Prominente politici hebben het academisch jaar geopend, de scholen zijn weer begonnen, en dus zie je overal leerlingen en studenten met rugzakken vol boeken over straat gaan. Ook in huize Spruyt zie ik zonen met tassen vol boeken sjouwen (mevrouw Spruyt en ik doen alleen in jongens) en als altijd bezorgde ouder onderwerp ik de inhoud van die boeken elk jaar aan een grondige inspectie. Ik kan iedereen alleen maar aanraden dat ook te doen.
Het kan namelijk zomaar gebeuren dat uw bloedjes van kinderen een geschiedenisboek in handen krijgen waaruit zij moeten leren dat burgers op verschillende manieren aan het politieke leven kunnen deelnemen: ‘Taarten in het gezicht van politici, ketchup over driedelig van politici, ketchup over driedelig grijs, kogelbrieven bij het ontbijt: burgers zijn niet alleen actief in het stemhokje.’ Als u bij deze passage aan Pim Fortuyn moet denken, dan moet u weten dat uw kinderen over hem leren dat hij op 6 mei 2002 door ‘een onbekende man’ is doodgeschoten.
Dat die man een linkse milieu activist was en Volkert van der Graaf heette, hoeven uw kinderen niet te weten. Wat zij wel moeten weten is dat die Fortuyn ‘scherpe opvattingen’ had, en dat die hem ‘uiteindelijk noodlottig’ zijn geworden. (Deze citaten zijn afkomstig uit het geschiedenisboek Indigo en het maatschappijleerboek Impuls, uitgaven van Wolters-Noordhoff.)...
Lees de rest van mijn wekelijkse column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
11.9.08
8.9.08
In gesprek met Mirjam Sterk (CDA)
Samen met Theodor Holman interviewde ik vandaag Mirjam Sterk (CDA), aanstormend christen-democratisch talent, voor het politieke praatprogramma 'Hardtalk Den Haag'. Bekijk de uitzending hier.
5.9.08
Wauw!
In al mijn bijdragen aan deze website heb ik tot nog toe vooral uitgelegd waarom het mij niet zo’n goed idee lijkt wanneer Barack Obama de volgende president van de Verenigde Staten wordt en dat ik evenmin erg enthousiast over John McCain ben. Maar sinds deze week hoop ik van harte op een Republikeinse overwinning. En dat heeft natuurlijk alles te maken met de politieke revelatie van deze week: Sarah Palin, de running mate van John McCain.
Voordat ik daar verder op inga, wil ik nog even terugkomen op mijn column van vorige week, waarin ik zeer kritisch was over de vijf uitzendingen die de NPS vorige week aan de Democratische conventie heeft gewijd. Ik hekelde zowel Jörgen Raymann als, vooral, Prem Radhakishun vanwege de schaamteloze wijze waarop zij hun partijdigheid en vooroordelen lieten blijken. Inmiddels blijkt dat anderen mijn kritiek op de NPS delen, zoals Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS-Journaal, en NOS-correspondent Eelco Bosch van Rosenthal. Laroes schreef geërgerd dat dat niet kon: vijf uitzendingen maken over Obama en niet over McCain: ‘Als je Barack zegt moet je ook John zeggen’. Eelco Bosch van Rosenthal herinnerde eraan dat NPS ook de afkorting van Narcistische Persoonlijkheidsstoornis is.
Ik heb Prem Radhakishun inmiddels in de studio van Het Gesprek ontmoet, en daar werd duidelijk dat Prem bij voorbaat immuun is voor kritiek op zijn journalistieke wanprestaties omdat die kritiek, volgens Prem, slechts afkomstig is van ‘een paar gekken’ uit de marge van de Nederlandse samenleving en omdat er geen wet is die van de NPS vraagt om onpartijdig verslag te doen van politieke gebeurtenissen. Bovendien was Obama’08 slechts infotainment geweest.
Het is lang geleden dat ik iemand er zo in heb zien slagen om binnen een half uur alle vooroordelen over de linkse kerk te bevestigen.
Maar nu Palin. Wauw, wat een dame! Ik had nog nooit van haar gehoord, maar haar profiel en standpunten spraken mij direct aan. Dat het progressieve journaille (op de Nederlandse TV steevast aangeduid als: onderzoeksjournalisten) zich op haar verleden zou werpen, was te verwachten, en dat ze niets van belang hebben gevonden, is geruststellend. Die canard over het gerucht dat Sarah Palin niet de moeder maar de grootmoeder van Trig zou zijn, was schandalig. Omdat het bericht niet klopte, niet omdat het erg geweest zou zijn wanneer het bericht wel had geklopt. Dan had Sarah Palin namelijk gewoon gedaan wat je in zo’n situatie van een conservatieve moeder kunt verwachten. Dat haar 17-jarige dochter, nog ongehuwd, in verwachting is, is al evenmin een probleem voor conservatieve Amerikanen. Het bewijst weliswaar dat ze seks heeft gehad vóór het huwelijk, maar het bewijst vooral dat ze geen voorbehoedsmiddelen heeft gebruikt. Dat Sarah Palin heel misschien (ook dit verhaal verkruimelde al snel) lid is geweest van een partij die naar de onafhankelijkheid van Alaska streeft, is ook geen probleem. Conservatieve Amerikanen hebben liever iemand die aan de soevereiniteit van afzonderlijke staten hecht dan aan mensen die denken dat Washington het politieke centrum van het land is.
