21.7.07

Meer invloed overheid op gezin gevaarlijk

De plannen van minister Rouvoet tasten de soevereiniteit van het gezin aan stelde ik eerder in een stuk op de opiniepagina van het RD. SGP-wethouder Van Duijn noemde dat in een reactie onzin en sprak van „ideologische verblinding” bij Spruyt. Hieronder mijn repliek .

De heer Van Duijn heeft mij verwaardigd met een reactie op mijn artikel op deze pagina. Laat ik zijn geëmotioneerde betoog puntsgewijs weerleggen.

Ten eerste, ik zou Rouvoet hebben overschat omdat wat hij nu naar voren brengt al jaren in de maak is of hier en daar zelfs al beleid is. Het is van tweeën één. Of je trekt honderd dagen het land in en roept aan het einde van die periode de media bij je om je nieuwe plannen te ontvouwen met betrekking tot de jeugdzorg, waaronder het plan voor die elektronische dossiers voor ieder kind in Nederland. Of je zegt na honderd dagen ’dialoog’ dat je eigenlijk niets nieuws hebt kunnen verzinnen en dat je gewoon gaat uitvoeren wat je voorgangers hebben verzonnen. Maar eerst stampij maken, en daarna bij het eerste zuchtje tegenwind zeggen dat je eigenlijk niets nieuws toevoegt en dat er niets aan de hand is, dat kan niet.

Ten tweede, ik zou vooral de heer Van Duijn en consorten aanvallen, terwijl die al zo lang bezig zijn met hun zegenrijke werk voor „kwetsbare jongeren.” De heer Van Duijn zal wel van mij willen aannemen dat ik geen voorstander ben van kindermishandeling of een tegenstander van effectief handelen, zelfs niet van ambtenaren. Ook begrijp ik dat bepaalde instanties in bepaalde situaties moeten ingrijpen. Maar de voorliggende plannen (van wie die ook zijn) gaan veel verder. Zoals consultatiebureaus nu al elektronische dossiers aanleggen met medische gegevens van alle kinderen, zo gaat de overheid nu ook elektronische dossiers aanleggen met gegevens over de sociale omgeving van álle kinderen, in álle gezinnen.

Bij ieder fatsoenlijk christenmens lopen dan natuurlijk de rillingen over de rug. Want een overheid wil altijd meer, zoals ook Van Duijn zelf laat zien door gelijk maar weer meer subsidie te vragen. En subsidies zijn belastinggeld, geld dus waar gewone mensen hard voor werken. Ze willen niet alleen altijd weer meer belasting heffen, ze willen de burger het liefst ook naar een eigen ideologisch model herscheppen. Nu hebben we Rouvoet -en die zou in de praktijk nog een beetje kunnen meevallen-, maar wie krijgen we straks? En wat gaat er dan allemaal onder ’risico’s’ vallen?

Drie. Van Duijn verwijt mij „ideologische verblinding”, maar geeft daarmee slechts aan zelf de weg volledig kwijt te zijn. Problemen in gezinnen en met jongeren ontstaan niet omdat de overheid geen goed jeugdbeleid voert, maar worden veroorzaakt door een scala aan culturele gebreken: echtscheidingen, onmatigheid, egoïsme, gebrek aan zelfbeheersing, het wegvallen van institutionele verbanden waarin dergelijke problemen voorheen werden aangepakt. Wanneer er geen mentaliteitsverandering (culturele omslag) komt die dit corrigeert, kan de overheid doen wat ze denkt te moeten doen, maar blijft het dweilen met de kraan open. En die dweil is ook nog eens vies, en waar de kraan zit (en of er überhaupt een kraan is), dat schijnt zelfs een SGP-wethouder niet meer te weten.

Want zo maakt Van Duijn zich bekend: als SGP-wethouder, terwijl hij tegelijk om meer subsidies vraagt en denkt dat de overheid opvoedingsproblemen kan oplossen. De heer Van Duijn heeft geluk dat ik geen voorzitter van de SGP ben, anders moest hij rap op zoek naar een echte baan.

*) Eerder verschenen in het Reformatorisch Dagblad.

20.7.07

Pantoffelhelden

Naar aanleiding van mijn radio-interview op BNR ben ik op internet overladen met kritiek. Ik word verweten geen conservatief meer te zijn, en daarom 'geen ballen' te hebben, me in de kijker te willen spelen bij 'de oude hap', dat ik achter een ideologie wil 'aanhobbelen' enzovoorts. Dit alles wordt te berde gebracht door lieden die schuilen achter pseudoniemen als 'Duns Ouray', 'alex', 'WieboXL', 'Auke' en 'Cromwell.'

Eerlijk gezegd ben ik het helemaal zat, die lui die anononiem op zulke sites zitten te schelden op iemand die, altijd onder eigen naam opererend, met een bloedneus het strijdperk heeft moeten verlaten en dan hem een gebrek aan ballen verwijten.

En voor degenen die het interesseert: als je goed geluisterd had naar die radio-uitzending had je kunnen horen dat ik helemaal geen afscheid heb genomen van het conservatisme maar juist niet wil dat een politieke filosofie versteent tot een dogmatische ideologie, die je net zo van de werkelijkheid vervreemdt als om het even welke andere ideologie.

18.7.07

Alleen voor echte jongens

Recensie van, Gonn & Hal Iggulden, The Dangerous Book for Boys, Collins € 17,50

Even als jongens onder elkaar: het beste nieuws van 2007 is nu al een feit. Er is een geweldig boek verschenen, een boek dat in Amerika en Engeland al een bestseller is, dat in Nederland – het kan niet anders – ook gaat worden, maar waarmee onze autoriteiten nog het nodige te stellen zullen krijgen.

Het is een boek voor echte jongens, en voor hen alleen. Het zou mij niet verbazen wanneer Balkenende naar aanleiding van dit boek de censuur weer invoert en het boek laat verbieden. Wanneer de nieuwe opvoedpolitie van André Rouvoet binnenkort de wijken doorgaat en overal zal aankloppen om te zien of zich achter de voordeur zaken voltrekken die de staat als risicovol inschat voor de ontwikkeling van uw zo(o)n(en) tot modelburgers, zullen zij uw matrassen oplichten en kasten doorzoeken, en u dwingen tot een heel lange opvoedcursus wanneer zij dit boek in uw huis zullen aantreffen. Zij zullen uw zo(o)n(en) uit de ouderlijke macht ontzetten, en hen onderbrengen in een opvangcentrum waar juffrouwen uw zo(o)n(en) zullen heropvoeden door ze te leren vooral weer over hun gevoelens te praten, over relaties en emoties, en hoe ze moeten huilen.

Bij de ingang zullen de jongens hun zakken moeten leegmaken en hun zakmessen, kompassen, touwen en vergrootglazen moeten inleveren. De boeken die zij hebben meegebracht, boeken die van grootse avonturen verhalen met alleen mannen in de hoofdrol, van heroïsche veldslagen en van de geschiedenis van de artillerie, zullen zij aan het vuur moeten afstaan. Balkenende zelf zal dat komen ontsteken, en in een plechtige toespraak melden dat met deze daad een belangrijke stap voorwaarts is gezet in het herstel van waarden en normen in het vaderland. Als gastspreekster zal Stine Jensen aantreden, en zij zal de recensie voorlezen die zij vrijdags daarvoor in de boekenbijlage van het Handelsblad heeft gepubliceerd. Weg met de natuur!, zal zij uitroepen, weg met die rechtse boeken die jongens tot apenrotsbewoners dreigen op te voeden. En André Rouvoet zal ontroerd toekijken, en een euforisch moment van late genoegdoening smaken: al 30 jaar haat hij ze, die jongens van vroeger die wel een meisje konden krijgen, een bal konden raken en niet in een te strakke gymbroek rondliepen. Eindelijk wraak op al die jongens die hem toen zo pestten omdat hij alleen maar de beste van de klas was en klikte als hij zag dat ze een zakmes hadden of stiekem rookten.

