De Britse historicus Niall Ferguson schetst in een financieel-economische geschiedenis van de wereld de historische context van de huidige crisis. De uitvinding van het krediet is net zo belangrijk geweest als die van het wiel of de computer.
Niemand schijnt het te weten. De crisis die in de zomer van 2007 ineens in de Verenigde Staten uitbrak, zou ons niet raken. Toen die crisis toch ook ons land aandeed, zou de schade uiterst beperkt blijven omdat die economie van ons zo degelijk in elkaar stak. Toen de eerste banken in de problemen kwamen, heette het dat de crisis kortstondig zou zijn en onze ‘reële economie’ nauwelijks zou raken. Nu dat toch is gebeurd en de economie krakend tot stilstand komt, voorspellen politici ineens toch een recessie, maar die zal in 2010 wel weer uitgewoed zijn. Het aantal werklozen zal dan tot een half miljoen zijn opgelopen. Het laatste nieuws (premier Balkenende in zijn rol als gasthoofdredacteur van het Financieele Dagblad) is trouwens dat het nog lang niet zeker is dat de recessie in 2010 voorbij zal zijn. En Balkenende is nog niet uitgesproken of oud-minister Ruding van Financiën komt in dezelfde krant vertellen dat de crisis onze economie veel harder zal treffen dan het kabinet beweert. Er komt, zegt Ruding, zeker een krimp van 3 procent in plaats van de 0,75 procent die het Centraal Plan Bureau zegt te verwachten. Hij was amper uitgesproken of president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank zei hetzelfde.
Waarom zouden we dat eigenlijk allemaal nog geloven?
Het zijn niet de eerste de besten die ergens aan een tafel in een praatprogramma hun onwetendheid voortdurend schaamteloos etaleren. Het gaat om economen en politici, mensen die er een beetje voor hebben doorgeleerd. De Britse historicus Niall Ferguson was in november 2006 op een congres voor prominente beleggers, die blijkens de naam van hun conferentie (The Evolution of Excellence) blaakten van zelfvertrouwen. Zij zeiden daar ook dat aan alle grilligheden van de markt een einde was gekomen. De financiële markten waren immers efficiënt georganiseerd en de risico’s waren keurig gespreid en afgedekt. Ferguson wilde de congresgangers waarschuwen voor de blijvende risico’s in het systeem. Maar zijn waarschuwingen werden afgedaan als bangmakerij. Een van de aanwezigen stelde zelfs voor om de organisatie te vragen de volgende keer geen ‘spreker van buiten’ meer uit te nodigen maar de film Mary Poppins te laten zien.
En terwijl de beleggende wereld naar Mary Poppins ging zitten kijken, zette Ferguson zich schrap voor een studie van formaat: een financiële geschiedenis van de wereld. Ferguson beschrijft het ontstaan van het bankwezen, van de obligatiemarkten en van de aandelenhandel, van de verzekerings- en pensioenfondsen en de onroerendgoedmarkten. Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw (met de New Deal van president Roosevelt) werden huishoudens om politieke redenen gestimuleerd om meer geld te lenen en dat in onroerend goed te beleggen. Zo ontstonden Fannie Mae en Freddie Mac, de corporaties waarmee de problemen in de zomer van 2007 begonnen.
Met dit boek, dat in de beste Angelsaksische tradities uitblinkt door een speelse combinatie van veelzeggende details en de grote lijnen van het compositorisch strakke overzicht, schetst Ferguson – met andere woorden – de historische context van de huidige crisis. Van die crises hebben we er sinds 1870 overigens al 148 achter de rug. Het gaat dan om financiële crises waarbij een land een achteruitgang van minstens 10 procent in de omvang van zijn bruto binnenlands product incasseert, met een economische krimp van zo’n 3 procent per jaar.
Niall Ferguson (Glasgow, 1964) is als weinig anderen gekwalificeerd om zo’n boek te schrijven. Ferguson is als historicus een internationale superster. Hij doceert aan Harvard en in Oxford en is verbonden aan het Hoover Institution van de universiteit van Stanford. Hij is van huis uit een financieel-economisch historicus. Hij schreef onder andere een geschiedenis van het huis Rotschild. Maar hij is vooral bekend geworden vanwege zijn grote overzichtswerken: geschiedenissen van de bloedige oorlogen van de twintigste eeuw (De grote oorlogen), van het Britse Rijk (Wereldrijk) en van het Amerikaanse imperium (Colossus). Van enkele boeken van Ferguson zijn ook tv-series gemaakt en die hebben natuurlijk vooral zijn ster doen rijzen. Hij behoort inmiddels, volgens Time, tot de 100 invloedrijkste mensen ter wereld, volgens Prospect Magazine staat hij nummer 60 op de lijst van de meest invloedrijke intellectuelen ter wereld.
Zijn financieel-economische expertise en zijn vermogen grotere overzichtswerken te schrijven, zijn op een prettige manier samengekomen in zijn nieuwste boek dat een financieel-economische geschiedenis van de wereld wil bieden. Het aardige is dat Ferguson niet meedoet aan de neiging van links om de crises van de afgelopen tijd te zien als het failliet van het vrijemarktkapitalisme. Integendeel. Ferguson legt geduldig uit dat de uitvindingen van de financiële sector onmisbaar zijn geweest voor onze vooruitgang. Financiële innovaties zijn de motor van de westerse beschaving.
