31.10.07

Sebastian Haffner: Onduits goed

Journalist en historicus: het is een combinatie die tot prachtige resultaten kan leiden. Denk aan het werk van Raymond Aron in Frankrijk, aan Joachim Fest in Duitsland. Maar het mooiste voorbeeld is toch Sebastian Haffner.

Sebastian Haffner (1907-1999), een van de meest vooraanstaande historici in het twintigste-eeuwse Duitsland, is de grote stilist, en vooral bekend als de auteur van het meesterwerk Kanttekeningen bij Hitler, dat Duitsers voor het eerst deed begrijpen waarom Hitler twaalf jaar lang had kunnen regeren in het land van de ‘dichters en denkers’. Het boek combineert het beste van journalistiek en geschiedschrijving. ‘Een prikkelend, origineel en bovendien stilistisch uitmuntend meesterstuk van historische essayistiek’, luidde het oordeel van Fest.

Haffner legde uit dat de Duitse bevolking zo’n ontzag voor Hitler had omdat hij als politicus zulke aansprekende prestaties leverde. Het snelle verdwijnen van de werkloosheid, het terugwinnen van het Saarland en Rijnland, het uittreden uit de Volkenbond en het groeiende internationale ontzag voor Hitler maakten hem boven alle tegenspraak verheven.

Haffner zelf was een slachtoffer van het Hitler-regime. Hij was te onafhankelijk van geest en te zeer een liefhebber van de vrijheid dat hij voor zijn bestaanszekerheid de prijs van onderworpenheid wilde betalen. Haffner werd geboren in Berlijn, in een wijk (Steglitz) waar volgens hem ‘reeds lang voor Hitler de geest van de twintigste juli leefde. Het waren mensen die tegen de republiek van Weimar waren, maar ook tegen de nazi’s – ze waren tegen alle schooierigheid, ze vormden de Duitse elite.’ Met ‘de twintigste juli’ bedoelde Haffner het plot onder leiding van graaf Stauffenberg, dat op 20 juli 1944 in een (mislukte) aanslag op Hitler uitmondde. ‘De klasse van de Pruisische militaire adel’, schreef Haffner later, is misschien wel de enige en zeker de sterkste door Duitsland in de moderne tijd voortgebrachte kracht geweest. Of ze ons nu sympathiek is of niet, ze had datgene wat een heersende klasse nodig heeft en wat noch de hoge Duitse adel, noch de Duitse bourgeoisie, noch naar het schijnt de Duitse arbeiders hadden of hebben: hechtheid, stijl, machtswil, overredingskracht, zelfverzekerdheid, zelfdiscipline, moraal, geweten, overtuiging, staatsbewustzijn. Met al zijn deugden en zwakheden was de Pruisische militaire adel in z’n soort toch nog het beste dat Duitsland ooit heeft opgeleverd, en eigenlijk is er nog steeds geen vervanging voor.’

Haffner studeerde rechten in Berlijn, promoveerde er, en werkte als jurist. Het was zijn droom hoge ambtenaar te worden en romans te gaan schrijven; in Frankrijk had hij gezien dat dat zo gek nog niet was. Maar hij had een Joodse vriendin, Erika Landry, en Joodse vrienden. In zijn herinneringen aan de jaren 1914 – 1933 (Het verhaal van een Duitser) schrijft Haffner over de hulp die hij zijn Joodse vriend Frank Landau in april 1933 bood om het land uit te komen. Tegenover diens vader, die inmiddels was gaan denken dat iedere Duitser een nazi was geworden, zei hij dat er ‘geen positie meer is die je nog kunt verdedigen. We zijn nu allemaal zo goed als gevangen, en vluchten is de enige mogelijkheid die ons rest. Ik wil ook weggaan.’ Waarom? ‘Omdat het me hier niet meer aanstaat’.

Haffner vluchtte in 1938 met zijn Joodse vriendin naar Engeland. In plaats van een roman schrijvende hoge ambtenaar werd hij journalist en historicus. En om zijn achtergebleven familie niet in gevaar te brengen, veranderde hij zijn naam Raimund Pretzel in Sebastian Haffner – Sebastian is afgeleid van Johann Sebastian Bach, Haffner van de Haffner-symfonie van Wolfgang Amadeus Mozart.

In Engeland, waar hij in onzekere en behoeftige omstandigheden verkeerde, schreef hij een analyse van binnenuit van het Duitsland dat hij achter zich had gelaten. Het verscheen in 1940 in het Engels onder de titel Jekyll & Hyde, en werd in het Britse Lagerhuis geciteerd als argument voor een onverzettelijke houding tegen Hitler.

Een Nederlandse vertaling van het boek verscheen in 1999, maar een herziene vertaling met een bijgewerkt nawoord van Hubert Smeets verschijnt deze week als negende deel in de fraaie reeks vertalingen die uitgeverij Mets en Schilt van Haffner op de markt heeft gebracht. Volgende week volgt dan onder de titel Kanttekeningen van een rationele profeet het tiende deel – een bundeling van kortere beschouwingen van Haffner, waarin ook het verhaal over Frank Landau een plaats heeft gekregen. Het bevat ook het lange interview dat Jutta Krug in 1989 met Haffner had, en dat in 2002 als apart boekje in Duitsland is verschenen. De uitgever presenteert de verschijning van dit tiende deel als de voltooiing van Haffners verzameld werk in het Nederlands. Dat klopt natuurlijk niet helemaal want er is nog genoeg van Haffner dat niet is vertaald, maar er spreekt een trots uit die bij de afronding van dit monument niet ongepast is. Het geval wil dat deze afronding samenvalt met Haffners honderdste geboortedag, en dat feit wordt aangegrepen voor een congres dat volgende week vrijdag in Amsterdam wordt gehouden, en waar historici-journalisten als Jan Blokker, Ronald Havenaar en Uwe Soukup (Haffners biograaf) zullen spreken.

Na zijn tergkeer naar Duitsland in 1954, als Brits staatsburger, heeft Haffner als journalist gewerkt bij bladen als de Observer, Die Welt en Stern, en als historicus een reeks van boeken geschreven die allen (op een veel geprezen Churchill-biografie na) over de Duitse geschiedenis gaan: over de geschiedenis van Pruisen, de Eerste Wereldoorlog, de Duitse revolutie van 1918-1919, Hitler, en een overzichtswerk over Duitsland van 1871 tot 1945. Het beste wat je over die boeken kunt zeggen is waarschijnlijk dat ze zo on-Duits goed zijn geschreven. Haffner was een ongekend nieuwsgierige man, die helderheid wilde hebben en scheppen. Zijn stijl is gedurfd maar gecontroleerd. In zijn boeken staat geen woord te veel. En door die scherpte en helderheid biedt hij verrassende inzichten.

Om daar een voorbeeld van te geven: onlangs las ik een boekje van Paul Lucardie over de geschiedenis van de Nederlandse politieke partijen en daarin staat, tamelijk plompverloren, de zin dat Marx best nog wel eens gelijk zou kunnen krijgen. Wishful thinking? Kort daarop bladerde ik in een bundel artikelen van Haffner en vond daarin een essay over de vraag of de ‘burgerlijke revolutie’ al voltooid is. Je kunt wel zeggen dat het reëel bestaande socialisme in Rusland, Cuba en China de hoop en verwachtingen van het marxisme weerlegd heeft, maar Marx zelf heeft altijd benadrukt dat de tijd voor een socialistische revolutie pas rijp zou zijn wanneer de burgerlijke revolutie van het kapitalisme en van de emancipatie van het individu zowel economisch (vrije markt) als politiek (de democratische staat) voltooid zou zijn. Marx dacht dat die burgerlijke revolutie in zijn tijd al voltooid was. Maar is dat nou wel zo?, zo vraagt Haffner zich af. De macht van de kerk is nog groot, de staat is nog niet volledig durchdemokratisiert, en op het terrein van de zeden, van de verhouding tussen de geslachten en van het familierecht is de emancipatie van het individu nog maar net begonnen. Haffner schreef dit in de jaren zestig, maar veel discussies nu kun je nog altijd klassiek-marxistisch als de laatste fasen van een burgerlijke revolutie zien die de weg voor de socialistische revolutie moet vrijmaken.

Haffner, die zichzelf typeerde als ‘een zeer gematigde conservatief met sympathie voor links’, geeft dus te denken. Het is daarom een geschenk dat het leeuwendeel van zijn werk nu in goede Nederlandse vertalingen en in- of uitgeleid door deskundig commentaar, in een monumentale reeks beschikbaar is.

Sebastian Haffner
- Duitsland 1939: Jekyll & Hyde
- Kanttekeningen van een rationele profeet
Mets & Schilt


*) Deze recensie is eveneens verschenen in HP/De Tijd.

18.10.07

Bilal en Rita

De merkwaardige patstelling tussen de VVD en het lid Verdonk is begin deze week ineens doorbroken. Het hoofdbestuur van de partij confronteerde haar met een ultimatum: ze moest óf haar kamerzetel óf haar lidmaatschap van de VVD opzeggen, en daarmee een einde maken aan de rare situatie waarin de VVD in de Tweede Kamer door twee smaldelen werd vertegenwoordigd. Haar kamerzetel wilde Verdonk niet opgeven, vanwege die vele stemmen (’620.555!’) die in november vorig jaar op haar zijn uitgebracht. En alhoewel ze geloofde dat ze het juridische gevecht tegen een royement zou winnen, stapte ze maandagavond met een air van grootmoedigheid uit de partij.

Het is altijd weer een boeiend schouwspel hoe een partij in crisis zichzelf strijk-en-zet in situaties manoeuvreert waarin betrokkenen het alleen maar verkeerd kunnen doen. Nadat Verdonk hem opnieuw publiekelijk had bekritiseerd, kon Rutte niets anders meer dan haar uit de fractie zetten. Toen ze uit de fractie was gezet, kon Verdonk niets anders doen dan zowel haar partijlidmaatschap als haar kamerzetel vasthouden en kon het bestuur niets anders doen dan haar tot een keuze dwingen. De zachte krachten in zo’n conflict, die nog op een gesprek en bemiddeling aandringen, verliezen het in zo’n situatie altijd. Van een rationele tactiek en strategie is in zo’n hectiek nooit sprake: het toeval en de chaos regeren.

Nu Verdonk alleen verder gaat, is de vraag aan de orde of er ruimte voor haar is op de politieke markt. Die ruimte lijkt op het eerste gezicht klein. Mark Rutte zal, samen met Henk Kamp, ongetwijfeld met een stevig stuk over immigratie- en integratiebeleid gaan komen, om een afsplitsing van de rechtervleugel te voorkomen. Geert Wilders heeft in de nacht van maandag op dinsdag ongetwijfeld heel slecht geslapen, maar heeft op de rechtse onderwerpen een uitgesproken profiel. De niche tussen beide groepen kan dus niet groot zijn.

Maar dat is theorie. Hoe moeilijk het voor velen ook voor te stellen is: honderddduizenden Nederlanders zien in iemand als Verdonk de daadkrachtige leider die de grote problemen echt gaat oplossen. Eind vorige week ging Verdonk in het programma Nova Politiek in debat met publicist Paul Scheffer over diens boek Het land van aankomst. Leuk boek had die linkse krullenbol geschreven, zo was haar commentaar, maar ze had in heel dat boek van 500 pagina’s nog geen begin van een voorstel voor oplossingen aangetroffen.

Zolang heel of half psychotische Marokkaanse jongens als Bilal B., al dan niet in een roes van terroristische ijver, een politiebureau binnendringen en daar twee agenten neersteken, en zolang er in Slotervaart rellen uitbreken uit woede over het feit dat een van de agenten hem heeft doodgeschoten, en zolang duidelijk blijft worden dat het optreden van Justitie voorafgaand aan het incident niet van al te grote daadkracht getuigt, zullen de Verdonken electoraal blijven floreren. Er is een perverse dialectiek gaande, tussen enerzijds de pijnlijke ravages van immigratie en integratie, en anderzijds politici die zich opwerpen als de belangenbehartigers van het autochtone onbehagen, en hun achterban niet vertellen dat ze, de verbetenheid voorbij, op zoek moeten naar een nieuw evenwicht tussen de bestaande openheid en de hang naar het vertrouwde en geslotene. Dat verwijt maakte Scheffer haar terecht in de al genoemde discussie.

Maar al het gedoe rond de VVD – dat zich ook binnen de PvdA afspeelt, en het CDA zal ook nog wel een keer aan de beurt komen – maakt iets veel belangrijkers duidelijk. Het is ongetwijfeld geen toeval dat de fricties binnen de grote constituerende partijen in het centrum van de Nederlandse politiek altijd door discussies over immigratie en integratie worden opgeroepen. Daaruit blijkt dat er nieuwe breuklijnen door de Nederlandse samenleving lopen die van een geheel andere aard zijn dan vroegere breuklijnen die bepalend zijn geweest voor de oude partijvorming. Liberalen, sociaal-democraten en christen-democraten hebben zich gegroepeerd rond eensgezinde antwoorden op sociaal-economische en religieuze kwesties. Nu er een heel andere discussie aan de orde is, blijkt de eensgezindheid over die oude onderwerpen niet voldoende om de eenheid binnen deze partijen te handhaven. Er zijn nieuwe aardkorsten gaan schuiven, en de bevingen die deze in de politiek veroorzaken blijken oncontroleerbaar.

*) Deze column is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.

16.10.07

Ingeklonken land

De Bosatlas van Nederland moet ons weer een nieuw realisme bijbrengen, nu ‘overspelig gras’ beslag legt op de Nederlandse akker.

De politieke en bestuurlijke claque van Nederland lijkt zich en masse tot het nominalisme te hebben bekeerd. We geven de dingen wel bepaalde namen, maar dat betekent nog niet dat die namen ook iets zeggen over de zaken die ermee worden aangeduid. We hebben het wel over Nederland en de Nederlander, maar die bestaan eigenlijk niet. De werkelijkheid achter die woorden is te diffuus en te divers om er een bepaalde essentie van te kunnen aanduiden.

In zo’n klimaat is het misschien goed weer eens opnieuw te beginnen. Door gewoon te kijken, en zo weer wat realisme aan te leren. Door kaarten en plaatjes te bestuderen die een lange wordingsgeschiedenis in beeld brengen, en daarmee een gelaagdheid van de werkelijkheid die een onmiskenbaar karakter aan het licht brengt.

Een ideaal hulpmiddel is juist dezer dagen verschenen: de Bosatlas van Nederland.

Hij is fameus: de Grote Bosatlas. Iedereen kent hem van zijn middelbareschooltijd, met zijn kaarten van Nederland en de rest van de wereld, en een kleiner aantal thematische kaarten die informatie bieden over zaken als bodemgesteldheid en grondgebruik. Sinds 1877 verschenen 53 edities van dit monument. De laatste kwam begin dit jaar uit. Maar nu ligt er al weer een nieuwe atlas, twee stoeptegels groot, bijna vijf kilo zwaar, 560 pagina’s dik, gebonden en gestoken in een cassette: de Bosatlas van Nederland. Het buitenland doet niet mee in deze atlas. Hij gaat alleen over Nederland.