We staan dus, jongens, aan de vooravond van een ongekende clash. En daarom, vaders van Nederland: nu kan het nog, nu is het boek nog verkrijgbaar, spoed u dus naar de winkel, koop The Dangerous Book for Boys, geschreven door Gonn en Hal Iggulden (twee Engelse broers), en vraag uw grootvaders waar en hoe zij in de Tweede Wereldoorlog hun dierbaarste bezittingen verstopten, en verberg daar dit boek dat u de rest van uw leven zal begeleiden.

Ik zag het boek voor het eerst in een boekwinkel in de Verenigde Staten. Het boek lag in hoge stapels op de toonbanken, en ik zag rijen mannen (zonder overdrijving) van 8 tot 80 jaar oud met gepaste trots één of meerdere exemplaren aanschaffen. Nieuwsgierig geworden pakte ik er ook één van een van de stapels, en hield een gebonden boek in groot formaat in mijn handen, met een vormgeving en typografie alsof het voor de oorlog was verschenen. Ik sloeg het open en las een instructieve passage waarin werd uitgelegd hoe je als jongen een konijn vangt, doodt, vilt en braadt. Ik bladerde naar het begin van het boek, en las een uitstekend hoofdstuk over de ‘standaarduitrusting’ van elke echte jongen: het Zwitserse legerzakmes, een kompas, lucifers, vishaken en een vergrootglas. Bij ‘vergrootglas’ las ik: ‘Van algemeen nut. Kan ook gebruikt worden om vuur mee te maken’.

Met andere woorden: ik stond met een boek in mijn handen dat herinneringen opriep aan je eigen jongensjaren, van eindeloos lange middagen die met sport, vechten en spel werden doorgebracht, en die eindigden in gemoedelijk gemopper van je moeder op hoe je er weer uitzag, in een voedzame maaltijd en het lezen van alle boeken van J. B. Schuil (Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen), en in pogingen om jezelf net zo te harden als die ontdekkingsreizigers waar de meester over voorlas door ’s winters naakt op de dekens te gaan liggen onder een openstaand raam.
Maar zo’n boek als dit hadden we toen niet.

Ik heb vijf exemplaren gekocht. Want ik heb mijn burgerplicht gedaan en vier zonen voortgebracht. Bij de douane brak het zweet me nog wel even uit, want het boek legt ook uit hoe je waterbommen maakt.

Van mij mocht de lange zomervakantie aanbreken, want ik heb geen kind meer aan die jongens. Gewapend met de kleinere deeluitgave (Things to do) die inmiddels ook is verschenen en die ze zo in hun zak kunnen steken, weten ze hoe ze een boomhut moeten bouwen, een katapult of een skelter, of hoe ze met wat munten, aluminiumfolie, azijn en zout een eenvoudige batterij kunt maken. Ze leren verschillende knopen, welke trucjes ze de hond allemaal kunnen leren (arm beest), en hoe ze ‘het grootste papieren vliegtuigje ter wereld’ moeten vouwen. En passant leren ze ook nog het nodige over wolkenformaties, over de natuurlijke geschiedenis, over beroemde ontdekkingsreizigers en veldslagen – van Thermopyae tot Waterloo -, over spionnen, codes en geheimtaal. En ze leren ook citaten uit Shakespeare, ‘Latijnse uitspraken die iedereen moet kennen’, en weten nu ‘welke boeken iedere jongen moet lezen’.

En meisjes natuurlijk, ook aan hen is een hoofdstuk gewijd. Die verdienen enige aandacht omdat zij zo heel anders zijn, en dat zelf ook graag benadrukken. Behandel ze met respect, zegt het boek, en als je ziet dat een van hen hulp nodig heeft omdat ze iets zwaars niet kan optillen, begroet haar dan met een glimlach en tracht zo onopvallend mogelijk vast te stellen hóe zwaar dat voorwerp is. Als je denkt dat je het kunt optillen, doe dat dan voor haar. Als je het niet kunt, ga er dan op zitten en begin een gesprekje.

Dit boek is natuurlijk erg Angelsaksisch, in de keuze van onderwerpen en voorbeelden. Uitgeverij de Harmonie zij geprezen voor haar besluit om dit najaar een Nederlandse editie op de markt te brengen. Maar: als dat maar goed gaat! Die uitgave zal ik, bij leven en welzijn, dit najaar zeker ook bespreken en kritisch controleren op iedere poging tot feminisering. En laat ik niet merken dat J. B. Schuil in het lijstje van door iedere jongen te lezen boeken ontbreekt!

En verder houden we dit onder elkaar, onder echte jongens, opdat de morele druktemakers van dit kabinet er voorlopig niet achterkomen.

*) Ook verschenen in HP/De Tijd.

14.7.07

Te gast bij Café Vondel

Vanmiddag was ik te gast bij het BNR-radioprogramma Café Vondel. Beluister hier deel 1 en hier deel 2.

11.7.07

Links of rechts: lood om oud ijzer

In maart 2004 zat ik in een hotelkamer in Washington DC tv te kijken en zag hoe Fox News de inval in Irak na een jaar vierde met beelden die de zegeningen van de militaire interventie opsomden: blije mensen, herstelde gas- en waterleidingen, openingen van scholen. Ik zapte naar CNN en zag beelden van aanslagen, bloed en leed.

In de discussie over het ‘linkse’ Buitenhof en de roep om een ‘rechts’ alternatief heb ik vaak aan die uitzendingen moeten terugdenken, en geconcludeerd dat het er dus niet om gaat om tegenover Buitenhof een ‘rechtse’ zender in het leven te roepen. Het voorbeeld van Fox News en CNN maakt immers duidelijk dat het niet om de ‘progressieve’ en ‘conservatieve’ signatuur van die zenders gaat, maar om het onthutsende gebrek aan kwaliteit dat zij allebei vanuit een duidelijke keuze voor een politieke agenda tentoonspreiden. ‘Links’ of ‘rechts’: zodra media aan politiek gaan doen, en hun taak van evenwichtige informatievoorziening verzaken (en dat is zoals bekend een noodzakelijke voorwaarde voor een goed functionerende democratie), is het lood om oud ijzer.

In het artikel over zijn benoeming tot columnist van Buitenhof (de Volkskrant van 6 juli), stelt Jos de Beus dat partijloosheid geen ‘algemene voorwaarde voor de kracht van intellectuelen als vrijdenkers’ is. De publieken hoeven slechts te zorgen voor ‘pluriformiteit’ en moeten daarom ‘denkers met vuile handen over het hele politieke spectrum’ aan het woord laten komen.

Ik ben het misschien wel eens met wat De Beus zegt over het ‘grote monster met de drie koppen’ dat de media ook bedreigt. Maar hij wijdt geen woord aan wat in dit verband vooral moet worden gezegd.

Om te beginnen moeten we vaststellen dat de omroepen als producten van de verzuiling niet meer het vanzelfsprekende bestaansrecht hebben dat zij hadden, en zich nu via gekunstelde identiteiten overeind proberen te houden. Maar wat erger is, is dat de vroegere afhankelijkheid van de politieke élite van de eigen zuil niet tot onafhankelijkheid heeft geleid maar geruisloos is ingewisseld voor een veel grotere afhankelijkheid: die van de macht als zodanig. Dat wordt natuurlijk nergens zo duidelijk als in Den Haag, waar iedereen iedereen te vriend moet zien te houden. Politiek en media maken deel uit van eenzelfde systeem, en beiden hebben er belang bij dat systeem in stand te houden en tegen de indringer te beschermen (door negatie, demonisering of door diens agenda zogenaamd over te nemen). En over dat systeem hangt de zware deken van een links-liberale, progressieve consensus, die de speelruimte van het debat begrenst.