‘Krediet en schuld’, schrijft Ferguson, ‘behoren tot de fundamentele bouwstenen van de economische ontwikkeling, en zijn even vitaal voor de rijkdom der naties als mijnbouw, industrie en mobiele telefonie. Armoede kan daarentegen slechts zelden direct worden toegeschreven aan de streken van inhalige financiers. Dikwijls heeft deze meer te maken met het gebrek aan financiële instellingen – met het ontbreken van banken en niet met hun bestaan.’
Banken, beurzen en beleggingsfondsen hebben de groei van de ‘reële economie’ mogelijk gemaakt. Zonder krediet en aandelen is het immers zo goed als onmogelijk een nieuw bedrijf op te zetten. Als er geen financiële sector was geweest, aldus Ferguson, zou onze economie nog steeds worden bepaald door keuterboeren die met noeste arbeid een stukje grond bewerken dat nauwelijks genoeg oplevert om de mensen te onderhouden.
Geld is bij tal van historische gebeurtenissen van doorslaggevende betekenis geweest. Napoleon is bij Waterloo niet zozeer door de Engelse generaal Wellington verslagen als wel door de rol op de achtergrond van de bankiersfamilie Rotschild. Dat het Zuiden de Amerikaanse Burgeroorlog verloor kwam niet door de nederlaag van de confederale troepen bij Vicksburg in mei 1863, maar door het besluit van diezelfde Rotschilds om het Zuiden niet te steunen, alhoewel die staten hun politieke sympathie hadden. Geld heeft niet alleen het verloop van de geschiedenis gestuurd – nadrukkelijker dan wij ons meestal bewust zijn – maar is ook de wortel van bijna alle vooruitgang. Leve het kapitalisme, is dan ook de boodschap van het boek van de conservatieve Ferguson.
Ferguson heeft zijn boek in mei/juni van 2008 voltooid. De crisis die ons nu zo hard raakt, heeft niemand in de volle ernst en omvang zien aankomen, ook Ferguson niet. De situatie van vandaag lag tijdens het schrijven nog in een toekomst waarvan de aard onvoorspelbaar was. Ferguson voorspelde in 2006 al wel een liquiditeitscrisis, om de eenvoudige reden dat kennis van de financieel-economische geschiedenis hem had geleerd dat iedere zeepbel vroeg of laat barst.
Hij is van mening dat er niet alleen bonussen voor goede prestaties moeten worden verstrekt maar ook malussen voor slechte prestaties. En wanneer managers met aandelen en opties worden beloond, heeft dat een pervers effect. Het prikkelt hen namelijk om de waarde van de aandelen omhoog te manipuleren. Dat de verhouding tussen eigen en geleend kapitaal is zoek geraakt, is hierdoor veroorzaakt.
Verder is Ferguson uiterst voorzichtig. De age of leverage (waarin teveel geld wordt geleend en met dat geld wordt gespeculeerd) behoort misschien al wel tot het verleden. Maar een teveel aan regelgeving (of beter: nog meer regelgeving) belemmert financiële innovaties en die innovaties zijn altijd en overal de bron van vooruitgang.
En verder moeten we leren leven met de onvoorspelbaarheid van de toekomst. Want de geschiedenis – ook (of beter: juist) de financiële geschiedenis met zijn crises en crashes – is ongrijpbaar. Analyses en verklaringen kunnen pas achteraf worden gegeven. Er zijn heel veel toekomsten mogelijk, benadrukt Ferguson. Dat de waarheid daarvan iedere dag blijkt uit de woorden van politici en economen, krijgt daarmee bijna iets geruststellends, hoe groot de onzekerheid van onze financieel-economische toekomst ook blijft.
Niall Ferguson, Het succes van geld
uitgeverij Contact, € 34,95
* eerder verschenen in HP/De Tijd
3.1.09
2.1.09
Na 8 jaar Bush
Vanmorgen heb ik deelgenomen aan een (opvallend evenwichtige) uitzending van radio 1 (Dit is de dag) over acht jaar presidentschap van George W. Bush. De uitzending is hier te beluisteren. De hele uitzending is de moeite waard, maar mijn eigen bijdrage begint in het vierde deel.
In het Nederlands Dagblad van zaterdag 3 januari reageer ik op een artikel over Bush dat een minimum aan kennis met een maximum aan linkse onzin combineert. Hieronder de tekst van mijn reactie.
De Amerikaanse filosoof Robert Nozick heeft eens, in een beroemd geworden essay, de vraag aan de orde gesteld waarom intellectuelen toch zo vaak links zijn. Nozick’s antwoord komt erop neer dat slimme jongetjes in de samenleving vaak niet de erkenning krijgen die ze op school en de universiteit wel kregen. Topondernemers, topsporters en succesvolle politici zijn vaak niet de besten van de klas, maar verwerven in hun latere leven een sociale status waar geleerden en journalisten alleen maar van kunnen dromen. En dat terwijl zij toch zo veel intelligenter waren! Het daaruit voortvloeiende ressentiment doet hen als vanzelf in het progressieve kamp belanden.