Premier Balkenende heeft het eerste exemplaar vorige week in ontvangst genomen, in het Haagse theater Diligentia. Hij ontboezemde daar, volgens de krantenberichten, dat hij een atlas het liefst open legt bij de kaart van Nederland, of preciezer: Zuid-Beveland, de streek waar hij zelf vandaan komt. Het bestuderen van zijn eigen geboortegrond, van de wording ervan, noemde hij een ‘eindeloos avontuur’. Als jochie had hij zijn eerste ‘Google Earth-ervaring’ door weg te dromen boven een atlas.
Zoveel lijkt mij wel duidelijk: als er al een ANWB-paddestoel in de tuin van Balkenende staat, wijst die, anders dan bij Máxima, niet de hele wereld rond, maar heeft hij slechts één pijl die steevast staat afgesteld op Zeeland, op het dorpje Kapelle-Biezelinge. Balkenende lijkt mij iemand die weet waar hij vandaan komt.

Deze nieuwe Bosatlas is een feest, voor iedere liefhebber van het Nederlandse landschap en de wording daarvan, de Nederlandse geschiedenis, bevolking en manier van leven. De eigenlijke typografische kaarten beslaan slechts 23 van de 560 pagina’s; de rest van de ruimte wordt in beslag genomen door thematische kaarten, prachtige luchtfoto’s van Karel Tomeï, en grafieken over de ontstaansgeschiedenis van Nederland en zijn (cultuur-)landschap, zijn staatsinrichting, zijn economie, cultuur en welzijn. De makers heeft niets minder voor ogen gestaan dan ‘een zo compleet en veelzijdig mogelijk beeld’ van alles ‘wat in Nederland speelt’.

Die taak en de uitvoering daarvan voorziet in uren- zo niet dagenlang blader- en leesplezier. Een kaart van de Nederlandse kust brengt bijvoorbeeld alle vuurtorens in beeld, met hun namen en ‘zichtbaarheidsgrens’. De kaart ernaast legt tot op het kleinste bootje uit hoe ons reddingswezen te water eruit ziet. Maar de atlas biedt ook informatie over dialecten en de routes van de Elfstedentocht, de Nijmeegse Vierdaagse en de Amstel Gold Race. We kunnen nu weten waar in Nederland zich de ziekenhuizen, voedselbanken en asielzoekerscentra bevinden, waar de trouwste voetbalsupporters, de meest verstokte rokers en de grootste innemers wonen, waar we bij de boer kunnen kamperen en waar de meeste fietsen worden gestolen. We kennen nu ook precies de carnavalsnamen van de Brabantste steden, en kunnen die via een apart register opzoeken. Maar we kunnen ook zien hoe het Nederlandse wegen- en spoorwegennet zich heeft ontwikkeld, van het lijntje Amsterdam-Haarlem in 1839 tot de wirwar aan lijnen nu.

Maar het mooist, wat mij betreft, zijn die gedeelten uit de atlas die het ontstaan van Nederland in kaart brengen. De gelaagdheid van het landschap wordt als vanzelf een metafoor voor de complexe lagen in de eigen geschiedenis. Als we in Nederland weer op zoek zijn naar binding, in de zin van een beleving van gemeenschappelijkheid, dan richt die zich niet alleen op een gezamenlijke taal en een gemeenschappelijk verleden, maar ook op de bodem, op een gemeenschappelijk territorium. De meeste bewoners van de Lage Landen bij de zee zijn door taal, huwelijk en werk aan een bepaalde streek gebonden. Veel mensen sterven in de buurt van het geboortehuis van hun ouders. Dat feit weerspiegelt zich op een prachtige landstrekenkaart in deze atlas (p. 203), een lappendeken ‘die in de hoofden van mensen het land afdekt’ en waarin echo’s uit de vroege Middeleeuwen en zelfs de Germaanse geschiedenis doorklinken.

De canoncommissie van Frits van Oostrom stelde niet voor niets dat kennis en begrip ‘van hoe dit land zich heeft ontwikkeld’ een belangrijk ‘leerdoel’ behoort te zijn, omdat het alle Nederlanders een vast referentiekader verschaft.

Deze atlas roept als vanzelf associaties op met de poëzie van Ida Gerhardt, dochter van Gorcum en Zutphen. In haar bundel De Ravenveer staat onder de Verzen van Holland onder andere het gedicht ‘Het erfgoed’:

Vooroudertrots: goed ingeklonken land.
Ik heb een aard die ingeklonken is
en uitverweerd. Waarin gezonken is
tot zware grond een laag van tegenstand.


Hoe die lagen zijn ontstaan en aanwezig blijven, laat deze atlas prachtig zien. En misschien doet het ook wel iets vermoeden van het vuur dat daarin verborgen kan liggen:

Vuur schuilt in stenen, van de schepping af.
Het slaapt totdat het wakker wordt getart.


De atlas laat natuurlijk ook zien hoe snel en radicaal Nederland de afgelopen decennia van aanzien is veranderd. Door de bevolkingstoename, de groei van steden, dorpen en het verkeer, de woeste secularisatie, en door de immigratie van de afgelopen jaren. Door een lichtzinnige politiek (‘Een vreemd overspelig gras / legt op de akkers beslag’, om Gerhardt nog één keer te citeren), door het ontwortelde nominalisme van onze elite, hebben wij de banden met ons eigen land, taal, geschiedenis en cultuur hooghartig verwaarloosd.

Maar, zegt dan Ahmed Aboutaleb (in een interview met het Reformatorisch Dagblad van afgelopen zaterdag): ‘Als je historische wortels hebt in Nederland kun je zeggen: ik heb de Nederlandse identiteit. Maar mensen zoals Máxima en ik kunnen niet terugvallen op een historische band met de bodem van dit land. Als je dan zegt: je hebt óf de Nederlandse identiteit óf niets, ontneem je ons de mogelijkheid om ons na verloop van tijd met Nederland te kunnen identificeren. En ik kan u zeggen: Ik ben hier weliswaar niet geboren, maar ik identificeer mij voor honderd procent met dit land. Dat moet je me niet willen afnemen’.

En gelijk heeft hij. Het is daarom jammer dat de politieke en staatkundige geschiedenis van Nederland heel feitelijk en opsommerig is gehouden, en het woord ‘grondwet’ in dat relaas niet één keer valt. Een verhaal over de strijd die op dit territorium is gevoerd voor klassieke rechten en vrijheden die in onze Grondwet gebeiteld staan (alhoewel daar sinds 1983 ook heel wat ‘overspelig gras’ in terecht is gekomen), had niet mogen ontbreken – als laatste punt van binding en referentie in dit land dat heeft geleerd dat diversiteit niet onbegrensd kan zijn.

Desondanks lijkt het mij goed om iedereen die voor zijn inburgeringscursus slaagt en een Nederlands paspoort verstrekt krijgt, dit boek cadeau te doen.

N.a.v. , De Bosatlas van Nederland
Wolters-Noordhoff € 99,95 (na 31 december € 129,95)

*) Een versie van deze recensie te verschijnen in HP/De Tijd.

11.10.07

Een tevreden natie vergt onderhoud

In vervolg op mijn recensie van het boek van Paul Scheffer (Land van aankomst), staat deze week in het nieuwste nummer van Opinio een keuze uit een belangrijk essay van de historicus Johan Huizinga (Nederland's geestesmerk) over de Nederlandse identiteit. Als inleiding op Huizinga's tekst schreef ik onderstaand artikel, waarin ik de inhoud van die tekst in verband breng met het boek van Scheffer en met de recente uitlatingen van Máxima, Ella Vogelaar en Ruud Lubbers.

Het vergt inspanning om een ontspannen natie te blijven, en tot die inspanning behoort de ontwikkeling van ‘een zeker idee van Nederland’ – ook al wil een groot deel van de Nederlandse politieke en bestuurlijke elite ons doen geloven dat de Nederlandse identiteit niet bestaat.

Bij deze bepaling van de contouren van onze identiteit kan een oudere tekst uit de canon van de Nederlandse geschiedenis – Nederlands geestesmerk (1934) van Johan Huizinga - nog altijd goede diensten bewijzen. Dat vindt ook Paul Scheffer, auteur van het recent verschenen boek Het land van aankomst, dat over immigratie en integratie handelt en over het belang van een ‘nieuwe samenhang van eigenheid en openheid’.

Na de inleiding op deze pagina volgt op de volgende drie pagina’s een weergave van de kernpassages uit Huizinga’s toespraak.

Bestaat de Nederlander wel degelijk, omdat iedereen in de wereld hem herkent aan zijn rijkdom aan initiatieven, zijn individualisme, zijn energieke gedrag en zijn gierigheid?

Dat zei oud-premier Lubbers in een debat met Paul Scheffer over diens nieuwe boek Het land van aankomst, afgelopen zondag in de Rode Hoed in Amsterdam. Lubbers reageerde daarmee op de inmiddels beruchte uitspraken van prinses Máxima, die vanuit haar bevoorrechte positie een belijdenis van haar wereldburgerschap aflegde en daarbij benadrukte dat de Nederlander niet bestaat, alhoewel zij zeven jaar lang haar best had gedaan hem te vinden.

Máxima sprak deze woorden, met ministeriële approbatie, bij de presentatie van een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die al net zo nadrukkelijk afstand nam van een eigen duidelijke identiteit en een onverholen pleidooi voor het multiculturele ideaal ten beste gaf.

De uitlatingen van Máxima en de standpuntbepaling van de WRR volgden op uitspraken van minister Vogelaar van ‘krachtwijken’, die in een interview met Trouw het perspectief van een toekomstige ‘joods-christelijk-islamitische cultuur’ heeft geschetst, zonder daarbij de indruk te wekken dat zij zich het problematische van die woordcombinatie bewust was, of zelfs maar te doen vermoeden dat zij wist wat die woorden zo ongeveer betekenden.

De woorden van Vogelaar, de speech van Máxima en het WRR-rapport zijn door velen als provocerend ervaren, en hebben een storm aan reacties ontketend. ‘Goedbedoelende politici die tolerant willen zijn, maken de kloof in Nederland alleen maar groter’, zei bijvoorbeeld Paul Scheffer, gezeten onder een werk van de figuratieve schilder Rudolf Hagenaar, in een interview met de GPD-bladen. ‘We zijn allemaal wereldburgers, hield Máxima ons in een toespraak voor. Zij voelt zich overal thuis, identificeert zich niet met één land, en zet mensen die dat wel doen weg als kleinburgers. Dat is ontzettend hooghartig. Dan ga je voorbij aan de gevoelens van heel veel mensen. (…) Máxima slaat behoorlijk de plank mis als ze ontkent dat Nederland een samenleving is met een herkenbare geschiedenis.’

Zoveel is inmiddels wel duidelijk: de instroom van vele immigranten gedurende de afgelopen decennia en de grote moeilijkheden met hun integratie in de Nederlandse samenleving, hebben de noodzaak van zelfonderzoek aangetoond. De tijd van het gepronk met onze eigen, eindeloze zelfrelativering is voorgoed voorbij. De vraag wie wij zijn, wat onze identiteit is, en hoe wij in de nieuwe verhoudingen die door de massa-immigratie zijn ontstaan, het open karakter van onze democratische rechtsstaat kunnen bewaken, is onontkoombaar aan de orde gesteld. Aanvankelijk leidt migratie altijd en overal tot een houding van vermijden en afweren, gevolgd door een fase van confrontatie en conflict. In die fase zitten we nu – n’en déplaise onze Grote Restaurateurs - en we willen de vorm en inhoud van het nieuwe evenwicht dat door accommodatie zal ontstaan, niet aan het lot of het toeval of de onvermijdelijkheid overlaten, maar daar graag iets over te zeggen hebben.

Nu iedereen het weer over het belang van taal, geschiedenis en cultuur heeft, en er her en der nieuwe canons worden geformuleerd, is het een goede gedachte eens te rade te gaan bij een historicus die zonder twijfel deel uitmaakt van die nationale canon: Johan Huizinga (1872-1945). Het voordeel van die oriëntatie is dat we daarmee het niveau van de trivialiteiten en onbenulligheden waarmee het debat over onze culturele identiteit is belast, kunnen overstijgen. Al te vaak wordt dat debat gevoerd alsof het over onze eet- en kledinggewoonten zou gaan, over spruitjes en klompen versus couscous en kaftan, of over toevallige eigenschappen als ‘initiatiefrijk, individualistisch, energiek, gierig’ (Lubbers). Huizinga heeft op 9 mei 1934, op de openingsdag van een conferentie over ‘Volkseenheid’ in het conferentieoord Woudschoten te Zeist, een toespraak over Nederlands geestesmerk gehouden. Datzelfde jaar nog verscheen de lezing als pamflet, waarvan hij de belangrijkste thema’s een jaar later in het zo beroemd geworden boek In de schaduwen van morgen zou uitwerken. Huizinga onderscheidt zich vooral ‘van menige contemporaine en hedendaagse beschouwer van de nationale identiteit, doordat hij zich uitsluitend richtte op geestelijke waarden en niet op triviale onderwerpen als eetgewoonten of vrijetijdsbesteding’ (Anton van der Lem).

Het belang van deze tekst van Huizinga is ook door Paul Scheffer onderstreept. Omdat onze nationale geschiedenis betrekkelijk harmonieus is verlopen, en een lange vreedzame traditie kent, zijn wij een ‘tevreden natie’, met een ‘ontspannen zelfbeeld’. Die geschiedenis is, aldus Huizinga, ‘niet onze verdienste, maar een goedgunstig lot, [waardoor] wij voor de oorzaken en voor de gevolgen [van hevig nationalisme] gespaard bleven.’ Dat ontspannen zelfbeeld loopt echter gemakkelijk over in ‘zelfbedrog’, aldus Scheffer. Dat zelfbedrog blijkt onder meer uit de luchthartige, zo niet minachtende manier waarop wij het belang van onze eigen taal weg relativeren. Tegen die houding brengt Scheffer het volgende citaat van Huizinga in stelling: ‘De mogelijkheid tot een gelijkmatige verwerking van verschillende vreemde culturen berust bovenal op ons bezit van een eigen taal. Zij moge ons belemmeren in het doordringen met ons woord tot de wereld, zij houdt ons onpartijdig, zij geeft ons een eigen spiegel, om het vreemde in op te vangen’.

Deze passage klinkt ons – ruim zeventig jaar na dato - misschien wat ‘rooskleurig’ in de oren, merkt Scheffer op, zoals ook het eerdere citaat waarin Huizinga zegt dat wij voor hevige nationalistische gevoelens gespaard zijn gebleven. Daarom is het goed te herinneren aan een derde citaat, waarin Huizinga ons oproept tot de plicht om een ontspannen natie te blijven. In de woorden van Scheffer komt dat neer op het zoeken naar een ‘nieuwe samenhang van eigenheid en openheid’. Wanneer al te grote openheid en tolerantie in onverschilligheid ontaarden, en in een ontspannen samenleving als de onze gebeurt dat gemakkelijk, doen we er volgens Scheffer goed aan de volgende woorden van Huizinga niet te vergeten: ‘Hoe verachtelijk het ook voor ieder, die zich vurig en moedig voelt, moge klinken, als natie en staat zijn wij nu eenmaal in zekeren zin satisfait [tevreden – red.], en het is onze nationale plicht het te blijven.’ Scheffers commentaar bij deze zin luidt: ‘In die woorden ligt historische ervaring en wijsheid besloten, vooral het inzicht dat de ontspanning om een inspanning vraagt. De tevreden natie vergt voortdurend onderhoud en kan nooit als een gegeven worden gezien. We hebben teveel gedacht onkwetsbaar te zijn.’ Dit cruciale citaat keert in verhulde vorm terug in de slotzin van het boek van Scheffer.

