vooruitgang op links boek ik graag als winst, en ik accepteer deze positie graag als nieuw uitgangspunt voor een debat dat ons misschien eindelijk ergens kan brengen, maar merkwaardig blijft het: dat het verhaal nu wel mag omdat het in de NRC staat.
Het pleidooi dat links van rechts overschrijft, wordt in zulke gevallen niet alleen als nieuw en origineel gepresenteerd maar ook in een uitgesproken links discours ingebed en daarmee misbruikt. Politici als Van Es doen nu bijvoorbeeld net alsof zij het publieke pleidooi voor hoffelijkheid hebben ontdekt in hun verzet tegen de retoriek van Geert Wilders (kijk de uitzending van Knevel & Van den Brink waarin Van Es optrad, er maar op na). In zijn achterban zouden zich immers de primitieven bevinden, ‘rancuneuze types zonder moraal, zonder principes’ (Anil Ramdas).
Maar pleidooien voor hoffelijkheid, beste linksmens, zijn niet bedoeld om ons af te zetten tegen één specifiek groep. Onfatsoen laat zich niet indelen naar politieke achtergrond. Pleidooien voor hoffelijkheid en fatsoen zijn een algemeen appel op de samenleving om het culturele fundament onder onze rechtstaat, civil society en economie te onderhouden.
Links jat dus rechtse pleidooien als trucje voor eigen partijpolitiek gewin. Links is daarmee ongeloofwaardig, opportunistisch en vals.
Is dat reden tot somberte? Welnee. Links biedt altijd alle reden tot vrolijkheid. Want over vijf jaar staat in de Volkskrant wat deze week in de Elsevier staat. En over vijf jaar is zelfs de meest linkse lezer van dit stukje het met de inhoud ervan eens.

Dat is nieuw, een links politicus die waarden, normen, deugden en fatsoen bepleit in een politiek debat. Wie dat vroeger deed viel onder de banvloek van de fatsoensrakkerij. Royaal heb ik wethouder Van Es daarom welkom geheten in het conservatieve kamp, dat immers altijd al pleidooien voor een cultureel fundament onder de samenleving voerde. Het artikel stond vorige week op de website van Binnenlands Bestuur en in de Volkskrant.
Het stuk riep nogal wat reacties op van mensen die zich kwaad maakten over de inhoud. Daarom heb ik vandaag een repliek geschreven die op de website van Binnenlands Bestuur en op de opinie-website van de Volskkrant is verschenen. Beide artikelen staan hieronder.
Welkom, wethouder Van Es, in het conservatieve kamp!
Ik tel mijn zegeningen: als zelfs iemand van GroenLinks komt vertellen dat we de deugd van de hoffelijkheid moeten herstellen, dan blijkt de werkelijkheid zich zelfs in het erg linkse kamp onweerstaanbaar op te dringen. Maar wat moet het voor de linkse mens vervelend zijn om het grote historische ongelijk steeds weer te moeten toegeven.
Vorige week was ze ineens zeer nadrukkelijk aanwezig in het nieuws: Andrée van Es, in Amsterdam wethouder namens GroenLinks. Ze gaf interviews aan Trouw en de Volkskrant en verscheen bij Knevel & Van de Brink. Ze mocht komen uitleggen dat de Nederlandse samenleving wat hoffelijker moet worden.
Van Es (1953) was in de jaren tachtig Kamerlid voor de Pacifistisch-Socialistische Partij (opgegaan in GroenLinks). Daarna verdween ze in de wereld van de VPRO en de Balie en speelde ze een rol bij de inburgering van Máxima. Ze was directeur-generaal op het ministerie van Binnenlandse Zaken en keerde weer terug in de politiek. Sinds vorig jaar is ze wethouder in Amsterdam, de stad van 183 nationaliteiten, en gaat ze in die functie over zaken als participatie en integratie.
Naar de Amsterdamse gemeenteraad heeft ze een brief geschreven over het onderwerp ‘Burgerschap en Diversiteit’. Ondertitel: ‘Geen burgerschap zonder hoffelijkheid’. In de traditie van Amsterdam en van de radicale chique waartoe Van Es zich in 1973 bekeerde (bij de dood van de socialistische Chileense president Allende) gaat het in zulke brieven veelal over ‘beleidsvoornemens’. Maar nu gaat het over wat de stad van de burgers verwacht, hoe ze met elkaar moeten omgaan, hoe ze minder ruw en onwelwillend met elkaar moeten omgaan.
Van Es onderbouwt haar betoog met een beroep op de politiek filosoof John Rawls: ‘Hoe kunnen vrije en gelijke burgers die van inzicht verschillen over godsdienstige, filosofische en levensbeschouwelijke zaken vreedzaam met elkaar samenleven? Burgerschap, met alle verschillen van mening, ook fundamenteel, die daarbij horen, kan volgens Rawls niet zonder civility: hoffelijkheid.’
En het gaat niet alleen om hoffelijkheid: onwilligen moeten aan het werk op verbeurte van hun uitkering, het moet afgelopen zijn met de overlast door jongeren, pardon: Marokkaanse jongeren, de overheid is er niet langer om alle problemen op te lossen maar moet de zelfredzaamheid van burgers hooguit faciliteren, en alle problemen zijn begonnen met de multiculturele samenleving.
Je wrijft even in je ogen: als het allemaal niet rechts is, dan is het in ieder geval ook erg conservatief. Volgens Van Es zelf is ze vooral ‘eerlijker’ geworden.
Inderdaad, Van Es en de haren zijn altijd oneerlijk geweest. Dat wil zeggen: ze hebben gelogen. Problemen mochten niet worden benoemd. De multiculturele samenleving was een hoog ideaal en wie zich ertegen verzette of over de schaduwzijden durfde beginnen, was een racist, een nationalist, rancuneus, erg blank met een dikke onderbuik. De politiek ontfermde zich over de zwakken. Wie van zelfredzaamheid repte, was rechts, had geen idealen maar slechts belangen, en behoorde tot de verderfelijke mensensoort die meende dat armoede en achterstand vooral eigen schuld was.
Van Es is van het linkse geloof gevallen dat ijverde voor bevrijding, emancipatie en individualisme en daarmee een beslissende bijdrage heeft geleverd aan de vergruizing van het culturele fundament dat een samenleving moet dragen. Ieder voor zich en de staat voor ons allen, was de leuze van deze dames en heren. En filosofen als Rawls, de held van de pluralistische samenleving en het verzet tegen ‘de oneerlijke verdeling van aanleg en talenten’, waren hun helden.
Nu moeten burgers weer voor zichzelf zorgen en wat vriendelijker worden in de omgang met elkaar. Want het multiculturele ideaal dat de generatie van Van Es met zoveel morele hooghartigheid heeft uitgedragen, is stuk gelopen op de harde werkelijkheid. De chaos laat zich niet meer vanuit het gemeentehuis beteugelen, zo heeft Van Es moeten vaststellen, twintig jaar na Bolkestein, tien jaar na Paul Scheffer en Pim Fortuyn. Ex-communist word je na de val van de Muur.
Beter (te) laat dan nooit natuurlijk. Ik tel mijn zegeningen.
Hartelijk welkom, mevrouw Van Es, in het conservatieve kamp. Met de grote Amerikaanse neoconservatief Irving Kristol bent u een ‘liberal who has been mugged by reality’, en daarmee feliciteer ik u. Ik bewonder uw moed. Want ik kan me goed voorstellen dat u deze stap met enige tegenzin zet. U en de uwen – ik denk niet alleen aan Paul Scheffer maar ook aan NRC-columnist Bas Heijne met zijn recente essay Moeten wij van elkaar houden? - belichaamden de weldenkendheid en moeten steeds meer hun grote historische ongelijk komen opbiechten nu de werkelijkheid zich onaangenaam opdringt. U en de uwen gaan daarmee in feite net zo pragmatisch en opportunistisch met het eigen gedachtegoed om als de gemiddelde politieke partij, en het moet pijnlijk zijn dat bij u zelf vast te stellen. U erkent dat historische ongelijk natuurlijk niet, maar stelt vast dat anderen u uw gedachtegoed en de consequenties daarvan wel eens met recht en reden kwalijk kunnen gaan nemen. Een concessie aan die werkelijkheid, zoals u die maakt, zou je daarom bijna kunnen zien als een smoes, om te laten zien dat u en de uwen op hun schreden zijn teruggekeerd en het allemaal zelf hebben bedacht, over die hoffelijkheid en zo.

U hebt in uw jeugd in de Haagse Vogelwijk ongetwijfeld het gymnasium bezocht en Horatius gelezen. Waarschijnlijk ook het gedicht over die hooivork, weet u nog wel, waarmee je dacht alles overboord te kunnen gooien, en over die menselijke natuur en de werkelijkheid die toch altijd weer blijven terugkeren en hun rechten opeisen.

Nogmaals: links en de moraal
Wethouder Andrée van Es kreeg onlangs alle gelegenheid om links en rechts uit te venten hoe zij haar portefeuille participatie en integratie in Amsterdam gaat invullen: door een pleidooi voor hoffelijkheid. Op deze plaats wijdde ik daar vorige week een stukje aan. Ik stelde daar dat die keuze van Van Es – een politiek pleidooi voor deugdzaamheid - nieuw was voor een progressief politicus. Linkse politici hebben zich in het recente verleden immers onderscheiden met pleidooien voor maximale vrijheid en tegen elke vorm van ‘betutteling’. Als daar problemen uit ontstonden, moest de overheid die oplossen. Van Es heeft dus ineens een politieke draai van 180 graden gemaakt. Maar goed, zo schreef ik, hoe ongeloofwaardig zo’n tournure ook is, beter laat dan nooit, zo’n pleidooi, en met een royaal gebaar heette ik wethouder Van Es van harte welkom in het conservatieve kamp.
Dat is niet overal even zeer gewaardeerd, zoals al snel bleek uit de vele boze reacties op deze website, op die van de Volkskrant en De Pers en enkele blogs.
Die kritiek was niet altijd even intelligent. Het verwijt dat mij vooral is gemaakt was het verwijt van de hovaardij. Ik zou betoogd hebben dat rechtse mensen hoffelijk zijn en linkse mensen niet. Ik zou het rechtse alleenrecht op hoffelijkheid hebben afgekondigd.
En dat is niet zo. In de eerste plaats had ik het niet over ‘rechts’ maar over ‘conservatief’. Ik geef toe dat het enige politieke scholing vraagt om het onderscheid te kunnen maken. Maar als rechts voor een kleine overheid staat die zich tot haar kerntaken beperkt, dan voegt de conservatief daaraan toe dat een samenleving voor alles een cultureel fundament nodig heeft van burgers die goed zijn opgevoed en goed onderwijs hebben ontvangen. We moeten immers wel weten hoe we met onze vrijheid behoren om te gaan.
In de tweede plaats zou ik niet graag beweren dat linkse mensen als individuen onhoffelijk zijn en rechtse mensen altijd hoffelijk. (Zo ben ik ook niet opgevoed. Toen ik in de kinderstoel al onvervalst rechts zat te kraaien, hief mijn moeder haar vinger en citeerde haar devies: ‘Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle’). Daar gaat het natuurlijk ook helemaal niet om. Het gaat erom of pleidooien voor hoffelijkheid (waarden en normen, deugden, een cultureel fundament, of hoe je het ook wilt noemen) een plaats mogen hebben in politieke discussies over de ravages die het vrijzinnig-progressieve ideaal van het multiculturalisme in de Nederlandse samenleving heeft aangericht. Conservatieven – en sommige rechts-liberale politici, zoals Frits Bolkestein – doen dat al tijden lang, Andrée van Es doet dat nu voor het eerst. Ik heb mijn linkse critici uitgedaagd mij voorbeelden te geven van progressieve pleidooien voor hoffelijkheid in het kader van een discussie over de multiculturele samenleving. Een antwoord zijn zij mij allen schuldig gebleven.

Daar komt nog iets bij. Het voorbeeld van Van Es staat natuurlijk niet op zichzelf. Links heeft er een handje van om na verloop van tijd de rechtse (conservatieve) pleidooien te herhalen. En als het dan door iemand uit de linkse hoek wordt gezegd, dan mag het ineens. Dan wordt ook net gedaan alsof die persoon het voor het eerst heeft gezegd. En worden er rare draaien aan dat linkse plagiaat van rechts gegeven.
Het bekendste voorbeeld is natuurlijk Paul Scheffer. Frits Bolkestein stak al tien jaar zijn betogen tegen de schaduwkanten van de multiculturele samenleving af maar vond zelden enig onthaal. Volgens Jacques Wallage van de PvdA viste hij in het troebele water van het autochtone ressentiment. Toen Paul Scheffer echter tien jaar geleden paginagroot in NRC zijn beroemde stuk tegen het multiculturalisme publiceerde, werd aan dat krantenartikel een heus Kamerdebat gewijd en mocht hij sindsdien door het leven als de kampioen van wakker geworden links. Natuurlijk hebben de bijdragen van Scheffer grote verdiensten, maar hij heeft weinig gezegd wat al niet eerder was gezegd.