Tijdens het lezen van het hierbij gaande artikel van Jan Hoogland heb ik steeds aan het essay van Nozick moeten denken. In de maand waarin Obama als de nieuwe president van de Verenigde Staten zal aantreden en de huidige president het Witte Huis zal verlaten, is het grote Bush-bashen begonnen. Hoogland doet daar ijverig aan mee. Als doctor in de filosofie, gepromoveerd op de metafysica van Theodor Adorno – met zijn boek over De dialectiek van de Verlichting de linkse criticus van de ‘repressieve, kapitalistische maatschappij’- en docent ‘reformatorische wijsbegeerte’ aan een zich universiteit noemende hogeschool in het oosten des lands, heeft hij voor het domme en rijke patriciërszoontje George ‘Double You’ Bush alleen maar hoon over. Dat mag natuurlijk, maar het is allemaal niet erg overtuigend: Hoogland presenteert zijn stelling niet alleen op een toon van diepe minachting, maar is ook beschamend slecht geïnformeerd en is in zijn eindconclusie verraderlijk.
Evenals de meeste Amerikaanse conservatieven, ben ik kritisch, en dat al jaren, op het presidentschap van Bush. Hij heeft natuurlijk goede dingen gedaan: hij heeft de belastingen verlaagd, voor conservatieve rechters in het Hooggerechtshof gezorgd en bij kwesties rondom abortus en stamcelonderzoek een helder pro-life standpunt ingenomen. Maar het is niet zo moeilijk daar een lijstje van links-progressieve zonden tegenover te stellen. Zo heeft Bush de overheidsuitgaven doen exploderen en heeft hij de rol van de federale overheid in Washington op terreinen als onderwijs en gezondheidszorg doen toenemen. Wat dat laatste betreft zou hij het dus niet slecht doen als leider van de ChristenUnie.
Amerikaanse conservatieven zien in het presidentschap van Bush de definitieve teloorgang – aangekondigd in flims als Metropolitan van Whit Stillman – van de cultuur van de WASP, de White Anglo-Saxon Protestant. Dat brengt een gevoel van verlies met zich mee waarvoor domme hoon – vergelijkbaar met de triomfantelijke toon van Herman Wijffels bij het uitbreken van de kredietcrisis - pijnlijk is.
Irak is weer iets geheel anders. Een mix van argumenten die zowel in de promotie van democratie, humanitaire interventie, verzet tegen nucleaire proliferatie en het opleggen van VN-resoluties bestond, heeft de Verenigde Staten doen besluiten Irak binnen te vallen. Deze vorm van Wilsonianisme had de instemming van alle vooraanstaande Democraten, terwijl veel traditionele conservatieven haar afwezen. Het land leek af te glijden naar een totale burgeroorlog, maar de surge (de inzet van extra troepen) van vorig jaar heeft een situatie geschapen waarin weer over de toekomst kan worden nagedacht. Zo heeft Bush een verdrag gesloten met de Iraakse premier al-Maliki over de terugtrekking van de Amerikaanse troepen in 2011. Bush begrijpt in ieder geval dat er zoiets bestaat als het kwaad, en dat je, als je een vijand hebt omdat iemand jou nu eenmaal tot zijn vijand heeft bestempeld, de methode-Israël aanbeveling verdient: je wacht niet af om te bezien wat die vijand gaat doen, maar je valt hem aan voordat hij jou (opnieuw) schade kan toebrengen.
(Tussen haakjes: in Bush vallen ook zijn atletische capaciteiten te prijzen. In rust heeft Bush een hartslag van 45. Zo snel als hij reageerde op de schoenen die op die persconferentie naar hem werden gegooid, dat doet geen reformatorisch filosoof hem na.)
Ik weet niet of Hoogland wel eens in Amerika komt, en zo ja, of hij dan wel eens een goede conservatief spreekt, maar alles in zijn stuk wijst op het tegendeel. Zo gebruikt hij het woord ‘neoconservatief’ zonder ook maar één keer de indruk te wekken dat hij weet wat dat is. Hij verwijt conservatieven een ‘nogal kritiekloze’ verdediging van het vrije spel van de economische krachten, terwijl conservatieven altijd, voor zowel de rechtsstaat als de vrije markt, het belang hebben benadrukt van een cultureel fundament van waarden en deugden, die (o.a.) een ondeugd als de hebzucht breidelen. Hij verwijt Bush dat deze in zijn oorlog tegen het terrorisme heeft vergeten dat er altijd iets goeds in het kwade aanwezig is. Er zijn meer mensen dan Bush alleen die moeite hebben gehad om dat goede in het kwaad van het islamitisch terrorisme te ontwaren. Hij denkt dat conservatieven geen zelfkritiek meer kunnen opbrengen. Maar al jaren is binnen het Amerikaans conservatisme een invloedrijke beweging actief die van mening is dat de lange periode van macht het conservatisme heeft gecorrumpeerd en dat een herbronning hoogst noodzakelijk is. Daartoe worden nu ook nieuwe instituten opgericht.
Hoogland beschuldigt Bush ervan dat door zijn blunders de erosie van de westerse beschaving is ingezet. Maar anderzijds is Hoogland ook wel weer blij met die blunders van Bush. Hij vindt namelijk dat het misplaatste zelfvertrouwen en het morele superioriteitsgevoel van de Amerikaanse regering het Westen in een isolement en een kwaad daglicht hebben gemanoeuvreerd en dat zou best wel eens heel goed voor het Westen kunnen zijn. ‘Wij’ zullen meer rekening moeten gaan houden met anderen, onze rol zal minder dominant zijn en we zullen ‘een stukje’ moeten inleveren van onze ‘ongekende en onevenredige welvaart’.