Om die kwetsbaarheid te veranderen in kracht en weerbaarheid, is, aldus, Scheffer, ‘een zeker idee van Nederland’ nodig. En de tekst van Huizinga kan een eerste belangrijke leidraad bij de zoektocht naar dat idee zijn.

4.10.07

Het Land van Aankomst

Paul Scheffer heeft een belangrijk boek over immigratie geschreven. Nu is de politiek aan zet.

Ayaan Hirsi Ali ontstak eens in woede tijdens een gesprek dat zij jaren geleden had met Paul Scheffer, de beroemde publicist, auteur van het invloedrijke artikel over ‘Het multiculturele drama’, geleerd hoogleraar aan de universiteit van Amsterdam. ‘Ik bedoel het niet persoonlijk’, zo zei ze, ‘maar je kiest altijd de veilige kant, de afstand. Stukken schrijven, college geven, en maar kankeren op het parlement, onze meest vitale institutie die in verval is geraakt. Maar zelf echt iets doen, nee, aan de zijlijn staan roepen. Een risico nemen, daar zijn jullie niet erg goed in’.
Scheffer liet zich deze oproep om zijn rol als buitenstaander met vrijblijvende beschouwingen in te ruilen voor die van de politicus, niet aanleunen. Minstens net zo woedend antwoordde hij: ‘Hoezo jullie, kunnen we het persoonlijk houden? En wie bepaalt hier eigenlijk wat het centrum is en wat de zijlijn? Er zijn zoveel manieren om verantwoordelijkheid te dragen. Schrijven is dat misschien wel bij uitstek, omdat je zelf altijd de zwakste schakel bent, je nooit achter een ander kunt verschuilen.’
Wie schrijft, neemt allerminst een positie langs de zijlijn in. Ook de publicist neemt zijn verantwoordelijkheid, net als de politicus, en doet dat evenmin zonder risico’s. Hij kan zich achter niets of niemand verschuilen, is eenzaam en kwetsbaar, is geen ‘jullie’ maar een ‘jij’.

Maar of die positie die onmiskenbaar bij Paul Scheffer hoort, waar is en overtuigt, hangt op z’n minst van nog twee andere zaken af. Dat wat hij schrijft, moet er wel toe doen. En zijn product moet ook voor de ‘jullies’ in het centrum van de politieke macht onontkoombaar zijn – zoals zijn essay over het multiculturele drama dat was, waar maanden na verschijning een heus kamerdebat aan is gewijd.

Na de publicatie van dat essay, in de NRC van 29 januari 2000, heeft Scheffer naar eigen zeggen ‘een rauwe en ontroerende ontdekkingsreis in eigen land’ ondernomen, ‘zeg maar gerust een inburgeringscursus om van te dromen’. Hij bleef lezen en schrijven, hield lezingen en nam deel aan debatten. De lessen van die ontdekkingsreis door multicultureel Nederland zijn neergeslagen in een boek dat deze week verschijnt: Het land van aankomst, een studie van bijna 500 pagina’s over ‘hete’ onderwerpen als immigratie en identiteit, weerbaarheid en integratie, tolerantie en openheid, Europa en het kosmopolitisme, Amerika en de islam, en de grote dilemma’s waarmee Nederland nu worstelt. Het is een rijk en leerzaam boek; leerzaam bijvoorbeeld in de bespreking van de antropologie van Franz Boas, die als grote verdienste heeft dat het het racisme van zijn wetenschappelijke voetstuk heeft gestoten, maar ook een cultuurrelativisme heeft helpen ontwikkelen dat de mogelijkheid van vooruitgang verwerpt omdat er nu eenmaal geen hoger en lager is.

Dit boek van Scheffer doet ertoe. Het houdt zich verre van het zoveelste feestje dat de Grote Restaurateurs dezer dagen voor het multiculturalisme organiseren, en verliest zich evenmin in vaagheden over diversiteit en onbepaalde identiteiten die politici en leden van het Koninklijk Huis tegenwoordig weer uitstoten. De pijn van de straat en de wijk klinken door in dit boek. Een schrijver verdraagt blijkbaar meer werkelijkheid dan een politicus. Scheffer, bewoner van De Pijp, versus de pleitbezorgers van de multiculturele samenleving ‘die niet in de wijken woonden waar de migranten zich vestigden’.

Het boek doet ertoe omdat Scheffer onomwonden vaststelt dat de intocht van honderdduizenden migranten geen samenleving heeft voortgebracht die aangenamer is dan de samenleving die Nederland daarvoor was – alle lofzangen op de verrijking van de nieuwe veelkleurigheid ten spijt. ‘Het land is momenteel van steeds minder mensen, het dreigt aan iedereen te ontglippen’, aldus Scheffer. ‘Het gevoel dringt zich op dat de hedendaagse migratie en de reacties die zij heeft opgeroepen, de samenleving vooralsnog niet vooruit hebben geholpen. En dat gevoel laat zich niet kalmeren: in eigen land, maar ook in de ons omringende landen, staande verdraagzaamheid en de vrijheid onder druk’.

Om weer grip te krijgen op dit land na zoveel ‘ingrijpende en kwetsbare veranderingen’ is het in de eerste plaats nodig om dicht op de huid van de werkelijkheid te gaan zitten, en alle sussende clichés terzijde te schuiven. Een van de meest verlammende clichés is de strijk-en-zet gedane uitspraak dat Nederland altijd een immigratieland is geweest en dat dat feit juist aan onze welvaart en creativiteit ten grondslag ligt. Het staat in het WRR-rapport van vorige week, het klinkt door in de toespraak van prinses Máxima bij de presentatie van dat rapport.
Scheffer laat duidelijk zien dat er ‘aanzienlijke verschillen’ tussen de oude en de nieuwe migratie bestaan. Nieuw is de hoge werkloosheid onder de nieuwe migrantengemeenschappen in West-Europa. Dat feit leidt tot ‘principiële vragen over de inrichting van onze verzorgingsstaat’. Het vangnet van de verzorgingsstaat ‘lokt ook onmaatschappelijk gedrag uit’.

Een tweede verschil tussen de oude en de nieuwe migratie is dat de bindingen met het land van herkomst tegenwoordig zoveel sterker zijn dankzij de moderne communicatiemiddelen en de toegenomen mogelijkheden om tegen geringe kosten te reizen. Dat feit levert een bijdrage aan het ontstaan van gesloten gemeenschappen, en leidt daarmee ‘tot een aantasting van een democratische cultuur’.

En wat, ten derde, ook nieuw is, is de islam. ‘Voor een religie die altijd een meerderheidspositie of een monopolie heeft gehad in de landen van herkomst betekent de rol als religieuze minderheid dat de geloofspraktijk opnieuw vorm moet krijgen in heel andere omstandigheden […] Wil de islam deel uit gaan maken van de liberale samenleving, dan moet de religie zich losmaken van de cultuur van de landen van herkomst’. Of de islam een plaats zal gaan vinden in de westerse wereld, is nog geen uitgemaakte zaak. Scheffer citeert opnieuw Ayaan Hirsi Ali, en zij zegt dat ‘de zuivere islam’ en een liberale democratie onverenigbaar zijn. ‘Misschien moeten we later wel vaststellen dat ze gelijk heeft gekregen, maar welk doel zou ermee gediend kunnen zijn om nu al zo’n ontwikkeling uit te sluiten?’

Een sterk punt van dit boek is ook dat de auteur begrip toont voor de afwerende reactie van gewone Nederlanders op de immigratie. ‘Afsluiting als middel om een sociaal evenwicht te herstellen moeten we volledig serieus nemen’. Die afsluiting is vaak een ‘laatste verweer’, dat altijd als nostalgie wordt gehekeld maar in feite een poging is om de gang van het dagelijkse leven weer zelf te gaan bepalen.

De nieuwe immigratie, en de gevolgen daarvan op het terrein van de economie, het sociale leven, de criminaliteit en het onderwijs, heeft volgens Scheffer ‘een nieuwe sociale kwestie’ geschapen . Die kwestie moet wel worden gesteld, en als dit boek daarvoor nodig is, dan is het dus maar goed dat Scheffer vanuit het perspectief van Ayaan Hirsi Ali aan de zijlijn is blijven staan.

Maar nu is de politiek aan zet. Scheffer is op zoek naar een nieuwe verbinding tussen openheid en afsluiting, en iedereen zou hem daarin moeten volgen. Dit boek kan zelfs uitgroeien tot een gids naar een nieuwe consensus, waar iedereen na jaren van verhitte debatten en polarisatie naar op zoek is. De groep die wel als neocons wordt aangeduid, zou van dit boek kunnen leren dat je over geloof en religie niet alleen in abstracte en absolute termen moet spreken, maar vooral ook heel concreet, door het te situeren in gemeenschappen en te zien wat daar de gevolgen van die religie zijn.
De PvdA zou met behulp van dit boek een ondubbelzinnige houding tegenover het migratievraagstuk kunnen vinden en door een overwinning op het verlammende relativisme een nieuwe bijdrage aan de vooruitgang kunnen leveren. Maar als zij deze nieuwe sociale kwestie niet willen stellen, en de aanwezigheid en de toon van Wilders als excuus willen aangrijpen om van de problemen weg te blijven kijken en het debat slechts in zalvende en daarmee ontoereikende woorden te voeren, zal dit boek geen gids naar een nieuwe consensus maar een splijtzwam blijken.

N.a.v. Paul Scheffer, Het land van aankomst, De Bezige Bij € 27,50.

*) Deze recensie is ook verschenen in HP/De Tijd

28.9.07

Politiek in tijden van verwarring

Tjibbe Joustra, de man die in Nederland aan het hoofd staat van de terrorismebestrijding, zei begin deze week in een interview met het Algemeen Dagblad dat de ‘radicale uitspraken’ van sommigen in het islamdebat zeer gevaarlijk zijn. Ze kunnen ‘mensen die op de rand van geweld staan, het laatste duwtje geven’. De harde toon van islamcritici is dus de oorzaak van gewelddadig extremisme onder moslims. Die critici moeten daarom wat beter gaan nadenken over wat zij zeggen.

We hebben het hier dus over een hoge ambtenaar die via de media vertelt wat bijvoorbeeld een gekozen volksvertegenwoordiger mag en kan zeggen. Dat is al opmerkelijk. Als een criticus van de islam slachtoffer van geweld wordt, heeft hij dat vooral aan zichzelf te danken.

Maar nog opmerkelijker is een andere omkering van oorzaak en gevolg. In de woorden van Joustra klinkt op geen enkele manier door dat de scherpe kritiek op de islam wel eens kan zijn ingegeven door de manier waarop moslims zich hebben uitgelaten of gedragen; dat er in Nederland als gevolg van een zwakke culturele identiteit en een verfijnde verzorgingsstaat een situatie is ontstaan waarin groepen nieuwkomers volledig afgescheiden van de samenleving een eigen leven leiden; dat die situatie een voortdurende bron van ressentiment is; dat dat ressentiment zich uit in geweld, criminaliteit, intimidaties en bedreigingen; en dat dat alles een terecht gevoel van onbehagen en onvrede heeft doen ontstaan dat velen niet meer achter de haag van hun tanden kunnen of willen houden.

Achter de woorden van Joustra gaat een hele wereld schuil: een wereld van bestuurlijke onzekerheid en verwarring in een tijd waarin nieuwe problemen aan de orde zijn waarvoor bestuurders helemaal niet zijn opgeleid, en van een late beslistheid om de ontstane gekte niet verder uit de hand te laten lopen. We zien dezer dagen veel leden van de bestuurlijke en politieke elite van Nederland op deze manier bezig, schijnbaar beslist en vastberaden, in uiterste pogingen de gepolariseerde samenleving tegen zichzelf in bescherming te nemen. Maar het probleem is dat ze precies het verkeerde doen, zoals Joustra precies het verkeerde zei.

Zo hield prinses Máxima begin deze week een voordracht in de Oude Zaal van de Tweede Kamer. Zij vertelde dat zij voor haar huis in Wassenaar een ANWB-paddenstoel heeft laten plaatsen die met de juiste richting en de afstand in kilometers de ‘coördinaten’ van haar leven geeft: Buenos Aires, New York, Brussel, Den Haag, Wassenaar. Die plaatsen laten zien hoe onbepaald haar ‘identiteit als Nederlandse’ is.

Waarmee ze maar gezegd wilde hebben dat ze onderdeel uitmaakt van een internationale, kosmopolitische klasse, en dat het denken en doen van die kaste de norm behoort te zijn.

Ze voegde daaraan toe dat gewone burgers – wier domein doorgaans beperkt is door het dagelijkse woon-werkverkeer en de eigen kring van familie en kennissen, ook al gaan ze één keer per jaar op vakantie naar de Spaanse zuidkust – niet moeten denken dat ze een identiteit hebben. Toen zij zelf, zeven jaar geleden, geholpen door ‘lieve en wijze deskundigen’, op zoek ging naar ‘de Nederlandse identiteit’, kwam ze er al snel achter dat die identiteit niet bestond, zoals ook ‘de Nederlander’ niet bestaat. Er is geen identiteit, er is slechts diversiteit, ontwikkeling en verandering, er zijn slechts open grenzen en ‘verschillende loyaliteiten’.

Deze uitspraken, die op een beledigende manier banaal zijn, deed de model­allochtone prinses bij de presentatie van een rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), een door de PvdA gedomineerd maar door alle belastingbetalers gefinancierd instituut voor staatswetenschap aan de Haagse Vijverberg. Dat rapport over Identificatie met Nederland was inhoudelijk al even treurig als de speech van Máxima en een eerder WRR-rapport over Islamitisch activisme.

Het nieuwe rapport weet niet duidelijk te maken waarin nieuwkomers in Nederland zouden moeten integreren. Omdat zoiets als een Nederlandse identiteit nu eenmaal niet bestaat, moeten immigranten gewoon zichzelf kunnen blijven. En om dat te faciliteren moet het wettelijk mogelijk worden om naast de Nederlandse ook andere nationaliteiten te behouden. Het eerdere rapport bepleitte onderhandelingen met islamitische terroristen. Beide rapporten zijn verschenen ter gelegenheid van het afscheid van de WRR van twee PvdA’ers.

Het wetenschappelijk niveau van het rapport over Identificatie met Nederland is bedroevend. Zo schrijft de WRR (op pagina 31): “In Nederland hebben migratiehistorici overtuigend aangetoond dat de Nederlandse Gouden Eeuw voor een groot deel gebouwd is op een fundament van immigratie en op snelgroeiende en multiculturele steden.” Niets is minder waar. Erika Kuijpers heeft in haar boek Migrantenstad uit 2005 duidelijk gemaakt dat we eigenlijk maar weinig weten over het leven in zeventiende-eeuws Amsterdam. We weten wel iets over de maatschappelijke bovenlaag, maar zo goed als niets over de ‘ontelbaren’ en ‘onzichtbaren’ die als volksverhuizers Amsterdam tot immigratiestad maakten. We weten slechts bij benadering hoeveel het er waren, en van hun leven weten we nog minder.