En dat Palin niets van Washington moet hebben, maar een Amerikaanse van de kleine stad is, heeft ze overvloedig duidelijk gemaakt. ‘Ik heb de afgelopen dagen snel geleerd dat als je niet in aanzien staat bij de Washingtonse elite, dat sommigen in de media een kandidaat alleen al om die reden niet gekwalificeerd vinden’, zei ze in de geweldige speech waarmee ze haar kandidatuur voor het vice-presidentschap aanvaardde. ‘Maar hier is een citaat voor al die verslaggevers en commentatoren: Ik ga niet naar Washington om hun mening te vragen - ik ga naar Washington om de mensen van dit land te dienen.’ Zoals ze ook zei dat ze was opgegroeid met 'small town people': ‘Zij zijn degenen die het zwaarste werk doen in Amerika, die ons voedsel kweken, onze fabrieken draaiende houden en onze oorlogen uitvechten. Ze houden van hun land, in goede en in slechte tijden, en ze zijn altijd trots op Amerika.’ En ze blijkt allerminst onder de indruk van Obama’s lege retoriek: "Er zijn mensen die 'verandering' gebruiken omdat dat goed is voor hun carrière. Er zijn ook mensen, zoals John McCain, die hun carrière gebruiken om verandering te bereiken.'
Haar levensloop, haar politieke profiel (tegen abortus, voor wapenbezit), haar keuzes en opvattingen maken haar tot de ideale running mate van McCain. Haar vrouw-zijn maakt haar aantrekkelijk voor de Democratische kiezers die teleurgesteld zijn afgehaakt door de (volgens hen) vernederende manier waarop de Democraten Hillary Clinton hebben behandeld. Bovendien heeft Palin de eigenschappen en kwaliteiten die McCain voor veel Republikeinse keizers in onvoldoende mate bezit: ze is een onversneden conservatief en iemand van buiten Washington.
Het is te begrijpen dat sinds deze week de hoop en het élan in het Republikeinse kamp zijn teruggekeerd. Zeker ook na de speech van McCain die retorisch en qua performance natuurlijk veel minder was dan de speech van Obama, maar waarin McCain wel precies de dingen zei die hij nu als leider van de Republikeinen moet zeggen: hij uitte zich zeer kritisch over zijn eigen partij (‘Wij waren gekozen om Washington te veranderen, maar we lieten Washington ons veranderen, we verloren het vertrouwen van het Amerikaanse volk toen we macht belangrijker vonden dan onze principes’), sprak zich uit voor goede samenwerking met de Democraten (McCain wil een einde maken aan alle ‘partisan rancor’), beloofde transparantie en verantwoording en wil de regeringsuitgaven verlagen. Kortom, hij wil breken met het beleid van de afgelopen acht jaar.
En zijn relativerende humor bewees hij in zijn spot met Obama: ‘Ik ben geen kandidaat voor het presidentschap omdat ik denk [zoals Obama] dat ik gezegend ben met zulke persoonlijke grootsheid dat de geschiedenis mij heeft gezalfd om mijn land op een moeilijk moment te redden. Mijn land heeft mij gered en ik kan het niet vergeten. En ik zal voor dat land vechten zolang ik ademhaal.’
Laten McCain en Palin Amerika in ieder geval behoeden voor een Democratische regering onder leiding van Barack Obama, die zei dat hij zijn per ongeluk zwangere dochter nooit zou willen ‘straffen’ met een kind.
*) Eerder verschenen op de website van de NOS.
Voordat ik daar verder op inga, wil ik nog even terugkomen op mijn column van vorige week, waarin ik zeer kritisch was over de vijf uitzendingen die de NPS vorige week aan de Democratische conventie heeft gewijd. Ik hekelde zowel Jörgen Raymann als, vooral, Prem Radhakishun vanwege de schaamteloze wijze waarop zij hun partijdigheid en vooroordelen lieten blijken. Inmiddels blijkt dat anderen mijn kritiek op de NPS delen, zoals Hans Laroes, hoofdredacteur van het NOS-Journaal, en NOS-correspondent Eelco Bosch van Rosenthal. Laroes schreef geërgerd dat dat niet kon: vijf uitzendingen maken over Obama en niet over McCain: ‘Als je Barack zegt moet je ook John zeggen’. Eelco Bosch van Rosenthal herinnerde eraan dat NPS ook de afkorting van Narcistische Persoonlijkheidsstoornis is.
Ik heb Prem Radhakishun inmiddels in de studio van Het Gesprek ontmoet, en daar werd duidelijk dat Prem bij voorbaat immuun is voor kritiek op zijn journalistieke wanprestaties omdat die kritiek, volgens Prem, slechts afkomstig is van ‘een paar gekken’ uit de marge van de Nederlandse samenleving en omdat er geen wet is die van de NPS vraagt om onpartijdig verslag te doen van politieke gebeurtenissen. Bovendien was Obama’08 slechts infotainment geweest.
Het is lang geleden dat ik iemand er zo in heb zien slagen om binnen een half uur alle vooroordelen over de linkse kerk te bevestigen.