Na die slotzin drong de conclusie van Nozick zich wel erg nadrukkelijk aan mij op. Iemand iets verwijten terwijl je met de consequenties ervan eigenlijk wel blij bent. De erosie van de westerse beschaving eigenlijk omhelzen, en de ‘morele kracht van opkomende beschavingen’ als China en Rusland prijzen. Je moet waarschijnlijk heel veel Adorno hebben gelezen om deze dialectiek te kunnen waarderen. Maar ik weet niet wat hier ‘reformatorisch’ aan is, ik weet zelfs niet wat hier progressief aan is, ik weet wel dat zich hier het verraderlijke van de progressieve klerk aandient.
In het Nederlands Dagblad van zaterdag 3 januari reageer ik op een artikel over Bush dat een minimum aan kennis met een maximum aan linkse onzin combineert. Hieronder de tekst van mijn reactie.
De Amerikaanse filosoof Robert Nozick heeft eens, in een beroemd geworden essay, de vraag aan de orde gesteld waarom intellectuelen toch zo vaak links zijn. Nozick’s antwoord komt erop neer dat slimme jongetjes in de samenleving vaak niet de erkenning krijgen die ze op school en de universiteit wel kregen. Topondernemers, topsporters en succesvolle politici zijn vaak niet de besten van de klas, maar verwerven in hun latere leven een sociale status waar geleerden en journalisten alleen maar van kunnen dromen. En dat terwijl zij toch zo veel intelligenter waren! Het daaruit voortvloeiende ressentiment doet hen als vanzelf in het progressieve kamp belanden.
Tijdens het lezen van het hierbij gaande artikel van Jan Hoogland heb ik steeds aan het essay van Nozick moeten denken. In de maand waarin Obama als de nieuwe president van de Verenigde Staten zal aantreden en de huidige president het Witte Huis zal verlaten, is het grote Bush-bashen begonnen. Hoogland doet daar ijverig aan mee. Als doctor in de filosofie, gepromoveerd op de metafysica van Theodor Adorno – met zijn boek over De dialectiek van de Verlichting de linkse criticus van de ‘repressieve, kapitalistische maatschappij’- en docent ‘reformatorische wijsbegeerte’ aan een zich universiteit noemende hogeschool in het oosten des lands, heeft hij voor het domme en rijke patriciërszoontje George ‘Double You’ Bush alleen maar hoon over. Dat mag natuurlijk, maar het is allemaal niet erg overtuigend: Hoogland presenteert zijn stelling niet alleen op een toon van diepe minachting, maar is ook beschamend slecht geïnformeerd en is in zijn eindconclusie verraderlijk.
Evenals de meeste Amerikaanse conservatieven, ben ik kritisch, en dat al jaren, op het presidentschap van Bush. Hij heeft natuurlijk goede dingen gedaan: hij heeft de belastingen verlaagd, voor conservatieve rechters in het Hooggerechtshof gezorgd en bij kwesties rondom abortus en stamcelonderzoek een helder pro-life standpunt ingenomen. Maar het is niet zo moeilijk daar een lijstje van links-progressieve zonden tegenover te stellen. Zo heeft Bush de overheidsuitgaven doen exploderen en heeft hij de rol van de federale overheid in Washington op terreinen als onderwijs en gezondheidszorg doen toenemen. Wat dat laatste betreft zou hij het dus niet slecht doen als leider van de ChristenUnie.
Amerikaanse conservatieven zien in het presidentschap van Bush de definitieve teloorgang – aangekondigd in flims als Metropolitan van Whit Stillman – van de cultuur van de WASP, de White Anglo-Saxon Protestant. Dat brengt een gevoel van verlies met zich mee waarvoor domme hoon – vergelijkbaar met de triomfantelijke toon van Herman Wijffels bij het uitbreken van de kredietcrisis - pijnlijk is.
Irak is weer iets geheel anders. Een mix van argumenten die zowel in de promotie van democratie, humanitaire interventie, verzet tegen nucleaire proliferatie en het opleggen van VN-resoluties bestond, heeft de Verenigde Staten doen besluiten Irak binnen te vallen. Deze vorm van Wilsonianisme had de instemming van alle vooraanstaande Democraten, terwijl veel traditionele conservatieven haar afwezen. Het land leek af te glijden naar een totale burgeroorlog, maar de surge (de inzet van extra troepen) van vorig jaar heeft een situatie geschapen waarin weer over de toekomst kan worden nagedacht. Zo heeft Bush een verdrag gesloten met de Iraakse premier al-Maliki over de terugtrekking van de Amerikaanse troepen in 2011. Bush begrijpt in ieder geval dat er zoiets bestaat als het kwaad, en dat je, als je een vijand hebt omdat iemand jou nu eenmaal tot zijn vijand heeft bestempeld, de methode-Israël aanbeveling verdient: je wacht niet af om te bezien wat die vijand gaat doen, maar je valt hem aan voordat hij jou (opnieuw) schade kan toebrengen.
(Tussen haakjes: in Bush vallen ook zijn atletische capaciteiten te prijzen. In rust heeft Bush een hartslag van 45. Zo snel als hij reageerde op de schoenen die op die persconferentie naar hem werden gegooid, dat doet geen reformatorisch filosoof hem na.)