En zelfs als het waar zou zijn, zelfs wanneer immigratie en ‘multiculturele’ steden de zeventiende eeuw tot een Gouden Eeuw hebben gemaakt, dan nog is daarmee niets gezegd. De nieuwe, naoorlogse immigratie van vooral moslims uit plattelands­streken verschilt op belangrijke punten van de oude: de islam is nieuw in de westerse wereld, veel migranten zijn afhankelijk van de verzorgingsstaat, en hun binding met het land van herkomst is dankzij moderne communicatiemiddelen veel sterker dan voorheen.

Het voorstel om een diversiteit aan identiteiten via het behoud van meerdere nationaliteiten mogelijk te maken, is al evenmin goed onderbouwd. Om te beginnen is zo’n voorstel wel hip kosmopolitisch, maar de lol gaat er onmiddellijk af wanneer we ons realiseren dat de dubbele nationaliteit van veel Nederlandse allochtonen allerminst op een vrije keuze berust. De dubbele nationaliteit van Marokkanen is niet vrijwillig, maar berust op een besluit van de Marokkaanse koning om greep te houden op de migrantengemeenschappen in Europa, van hun economische bijdragen te profiteren en via hen de Marokkaanse belangen in het gastland te behartigen. Daar is niets fijn kosmopolitisch aan.

Dat ook Nederlandse politici twee paspoorten kunnen hebben, is een nog slechter idee. Wie een dubbele nationaliteit heeft, is immers onderdaan van meerdere soevereine staten en van meerdere rechtssystemen, wat tot een botsing van plichten en een beperking van individuele vrijheid kan leiden, zoals de Maastrichtse hoogleraar staatsrecht Twan Tak in een interview met Opinio heeft uitgelegd.

Met dit rapport en met de speech van Máxima verspreidt de WRR doelbewust een lofzang op het multiculturalisme. Máxima vertelde ook nog dat zij en Willem-Alexander een bezoek brachten aan een koranschool in Marrakesh, waar Marokkaanse Nederlanders hen ‘wegwijs in de ideeën en gebruiken’ maakten. Wat volgde, was niet een discussie over de verenigbaarheid van de ‘ideeën en gebruiken’ van een koranschool met het leven in een moderne democratie, maar slechts de vaststelling dat het zo ‘geweldig’ is om ‘in twee culturen thuis te zijn’. “Ik was enorm trots op hen,” aldus Máxima.

Rapport en speech bieden met dit alles steun aan het nieuwe beleid van minister Vogelaar van Wijken en Integratie, die is gaan reppen van een joods-christelijk-
islamitische cultuur als wenkend perspectief, en die op haar begroting miljoenen uittrekt om jongeren positiever over de islam te laten denken.

Bestuurders en politici leggen er wel vaker getuigenis van af dat zij met de beste bedoelingen precies het verkeerde doen. Dat is ook hier het geval. Om de opgelopen spanningen in de Nederlandse samenleving te kalmeren en ons land te pacificeren, kiezen zij ervoor om de Nederlandse burger vooral duidelijk te maken dat zijn onbehagen en zorgen onterecht zijn. Daarom horen we niets over de grenzen aan de diversiteit, niets over het belang van gedeelde vormen en het herstel van een bezielend verband. Er is van dat alles niets meer over, het komt ook nooit meer terug (dat is maar nostalgie), en als we dat nu maar allemaal accepteren, komt het wel goed. Dat is zo ongeveer de boodschap, ons ‘gemeenschappelijke doel’, zoals Máxima zei.

Dat Máxima als lid van het Koninklijk Huis voor de verbreiding van het multiculturele ideaal wordt ingezet en daarmee een duidelijke politieke positie inneemt, is opmerkelijk. De huidige minister-president, Balkenende, publiceerde in 2002 enkele lezingen in een boek met de titel Anders en beter. In het hoofdstuk over de multiculturele samenleving nam hij nadrukkelijk afstand van dat ideaal. Zo’n samenleving is niet iets wat we ‘moeten willen’.

De inzet van Máxima is dus een actieve politieke interventie door de Oranjes zelf. En die interventie bestaat in een eenzijdige keuze voor de Nederlandse regerende klasse (en dat terwijl de historische rol van de Oranjes altijd in de bescherming van de bevolking tegen de regenten heeft bestaan) en voor het multiculturele ideaal dat de Oranjes en de hedendaagse regenten met elkaar delen. Dat bleek al in november 2004, toen zowel een zwabberende Balkenende als Beatrix geen contact met de familie van de vermoorde Theo van Gogh legde, maar wel islamitische scholen, buurtcentra en moskeeën bezocht. De pacificatie van de angstaanjagende allochtone horden in de volkswijken is belangrijker dan het eigen volk, zo is blijkbaar de gedachte, want dat volk is toch stom genoeg om op Prinsjesdag weer naar de Gouden Koets te gaan staan zwaaien.

Die interventie van politieke elite en monarchie in de huidige politieke en maatschappelijke verwikkelingen blijft niet tot het debat over nationale identiteit en multiculturalisme beperkt. De tussenkomst strekt zich ook uit tot het debat over de Europese Unie en de vraag of er een tweede referendum moet komen over de (licht) aangepaste verdragstekst. Zo is bekend geworden dat de regering (koningin en ministers) het zogeheten contraseign (de handtekening ter bekrachtiging van een wet) zouden hebben onthouden aan een wetsvoorstel om een referendum te houden, ook als dat voorstel door de Eerste en de Tweede Kamer was aangenomen (de Volkskrant van 22 september). Elk initiatief werd daarmee dus bij voorbaat door een veto van het staatshoofd en de ministers getroffen, ook al had de volksvertegenwoordiging anders gewild. Het kabinetsbesluit om een referendum te torpederen volgde op een advies van de Raad van State, die stelde dat een referendum niet nodig is omdat het nieuwe verdrag geen grondwettelijke aspecten meer heeft. De koningin is voorzitter van de Raad, en het advies bevat (in noot 12) een verwijzing naar een enthousiaste opmerking van de koningin over Europese samenwerking. (Waarbij zij overigens ook, maar dat terzijde, het belang van een ‘zelfbewuste eigen identiteit’ benadrukte.) De redenen die de Raad aanvoert om een ‘kenmerkend onderscheid’ tussen het oorspronkelijke Grondwetsverdrag en het huidige Hervormingsverdrag aan te brengen, en daarmee een volksraadpleging te omzeilen, vormen een ‘kronkelredenering die niemand zal overtuigen, maar die door het kabinet dankbaar wordt aangegrepen’ (Hans Wansink in de Volkskrant van 25 september). Ook het nieuwe verdrag past, volgens de Raad zelf, in ‘de constitutionele ontwikkeling van de Europese Unie’, maar omdat enkele symbolen (zoals een Europees volkslied en een Europese vlag) zijn geschrapt, ziet de Raad opeens geen reden meer om de bevolking nog te raadplegen over een verdrag dat belangrijke rechten naar Brussel overhevelt en waarover burgers dus iets te zeggen zouden willen hebben.

Het enthousiasme van de koningin voor de Europese Unie en haar behoefte aan propaganda van het ideaal van Europese eenwording, blijkt ook uit het boekje dat uitgeverij De Bezige Bij volgende maand uitbrengt (Paleis Europa). Dat boekje biedt een bundeling van de gesprekken die op paleis Noordeinde over het ‘politiek instituut’ Europa zijn gevoerd. Onder leiding van Geert Mak, onze hogepriester van het multiculturele en Europese denken. De koningin zelf heeft voor dit boekje een voorbeschouwing geschreven.

Ook hier kunnen de goede bedoelingen van bestuurders en politici – namelijk hun verlangen om de maatschappelijke onvrede geen uitlaatklep te geven in een referendum dat tot een tweede ‘nee’ en daarmee tot een diepe crisis zal leiden – gemakkelijk omslaan in het tegendeel van wat zij bedoelen. De verontwaardiging van burgers over hun uitsluiting bij de besluitvorming over de constitutionele toekomst van hun land, alsof hun mening bij voorbaat triviaal is, zal de crisis die men wil voorkomen vooral verdiepen.

Beide interventies laten slechts één conclusie toe. Zij zijn niet alleen gericht op een herstel van de verhoudingen zoals die in Nederland bestonden voordat Pim Fortuyn het onbehagen in de samenleving benoemde en daar een stem aan gaf, maar ook zijn ze zo vastberaden georkestreerd dat het beter is om van revanchisme dan van restauratie te spreken. De regenten in het politieke centrum en het koningshuis spannen samen om het ideaal van de multiculturele samenleving en van de Europese eenwording actief uit te dragen en alle verzet te smoren. De Nederlandse burger bestaat niet, mag zichzelf niet besturen, en als de volksvertegenwoordiging dat toch had gewild (maar de slappe knieën van de PvdA hebben dat genadiglijk voorkomen), dan was dat initiatief door een gezamenlijk veto van het staatshoofd en de regeringsleider getroffen. Die exclusieve keuze vóór een elitair kosmopolitisme en tégen de burger, en de welbewuste ontkenning en zelfs taboeïsering van de reële, alledaagse ervaringen van (steeds meer) gewone mensen, draagt een groot gevaar in zich. Want die burger wordt, anders dan de regenten, dagelijks geconfronteerd met de ravages die de idealen van de regenten in de steden en op de scholen hebben aangericht, en zij zoeken daarom hun toevlucht in een herstel van de eigen identiteit, gewoonten en gebruiken, en gedeelde vormen. Paul Scheffer citeert de socioloog Manuel Castells, auteur van belangrijke studies over migratiegeschiedenis, die deze situatie als volgt onder woorden heeft gebracht: “Tegenover elkaar staan een kosmopolitische klasse, die in dagelijkse verbinding staat met de gehele wereld, en een tribalisme van lokale gemeenschappen die zich terugtrekken in hun eigen ruimte als een laatste verweer tegen de macrokrachten die buiten hun greep hun leven bepalen.”

Als de legitimiteit van die eigen ruimte en van dat laatste verweer wordt ontkend, heeft de politieke en bestuurlijk elite van een land zich definitief van de eigen samenleving geïsoleerd en doet en zegt zij voortdurend precies de verkeerde dingen. Wat dan rest, is de nabije dreiging van een clash, die door de bevolking in naam van de republiek en de natiestaat zal worden uitgevochten.

*) Dit artikel is ook verschenen in Opinio.

27.9.07

Antiliberale christenen zijn te liberaal

Veel christenen zijn bezet met een anti-liberaal virus. Vermoedelijk is dat virus 170 jaar geleden al in hen geïnjecteerd, toen de liberale minister C. F. van Maanen opdracht gaf de Afgescheidenen te vervolgen. Anti-religieuze uitlatingen van rechts-liberale politici en opiniemakers doen vele christenen vermoeden dat een liberaal-seculiere staat die hen van hun vrijheden berooft, ook nu weer allerminst denkbeeldig is.

Ik denk dat die zorg terecht is. Voor het nieuwe opinieweekblad Opinio interviewde ik onlangs de Engelse historicus Jonathan Israel, een van de helden van sommige rechts-liberale politici en opiniemakers. Zijn betoog kwam er kort en goed op neer dat de waarden van de Verlichting gewoon waar zijn en daarom de grondslag moeten vormen van het culturele en politieke leven, en dat er daarom voor religieuze organisaties geen plaats meer mag zijn in het publieke leven.

Veel christenen trekken uit die zorg echter precies de verkeerde conclusie. Sterker nog, in hun verzet tegen het liberalisme nemen zij een van de meest karakteristieke en gevaarlijkste aspecten van het liberale denken over. Dat aspect is de gedachte dat we met alle groepen in een samenleving door middel van dialoog, contract en onderhandeling uiteindelijk vrede kunnen sluiten.

Inderdaad: in Nederland heeft die aanpak van overleg decennia lang (zeg: ten tijde van de verzuiling) tot goede resultaten geleid. Voor alle groepen was er een plekje onder de Nederlandse zon. Maar met de islam werkt die aanpak niet. En toch wil ds. Visscher van de Gereformeerde Gemeenten dat christenen met moslims gaan samenwerken om de vrijheid van onderwijs te behouden, wil de orthodoxe katholiek Robert Lemm dat christenen en moslims samen tegen het liberalisme ten strijde trekken, en wil prof. Schuurman dat christenen en ‘reformistische’ moslims het moderne westerse denken over techniek en economie gaan corrigeren.

Al deze pleidooien getuigen van een onthutsende naïveteit. Ik wil best geloven dat de geschiedenis nog niet in alle hevigheid in een plaats als Breukelen is teruggekeerd, maar het voorstel van prof. Schuurman, vorige week geuit in zijn afscheidsrede, geeft vooral blijk van een schuldige onwetendheid.

Christenen moeten helder blijven zien dat:

1. er een onoverbrugbare kloof tussen het christelijk en islamitisch geloof bestaat,
2. de duivel in de details verborgen gaat en dat ogenschijnlijke overeenstemming in waarden veelal slechts schijn is, en dat
3. de islam een collectieve cultuur representeert waarin niet overleg en vrede met de ander centraal staat, maar diens onderwerping (langs gewelddadige of politieke weg).

Omdat veel christenen dit niet meer inzien, maken ook zij zich aan de hand van de Visschers, Lemms en Schuurmannen schuldig aan de bevordering van een van de meest fatale ontwikkelingen die zich dezer dagen voltrekt: dat wij niet de moslims veranderen maar zij ons. Onze welwillendheid en inschikkelijkheid geeft hun de ruimte om te blijven die ze zijn.

In het huidige debat staan christenen voor de taak om duidelijk te maken dat hun geloof vredelievend is en niet uit is op wereldlijke dominantie. En dat een rechtsstaat er niet is om iedereen moderne waarden op te dringen, maar een geheel van spelregels en procedures biedt om met verschillen om te gaan. En dat voor een geloof (het islamitische) dat zich niet in een minderheidspositie kan schikken, binnen zo’n rechtsstaat geen plaats is.


*) Een iets ingekorte versie van dit artikel is verschenen in het Reformatorisch Dagblad.

26.9.07

Teken de Nationale Petitie

Laat uw stem horen. Teken de Nationale Petitie voor een referendum over het EU-Verdrag.

22.9.07

Interviewtje in de NRC

Ik sprak kort met NRC Handelsblad n.a.v. het nieuwe rapport van de WRR, waarin de Raad een lans breekt voor de multiculturele samenleving:

"Conservatief denker Bart Jan Spruyt voelde, toen hij kennis nam van de hoofdlijnen van het rapport, dezelfde woede opkomen als toen Ella Vogelaar haar uitspraken deed over de christelijk-joods-islamitische cultuur. „Weer wordt er relativerend gedaan over de nationale identiteit. De loyaliteit aan de kernwaarden van de westerse samenleving zou voorop moeten staan. Als politici, en nu de WRR, daar niet duidelijk over zijn, dan blijft er ruimte voor het onfatsoen van Geert Wilders.” ... Bart-Jan Spruyt ziet het WRR-pleidooi als onderdeel van een verlangen van de politieke elite, en ook van een groot deel van de media, naar de periode van vóór de moord op Pim Fortuyn in 2002. „Er is een stille hoop dat het Nederland van toen terugkeert. Maar dat zal nooit gebeuren.”