Maar nu Palin. Wauw, wat een dame! Ik had nog nooit van haar gehoord, maar haar profiel en standpunten spraken mij direct aan. Dat het progressieve journaille (op de Nederlandse TV steevast aangeduid als: onderzoeksjournalisten) zich op haar verleden zou werpen, was te verwachten, en dat ze niets van belang hebben gevonden, is geruststellend. Die canard over het gerucht dat Sarah Palin niet de moeder maar de grootmoeder van Trig zou zijn, was schandalig. Omdat het bericht niet klopte, niet omdat het erg geweest zou zijn wanneer het bericht wel had geklopt. Dan had Sarah Palin namelijk gewoon gedaan wat je in zo’n situatie van een conservatieve moeder kunt verwachten. Dat haar 17-jarige dochter, nog ongehuwd, in verwachting is, is al evenmin een probleem voor conservatieve Amerikanen. Het bewijst weliswaar dat ze seks heeft gehad vóór het huwelijk, maar het bewijst vooral dat ze geen voorbehoedsmiddelen heeft gebruikt. Dat Sarah Palin heel misschien (ook dit verhaal verkruimelde al snel) lid is geweest van een partij die naar de onafhankelijkheid van Alaska streeft, is ook geen probleem. Conservatieve Amerikanen hebben liever iemand die aan de soevereiniteit van afzonderlijke staten hecht dan aan mensen die denken dat Washington het politieke centrum van het land is.
En dat Palin niets van Washington moet hebben, maar een Amerikaanse van de kleine stad is, heeft ze overvloedig duidelijk gemaakt. ‘Ik heb de afgelopen dagen snel geleerd dat als je niet in aanzien staat bij de Washingtonse elite, dat sommigen in de media een kandidaat alleen al om die reden niet gekwalificeerd vinden’, zei ze in de geweldige speech waarmee ze haar kandidatuur voor het vice-presidentschap aanvaardde. ‘Maar hier is een citaat voor al die verslaggevers en commentatoren: Ik ga niet naar Washington om hun mening te vragen - ik ga naar Washington om de mensen van dit land te dienen.’ Zoals ze ook zei dat ze was opgegroeid met 'small town people': ‘Zij zijn degenen die het zwaarste werk doen in Amerika, die ons voedsel kweken, onze fabrieken draaiende houden en onze oorlogen uitvechten. Ze houden van hun land, in goede en in slechte tijden, en ze zijn altijd trots op Amerika.’ En ze blijkt allerminst onder de indruk van Obama’s lege retoriek: "Er zijn mensen die 'verandering' gebruiken omdat dat goed is voor hun carrière. Er zijn ook mensen, zoals John McCain, die hun carrière gebruiken om verandering te bereiken.'
Haar levensloop, haar politieke profiel (tegen abortus, voor wapenbezit), haar keuzes en opvattingen maken haar tot de ideale running mate van McCain. Haar vrouw-zijn maakt haar aantrekkelijk voor de Democratische kiezers die teleurgesteld zijn afgehaakt door de (volgens hen) vernederende manier waarop de Democraten Hillary Clinton hebben behandeld. Bovendien heeft Palin de eigenschappen en kwaliteiten die McCain voor veel Republikeinse keizers in onvoldoende mate bezit: ze is een onversneden conservatief en iemand van buiten Washington.
Het is te begrijpen dat sinds deze week de hoop en het élan in het Republikeinse kamp zijn teruggekeerd. Zeker ook na de speech van McCain die retorisch en qua performance natuurlijk veel minder was dan de speech van Obama, maar waarin McCain wel precies de dingen zei die hij nu als leider van de Republikeinen moet zeggen: hij uitte zich zeer kritisch over zijn eigen partij (‘Wij waren gekozen om Washington te veranderen, maar we lieten Washington ons veranderen, we verloren het vertrouwen van het Amerikaanse volk toen we macht belangrijker vonden dan onze principes’), sprak zich uit voor goede samenwerking met de Democraten (McCain wil een einde maken aan alle ‘partisan rancor’), beloofde transparantie en verantwoording en wil de regeringsuitgaven verlagen. Kortom, hij wil breken met het beleid van de afgelopen acht jaar.
En zijn relativerende humor bewees hij in zijn spot met Obama: ‘Ik ben geen kandidaat voor het presidentschap omdat ik denk [zoals Obama] dat ik gezegend ben met zulke persoonlijke grootsheid dat de geschiedenis mij heeft gezalfd om mijn land op een moeilijk moment te redden. Mijn land heeft mij gered en ik kan het niet vergeten. En ik zal voor dat land vechten zolang ik ademhaal.’
Laten McCain en Palin Amerika in ieder geval behoeden voor een Democratische regering onder leiding van Barack Obama, die zei dat hij zijn per ongeluk zwangere dochter nooit zou willen ‘straffen’ met een kind.
*) Eerder verschenen op de website van de NOS.
In debat met Prem
Ik was gisteren te gast bij het tv-programma DAGBEELD, waar ik in discussie ging met de beruchte Prem Radhakishun over het NPS-programma Probama'08. Bekijk de uitzending hier. Mijn debat met Prem begint rond minuut 22.