Ik weet niet of Hoogland wel eens in Amerika komt, en zo ja, of hij dan wel eens een goede conservatief spreekt, maar alles in zijn stuk wijst op het tegendeel. Zo gebruikt hij het woord ‘neoconservatief’ zonder ook maar één keer de indruk te wekken dat hij weet wat dat is. Hij verwijt conservatieven een ‘nogal kritiekloze’ verdediging van het vrije spel van de economische krachten, terwijl conservatieven altijd, voor zowel de rechtsstaat als de vrije markt, het belang hebben benadrukt van een cultureel fundament van waarden en deugden, die (o.a.) een ondeugd als de hebzucht breidelen. Hij verwijt Bush dat deze in zijn oorlog tegen het terrorisme heeft vergeten dat er altijd iets goeds in het kwade aanwezig is. Er zijn meer mensen dan Bush alleen die moeite hebben gehad om dat goede in het kwaad van het islamitisch terrorisme te ontwaren. Hij denkt dat conservatieven geen zelfkritiek meer kunnen opbrengen. Maar al jaren is binnen het Amerikaans conservatisme een invloedrijke beweging actief die van mening is dat de lange periode van macht het conservatisme heeft gecorrumpeerd en dat een herbronning hoogst noodzakelijk is. Daartoe worden nu ook nieuwe instituten opgericht.
Hoogland beschuldigt Bush ervan dat door zijn blunders de erosie van de westerse beschaving is ingezet. Maar anderzijds is Hoogland ook wel weer blij met die blunders van Bush. Hij vindt namelijk dat het misplaatste zelfvertrouwen en het morele superioriteitsgevoel van de Amerikaanse regering het Westen in een isolement en een kwaad daglicht hebben gemanoeuvreerd en dat zou best wel eens heel goed voor het Westen kunnen zijn. ‘Wij’ zullen meer rekening moeten gaan houden met anderen, onze rol zal minder dominant zijn en we zullen ‘een stukje’ moeten inleveren van onze ‘ongekende en onevenredige welvaart’.
Na die slotzin drong de conclusie van Nozick zich wel erg nadrukkelijk aan mij op. Iemand iets verwijten terwijl je met de consequenties ervan eigenlijk wel blij bent. De erosie van de westerse beschaving eigenlijk omhelzen, en de ‘morele kracht van opkomende beschavingen’ als China en Rusland prijzen. Je moet waarschijnlijk heel veel Adorno hebben gelezen om deze dialectiek te kunnen waarderen. Maar ik weet niet wat hier ‘reformatorisch’ aan is, ik weet zelfs niet wat hier progressief aan is, ik weet wel dat zich hier het verraderlijke van de progressieve klerk aandient.
30.12.08
Deugden
Ondanks – of beter: dankzij – de kredietcrisis heeft een gevoel van opluchting zich opzichtig meester gemaakt van onze politieke kaste en alle geledingen die daar omheen cirkelen. Die opluchting is ingegeven door de gedachte dat de kredietcrisis tot een geheel nieuwe discussie leidt en dat dit gunstig is voor links. De vorige discussie, dat was het langdurige en harde debat over immigratie en integratie dat de ‘ondraaglijke leegte’ van links heeft blootgelegd. Het nieuwe debat daarentegen gaat over het ‘falen’ van de markt, over de zegeningen van overheidsingrijpen en sterker staatstoezicht en toont (eindelijk weer eens) het gelijk van links aan.
In de nieuwe wereld die wij eind 2008 zijn binnengetreden maken Wilders en Verdonk plaats voor Bos en Halsema, en Cliteur en Bolkestein voor Schnabel en Pels. We gaan weer sparen in plaats van beleggen, verruilen de Hummer voor een Prius, de gloeilamp voor een spaarlamp, liberalisme voor socialisme, ABN voor Triodos, managers voor ambtenaren. We kopen geen nieuwe schoenen maar laten onze oude verzolen, smijten niet met geld in een warenhuis maar surfen over marktplaats.nl, gooien kapotte spullen niet zomaar weg maar laten die nog een keer repareren. Kortom, in de nieuwe wereld is voor de ‘rechtse heb- en spilzucht’ geen plaats meer, gaan we weer eerlijk delen en verdelen en nivelleren en ondernemers, beleggers en bankiers streng controleren. En dat lastige electoraat zal nu toch wel inzien dat het zich de luxe van het ongenoegen over de politiek niet langer kan permitteren.
Dit althans is de boodschap die we dagelijks zien, horen en lezen, op tv, radio en in kranten en weekbladen. Klopt die boodschap ook?...
Lees mijn antwoord in mijn column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
In de nieuwe wereld die wij eind 2008 zijn binnengetreden maken Wilders en Verdonk plaats voor Bos en Halsema, en Cliteur en Bolkestein voor Schnabel en Pels. We gaan weer sparen in plaats van beleggen, verruilen de Hummer voor een Prius, de gloeilamp voor een spaarlamp, liberalisme voor socialisme, ABN voor Triodos, managers voor ambtenaren. We kopen geen nieuwe schoenen maar laten onze oude verzolen, smijten niet met geld in een warenhuis maar surfen over marktplaats.nl, gooien kapotte spullen niet zomaar weg maar laten die nog een keer repareren. Kortom, in de nieuwe wereld is voor de ‘rechtse heb- en spilzucht’ geen plaats meer, gaan we weer eerlijk delen en verdelen en nivelleren en ondernemers, beleggers en bankiers streng controleren. En dat lastige electoraat zal nu toch wel inzien dat het zich de luxe van het ongenoegen over de politiek niet langer kan permitteren.