21.9.07

25 Jaar Integratiedebat

In de persoon van Rita Verdonk heeft zich opnieuw een politieke ondernemer op de rechterflank van het politieke spectrum gemeld. Zij positioneert zich tussen de VVD en de PVV van Geert Wilders, en probeert het electoraat te bedienen dat Janmaat, Fortuyn en Bolkestein eerder een stem hebben willen geven. De huidige discussies over immigratie en integratie, culturele identiteit, het Westen en de rest, hebben dus een lange voorgeschiedenis. Wat heeft
zich de afgelopen jaren eigenlijk afgespeeld op die rechterflank, wat is het karakter van de activiteiten van genoemde politici geweest, en wat zijn nu hun kansen op succes?


Ik heb Hans Janmaat één keer in mijn leven ontmoet. In de jaren negentig was ik politiek journalist, en in het kader van een serie portretten van lijsttrekkers, aan de vooravond van de verkiezingen van 1994, had ik belet gevraagd bij de leider van de Centrumdemocraten. De ontmoeting had plaats op een vrijdagmiddag, in een verlaten Kamergebouw. Janmaat zat opgeborgen in de kelders van het oude ministerie van Justitie, dat een onderdeel van het Binnenhof-complex is. Het kunnen ook de voormalige fietsenhokken zijn geweest. Hij was daar alleen. Toen ik binnenkwam, stelde ik mij voor en gaf ik hem een hand. Tot mijn verbazing zag ik dat hij daarvan schrok.

Dat interview leverde geen zaken op die erg verschilden van alles wat we al van hem wisten. Ik herinner me nog wel het slot van het gesprek. Hij gaf een riedel weg waarin hij boosaardig opsomde wat er allemaal niet deugde in Nederland, en ik vroeg hem of hij inderdaad van mening was dat dat allemaal kwam door ‘de buitenlanders’. Nee, antwoordde hij, dat kwam door de regering die ‘die buitenlanders’ had toegelaten en hun valse illusies had voorgespiegeld. “Die vreemdelingen zijn ook maar het slachtoffer van al die voze beloften die de PvdA hun voorspiegelt. Niet zij maken het land kapot, maar de regering doet dat. Die laat al die mensen maar toe, waardoor de samenleving verloedert. Onze actie richt zich uitsluitend tegen het kabinet.” Daarmee verraste hij mij weer, op zijn beurt.

Niet lang daarna, bij de zogeheten Algemene Beschouwingen in september 1996, heb ik Janmaat, denk ik, voor het laatst aan het werk gezien. Het waren de gloriedagen van Frits Bolkestein. Hij bracht in zijn ‘termijn’ de problematiek van de minderheden nadrukkelijk ter sprake en hij concretiseerde zijn kritiek op het kabinetsbeleid met opmerkingen over het verwijdercentrum in Ter Apel. Slechts weinig uitgeprocedeerde asielzoekers kwamen daar ooit aan. Ze kregen in hun AZC een treinkaartje en een strippenkaart om zich daar te vervoegen, maar in plaats daarvan doken ze natuurlijk onder en verdwenen in de illegaliteit. Bolkestein stelde voor een speciale politie-eenheid in te stellen die illegalen moest opsporen en uitzetten.

Jacques Wallage, de toenmalige fractievoorzitter van de PvdA, reageerde daarop met de opmerking dat Bolkesteins uitspraken hem een vieze smaak in de mond gaven en dat hij in troebel water viste.

Janmaat mengde zich in het debat tussen Bolkestein en Wallage en zei dat Bolkestein slechts goedkope praatjes verkondigde om het thema ‘asielzoekers’ voor zich op te eisen. Bolkestein reageerde soeverein: Non tali auxilio, nec defensoribus istis, beet hij Janmaat via de voorzitter toe (“Niet met dergelijke hulp, noch met dergelijke beschermers,” een citaat uit Vergilius’ Aeneis II.521). En tegen Wallage zei hij dat het feit dat zowel hij als Janmaat hem verwijten maakte, hem tot de conclusie dwong dat hij met zijn opvattingen de goede middenweg bewandelde. “Ik kreeg echt een waas van woede voor mijn ogen,” vertelde Wallage jaren later nog aan de Bolkestein-biografen Max van Weezel en Leonard Ornstein. “Hij noemde mij in één adem met Janmaat! Ik heb hem toen gezegd dat ik dat nooit meer van hem wilde horen.”

Janmaat verdween in 1998 uit de Tweede Kamer en hij overleed in 2002. Hij was geen man om nog vaak aan terug te denken. Hij had zich ontpopt als een kleine, boze burgerman, met foute ideeën die hij schuimbekkend en zuigend naar voren bracht, een aartstreiteraar en leugenaar, ziek en zielig, volstrekt paranoïde, gespeend van talent en charisma, een slecht verliezer ook, die zijn electorale afgang weet aan fraude met stemcomputers. En de lege plaats die Bolkesteins vertrek naar Brussel in de Nederlandse politiek had achtergelaten, werd al snel ingenomen door Pim Fortuyn.

Al was er dan weinig reden om ons blijvend in de ideeën en carrière van Hans Janmaat te verdiepen, toch is hij – ondanks zijn vertrek en overlijden – nooit helemaal weg geweest. Janmaat zelf probeerde in zijn laatste jaren zijn politieke leven nog enigszins te redden door rehabilitatie na te streven. Uitspraken die hij had gedaan en om welke hij was veroordeeld – zoals ‘vol is vol’ – waren na de aanslagen van 11 september 2001 en de opkomst van Fortuyn geaccepteerd geraakt. (Al was Fortuyn nog wel bereid tot de concessie dat het in Nederland ‘een beetje erg druk’ was geworden.)

Nog enkele weken voor zijn overlijden stapte Janmaat naar het Europese Hof om in hoger beroep te gaan tegen zijn veroordeling, in 1997, wegens discriminatie.
De smetvrees van Wallage was natuurlijk wat ridicuul. Bolkestein plaatste hem en Janmaat juist in tegenovergestelde kampen en schoor beide heren dus allerminst over één kam, maar het noemen van zijn naam en die van Janmaat in één zin was voor Wallage al genoeg om een waas van woede voor zijn ogen te toveren.

Janmaat zelf zal daar overigens niet gek van hebben opgekeken. Nog voor het begin van zijn politieke carrière in Den Haag, in 1982, liep hij eens te folderen op de Markt in Gouda. Daar raakte hij in gesprek met twee PvdA-stemmende ‘heertjes van rond de zestig jaar’ en hij schreef later zelf het volgende over die ontmoeting:

Ik leg hen het probleem van de vreemdelingenstromen uit.
“Meneer, we zijn rijk, vergeleken met andere volken, we moeten wat kunnen missen,” zegt een van hen.
Ik wijs op een groepje passerende Surinamers en vraag: “Heeft u een eigen huis?”
“Nee, dat heb ik niet.”
“Heeft u dan een grote bankrekening?”
Heeft hij ook niet. “Waar is uw rijkdom dan? En komt u niet aan met een autootje of een koelkast, want die hebben zij – die Surinamers – ook.”
Hij blijft het antwoord schuldig.
Ik vraag: “Heeft u kleinkinderen?”
“Die heb ik gelukkig wel.”
“Maakt u zich geen zorgen over hun toekomst?”
En dan komt het meest verbijsterende antwoord dat ik ooit van een burger heb gekregen.
“Wij hebben eeuwen geleden de koloniën leeggeplunderd en ik geef die mensen groot gelijk dat ze dat geld nu terug komen halen. Het is terecht dat ook mijn kleinkinderen daarvoor moeten boeten,” zegt de man.


Die linkse reactie bestond overigens niet alleen uit verongelijktheid of oefeningen in occidentale penitentie. Zij heeft vanaf het begin een grimmige en zelfs gewelddadige kant gehad. De tweede openbare vergadering van de Centrumpartij, in 1980, had plaats in Utrecht. Direct na de opening van de bijeenkomst, die via advertenties was aangekondigd, beginnen enkele leden van de PvdA-fractie in de Utrechtse gemeenteraad, aangevoerd door een meneer Van Lidth de Jeude, de gang van zaken te verstoren. Deze meneer stelt Janmaat enkele vragen, meent al snel te weten wat voor vlees hij met Janmaat in de kuip heeft, beent met zijn stomme PvdA-kop de zaal uit en weet de directie van het hotel ervan te overtuigen dat de vergadering moet worden ontbonden en de bezoekers moeten worden weggestuurd. De anti-fascisten, de toekomstige stoottroepen van de socialisten, staan – om de druk een beetje op te voeren – al voor de deur van het hotel.

Een bijeenkomst in Hotel de Zalm aan de Markt in Gouda – waar het boven gememoreerde folderen op uit had moeten lopen – wordt afgelast onder druk van een groepje van twintig anti-fascisten, die de kraampjes van de CP en het foldermateriaal vernielen en grote spandoeken (‘Weg met de CP. Nooit meer fascisme’) hebben uitgerold. Later die avond moet Janmaat, naar eigen zeggen, rennen voor zijn leven en ergens een huis binnenvluchten om aan de hem achtervolgende antifa’s te ontkomen. Deze zelfde lieden bezetten kort daarop het kantoor van de Haagsche Courant in de Wagenstraat en eisen dat de krant geen advertenties van de CP meer zal plaatsen.

Zoals bekend is Janmaat vanaf dag één van zijn aantreden in Den Haag genegeerd en geïsoleerd. Wat zijn van die benadering en van de voortdurende confrontatie met geweld de gevolgen geweest?

Voor het vinden van een antwoord op al deze vragen, dient zich een belangrijke bron aan: de (nooit gepubliceerde) politieke autobiografie van Hans Janmaat, 178 met regelafstand 1 volgetypte A4-tjes. Janmaat zelf presenteert dit wat onbeholpen geschreven boek als een ‘politieke roman’ met de titel De vrouw van de secretaris (citaten daaruit in cursief), en dat heeft natuurlijk direct al iets ontroerends. Het zijn politieke memoires, geschreven in eenvoudige taal en voor iedereen begrijpelijk. Voor de politiek niet-geschoolde lezers heeft Janmaat een alfabetische lijst met afkortingen opgenomen. Hij overschat zijn lezers niet, want ook de afkorting ‘CS’ is daarin opgenomen: Centraal Station.

Het boek is geschreven door een strijdvaardige lone wolf, verrassend zelfingenomen en volstrekt onbeschaamd.

Janmaat presenteert zich als de woordvoerder van het grote aantal Nederlanders dat in de loop der zeventiger jaren onaangenaam verrast en vervolgens ongerust werd over het regeringsbeleid inzake de bevolkingspolitiek en het vreemdelingenbeleid. Wie daar binnen de kaders van de democratie wat aan wil gaan doen, presenteert zich als concurrent van het politieke systeem, en wat dan volgt, is niets minder dan harde en meedogenloze strijd. Dat is ook de reden, schrijft Janmaat, waarom hij een verhaal vertelt en geen politieke analyse van het beleid en de machthebbers biedt. Dat heeft geen zin, want de maatschappij, waarin ons politieke systeem zich heeft ontwikkeld tot een dictatuur, laat dat niet eenvoudig toe. Die analyse verandert niets aan de machtsstructuren en ik heb geen zin daarvoor jaren in de gevangenis te gaan zitten.

De zelfgenoegzaamheid blijkt uit het applaus dat hij zichzelf met grote regelmaat geeft. Janmaat zelf handelt en antwoordt altijd zeer kordaat en repliceert voortdurend zeer gevat. En hij geeft zijn lezers een onbeschaamde blik achter de schermen, waar zaken als macht, geld, haat, liefde, jaloezie, mystiek en eigenbelang heersen. Macht erotiseert, heeft Janmaat tot zijn genoegen vastgesteld. Dat is toch wel het leuke van de politiek, denk ik, dat de dames zo geïmponeerd worden door gezagsdragers en je je daar niet altijd met succes tegen kan verzetten. En als hij als een ware Don Juan de kleding van Moniek over een stoeltje drapeert, heeft hij een mannelijk antwoord op haar vraag wat ze gaan doen. In ieder geval geen rozenhoedje bidden, denk ik te verduidelijken. Maar alles is al duidelijk. We verfrissen ons en beginnen in de schemering van de bedlampjes elkaar af te tasten en alle rondingen, kuiltjes, heuveltjes en wat dies meer zij, erbij te betrekken. We smelten in elkaar weg en gaan nog later slapen dan eerst gedacht.

Janmaat (1934) was een typische representant van de maatschappelijke categorie van de verliezers. Hij wilde straaljagerpiloot worden, maar daarvoor waren zijn ogen te slecht. Hij moest zijn studie aan de TH in Delft afbreken omdat zijn vader (een vertegenwoordiger) zijn studie niet meer kon betalen en hij geen beurs kon krijgen. Hij had daarna verschillende baantjes, onder andere in Duitsland, en hij begon een meubelfabriekje in Gouda, dat later in vlammen opging. Met wat verzekeringsgeld en financiële steun van zijn eerste (Duitse) vrouw, Evi Hock, ging hij aan de Universiteit van Amsterdam politicologie studeren (1966-1972); daar nam hij in mei 1969 deel aan de Maagdenhuisbezetting. Als leraar maatschappijleer in Rijswijk en Den Haag kreeg hij ook partijpolitieke belangstelling, die zich eerst op de KVP en daarna op DS’70 richtte. Hij ontpopte zich binnen die partijen als een moeilijke en recalcitrante man, die in die jaren zeventig echter zijn grote thema ontdekte – het bevolkings- en vreemdelingenbeleid – en over dat thema steeds radicalere standpunten ging innemen.

In 1980 richtte Janmaat de Centrumpartij op, met als expliciet doel om zich via democratische weg voor de autochtone bevolking in te zetten: de ‘kleine jongens’ die altijd en overal worden ‘gepakt’. Op een dag schoot Janmaat bijvoorbeeld een Amsterdammer te hulp, die hem vertelde hoe erg het allemaal wel niet in Amsterdam is: de allochtonen krijgen alles, wij niets. Zo heeft hij nog steeds geen hobbyruimte. Een box of kamertje daartoe is in zijn huis niet beschikbaar.

Daarbij maakte Janmaat voortdurend duidelijk dat alle problemen in het land (de neergang van de economie, de werkloosheid en de bezuinigingen) alleen en uitsluitend het gevolg waren van de vluchtelingenstromen en de vestiging van vreemdelingen in Nederland.

Janmaats politieke memoires illustreren dat hij – en zijn expliciet beschreven neofascistische gevolg met indrukwekkende strafbladen – telkens deze koppeling maakte: tussen de economie en het immigratievraagstuk.

Als Wim Kok op een houten vlonder op de Haagse Groenmarkt campagne voor de PvdA staat te voeren, dringt Janmaat zich naar voren en vraagt hem: Mijnheer Kok, U wilt Minister van Financiën worden! Hoe krijgt U de Staatsfinanciën op orde als andere Ministers de kostbare asielzoekersstroom niet willen indammen? Gaat u hen korten in de uitgaven? Kok zegt iets over internationale verplichtingen, waarop Janmaat vervolgt: Als U die internationale verdragen niet wil wijzigen, moeten gewone Nederlanders dus steeds meer bezuinigen! Is dat het doel van de PvdA?