Goed leraarschap
Een goede vriend van mij die in de Verenigde Staten woont, was onlangs een paar dagen in Nederland en zei dat hem niets zo verbaasde als de Nederlandse discussie over het onderwijs. Begin dit jaar presenteerde een speciale onderzoekscommissie een rapport waarvan de hoofdconclusie luidde dat de Nederlandse overheid ‘haar kerntaak, het zeker stellen van deugdelijk onderwijs, ernstig heeft verwaarloosd’. Dat is nogal wat. In het parlement is deze politieke boetedoening inmiddels met bijna verdacht enthousiasme omhelsd. Maar wie zou denken dat minister Plasterk sindsdien onverwijld aan de slag is gegaan, dat de gymnasia nu overal uit de grond schieten, dat de scholen en klassen kleiner zijn geworden en dat er overal weer gewoon gelukkige leraren voor de klas staan, heeft het mis. Plasterk lijkt ervoor te hebben gekozen de geschiedenis in te gaan als de hoedendragende halve bohemien die zich exclusief op de emancipatie van de homofiele medemens toelegt.
Bij de roep om goed onderwijs is inmiddels het besef doorgedrongen dat de kwaliteit en de positie van de leraar daarbij van het grootste belang is. Die moet goed zijn opgeleid en niet in bestuurlijke commissies zitten om ‘vernieuwingen te implementeren’ maar op een inspirerende manier voor de klas staan. Zijn die er nog, zulke leraren, of hangen de meesten moe gebeukt in de touwen, op zoek naar een escape?
Als dat laatste het geval is – en waarschijnlijk is het zo – is het goed ons te realiseren dat frustraties en ontmoediging bij leraren van alle tijden zijn, en dat er ook remedies tegen bestaan.
Aurelius Augustinus heeft meer dan 1600 jaar geleden een verhandeling geschreven over de vraag hoe je op een goede en inspirerende manier onderwijs kunt geven, zonder dat je als leraar je motivatie verliest. Deze Augustinus – hij werd geboren in het huidige Algerije en leefde van 354 tot 430 – was een zogeheten kerkvader. Hij was de zoon van een christelijke moeder en een heidense vader, was een beetje ondeugend in zijn jeugd en als zeer getalenteerde jongeman vooral erg ambitieus en daarom schopte hij het tot een algemeen bejubeld leraar en redenaar in Rome en Milaan. Na zijn bekering werd hij priester en bisschop van het Noord-Afrikaanse Hippo Regius, schreef hij boeken, preekte hij en fungeerde hij, de intellectuele leidsman, als vraagbaak voor talloze medechristenen.
Een van hen was een zekere Deogratias, van wie we alleen weten dat hij diaken was in Carthago. Carthago was destijds een van de belangrijkste centra van de christelijke kerk en cultuur. De bisschop had Deogratias opgedragen een soort basiscursus over het christelijk geloof te verzorgen. We schrijven het jaar 400, en na de bekering van keizer Constantijn (280 – 337) en verschillende edicten waarin het christelijk geloof vanaf het jaar 313 tot staatsgodsdienst uitgroeide, stroomden belangstellenden toe om zich te laten dopen en lid van de kerk te worden – vaak om redenen die minder verheven waren dan door de kerk wenselijk werd geacht.
Hoe doe je dat, het christelijk geloof uitleggen aan hordes ongeschoolde en maar matig geïnteresseerde mensen? Wat vertel je ze en wat niet? Hoe gretig mag en kun je zijn? Wat moet je doen als je jezelf hoort praten om dat je dezelfde riedel voor de zoveelste keer afsteekt? Hoe blijf je gemotiveerd als je het idee hebt dat je toehoorders je niet goed begrijpen, ook al betreed je slechts de platgetreden paden van de allereerste beginselen?
Het zijn de vragen die iedere leraar zich waarschijnlijk wel eens stelt wanneer hij voor de klas staat en in de zwarte afgrond van het hedendaags puberdom blikt, en iedere hoogleraar die geconfronteerd wordt met studenten die verrast opkijken wanneer ze horen dat Jezus en Christus geen broers maar een en dezelfde persoon zijn.
Deogratias legde zijn vragen aan Augustinus voor en deze beantwoordde ze in een kleine verhandeling over het geven van catechese die nu in een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen. (Het is prachtig dat uitgeverij Damon, evenals Ambo, steeds weer nieuwe en goede vertalingen van werken van Augustinus blijft uitbrengen. De uitgaven zijn zeer verzorgd en door deskundigen vervaardigd en ingeleid. In het boekje over het goede onderwijs wordt de lezer alleen onaangenaam getroffen door het vage woord ‘shows’ als vertaling van ‘spectacula’ en als Augustinus gewoon schrijft dat iemand christen wil worden en daartoe naar de kerk gaat, heet het hier dat iemand tot een ‘christelijke identiteit’ besloten heeft en naar de kerk komt om die te ‘realiseren’.)
In deze verhandeling laat Augustinus in de eerste plaats zien wat een goede leraar hij zelf was. ‘Mijzelf bevalt mijn eigen betoog ook bijna nooit’, merkt hij direct in het begin al begripvol op. De moeilijkheid bij het lesgeven bestaat vooral hierin dat het inzicht de geest als een ‘snelle lichtflits’ doordringt, terwijl het spreken traag is en heel lang duurt. Zo hobbelen we met gebrekkige formuleringen achter onze eigen gedachtegang aan en krijgt onze betoog iets heel onbevredigends. Dat kan zelfs leiden tot een diepe ‘innerlijke weerzin’, zo legt Augustinus uit. Hoe kunnen we er dan nog voor zorgen dat een leraar met plezier les blijft geven?