Dit althans is de boodschap die we dagelijks zien, horen en lezen, op tv, radio en in kranten en weekbladen. Klopt die boodschap ook?...
Lees mijn antwoord in mijn column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
22.12.08
Het Gelijk van Links?
Vanmiddag ging ik op Radio 1 (Villa VPRO) in debat met Dick Pels (Waterlandstichting) en Femke Halsema (GroenLinks) over het vermeende 'Gelijk van Links' naar aanleiding van de kredietcrisis. De uitzending is hier nogmaals te beluisteren.
21.12.08
Karel en Ehsan
Een van de meest verheffende gebeurtenissen van dit jaar is ongetwijfeld de verschijning van de eerste twee delen van het Verzameld Werk van de geleerde en essayist Karel van het Reve (1921 – 1999). Van het Reve was, zoals bekend, hoogleraar in Leiden, maar hij schreef niet alleen een Geschiedenis van de Russische literatuur, maar ook tal van polemische artikelen over uiteenlopende zaken als het geloof in Freud en in Darwin. Belangrijker nog dan die onderwerpkeuze is de stijl waarin hij zijn stukken schreef. Van het Reve geldt terecht als een wonder van leesbaarheid. Hij schreef zo helder en eenvoudig dat iedereen warempel kon begrijpen wat hij bedoelde, en dat maakte hem voor vakgenoten vaak wat verdacht.
De kranten hebben het afgelopen weekeinde veel aandacht aan de publicatie van die eerste twee delen besteed. De zaterdagbijlage Letter & Geest van Trouw (geredigeerd door Elma Drayer, die ook bij de uitgave van Van het Reve’s Verzameld Werk betrokken is) deed dat onder andere door de herdruk van het betoog ‘Achterlijke artikelen’ dat Van het Reve in maart 1989 in het weekblad Elsevier publiceerde. Daarin fileert Van het Reve op virtuoze wijze, aldus Elma Drayer, ‘de angsthazige reacties in Nederland op de fatwa die ayatollah Khomeini in februari 1989 had uitgesproken over de schrijver Salman Rushdie. Geen goed woord heeft hij over voor het “begrip” dat de westerse wereld toen al toonde voor de lange tenen van moslimgelovigen […] Wat Karel van het Reve’s bijdrage zou zijn geweest aan het hedendaagse “volkomen dolgedraaide” integratiedebat zullen wij nimmer weten. Maar wie dit betoog leest, hoeft daar niet héél lang naar te raden.’
Bijna twintig jaar later hebben wij ondertussen niet te maken met een serieuze roman (Rushdie’s De duivelsverzen) maar na Ayaan’s Submission met twee filmpjes: die van Geert Wilders (Fitna) en van Ehsan Jami (Interview with Muhammed). Wilders benut het kerstreces om zijn film op een tournee te promoten, rondom Ehsan Jami is het inmiddels al weer stil geworden. Jami (1985) werd nationaal bekend omdat hij in Nederland een comité voor ex-moslims oprichtte. Dat leidde tot conflicten met zijn partij, de PvdA, waarvoor hij in de gemeenteraad van Voorschoten zat.
In zijn kritiek op de islam koos Jami aanvankelijk, aan de hand genomen door Wilders, voor de overtreffende trap. Mohammed was eerst een ‘crimineel’ en een ‘verschrikkelijke man’, later vergeleek hij hem met Hitler. In de film die Jami vorige week in Nieuwspoort heeft laten zien, is de toon geheel anders. Er valt heel veel negatiefs over die film te zeggen. Artistiek gezien is de film volledig mislukt. Wat al die ‘internationale kunstenaars’ die volgens Jami bij de totstandkoming van het Interview betrokken zijn geweest, de afgelopen maanden hebben zitten doen, blijft onduidelijk. De humor is onbegrijpelijk. En Jami zelf is zo vaak in beeld dat de vermoedens over zijn narcisme er niet minder van worden.
Vandaar dat de reacties tamelijk vernietigend waren. Moslimorganisaties spraken van een ‘krachteloos niemendalletje’. Anderen vergeleken de film met een protestantse catechisatie voor twaalfjarigen, ‘dat intellectuele niveau ongeveer’.
Maar kritiek op de ‘artistieke’ kwaliteit van films als Submission, Fitna en Interview is vaak een andere manier om te zeggen dat de makers ons land in gevaar brengen, niet degenen die er zo boos door worden dat ze om zich heen gaan slaan. En bovendien zit er één belangrijk element in Jami’s film: zijn poging om de oorspronkelijke boodschap van de Koran te verklaren vanuit de historische context waarin Mohammed optrad en waarin de Koran is ontstaan. Met die historische relativering zijn ook alle veranderingen in de christelijke traditie begonnen, om precies te zijn met onze landgenoot Eramus die 500 jaar geleden ontdekte dat je de oorspronkelijke tekst van de Bijbel volgens de historisch-kritische methode moet lezen. Als die hermeneutiek binnen de islam ingang vindt, geraken we een eind op de goede weg.
Wie die film van Jami zo nog eens bekijkt, en deze Kerstvakantie niet alleen benut om de prachtige Erasmustentoonstelling in het Rotterdamse museum Boijmans van Beuningen te bezoeken maar ook de eerste twee delen Karel van het Reve te gaan lezen, richt zich dus op activiteiten die onderling geheel logisch samenhangen en het jaar waardig afsluiten.