Hoezeer De Beus, tot mijn grote spijt, ondanks zijn voorzichtige dissentisme nog altijd onder die verstikkende deken ligt, blijkt uit het voorbeeld dat hij aanvoert om ‘neoconservatieven met hun slachtoffergedrag’ de mond te snoeren. Er is volgens De Beus wel degelijke sprake van een evenwichtige verdeling in de Nederlandse journalistiek want Pauw & Witteman zijn links, en Knevel en Van den Brink rechts.

Ik heb het kijken naar de EO-mannen een paar uitzendingen volgehouden, en zag twee parvenu’s die alleen maar wilden laten zien dat zij weliswaar van de EO waren maar verder net zo hip, oppervlakkig en vooral zo schaamteloos banaal als de rest. Mag ik hier – hopelijk ten overvloede – de klacht van Freek de Jonge over het ontstellende kwaliteitsgebrek van de publieke omroep nog eens in herinnering roepen? Zo groot is de stille dwang tot consensus dat het niets meer uit maakt of je nu van de VARA of van de EO bent, of je nu Pauw of Knevel heet, en of Jos de Beus je nu rechts of links noemt, zolang je alle onderwerpen maar zo snel mogelijk tot het meest banale niveau terugbrengt en vooral verstrooiing wilt bieden. Voorkom dat het ergens over gaat, is de stelregel.

Wat wij dus nodig hebben zijn columnisten en journalisten die dit hele circus met enige distantie kunnen gadeslaan en (in die zin) als buitenstaanders het bekrompen speelveld oprekken en onderwerpen ter sprake brengen die vanuit de regerende consensus niet ter sprake kunnen komen. Dat gaat niet meevallen, want het is een hard en onomstreden feit dat de meerderheid van presentatoren, redacteuren en columnisten bij de Nederlandse media belijdend lid van de PvdA zijn.

Het is niet zo moeilijk wekelijks quasi-kritisch te ginnegappen over voorvalletjes binnen het systeem: er is altijd wel iemand die die week iets doms heeft gedaan of iets stoms heeft gezegd. Het wordt pas interessant wanneer iemand problemen benoemt en analyseert (bijvoorbeeld: het systeem als zodanig en de huidige pogingen tot restauratie waarmee dit systeem zich meer dan ooit als een oester wil sluiten, de demografie, de vitaliteit van het westen, de oorlog tegen de politieke islam, het belang van een cultureel fundament onder een samenleving, de terugkeer van de schoonheid, het belang van het herstel van het curriculum in het onderwijs) waar alle anderen, technocraten en bureaucraten als zij zijn, met een boog omheen lopen.

Doe het, Jos, wijd je eerste column bijvoorbeeld eens aan de vraag waarom jouw partij, de PvdA, in de aanloop naar de verkiezingen en ook daarna geen enkele grote sociale kwestie aan de orde heeft durven of kunnen stellen. Pest en bijt, overtuig en agendeer, en breng wat leven in de brouwerij van de progressieve consensus, want die linkse kerkdiensten op zondagochtend zijn eerlijk gezegd niet alleen hopeloos slecht, maar vooral ook zo ontzettend saai.

*) Een versie van dit artikel is verschenen in de Volkskrant.

9.7.07

Macht heeft Rouvoet verblind

Woorden hebben in de politiek nauwelijks nog enige betekenis. Ze kunnen zo veel dingen tegelijk betekenen dat ze eigenlijk betekenisloos zijn geworden. Links, rechts, progressief, conservatief, sociaal, liberaal: het zijn lege hulzen geworden waar je van alles en nog wat in kunt stoppen.

Dat geldt inmiddels ook voor het woord christelijk. Hoewel er altijd christenen in verschillende soorten en maten zijn geweest, was het lange tijd duidelijk welke politieke positie een bepaald soort christenen innam. De geestelijke nazaten van Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper hadden een duidelijk mensbeeld, een onderscheiden visie op de samenleving en een helder beeld van de reikwijdte en de mogelijkheden van de macht van de overheid. Vanuit hun sombere mensbeeld hechtten zij grote waarde aan instituties als gezin, familie, school, verenigingen en de kerk omdat mensen daar (onder meer) werden gevormd en opgevoed. En zij begrepen dat als het daar misging, de politiek eigenlijk weinig meer kon doen. De staat kan niet van je houden, is te log en te grof om fijnzinnige maatregelen te kunnen nemen. Sterker nog: wanneer de overheid zich gaat bemoeien met zaken waar ze geen verstand van heeft en waar ze helemaal niet voor is, wordt alles alleen nog maar erger.

Soevereiniteit
Tot voor kort leek André Rouvoet dit alles te begrijpen. In een interview met Trouw in april verwees hij nog expliciet naar de zogeheten leer van de soevereiniteit in eigen kring, een door Kuyper bedacht concept dat inhoudt dat tal van levenssferen -zoals die van het gezin- soeverein zijn, vrij en onafhankelijk van de staat. En daarom vond Rouvoet ook dat het gezin, als kleinste soevereine kring, primair verantwoordelijk is voor de opvoeding van kinderen.

Maar ja, nu is hij minister. CDA en PvdA hadden na de laatste verkiezingen geen meerderheid, moesten op zoek naar een derde partner, en hun oog viel op de ChristenUnie - niet omdat die partij christelijk was, maar omdat zij links is. En zo mocht de ChristenUnie aanschuiven, en op het altaar van de euforie van de macht worden voorheen belangrijke principes moeiteloos en (wat nog erger is) zonder enige vorm van verantwoording geofferd.

De honderddagentour van Rouvoet heeft geleid tot een beleidsprogramma (”Alle kansen voor alle kinderen”) waarin hij als minister voor Jeugd en Gezin de jeugdzorg op de schop neemt. Zijn voornemens komen erop neer dat hij de overheid een rol achter de voordeur toekent. Van alle kinderen in Nederland (ondanks het feit dat het met 95 procent van de kinderen gewoon goed gaat) wil Rouvoet een elektronisch dossier laten aanleggen waarin nauwkeurig wordt vastgelegd welke sociale risico’s zich bij die kinderen voordoen op hun weg naar de volwassenheid. En als er gevaar dreigt, stuurt hij een pedagoog of een ander soort hulpverlener op je af die je komt vertellen hoe de overheid wil dat jouw kinderen worden en hoe je dat moet bereiken.

Dit is een huiveringwekkend voorstel. De ChristenUnie ontpopt zich meer en meer als directe nakomeling van de afvallige ARP uit de jaren zeventig, die het begrip soevereiniteit in eigen kring herdefinieerde en er daarmee een betekenis aan gaf die tegengesteld was aan de oorspronkelijke betekenis (en sindsdien is dus ook dit woord van alle betekenis ontbloot). Het staat niet meer voor een afstandelijke overheid maar voor een overheid die zich overal mee bemoeit, tot aan de opvoeding van de kinderen aan toe.