Het belangrijkste deel van Augustinus’ betoog gaat over die vraag, en de manier waarop hij die beantwoordt getuigt vaak van een diep psychologisch inzicht (die niet verrast bij de auteur van de Belijdenissen, die wel als de eerste ‘moderne’ autobiografie worden gezien). Het is van belang je verhaal af te stemmen op de samenstelling van de groep waartoe je je richt, en de verveling met blijmoedigheid te verdrijven. Maar de belangrijkste deugd waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar ‘krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde’. Alleen die deugd verdrijft uiteindelijk ‘de duisternis van afkeer en verveling’ die het onderwijs bedreigen.
Vanwege dit soort overwegingen is het lezen van dit boekje van Augustinus meer dan de moeite waard. Maar er is meer: we leren hier ook uit dat het geven van onderwijs in de eerste plaats een vak is dat bestaat uit het vertellen van een inhoudelijk verhaal. Het gaat om het overdragen van kennis. Augustinus geeft twee modelbetogen die Deogratias kunnen helpen om de essentie van het christelijk geloof kort en bondig uit te leggen. De tweede tekst is een samenvatting van de eerste en biedt ‘het christendom in een kwartier’, zoals de vertalers het uitdrukken. Ook dat is van belang in een tijd waarin die kennis sterk is afgenomen, zo niet verloren is gegaan.
En er is nog een laatste reden die lezing van dit werkje van Augustinus interessant maakt. In deze tekst, geschreven in het jaar 400, vinden we de eerste aanzetten tot de geschiedenisvisie die Augustinus, na de val van Rome (410), zou uitwerken tot het geschiedenisepos dat een van de pijlers van de westerse beschaving vormt: De stad van God (426). In die geschiedenis vormt de leer van de twee rijken (de stad van God en de stad van de mens) een van de belangrijkste elementen – en daaruit is, via de pauselijke reformaties van de elfde eeuw, het gedachtegoed ontstaan waarbinnen onze discussies over ‘de scheiding van kerk en staat’ mogelijk zijn geworden.
Het is geen schande wanneer een beschaving zich haar eigen identiteit weer bewust wordt. Deze tekst van Augustinus is niet alleen een bron van troost en vreugde voor allen die wel eens een groep mensen moeten toespreken, maar biedt ook een van de beste ingangen tot die heilzame bewustwording.
Recensie van: Aurelius Augustinus, Goed onderwijs, Damon € 19,90
*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.
Bij de roep om goed onderwijs is inmiddels het besef doorgedrongen dat de kwaliteit en de positie van de leraar daarbij van het grootste belang is. Die moet goed zijn opgeleid en niet in bestuurlijke commissies zitten om ‘vernieuwingen te implementeren’ maar op een inspirerende manier voor de klas staan. Zijn die er nog, zulke leraren, of hangen de meesten moe gebeukt in de touwen, op zoek naar een escape?
Als dat laatste het geval is – en waarschijnlijk is het zo – is het goed ons te realiseren dat frustraties en ontmoediging bij leraren van alle tijden zijn, en dat er ook remedies tegen bestaan.
Aurelius Augustinus heeft meer dan 1600 jaar geleden een verhandeling geschreven over de vraag hoe je op een goede en inspirerende manier onderwijs kunt geven, zonder dat je als leraar je motivatie verliest. Deze Augustinus – hij werd geboren in het huidige Algerije en leefde van 354 tot 430 – was een zogeheten kerkvader. Hij was de zoon van een christelijke moeder en een heidense vader, was een beetje ondeugend in zijn jeugd en als zeer getalenteerde jongeman vooral erg ambitieus en daarom schopte hij het tot een algemeen bejubeld leraar en redenaar in Rome en Milaan. Na zijn bekering werd hij priester en bisschop van het Noord-Afrikaanse Hippo Regius, schreef hij boeken, preekte hij en fungeerde hij, de intellectuele leidsman, als vraagbaak voor talloze medechristenen.
Een van hen was een zekere Deogratias, van wie we alleen weten dat hij diaken was in Carthago. Carthago was destijds een van de belangrijkste centra van de christelijke kerk en cultuur. De bisschop had Deogratias opgedragen een soort basiscursus over het christelijk geloof te verzorgen. We schrijven het jaar 400, en na de bekering van keizer Constantijn (280 – 337) en verschillende edicten waarin het christelijk geloof vanaf het jaar 313 tot staatsgodsdienst uitgroeide, stroomden belangstellenden toe om zich te laten dopen en lid van de kerk te worden – vaak om redenen die minder verheven waren dan door de kerk wenselijk werd geacht.
Hoe doe je dat, het christelijk geloof uitleggen aan hordes ongeschoolde en maar matig geïnteresseerde mensen? Wat vertel je ze en wat niet? Hoe gretig mag en kun je zijn? Wat moet je doen als je jezelf hoort praten om dat je dezelfde riedel voor de zoveelste keer afsteekt? Hoe blijf je gemotiveerd als je het idee hebt dat je toehoorders je niet goed begrijpen, ook al betreed je slechts de platgetreden paden van de allereerste beginselen?