*) Deze column verscheen eerder in Binnenlands Bestuur.
De kranten hebben het afgelopen weekeinde veel aandacht aan de publicatie van die eerste twee delen besteed. De zaterdagbijlage Letter & Geest van Trouw (geredigeerd door Elma Drayer, die ook bij de uitgave van Van het Reve’s Verzameld Werk betrokken is) deed dat onder andere door de herdruk van het betoog ‘Achterlijke artikelen’ dat Van het Reve in maart 1989 in het weekblad Elsevier publiceerde. Daarin fileert Van het Reve op virtuoze wijze, aldus Elma Drayer, ‘de angsthazige reacties in Nederland op de fatwa die ayatollah Khomeini in februari 1989 had uitgesproken over de schrijver Salman Rushdie. Geen goed woord heeft hij over voor het “begrip” dat de westerse wereld toen al toonde voor de lange tenen van moslimgelovigen […] Wat Karel van het Reve’s bijdrage zou zijn geweest aan het hedendaagse “volkomen dolgedraaide” integratiedebat zullen wij nimmer weten. Maar wie dit betoog leest, hoeft daar niet héél lang naar te raden.’
Bijna twintig jaar later hebben wij ondertussen niet te maken met een serieuze roman (Rushdie’s De duivelsverzen) maar na Ayaan’s Submission met twee filmpjes: die van Geert Wilders (Fitna) en van Ehsan Jami (Interview with Muhammed). Wilders benut het kerstreces om zijn film op een tournee te promoten, rondom Ehsan Jami is het inmiddels al weer stil geworden. Jami (1985) werd nationaal bekend omdat hij in Nederland een comité voor ex-moslims oprichtte. Dat leidde tot conflicten met zijn partij, de PvdA, waarvoor hij in de gemeenteraad van Voorschoten zat.
In zijn kritiek op de islam koos Jami aanvankelijk, aan de hand genomen door Wilders, voor de overtreffende trap. Mohammed was eerst een ‘crimineel’ en een ‘verschrikkelijke man’, later vergeleek hij hem met Hitler. In de film die Jami vorige week in Nieuwspoort heeft laten zien, is de toon geheel anders. Er valt heel veel negatiefs over die film te zeggen. Artistiek gezien is de film volledig mislukt. Wat al die ‘internationale kunstenaars’ die volgens Jami bij de totstandkoming van het Interview betrokken zijn geweest, de afgelopen maanden hebben zitten doen, blijft onduidelijk. De humor is onbegrijpelijk. En Jami zelf is zo vaak in beeld dat de vermoedens over zijn narcisme er niet minder van worden.
Vandaar dat de reacties tamelijk vernietigend waren. Moslimorganisaties spraken van een ‘krachteloos niemendalletje’. Anderen vergeleken de film met een protestantse catechisatie voor twaalfjarigen, ‘dat intellectuele niveau ongeveer’.
Maar kritiek op de ‘artistieke’ kwaliteit van films als Submission, Fitna en Interview is vaak een andere manier om te zeggen dat de makers ons land in gevaar brengen, niet degenen die er zo boos door worden dat ze om zich heen gaan slaan. En bovendien zit er één belangrijk element in Jami’s film: zijn poging om de oorspronkelijke boodschap van de Koran te verklaren vanuit de historische context waarin Mohammed optrad en waarin de Koran is ontstaan. Met die historische relativering zijn ook alle veranderingen in de christelijke traditie begonnen, om precies te zijn met onze landgenoot Eramus die 500 jaar geleden ontdekte dat je de oorspronkelijke tekst van de Bijbel volgens de historisch-kritische methode moet lezen. Als die hermeneutiek binnen de islam ingang vindt, geraken we een eind op de goede weg.
Wie die film van Jami zo nog eens bekijkt, en deze Kerstvakantie niet alleen benut om de prachtige Erasmustentoonstelling in het Rotterdamse museum Boijmans van Beuningen te bezoeken maar ook de eerste twee delen Karel van het Reve te gaan lezen, richt zich dus op activiteiten die onderling geheel logisch samenhangen en het jaar waardig afsluiten.
*) Deze column verscheen eerder in Binnenlands Bestuur.
Het Gelijk van Links?
Maandagmiddag (22 december) ben ik te gast bij het VPRO-programma 'Villa VPRO' op radio 1 om met Dick Pels en Femke Halsema te debatteren over Het Gelijk van Links, naar aanleiding van de kredietcrisis.
Beluister de uitzending live op Radio 1 vanaf 15:30 uur.
Beluister de uitzending live op Radio 1 vanaf 15:30 uur.
19.12.08
Kerstcolumn
Ah, het einde van het jaar! De tijd van korte, donkere dagen en lange avonden, van kou en haardvuur, misschien wel van vorst en sneeuw, van boeken en wijn, van familiebezoek, oude tradities en andere feesten, en, als het even lijden kan, van wat vrije dagen.
Zelf ga ik dezer dagen de fantastische, naar men mij heeft verzekerd, tentoonstelling over Erasmus in museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam bezoeken.
En ook, zoals elke winter, het volledige oeuvre van J.B. Schuil herlezen. Schuil (1875-1960) is de auteur van nooit verbeterde jongensboeken met titels als De AFC’ers, De Katjangs, Rob en de stroper van Tjot- Idi en, mijn favoriet, Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen: ridderlijke boeken over voetballende jongens, eerlijk bedreven kattenkwaad, slechte rapporten, dreigende verboden door strenge vaders, ontsnappingen met lakens uit slaapkamers en overwinningen in de laatste minuten. Ik wantrouw, eerlijk gezegd, iedere man, en zeker iedere vader, die Schuil niet eens per jaar herleest. ...