Uitholling
Groen en Kuyper zouden Rouvoet nog hebben uitgelegd dat deze aanpak alleen maar tot een verdere verzwakking van gezinnen leidt. Wanneer gezinnen tot in de opvoeding aan toe van de overheid afhankelijk worden, leidt dit tot een verdere uitholling van instituties die de kern van de samenleving vormen. Voordat hij macht kreeg, wist Rouvoet nog dat alleen een mentaliteitsverandering en een culturele omslag gezinnen kunnen versterken. De macht heeft hem verblind en omgetoverd in gewoon weer zo’n politicus die dwars tegen alle overtuigende bewijzen van het tegendeel in gelooft in de macht van de staat en de maakbaarheid van de samenleving. Van een antirevolutionair heeft hij zich ontwikkeld tot een soort neoconservatief van het ergste soort: tot iemand die de macht van de staat gebruikt om culturele problemen op te lossen via links-dirigistische programma’s.

De overheid kan geen kinderen opvoeden, mag dat ook niet willen, en moet ook niet iets willen wat zij helemaal niet kan. Het wordt tijd dat Rouvoet zich de woorden in herinnering brengt van de op dit punt wijzere Ronald Reagan. Die zei dat niemand een zin kan uitspreken die erger is dan de volgende: „Hallo, ik ben van de overheid en ik kom je helpen.”

*) Versies van dit artikel zijn verschenen in het Reformatorisch Dagblad en Binnenlands Bestuur.

22.6.07

Crack of een dodelijk jumpshot

Een kleine, zwarte man staat met zijn gammele busje vooraan in de lange rij taxi’s bij de uitgang van Louis Armstrong International Airport. Hij geeft een knipoog en gooit de koffer en tassen op de achterbank. Je hoeft hem niet te vertellen dat je hotel zo ongeveer op de grens van Canal Street en het French Quarter staat, en verder bespaart hij je de gebruikelijke praatjes die je als reiziger met een taxichauffeur denkt te moeten voeren. Hij is volledig vervuld van zijn sport, basketbal. Zijn team – de Hornets – spelen in de play-offs tegen de 76’ers uit Philadelphia, en dat is het enige waar het leven nog om draait. Rich, zo heet hij, is vrolijk en opgewonden, trots op zijn stad, trots op zijn team.

NBA-basketball, de hoogste, beste en meest prestigieuze basketbalcompetitie ter wereld – onverwacht is die hier in New Orleans eindelijk binnen handbereik.
Voor ons destijds, in de tweede helft van de jaren zeventig, was de NBA een slechts vaag bekend en onbereikbaar walhalla. Toen we op het Christelijk Lyceum onze eerste lessen Engels hadden gehad, schreven we al wel, geholpen door de lerares (een mooie vrouw, die elke dag een ander mantelpakje droeg), brieven naar de clubs, bedelend om shirtjes, posters, zweetbandjes, foto’s en andere parafernalia. In het schone dorp Boskoop richtten we onze eigen vereniging op nadat we eerst via de lokale media ruzie met burgemeester en wethouders hadden gezocht over het gebrek aan sportfaciliteiten, en toen een journalist van een regionale krant ons kwam interviewen, suggereerde hij dat we onze club DIOK (Doorzetten Is Onze Kracht) moesten noemen. Onze trainer was Roel Klazinga, 2,07 meter lang, en later center van het eerste van Rotterdam. Rudy van Eyck, een Surinaamse man die bij ons aan het pleintje woonde, introduceerde mij in Leiden bij LISC, waar een echte Amerikaan (Ed ‘Lace’ Strong) de grote man was. Hij had nog getraind met Julius ‘Dr. J.’ Erving, sterspeler van de Philadelphia 76’ers, en zo kwam de NBA toch nog heel dichtbij.

Lace liet ons Winning through Intimidation van Robert J. Ringer lezen, een bestseller uit 1976 (‘Read this book and start winning today’), en hij leerde ons het belang van een imponerende presentatie, van oogverblindende trainingspakken en mooie schoenen. Hij importeerde Pony-basketbalschoenen voor ons, met het logo in suède op de zijkant van de schoen, dat je zelf in de kleuren van je club kon verven. Het was de tijd van de televisieserie Roots, naar het boek van Alex Haley, van de Bee Gees en Saturday Night Fever, van Motown en vooral van Stevie Wonder, wiens dubbelelpee Songs in the Key of Life het eerste album was dat ik kocht. (Ja, we voelden ons stoer, maar we waren vooral braaf, ook al lazen we de romans van James Baldwin.) De eerste raphit (‘Rapper’s Delight’ van de Sugar Hill Gang) is van 1979, maar zij zeiden nog vreedzaam ‘hello to the black, to the white, the red, and the brown, the purple and yellow’.

Later speelde ik in Rotterdam-Zuid, in sporthal De Enk, onder de legendarische en onvergetelijke Marcel Wels (1,67 meter klein, maar hij kon dunken). Hij bracht ons een ijzeren discipline bij; in de zomervakanties trainden we negen uur per dag, zodat je de huid over je buikspieren niet eens meer kon vastpakken, en die discipline hield ook in dat we niet mochten vloeken. Toen een teamgenoot na dertig push-ups op de grond stortte en de naam van de Zoon van God aanriep, was Wels’ korte commentaar dat we nu wisten hoe hard we die Zoon nodig hadden. Wels liet ons tijdens die zomertrainingen films van NBA-wedstrijden zien, de Amerikaan Gary Freeman speelde in het eerste en met hem mochten we na thuiswedstrijden mee naar huis rijden, en zelf werden we Nederlands kampioen, in 1980 en 1981, in de Amsterdamse Apollohal.
We gingen natuurlijk naar de Haarlemse basketbalweken, waar ik de toen al legendarische Mickey Berkowitz van Maccabi Tel Aviv als mijn held omhelsde; maar daar speelden hooguit Amerikaanse college teams, en geen NBA-teams. We lazen niet veel meer dan de Ebony (meer was er niet) en natuurlijk de Basketbal Jaarboeken, volgeschreven door de grote meester Mart Smeets, en we hingen eindeloos rond op basketbalveldjes, voor ons de hemel. Bij gebrek aan hemdjes droegen we daar veelal T-shirts met afgeknipte mouwen.

Het is eindeloos lang geleden allemaal, maar het gevoel van toen blijft, ook voor de recreant in Maccabi Tel Aviv-shirt die ik inmiddels ben. De sensatie van het jumpshot, wanneer de bal met tegengesteld effect via de toppen van je vingers in de basket verdwijnt en niets dan het netje raakt (en dan even je neus ophalen alsof je de brandlucht van het schroeiende netje opsnuift), de drives onder de basket door, de blocks en screens, en de vele illusies: de illusie vooral dat je eigenlijk een NBA-wedstrijd aan het spelen bent, dat die assist die je net gaf het (niet aanwezige) publiek toch even aan Earving ‘Magic’ Johnson deed denken, dat die winnende driepunter toch echt in de buzzer van de laatste van een best-of-seven-wedstrijd viel, en de fantasie dat je eigenlijk een zwarte man bent, 6-8 groot en geweldig kunt dunken.

Mijn zoontjes en neefjes kennen de problemen niet die wij destijds hadden. Via kabel-tv en internet kunnen ze elke NBA-wedstrijd zien die ze willen zien, hun sterren maken tegenwoordig een Europese tour en daar moeten (en kunnen) ze natuurlijk bij zijn, ze hebben abonnementen op bladen als Slam en Hoop, en alle shirtjes kunnen ze in de USA Sportstore in de Haagse Schoolstraat zo kopen.

Rich wil me met alle plezier komen halen om me mee te nemen naar de wedstrijd van de Hornets. Hij regelt zelfs de kaartjes. Maar dat gaat niet zomaar. Eerst moet hij mij het aparte gilletje bijbrengen dat bij elk punt van de Hornets geslaakt dient te worden. Dat lukt na enige oefening, en Rich komt mij, de white boy, ophalen, zijn busje vol met zijn familie, en de Hornets winnen, op die mooie avond in New Orleans in april 2003. Het was een sensatie.