Wanneer Kok in de Tweede Kamer trots aankondigt dat de regering 20.000 banen voor lager personeel gaat scheppen, vraagt Janmaat hem: Als de regering daarvoor zorgt en U laat in datzelfde jaar ongeveer 40.000 nieuwkomers binnen, dan gaat u er niet 20.000 op vooruit, maar op achteruit. Ondanks de banen neemt het aantal werklozen toe. Dan redeneert de Minister-President toch in een vicieuze cirkel?

In 1982 zet Lubbers zijn bezuinigingsbeleid voort, maar hij ontziet het minderhedenbeleid, de opvang van asielzoekers en de ontwikkelingshulp. Voortzetting van het anti-Nederlanderbeleid derhalve.

Als het milieubeleid aan de orde komt en het kwartje van Kok wordt geïntroduceerd, weet Janmaat: Dat geld wordt niet voor milieu-verbeteringen gebruikt, maar om de toenemende kosten van opvang van vreemdelingen te dekken.

Wanneer de PvdA bij monde van Kamerlid Huys subsidies voor tuinders bepleit, interrumpeert Janmaat, met juichende tuinders op de publieke tribune: U belooft subsidies aan de tuinders, maar U weet dat de regering geen geld heeft. Als U het meent wat u zegt, bent U dan bereid in de PvdA-fractie te gaan bepleiten: opvang van asielzoekers te stoppen en de miljarden die dan vrijkomen onder andere te besteden aan die arme tuinders?


De regering moet in de eerste plaats voor de eigen bevolking opkomen
, vindt Janmaat. Op zijn rouwkaart kwam later deze tekst te staan: “De Almachtige heeft hem de laatste 20 jaar mede de taak opgelegd dammen op te werpen tegen de cultuurloze vloed welke ons werelddeel overspoeld.” [sic] Daar is niets mis mee, volgens Janmaat: We verkondigen slechts ordentelijke standpunten ten behoeve van de leefbaarheid in de eigen samenleving.

Een idee om een historisch overzicht van de Nederlandse Cultuur op te stellen gaat niet door, omdat het wetenschappelijk bureau van de CP er geen subsidie voor krijgt. Tot die leefbaarheid behoort ook publiek verzet tegen ‘gestoorde kunst’. Wanneer Kamervoorzitter Deetman de Surinaamse president Venetiaan een boek met reproducties van Vincent van Gogh aanbiedt, neemt Janmaat daar afstand van. De schilderijen tonen duidelijk aan dat Vincent gestoord is. Een samenleving die dergelijke schilderkunst mooi vindt, is eveneens ziek. Dat klopt ook, want Minister-President Lubbers heeft gezegd dat Nederland doodziek en straatarm is. Tot die leefbaarheid behoort ook dat voetbalelftallen niet al te gekleurd mogen worden – hoezeer de KNVB, aangevoerd door uitgerangeerde politici, ook zijn best doet de multi-culturele samenleving vooral op het voetbalveld tot stand te brengen. […] De grote clubs worden verplicht een aantal spelers van de minderheden in hun eerste elftal op te stellen. Die politieke opdracht gaat ten koste van de kwaliteit van het elftal. Daar wijzen de internationale prestaties ook op. Bovendien gaan zich binnen iedere voetbalgroep diverse clans van spelers vormen, die in het veld vooral elkaar de bal toespelen. Niet echt bevorderlijk voor het resultaat. Ruud Gullit is bijvoorbeeld geen slechte voetballer, maar op internationaal niveau middelmatig.

Tot die leefbaarheid behoort ten slotte ook dat er in Nederland geen plaats kan zijn voor de intolerantie van fundamentalistische moslims. Janmaat zegt dat in een discussie met minister Dales van Binnenlandse Zaken, waarna interim-Kamervoorzitter Van Erp (VVD) hem vraagt zijn opmerkingen terug te nemen. Dit is toch te dol, overal in de wereld slaan Islamitische fundamentalisten steeds harder om zich heen, in sommige landen worden terroristische acties ondernomen en daar mag een Nederlands Kamerlid niet op wijzen? Diezelfde Dales presenteert in dat debat het idee voor een door iedereen te ondertekenen contract waarin grapjes over minderheden worden verboden. Arme Freek en Youp!

Die standpunten gaan gepaard met een stevig anti-liberalisme in economische kwesties. Wanneer Janmaat en Moniek begin jaren tachtig een vakantie in New York doorbrengen, ergert hij zich daar aan de armoede, de criminaliteit, de platte cultuur. Het is in de Verenigde Staten nog erger dan in Nederland. De overwinnaar van de oorlog legt haar maatschappijbeeld op aan de ‘bondgenoten’, lijkt het wel. In het vliegtuig terug vergelijkt hij New York met Moskou. De auto’s en de huizen zijn in New York wel mooier, maar dan heb je de voordelen van de liberale samenleving, waar Bolkestein zo over roemt, wel gehad. […] De voortgejaagde Big Apple maakt geen betere indruk dan het gedisciplineerde Moskou. Ook beklaagt hij zich over de ‘Amerikaanse’ wetsvoorstellen die de Tweede Kamer passeren. Het maatschappelijk systeem wordt steeds meer een kopie van het Amerikaanse: de economische ontwikkelingen kunt U zelf invullen, de militaire eveneens. Dus ook het sociale systeem hoort daarbij: grote verschillen tussen arm en rijk, povere sociale voorzieningen en het kleine bedrijfsleven zieltoogt.

Zestien jaar lang, van 1982 tot 1998 (met uitzondering van de periode van 1986 tot 1989), heeft Janmaat deze opvattingen in de Tweede Kamer uitgedragen. Hij kreeg er geen poot aan de grond omdat hij stelselmatig werd genegeerd en daardoor een volstrekt geïsoleerde positie in Den Haag innam. Hij besloot daarop zich over de hoofden van zijn collega-politici heen direct tot de bevolking te richten en alleen aan Kamerdebatten mee te doen die direct op de televisie werden verslagen, zoals het wekelijkse vragenuurtje en de algemene politieke beschouwingen. Hij ontwikkelde zich tot de guerrillero van de ontregeling. “Lekker een beetje zuigen, sneren en uitspelen,” noemde hij dat in een interview met Elsevier (25 februari 1984).
Politiek isolement ging gepaard met maatschappelijke maatregelen. Hij werd geroyeerd als leraar, nadat collega’s hem al eerder, volgens Janmaat zelf, in opspraak hadden proberen te brengen door vrouwen en jonge meisjes op hem af te sturen.

En er was altijd het geweld en de dreiging daarmee. Er waren de Anti’s, die degenen bedreigden die de kandidatenlijsten hadden ondertekend, en er waren de ordeverstoringen. Met een beroep op Thomas Hobbes dacht de CP in reactie al snel na over het organiseren van ordediensten of knokploegen.

Het linkse geweld culmineerde in de aanslag in Hotel Cosmopolite in Kedichem, op 29 maart 1986. Een horde Anti’s pleegde een aanslag met een fosforbom, waarbij het hotel volledig afbrandde. Janmaat en de zijnen, die naar de eerste verdieping waren gevlucht, moesten proberen het pand via aan elkaar geknoopte lakens te ontvluchten. Dan komt Willy (Schuurman – red.). Terwijl zij eruit klimt, haalt Jenne het laken deels terug om het langer te maken. Ze komt naar buiten en laat zich op ongeveer twee meter boven het balkon vallen. Ze steekt tijdens de val haar rechter been naar voren om de val op te vangen, maar komt ongelukkigerwijze in een al gesprongen ruit terecht. Het been bloedt zeer ernstig, lijkt bijna geheel doorgesneden aan een kant. Ze wordt bloedend weggesleept.

Het been van fractiemedewerkster Willy Schuurman moest worden geamputeerd. Intussen hoor ik van de Kamerleden of hun Voorzitter geen jota. Ook in de Kamer zelf niet. De Kamer toonde zich evenmin toeschietelijk toen Janmaat vroeg om voorzieningen voor Schuurman, die inmiddels in een rolstoel zat. De garage van de Tweede Kamer bevindt zich op de tweede verdieping onder het Plein. Het is ondoenlijk Willy Schuurman naar boven te rijden in haar rolstoel via de auto-uitgangen. Er is wel een lift in de garage voor Kamerleden, maar die is afgesloten. We krijgen daar geen sleutel van. Uit veiligheidsoverwegingen heet het. Wel mogen we de wagen op de eerste etage parkeren, maar die is opengesteld voor publiek en dat is voor een langere periode onveilig, want het hoeft maar een tegenstander op te vallen en de auto zit op zijn minst onder de krassen. In vier jaar tijd is er geen oplossing via de Kamer aangedragen en hebben we de auto altijd op een van de openbare invalideparkeerplaatsen in het centrum moeten neerzetten.

Het lukte de Kamer evenmin om Schuurman aan een werkplek te helpen die met een rolstoel toegankelijk was. Integendeel, nadat zij al invalide was geworden, werd de fractie van de Centrumdemocraten naar een nieuwe werkplek in een zolderkamer van het Binnenhof verhuisd. Deze verbanning bracht met zich mee dat Schuurman daar iedere ochtend door lijfwachten van Janmaat naar boven moest worden gedragen.

Max Pam kwam na lezing van Janmaats politieke memoires tot de conclusie (in de Volkskrant van 19-3-2007) dat ‘al die pesterijen er in belangrijke mate toe hebben bijgedragen dat Janmaat is geradicaliseerd’. Fortuyn schreef dat het Nederlandse parlement het debat met Janmaat voluit had moeten aangaan. We moeten, aldus Fortuyn in zijn Tegen de islamisering van onze cultuur, de hand in eigen boezem steken en ons op het werkelijke probleem concentreren: “Het proces van integratie van vreemdelingen in de Nederlandse cultuur, economie en samenleving en racisme zien voor wat het is: een uiting van frustratie en opgelopen spanning die als uiting serieus genomen dient te worden.”

Behalve de pesterijen door de Tweede Kamer zelf waren daar ook de media, de veiligheidsdiensten en de overheid. Drie journalisten infiltreerden undercover in de wereld van de Centrumdemocraten. Janmaats wantrouwen jegens de BVD werd bevestigd door Arthur Docters van Leeuwen (destijds chef van de BVD), die in 1989 in een interview zei dat ‘de grootste prestatie’ van zijn dienst in de jaren tachtig ‘het stukspelen van de Centrumpartij van Janmaat is geweest, door te infiltreren en mensen tegen elkaar op te zetten en uit te spelen’. Bovendien werd de partij kapot geprocedeerd. Zijn uitspraak ‘vol is vol’ leidde tot juridische vervolging. Het Gerechtshof van Arnhem veroordeelde hem op 29 december 1997 tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, en tot een geldboete van 7000 gulden. Die veroordeling was gebaseerd op de volgende uitspraak van Janmaat: “Wij schaffen, zodra wij de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af.” Volgens het Gerechtshof zette Janmaat met die woorden aan tot discriminatie van mensen wegens hun ras.

In een samenleving waarin, aldus H.J. Schoo in 1994, sinds de jaren zeventig een ‘nieuwe staatsleer’ dominant was geworden die zichzelf definieerde als tegenpool van het fascisme en van het eigen falen in zowel de oorlog als de koloniën, moest Janmaat wel als de demon en de belichaming van het kwaad worden gezien. Dat morele schema was volgens Schoo waarschijnlijk wat te simpel. “Janmaat is natuurlijk ons kwade geweten, het projectiescherm voor onze eigen schaduwkanten. Daarenboven is hij iemand die geen weerstand heeft kunnen bieden aan de verleiding geheel naar zijn rol te gaan staan. Gebrandmerkt als racist is hij zich metterdaad als racist gaan uiten.”

De vraag is nu of dit ook betekent dat zijn persoon een volwaardig debat over immigratie en integratie in de weg heeft gestaan. Dat valt niet serieus vol te houden. Het probleem dat Janmaat aankaartte, mocht en kon volgens velen niet bestaan, en als het al bestond, dan diende ervan weggekeken te worden.

In september 1990 zat de top van de Nederlandse politiek in een bushokje in Alma Ata, de hoofdstad van Kazachstan. De leiders van de VVD, D66, de PvdA en het CDA – Frits Bolkestein, Hans van Mierlo, Thijs Wöltgens en Elco Brinkman – zaten daar op een bus te wachten toen Bolkestein hen uitnodigde even een blokje om te lopen.

“Toen heb ik discreet bij hen aangekaart dat ik de migranten een belangrijk probleem vond. […] Ik zei: het minderhedenprobleem is belangrijk, het zal de politieke agenda van de komende tien, twaalf jaar bepalen. Het is een probleem dat één politieke partij overstijgt. Ik zei ook: er is geen alternatief voor integratie van de minderheden in de Nederlandse samenleving. Ik moet er nu om lachen. Ik denk nu: ik zei niets bijzonders. Maar toen lag dat anders. Je had toen die idiote slagzin: integratie met behoud van eigen identiteit. Een kind kon zien dat dat niet werkte, omdat het een contradictio in terminis was.”

Zijn collega-fractieleiders volhardden echter in hun lethargie. Bolkestein besloot daarop, in september 1991, in Luzern, op het jaarcongres van de Liberale Internationale, een toespraak over de integratie van minderheden te houden en die lezing als artikel te publiceren. Het artikel verscheen op de opiniepagina van de Volkskrant, nadat het NRC Handelsblad het had geweigerd.

Wie deze bijdrage, en alle latere stukken van Bolkestein over dit onderwerp, bestudeert, ziet al snel een groot verschil tussen deze teksten en die van Janmaat. Dat komt niet alleen door het verschil in afkomst en opleiding tussen de gentleman-politicus Bolkestein en de volksjongen Janmaat, maar ook door het directe gevolg van dit contrast: Janmaat, die zich opwierp als de stem van de bewoners van de volkswijken, die zich in hun bestaan bedreigd wisten door de verandering van hun buurten en door hun bedreigde economische situatie en die daarom wilden dat de overheid hen in bescherming nam, in plaats van bakken geld aan de opvang van en uitkeringen aan immigranten uit te geven, tegenover Bolkestein, die de integratie van die immigranten en het probleem van de inpasbaarheid van de islam in een moderne, democratische samenleving aan de orde stelde. Zo zei hij in Luzern dat rationalisme, humanisme en christendom de waarden hebben voortgebracht die de Europese beschaving hebben gestempeld. Zij hebben ook ‘een aantal fundamentele politieke beginselen’ opgeleverd, ‘zoals de scheiding van kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting, de verdraagzaamheid en de non-discriminatie’, beginselen die absoluut en universeel zijn. Een cultuur die deze principes niet kent, in casu de islamitische, is daarmee inferieur aan de westerse. Nu vele moslims inmiddels in Nederland wonen, moet hen duidelijk worden gemaakt dat wij met deze principes niet kunnen en niet willen marchanderen. “Ook niet een klein beetje.” En iedereen dient zich te houden aan de wetten die uit deze principes voortvloeien.

“De integratie van minderheden,” aldus Bolkestein, “is zó’n moeilijk probleem dat het alleen met durf en creativiteit kan worden opgelost. Voor vrijblijvendheid noch taboes is daarbij ruimte. Er is een groot debat nodig waaraan alle politieke partijen deelnemen, over wat mag en wat kan, wat moet en wat anders dreigt.”