Lees de rest van mijn column in het speciale Kerstnummer van Elsevier. Abonneren kan hier.
Zelf ga ik dezer dagen de fantastische, naar men mij heeft verzekerd, tentoonstelling over Erasmus in museum Boijmans Van Beuningen te Rotterdam bezoeken.
En ook, zoals elke winter, het volledige oeuvre van J.B. Schuil herlezen. Schuil (1875-1960) is de auteur van nooit verbeterde jongensboeken met titels als De AFC’ers, De Katjangs, Rob en de stroper van Tjot- Idi en, mijn favoriet, Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen: ridderlijke boeken over voetballende jongens, eerlijk bedreven kattenkwaad, slechte rapporten, dreigende verboden door strenge vaders, ontsnappingen met lakens uit slaapkamers en overwinningen in de laatste minuten. Ik wantrouw, eerlijk gezegd, iedere man, en zeker iedere vader, die Schuil niet eens per jaar herleest. ...
Lees de rest van mijn column in het speciale Kerstnummer van Elsevier. Abonneren kan hier.
16.12.08
Winterschool 2009
De volgende inleiding in het conservatisme voor studenten in het kader van het studentprogramma van de Edmund Burke Stichting is de eendaagse Winterschool die op 23 Januari 2009 zal plaatshebben, met docenten als Diederik Boomsma en Andreas Kinneging. Ik zal ook spreken op de Winterschool.
Thema van de Winterschool is: Conservatisme & de Westerse Beschaving. De bijeenkomst is bedoeld voor enthousiaste studenten, promovendi en recent afgestudeerden met affiniteit voor het conservatisme. Voorkennis is niet vereist. De Winterschool is vooral geschikt voor wie nooit eerder een programma in het kader van het EBS-studentprogramma heeft gevolgd. Aanmelden kan door het sturen, voor 31 december a.s., van een c.v. en een motivering naar: info@burkestichting.nl
Thema van de Winterschool is: Conservatisme & de Westerse Beschaving. De bijeenkomst is bedoeld voor enthousiaste studenten, promovendi en recent afgestudeerden met affiniteit voor het conservatisme. Voorkennis is niet vereist. De Winterschool is vooral geschikt voor wie nooit eerder een programma in het kader van het EBS-studentprogramma heeft gevolgd. Aanmelden kan door het sturen, voor 31 december a.s., van een c.v. en een motivering naar: info@burkestichting.nl
11.12.08
Gematigden
In een week waarin Ehsan Jami met zijn film over Mohammed in de publiciteit kwam en Geert Wilders aankondigde dat hij met Fitna op een internationale tournee gaat, komt ook een grote groep Marokkaanse Nederlanders bijeen, zaterdag in Utrecht. Zij willen als ‘nieuwe generatie’ en geïnspireerd door hun islamitische geloof een bijdrage leveren aan een toekomstvisie voor Nederland in 2023. Ze willen daarmee een einde maken aan de ‘negatieve spiraal van angst, wantrouwen en de waan van de dag’.
Spannend dus...
Lees de rest van mijn column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
Spannend dus...
Lees de rest van mijn column in de nieuwe Elsevier. Abonneren kan hier.
4.12.08
Restauratie
De Volkskrant, misschien wel de beste krant van Nederland, heeft sinds drie jaar de gewoonte iemand tot ‘de meest invloedrijke Nederlander’ uit te roepen. Evenals vorig jaar is dat dit jaar Alexander Rinnooy Kan, de 59-jarige voorzitter van de Sociaal-Economische Raad. Rinnooy Kan is dus niet de machtigste of de belangrijkste of de voorbeeldigste Nederlander, maar de invloedrijkste: hij is een spin in het grote netwerk van besturen, raden en commissies dat de ‘schaduwmacht’ van Nederland vormt, en voert dus de bestuurlijke elite aan. Hij zit overal aan tafel, praat overal mee, geeft raad en advies, stuurt en bestuurt, is koning van de polder.
Ik denk dat de heer Rinnooy Kan een aimabel persoon is, rustig, weloverwogen, misschien zelfs wel doordrongen van het feit dat het van belang is om je bescheiden te presenteren.
Maar tegelijkertijd zou je ook willen weten hoe zo’n man, die zoveel invloed heeft, en de vertegenwoordiger bij uitstek is van een kleine elite die nadrukkelijk een stempel op de samenleving zet – hoe zo’n man in elkaar zit, wat zijn opvattingen zijn....
Lees de rest in mijn column in de nieuwe Elsevier.
Ik denk dat de heer Rinnooy Kan een aimabel persoon is, rustig, weloverwogen, misschien zelfs wel doordrongen van het feit dat het van belang is om je bescheiden te presenteren.
Maar tegelijkertijd zou je ook willen weten hoe zo’n man, die zoveel invloed heeft, en de vertegenwoordiger bij uitstek is van een kleine elite die nadrukkelijk een stempel op de samenleving zet – hoe zo’n man in elkaar zit, wat zijn opvattingen zijn....
Lees de rest in mijn column in de nieuwe Elsevier.
Subscribe to:
Posts (Atom)