Hetzelfde geldt min of meer voor het recente essay van NRC-columnist Bas Heijne (Moeten wij van elkaar houden?). Links laboreert aan een vreemd affect, een nervositeit bijna, en dat is het verzet tegen elke poging iets te formuleren van een verhaal (identiteit) dat alle andere verhalen (identiteiten) overstijgt. Dat riekt al snel naar rechts-nationalistische dwingelandij, is bij voorbaat heel ‘eng’, en het volgende godwinnetje is dan nooit ver weg. Nu heeft Bas Heijne ingezien dat het beroep op abstracties als Grondwet en rechtstaat door de (zelf benoemde) politieke, bestuurlijke en intellectuele elite niet helpt, en dat we daarom in het debat over de multiculturele samenleving toch een verhaal (identiteit) moeten formuleren. Ook deze vooruitgang op links boek ik graag als winst, en ik accepteer deze positie graag als nieuw uitgangspunt voor een debat dat ons misschien eindelijk ergens kan brengen, maar merkwaardig blijft het: dat het verhaal nu wel mag omdat het in de NRC staat.
Het pleidooi dat links van rechts overschrijft, wordt in zulke gevallen niet alleen als nieuw en origineel gepresenteerd maar ook in een uitgesproken links discours ingebed en daarmee misbruikt. Politici als Van Es doen nu bijvoorbeeld net alsof zij het publieke pleidooi voor hoffelijkheid hebben ontdekt in hun verzet tegen de retoriek van Geert Wilders (kijk de uitzending van Knevel & Van den Brink waarin Van Es optrad, er maar op na). In zijn achterban zouden zich immers de primitieven bevinden, ‘rancuneuze types zonder moraal, zonder principes’ (Anil Ramdas).
Maar pleidooien voor hoffelijkheid, beste linksmens, zijn niet bedoeld om ons af te zetten tegen één specifiek groep. Onfatsoen laat zich niet indelen naar politieke achtergrond. Pleidooien voor hoffelijkheid en fatsoen zijn een algemeen appel op de samenleving om het culturele fundament onder onze rechtstaat, civil society en economie te onderhouden.
Links jat dus rechtse pleidooien als trucje voor eigen partijpolitiek gewin. Links is daarmee ongeloofwaardig, opportunistisch en vals.
Is dat reden tot somberte? Welnee. Links biedt altijd alle reden tot vrolijkheid. Want over vijf jaar staat in de Volkskrant wat deze week in de Elsevier staat. En over vijf jaar is zelfs de meest linkse lezer van dit stukje het met de inhoud ervan eens.
22.3.11
Misverstanden in het debat over 'de scheiding van kerk en staat
Maandagmiddag was ik te gast in het programma Schepper&Co aan tafel om samen met Sophie in 't Veld (D66) en Ruard Ganzevoort (GroenLinks, maar ook de trotse nakomeling van Wessel Gansfort) te debatteren over vrijheid van godsdienst, secularisme en de scheiding van kerk en staat. Dat is leuk,deelname aan zo'n uitzending, maar om je opvattingen precies duidelijk te maken kun je toch beter een stukje schrijven. Dat heb ik vandaag gedaan in de vorm van mijn wekelijkse column voor Binnenlands Bestuur. De tekst staat ook hieronder.
Het zijn grote woorden, de discussie erover keert met grote regelmaat terug en cirkelt rond de relatie tussen overheid en geloof. Het gaat dan bijvoorbeeld over de vrijheid van een politieke vereniging om vrouwen te weren uit politieke functies, om de vrijheid van een islamitische leraar of ambtenaar om een vrouw geen hand te geven, om de vrijheid van christelijke scholen om geen homoseksuele leraren aan te nemen of de vrijheid van een kerk om homoseksuele kerkgangers de hostie te onthouden. Of het gaat over het dragen van religieuze symbolen in de publieke ruimte: om hoofddoekjes achter een balie van het gemeentehuis of zelfs – alsof er nooit een Rosa Parks is geweest – in een Noordhollandse bus. VVD-kamerlid Jeanine Hennis zei vorige week in een interview met De Pers dat ambtenaren in publieksfuncties geen religieuze symbolen mogen dragen en bepleitte een ‘meer beschouwend debat’ over dit en aanverwante onderwerpen. Dat ‘fundamentele’ debat gaat er komen, in de Tweede Kamer. En dan zal het dus gaan over de vrijheid van godsdienst (artikel 6 van onze Grondwet) en over de scheiding van kerk en staat, die niet in onze Grondwet wordt genoemd maar toch als een belangrijk grondprincipe van onze rechtsstaat geldt.
Over deze zaken bestaan veel onduidelijkheid en misverstanden.
• Velen denken dat de overheid neutraal moet zijn en dat dit betekent dat de overheid seculier, godsdienstloos, moet zijn. Geloof is best, maar achter de voordeur, niet in de publieke ruimte. Dit standpunt is een vergissing. Het seculiere standpunt is niet neutraal, maar even goed een levensbeschouwelijke keuze. Neutraal wil zeggen onpartijdig, en dat betekent dat alle levensbeschouwingen in principe dezelfde ruimte krijgen om er te zijn en zich te uiten.
• Velen denken dat de scheiding van kerk en staat betekent dat gelovigen geen politieke standpunten mogen uitdragen die op hun geloof gebaseerd zijn. Zo zouden gelovigen zich niet tegen abortus of euthanasie mogen uitspreken omdat zij dan andere mensen iets zouden willen verbieden en opleggen op grond van hun geloof. Wie zich vóór abortus en euthanasie uitspreekt, creëert net zo goed een maatschappelijke werkelijkheid die gebaseerd is op levensbeschouwelijke keuzes.
• De scheiding van kerk en staat betekent heel eenvoudig dat de kerk niet mag regeren en de overheid geen geloof mag dicteren. Een democratische rechtsstaat verhoudt zich niet met een theocratie en niet met een overheid die in het leven van de kerk ingrijpt. De kerk mag de overheid niet dwingen om alle andere geloven ‘te weren en uit te roeien’, en de staat mag burgers niet dwingen een bepaald geloof aan te hangen. De laatste vervolging van gelovigen in Nederland had plaats in de jaren dertig van de negentiende eeuw, toen een Oranjevorst (Willem I) en een liberale minister van Justitie (Van Maanen) via inkwartiering, boetes en celstraffen christenen vervolgden die de Nederlands Hervormde Kerk verlieten en een eigen nieuw kerkgenootschap stichtten.
• Wanneer de staat geen geloofsovertuiging mag opleggen, mag zij verenigingen en kerkgenootschappen ook niet onder het juk van een levensbeschouwelijk principe laten doorgaan. Nu is dat vooral het gelijkheidsprincipe, zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet, dat zich zowel tegen de SGP als tegen de Rooms-Katholieke Kerk dreigt te keren (als de sociaal-liberalen van D66, GroenLinks en VVD hun zin krijgen). De Grondwet zelf geeft aan dat de vrijheid van godsdienst en vereniging wordt begrensd door de wet (de artikelen worden immers besloten met de formulering: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’). Artikel 1 regeert niet over de klassieke grondrechten, zoals regering en Tweede Kamer in twee grote debatten hebben uitgesproken. Er is geen rangorde in de grondrechten.
• Een ‘meer beschouwend debat’ over staat en geloof is nauwelijks mogelijk omdat er de nodige irritatie aan de behoefte aan dat debat ten grondslag ligt. In de jaren negentig leken we af te stevenen op een religieloze publieke ruimte: de secularisatie ging onverminderd door en het CDA was uit het centrum van de macht gemanoeuvreerd. Maar het CDA bleek toch nog levensvatbaar en een nieuw geloof, de islam, bleek zich assertief te manifesteren. De discussie zoals die nu wordt gevoerd is eigenlijk volledig te danken aan de aanwezigheid van de islam. Over religieuze symbolen achter gemeentebalies is nooit enige ophef gemaakt, omdat dat ook niet nodig was. Een kruisje of keppeltje riepen geen wantrouwen op, een hoofddoekje (blijkbaar) wel. Het verzet tegen het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP komt voort uit de zorg dat een (veel grotere) islamitische partij vergelijkbare standpunten zal gaan huldigen. Het verzet tegen de rituele slacht komt voort uit verontwaardiging over de slachtpraktijk onder moslims. Maar als je op basis van een relativistische levensovertuiging in gelijkheid gelooft – en dus alle geloven even erg vindt of allemaal even mooi – dan heb je het niet over de islam maar over religie in het algemeen.
• Dat ‘meer beschouwende debat’ zou volgens de sociaal-liberalen moeten uitmonden in het schrappen van de vrijheid van godsdienst. Dat is erg vreemd. Een klassiek grondrecht is geen toevallige, welwillende concessie van de overheid aan burgers, die op een gegeven moment net zo goed weer kan worden ingetrokken, maar is van de burgers en beschermt hen tegen de willekeur van de staat of tegen een toevallige meerderheid van seculiere, liberale, blanke burgers die zich nu nadrukkelijk roeren en in feite even tiranniek een levensbeschouwing willen opleggen als de eerste de beste theocraat.
• Dat voorstel om artikel 6 van de Grondwet te schrappen noopt bovendien tot enig wantrouwen. De voorstanders zeggen dat gelovigen al vrijheid van meningsuiting en vereniging hebben en dat de vrijheid van godsdienst om die reden overbodig is. Maar als deze artikelen materieel samenvallen, waarom dan die moeite gedaan om artikel 6 te schrappen? Blijkbaar is er iets anders aan de orde. Wanneer je artikel 6 schrapt kun je het geloof gaan zien als ook maar een mening. Nu gaat het om iets kwetsbaars, om wat mensen ten diepste drijft, en daar kun je als overheid niet zo maar in snijden.
• En tot slot (al zou er natuurlijk nog veel meer te zeggen zijn): zo’n ‘meer beschouwend debat’ is zeer welkom, maar laat het alsjeblieft niet door politici worden gevoerd. Die willen – als zo’n debat al niet direct verzandt in genant gekissebis over hoofddoekjes - immers altijd een wet maken, en dus iets gebieden of verbieden. Het onderwerp kerk, staat, geloofsvrijheid is te belangrijk om aan politici over te laten.
Het zijn grote woorden, de discussie erover keert met grote regelmaat terug en cirkelt rond de relatie tussen overheid en geloof. Het gaat dan bijvoorbeeld over de vrijheid van een politieke vereniging om vrouwen te weren uit politieke functies, om de vrijheid van een islamitische leraar of ambtenaar om een vrouw geen hand te geven, om de vrijheid van christelijke scholen om geen homoseksuele leraren aan te nemen of de vrijheid van een kerk om homoseksuele kerkgangers de hostie te onthouden. Of het gaat over het dragen van religieuze symbolen in de publieke ruimte: om hoofddoekjes achter een balie van het gemeentehuis of zelfs – alsof er nooit een Rosa Parks is geweest – in een Noordhollandse bus. VVD-kamerlid Jeanine Hennis zei vorige week in een interview met De Pers dat ambtenaren in publieksfuncties geen religieuze symbolen mogen dragen en bepleitte een ‘meer beschouwend debat’ over dit en aanverwante onderwerpen. Dat ‘fundamentele’ debat gaat er komen, in de Tweede Kamer. En dan zal het dus gaan over de vrijheid van godsdienst (artikel 6 van onze Grondwet) en over de scheiding van kerk en staat, die niet in onze Grondwet wordt genoemd maar toch als een belangrijk grondprincipe van onze rechtsstaat geldt.
Over deze zaken bestaan veel onduidelijkheid en misverstanden.
• Velen denken dat de overheid neutraal moet zijn en dat dit betekent dat de overheid seculier, godsdienstloos, moet zijn. Geloof is best, maar achter de voordeur, niet in de publieke ruimte. Dit standpunt is een vergissing. Het seculiere standpunt is niet neutraal, maar even goed een levensbeschouwelijke keuze. Neutraal wil zeggen onpartijdig, en dat betekent dat alle levensbeschouwingen in principe dezelfde ruimte krijgen om er te zijn en zich te uiten.
• Velen denken dat de scheiding van kerk en staat betekent dat gelovigen geen politieke standpunten mogen uitdragen die op hun geloof gebaseerd zijn. Zo zouden gelovigen zich niet tegen abortus of euthanasie mogen uitspreken omdat zij dan andere mensen iets zouden willen verbieden en opleggen op grond van hun geloof. Wie zich vóór abortus en euthanasie uitspreekt, creëert net zo goed een maatschappelijke werkelijkheid die gebaseerd is op levensbeschouwelijke keuzes.
• De scheiding van kerk en staat betekent heel eenvoudig dat de kerk niet mag regeren en de overheid geen geloof mag dicteren. Een democratische rechtsstaat verhoudt zich niet met een theocratie en niet met een overheid die in het leven van de kerk ingrijpt. De kerk mag de overheid niet dwingen om alle andere geloven ‘te weren en uit te roeien’, en de staat mag burgers niet dwingen een bepaald geloof aan te hangen. De laatste vervolging van gelovigen in Nederland had plaats in de jaren dertig van de negentiende eeuw, toen een Oranjevorst (Willem I) en een liberale minister van Justitie (Van Maanen) via inkwartiering, boetes en celstraffen christenen vervolgden die de Nederlands Hervormde Kerk verlieten en een eigen nieuw kerkgenootschap stichtten.
• Wanneer de staat geen geloofsovertuiging mag opleggen, mag zij verenigingen en kerkgenootschappen ook niet onder het juk van een levensbeschouwelijk principe laten doorgaan. Nu is dat vooral het gelijkheidsprincipe, zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet, dat zich zowel tegen de SGP als tegen de Rooms-Katholieke Kerk dreigt te keren (als de sociaal-liberalen van D66, GroenLinks en VVD hun zin krijgen). De Grondwet zelf geeft aan dat de vrijheid van godsdienst en vereniging wordt begrensd door de wet (de artikelen worden immers besloten met de formulering: ‘behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet’). Artikel 1 regeert niet over de klassieke grondrechten, zoals regering en Tweede Kamer in twee grote debatten hebben uitgesproken. Er is geen rangorde in de grondrechten.
• Een ‘meer beschouwend debat’ over staat en geloof is nauwelijks mogelijk omdat er de nodige irritatie aan de behoefte aan dat debat ten grondslag ligt. In de jaren negentig leken we af te stevenen op een religieloze publieke ruimte: de secularisatie ging onverminderd door en het CDA was uit het centrum van de macht gemanoeuvreerd. Maar het CDA bleek toch nog levensvatbaar en een nieuw geloof, de islam, bleek zich assertief te manifesteren. De discussie zoals die nu wordt gevoerd is eigenlijk volledig te danken aan de aanwezigheid van de islam. Over religieuze symbolen achter gemeentebalies is nooit enige ophef gemaakt, omdat dat ook niet nodig was. Een kruisje of keppeltje riepen geen wantrouwen op, een hoofddoekje (blijkbaar) wel. Het verzet tegen het ‘vrouwenstandpunt’ van de SGP komt voort uit de zorg dat een (veel grotere) islamitische partij vergelijkbare standpunten zal gaan huldigen. Het verzet tegen de rituele slacht komt voort uit verontwaardiging over de slachtpraktijk onder moslims. Maar als je op basis van een relativistische levensovertuiging in gelijkheid gelooft – en dus alle geloven even erg vindt of allemaal even mooi – dan heb je het niet over de islam maar over religie in het algemeen.
• Dat ‘meer beschouwende debat’ zou volgens de sociaal-liberalen moeten uitmonden in het schrappen van de vrijheid van godsdienst. Dat is erg vreemd. Een klassiek grondrecht is geen toevallige, welwillende concessie van de overheid aan burgers, die op een gegeven moment net zo goed weer kan worden ingetrokken, maar is van de burgers en beschermt hen tegen de willekeur van de staat of tegen een toevallige meerderheid van seculiere, liberale, blanke burgers die zich nu nadrukkelijk roeren en in feite even tiranniek een levensbeschouwing willen opleggen als de eerste de beste theocraat.
• Dat voorstel om artikel 6 van de Grondwet te schrappen noopt bovendien tot enig wantrouwen. De voorstanders zeggen dat gelovigen al vrijheid van meningsuiting en vereniging hebben en dat de vrijheid van godsdienst om die reden overbodig is. Maar als deze artikelen materieel samenvallen, waarom dan die moeite gedaan om artikel 6 te schrappen? Blijkbaar is er iets anders aan de orde. Wanneer je artikel 6 schrapt kun je het geloof gaan zien als ook maar een mening. Nu gaat het om iets kwetsbaars, om wat mensen ten diepste drijft, en daar kun je als overheid niet zo maar in snijden.
• En tot slot (al zou er natuurlijk nog veel meer te zeggen zijn): zo’n ‘meer beschouwend debat’ is zeer welkom, maar laat het alsjeblieft niet door politici worden gevoerd. Die willen – als zo’n debat al niet direct verzandt in genant gekissebis over hoofddoekjes - immers altijd een wet maken, en dus iets gebieden of verbieden. Het onderwerp kerk, staat, geloofsvrijheid is te belangrijk om aan politici over te laten.
12.3.11
Wilders en Majesteit
Het Filosofisch Elftal van Trouw (over De koningin en de populist) borduurt vandaag voort op mijn column voor Binnenlands Bestuur van deze week over de opmerkelijk vrijmoedige kritiek van Geert Wilders op Majesteit. Waarom distantieert Wilders zich zo scherp van uitspraken van koningin Beatrix en andere leden van het koninklijk huis, en hoe komt het dat hij zich die houding kan permitteren (anders dan Pim Fortuyn tien jaar geleden)?
De tekst van de column staat ook hieronder.
Premier Rutte moest zich van de week in de Tweede Kamer verantwoorden over het besluit om Majesteit toch te laten aanzitten aan een privédiner in Oman, en daarmee over zijn relatie tot het koningshuis. Maar politiek veel interessanter en spannender is de relatie tot de koningin van PVV-leider Geert Wilders. Die zoekt openlijk de confrontatie met de koningin in een strijd om de volksgunst.
Het heeft Majesteit dan toch behaagd te dineren met Qaboos bin Said al-Said, de sultan van Oman. Dat leek niet voor de hand te liggen, die aanzit, omdat Oman, net als vele andere landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, het toneel van onrust en opstand is, en een bezoek aan Oman gemakkelijk als steun aan het bewind van de sultan kan worden uitgelegd. Inderdaad was de komst van koningin Beatrix voorpaginanieuws in de Engelstalige kranten van Oman. ‘Queen Beatrix in Muscat today’, meldde de Muscat Daily over de volle breedte van de voorpagina in een toepasselijke oranje steunkleur.
De Kamer riep premier Rutte op het matje omdat hij de koningin toestemming heeft gegeven voor het privédiner. Een meerderheid van de Kamer had vorige week immers duidelijk gemaakt dat het verstandig zou zijn wanneer het staatsbezoek aan Oman – dat aanvankelijk de bedoeling was – voorlopig niet doorging. Twee dagen later meldde het kabinet per brief aan de Kamer dat de koningin toch op korte termijn naar Oman ging, niet voor een staatsbezoek maar voor een privé-etentje. Om daarover alsnog iets te kunnen zeggen, wilde de Kamer dat Rutte zich beschikbaar stelde voor een debatje.
Zo’n debatje gaat natuurlijk over meer dan alleen dat bezoek en de rol van handelsbelangen die bij de besluitvorming een rol heeft gespeeld. Het gaat ook over de relatie van deze nieuwe en jonge premier tot het koningshuis. Dat is interessant genoeg. Maar eigenlijk nog veel interessanter, en in ieder geval spannender, is de relatie tot het koningshuis van PVV-leider Geert Wilders.