Het debat dat Bolkestein zo graag wilde, kwam echter niet op gang. Andere politici beklaagden zich over zijn toon, over zijn negatieve boodschap, over zijn populisme. Toen Bolkestein zich in een lezing in Groningen uitsprak tegen de ‘polygame gezinshereniging’, beschuldigde Willem Breedveld van Trouw hem van ‘schrijftafel-discriminatie’, verwijzend naar de nazi Eichmann, die Schreibtischmörder werd genoemd. Alle kritiek gaf Bolkestein een artikel in de pen waarin hij betoogde dat ‘zij die de verontrusting negeren, juist het ressentiment jegens minderheden voeden dat ze willen bestrijden’.
Op de artikelen over de integratie volgden vele stukken over immigratie en asielbeleid. Bolkestein presenteerde concrete plannen om de aantallen asielzoekers terug te dringen. Een van zijn overwegingen was dat vele immigranten laag waren opgeleid en ook nog eens de Nederlandse taal niet beheersten, en dat zij als gevolg daarvan nauwelijks kans maakten op de Nederlandse arbeidsmarkt en daarom in een achterstandspositie van blijvende afhankelijkheid verzeild zouden raken.
Hoe ongegrond de beschuldiging van racisme was, bleek onder andere in 1997, toen Bolkestein een boek publiceerde met interviews die hij met Nederlandse moslims had gehouden. “Het bestaan van een onsmakelijke en xenofobe partij zal mij er niet van weerhouden mijn mening te geven,” schreef Bolkestein. En hij voegde daaraan toe: “Sinds ik met het minderhedendebat begon, gingen de Centrumdemocraten in de peilingen omlaag. Door realistisch te zijn heb ik bewerkstelligd dat gefrustreerde kiezers hun heil niet meer bij Janmaat en de zijnen hoefden te zoeken. Het ging me om de zaak zelf. Maar dat de Centrumdemocraten verdwenen, is een gunstig neveneffect van mijn optreden geweest.”

In 1998 verliet Bolkestein de Nederlandse politiek om lid te worden van de Europese Commissie. Hij liet zijn partij achter in de handen van Hans Dijkstal, een multiculturalist van het zuiverste water. Het gat dat de VVD in de jaren 1998-2003 daarmee liet ontstaan, bood de politieke ruimte waarnaar Pim Fortuyn (1948-2002) al zo lang op zoek was geweest. Afgewezen door de PvdA en het CDA, besloot hij in augustus 2001 als lijsttrekker van Leefbaar Nederland een gooi naar politiek succes te doen. Door zijn flamboyante persoonlijkheid, zijn wijze van debatteren en optreden, en zijn opmerkelijke uitspraken over de islam en het vreemdelingenbeleid, wist hij, vanaf dat moment tot zijn gewelddadige dood op 6 mei 2002, het politieke toneel volledig te domineren.

Die korte periode was voorafgegaan door een decennium waarin hij als columnist van Elsevier en als auteur van een reeks van boeken de basis voor zijn politieke actie had gelegd. Hij hekelde het politieke establishment, dat zich van de samenleving had geïsoleerd en van de werkelijkheid was vervreemd (Aan het volk van Nederland, 1992). Hij protesteerde tegen een samenleving die steeds onpersoonlijker werd, de menselijke maat uit het oog verloor en al te slordig omsprong met haar eigen identiteit, door Fortuyn de ‘kernnormen- en waarden van onze joods-christelijke humanistische cultuur’ genoemd (De verweesde samenleving, 1995). En hij keerde zich Tegen de islamisering van onze cultuur (1997). Tot slot verklaarde hij ‘acht jaar Paars’ de oorlog, met een boek over De puinhopen… (maart 2002) die PvdA, VVD en D66 in de collectieve sector hadden aangericht, gevolgd door een ‘krachtig herstelprogramma’ dat hij als de nieuwe premier van Nederland zou gaan uitvoeren.

Fortuyn beschouwde de islamitische cultuur als een bedreiging voor westerse verworvenheden. “Overal waar de islam de baas is, is het gewoon verschrikkelijk. Al die dubbelzinnigheid. Het heeft wel iets weg van de oude gereformeerden. Gereformeerden liegen altijd. En hoe komt dat? Omdat ze een normen- en waardenstelsel hebben dat zó hoog ligt dat je dat menselijkerwijs niet kunt handhaven. Dat zie je in die moslimcultuur ook. Kijk dan naar Nederland. In welk land zou een lijsttrekker van een zo grote beweging als de mijne openlijk homoseksueel kunnen zijn? Daar mag je trots op zijn. En dat wil ik graag effe zo houden.”

Het grote aantal moslimimmigranten in Nederland beschouwde hij als een ‘vijfde colonne’, die erop uit was ongedaan te maken wat we hier in Nederland in vijf eeuwen hadden opgebouwd: een moderne, democratische samenleving. Hij bepleitte daarom een ‘koude oorlog met de islam’ en een strikt immigratiebeleid. Nederland was vol, met zijn zestien miljoen inwoners; en het toelaten van 40.000 asielzoekers per jaar (dat is elke vier jaar het aantal inwoners van een stad als Groningen) moest worden gestopt. En als Artikel 1 van de Grondwet een voortvarende benoeming en aanpak van de problemen in de weg stond, dan wilde hij liever dát artikel schrappen dan het artikel dat het recht op vrije meningsuiting garandeert.

Fortuyns betogen stuitten op verbaal en fysiek geweld. Marcel van Dam noemde hem een ‘buitengewoon minderwaardig mens’, een ‘Eichmann’ en een ‘Untermensch’. Ad Melkert vergeleek hem met Le Pen; Jan Blokker associeerde hem met Le Pen, Filip Dewinter, Jörg Haider en Hans Janmaat. Paul Rosenmöller noemde hem extreem-rechts; Thom de Graaf waarschuwde de Nederlandse bevolking tegen hem, door een stukje uit Het Achterhuis van Anne Frank voor te lezen. Toen Fortuyn in maart 2002 in Rotterdam voor de gemeenteraad ging stemmen, werd hij bedreigend omringd door allochtone jongeren die zich deze retoriek eigen hadden gemaakt. Bij de presentatie van zijn boek over De puinhopen van acht jaar paars, op 13 maart 2002 in het Haagse Nieuwspoort, smeet Pauline van Tuyll van Serooskerken een stronttaart in zijn gezicht. Op 6 mei 2002 werd hij met enkele verrassend gerichte schoten afgemaakt door de linkse activist Volkert van der Graaf.

Fortuyn was de grote buitenstaander, die het onbehagen een stem gaf en begreep dat dat onbehagen ten diepste voortkwam uit een teloorgang van identiteit, een verdwijnen van gedeelde vormen, het afbrokkelen van het culturele fundament (Bolkestein is de enige geweest die het daar eveneens over heeft gehad, over dat belang van een morele basis als absolute voorwaarde voor het goed functioneren van een vrije markt en een democratische rechtsstaat.) Een van de samenleving en de werkelijkheid vervreemde politieke elite zou, aldus Fortuyn, niet begrijpen dat die verzwakte identiteit geen weerstand kon bieden aan een cultuur die op wezenlijke punten haaks stond op de onze.
Uit partijpolitieke loyaliteit, neem ik aan, heeft Bolkestein hem ooit een ‘plee­figuur’ genoemd. Maar hij had hem moeten omhelzen als een politieke erfgenaam, omdat zij, Bolkestein en Fortuyn, eenzelfde intellectuele kracht, gepaard aan retorisch talent en politiek realisme, met elkaar deelden – en omdat zij beiden, in afwijking van alle anderen, begrepen dat wetten en regels niet volstaan als een cultuur in verval raakt. Bovendien waren zij bereid – anders dan Janmaat vóór hen en Wilders na hen – het debat met moslims aan te gaan.

Bolkestein publiceerde het boek Moslim in de polder (1997), een bundel interviews met Nederlandse moslims. De eerste druk van Fortuyns Tegen de islamisering van onze cultuur werd gesierd door een portret van Fortuyn zelf. Op het voorplat van de tweede druk staat een foto waarop hij en ‘imam’ Haselhoef tegenover elkaar zitten.

Onder Dijkstals opvolgers Gerrit Zalm en Jozias van Aartsen werd Nederland beroerd door een politica die door Bolkestein wél voluit als een politieke erfgenaam wordt erkend: Ayaan Hirsi Ali.

Bij de aanslagen van 11 september 2001 was Ayaan nog moslima, lid van de PvdA en medewerkster van de Wiardi Beckman Stichting. Maar zij realiseerde zich dat zij zelf ook een Mohammed Atta had kunnen zijn en dat de aanslagen regelrecht door het islamitische geloof waren geïnspireerd. Vanaf dat moment heeft zij de Nederlandse samenleving voorgehouden – zij die zelf in een tijdspanne van tien jaar de duizendjarige afstand tussen de wereld van het islamitische geloof en die van de westerse rede had overbrugd, tussen die van vrouwenbesnijdenissen en gearrangeerde huwelijken, en die van seksuele emancipatie en vrijheid – dat zij eenzelfde overgang voor andere moslims niet moest tegenhouden door dat geloof van intolerantie en haat als ‘een respectabele manier van leven’ te beschouwen.

Die politiek leidde – met name na de film Submission, die zij samen met Theo van Gogh maakte – tot een clash met moslims en met de Nederlandse, op consensus gerichte politieke cultuur. Het door een rechter gehonoreerde protest van omwonenden tegen haar verblijf in een beveiligd appartement in hun flat en een onverkwikkelijk politiek conflict over haar (door haar zelf meermalen erkende) leugens over haar asielaanvraag, leidden in mei 2006 tot haar vertrek uit Nederland. De tornado die zij was, was slechts drie jaar eerder, in januari 2003, opgestoken toen zij voor de VVD in de Tweede Kamer kwam. Maar in die jaren heeft zij verschillende politieke successen geboekt en ze heeft haar grote thema – de positie van de vrouw binnen de islam – hoog op de politieke agenda gekregen. Haar verdiensten worden steeds meer erkend, ook en vooral door mensen die werkzaam zijn in de opvang van moslimvrouwen. Maar de prijs was hoog: van de maagdenkooi belandde ze in een gemeubileerde bankkluis.

Vóór het vertrek van Ayaan was de VVD nóg een Kamerlid met een uitgesproken profiel op het terrein van immigratie en integratie kwijtgeraakt: Geert Wilders (1963).
Onder Van Aartsen kreeg Wilders, al sinds 1990 bewoner van het Binnenhof, aanvankelijk alle ruimte voor ruige uitlatingen. Hij ‘lustte alle hoofddoekjes rauw’ en extremisten dienden naar ‘hun holen in de woestijn van Arabië’ terug te keren. Maar de VVD vond dat hij een grens overschreed toen hij in de zomer van 2004 een tienpuntenplan presenteerde waarin hij onder andere poneerde dat het islamitische Turkije nooit lid van de Europese Unie mocht worden. Dat standpunt leidde tot een breuk met de VVD, waarna Wilders verder ging met zijn eigen partij, die uiteindelijk Partij voor de Vrijheid is gaan heten.

Deze partij, die bij de verkiezingen van november 2006 negen zetels veroverde, is de partij van één man en één thema. Dat thema is de islam. Aan de uitspraken die hij eerder al aan de islam had gewijd, voegde Wilders begin dit jaar de opmerking toe dat moslims de helft uit de koran zouden moeten scheuren als ze in Nederland wilden blijven. In augustus scherpte Wilders dit standpunt aan door een verbod op de koran als zodanig te eisen. Als er nog iets moest worden gescheurd, zou er toch niet veel meer dan iets ter dikte van de Donald Duck overblijven. In het Kamerdebat naar aanleiding van de verschijning van een WRR-rapport over ‘islamitisch activisme’ verraste Wilders de aanwezigen met de opmerking aan het adres van minister Vogelaar dat zij ‘knettergek’ was geworden. In een interview met Trouw had deze minister immers gezegd dat de islam zich naar haar verwachting zó diep in de Nederlandse samenleving zou wortelen dat Nederland op den duur een joods-christelijk-islamitische cultuur zou krijgen.

Met zijn uitspraken, die ontegenzeggelijk op een steeds verdere radicalisering duiden, kiest Wilders een positie in het islamdebat die tot nog toe uniek is. De socioloog J.A.A. van Doorn heeft eens opgemerkt dat de islam ‘als een rotsblok in ons vlakke religieuze landschap ligt. Wie erop bijten wil, bijt op graniet’ (Trouw, 1-2-2003). Wanneer we die karakterisering als uitgangspunt nemen, zijn er ruwweg drie posities mogelijk.

We kunnen, ten eerste, de aanwezigheid en groei van de islam (als gevolg van de demografische ontwikkelingen) als iets onvermijdelijks zien en daarin berusten en hopen dat het uiteindelijk allemaal wel mee zal vallen. We kunnen onze cultuur dan van karakter laten veranderen (zoals CDA-minister Donner eens opmerkte: dat we gewoon de sharia krijgen als 66 procent van de bevolking dat wil), of we kunnen somberen over de nabije ondergang van Nederland en de rest van Europa, en emigreren uit Eurabië, onder de verzuchting: ‘Dit volk wil het en verdient het.’

We kunnen, ten tweede, die aanwezigheid en groei ook als een bedreiging zien en dan ferm besluiten: ‘Dat nooit!’. Vanuit de gedachte dat de islam, in principe en altijd en overal, nu en in de toekomst, niet in een moderne, democratische samenleving inpasbaar is, ontwikkelen we dan een politiek die gericht is op provocatie – met de uiteindelijke bedoeling dat moslims eieren voor hun geld zullen kiezen. Dat is een scenario dat door sommige moslim­intellectuelen wordt gevreesd en dat in een Amerikaanse sciencefictionroman al is geschetst: schepen van de Amerikaanse marine doen de havens van Rotterdam en Den Helder aan om moslims naar hun land van herkomst terug te brengen. Een gematigde islam bestaat volgens Wilders niet, en daarom blijft moslims niets anders over dan de opgave van hun geloof of vertrek.

Een derde mogelijkheid is de onderkenning van alle problemen die het gevolg zijn van de aanwezigheid en de groei van de islam in Nederland, gevolgd door het besluit om door het voeren van een debat, zo hard en scherp als nodig is, en door het nemen van politieke maatregelen, het ontstaan van een politieke islam te voorkomen en een vorm van islam te ontwikkelen die wél inpasbaar is in onze cultuur. Een beweging dus die erop gericht is dat niet zij ons maar wij hen veranderen en die het graniet weet te vergruizen. Deze derde positie is, denk ik, vanuit rechtsstatelijk standpunt de enig mogelijke, en bovendien de meest manmoedige. Het ontwikkelen van zo’n gemoderniseerde vorm van islam is immers nog nooit eerder in de geschiedenis gelukt. Maar natuurlijk, over duizend jaar zal men van ons zeggen: ‘This was their finest hour.’