Het zijn de vragen die iedere leraar zich waarschijnlijk wel eens stelt wanneer hij voor de klas staat en in de zwarte afgrond van het hedendaags puberdom blikt, en iedere hoogleraar die geconfronteerd wordt met studenten die verrast opkijken wanneer ze horen dat Jezus en Christus geen broers maar een en dezelfde persoon zijn.
Deogratias legde zijn vragen aan Augustinus voor en deze beantwoordde ze in een kleine verhandeling over het geven van catechese die nu in een nieuwe Nederlandse vertaling is verschenen. (Het is prachtig dat uitgeverij Damon, evenals Ambo, steeds weer nieuwe en goede vertalingen van werken van Augustinus blijft uitbrengen. De uitgaven zijn zeer verzorgd en door deskundigen vervaardigd en ingeleid. In het boekje over het goede onderwijs wordt de lezer alleen onaangenaam getroffen door het vage woord ‘shows’ als vertaling van ‘spectacula’ en als Augustinus gewoon schrijft dat iemand christen wil worden en daartoe naar de kerk gaat, heet het hier dat iemand tot een ‘christelijke identiteit’ besloten heeft en naar de kerk komt om die te ‘realiseren’.)
In deze verhandeling laat Augustinus in de eerste plaats zien wat een goede leraar hij zelf was. ‘Mijzelf bevalt mijn eigen betoog ook bijna nooit’, merkt hij direct in het begin al begripvol op. De moeilijkheid bij het lesgeven bestaat vooral hierin dat het inzicht de geest als een ‘snelle lichtflits’ doordringt, terwijl het spreken traag is en heel lang duurt. Zo hobbelen we met gebrekkige formuleringen achter onze eigen gedachtegang aan en krijgt onze betoog iets heel onbevredigends. Dat kan zelfs leiden tot een diepe ‘innerlijke weerzin’, zo legt Augustinus uit. Hoe kunnen we er dan nog voor zorgen dat een leraar met plezier les blijft geven?
Het belangrijkste deel van Augustinus’ betoog gaat over die vraag, en de manier waarop hij die beantwoordt getuigt vaak van een diep psychologisch inzicht (die niet verrast bij de auteur van de Belijdenissen, die wel als de eerste ‘moderne’ autobiografie worden gezien). Het is van belang je verhaal af te stemmen op de samenstelling van de groep waartoe je je richt, en de verveling met blijmoedigheid te verdrijven. Maar de belangrijkste deugd waarover een leraar dient te beschikken, is de naastenliefde. Het gehoor moet in zich opnemen wat bij de leraar ‘krachtig en blijmoedig opwelt uit een rijke stroom van naastenliefde’. Alleen die deugd verdrijft uiteindelijk ‘de duisternis van afkeer en verveling’ die het onderwijs bedreigen.
Vanwege dit soort overwegingen is het lezen van dit boekje van Augustinus meer dan de moeite waard. Maar er is meer: we leren hier ook uit dat het geven van onderwijs in de eerste plaats een vak is dat bestaat uit het vertellen van een inhoudelijk verhaal. Het gaat om het overdragen van kennis. Augustinus geeft twee modelbetogen die Deogratias kunnen helpen om de essentie van het christelijk geloof kort en bondig uit te leggen. De tweede tekst is een samenvatting van de eerste en biedt ‘het christendom in een kwartier’, zoals de vertalers het uitdrukken. Ook dat is van belang in een tijd waarin die kennis sterk is afgenomen, zo niet verloren is gegaan.
En er is nog een laatste reden die lezing van dit werkje van Augustinus interessant maakt. In deze tekst, geschreven in het jaar 400, vinden we de eerste aanzetten tot de geschiedenisvisie die Augustinus, na de val van Rome (410), zou uitwerken tot het geschiedenisepos dat een van de pijlers van de westerse beschaving vormt: De stad van God (426). In die geschiedenis vormt de leer van de twee rijken (de stad van God en de stad van de mens) een van de belangrijkste elementen – en daaruit is, via de pauselijke reformaties van de elfde eeuw, het gedachtegoed ontstaan waarbinnen onze discussies over ‘de scheiding van kerk en staat’ mogelijk zijn geworden.
Het is geen schande wanneer een beschaving zich haar eigen identiteit weer bewust wordt. Deze tekst van Augustinus is niet alleen een bron van troost en vreugde voor allen die wel eens een groep mensen moeten toespreken, maar biedt ook een van de beste ingangen tot die heilzame bewustwording.
Recensie van: Aurelius Augustinus, Goed onderwijs, Damon € 19,90
*) Deze recensie verscheen eerder in HP/DeTijd.
4.9.08
Interview met Wijnand Duyvendak
Samen met Theodoor Holman presenteer ik bij Het Gesprek vanaf deze week een nieuw gespreksprogramma geheten "Hardtalk Den Haag". Onze eerste uitzending, in twee delen van een half uur elk, bestond uit een interview met Wijnand Duyvendak. Bekijk deel 1 hier.
Heksenjacht
Arie Slob, fractievoorzitter van de ChristenUnie, schreef begin deze week dat hij bang is voor een rechtse jacht op linkse heksen. Letterlijk had hij het over ‘McCarthy-achtige toestanden’. Slob zei dat hij niet zit te wachten op iets vergelijkbaar met de activiteiten van de Amerikaanse communistenjager Joseph McCarthy.