Daarna heb ik de Bulls in Chicago gezien, de Knicks in New York, de Supersonics in Seattle, en was ik (me afvragend wat er na Katrina van Rich geworden was) vorig jaar in Keulen om de 76’ers met hun held Allen Iverson opnieuw te zien spelen in een toernooi met de Phoenix Suns, Maccabi Tel Aviv en CSKA Moskou.

Het publiek bij basketbalwedstrijden is overwegend blank, terwijl de spelers op het veld in grote meerderheid zwart zijn. Dat blanke publiek ziet er verder niet opvallend uit, alhoewel vooral de jongeren een straatstijl uitdragen die duidelijk door de hiphopcultuur is geïnspireerd. Ook de meeste spelers presenteren zich allesbehalve als modelburgers. Ze zijn zwaar getatoeëerd en stralen de streetrep van coole gangsta’s uit.

Basketbal is meer dan een sport. Het is een cultuur, die in de Verenigde Staten bovendien is omgeven door felle politieke discussies omdat de sport het brandpunt is van de gevoeligste kwestie in de Amerikaanse samenleving: die van de rassenverhoudingen. Een zwarte intellectueel zei ooit: “Abraham Lincoln bevrijdde de slaven en wat gingen ze doen? Basketballen!”

Tachtig procent van de spelers in de NBA is zwart, maar de meeste coaches, scheidsrechters, clubeigenaren en toeschouwers zijn blank. Die botsing van culturen kwam bijvoorbeeld aan het licht aan het begin van het vorige seizoen, toen NBA-baas David Stern het gangsta- en hiphopimago van zijn miljardenbedrijf wilde bestrijden door strenge kledingvoorschriften op te leggen. De spelers mochten tijdens het seizoen (van november tot juni) hun blingbling – opvallende kettingen van goud, zilver of platina, liefst met diamantjes ingelegd – niet meer etaleren en niet meer in afgezakte broeken met het kruis op de knieën rondlopen, in mouwloze retro-shirts, bandana’s of caps, zonnebrillen, mega-size koptelefoons en veterloze schoenen.

Maar voor sommige zwarte spelers is het dragen van een pak, evenals het volgen van een schoolopleiding, een verwerpelijk voorbeeld van acting white. Bij diverse profs stuitte de dresscode dan ook op verzet. “Het benauwt me dat een ander bepaalt wat ik moet dragen,” zei Iverson. Hoe durft de blanke zakenman Stern zich te bemoeien met het culturele erfgoed van de jonge, zwarte sporter? “Die kettingen horen erbij. Die horen bij ons. Dat is onze identiteit,” zei Stephen Jackson, forward van de Golden State Warriors. Jackson paste zich uiteindelijk aan. “De mensen die je betalen, maken de regels. Ik geniet ervan te basketballen, en heb geen zin in een schorsing.”

Over de basketbalcultuur schreef William C. Rhoden, (zwarte) columnist van The New York Times, een onthullend boek: Forty Million Dollar Slaves: The Rise, Fall, and Redemption of the Black Athlete (2006). De titel verwijst naar een incident met Larry Johnson, een voormalige (zwarte) speler van de New York Knicks. Hij had een contract dat hem in vijf jaar veertig miljoen dollar opleverde, maar hij kreeg van een blanke fan te horen: “You are nothing but a forty million dollar slave.” Johnson had kort daarvoor geweigerd met blanke journalisten te praten en daar de volgende uitleg voor gegeven: “Ik mag jullie allemaal niet. Jullie kunnen allemaal mijn reet kussen. Zo heb ik er mijn hele leven over gedacht. Er zitten nog heel wat rebellerende slaven in dit team.” (Johnson is geen uitzondering. Toen de Nederlandse journalist Erik Brouwer, auteur van het onlangs verschenen boek De hemel is een basketbalveld, in de kleedkamer van de 76’ers in de buurt van Allen Iverson probeerde te komen, kwam er een man op hem af die hem adviseerde de grote speler niet aan te spreken: “Hij houdt niet zo van blanke journalisten.”)

Rhoden (1958) noemt de NBA vanwege de verhouding tussen de zwarte spelers en de blanke eigenaren een ‘moderne plantage’: zakelijk Amerika betaalt en stelt de regels, en het verdient miljoenen dollars aan de exploitatie van ‘zwarte arbeid’.

Grote zwarte sporters hebben zich opgeworpen als rolmodellen van hun gemeenschap. De bokser Joe Louis bijvoorbeeld, die in de jaren dertig en veertig werd gezien als ‘de zwarte Mozes’, en de honkballer Jackie Robinson, die zwarten hun trots en gevoel van eigenwaarde teruggaf. (‘Say It Loud, I’m Black and I’m Proud,’ krijste James Brown.) Maar de strijd verhardde met de opkomst van de grote bokser Mohammed Ali en met een hele generatie van activisten die afscheid namen van het vreedzame verzet van dominee Martin Luther King: Malcolm X, de Black Panthers, de Black Muslims van The Nation of Islam.

Wie de biografieën van zwarte spelers leest, ziet vrijwel altijd hetzelfde patroon: geboren in een getto, zoon van een heel jonge moeder en weggelopen vader, moeder aan de drank, de drugs of in de prostitutie of alles tegelijk, overleven op straat, wegkomen via muziek of sport, veel geld verdienen en je succes opzichtig etaleren. In een tekst van rapper Notorious B.I.G. heet het:
The streets is a short stop
Either you’re slingin’ crack rock or you got a wicked jumpshot
.”

Een zwarte jongen kan de armoede van het getto op slechts twee manieren ontvluchten: door in drugs te gaan dealen of een dodelijk jumpshot te ontwikkelen en profbasketballer te worden.

Sinds de burgerrechtenbeweging uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw is het leven van zwarte Amerikanen aantoonbaar verbeterd. Terwijl in 1940 nog 75 procent van alle zwarte families onder de armoedegrens leefde, is dat nu nog slechts een kwart. Maar de problemen in met name de grote steden zijn nog groot, en ze blijken een voortdurende bron van ressentiment, haat en anti-blank racisme. En dat blijkt dus ook uit de houding van NBA-spelers.

Maar er zijn ook spelers die het basketbal promoten als een sport die de spelers discipline, zelfvertrouwen en teamgeest bijbrengt, en daarmee de kwaliteiten die nodig zijn om in de samenleving te slagen. Ook benadrukken zij het belang van scholing. Een van de grootste spelers uit de geschiedenis van de NBA, Kareem Abdul-Jabbar, bekeerde zich tot de islam (bij zijn geboorte heette hij Lew Alcindor) omdat het christendom het geloof was geweest waarmee zwarten eronder waren gehouden. Met Malcolm X geloofde hij dat de islam ‘the natural religion for the black man’ was. Maar toen hij de islam tijdens een rondreis door het Midden-Oosten had leren kennen en de Black Muslims zeer gewelddadige acties uitvoerden, koos hij voor vrede en verzoening, en zette hij zijn reputatie en gezag in om het defaitisme in de zwarte gemeenschap te bestrijden. Daaraan verbond hij de oproep aan zwarte jongeren om meer tijd in de bibliotheek door te brengen en minder op het basketbalveld.
(Een oude NBA-regel luidde dat spelers eerst vier jaar college moesten hebben gehad voordat zij in de NBA mochten uitkomen. Die regel werd afgeschaft, met als gevolg dat grote talenten zo vanaf de middelbare school in de NBA kwamen en op zeer jonge leeftijd al miljoenen dollars verdienden. Vorig jaar is de minimumleeftijd weer met één jaar verhoogd, naar negentien jaar, zodat spelers minstens één jaar naar het college moeten.)