Toen het besluit dat Majesteit alsnog naar Oman zou afreizen, bekend was geworden, twitterde Wilders: ‘Honderden mensen demonstreerden vandaag [zondag – bjs] in Oman tegen regime van abjecte Sultan. Dat de Koningin met die dictator gaat dineren is erg dom!’
Zo’n reactie is op z’n minst vrijmoedig te noemen. En het was deze keer niet voor het eerst dat Wilders zijn kritiek op het koningshuis zonder enig voorbehoud spuide. Haar Kersttoespraken, vol met oproepen tot tolerantie en respect en andere zaken die niet bovenaan in de Wilderiaanse deugdencatalogus staan, hebben al eerder zijn toorn opgeroepen. Een oproep tot vrede en tot het tegengaan van grofheid in woord en daad hekelt hij steevast als een persoonlijke aanval op zijn politiek en retoriek. Hij is de ‘multiculti-onzin’ van het staatshoofd ‘spuugzat’.
Dat Wilders aan die afkeer uiting geeft, is opmerkelijk, zeker voor een 'populist', die weet waar de liefdes en loyaliteiten van het volk liggen, en dus ook weet dat hij met zijn handen van het koningshuis moet afblijven. Pim Fortuyn presenteerde zich bij zijn entree in de Nederlandse politiek als een rasechte republikein, die Majesteit hooguit een ceremoniële rol in ons bestel wilde toekennen. Op tournee in Limburg merkte hij echter dat dat standpunt hem niet zou gaan helpen, en zei hij haastig dat hij deze mening wel zou opgeven als het volk dat wilde. Dat wilde het volk (toen nog) en Fortuyn deed het.
Wilders neemt inmiddels hetzelfde standpunt in: de koningin mag niet langer onderdeel van de regering zijn en moet zich beperken tot een ceremoniële rol. ‘Als een haas’ moet zij de regering verlaten, en 20 procent van haar begroting moet zij inleveren. Hoe kan dat, deze verandering?
Het is Wilders gelukt de koningin en haar gevolg neer te zetten als een integraal onderdeel van de elite, zo niet van de linkse kerk. Bij Juliana had dat niet gekund, want zij presenteerde zich als de koningin van het gewone volk, die je met mevrouw mocht aanspreken. Wilhelmina was afstandelijker, maar gaf er blijk van dat zij zich diep verbonden voelde met het volk. Beatrix heeft zich aangediend als een majesteit die haar jubileum soms ook zonder het volk en alleen met de leden van haar eigen kaste wilde vieren. Zij is pro-Europees. Zij is voor de multiculturele samenleving, en liet Máxima zeggen dat dé Nederlander eigenlijk niet bestaat. Door haar vorig jaar zomer tijdens de kabinetsformatie aanvankelijk te passeren en samen met Rutte en Verhagen de formatiebesprekingen voort te zetten, suggereerde Wilders dat een rechts kabinet er alleen haars ondanks kon komen.
Wilders zoekt dus bewust de confrontatie met de koningin en de monarchie. Daaruit blijkt dat hij zich sterk genoeg voelt om de strijd om de volksgunst met haar aan te durven. Met het genaken van het jaar 2013, als Nederland twee eeuwen onafhankelijk is en de koningin wel eens zou kunnen overwegen af te treden, is dat gegeven spannender en belangrijker dan het debatje van vandaag in de Tweede Kamer.
De tekst van de column staat ook hieronder.
Premier Rutte moest zich van de week in de Tweede Kamer verantwoorden over het besluit om Majesteit toch te laten aanzitten aan een privédiner in Oman, en daarmee over zijn relatie tot het koningshuis. Maar politiek veel interessanter en spannender is de relatie tot de koningin van PVV-leider Geert Wilders. Die zoekt openlijk de confrontatie met de koningin in een strijd om de volksgunst.
Het heeft Majesteit dan toch behaagd te dineren met Qaboos bin Said al-Said, de sultan van Oman. Dat leek niet voor de hand te liggen, die aanzit, omdat Oman, net als vele andere landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, het toneel van onrust en opstand is, en een bezoek aan Oman gemakkelijk als steun aan het bewind van de sultan kan worden uitgelegd. Inderdaad was de komst van koningin Beatrix voorpaginanieuws in de Engelstalige kranten van Oman. ‘Queen Beatrix in Muscat today’, meldde de Muscat Daily over de volle breedte van de voorpagina in een toepasselijke oranje steunkleur.
De Kamer riep premier Rutte op het matje omdat hij de koningin toestemming heeft gegeven voor het privédiner. Een meerderheid van de Kamer had vorige week immers duidelijk gemaakt dat het verstandig zou zijn wanneer het staatsbezoek aan Oman – dat aanvankelijk de bedoeling was – voorlopig niet doorging. Twee dagen later meldde het kabinet per brief aan de Kamer dat de koningin toch op korte termijn naar Oman ging, niet voor een staatsbezoek maar voor een privé-etentje. Om daarover alsnog iets te kunnen zeggen, wilde de Kamer dat Rutte zich beschikbaar stelde voor een debatje.
Zo’n debatje gaat natuurlijk over meer dan alleen dat bezoek en de rol van handelsbelangen die bij de besluitvorming een rol heeft gespeeld. Het gaat ook over de relatie van deze nieuwe en jonge premier tot het koningshuis. Dat is interessant genoeg. Maar eigenlijk nog veel interessanter, en in ieder geval spannender, is de relatie tot het koningshuis van PVV-leider Geert Wilders.