De positiekeuze van Wilders, en de bijval die hij daarbij krijgt (uit overtuiging of uit leedvermaak over de politieke kaste die hij geselt), confronteert ons nog met een volgend en ernstiger probleem. Met zijn pleidooien voor het afschaffen van klassieke vrijheden, zijn voorstellen die zich niets van bestaande regels en instituties aantrekken, zijn halve waarheden en inconsistenties, zijn weigering van elke vorm van debat buiten de Kamer, zijn narcisme en zijn manier van discussiëren, die zich vol dedain aan alle eerbiediging van vormen onttrekt, ontpopt Wilders zich als een ‘paniekconservatief’. Die term werd gemunt door een te zeer veronachtzaamde politiek filosoof, Aurel Kolnai (1900-1973). Kolnai heeft het over ‘het contrarevolutionaire of fascistisch beïnvloede conservatisme van de paniek’. Deze gedeformeerde vorm van conservatisme bestaat volgens Kolnai in leugen en bedrog, in irrationeel sektarisme, zelfaanbidding en nog wat andere zaken, maar bovenal in de omverwerping van de rechtsstaat.

Om in beeld te krijgen wat hiervan de gevolgen kunnen zijn, moeten we een term uit de klassieke politieke filosofie introduceren: ‘ochlocratie’ ofwel de regering door de redeloze massa, waarbij de rule of law als eerste sneuvelt en wetteloosheid en geweld domineren, en waarbij die rule of law wordt beëindigd door de roep om een sterke man die zich uit wraak over zijn vroegere uitsluiting door de regerende klasse als een despoot zal ontpoppen.

Filosofen als Aristoteles en Polybius onderscheidden in principe drie regeringsvormen: monarchie, aristocratie en democratie. De ideale en meest stabiele staatsinrichting bestaat uit een verstandige mix van deze drie elementen, maar klassieke politiek filosofen wisten ook dat politieke stabiliteit nooit een rustig bezit is. Wat voortdurend dreigt, is een eeuwige kringloop waarin monarchie omslaat in dictatuur, aristocratie in oligarchie, en democratie in ochlocratie, met andere woorden: in de overheersing door een redeloze massa, waaraan door één persoon weer een einde wordt gemaakt en waarna de hele cyclus opnieuw begint.

Wanneer wordt een democratie een ochlocratie? Een democratie, aldus bijvoorbeeld Polybius, berust op een moreel en cultureel fundament van zeden, wetten en tradities (waar Bolkestein en Fortuyn het dus over hadden). Wanneer dit fundament ontbreekt, en daarmee de sociale samenhang in een samenleving, dan blijft er geen groter ideaal over dan de vrijheid om te doen wat men wil. De daaruit voortvloeiende chaos doet het volk al snel om een Grote Leider roepen, een paniekerige conservatief dus, die (aldus opnieuw Polybius) de ‘gelijke rechten en vrijheid van meningsuiting’ afschaft en wraak neemt op het establishment dat hem altijd heeft buitengesloten. (Sorry Geert, het is niet anders. En je weet het.)

Hoe moeilijk de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie het ook na het vertrek van Ayaan Hirsi Ali en Wilders nog altijd met immigratie en integratie heeft, blijkt uit het recente vertrek van Rita Verdonk uit de fractie (en waarschijnlijk ook uit de partij).

Verdonk was van 2003–2007 minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, en in die functie zag zij streng toe op de uitvoering van de Vreemdelingenwet (inclusief het terugkeerbeleid en de weigering van een generaal pardon) die PvdA’er Job Cohen in 2000 door de Tweede Kamer had gejast. De invoering van een nieuwe Inburgeringswet lukte niet, en of de strengere wetgeving met betrekking tot import­huwelijken en gezinshereniging een succes wordt, is nog niet gebleken. Maar in de publieke beeldvorming transformeerde zij tot ‘IJzeren Rita’, zeker na het incident met imam Ahmed Salam uit Tilburg, die weigerde haar de hand te schudden, en door haar consequent vasthouden aan het ‘regel-is-regel’-principe, dat aanvankelijk tot de intrekking van het Nederlanderschap van Ayaan Hirsi Ali leidde.

Verdonk verloor de lijsttrekkersverkiezingen van Rutte, maar ze kreeg wel meer stemmen dan hij bij de verkiezingen van november 2006. Als Kamerlid voor de VVD heeft zij de positie van Rutte herhaaldelijk betwist, onder meer omdat hij niet rechts genoeg zou zijn, en te onuitgesproken in de thema’s van immigratie en integratie. Het liberale optimisme dat Rutte uitstraalt en verwoordt (waarbij iedereen die zich aan de wet houdt, Nederlands spreekt en hard werkt, hier welkom is) contrasteert inderdaad scherp met een benadering waarbij het dagelijks onbehagen van de straat en een zeker wantrouwen tegen mogelijke geheime agenda’s overheersen en waarbij op scherpere maatregelen wordt aangedrongen.

Of Verdonk een nieuwe partij opricht om zich ergens tussen de VVD en de PVV te positioneren, ligt nog in de schoot van de toekomst verborgen. Maar in de peilingen staat zij momenteel op achttien zetels.

Dat brengt ons – even tussendoor – op de beroepsgroep van de politicologen. Karel van het Reve heeft ooit een bijtende oratie (de Huizinga-lezing nog wel) gewijd aan de beroepsgroep van de literatuurwetenschappers. Hij vond ze onleesbaar, pretentieus, en bovendien hadden ze zelden iets interessants te melden. Het leek hem het beste het vak maar af te schaffen, al begreep hij ook dat dat niet zo makkelijk zou gaan, omdat velen er hun brood mee verdienden.

Het zou aardig zijn ook het vak van de politicologie zo eens onder de loep te nemen. De Leidse politicologen Huib Pellikaan en Sebastiaan van der Lubben stelden vorig jaar een bundel artikelen over deze kwestie samen, geschreven door een keur aan politicologen. Joop van Holsteyn schreef pontificaal dat er helemaal geen gat op de politieke rechterflank is. Rechtse kiezers, aldus deze hooggeleerde in de Politieke Wetenschap, zijn dik tevreden met het bestaande aanbod. De LPF was geïmplodeerd, Wilders stond heel laag in de peilingen en het einde van het rechtse kruimelwerk diende zich onherroepelijk aan, zo was de tendens van vrijwel alle bijdragen.
Het boek werd op 20 oktober 2006 in Den Haag gepresenteerd. Een maand later won Geert Wilders negen zetels bij de Tweede Kamer-verkiezingen. In de peilingen stijgt hij sindsdien alleen maar, en een nieuwe afscheiding van de VVD, die van Rita Verdonk, blijkt eveneens op massale electorale steun te kunnen rekenen.

Je denkt dan aan wat Hendrik Jan Schoo in 2000 zei, in een interview met Elsevier, bij zijn overstap naar de Volkskrant. Er zijn veel zaken ‘die te belangrijk zijn om ze aan deskundigen over te laten, die trouwens bijna altijd belanghebbend zijn geworden’.

Wat zich nu op de politieke rechterflank aandient, heeft in Nederland al een lange voorgeschiedenis, en die geschiedenis heeft zich niet uitsluitend op die rechterflank afgespeeld. Het verdient vermelding dat het eerste grote politieke incident rond immigratie en integratie op naam staat van de SP. Deze partij publiceerde in 1983 het rapport Gastarbeid en kapitaal en ze concludeerde daarin dat islamitische gastarbeiders ‘die van het platteland komen’ in de Nederlandse samenleving en cultuur moesten integreren wilden zij ‘een waardevolle bijdrage leveren in de strijd die de arbeiders zullen moeten voeren tegen het kapitalistiese systeem’. De islamitische arbeiders die zich aan deze klassenstrijd onttrokken, zouden het land moeten verlaten, met een premie van 75.000 gulden plus terugbetaling van een deel van de sociale lasten. Een van de redenen om het rapport op te stellen, was de ontdekking dat er Nederlanders zijn ‘die hun kultuur [die van de gastarbeiders] achterlijk en soms wreed vinden, en hen de schuld geven van de werkloosheid’.

Het rapport ontketende een storm van kritiek. Het dagblad De Waarheid van de CPN beschuldigde de SP ervan op jacht te zijn naar Janmaat-stemmers. En de SP werd op verschillende plaatsen van ‘cryptofascisme’ beschuldigd.

Typeringen die vanaf Fortuyn voorwerp van verhit debat werden, circuleerden dus al decennialang in de Nederlandse samenleving, en dan vooral onder de bevolkingsgroep die als eerste het slachtoffer van de multiculturele ideologie in de Nederlandse politiek werd: de arbeiders die hun baan kwijtraakten en hun wijken onherkenbaar zagen veranderen. Die grens is de afgelopen decennia natuurlijk alleen maar opgeschoven. We zijn ook al bijna vergeten dat twee van de legendarische typetjes die Van Kooten & De Bie hebben neergezet – Jacobse en Van Es van De Tegenpartij – begin jaren tachtig van het scherm verdwenen omdat het satirisch bedoelde rechts-radicale gedachtegoed van deze partij door de opkomende Centrumpartij dankbaar en met succes werd omarmd. Op de overzichtstentoonstelling En wel hierom! Over Van Kooten & De Bie, in het museum Beeld en Geluid op het Mediapark in Hilversum, wordt hierop nauwelijks ingegaan.

Hans Janmaat werd in 1982 lid van de Tweede Kamer, en hij bleef dat tot 1998. Hem werd de pas naar electoraal succes afgesneden door de liberaal-conservatief Frits Bolkestein, die als eerste politicus van een van de constituerende partijen van de Nederlandse democratie, het taboe op de thema’s van immigratie en integratie doorbrak. Maar toen de VVD na Bolkesteins vertrek in sociaal-liberaal vaarwater terechtkwam en de multiculturalist Hans Dijkstal de partij leidde, ontstond er een gat dat Pim Fortuyn tot 26 Kamerzetels wist te vergroten. Na zijn wrede dood implodeerde Fortuyns LPF, maar omdat de VVD onder Jozias van Aartsen niet ondubbelzinnig voor het profiel koos dat Bolkestein de partij in de jaren negentig had gegeven, bleef er ruimte bestaan voor politieke avonturen op rechts. Wilders is als eerste dat avontuur aangegaan, en in november 2006 verpletterde hij alle rechtse restanten – van Hilbrand Nawijn en de Lijst Fortuyn tot ÉénNL van Marco Pastors en Joost Eerdmans – en nu, sinds dit weekend, gaat ook Rita Verdonk het proberen.

In de afgelopen decennia is er in Nederland wel iets ten goede veranderd, in de zin dat vele taboes rondom het immigratie- en integratiedebat zijn verdwenen. Ik denk niet, met dank aan Fortuyn, dat er nog veel Marcel van Dammen zijn die iemand die over de kernwaarden van de Nederlandse samenleving begint, publiekelijk voor een Eichmann durven uit te maken – uitgezonderd misschien een enkele hooggeleerde als J.A.A. van Doorn, die er alle begrip voor heeft wanneer islamcritici een ‘optater’ krijgen en die erg geïnteresseerd is in de joodse identiteit van sommigen van die islamcritici. Er is nu eenmaal, helaas, nog geen medicijn gevonden tegen de aftakeling door ouderdom van de pre-frontale cortex.

In veel opzichten bevindt Nederland zich, ook na twee politieke moorden, nog altijd in dat bushokje in Alma Ata. De brede discussie waartoe Bolkestein opriep, heeft nog altijd niet de breedte en diepte gekregen waarop hij had gehoopt. Het debat over immigratie en integratie mag geen ‘neoconservatief speeltje’ zijn (vrij naar Jos de Beus), maar is als belangrijkste politieke thema voor de komende decennia een zaak die het belang van individuele partijen overstijgt. De nieuwe werkelijkheid van islamitisch ressentiment, van dreiging, intimidatie en geweld, en van het gevaar van concessies, is tot velen nog altijd niet doorgedrongen. Een inhoudelijk debat wordt nog al te vaak uit de weg gegaan door klachten over de ‘toon’ die bange, blanke mannen zouden aanslaan.

Door de onverenigbaarheid van massale immigratie met de houdbaarheid van de verzorgingsstaat, door de funeste gevolgen voor het onderwijs, en ook door het feit dat een parallelle, niet-geïntegreerde cultuur een grote hindernis voor de emancipatie van een nieuwe onderklasse vormt, zou het thema juist hoog op de agenda van linkse partijen moeten staan. Maar dat zou het moedige besluit vergen om zich niet langer door een allochtone achterban te willen laten gijzelen. Het artikel uit 2000 van Paul Scheffer, ‘Het multiculturele drama’, bood de PvdA een unieke kans het thema naar zich toe te trekken. Maar de PvdA heeft niet de kracht gehad deze grote sociale kwestie te formuleren, en ze heeft in het gedrag van Melkert jegens Fortuyn, in het laten gaan van Ayaan Hirsi Ali, in de benoeming van een minister van zowel Woningbouw als Integratie – ‘minister van kozijnen en gevels’, in de woorden van Sylvain Ephimenco – en in de weigering van Wouter Bos en Jacques Tichelaar om de steunverklaring voor ex-moslims te ondertekenen, alleen maar laten zien dat de partij gevangen zit in een naargeestig en verstard conservatisme.

Misschien dat Scheffers nieuwe boek, Het land van aankomst, dat volgende maand verschijnt, de PvdA een herkansing biedt die dit keer wel wordt gegrepen. De SP publiceerde in 1983 een opmerkelijk rapport, maar deze partij lijkt nog altijd zo geschrokken van de toenmalige reacties dat ze zich sindsdien over dit onderwerp niet meer helder en duidelijk heeft willen uitspreken. GroenLinks blijft bevangen door een elitair kosmopolitisme – maar gelukkig voor henzelf zijn ze daar nog trots op ook. Het CDA is zozeer in de ban van de angst voor elke vorm van religiekritiek dat de partij nu bedwelmd is door een vurig godsdienstrelativisme, waarin alle religie tegen elke stoot uit het kamp van de ‘Verlichtingsfundamentalisten’ onverkort wordt verdedigd. Met als gevolg dat het CDA geen oog meer heeft voor de grote verschillen en dat niemand begrijpt dat er hier iets te verdedigen en daar iets te laken valt.
En zo stonden alle partijen met de mond vol tanden toen Geert Wilders in het islamdebat van 6 september jongstleden de hoofdrol voor zich opeiste.

Veel belangrijker dan welke kritiek op Wilders dan ook is het besef dat de ontvankelijkheid voor radicale ideeën wordt veroorzaakt door een falende politieke elite. De kracht van Wilders is de zwakte van de oude volkspartijen in het politieke centrum: de zwakte van links om over zijn eigen schaduw heen te springen en de culturele problemen in de wijken en op de zwarte scholen werkelijk serieus te nemen, en de zwakte van CDA en VVD om een scherp alternatief op Wilders’ positie te formuleren, zonder daarbij te vluchten in de achterhaalde methodieken van praten, thee drinken en onderhandelen.

Zolang kiezers beseffen dat de werkelijke problemen van straat en school bij de partijen in het politieke centrum niet in goede handen zijn, zullen zij naar de vleugels blijven uitwijken en dreigt er een parlementaire crisis die uiteindelijk alleen maar in onregeerbaarheid kan uitmonden.

Verantwoording: De politieke memoires van Hans Janmaat (De vrouw van de secretaris) berusten in het archief van het Instituut voor Internationale Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Met dank aan Meindert Fennema en Max Pam, die op het bestaan van deze bron hebben gewezen. Enkele citaten van Frits Bolkestein zijn afkomstig uit: Max van Weezel en Leonard Ornstein, Frits Bolkestein: Portret van een liberale vrijbuiter (Prometheus, 1999).

Een versie van dit essay is verschenen als 'Het bushokje in Alma Ata' in Opinio.