Ook een legende als Spencer Haywood durft harde kritiek op de zwarte gemeenschap uit te oefenen. Hij verwijt veel zwarten dat zij zich vooral slachtoffers van blank Amerika voelen en zich daarom modelleren naar de wereld van ‘de dealers, de pooiers, de hoeren en de gangsters’, zonder te beseffen dat zij zelf net zo goed verantwoordelijk zijn voor de slechte situatie waarin zij zich bevinden.
Maar hét rolmodel was natuurlijk Michael Jordan (1963), misschien wel de beste basketballer aller tijden, misschien wel de grootste sportheld uit de Amerikaanse geschiedenis. Jordan, His Royal Airness, won zes titels met de Chicago Bulls (‘The Beatles van het basketball’), sloot miljoenendeals met sponsors als Nike, McDonald’s en Coca-Cola, maar hij sprak zich nooit uit over sociale of politieke kwesties. Met zijn slogans voor Nike (‘Be like Mike’, ‘Just do it’) droeg hij echter wel een belangrijke boodschap uit: de boodschap dat de American Dream bereikbaar is met de juiste instelling, door je best te doen, te studeren, hard te trainen.

De man die Jordan moet opvolgen en moet doen vergeten is een 22-jarig supertalent: LeBron ‘The Chosen One’ James (1984). Anders dan Jordan (wiens vader een goede baan bij de luchtmacht had) groeide James op in een zeer slechte wijk; zijn moeder was zestien toen ze hem baarde en zijn vader heeft hij nooit gekend. Hij verdient inmiddels ruim dertig miljoen dollar per jaar (bijna zes miljoen daarvan is salaris, de rest is afkomstig van sponsors en andere extra inkomsten), en het is zijn vaste voornemen de eerste basketbalmiljardair te worden.

Maar hij is nog niet zo goed als velen denken en hopen. In de derde wedstrijd van de NBA-finale van dit jaar (tussen de San Antonio Spurs en de Cleveland Cavaliers van James) kreeg James de bal met nog een paar seconden op de klok. Op zijn huid gezeten door Bruce Bowen ging James op grote afstand van de basket prachtig de lucht in voor een schot dat de Cavaliers de eerste overwinning in de serie moest brengen. Maar anders dan Jordan in een vergelijkbare situatie miste hij.

Een paar dagen later wonnen de Spurs ook de vierde wedstrijd en daarmee de finale en het kampioenschap. Een van de spelers van de Spurs is Francisco Elson, 31 jaar oud, uit Rotterdam, van Surinaamse afkomst. Wat Rick Smits in 2000 niet lukte met de Indiana Pacers, en Swen Nater niet met de Los Angeles Lakers in 1984, lukte hem wel: het behalen van de kampioensring.

De droom van een carrière in het professionele basketbal had Elson al twintig jaar, en in de manier waarop hij zijn American Dream realiseerde, is hij als opvolger van Jordan niet eens de mindere van James. Op zijn negentiende verliet hij Rotterdam-West (waar zijn oudere broer tijdens een wedstrijd aan een hartstilstand was overleden), ging basketballen bij colleges in Texas en Californië, rijpte vier seizoenen lang in de Spaanse competitie, om in 2003 zijn entree in de NBA te maken – zonder tatoeages, zonder blingbling. Hij speelt nuttig maar onopvallend; hij is lang (2,13 meter) en snel, maar hij knapt vooral het vuile werk op om anderen goed te laten spelen, met name sterspeler Tim Duncan.

Elson was geen grote jongen; bij zijn vorige ploeg, de Denver Nuggets, verdiende hij drie jaar lang het ‘minimumloon’ (360.000 dollar per jaar). Inmiddels heeft hij bij de Spurs een driejarig contract gekregen dat twaalf miljoen dollar waard is. Dat geld zet Elson op de bank, en hij steunt er zijn ouders en zusje in Rotterdam mee.
Elson realiseerde zijn American Dream op eigen kracht, door de zekerheden in Nederland achter zich te laten en zonder enige steun ‘gewoon zijn werk’ te doen – met een trots en een enthousiasme die mijn oude vriend Rich zou hebben herkend en gewaardeerd.

*) Eveneens verschenen in Opinio.

7.6.07

Een kaarsje voor de PvdA

Je kunt van de PvdA zeggen wat je wilt, veel lelijks ook, maar iedereen zou dagelijks een kaarsje voor deze partij moeten opsteken, onder het prevelen van de vrome wens dat de sociaal-democraten toch ook eens het licht zullen gaan zien, overwonnen door de werkelijkheid. Al was het maar vanuit het besef dat er in Nederland nooit iets zal veranderen zolang de PvdA de partij blijft die zij nu is.

Voorlopig blijf je je echter verbazen. Zo heeft een partijcommissie zeer recent een rapport gepresenteerd waarin het grote falen bij de laatste verkiezingen is geanalyseerd. Iets over het opvegen van de scherven. Partijleider Bos heeft alle kritiek snel omarmd, en beterschap beloofd, zodat iedereen op de oude voet verder kan gaan en er over een inhoudelijke koers niet hoeft te worden nagedacht. De passage waarin deze commissie Bos in overweging gaf zich ook eens door kritische adviseurs te laten omringen, werd op het laatste moment geschrapt. Reden voor commissielid Edith Hooge om zich terug te trekken.

Dat lijkt mooi, maar er gaat een lampje branden, of je nu wilt of niet. Edith Hooge is de vrouw of vriendin van Lennart Booij. Hij presenteert nu dat nieuwe Lagerhuis, maar was vroeger actief binnen Niet Nix (opgericht om de PvdA wat op te schudden) en wilde samen met zijn vaste maatje Erik van Bruggen duo-voorzitter van de PvdA worden. Dat lukte niet. Zijn vriend Van Bruggen was een van de hoofdrolspelers in het Mercurius-beraad dat Bos probeerde bij te staan, en de commissie was er nu juist om dat beraad van onkritische adviseurs te beoordelen. Van Bruggen werd dus beoordeeld door de echtgenote of vriendin van zijn vaste partner (nog altijd zijn zij samen actief bij het communicatiebureau BKB).

Maar misschien kan dat allemaal omdat Van Bruggen een zeer bijzondere sociaal-democraat is. In een interview dat hij en Edith Hooge aan Carp gaven, en waarin zij uitlegden hoe druk zij het hebben omdat zij allebei vier dagen per week werken (zó druk dat mevrouw Hooge het hele huishouden en de zorg voor de twee dochters zoveel mogelijk heeft ‘geoutsourced’), zei hij: ‘Mensen vinden dat al snel elitair. Face it, je bent gewoon elite, denk ik dan. Je gaat in je spaarzame vrije tijd toch niet met boodschappen zeulen? Dat is verkeerde zuinigheid.’
Iedereen gaat natuurlijk zelf over dit soort kwesties, maar een abstracte uitspraak over de vervreemding tussen de PvdA en haar oorspronkelijke achterban wordt in zo’n citaat wel erg concreet.