Toen het besluit dat Majesteit alsnog naar Oman zou afreizen, bekend was geworden, twitterde Wilders: ‘Honderden mensen demonstreerden vandaag [zondag – bjs] in Oman tegen regime van abjecte Sultan. Dat de Koningin met die dictator gaat dineren is erg dom!’
Zo’n reactie is op z’n minst vrijmoedig te noemen. En het was deze keer niet voor het eerst dat Wilders zijn kritiek op het koningshuis zonder enig voorbehoud spuide. Haar Kersttoespraken, vol met oproepen tot tolerantie en respect en andere zaken die niet bovenaan in de Wilderiaanse deugdencatalogus staan, hebben al eerder zijn toorn opgeroepen. Een oproep tot vrede en tot het tegengaan van grofheid in woord en daad hekelt hij steevast als een persoonlijke aanval op zijn politiek en retoriek. Hij is de ‘multiculti-onzin’ van het staatshoofd ‘spuugzat’.
Dat Wilders aan die afkeer uiting geeft, is opmerkelijk, zeker voor een 'populist', die weet waar de liefdes en loyaliteiten van het volk liggen, en dus ook weet dat hij met zijn handen van het koningshuis moet afblijven. Pim Fortuyn presenteerde zich bij zijn entree in de Nederlandse politiek als een rasechte republikein, die Majesteit hooguit een ceremoniële rol in ons bestel wilde toekennen. Op tournee in Limburg merkte hij echter dat dat standpunt hem niet zou gaan helpen, en zei hij haastig dat hij deze mening wel zou opgeven als het volk dat wilde. Dat wilde het volk (toen nog) en Fortuyn deed het.
Wilders neemt inmiddels hetzelfde standpunt in: de koningin mag niet langer onderdeel van de regering zijn en moet zich beperken tot een ceremoniële rol. ‘Als een haas’ moet zij de regering verlaten, en 20 procent van haar begroting moet zij inleveren. Hoe kan dat, deze verandering?
Het is Wilders gelukt de koningin en haar gevolg neer te zetten als een integraal onderdeel van de elite, zo niet van de linkse kerk. Bij Juliana had dat niet gekund, want zij presenteerde zich als de koningin van het gewone volk, die je met mevrouw mocht aanspreken. Wilhelmina was afstandelijker, maar gaf er blijk van dat zij zich diep verbonden voelde met het volk. Beatrix heeft zich aangediend als een majesteit die haar jubileum soms ook zonder het volk en alleen met de leden van haar eigen kaste wilde vieren. Zij is pro-Europees. Zij is voor de multiculturele samenleving, en liet Máxima zeggen dat dé Nederlander eigenlijk niet bestaat. Door haar vorig jaar zomer tijdens de kabinetsformatie aanvankelijk te passeren en samen met Rutte en Verhagen de formatiebesprekingen voort te zetten, suggereerde Wilders dat een rechts kabinet er alleen haars ondanks kon komen.
Wilders zoekt dus bewust de confrontatie met de koningin en de monarchie. Daaruit blijkt dat hij zich sterk genoeg voelt om de strijd om de volksgunst met haar aan te durven. Met het genaken van het jaar 2013, als Nederland twee eeuwen onafhankelijk is en de koningin wel eens zou kunnen overwegen af te treden, is dat gegeven spannender en belangrijker dan het debatje van vandaag in de Tweede Kamer.
17.2.11
Die Hans Laroes toch
Afgelopen dinsdag publiceerde ik – zoals elke week – op de website van Binnenlands Bestuur een column onder de titel ‘Blijvende correctheid’. Ik ging daar in op het feit dat de media zich nog geregeld schuldig maken aan verhullende politieke correctheid, en voerde daarvoor drie voorbeelden aan: de manier waarop er op radio en TV door de Bertus Hendriksen dezer wereld over de Moslimbroederschap wordt gesproken, de manier waarop er is bericht over die rare dialoogwandeling door Amsterdam-West en een uitspraak van politicologe en 'Egyptedeskundige' Monique Samuel. Er zijn altijd voorbeelden te over natuurlijk. Ik had het ook nog kunnen hebben over de manier waarop de NOS berichtte over de aanhoudende immigratie, die niet, zoals Rob Trip in het Journaal zei, zo maar uit de lidstaten van de Europese Unie komt, maar vooral uit enkele specifieke lidstaten zoals Polen, Bulgarije en Roemenië (wat hoofddemograaf Jan Latten ’s middags nog wel op de radio had mogen vertellen). Ook dat is verhullend en als zodanig een bron van nieuw onbegrip en onbehagen.
Maar met mevrouw Samuel is er iets aan de hand. Zij is half-Nederlands, half-Egyptisch en is de afgelopen weken verschillende keren op de televisie geweest om uit te leggen wat er allemaal in Egypte gebeurde. In een interview met het Nederlands Dagblad (helaas niet volledig on line) zei ze dat ze bij de NOS wel mocht praten over moslims en christenen die samen bidden maar niet over de islamitische aanslagen op twee koptisch kerken. Waarom mocht dat niet? ‘De NOS is bang voor islamofoob te worden uitgemaakt’, zei ze in het ND van afgelopen zaterdag.
Deze uitspraak nu, die ik in mijn column citeerde, heeft de toorn gewekt van de heer Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS Journaal. Er zou helemaal niets van kloppen, van die uitspraak van mevrouw Samuel over dat islamofobe karakter van de NOS. Mevrouw Samuel beweert inmiddels dat ze het zo niet heeft gezegd (maar dat er ‘natuurlijk wel iets achter die uitspraak schuilt’) en schijnt inmiddels haar excuses aan Laroes te hebben aangeboden. Dat doe je alleen wanneer je spijt hebt van je uitspraak, niet wanneer je het niet hebt gezegd en verkeerd geciteerd bent door het ND. Het interview in het ND was van tevoren ook door mevrouw Samuel gezien en gelezen en geapprobeerd. Mevrouw Samuel heeft inmiddels op twitter gezegd dat ze de NOS graag te vriend wil houden.
De spijt van mevrouw Samuel is de heer Laroes echter niet genoeg. Nu zij haar uitspraak wel heeft gedaan maar daar spijt van heeft gekregen vindt hij (schreef hij in verschillende tweets) dat mijn column op ‘flinterdun’ bewijs is gebaseerd en eist hij op hoge toon dat ik dat openlijk moet erkennen.
Dat valt allemaal nogal mee, denk ik. Het enige probleem is dat mijn betoogje gebaseerd was op drie voorbeelden waarvan er één is ingetrokken. De twee andere staan in ieder geval nog overeind, en zoals gezegd zou ik het aantal voorbeelden gemakkelijk kunnen vermeerderen.
Maar: is dat voorbeeld van mevrouw Samuel wel terecht ingetrokken? Is het wel terecht dat zij haar excuses heeft aangeboden, omdat de NOS wel degelijk aandacht aan het islamitische geweld tegen koptische christenen heeft geschonken? Dat is hooguit voor een deel het geval.
In zijn blog verwijst Laroes naar twee uitzendingen die duidelijk zouden moeten maken dat de NOS de nodige aandacht heeft besteed aan het lot van de Kopten in Egypte. Die uitzendingen hebben echter betrekking op de aanslag van 1 januari in Alexandrië en op tekenen van verzoening tussen moslims en christenen naar aanleiding van dat incident, vastgelegd door Nicole Lefever in de uitzending van 11 januari. Dat is dus ver voor de historische datum van 25 januari toen de revolutie uitbrak. Waar Samuel het op dat moment over wilde hebben waren natuurlijk de zware aanslagen van begin februari in de zuidelijke provincie Minya, waarbij minstens elf Kopten om het leven kwamen. Daar hebben we de NOS inderdaad niet over gehoord. Als we alleen de NOS hadden gehad, hadden we gedacht dat er ergens rond de jaarwisseling een incident was geweest maar dat die aanslag moslims en christenen juist dichter bij elkaar had gebracht. Gelukkig zijn er ook andere media en weten we beter, al heeft Laroes ondertussen mevrouw Samuel zo zwaar geïntimideerd dat hij haar haar excuses heeft laten aanbieden voor iets waarvoor zij haar excuses helemaal niet hoefde aan te bieden.
Zelf ben ik maar zo vrij dat niet te doen.
Maar met mevrouw Samuel is er iets aan de hand. Zij is half-Nederlands, half-Egyptisch en is de afgelopen weken verschillende keren op de televisie geweest om uit te leggen wat er allemaal in Egypte gebeurde. In een interview met het Nederlands Dagblad (helaas niet volledig on line) zei ze dat ze bij de NOS wel mocht praten over moslims en christenen die samen bidden maar niet over de islamitische aanslagen op twee koptisch kerken. Waarom mocht dat niet? ‘De NOS is bang voor islamofoob te worden uitgemaakt’, zei ze in het ND van afgelopen zaterdag.
Deze uitspraak nu, die ik in mijn column citeerde, heeft de toorn gewekt van de heer Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS Journaal. Er zou helemaal niets van kloppen, van die uitspraak van mevrouw Samuel over dat islamofobe karakter van de NOS. Mevrouw Samuel beweert inmiddels dat ze het zo niet heeft gezegd (maar dat er ‘natuurlijk wel iets achter die uitspraak schuilt’) en schijnt inmiddels haar excuses aan Laroes te hebben aangeboden. Dat doe je alleen wanneer je spijt hebt van je uitspraak, niet wanneer je het niet hebt gezegd en verkeerd geciteerd bent door het ND. Het interview in het ND was van tevoren ook door mevrouw Samuel gezien en gelezen en geapprobeerd. Mevrouw Samuel heeft inmiddels op twitter gezegd dat ze de NOS graag te vriend wil houden.
De spijt van mevrouw Samuel is de heer Laroes echter niet genoeg. Nu zij haar uitspraak wel heeft gedaan maar daar spijt van heeft gekregen vindt hij (schreef hij in verschillende tweets) dat mijn column op ‘flinterdun’ bewijs is gebaseerd en eist hij op hoge toon dat ik dat openlijk moet erkennen.
Dat valt allemaal nogal mee, denk ik. Het enige probleem is dat mijn betoogje gebaseerd was op drie voorbeelden waarvan er één is ingetrokken. De twee andere staan in ieder geval nog overeind, en zoals gezegd zou ik het aantal voorbeelden gemakkelijk kunnen vermeerderen.
Maar: is dat voorbeeld van mevrouw Samuel wel terecht ingetrokken? Is het wel terecht dat zij haar excuses heeft aangeboden, omdat de NOS wel degelijk aandacht aan het islamitische geweld tegen koptische christenen heeft geschonken? Dat is hooguit voor een deel het geval.
In zijn blog verwijst Laroes naar twee uitzendingen die duidelijk zouden moeten maken dat de NOS de nodige aandacht heeft besteed aan het lot van de Kopten in Egypte. Die uitzendingen hebben echter betrekking op de aanslag van 1 januari in Alexandrië en op tekenen van verzoening tussen moslims en christenen naar aanleiding van dat incident, vastgelegd door Nicole Lefever in de uitzending van 11 januari. Dat is dus ver voor de historische datum van 25 januari toen de revolutie uitbrak. Waar Samuel het op dat moment over wilde hebben waren natuurlijk de zware aanslagen van begin februari in de zuidelijke provincie Minya, waarbij minstens elf Kopten om het leven kwamen. Daar hebben we de NOS inderdaad niet over gehoord. Als we alleen de NOS hadden gehad, hadden we gedacht dat er ergens rond de jaarwisseling een incident was geweest maar dat die aanslag moslims en christenen juist dichter bij elkaar had gebracht. Gelukkig zijn er ook andere media en weten we beter, al heeft Laroes ondertussen mevrouw Samuel zo zwaar geïntimideerd dat hij haar haar excuses heeft laten aanbieden voor iets waarvoor zij haar excuses helemaal niet hoefde aan te bieden.
Zelf ben ik maar zo vrij dat niet te doen.
14.2.11
Leer en leven: Datheen en Chopin
Het is natuurlijk goed wanneer je je realiseert dat het leven meer is dan het voedsel en de kleding. Dat het geestelijke uiteindelijk het materiële overstijgt. Maar je kunt ook al te idealistisch in dit leven staan, en geloven dat mensen hun gedrag en levensstijl laten bepalen door hun overtuigingen. Dat het leven een afgeleide is van de leer. Dat een verandering in opvattingen tot andere standpunten en keuzes leidt, en niet, andersom, dat een verandering in het leven tot een bijstelling van opvattingen leidt. Dat discussies en debatten dus zin hebben omdat je mensen ergens van kunt overtuigen en zij deze verandering zullen omzetten in andere positiekeuzes. Het zou leuk zijn als het waar was, maar het blijkt hopeloos naïef en te goedgelovig gedacht.
Met enige regelmaat sta ik in zaaltjes te spreken voor mij sympathieke gezelschappen die zich aan het bezinnen zijn. Niet zo maar op iets, maar op de kern van hun politieke boodschap. De omstandigheden zijn veranderd, en hoe moet je je boodschap dan brengen, dat is de vraag waarover het in zulk soort sessies altijd weer gaat. Hoe leg je uit dat je voor gewetensvrijheid bent maar tegen geloofsvrijheid? Of toch wel voor geloofsvrijheid maar dan wel tegen geloofsgelijkheid? Als dat onderscheid strikt juridisch niet te rechtvaardigen valt, hoe kun je dat dan doen met behulp van gewoonterechtelijke en cultuurrechtelijke argumenten? En als je op dit punt andere keuzes maakt, hoe leg je dat dan uit aan een achterban die heel eenvoudig denkt dat er maar één norm is, het Woord van God, en dat er daarom geen ruimte is voor geloofsvrijheid en alle geloof anders dan het calvinistische moet worden geweerd en uitgeroeid?
Je kunt daar een dagdeel over praten, maar je voelt al snel aan dat alle opmerkingen iets vrijblijvends hebben. Dat er wordt gediscussieerd lijkt wel een doel op zich, alsof iemand daar opdracht toe heeft gegeven, om welke reden dan ook. Het blijkt niet de bedoeling uit de discussie conclusies te trekken. Met de bijeenkomst hebben ze weer aan hun verplichting voldaan, jegens wie dan ook, en kunnen ze weer een tijdje vooruit. Aan het einde van zo’n bijeenkomst zijn er ook altijd deelnemers die benadrukken dat er geen enkele urgentie is. Het speelt eigenlijk niet zo in Den Haag, en ach, als je hier al uit zou komen met elkaar, dan is er morgen weer iets anders. Misschien is het zo dat als je goed en eerlijk nadenkt, dat je dan je standpunten moet herzien en een andere positie moet innemen. Maar wat een gedoe zal dat geven! Het kan wel waar zijn, maar wat komt het ons slecht uit.
Inderdaad, het verhaal van de plas en alles dat bleef zoals het was.
Ondertussen ontwikkelt het leven zich verder. Er voltrekken zich grote sociale en culturele veranderingen, terwijl de leer hetzelfde blijft. De zonen en dochteren van de gezelschappen die ik in zaaltjes tref, hebben zich verenigd in een vitale jongerenbeweging die dit alles uitmuntend illustreert. Op hun jaarlijkse toogdag stond er geen harmonium op het podium maar een vleugel, en speelden een pianist en een trompettist geen Datheen maar Chopin. Dankzij de emancipatie kunnen ze dat inmiddels. Een prijs werd uitgereikt aan een politiek activiste die zich vooral inzet voor de verbreiding van laïcisme en atheïsme. En de lijsttrekker met vrouw en kinderen werd met ballonnen en vreugdegeschal in een Amerikaans zonnetje gezet. Een van hun voorlieden schreef dat deze jongeren het hellend vlak van de synodaal-gereformeerden niet zullen afglijden omdat bij hen, anders dan bij die gereformeerden vroeger, de leer niet verandert. Alles blijft zoals het was.
Maar dat is natuurlijk niet zo. Vroeg of laat breekt het moment aan waarop de leer en het leven, dat zich onafhankelijk van die leer verder heeft ontwikkeld, zo ver uit elkaar zijn gegroeid dat de leer aan het leven moet worden aangepast. Niet dat ze dat dan zullen erkennen. Nee, die nieuwe leer is niet nieuw, maar is de leer zoals zij eigenlijk altijd was bedoeld, met wat andere accenten, hetzelfde in een veranderde context. De kern is hetzelfde gebleven. Maar dat staat dan natuurlijk nog maar te bezien.
Overtuigingen staan dus in dienst van iets anders: om een groepsgevoel in stand te houden, grenzen te trekken waarachter de groep zich kan terugtrekken en overleven. Het heeft wel wat, die cohesie, al gaat het niet zoals het hoort. De leer houdt blijkbaar geen stand tegen het leven, is de conclusie die je uiteindelijk trekt, sadder and wiser. Wereldwijzer, en een illusie armer.
Met enige regelmaat sta ik in zaaltjes te spreken voor mij sympathieke gezelschappen die zich aan het bezinnen zijn. Niet zo maar op iets, maar op de kern van hun politieke boodschap. De omstandigheden zijn veranderd, en hoe moet je je boodschap dan brengen, dat is de vraag waarover het in zulk soort sessies altijd weer gaat. Hoe leg je uit dat je voor gewetensvrijheid bent maar tegen geloofsvrijheid? Of toch wel voor geloofsvrijheid maar dan wel tegen geloofsgelijkheid? Als dat onderscheid strikt juridisch niet te rechtvaardigen valt, hoe kun je dat dan doen met behulp van gewoonterechtelijke en cultuurrechtelijke argumenten? En als je op dit punt andere keuzes maakt, hoe leg je dat dan uit aan een achterban die heel eenvoudig denkt dat er maar één norm is, het Woord van God, en dat er daarom geen ruimte is voor geloofsvrijheid en alle geloof anders dan het calvinistische moet worden geweerd en uitgeroeid?
Je kunt daar een dagdeel over praten, maar je voelt al snel aan dat alle opmerkingen iets vrijblijvends hebben. Dat er wordt gediscussieerd lijkt wel een doel op zich, alsof iemand daar opdracht toe heeft gegeven, om welke reden dan ook. Het blijkt niet de bedoeling uit de discussie conclusies te trekken. Met de bijeenkomst hebben ze weer aan hun verplichting voldaan, jegens wie dan ook, en kunnen ze weer een tijdje vooruit. Aan het einde van zo’n bijeenkomst zijn er ook altijd deelnemers die benadrukken dat er geen enkele urgentie is. Het speelt eigenlijk niet zo in Den Haag, en ach, als je hier al uit zou komen met elkaar, dan is er morgen weer iets anders. Misschien is het zo dat als je goed en eerlijk nadenkt, dat je dan je standpunten moet herzien en een andere positie moet innemen. Maar wat een gedoe zal dat geven! Het kan wel waar zijn, maar wat komt het ons slecht uit.
Inderdaad, het verhaal van de plas en alles dat bleef zoals het was.
Ondertussen ontwikkelt het leven zich verder. Er voltrekken zich grote sociale en culturele veranderingen, terwijl de leer hetzelfde blijft. De zonen en dochteren van de gezelschappen die ik in zaaltjes tref, hebben zich verenigd in een vitale jongerenbeweging die dit alles uitmuntend illustreert. Op hun jaarlijkse toogdag stond er geen harmonium op het podium maar een vleugel, en speelden een pianist en een trompettist geen Datheen maar Chopin. Dankzij de emancipatie kunnen ze dat inmiddels. Een prijs werd uitgereikt aan een politiek activiste die zich vooral inzet voor de verbreiding van laïcisme en atheïsme. En de lijsttrekker met vrouw en kinderen werd met ballonnen en vreugdegeschal in een Amerikaans zonnetje gezet. Een van hun voorlieden schreef dat deze jongeren het hellend vlak van de synodaal-gereformeerden niet zullen afglijden omdat bij hen, anders dan bij die gereformeerden vroeger, de leer niet verandert. Alles blijft zoals het was.
Maar dat is natuurlijk niet zo. Vroeg of laat breekt het moment aan waarop de leer en het leven, dat zich onafhankelijk van die leer verder heeft ontwikkeld, zo ver uit elkaar zijn gegroeid dat de leer aan het leven moet worden aangepast. Niet dat ze dat dan zullen erkennen. Nee, die nieuwe leer is niet nieuw, maar is de leer zoals zij eigenlijk altijd was bedoeld, met wat andere accenten, hetzelfde in een veranderde context. De kern is hetzelfde gebleven. Maar dat staat dan natuurlijk nog maar te bezien.
Overtuigingen staan dus in dienst van iets anders: om een groepsgevoel in stand te houden, grenzen te trekken waarachter de groep zich kan terugtrekken en overleven. Het heeft wel wat, die cohesie, al gaat het niet zoals het hoort. De leer houdt blijkbaar geen stand tegen het leven, is de conclusie die je uiteindelijk trekt, sadder and wiser. Wereldwijzer, en een illusie armer.
31.1.11
'Laatste Achterberg' in Langbroek begraven
In Langbroek, een dorp onder Doorn, heb ik maandagmiddag de begrafenis bijgewoond van een man die ik, helaas, nooit heb ontmoet. Zijn naam was Hendrik (Henk) Achterberg, de jongste broer van de dichter Gerrit Achterberg. Hij werd bijna 94 jaar oud en was de laatste nog levende uit het gezin van negen kinderen dat woonde in een boerderij waarvan Gerrit Achterberg schreef dat de godsdienst er zwaar tegen de hanebalken hing. Die boerderij heet Klein Jagerstein en staat aan de Langbroekerdijk, misschien een kilometer verwijderd van de Hervormde dorpskerk waar de Achterbergen kerkten en waar de rouwdienst deze middag plaats heeft. Op het kerkhof achter de kerk is hij begraven, net als zijn ouders, twee van zijn kinderen en zoveel familieleden meer, al generaties lang.