Nu is Slob geen boosaardige man. Hij wordt nogal eens in korte broek en met een ijsje rond het Binnenhof gesignaleerd, met een blik van ‘wie ben ik dat ik bij al die echte politici mag aanschuiven?’ Maar het valt op dat hij zich met deze uitspraak opnieuw in het koor voegt van andere linkse politici die zich, in dit geval, keren tegen de roep om rekenschap van linkse activisten uit de jaren tachtig. Na het vertrek van Wijnand Duyvendak moest PvdA-minister Jacqueline Cramer zich deze week in de Kamer verantwoorden voor haar activiteiten als voorzitter van Milieudefensie.
Er broeit sinds 2002 een ‘aversie tegen links en de politieke correctheid’, stelt Femke Halsema van GroenLinks rillend vast. ‘Rechts ruikt zijn kansen.’
Is dat zo?....
Lees de rest van mijn wekelijkse column in het nieuwe nummer van Elsevier. Abonneren kan hier.
Nu is Slob geen boosaardige man. Hij wordt nogal eens in korte broek en met een ijsje rond het Binnenhof gesignaleerd, met een blik van ‘wie ben ik dat ik bij al die echte politici mag aanschuiven?’ Maar het valt op dat hij zich met deze uitspraak opnieuw in het koor voegt van andere linkse politici die zich, in dit geval, keren tegen de roep om rekenschap van linkse activisten uit de jaren tachtig. Na het vertrek van Wijnand Duyvendak moest PvdA-minister Jacqueline Cramer zich deze week in de Kamer verantwoorden voor haar activiteiten als voorzitter van Milieudefensie.
Er broeit sinds 2002 een ‘aversie tegen links en de politieke correctheid’, stelt Femke Halsema van GroenLinks rillend vast. ‘Rechts ruikt zijn kansen.’
Is dat zo?....
Lees de rest van mijn wekelijkse column in het nieuwe nummer van Elsevier. Abonneren kan hier.
2.9.08
Bij EenVandaag
De Tweede Kamer vroeg vandaag opheldering van minister Cramer (PvdA). Stond haar naam nou wel of niet onder een advertentie waarin steun werd betuigd aan het krakersblad Bluf!? TV-rubriek EénVandaag volgde het debat en sprak met de linkse socioloog en publicist Dick Pels en met mij over de roerige jaren tachtig. Bekijk de uitzending hier.
NOS-baas Laroes haalt uit naar Obama 08
Hans Laroes valt mij bij in de Volkskrant vanmorgen:
Door Maud Effting
De Volkskrant
gepubliceerd op 02 september 2008 08:01, bijgewerkt op 2 september 2008 08:51
AMSTERDAM - Hoofdredacteur Hans Laroes van het NOS Journaal heeft maandag op zijn weblog scherp uitgehaald naar het NPS-programma Obama’08. Hij ergert zich aan het feit dat er wél vijf speciale uitzendingen gemaakt zijn over Barack Obama en de Democratische Conventie, en niet over John McCain en de Republikeinse Conventie.
VergrotingVergroting
‘Ik begrijp niet dat niemand van degenen die er over gaan bij NPS en NPO niet na 5 seconden (oké, 5 minuten mag ook), heeft gezegd: ja maar, dat kan toch niet?’, schrijft Laroes . ‘Als je Barack zegt moet je ook John zeggen.’ Laroes reageert ook omdat hij als NOS Journaal veel kritiek kreeg; de NPS wordt vaak verward met de NOS.
Hij wordt bijgevallen op de NOS-site door columnist Bart-Jan Spruyt. Die noemt Obama’08 ‘bevooroordeeld, walgelijk, dom, onprofessioneel, schandalig, racistisch en weerzinwekkend’. Zo lieten co-presentatoren Prem Radhakishun en Jörgen Raymann openlijk blijken pro-Obama te zijn, en er werden dingen gezegd als ‘In Nederland begrijpen we niet dat u als zwarte Republikein kunt zijn’ en ‘Vrouwen horen gewoon bij de Democraten’. Op de site noemt Spruyt Radhakishun een ‘randdebiele grootbek’.
Eindredacteur Carel Kuyl van Obama ’08: ‘Ik word een beetje moe van al die meneertjes die overal wat van vinden. Laat Laroes lekker wat over zijn eigen programma zeggen. Dit was zo bijzonder dat we er aandacht aan wilden besteden. We zitten deze week met evenveel mensen in de VS.
‘Natuurlijk, het was een liefdesverklaring van Prem en Jörgen aan Obama, en je kunt je afvragen of die liefdesverklaring van – met name Prem – niet veel te luidruchtig was. Ze stonden allebei te stuiteren dat een zwarte mogelijk president zou worden. Maar je moet dit met een knipoog zien. Het was geen gewoon journalistiek programma. Meer een poging om er op een lichtvoetige manier aandacht aan te besteden. We lieten ook genoeg mensen aan het woord die zeer rechts waren.’
*) Dit artikel is overgenomen uit de Volkskrant.
Door Maud Effting
De Volkskrant
gepubliceerd op 02 september 2008 08:01, bijgewerkt op 2 september 2008 08:51
AMSTERDAM - Hoofdredacteur Hans Laroes van het NOS Journaal heeft maandag op zijn weblog scherp uitgehaald naar het NPS-programma Obama’08. Hij ergert zich aan het feit dat er wél vijf speciale uitzendingen gemaakt zijn over Barack Obama en de Democratische Conventie, en niet over John McCain en de Republikeinse Conventie.