Of de meer verlichte geesten binnen de PvdA aan invloed binnen de partij gaan winnen, zal waarschijnlijk pas blijken in oktober, wanneer de partij in een avondvergadering (maar dat belooft al niet veel goeds) een nieuwe voorzitter gaat kiezen.
Vooralsnog blijft de PvdA de gesloten regentenpartij, losgezongen van de maatschappelijke werkelijkheid, belust op macht, en niet in ideeën maar slechts in zoveel mogelijk kiezers geïnteresseerd. Dat blijkt niet alleen uit de discussies over de verloren verkiezingen van november vorig jaar, maar ook uit de manier waarop de PvdA-top met gemeenteraadslid Ehsan Jami omgaat. Jami is 22 jaar oud, is afkomstig uit Iran, ging na de aanslagen van 11 september 2001 zijn islamitische geloof bestuderen, en kwam tot de conclusie dat dat geloof zo anachronistisch en in die zin ‘achterlijk’ was dat het zijn geloof niet meer kon zijn. Nu heeft een afvallige moslim een groot probleem, omdat hij dan direct gevaar loopt: zijn voormalige geloofsgenoten kunnen zijn afvalligheid niet accepteren.

Jami heeft een comité voor ex-moslims opgericht. Geloofsafval is een integraal onderdeel van het in de Nederlandse Grondwet gewaarborgde recht op godsdienstvrijheid, maar omdat de PvdA vooral bang is dat Jami’s uitspraken de allochtone achterban van de partij zullen vervreemden, hebben ze een begeleidingscommissie ingesteld om Jami een beetje in te tomen.
Niet om de vrijheid van meningsuiting, niet om de vrijheid van geloof, noch ook om de veiligheid van Jami bekommert de sociaal-democratische elite zich, maar om het binden van een allochtone achterban waarvoor deze principes ‘(nog) niet vanzelfsprekend zijn’, zoals Eddy Terstall het formuleerde in een email aan negen prominent PvdA’ers.
Ontsteek een kaars voor het ontwaken van de rode droom van emancipatie en volksverheffing!

*) Een versie van dit stuk is ook verschenen in Binnenlands Bestuur.

3.6.07

Pas op voor Afshin Ellian!

Het nieuws over de begeleidingscommissie voor Ehsan Jami (PvdA-gemeenteraadslid en oprichter van een comité voor ex-moslims) is deze week in het gezicht van de PvdA geëxplodeerd. Ik vind dat gemeen en onterecht.

De partij heeft het al zo moeilijk, naar het dezer dagen zelf in een reeks van rapporten en pamfletten uitlegt, en nu is er dan ook nog zo’n rechtse journalist van dat NRC Handelsblad die de partij met zijn scoop (in de veel gelezen zaterdagkrant, prominent boven aan pagina drie!) een dolk in de rug steekt.

Laten we het eerst eens over de zaak zelf hebben. Die jongeman Ehsan Jami neemt het op voor ex-moslims. Hij verdedigt hun recht op afvalligheid, en wil ze in bescherming nemen tegen moslims die dat recht niet erkennen en misschien wel eens gekke dingen kunnen uithalen met afvalligen. Heeft de profeet, geprezen zij zijn naam, niet gezegd dat afvalligen moeten worden gedood?

Natuurlijk is dat recht op afvalligheid een integraal onderdeel van het grondwettelijke recht op godsdienstvrijheid. Maar met de PvdA ben ik van mening dat je dat recht een beetje moet relativeren zodra er electorale belangen in het spel zijn. Wij van de PvdA zijn de partij van de uitkeringen en subsidies en daarmee van de allochtonen. Laat zo’n jochie van 22 uit Iran dat nu niet verstieren met staatsrechterlijke pleidooien, hoe zuiver die ook zijn. We hebben toch ook Ella Vogelaar als minister van het multiculturalisme aangesteld om ons te immuniseren tegen aanvallen van links (Femke en Jan)? Het is goed dat een begeleidingscommissie zo’n naïef en jong ventje uitlegt dat machts- en partijpolitiek altijd boven zaken van nationaal belang gaan.

Het is ook goed dat die commissie deze jongeman in bescherming neemt tegen de nefaste invloed van die vreselijke Afshin Ellian. Laten we wel wezen: de PvdA is altijd kritisch over bevoogding en betutteling, maar koestert intern een lange en rijke traditie van paternalisme. Dat moet vooral zo blijven.

Een begeleidingscommissie is een prachtig instrument om aan die traditie gestalte te geven. Het gescheld daarop in die verrekte rechtse media begrijp ik dan ook helemaal niet. Ik zelf word al jarenlang door zo’n commissie begeleid. Op een onbewaakt ogenblik heb ik mij zelf namelijk ook wel eens met die Ellian ingelaten. Ik heb hem zelfs wel eens het eerste exemplaar aangeboden van een boekje dat ik had geschreven.



Goede en brave burgers zijn mij toen te hulp geschoten om mij tegen mijzelf in bescherming te nemen. Want die Ellian was geen economische maar een politieke vluchteling, en dat is een feit dat rechtse mensen nog wel eens willen misbruiken. Toen ze zo vriendelijk waren hem een uitkering te willen geven, verscheen hij in een keurig pak in plaats van in een gescheurde spijkerbroek. En hij heeft ook nog eens drie studies gedaan. Die uitslover! Denkt zeker dat hij beter is dan wij. En nu overlaadt hij ons met pleidooien voor de waarden van de democratische rechtsstaat. Gemene stukjes zijn dat, want ze zijn vooral helder en zakelijk geschreven en daarom zo overtuigend. Hij verslaat er zijn duizenden mee, zelfs een PvdA-raadslid uit Voorschoten (die nog maar 22 jaar oud is en daarom eigenlijk te jong, te onervaren, en te naïef om zo’n functie te kunnen bekleden).

Nee, zoveel werd mij wel duidelijk, dankzij de leden van mijn begeleidingscommissie: die Afshin Ellian (met Radio Bloemendaal op de achtergrond) belichaamt alles waar wij goede, progressieve, netjes-linkse Nederlanders een hekel aan hebben. Ik heb kordaat met hem gebroken. Ik wil hem nooit meer zien, die Ellian!

Ik vind het ook heel flauw, gemeen en beledigend dat mijn vriend Eddy Terstall is weggezet als ‘een halve stasi’. Niks ‘halve stasi’! Een hele stasi! Want toen NRC over zijn activiteiten had bericht, zei hij heel beslist dat hij maar hoopte dat dat Iraanse jongetje niet zelf zijn emails naar de krant had gelekt. ‘Want dat zou zijn positie een stuk lastiger maken!’ Goed zo, zo is het! Mijn vriend Terstall is uit het rechte stasi-hout gesneden, en is zeker geen halve.

En nu we toch aan het lekken zijn: zoals u begrijpt heb ik goede contacten binnen de PvdA. Ik heb dit stukje alvast gemaild aan lastige querulanten als Jos de Beus, Paul Scheffer, Jacques Monasch, Hendrik Jan Schoo en Hans Wansink. Van die Dalrymple-sympathisanten, weet u wel. Ik heb ze gewaarschuwd: dat ik hoogstpersoonlijk mijn begeleidingscommissie op ze af zou sturen wanneer ze het zouden bestaan het voor Ehsan Jami, voor de rechtsstaat, voor de godsdienstvrijheid en voor de vrijheid van meningsuiting zouden opnemen, en daarmee de belangen van de partij, die het (mede dankzij hen) toch al zo moeilijk heeft, zouden schaden! Zo zijn we binnen de PvdA niet met elkaar getrouwd!

30.5.07

Historicus van de goot

Recensie van Joachim Fest, Ik niet. Herinneringen aan een jeugd, De Bezige Bij, € 24,90


Drie personen hebben een hoge en onopgeefbare standaard op het grensgebied van geschiedenis en journalistiek gesteld: Raymond Aron, Sebastian Haffner en Joachim Fest.