Langbroek en de Achterbergen zijn nauw aan elkaar verbonden, al eeuwen. Maar de herinnering aan Gerrit Achterberg ligt er tot op de dag van vandaag gevoelig. Gerrit schoot in december 1937, hij was toen 32 jaar oud, zijn Utrechtse hospita dood. Dat weten ze in Langbroek en ze praten er niet graag over. Henk heeft het nooit willen doen. Toen in 1985 in Langbroek een straat naar Gerrit Achterberg werd vernoemd, deed zich bij de onthulling, in het bijzijn van Gerrits weduwe en de nodige hoogwaardigheidsbekleders, een pijnlijk incident voor. Iemand fietste voorbij en schreeuwde: ‘Die moordenaar!’ Nog steeds zwijgt men maar liever over de dichter, die tien jaar na de moord het gedicht ‘Bekering’ publiceerde:
Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,
tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,
wat er ook in ons leven is gebeurd.
Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.
En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.
Aan de Langbroekerdijk, bij de stenen brug, slechts een paar huizen verwijderd van Klein Jagerstein, staat ook boerderij Snellestein, waar Francien van Donselaar woonde, het meisje met wie Henk elke dag opliep naar school, met wie hij later verkering kreeg en vele jaren gelukkig getrouwd is geweest (zij overleed op 1 januari 2004). Als zij naar school liepen, de Langbroekerdijk uit, kwamen zij langs Sandenburg, het grote witte sprookjeskasteel van de familie Van Lynden van Sandenburg, waar Henks vader, ook Hendrik geheten, als koetsier was begonnen. Achter de Oranjerie was Gerrit geboren, in 1905. Daarna was vader Hendrik gaan boeren op Klein Jagerstein. Daar was Henk ter wereld gekomen, en daar had de hooiberg gestaan waar Gerrit, zestien jaar oud, uit gevallen was. Henk, toen vijf jaar oud, was de enige ooggetuige van de smak geweest. ‘Gerrit klapte naar beneden op de stenen. Ik zie hem daar nu nog liggen en ik hoor hem nog kreunen en kermen van de pijn. Het was vreselijk. Die val wordt gerelateerd aan zijn latere levensloop. Zijn hersenen zouden door die val een dreun gekregen hebben waardoor ze niet meer normaal konden functioneren’, vertelde hij eens.
De school waar Hendrik en zijn Francien dagelijks naar toe liepen, en die dankzij de inspanningen van vader Hendrik een christelijke school was geworden, stond aan dezelfde brink als de kerk. De school is nu het Hervormd Centrum, en daar is de familie deze maandagmiddag bijeengekomen voor het begin van de rouwdienst. Een groot gezelschap: Henk en Francien kregen veertien kinderen, en tot in het vijfde geslacht zijn er nakomelingen. ‘Wij leven zoals God het wil’, zei Francien toen een kraamzuster na het tiende kind over geboortebeperking was begonnen.
De kerk is oud. Hoge ramen in witte muren. Aan weerszijden staan de hoge banken met de wapens van de vele adellijke families uit de streek. In de muur direct achter de preekstoel bevinden zich twee deuren direct naast elkaar, waar zondags de ouderlingen en diakenen door naar binnen komen. Nu rijden vier dochters van de overledene de baar door de ingang onder de toren naar binnen. Een van hen spreekt een ‘in memoriam’ uit, een ander leest een gedicht voor van de negentiende-eeuwse predikant J. J. van Oosterzee, verzen over de brief op dorrend blad die de dood hem heeft geschreven, maar die eindigen met de regel: ‘En – Dood! Waar blijft uw zegepraal?’
Ook Wim van Amerongen voert het woord. Hij schreef het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg, een persoonlijk verslag van zijn zoektocht naar sporen van de dichter in zijn geboortestreek. Henk Achterberg was een van zijn belangrijkste informanten geweest. Via het boek van Van Amerongen heb ik Henk Achterberg leren kennen en sympathie voor hem opgevat. Hij oogde gul en welgemoed op de foto’s in Van Amerongens boek. Hij had gevoel en liefde voor taal, wat in de familie veel voorkwam, had hij Van Amerongen ‘bijna vergoelijkend’ verteld. Hij had zijn vrouw zeer lief gehad. Op zijn zestiende schreef hij een gedicht over dat hij tot aan zijn overlijden als een hommage aan haar boven zijn bed had hangen. ‘O goede moeder, sterke boerenvrouw / stil als een zonnestraal / verglijdt uw leven./ Gij hoort geen uren slaan./ Uw naam is trouw / en alles wat gij doet, is geven.’/ Hij heeft veel betekend voor allen die hem hebben gekend, zoveel wordt tijdens deze dienst wel duidelijk. Een pater familias, een oprecht christenmens, die een grote lege plaats zal achterlaten in het leven van deze uitgebreide familie.

(Henk Achterberg, midden, met links Wim van Amerongen, auteur van het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg)
‘En aldaar zal geen nacht zijn’. Deze woorden uit het laatste hoofdstuk van de Bijbel stonden op de rouwkaart en daarover gaat de preek van de jonge dominee Barth. Genade, had Henk Achterberg tegen de dominee gezegd, kun je het beste omschrijven als ‘gratie met behoud van recht’. God is genadig, niet door aan de zonden voorbij te zien maar door ze te straffen in het lijden en de dood van Zijn Zoon. Over het leven is immers een nacht gevallen, de schaduw van de zonde die zich uitstrekt tot de dood. Maar God zal deze nacht verdrijven. Zoals Jezus’ eerste komst de gratie heeft gebracht, zo zal Zijn tweede komst het licht van de eeuwige dag brengen. Wij leven tussen die twee komsten in, en nu is het van tweeën één, hebben wij of de nacht van de zonde lief of het licht van God. Henk was een kind van Gods gratie en licht geweest.
Het is koud en grijs, deze maandagmiddag, de in het vooruitzicht gestelde zon, die hier van rijke symbolische betekenis zou zijn geweest, blijft verborgen. Op de dodenakker denk ik aan ds. J. T. (Ko) Doornenbal (1909 – 1975), de vriend van Gerrit Achterberg. Hij groeide op in het naburige Doorn en kerkte in zijn jeugd geregeld hier in de Hervormde Kerk van Langbroek (soms ook wel in het oud-gereformeerde kerkje dat verderop langs de provinciale weg staat, wat verworpen een meter of tien van de straatkant af). Ko was ook een boerenzoon, en dichterlijk aangelegd. De Achterbergen en de Doornenballen zijn zelfs verwant. Op de begraafplaats zie ik de grafsteen van Rijk Achterberg en zijn vrouw Marrigje Doornenbal. Marrigje was een zuster van de vader van ds. Doornenbal, Rijk was een neef van de vader van Gerrit en Henk. Doornenbal was bij de begrafenis van Gerrit en sprak het Onze Vader uit in huis en aan het graf, en hij was bij de begrafenis van de oude Hendrik, die samen met zijn vrouw Pietje ook hier op de Langbroekse dodenakker begraven ligt. Ook deze Hendrik werd 93 jaar oud. 'De winterwind woei koud over het kerkhof met de vele zerken en grafstenen van de oude adellijke en boerengeslachten die hier begraven liggen', schreef Doornenbal in 1968. 'Gerrit Achterberg heeft, vooral in zijn latere jaren, de band die hem met zijn vader verbond steeds nauwer gevoeld, en al vaker vond hij de weg naar de ouderlijke woning Klein Jagersteyn aan de Langbroeker Wetering. Het is nu voorbij, zoals zo veel. Huiverende kou over het kerkhof en de grafzerken. "Afgeschreven op een steen".' Zelf ligt Doornenbal een kilometer of wat verderop begraven, in Doorn, naast zijn ouders. Henk wordt ter aarde besteld in hetzelfde graf als zijn vrouw Francien, naast de twee kinderen die hen ontvielen.
‘De laatste Achterberg’, zo noemt Van Amerongen hem in de kerk. Wie zich in de levensloop van Henk verdiept, in zijn gaven van hoofd en hart, vraagt zich bijna als vanzelf af of deze man niet – net als Doornenbal – een leven vertegenwoordigde dat verdwijnt. Een eenvoudig, christelijk leven naar hervormde snit, dat zonder veel tierelantijnen leeft uit gratie en licht en dat vooral gééft. Dominee Barth spreekt over de erfenis van Henk Achterberg. Die moeten we wel ontvangen en niet verkwanselen maar bewaren en ook weer doorgeven. Tot de tweede komst. Misschien nog wel tot in het vijfde geslacht.

PS: De door Doornenbal geciteerde woorden 'Afgeschreven op een steen' zijn ontleend aan het gedicht 'Deïsme' van Gerrit Achterberg (VG 922): 'De mens is voor een tijd een plaats van God./ Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen,/ dan wordt hij afgeschreven op een steen.'