VergrotingVergroting
‘Ik begrijp niet dat niemand van degenen die er over gaan bij NPS en NPO niet na 5 seconden (oké, 5 minuten mag ook), heeft gezegd: ja maar, dat kan toch niet?’, schrijft Laroes . ‘Als je Barack zegt moet je ook John zeggen.’ Laroes reageert ook omdat hij als NOS Journaal veel kritiek kreeg; de NPS wordt vaak verward met de NOS.
Hij wordt bijgevallen op de NOS-site door columnist Bart-Jan Spruyt. Die noemt Obama’08 ‘bevooroordeeld, walgelijk, dom, onprofessioneel, schandalig, racistisch en weerzinwekkend’. Zo lieten co-presentatoren Prem Radhakishun en Jörgen Raymann openlijk blijken pro-Obama te zijn, en er werden dingen gezegd als ‘In Nederland begrijpen we niet dat u als zwarte Republikein kunt zijn’ en ‘Vrouwen horen gewoon bij de Democraten’. Op de site noemt Spruyt Radhakishun een ‘randdebiele grootbek’.
Eindredacteur Carel Kuyl van Obama ’08: ‘Ik word een beetje moe van al die meneertjes die overal wat van vinden. Laat Laroes lekker wat over zijn eigen programma zeggen. Dit was zo bijzonder dat we er aandacht aan wilden besteden. We zitten deze week met evenveel mensen in de VS.
‘Natuurlijk, het was een liefdesverklaring van Prem en Jörgen aan Obama, en je kunt je afvragen of die liefdesverklaring van – met name Prem – niet veel te luidruchtig was. Ze stonden allebei te stuiteren dat een zwarte mogelijk president zou worden. Maar je moet dit met een knipoog zien. Het was geen gewoon journalistiek programma. Meer een poging om er op een lichtvoetige manier aandacht aan te besteden. We lieten ook genoeg mensen aan het woord die zeer rechts waren.’
*) Dit artikel is overgenomen uit de Volkskrant.
1.9.08
Groenrechts
GroenLinks-kiezers, erkent zelfs Wijnand Duyvendak, vliegen het meest van alle Nederlanders. Het milieu is dus veel te belangrijk om aan hypocriete linkse mensen over te laten.
Maar dan is het milieu zeker veel te belangrijk om aan rechtse mensen toe te vertrouwen. Dat althans was tot voor kort het geval. Er komt nu verandering in.
In de Verenigde Staten bijvoorbeeld, treedt binnen de Republikeinse Partij een nieuwe generatie van jonge conservatieven aan die klimaat en milieu hoog in hun vaandel voeren. Zij verwijten de vertegenwoordigers van het partijestablishment dat zij in de successen en de agenda van de Reagan-revolutie uit de jaren tachtig blijven hangen.
Voor belangrijke onderwerpen hangen. Voor belangrijke onderwerpen als energie en de opwarming van de aarde hebben zij de kop in het zand gestoken en het thema aan linkse mensen overgelaten, aangevoerd door Al Gore.
Conservatieven hebben daarmee het imago gekregen van nitwits die zich van wetenschappelijk onderzoek weinig aantrekken.
In een optimistisch land als de Verenigde Staten is dat vervelend, en het is nog vervelender als we ons realiseren, zo betogen deze jonge conservatieven, dat de linkse oplossingen niet werken.
Niet straffen met nieuwe belastingen is het antwoord, maar investeren in alternatieve technologieën.
De grote inspiratiebron van deze nieuwe agenda op rechts is de jonge oppositieleider en aanvoerder van de Britse Conservatieve Partij: David Cameron (41)...
Lees de rest in mijn nieuwe Elsevier-column van deze week. Abonneren kan hier.
Maar dan is het milieu zeker veel te belangrijk om aan rechtse mensen toe te vertrouwen. Dat althans was tot voor kort het geval. Er komt nu verandering in.
In de Verenigde Staten bijvoorbeeld, treedt binnen de Republikeinse Partij een nieuwe generatie van jonge conservatieven aan die klimaat en milieu hoog in hun vaandel voeren. Zij verwijten de vertegenwoordigers van het partijestablishment dat zij in de successen en de agenda van de Reagan-revolutie uit de jaren tachtig blijven hangen.
Voor belangrijke onderwerpen hangen. Voor belangrijke onderwerpen als energie en de opwarming van de aarde hebben zij de kop in het zand gestoken en het thema aan linkse mensen overgelaten, aangevoerd door Al Gore.
Conservatieven hebben daarmee het imago gekregen van nitwits die zich van wetenschappelijk onderzoek weinig aantrekken.
In een optimistisch land als de Verenigde Staten is dat vervelend, en het is nog vervelender als we ons realiseren, zo betogen deze jonge conservatieven, dat de linkse oplossingen niet werken.
Niet straffen met nieuwe belastingen is het antwoord, maar investeren in alternatieve technologieën.
De grote inspiratiebron van deze nieuwe agenda op rechts is de jonge oppositieleider en aanvoerder van de Britse Conservatieve Partij: David Cameron (41)...
Lees de rest in mijn nieuwe Elsevier-column van deze week. Abonneren kan hier.
Subscribe to:
Posts (Atom)