Aron (1905-1983) verdient blijvende herinnering als de man die zijn gelijk staande hield tegenover links-intellectueel Frankrijk, aangevoerd door Jean-Paul Sartre. Haffner (1907-1999) is de grote scribent, auteur van (onder veel meer) het meesterwerk Kanttekeningen bij Hitler, dat Duitsers voor het eerst deed begrijpen waarom Hitler twaalf jaar lang had kunnen regeren in het land van de ‘dichters en denkers’. Fest (1926-2006) is waarschijnlijk de bekendste en beroemdste van de drie. Niet alleen omdat hij pas onlangs is overleden – hij stierf op 11 september vorig jaar, nog net geen tachtig jaar oud – maar ook omdat hij de auteur was van het succesvol verfilmde boek De ondergang (over de laatste dagen van het nazi-regime in de Berlijnse bunker, met Bruno Ganz in de rol van Hitler) en omdat hij kort voor zijn sterven nog in een discussie verzeild raakte met de linkse, zelfbenoemde normstellers Günther Grass en Jürgen Habermas.

Fest vond dat zij een dubieuze rol in de oorlog hadden gespeeld, en hekelde hun hypocrisie. Nog voordat Grass zijn herinneringen aan de oorlog, inclusief de bekentenis dat hij lid van de Waffen-SS was geweest, had gepubliceerd (in het boek De rokken van de ui), stelde Fest in het boek over zijn jeugd een cultuur aan de kaak waarin sommigen hun schaamte schaamteloos etaleerden en dat niet deden om op hun schuld te wijzen maar op de vele redenen die anderen hadden om zich te schamen. Zij zelf, die zelfbetichters, achtten zich door hun eigen schaamtebekentenissen vrijgepleit van elk verwijt.

Fest noemde Grass bij name, en toen hij kort voor zijn dood hoorde van Grass’ publieke schaamtebekentenis - die uiteraard gepaard ging met de opmerking dat hem nu niets meer te verwijten viel, dat hij na de oorlog toch zo voorbeeldig progressief was geweest, en dat de bewieroking door kon gaan – reageerde Fest met de opmerking dat die bekentenis ‘te laat’ was gekomen, en dat hij ‘van die man zelfs geen tweedehands auto meer zou kopen’.

Fest nam nog iemand anders op de korrel. In een aansluitende passage had hij het over ‘een leidende denker’ uit het moderne Duitsland die als actief lid van de Hitlerjugend nog in de lente van 1945 een brief aan een vriend had gestuurd met de oproep zich nog wat meer voor de Duitse eindoverwinning in te spannen. Toen hij in de jaren tachtig met die brief werd geconfronteerd, stak die denker de brief in zijn mond en slikte hem niet zonder enige moeite door. Die ‘leidende denker’ was Jürgen Habermas.

Habermas verweerde zich met de opmerking dat die brief een voorgedrukte briefkaart was geweest. En hij wist bij de rechter gedaan te krijgen dat de passage werd geschrapt uit alle toekomstige uitgaven van Fests jeugdherinneringen.
De passage ontbreekt dan ook in de Nederlandse vertaling (Ik niet. Herinneringen aan een jeugd) die volgende week bij De Bezige Bij verschijnt.

Joachim Fest – de beroemde historicus van het Derde Rijk, biograaf van Hitler en Speer – werd geboren in een familie van Bildungsbürger, van mensen voor wie kennis van de cultuur het belangrijkste was, en die kennis niet zagen als iets nuttigs, als iets waarmee je in de wereld vooruit kunt komen, maar als een middel tot beschaving. Zijn eigen vader Johannes Fest (1889-1960) was de belichaming van deze traditie. Die vader is dan ook de hoofdpersoon in Fests jeugdherinneringen. Hij was een Pruisische katholiek en rector van een middelbare school in Berlijn. Hij was actief binnen de vereniging van de Reichsbanner die de Republiek tegen communisten en fascisten wilde beschermen. Maar hij was bovenal van een eikenhouten onbuigzaamheid. Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam, werd hij ontslagen. Zijn gezin werd sociaal uitgestoten en verviel in armoede. Dat leidde tot twistgesprekken met zijn vrouw, die meende dat Fest sr. zijn waardigheid toch wel met een lidmaatschap van de NSDAP kon verenigen. En zo breed hadden ze het als kleine luiden tenslotte niet. Maar, antwoordde hij: ‘Wij zijn geen kleine luiden. Niet in zulke dingen’. En zijn devies was: ook al geven alle anderen toe, ik niet.

Toen Joachim zich bij de Luftwaffe aanmeldde om inlijving bij de Waffen-SS te voorkomen, ontried zijn vader hem ook dit compromis. Na de oorlog zei hij tegen zijn zoon: ‘Jij had misschien geen ongelijk. Maar gelijk had ík.’

Na de oorlog ging Joachim Fest zich als journalist en historicus met de geschiedenis van het Derde Rijk bezighouden. Dat had evenmin zijn vaders instemming. Het nazisme was een ‘thema van de goot’.

Toch werd Joachim Fest de historicus van de goot. Want hem intrigeerde één grote vraag. Hoe komt het toch dat mensen met zulke middelmatige kwaliteiten en zulk een gebrek aan ruggengraat als de nazi’s zo’n schare volgelingen kregen? Hoe kon het dat leden van een cultuurvolk zich plotseling aan een barbaar als Hitler overgaven, en hem volgden tot in de oorlog en de totale catastrofe?

Albert Speer, Hitlers hofarchitect en vanaf 1942 diens minister van bewapening en oorlogsindustrie, was het prototype van deze ‘eigenlijke shock’. Fest leerde hem kennen nadat Speer zijn twintigjarige gevangenschap in Spandau had uitgezeten. Hij hielp hem met de redactie van zijn herinneringen (1969) en gebruikte hem als bron voor zijn veel geroemde Hitler-biografie (1973). En die Speer was eigenlijk heel ‘aangenaam en beschaafd’. Maar tegelijk was hij medeplichtig aan de gruwelijkste misdaden. Hoe moet het met anderen gesteld zijn wanneer zelfs mensen van het type Speer zich zo met het nazi-regime hadden ingelaten?

Pas na de dood van Speer, in 1981, kwam Fest erachter dat hij wel had geweten van de uitroeiing van de Joden. Tot dan had hij gedacht dat Speer genoeg had geweten om niet meer te willen weten, en had hij Speers opmerking dat Fest hem niet zulke onbeantwoordbare vragen moest stellen, als een halve schuldbekentenis beschouwd. Maar in 1981 werd overduidelijk dat Speer op de hoogte was geweest. Tegen zijn vriend Wolf Jobst Siedler, de uitgever en net als Fest conservatief, zei hij: ‘Speer heeft ons allemaal een oor aangenaaid met zijn trouwhartige gezicht. Ik ben in elk geval niet bereid hem dat te vergeven.’

Toen Günther Grass geconfronteerd werd met Fests uitspraak over die tweedehands auto die hij niet meer van hem zou willen kopen, verweerde Grass zich met de opmerking dat Fest zich wel een tweedehands auto had laten aansmeren door Speer. Grass vergat dat Fest zijn falen in de omgang met Speer al eerder ruiterlijk had toegegeven. Habermas publiceerde een brief in het maandblad Cicero waarin hij betoogde dat Fest hem alleen maar had aangevallen omdat hij (Habermas) handlangers van het nazi-regime had bekritiseerd die Fest als uitgever van de Frankfurter Allgemeine Zeitung had willen rehabiliteren. Wie Fest dan had willen rehabiliteren, zei Habermas er niet bij. Habermas publiceerde de brief toen Fest al was overleden.

*) Eerder verschenen in HP/De Tijd.