Langbroek en de Achterbergen zijn nauw aan elkaar verbonden, al eeuwen. Maar de herinnering aan Gerrit Achterberg ligt er tot op de dag van vandaag gevoelig. Gerrit schoot in december 1937, hij was toen 32 jaar oud, zijn Utrechtse hospita dood. Dat weten ze in Langbroek en ze praten er niet graag over. Henk heeft het nooit willen doen. Toen in 1985 in Langbroek een straat naar Gerrit Achterberg werd vernoemd, deed zich bij de onthulling, in het bijzijn van Gerrits weduwe en de nodige hoogwaardigheidsbekleders, een pijnlijk incident voor. Iemand fietste voorbij en schreeuwde: ‘Die moordenaar!’ Nog steeds zwijgt men maar liever over de dichter, die tien jaar na de moord het gedicht ‘Bekering’ publiceerde:
Gij hebt het hoog geheim doorbroken, Here Jezus,
tussen ons en den Vader, naar Uw Woord
mogen wij zonder zonde zijn en nieuwe wezens,
wat er ook in ons leven is gebeurd.
Ik deed, van alles wat gedaan kan worden,
het meest misdadige – en was verdoemd.
Maar Gij hebt God een witte naam genoemd,
met die van mij. Nu is het stil geworden,
zoals een zomer om de dorpen bloeit.
En moeten ook de bloemen weer verdorren:
mijn lenden zijn omgord, mijn voeten staan geschoeid.
Uit Uwe Hand ten tweeden maal geboren,
schrijd ik U uit het donker tegemoet.
Aan de Langbroekerdijk, bij de stenen brug, slechts een paar huizen verwijderd van Klein Jagerstein, staat ook boerderij Snellestein, waar Francien van Donselaar woonde, het meisje met wie Henk elke dag opliep naar school, met wie hij later verkering kreeg en vele jaren gelukkig getrouwd is geweest (zij overleed op 1 januari 2004). Als zij naar school liepen, de Langbroekerdijk uit, kwamen zij langs Sandenburg, het grote witte sprookjeskasteel van de familie Van Lynden van Sandenburg, waar Henks vader, ook Hendrik geheten, als koetsier was begonnen. Achter de Oranjerie was Gerrit geboren, in 1905. Daarna was vader Hendrik gaan boeren op Klein Jagerstein. Daar was Henk ter wereld gekomen, en daar had de hooiberg gestaan waar Gerrit, zestien jaar oud, uit gevallen was. Henk, toen vijf jaar oud, was de enige ooggetuige van de smak geweest. ‘Gerrit klapte naar beneden op de stenen. Ik zie hem daar nu nog liggen en ik hoor hem nog kreunen en kermen van de pijn. Het was vreselijk. Die val wordt gerelateerd aan zijn latere levensloop. Zijn hersenen zouden door die val een dreun gekregen hebben waardoor ze niet meer normaal konden functioneren’, vertelde hij eens.
De school waar Hendrik en zijn Francien dagelijks naar toe liepen, en die dankzij de inspanningen van vader Hendrik een christelijke school was geworden, stond aan dezelfde brink als de kerk. De school is nu het Hervormd Centrum, en daar is de familie deze maandagmiddag bijeengekomen voor het begin van de rouwdienst. Een groot gezelschap: Henk en Francien kregen veertien kinderen, en tot in het vijfde geslacht zijn er nakomelingen. ‘Wij leven zoals God het wil’, zei Francien toen een kraamzuster na het tiende kind over geboortebeperking was begonnen.
De kerk is oud. Hoge ramen in witte muren. Aan weerszijden staan de hoge banken met de wapens van de vele adellijke families uit de streek. In de muur direct achter de preekstoel bevinden zich twee deuren direct naast elkaar, waar zondags de ouderlingen en diakenen door naar binnen komen. Nu rijden vier dochters van de overledene de baar door de ingang onder de toren naar binnen. Een van hen spreekt een ‘in memoriam’ uit, een ander leest een gedicht voor van de negentiende-eeuwse predikant J. J. van Oosterzee, verzen over de brief op dorrend blad die de dood hem heeft geschreven, maar die eindigen met de regel: ‘En – Dood! Waar blijft uw zegepraal?’
Ook Wim van Amerongen voert het woord. Hij schreef het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg, een persoonlijk verslag van zijn zoektocht naar sporen van de dichter in zijn geboortestreek. Henk Achterberg was een van zijn belangrijkste informanten geweest. Via het boek van Van Amerongen heb ik Henk Achterberg leren kennen en sympathie voor hem opgevat. Hij oogde gul en welgemoed op de foto’s in Van Amerongens boek. Hij had gevoel en liefde voor taal, wat in de familie veel voorkwam, had hij Van Amerongen ‘bijna vergoelijkend’ verteld. Hij had zijn vrouw zeer lief gehad. Op zijn zestiende schreef hij een gedicht over dat hij tot aan zijn overlijden als een hommage aan haar boven zijn bed had hangen. ‘O goede moeder, sterke boerenvrouw / stil als een zonnestraal / verglijdt uw leven./ Gij hoort geen uren slaan./ Uw naam is trouw / en alles wat gij doet, is geven.’/ Hij heeft veel betekend voor allen die hem hebben gekend, zoveel wordt tijdens deze dienst wel duidelijk. Een pater familias, een oprecht christenmens, die een grote lege plaats zal achterlaten in het leven van deze uitgebreide familie.

(Henk Achterberg, midden, met links Wim van Amerongen, auteur van het boek In de voetsporen van Gerrit Achterberg)
‘En aldaar zal geen nacht zijn’. Deze woorden uit het laatste hoofdstuk van de Bijbel stonden op de rouwkaart en daarover gaat de preek van de jonge dominee Barth. Genade, had Henk Achterberg tegen de dominee gezegd, kun je het beste omschrijven als ‘gratie met behoud van recht’. God is genadig, niet door aan de zonden voorbij te zien maar door ze te straffen in het lijden en de dood van Zijn Zoon. Over het leven is immers een nacht gevallen, de schaduw van de zonde die zich uitstrekt tot de dood. Maar God zal deze nacht verdrijven. Zoals Jezus’ eerste komst de gratie heeft gebracht, zo zal Zijn tweede komst het licht van de eeuwige dag brengen. Wij leven tussen die twee komsten in, en nu is het van tweeën één, hebben wij of de nacht van de zonde lief of het licht van God. Henk was een kind van Gods gratie en licht geweest.
Het is koud en grijs, deze maandagmiddag, de in het vooruitzicht gestelde zon, die hier van rijke symbolische betekenis zou zijn geweest, blijft verborgen. Op de dodenakker denk ik aan ds. J. T. (Ko) Doornenbal (1909 – 1975), de vriend van Gerrit Achterberg. Hij groeide op in het naburige Doorn en kerkte in zijn jeugd geregeld hier in de Hervormde Kerk van Langbroek (soms ook wel in het oud-gereformeerde kerkje dat verderop langs de provinciale weg staat, wat verworpen een meter of tien van de straatkant af). Ko was ook een boerenzoon, en dichterlijk aangelegd. De Achterbergen en de Doornenballen zijn zelfs verwant. Op de begraafplaats zie ik de grafsteen van Rijk Achterberg en zijn vrouw Marrigje Doornenbal. Marrigje was een zuster van de vader van ds. Doornenbal, Rijk was een neef van de vader van Gerrit en Henk. Doornenbal was bij de begrafenis van Gerrit en sprak het Onze Vader uit in huis en aan het graf, en hij was bij de begrafenis van de oude Hendrik, die samen met zijn vrouw Pietje ook hier op de Langbroekse dodenakker begraven ligt. Ook deze Hendrik werd 93 jaar oud. 'De winterwind woei koud over het kerkhof met de vele zerken en grafstenen van de oude adellijke en boerengeslachten die hier begraven liggen', schreef Doornenbal in 1968. 'Gerrit Achterberg heeft, vooral in zijn latere jaren, de band die hem met zijn vader verbond steeds nauwer gevoeld, en al vaker vond hij de weg naar de ouderlijke woning Klein Jagersteyn aan de Langbroeker Wetering. Het is nu voorbij, zoals zo veel. Huiverende kou over het kerkhof en de grafzerken. "Afgeschreven op een steen".' Zelf ligt Doornenbal een kilometer of wat verderop begraven, in Doorn, naast zijn ouders. Henk wordt ter aarde besteld in hetzelfde graf als zijn vrouw Francien, naast de twee kinderen die hen ontvielen.
‘De laatste Achterberg’, zo noemt Van Amerongen hem in de kerk. Wie zich in de levensloop van Henk verdiept, in zijn gaven van hoofd en hart, vraagt zich bijna als vanzelf af of deze man niet – net als Doornenbal – een leven vertegenwoordigde dat verdwijnt. Een eenvoudig, christelijk leven naar hervormde snit, dat zonder veel tierelantijnen leeft uit gratie en licht en dat vooral gééft. Dominee Barth spreekt over de erfenis van Henk Achterberg. Die moeten we wel ontvangen en niet verkwanselen maar bewaren en ook weer doorgeven. Tot de tweede komst. Misschien nog wel tot in het vijfde geslacht.

PS: De door Doornenbal geciteerde woorden 'Afgeschreven op een steen' zijn ontleend aan het gedicht 'Deïsme' van Gerrit Achterberg (VG 922): 'De mens is voor een tijd een plaats van God./ Houdt geen gelijkteken nog iets bijeen,/ dan wordt hij afgeschreven op een steen.'
30.12.10
Alain Finkielkraut over literatuur
Mijn aller-, allerlaatste boekenstukje in HP/De Tijd (het was me een genoegen) gaat over het (misschien wel) beste non-fictieboek van 2010: het boek van de Franse filosoof Alain Finkielkraut over het intelligente hart.

Wij lezen om onszelf te vergroten. Onze eigen ervaring is immers maar zeer beperkt. Door te lezen delen we in de ervaringen en observaties van anderen, de schrijvers, en corrigeren daarmee onze kleingeestigheid en ons provincialisme.
De Franse filosoof Alain Finkielkraut (1949), hoogleraar in Parijs, weet dit en heeft dit jaar een boek gepubliceerd over negen romans die ons kunnen helpen ons een weg te banen door het moderne leven. Zij kunnen ons ‘de genade van een intelligent hart’ schenken, zodat we ‘niet alleen de wetten maar ook de jurisprudentie van het leven’ leren kennen.
Finkielkraut bespreekt bijvoorbeeld Sebastian Haffners autobiografie (Het verhaal van een Duitser) en waarschuwt ons tegen meegaandheid bij de opkomst van grote bewegingen. De opkomst van het nazisme is toe te schrijven aan het aanpassingsvermogen van een karakterloze natie, betoogt Haffner, en het is goed dat Finkielkraut ons daar weer eens aan herinnert.
Maar behartigenswaardig zijn vooral zijn opmerkingen over The Diary of a Man of Fifty (1879) van Henry James. Een man van vijftig keert na een lange militaire carrière terug naar Florence waar hij vroeger een Italiaanse gravin heeft liefgehad. Uit wantrouwen jegens haar oneerlijke intriges (zo denkt hij) heeft hij haar echter afgewezen. Hij ontmoet een Engelsman die dertig jaar jonger is dan hij en verliefd is op de dochter van deze vrouw. Hij wil hem van zijn ervaring laten profiteren en waarschuwt hem voor de behaagzieke jonge vrouw. Maar deze jonge man trouwt toch met haar – en wordt gelukkig. ‘Hij leert het eenvoudige en zeldzame geluk van gedeelde liefde kennen.’
Normaal gesproken gaat het in romans om mensen die hun illusies verliezen, ontnuchterd raken en aldus volwassen worden. De novelle van James leert ons dat het leven soms ook veel rijker is en dat wij soms te achterdochtig zijn. De werkelijkheid kan sterker zijn dan onze desillusies. Een mooie les bij het begin van een nieuw jaar.
(n.a.v. Alain Finkielkraut, Een intelligent hart, uitgeverij Contact)

Wij lezen om onszelf te vergroten. Onze eigen ervaring is immers maar zeer beperkt. Door te lezen delen we in de ervaringen en observaties van anderen, de schrijvers, en corrigeren daarmee onze kleingeestigheid en ons provincialisme.
De Franse filosoof Alain Finkielkraut (1949), hoogleraar in Parijs, weet dit en heeft dit jaar een boek gepubliceerd over negen romans die ons kunnen helpen ons een weg te banen door het moderne leven. Zij kunnen ons ‘de genade van een intelligent hart’ schenken, zodat we ‘niet alleen de wetten maar ook de jurisprudentie van het leven’ leren kennen.
Finkielkraut bespreekt bijvoorbeeld Sebastian Haffners autobiografie (Het verhaal van een Duitser) en waarschuwt ons tegen meegaandheid bij de opkomst van grote bewegingen. De opkomst van het nazisme is toe te schrijven aan het aanpassingsvermogen van een karakterloze natie, betoogt Haffner, en het is goed dat Finkielkraut ons daar weer eens aan herinnert.
Maar behartigenswaardig zijn vooral zijn opmerkingen over The Diary of a Man of Fifty (1879) van Henry James. Een man van vijftig keert na een lange militaire carrière terug naar Florence waar hij vroeger een Italiaanse gravin heeft liefgehad. Uit wantrouwen jegens haar oneerlijke intriges (zo denkt hij) heeft hij haar echter afgewezen. Hij ontmoet een Engelsman die dertig jaar jonger is dan hij en verliefd is op de dochter van deze vrouw. Hij wil hem van zijn ervaring laten profiteren en waarschuwt hem voor de behaagzieke jonge vrouw. Maar deze jonge man trouwt toch met haar – en wordt gelukkig. ‘Hij leert het eenvoudige en zeldzame geluk van gedeelde liefde kennen.’
Normaal gesproken gaat het in romans om mensen die hun illusies verliezen, ontnuchterd raken en aldus volwassen worden. De novelle van James leert ons dat het leven soms ook veel rijker is en dat wij soms te achterdochtig zijn. De werkelijkheid kan sterker zijn dan onze desillusies. Een mooie les bij het begin van een nieuw jaar.
(n.a.v. Alain Finkielkraut, Een intelligent hart, uitgeverij Contact)
28.12.10
Rechts gaat winnen, maar CDA krijgt het moeilijk
De eerstvolgende verkiezingen, de Statenverkiezingen van 2 maart 2011, gaan over slechts één vraag: of wij voor of tegen het huidige kabinet zijn. Voorstanders stemmen op CDA, VVD of PVV, tegenstanders op een van de oppositiepartijen.
Ik ben bang voor progressief Nederland dat de Statenverkiezingen een flinke overwinning voor rechts zullen opleveren. Een eerste signaal daarvoor is het geringe enthousiasme dat de oproep van Job Cohen heeft losgemaakt. Cohen heeft alle progressieve partijen en organisaties gemaand om op zondag 16 januari naar Amsterdam te komen voor een demonstratie tegen het huidige rechtse, ‘cynische en uitsluitende’ kabinet. Maar Ouderenbond ANBO wil als neutrale organisatie niets met het exclusief-linkse protest te maken hebben. Zelfs de FNV weet nog niet zeker of ze meedoet. De ChristenUnie komt zeker niet – niet alleen omdat de manifestatie op zondag is maar ook omdat André Rouvoet ‘christelijk-sociale doelstellingen’ wil realiseren en dat wil doen door samenwerking ‘met alle partijen, coalitie of oppositie’. D66 wil niet een van de mede-organisatoren van de manifestatie zijn. Pechtold stuurt een vertegenwoordiger en die komt alleen maar luisteren ‘naar de nieuwe koers van de PvdA’.
Het zal die waarnemer waarschijnlijk niet meevallen om aan Pechtold door te geven wat die nieuwe koers is ‘van het andere Nederland dan het Nederland waar wij op afstevenen’ (Cohen). De onderlinge verschillen tussen de deelnemers zijn immers te groot om van één links-progressief blok te kunnen spreken. Dat ‘blok’ valt sowieso al uiteen in een oud-links (economisch ‘conservatief’) blok en een sociaal-liberaal (‘progressief’) blok. Eén boodschap zal dan ook niet klinken vanaf de Brakke Grond in Amsterdam, waar de manifestatie moet gaan plaatshebben.
De organisatie van brede maatschappelijke oppositie tegen dit kabinet is dus bij voorbaat mislukt. En al zou ze zijn gelukt, de vraag is nog maar of die oppositie erg succesvol zou zijn geweest. Het incident in de Eerste Kamer rond de verhoging van de btw op theaterkaartjes heeft duidelijk gemaakt hoe hecht de huidige regeringscoalitie momenteel is. Dat incident is door de meeste politici en media verkeerd gelezen, als een overwinning namelijk van de Eerste Kamer als zelfstandig orgaan van volksvertegenwoordiging tegenover dit kabinet. Maar dat het kabinet bereid was de maatregel een half jaar uit te stellen, bewijst vooral dat CDA, VVD en PVV bereid waren de zaak tegenover elkaar niet op de spits te drijven en in politieke volwassenheid tevreden te zijn met een compromis. Bovendien zal Rutte direct na het kerstreces (half januari) de plannen van al zijn ministers presenteren. Die plannen zullen de burger financieel geen pijn doen en op brede instemming kunnen rekenen. In die sfeer kan het niet anders of dit kabinet krijgt op 2 maart een nieuw mandaat in de vorm van een overtuigend vertrouwensvotum. En vervolgens, zo vermoed ik, gaan we een politiek saaie periode tegemoet die ons zal doen gapen als onder de meest paarse jaren. Maar gelukkig het land welks politiek saai is.
Het grote probleem voor deze coalitie is echter dat de winst op 2 maart naar VVD en PVV zal gaan en niet naar het CDA. Het CDA is al de enige van de drie partnerpartijen die het in de peilingen niet goed doet. Het CDA is bovendien de partij waarvan de achterban het meest ambivalent tegenover dit kabinet staat. VVD’ers en PVV’ers zijn zeer ingenomen met Rutte-I, voor CDA’ers geldt dit maar zeer gedeeltelijk. Het CDA is over het algemeen al zo verdeeld dat een strakke regie van bovenaf altijd nodig is om de boel partijpolitiek bij elkaar te houden. Dat is de belangrijkste conclusie die kan worden getrokken uit het eerste interview dat Jan Peter Balkenende na zijn vertrek uit de Haagse politiek heeft gegeven en dat deze week is verschenen in Christen Democratische Verkenningen, het blad van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Die verdeeldheid is door de deelname van het CDA aan een kabinet dat door de PVV wordt gedoogd alleen nog maar toegenomen, zoals iedereen heeft kunnen zien bij het CDA-partijcongres in oktober.
Zoals alle partijen oude rotten inzetten voor de Eerste Kamer verkiezingen (Van Boxtel voor D66, Hermans voor de VVD, Marleen Barth voor de PvdA) zo heeft ook het CDA een ervaren man bovenaan de lijst gezet: Elco Brinkman. Het komt mij voor dat deze politicus, in 1994 door Lubbers aan de kant gemanoeuvreerd, een rechtsig imago heeft. In de interviews die hij tot nog toe heeft gegeven (in de Telegraaf en in In Contact, het blaadje van de jongerenorganisatie van de SGP) benadrukt hij vooral de fouten die zijn politieke generatie heeft gemaakt in de softe opstelling in de discussie over de multiculturele samenleving en omarmt hij de correcties die Wilders op dit beleid (of beter: gebrek aan beleid) heeft aangebracht.
Ik neem iemand niet gauw kwalijk dat hij misschien wat rechtsig is. Maar het CDA heeft het al moeilijk en gaat het nog moeilijker krijgen wanneer de Statenverkiezingen uitlopen op een vertrouwensvotum over het beleid van het huidige kabinet. Om minimaal alle CDA’ers aan boord te houden, moet de partij een elegante spagaat uitvoeren waarvoor Brinkman misschien niet de meest aangewezen man is.
Ik ben bang voor progressief Nederland dat de Statenverkiezingen een flinke overwinning voor rechts zullen opleveren. Een eerste signaal daarvoor is het geringe enthousiasme dat de oproep van Job Cohen heeft losgemaakt. Cohen heeft alle progressieve partijen en organisaties gemaand om op zondag 16 januari naar Amsterdam te komen voor een demonstratie tegen het huidige rechtse, ‘cynische en uitsluitende’ kabinet. Maar Ouderenbond ANBO wil als neutrale organisatie niets met het exclusief-linkse protest te maken hebben. Zelfs de FNV weet nog niet zeker of ze meedoet. De ChristenUnie komt zeker niet – niet alleen omdat de manifestatie op zondag is maar ook omdat André Rouvoet ‘christelijk-sociale doelstellingen’ wil realiseren en dat wil doen door samenwerking ‘met alle partijen, coalitie of oppositie’. D66 wil niet een van de mede-organisatoren van de manifestatie zijn. Pechtold stuurt een vertegenwoordiger en die komt alleen maar luisteren ‘naar de nieuwe koers van de PvdA’.
Het zal die waarnemer waarschijnlijk niet meevallen om aan Pechtold door te geven wat die nieuwe koers is ‘van het andere Nederland dan het Nederland waar wij op afstevenen’ (Cohen). De onderlinge verschillen tussen de deelnemers zijn immers te groot om van één links-progressief blok te kunnen spreken. Dat ‘blok’ valt sowieso al uiteen in een oud-links (economisch ‘conservatief’) blok en een sociaal-liberaal (‘progressief’) blok. Eén boodschap zal dan ook niet klinken vanaf de Brakke Grond in Amsterdam, waar de manifestatie moet gaan plaatshebben.
De organisatie van brede maatschappelijke oppositie tegen dit kabinet is dus bij voorbaat mislukt. En al zou ze zijn gelukt, de vraag is nog maar of die oppositie erg succesvol zou zijn geweest. Het incident in de Eerste Kamer rond de verhoging van de btw op theaterkaartjes heeft duidelijk gemaakt hoe hecht de huidige regeringscoalitie momenteel is. Dat incident is door de meeste politici en media verkeerd gelezen, als een overwinning namelijk van de Eerste Kamer als zelfstandig orgaan van volksvertegenwoordiging tegenover dit kabinet. Maar dat het kabinet bereid was de maatregel een half jaar uit te stellen, bewijst vooral dat CDA, VVD en PVV bereid waren de zaak tegenover elkaar niet op de spits te drijven en in politieke volwassenheid tevreden te zijn met een compromis. Bovendien zal Rutte direct na het kerstreces (half januari) de plannen van al zijn ministers presenteren. Die plannen zullen de burger financieel geen pijn doen en op brede instemming kunnen rekenen. In die sfeer kan het niet anders of dit kabinet krijgt op 2 maart een nieuw mandaat in de vorm van een overtuigend vertrouwensvotum. En vervolgens, zo vermoed ik, gaan we een politiek saaie periode tegemoet die ons zal doen gapen als onder de meest paarse jaren. Maar gelukkig het land welks politiek saai is.
Het grote probleem voor deze coalitie is echter dat de winst op 2 maart naar VVD en PVV zal gaan en niet naar het CDA. Het CDA is al de enige van de drie partnerpartijen die het in de peilingen niet goed doet. Het CDA is bovendien de partij waarvan de achterban het meest ambivalent tegenover dit kabinet staat. VVD’ers en PVV’ers zijn zeer ingenomen met Rutte-I, voor CDA’ers geldt dit maar zeer gedeeltelijk. Het CDA is over het algemeen al zo verdeeld dat een strakke regie van bovenaf altijd nodig is om de boel partijpolitiek bij elkaar te houden. Dat is de belangrijkste conclusie die kan worden getrokken uit het eerste interview dat Jan Peter Balkenende na zijn vertrek uit de Haagse politiek heeft gegeven en dat deze week is verschenen in Christen Democratische Verkenningen, het blad van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA. Die verdeeldheid is door de deelname van het CDA aan een kabinet dat door de PVV wordt gedoogd alleen nog maar toegenomen, zoals iedereen heeft kunnen zien bij het CDA-partijcongres in oktober.
Zoals alle partijen oude rotten inzetten voor de Eerste Kamer verkiezingen (Van Boxtel voor D66, Hermans voor de VVD, Marleen Barth voor de PvdA) zo heeft ook het CDA een ervaren man bovenaan de lijst gezet: Elco Brinkman. Het komt mij voor dat deze politicus, in 1994 door Lubbers aan de kant gemanoeuvreerd, een rechtsig imago heeft. In de interviews die hij tot nog toe heeft gegeven (in de Telegraaf en in In Contact, het blaadje van de jongerenorganisatie van de SGP) benadrukt hij vooral de fouten die zijn politieke generatie heeft gemaakt in de softe opstelling in de discussie over de multiculturele samenleving en omarmt hij de correcties die Wilders op dit beleid (of beter: gebrek aan beleid) heeft aangebracht.
Ik neem iemand niet gauw kwalijk dat hij misschien wat rechtsig is. Maar het CDA heeft het al moeilijk en gaat het nog moeilijker krijgen wanneer de Statenverkiezingen uitlopen op een vertrouwensvotum over het beleid van het huidige kabinet. Om minimaal alle CDA’ers aan boord te houden, moet de partij een elegante spagaat uitvoeren waarvoor Brinkman misschien niet de meest aangewezen man is.
27.12.10
In debat met Paul Cliteur
De Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur draagt de stelling uit dat alle monotheïstische godsdiensten even erg zijn omdat ze alle (drie) religieus geweld, opgedragen door een onberekenbare godheid, zouden sanctioneren. Ik ken Paul Cliteur al jaren en we gaan plezierig met elkaar om, maar deze stelling vind ik onzinnig. Paul Cliteur weet dat van mij, maar heeft mij desondanks (of juist daarom) gevraagd om op 24 september j.l. een woordje te spreken (samen met columniste Elma Drayer) bij de presentatie van zijn boek in de boekwinkel van onze vriend Huib Schreurs aan de Weteringschans in Amsterdam.
In het stukje dat ik voor het Kerstnummer van Elsevier heb geschreven, ben ik nog eens op het onderwerp teruggekomen. De tekst daarvan volgt hieronder. Daaronder staat de tekst van een artikel dat ik drie jaar geleden in Opinio schreef en dat over de verschillende manieren gaat waarop christenen de Bijbel en moslims de Koran lezen.
Ik geloof dat Paul Cliteur op zijn website op mijn bijdragen zal ingaan. Dat zou mooi zijn, dan kunnen we de discussie voortzetten.


(foto's van de boekpresentatie op 24 september bij Schreurs en De Groot in Amsterdam)
Artikel in Kerstnummer Elsevier
In het Bijbelboek Numeri (hoofdstuk 25) staat het verhaal van Pinehas, de kleinzoon van Aäron, de broer van Mozes. Als het volk Israël zich aan hoererij met de dochters van de Moabieten te buiten gaat, neemt Pinehas een spies en steekt hij een Israëlitische man en een Moabitische vrouw door hun buik. Daarmee maakte hij, zo lezen we in de Bijbel, ‘een einde aan de plaag over de kinderen Israëls’. En de God van Israël betuigt zijn goedkeuring over deze handeling van Pinehas.
In zijn boek over Het monotheïstisch dilemma haalt de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur deze geschiedenis aan om duidelijk te maken dat religieus terrorisme niet alleen door de islam wordt geïnspireerd maar door het monotheïsme als zodanig. Een ander voorbeeld dat Cliteur aanhaalt is dat van Abraham, die zich bereid toont om zijn zoon Izaäk te offeren. Als meer recente voorbeelden van religieus terrorisme behandelt Cliteur drie andere voorbeelden: Abudulmutallab die vlucht 253 van Northwest Airlines van Amsterdam naar Detroit wilde opblazen, Jogal Amir die de Israëlische premier Jitzak Rabin vermoordde, en Scott Roeder die de abortusarts George Tiller doodde. Zij beriepen zich op God en morele heteronomie, verwerpen de morele eisen van deze wereld ten gunste van een wereld aan gene zijde, verzetten zich tegen de vrijheid van geweten en aanvaarden het martelaarschap.
Voor Cliteur zijn deze geschiedenissen overtuigende voorbeelden voor zijn pleidooi om kerk en staat strikt te scheiden. De staat moet strikt laïcistisch zijn. Geloof is best maar dient achter de voordeur te worden gepraktiseerd.
Laten we om te beginnen vaststellen dat de redenering van Cliteur zo gek nog niet is. Ons land is multicultureel geworden. Niet één geloof kan nog publiekelijk een bevoorrechte positie innemen. Alle geloven dienen strikt gelijkwaardig te worden behandeld, temeer omdat hun monotheïstische achtergrond een inspiratiebron van geweld kan zijn.
Toch maakt Cliteur een vergissing. Natuurlijk heeft hij gelijk wanneer hij de verhalen van Pinehas en Abraham aanhaalt om duidelijk te maken dat ook het geloof zoals dat in het Oude Testament wordt verwoord, gewelddadige kanten kan hebben. Maar het gaat er niet om hoe die verhalen op zich in de Bijbel staan maar hoe die verhalen worden gelezen en geïnterpreteerd. En dan is er wel degelijk een groot verschil tussen christendom en islam.
Het verschil begint al in het Nieuwe Testament, waar Jezus, wiens geboorte wij dezer dagen herdenken, zelf zegt dat bepaalde (gewelddadige) passages uit het Oude Testament anders moeten worden uitgelegd. Het principe ‘oog om oog, tand om tand’, bijvoorbeeld, is achterhaald, evenals het principe dat een vrouw die op overspel wordt betrapt moet worden gestenigd.
Een tweede revolutie voltrok zich ten tijde van de overgang van de Middeleeuwen naar de vroeg-moderne tijd. Geïnspireerd door de Italiaanse humanist Lorenzo Valla begint Erasmus aan een grote opdracht: met behulp van diverse manuscripten wil hij de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament zo nauwkeurig mogelijk vaststellen. Hij wil dit omdat de juiste interpretatie van die tekst alleen kan worden vastgesteld door die in zijn oorspronkelijke context te lezen. Het lezen van die tekst in haar oorspronkelijke context schept afstand, en dus ruimte om die tekst met historische distantie te interpreteren.
In het christendom is dus een renaissance mogelijk. Met een beroep op de oorspronkelijke betekenis van de heilige teksten kunnen latere afwijkingen worden gecorrigeerd.
In de islam is dat onmogelijk. In de eerste plaats al omdat de Koran het ongeschapen en eeuwige woord van Allah is. Een historische context doet er niet toe. Een historisch-kritische uitgave van de Koran bestaat niet eens. Alles wat in de Koran staat wordt dan ook, anders dan voorschriften uit de Bijbel, strikt letterlijk genomen.
Vandaar dat een Scott Roeder een uitzondering is, en vandaar dat het de KRO niet lukte een film te maken die net zo erg was over het christemndom als de film Fitna van Geert Wilders over de islam.
Bijbel, Koran, tekstkritiek
(en Wilders’ film)
Vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw is in West-Europa een belangrijk principe van kracht geworden: het hermeneutische principe dat klassieke teksten, profane én religieuze, een ontstaansgeschiedenis hebben; dat zij in vele manuscripten zijn overgeleverd; dat een vergelijking van deze verschillende tekstgetuigen tot de vaststelling van een tekst moet leiden die het origineel (de ‘autograaf’) zo dicht mogelijk benadert; dat de uitleg van die teksten zijn uitgangspunt heeft in de historische context waarbinnen zij zijn ontstaan.
De Italiaanse humanist Lorenzo Valla (1407 – 1457) was een van de belangrijkste grondleggers van dit principe, dat in de praktijk revolutionaire consequenties had. Met behulp daarvan toonde Valla bijvoorbeeld aan dat de zogenaamde Donatie van Constantijn (waarmee deze keizer het gehele West-Romeinse Rijk aan de rooms-katholieke kerk zou hebben geschonken) geen tekst uit de vierde maar uit de achtste eeuw was, en dus een latere vervalsing. Met die vondst werd een dreun uitgedeeld aan de wereldlijke machtsaanspraken van de kerk.
Valla legde zich ook toe op het verzamelen van Griekse handschriften van het Nieuwe Testament, om de oorspronkelijke tekst van dit tweede deel van de Bijbel zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. Maar het was Erasmus (1466 – 1536) die niet alleen naar Griekse manuscripten speurde, maar de Griekse tekst van het Nieuwe Testament ook uitgaf (in 1516 voor het eerst; er zouden nog vier edities volgen), samen met een nieuwe Latijnse vertaling van de tekst. Hij deed dat om de bestaande vertaling van de Bijbel, de Vulgaat, te corrigeren. Als gevolg van dit project werd ineens duidelijk dat bepaalde kerkelijke dogma’s die op de tekst van de Vulgaat gebaseerd waren, in de gezuiverde tekst geen grondslag meer vonden.
Binnen de westerse traditie van de christelijke kerk is het dus al ruim vijf eeuwen mogelijk, en gebruik geworden, om de tekst van de Bijbel als een document met een ontstaansgeschiedenis te beschouwen, de vraag naar de zuivere lezing ervan te stellen en de tekst met historische distantie te interpreteren. Binnen de islam is dit niet mogelijk. De Koran is door Allah aan Mohammed gedicteerd, en discussie over de wording ervan is daarmee uitgesloten – en daarmee ook de mogelijkheid om de boodschap van de Koran met historische distantie en reserve te lezen. Een islamitische pendant van ‘Nestle-Aland’ (zoals de kritische uitgave van het Nieuwe Testament naar de namen van de bezorgers in de wandelgangen wordt aangeduid) bestaat dan ook niet en is niet mogelijk. Het nieuws van vorige week over de vondst van verloren gewaande fotografische opnamen van Koranmanuscripten, en over het verzet tegen de openbaarmaking daarvan, toont dit helder aan. Spengler, columnist van de Asia Times, schrijft in bijgaand artikel over dit belangrijke onderwerp. Duidelijk wordt niet dat de tekst van de Koran zelf in de eerste plaats een probleem is (wat de tendens van de film van Geert Wilders lijkt te gaan worden), maar de manier waarop de tekst wordt gelezen. De eigenlijke vraag aan de islam is dus niet om delen uit de Koran te scheuren of om hun heilige boek te verbranden, maar of een historisch-kritische lezing van de Koran binnen deze geloofstraditie tot de mogelijkheden behoort. Daarvoor bestaan vooralsnog geen bewijzen.
[Opinio, jaargang 2, nummer 4, 25 – 31 januari 2008, p. 12]
In het stukje dat ik voor het Kerstnummer van Elsevier heb geschreven, ben ik nog eens op het onderwerp teruggekomen. De tekst daarvan volgt hieronder. Daaronder staat de tekst van een artikel dat ik drie jaar geleden in Opinio schreef en dat over de verschillende manieren gaat waarop christenen de Bijbel en moslims de Koran lezen.
Ik geloof dat Paul Cliteur op zijn website op mijn bijdragen zal ingaan. Dat zou mooi zijn, dan kunnen we de discussie voortzetten.
(foto's van de boekpresentatie op 24 september bij Schreurs en De Groot in Amsterdam)
Artikel in Kerstnummer Elsevier
In het Bijbelboek Numeri (hoofdstuk 25) staat het verhaal van Pinehas, de kleinzoon van Aäron, de broer van Mozes. Als het volk Israël zich aan hoererij met de dochters van de Moabieten te buiten gaat, neemt Pinehas een spies en steekt hij een Israëlitische man en een Moabitische vrouw door hun buik. Daarmee maakte hij, zo lezen we in de Bijbel, ‘een einde aan de plaag over de kinderen Israëls’. En de God van Israël betuigt zijn goedkeuring over deze handeling van Pinehas.
In zijn boek over Het monotheïstisch dilemma haalt de Leidse rechtsfilosoof Paul Cliteur deze geschiedenis aan om duidelijk te maken dat religieus terrorisme niet alleen door de islam wordt geïnspireerd maar door het monotheïsme als zodanig. Een ander voorbeeld dat Cliteur aanhaalt is dat van Abraham, die zich bereid toont om zijn zoon Izaäk te offeren. Als meer recente voorbeelden van religieus terrorisme behandelt Cliteur drie andere voorbeelden: Abudulmutallab die vlucht 253 van Northwest Airlines van Amsterdam naar Detroit wilde opblazen, Jogal Amir die de Israëlische premier Jitzak Rabin vermoordde, en Scott Roeder die de abortusarts George Tiller doodde. Zij beriepen zich op God en morele heteronomie, verwerpen de morele eisen van deze wereld ten gunste van een wereld aan gene zijde, verzetten zich tegen de vrijheid van geweten en aanvaarden het martelaarschap.
Voor Cliteur zijn deze geschiedenissen overtuigende voorbeelden voor zijn pleidooi om kerk en staat strikt te scheiden. De staat moet strikt laïcistisch zijn. Geloof is best maar dient achter de voordeur te worden gepraktiseerd.
Laten we om te beginnen vaststellen dat de redenering van Cliteur zo gek nog niet is. Ons land is multicultureel geworden. Niet één geloof kan nog publiekelijk een bevoorrechte positie innemen. Alle geloven dienen strikt gelijkwaardig te worden behandeld, temeer omdat hun monotheïstische achtergrond een inspiratiebron van geweld kan zijn.
Toch maakt Cliteur een vergissing. Natuurlijk heeft hij gelijk wanneer hij de verhalen van Pinehas en Abraham aanhaalt om duidelijk te maken dat ook het geloof zoals dat in het Oude Testament wordt verwoord, gewelddadige kanten kan hebben. Maar het gaat er niet om hoe die verhalen op zich in de Bijbel staan maar hoe die verhalen worden gelezen en geïnterpreteerd. En dan is er wel degelijk een groot verschil tussen christendom en islam.
Het verschil begint al in het Nieuwe Testament, waar Jezus, wiens geboorte wij dezer dagen herdenken, zelf zegt dat bepaalde (gewelddadige) passages uit het Oude Testament anders moeten worden uitgelegd. Het principe ‘oog om oog, tand om tand’, bijvoorbeeld, is achterhaald, evenals het principe dat een vrouw die op overspel wordt betrapt moet worden gestenigd.
Een tweede revolutie voltrok zich ten tijde van de overgang van de Middeleeuwen naar de vroeg-moderne tijd. Geïnspireerd door de Italiaanse humanist Lorenzo Valla begint Erasmus aan een grote opdracht: met behulp van diverse manuscripten wil hij de oorspronkelijke tekst van het Nieuwe Testament zo nauwkeurig mogelijk vaststellen. Hij wil dit omdat de juiste interpretatie van die tekst alleen kan worden vastgesteld door die in zijn oorspronkelijke context te lezen. Het lezen van die tekst in haar oorspronkelijke context schept afstand, en dus ruimte om die tekst met historische distantie te interpreteren.
In het christendom is dus een renaissance mogelijk. Met een beroep op de oorspronkelijke betekenis van de heilige teksten kunnen latere afwijkingen worden gecorrigeerd.
In de islam is dat onmogelijk. In de eerste plaats al omdat de Koran het ongeschapen en eeuwige woord van Allah is. Een historische context doet er niet toe. Een historisch-kritische uitgave van de Koran bestaat niet eens. Alles wat in de Koran staat wordt dan ook, anders dan voorschriften uit de Bijbel, strikt letterlijk genomen.
Vandaar dat een Scott Roeder een uitzondering is, en vandaar dat het de KRO niet lukte een film te maken die net zo erg was over het christemndom als de film Fitna van Geert Wilders over de islam.
Bijbel, Koran, tekstkritiek
(en Wilders’ film)
Vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw is in West-Europa een belangrijk principe van kracht geworden: het hermeneutische principe dat klassieke teksten, profane én religieuze, een ontstaansgeschiedenis hebben; dat zij in vele manuscripten zijn overgeleverd; dat een vergelijking van deze verschillende tekstgetuigen tot de vaststelling van een tekst moet leiden die het origineel (de ‘autograaf’) zo dicht mogelijk benadert; dat de uitleg van die teksten zijn uitgangspunt heeft in de historische context waarbinnen zij zijn ontstaan.
De Italiaanse humanist Lorenzo Valla (1407 – 1457) was een van de belangrijkste grondleggers van dit principe, dat in de praktijk revolutionaire consequenties had. Met behulp daarvan toonde Valla bijvoorbeeld aan dat de zogenaamde Donatie van Constantijn (waarmee deze keizer het gehele West-Romeinse Rijk aan de rooms-katholieke kerk zou hebben geschonken) geen tekst uit de vierde maar uit de achtste eeuw was, en dus een latere vervalsing. Met die vondst werd een dreun uitgedeeld aan de wereldlijke machtsaanspraken van de kerk.
Valla legde zich ook toe op het verzamelen van Griekse handschriften van het Nieuwe Testament, om de oorspronkelijke tekst van dit tweede deel van de Bijbel zo nauwkeurig mogelijk vast te stellen. Maar het was Erasmus (1466 – 1536) die niet alleen naar Griekse manuscripten speurde, maar de Griekse tekst van het Nieuwe Testament ook uitgaf (in 1516 voor het eerst; er zouden nog vier edities volgen), samen met een nieuwe Latijnse vertaling van de tekst. Hij deed dat om de bestaande vertaling van de Bijbel, de Vulgaat, te corrigeren. Als gevolg van dit project werd ineens duidelijk dat bepaalde kerkelijke dogma’s die op de tekst van de Vulgaat gebaseerd waren, in de gezuiverde tekst geen grondslag meer vonden.
Binnen de westerse traditie van de christelijke kerk is het dus al ruim vijf eeuwen mogelijk, en gebruik geworden, om de tekst van de Bijbel als een document met een ontstaansgeschiedenis te beschouwen, de vraag naar de zuivere lezing ervan te stellen en de tekst met historische distantie te interpreteren. Binnen de islam is dit niet mogelijk. De Koran is door Allah aan Mohammed gedicteerd, en discussie over de wording ervan is daarmee uitgesloten – en daarmee ook de mogelijkheid om de boodschap van de Koran met historische distantie en reserve te lezen. Een islamitische pendant van ‘Nestle-Aland’ (zoals de kritische uitgave van het Nieuwe Testament naar de namen van de bezorgers in de wandelgangen wordt aangeduid) bestaat dan ook niet en is niet mogelijk. Het nieuws van vorige week over de vondst van verloren gewaande fotografische opnamen van Koranmanuscripten, en over het verzet tegen de openbaarmaking daarvan, toont dit helder aan. Spengler, columnist van de Asia Times, schrijft in bijgaand artikel over dit belangrijke onderwerp. Duidelijk wordt niet dat de tekst van de Koran zelf in de eerste plaats een probleem is (wat de tendens van de film van Geert Wilders lijkt te gaan worden), maar de manier waarop de tekst wordt gelezen. De eigenlijke vraag aan de islam is dus niet om delen uit de Koran te scheuren of om hun heilige boek te verbranden, maar of een historisch-kritische lezing van de Koran binnen deze geloofstraditie tot de mogelijkheden behoort. Daarvoor bestaan vooralsnog geen bewijzen.
[Opinio, jaargang 2, nummer 4, 25 – 31 januari 2008, p. 12]
Subscribe to:
Posts (Atom)